Bruckner

De onzekere Anton Bruckner werkte zich via schoolmeester op tot organist, muziektheoreticus en componist, Maar als componist kreeg hij pas erkenning op het einde van zijn leven. Toen hij zijn vijfde symfonie schreef in 1875 woonde hij 5 jaar in Wenen, de stad die hij daarna niet meer zou verlaten. De achtste symfonie droeg hij op aan keizer Frans Joseph, van wie hij een appartement kreeg in schloβ Belvédère. Daar componeerde hij zijn laatste symfonie, die overigens niet helemaal af kwam. Deze laatste symfonie droeg hij op aan God, als deze hem tenminste wilde aannemen….

oberebelvedere

Anton Bruckner leed aan arithmomanie. De voortdurende neiging om dingen te tellen. Zo staan er in zijn partituur bij veel maten cijfers. Hij telde niet alle maten van het begin tot  het eind. Nee op bepaalde momenten begon hij te tellen tot bijv. 8. Op een plek telt hij ook tot 8 maar hij schrapt dan tijdens het componeerproces twee maten, de maten 3 en 4 van dat fragment. Maar de andere cijfers blijven intact, bang dat het systeem in elkaar zou donderen of zo? Ook telt hij soms dubbel, van een tot 8 en intussen begint hij te tellen van 1 tot 3. Kijkende naar de partituur kun je je er vaak wel iets bij voorstellen. Maar soms ook lijkt de logica ver te zoeken. Hij zette niet alleen in partituren cijfertjes. Ook in zijn agenda. Het was een soort afwijking.

fragment2fragment1

Zijn eerste zes symfonieën hadden geen succes. Zodanig zelfs dat hij van de meeste van deze symfonieën nooit een orkestrale uitvoering gehoord heeft. Uitgevers weigerden om de partituur te drukken. Pas vanaf de zevende symfonie kreeg hij erkenning. De reden is vreemd genoeg dat men hem te modern vond, te veel in de lijn van nieuwlichters als Liszt of Wagner. Zaterdag werd de vijfde symfonie van Bruckner uitgevoerd in de Doelen, door het Rotterdams Symphonie orkest onder leiding van Jaap van Zweden. Als je naar de toelichting kijkt van het programmaboekje  dan lezen we dat hij dit werk zijn “Kontrapunktisches Meisterstück” noemde. Hij zelf had les gehad van de doorgewinterde contrapuntist Sechter in Wenen, die hij nadien was opgevolgd. Het allegro van het eerste deel staat in de klassieke sonatevorm en het scherzo, inclusief “trio” volgt de traditionele vorm die nog verwant is aan die van het klassieke menuet, eigenlijk ook een soort sonatevorm. In het slotdeel combineert hij de sonatevorm met fugatische fragmenten. Kortom, het lijkt een en al ouderwetse degelijkheid. In de partituur zet hij erbij wanneer een nieuw thema begint, hij was zich ten volle bewust van de vorm.

Ik ben ook muziektheoreticus. Wat vind ik ervan? Tja. De symfonie duurt bijna anderhalf uur. Dat is voor een muziekstuk zonder tekst, zonder duidelijk programma erg lang. Het moet zeer hecht zijn en vooral een spannende overtuigende opbouw hebben. Is dat zo? In het programmaboekje wordt de vijfde van Bruckner met de negende van Beethoven vergeleken. Behalve dat deze niet anderhalf  uur duurt is de opbouw van de delen daar naar mijn gevoel veel hechter, spannender, aangrijpender. Beethoven weet hoe hij een doorwerking moet maken. Maar de vergelijking met Beethoven gaat zeker ook niet mank. Ik had bij het begin van het slotdeel, waar grote fuga-achtige passages in voorkomen, sterk de associatie met het begin van de Grosse Fuge van Beethoven voor strijkkwartet. Beethoven introduceert daar een aantal thema’s die hij later gaat gebruiken als fuga-thema’s, en na die introductie begint de eerste fuga-passage met een hectisch gepuncteerd ritme. Wat zien we bij Bruckner in het begin van het vierde deel? Hij herhaalt een aantal van de thema’s uit de eerdere delen, maar nu bewust heel versnipperd, net als bij Beethoven. Ook voorziet hij ze van nieuwe tegenstemmen. Dan gaat hij een van die thema’s uitwerken tot een fuga net als bij Beethoven, en, jawel, met een hectisch gepuncteerd ritme! Het lijkt op dat moment wel bijna jatwerk… Nee, hij laat zich gewoon inspireren door Beethoven. Vergelijk zelf:

Beethoven op.133 begin:

Bruckner Symphonie V begin deel 4:

Maar afgezien van dergelijke passages blijft Bruckner vooral steken in variatie-achtige technieken. En dat is niet genoeg in dit geval. Toch blijft er desondanks veel te genieten. Er zitten prachtige thema’s bij, zoals het thema van het adagio waar het eerste deel mee begint. De symfonie is zo wie zo uiterst doorzichtig, alle lagen zijn goed op elkaar afgestemd en helder geschreven. Gisteren was dat ook hetgeen voor mij bij de uitvoering van het Rotterdams Philharmonisch orkest de meeste indruk maakte: heel hechte strijkerspartijen, ze speelden samen als uit een stem, tegenover koper- en of houtblazers, ook zeer homogeen neergezet. En de harmonische bouw: Bruckner houdt van het gebruik van enharmoniek. Of van zogenaamde reële sequensen. En niet te vergeten tertsverwantschappen waarmee hij mooie modulaties maakt in het eerste deel bij een pizzicato-passage. Voor de geschoolde muziekmensen hieronder dat bewuste fragment met een korte harmonische analyse. In het muziekfragment kun je het terughoren, het schema wordt herhaald, de tweede keer met een melodie erbij.

tertsverwantschappen

Je herkent daarin niet alleen de muziektheoreticus maar ook de organist. Die passages doen soms denken aan César Franck. Voor bepaalde liefhebbers zijn die passages een genot om naar te luisteren. Desondanks begrijp ik nog steeds heel goed waarom deze symfonie pas zo laat geaccepteerd is. Hij is vooral te lang en ondanks zijn doorwrochte structuur vind ik hem persoonlijk dus niet hecht genoeg. Hij wordt tegenwoordig wel vaker uitgevoerd. Het applaus was overweldigend gisteren. Dat had Bruckner graag willen horen!

http://www.radio4.nl/zondagmiddagconcert/uitzendingen Klik op de uitzending van 8 oktober 2017.

Op youtube een opname van hetzelfde werk met het Concertgebouworkest o.l.v. Chailly. Ook een erg goede uitvoering en zo te horen een studio-opname, waardoor alles nog beter te horen is. : https://www.youtube.com/watch?v=xZPkqXsoa78

 

 

 

Over Pieter Simons

Docent muziektheorie, componist. Interesses: geschiedenis algemeen, kunstgeschiedenis, lokale geschiedenis, muziek en muziektheorie, filosofie, astronomie, fotografie, natuur, wilde bloemen
Dit bericht werd geplaatst in muziek, recensie en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Bruckner

  1. (Henny) Mooi inderdaad, deze vergelijking… Ook dacht ik gisteren even dat het beroemde Adagio van Mahler ging klinken. Te lang vond ik (via de radio) dit werk niet. Maar de structuur ontging me, het leek te blijven bij losse ideeën die elkaar alsmaar bleven opvolgen. Hoe dan ook is het fijn dat Bruckner zelf in ieder geval eindelijk dit werk een beetje zag zitten. Dat hij die dwangneurose voor tellen had, wist ik niet!

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s