Wat een mooie naam: “Morgenstern”. Ik ken mensen die “Maan” heten, en zelfs ook “Venus”. Maar Morgenstern vind ik veel mooier. We weten dat deze “ster” meerdere gezichten heeft, soms is ze avondster en soms morgenster. Ik zelf ben geboren toen ze morgenster was, Ze stond toen in conjunctie met nog zo’n prachtig hemellichaam, Jupiter, maar dat terzijde. Nee. “Morgenstern” voelt als de ster van hoop en liefde. Ook de ster van Bethlehem wordt er vaak mee geassocieerd.
Dit artikel gaat over een dichter die me, toen ik enkele gedichten van hem las, deed denken aan gedichten van Paul van Ostayen. Hij is iemand die intrigerende, korte gedichten schreef, die op het eerste oog nogal absurdistisch zijn. Maar als je ze echt tot je laat doordringen is het meer dan dat. Een van de beste klassieke componisten van deze tijd, Sofia Goebaidoelona, ging er mee aan de slag. Daarover aan het eind van dit artikel meer. Eerst iets over het leven van deze dichter.
Christian Morgenstern is in 1871 in München geboren. Ondanks zijn ogenschijnlijk goede “gesternte” begon zijn leven niet zo rooskleurig. Toen hij pas 10 jaar oud was stierf zijn moeder aan tuberculose, en zij heeft waarschijnlijk haar zoon aangestoken. Christian bleef daarna tot aan zijn dood sukkelen met zijn gezondheid. Hij heeft heel wat kuuroorden gezien, vooral dat in Davos. Ook na de dood van zijn moeder zag zijn leven er lang niet al te rooskleurig uit. Hij werd naar een oom in Hamburg gestuurd. Maar daar had hij het niet naar de zin en hij keerde na een jaar weer terug. Van de regen in de drup. Zijn vader plaatste hem op een zeer streng internaat waar zelfs lijfstraffen aan de orde van de dag waren. Toen hij 12 jaar was hertrouwde zijn vader en verhuisde naar Breslau om daar een functie aan de koninklijke kunstschool uit te gaan oefenen. Christian mocht gelukkig mee en bezocht in die stad het gymnasium. Zijn talent werd al snel ontdekt. Op 16 jarige leeftijd schreef hij een treurspel. Ook was hij gefascineerd door mineralen, bestudeerde ze las er boeken over en legde zijn bevindingen vast in een eigen boek. Leergierig als hij was stortte hij zich ook als een hongerige leeswolf op de teksten van Schopenhauer. Op zijn achttiende vond zijn vader dat het tijd werd voor een fatsoenlijke opleiding. Hij stuurde hem naar een vooropleiding voor officier. Christian kwijnde hier weg en na een half jaar vertrok hij daar weer, ook zijn tuberculose stak weer steeds meer op. Op onderstaande foto is Christian Morgenstern 18 jaar oud.

Na enkele bezoeken aan kuuroorden en onenigheid met zijn vader besloot hij om zijn eigen weg te zoeken. Zou hij niet kunnen leven als schrijver? In 1894 verhuisde hij naar Berlijn waar hij allerlei schrijversbaantjes aannam, hij schreef onder meer bijdragen voor het tijdschrift “Der Kunstwart” en “Der Zuschauer”. Een jaar later verscheen zijn eerste dichtbundel “Im Phanta’s Schloss”. In 1897 ondertekende hij met een uitgever een contract om werk van Ibsen te vertalen, ondanks het feit dat hij het Noors niet goed machtig was, Dus maakte hij reizen naar Noorwegen waar hij ook Ibsen zelf ontmoette. Hij leerde Noors en ging aan het vertalen.
Terug in Berlijn ging het lichamelijk weer veel slechter. Vrienden financierden een bezoek aan een kuuroord in Davos. Vanaf 1895 was hij met een club vrienden bezig geweest met theaterstukjes naar aanleiding van een nog steeds groeiende dichtbundel “Die Galgenlieder”. Tegelijk las en bestudeerde hij teksten van Hegel, Eckhart von Hochheim, Tolstoi en Spinoza. .
In 1909 bezocht hij voordrachten van Rudolf Steiner, raakte met hem bevriend (tot zijn dood) en werd een fanatiek aanhanger van de antroposofie en theosofie. In 1910, zeer ziek, trouwde hij met Margareta Gosebruch von Liechtenstern met wie hij al 2 jaar verloofd was. De laatste 2 jaar van zijn leven verbleef hij meestal in Italië waar hij uiteindelijk in maart 1914 stierf.
Via zijn vrouw is er veel over het leven van Christian Morgenstern bekend geworden en zij heeft ook van heinde en verre alles wat ze kon vinden van haar man, toen die was overleden, verzameld. Ik vertel nu iets meer over zijn vrouw, waardoor ook het leven van Christian wordt verhelderd. Ik vertaal wat ik las op de internetpagina https://www.fembio.org/biographie.php/frau/biographie/margareta-morgenstern/
Margareta Morgenstern (* 29. Maart 1879 in Berlijn; † 21. Augustus 1968 in Breitbrunn am Ammersee) was de dochter van de timmerman en latere architect Friedrich Theodor Albrecht Gosebruch en zijn vrouw Lida (geb. Jacobi). De vader overleed echter al in 1887 en de moeder hertrouwde daarna met generaal-majoor Friedrich von Liechtenstern. Margareta kreeg een opleiding conform haar stand. Ze was zeer muzikaal en een enthousiaste bezoeker van concerten en opera’s; bovendien speelde ze graag piano. Toen de generaal in 1906 overleed, was Margareta 27 jaar en nog niet getrouwd. In de zomer van 1908 verbleef ze met een vriendin in Bad Dreikirchen. Hier leerde ze de dichter Christian Morgenstern (1871-1914) kennen, die het Zuid-Tiroolse hoger gelegen dorp had bezocht ter verlichting van zijn tuberculose. Deze longziekte beheerste zijn leven. Al op 22-jarige leeftijd moest hij zijn studie afbreken en daarna volgden steeds weer kuur- en sanatoriumverblijven. De twee maakten samen wandelingen, speelden schaak en voerden lange gesprekken. Er ontstond een innige geestesvriendenschap. Nadat Margareta naar haar moeder in Freiburg was gereisd, ontstond er een levendige briefwisseling. Morgenstern was duidelijk hevig verliefd, want in een brief van 31 augustus 1908 sprak hij Margareta al aan met “Geliefde, mijn liefste hart”. Bijna dagelijks schreef hij haar en droeg natuurlijk ook gedichten aan haar op. Toen Margareta in oktober ziek werd en in een ziekenhuis lag, reisde Christian onmiddellijk daarheen om bij haar te zijn. Hier leerde hij ook haar moeder kennen, die echter niet enthousiast was over dit contact van haar dochter – tenslotte was zij de dochter van een generaal-weduwnaar. Ook Margareta’s broer Hans, die luitenant was, zag zijn officiersloopbaan in gevaar. In hun ogen was de “broodloze” dichter Morgenstern een maatschappelijke onmogelijkheid, die Margareta geen passend levensniveau kon bieden. Uiteindelijk zette de wilskrachtige Margareta zich door tegen haar familie in en na de verloving trouwden de twee op 7 maart 1910. Haar moeder en zijn vader (“ik betreur bijna jouw dwaling”) bleven echter weg van de huwelijksceremonie. Margareta, die zich eerder al met antroposofie had beziggehouden, liet Christian kennis maken met deze door Rudolf Steiner (1861–1925) opgerichte, spirituele en esoterische wereldbeschouwing. Samen bestudeerden ze zijn geschriften en – indien mogelijk – volgden ze Steiners lezingen, onder andere in Düsseldorf, Koblenz, Kristiania, Boedapest, Kassel en München. Hier leerden ze Steiner ook persoonlijk kennen en sindsdien verbond een hechte vriendschap het drietal.
In 1911 vestigden Christian en Margareta Morgenstern zich in Arosa (Zuid-Tirol); de patiënt had behoefte aan ijlere berglucht. Hoewel zijn gezondheidstoestand snel verslechterde, bleef Morgenstern actief; hij doorzocht zijn manuscripten voor een geplande verzameling. Naast de zorg en verpleging van de ernstig zieke Christian was zijn vrouw hierbij een grote steun. Aan het begin van 1914 wilde Morgenstern zich in het sanatorium Arco (Zuid-Tirol) laten opnemen, maar vanwege zijn uitzichtloze gezondheidstoestand werd de opname geweigerd. Na een korte opname in de tuberculose-inrichting in Gries bij Bozen overleed Christian Morgenstern op 31 maart 1914 in Meran-Untermais. Na zijn dood wijdde Margarete Morgenstern zich aan de literaire nalatenschap van haar man, die door zijn frequente verblijfplaatswisselingen aanvankelijk op vele plekken was verspreid en pas na jaren toegankelijk werd. Ze verzamelde, ordende en beheerde alle gevonden documenten en manuscripten. Op basis van dit materiaal bracht ze herhaaldelijk publicaties met zijn gedichten, aforismen en brieven uit, waarbij ze werd geholpen door de gezamenlijke vriend en anthroposoof Michael Bauer (1871-1929). Ze streefde geen “wetenschappelijke uitgave” na; de door haar geredigeerde bundels waren eerder liefhebbers-uitgaven. Vanaf 1919 woonde Margareta Morgenstern samen met Bauer in een nieuw gebouwd huis in Breitbrunn boven het Ammermeer. Het huis werd een spiritueel centrum waar vaak gasten werden ontvangen. De door Bauer begonnen Morgenstern-biografie heeft ze uiteindelijk (samen met de dominee en schrijver Rudolf Meyer (1896-1985)) voltooid en in 1933 uitgegeven. Margarete Morgenstern heeft een hoge leeftijd bereikt (89 jaar), waarbij ze haar sociale contacten bleef onderhouden. In haar samenleven met twee belangrijke mannen heeft ze zich meestal op de achtergrond gehouden; toch was ze altijd een gelijkwaardige en inspirerende partner – een destijds typisch en tegenwoordig nog maar zelden erkend vrouwenlot. Met haar onvermoeibare en onzelfzuchtige inzet heeft ze er een grote bijdrage aan geleverd dat Christian Morgenstern vandaag de dag gerekend wordt tot de erkende dichters van het begin van de 20ste eeuw.
Morgenstern werd uiteindelijk het meest beroemd om zijn gedichtencyclus “Die Galgenlieder”. In 1895 werden al een aantal gedichten van de Galgenliederen in een kleine kring van acht vrienden, de vereniging van de “Galgenbroeders”, tijdens uitstapjes naar de Galgenberg in Werder (Havel) bij Potsdam voorgedragen. Het waren een soort sessies waarbij ook “belangrijke voorwerpen” werden gebruikt: de teksten waren in een hoefijzer tussen metalen platen in de vorm van een beulshamer gebonden (je kunt dat nog terugzien in het Duitse Literatuurarchief in Marbach en in het archief van de uitgeverij Urachhaus). De kring kwam ook samen in cafés, vierde op ironische wijze mooi-gruwelijke rituelen (het doorknippen van de ‘levensdraad’, het ophangen en onthoofden van kleine poppen) en zong, ook met pianobegeleiding, de teksten van Morgenstern: het geheel leverde uiteindelijk “die Galgenlieder” op. Aanvankelijk had de dichter de manuscripten niet voor publicatie bedoeld. Bij voordrachten in het Berlijnse cabaret Überbrettl waren de teksten echter zo succesvol dat hij ze voor druk vrijgaf. De Galgenliederen verschenen in 1905 in boekvorm en vestigden de literaire roem van Morgenstern.
Taalkundig interessant in deze gedichten is hoe er met woorden, lettergrepen en rijm gespeeld wordt. Ook de plaatsing van de tekst op papier is suggestief, zoals hier bij het gedicht “de Trechter”

Ik vertelde al eerder hoe Morgenstern in de tijd dat hij met de Galgenliederen bezig was filosofische teksten van bijvoorbeeld Kant en Spinoza las. En hij was in die tijd dan nog wel geen antroposoof, maar voelde zich duidelijk al aangetrokken tot meer mystieke zaken. Het kan dan ook niet anders dan dat zijn gedichten niet alleen vaak de absurde en komische lading hebben die er makkelijk uit te halen valt, maar ook heel vaak (misschien altijd?) een diepere lading en dimensie hebben. Jeremias Mueller heeft daarover een aantal dingen opgeschreven, en ook die teksten zijn door Margaretha Morgenstern uitgegeven. Ik heb ze bestudeerd en kan er eerlijk gezegd niet zo veel mee. Dus ik houd het even bij mijn eigen interpretaties.
Laten we eens kijken naar het laatste gedicht dat ook in de muzikale uitwerking van Sofia Goebaidoelina zit, “Das Mondschaf”, “het maanschaap”.
Das Mondschaf steht auf weiter Flur.
Es harrt und harrt der großen Schur.
Das Mondschaf.
Das Mondschaf rupft sich einen Halm
und geht dann heim auf seine Alm.
Das Mondschaf.
Das Mondschaf spricht zu sich im Traum:
„Ich bin des Weltalls dunkler Raum.“
Das Mondschaf.
Das Mondschaf liegt am Morgen tot.
Sein Leib ist weiß, die Sonn ist rot.
Das Mondschaf.
De klank van het woord “Mondschaf” wordt gedomineerd door de lange “oo”-klank, gevolgd door de lange “aa”-klank. De ronde “oo” staat voor mij voor de volle maan (Mond). Als het volle maan is is de maan de hele nacht te zien, als hij dan weer onder is gegaan dan is het sprookje van de maan met zijn betoverende licht voorbij, het sprookje wordt gedood door het rode licht van de ochtendstond, door de opkomende zon dus. (Laatste couplet: Das Mondschaf liegt am Morgen tot, die Sonn ist rot)
Maar er is in het woord Mondschaf ook sprake van de “aa”-klank. Voor mij staat die voor het beeld van de maan als schaap, als een schaap dat geschoren moet worden maar nog helemaal bol en rond is door zijn wollen vacht. Het Maanschaap staat “auf weiter Flur”. Dat betekent letterlijk een heel brede vloer, maar omdat het maanschaap voor mij vereenzelvigd kan worden met de volle maan, wordt daar dan voor mij het heelal mee bedoeld. De maan beweegt aan de hemel tegen de achtergrond van de oneindige sterrenhemel, de “weiter Flur”. Met de großen Schur, het grote scheren, wordt bedoeld het jaarlijkse moment dat het schaap ontdaan gaat worden van zijn vacht. Dat zal gebeuren na volle maan, dus eigenlijk al na zonsondergang. Maar het maanschaap wil dat eigenlijk niet, het “harrt und harrt”, het wil koppig zijn toestand vasthouden. Dan trekt het een halm, een sprietje gras uit de grond. Vanaf middernacht wordt de baan van de maan weer lager, het dier gaat “Heim auf seine Alm”, het gaat terug naar waar hij vandaan kwam, zijn geboorteweide. Het beseft als in een droom dat het slechts een donkere ruimte vertegenwoordigt van het heelal. De laatste strofe spreekt voor zich: het maanschaap is dood, de zon is rood. Deze hele symbolische beweging van de volle maan aan de hemel, dat gekmakende mystieke moment waar ook Pierrot Lunaire al niet tegen kon, wordt in de woorden en de symbolen van dit gedicht samengevat en kan misschien ook geïnterpreteerd worden als de cyclische beweging van leven en dood.
Hieronder de interpretatie van Sofia Goebaidoelina en de drie musici Helena Rasker (sopraan), Niek de Groot (contrabas) en Francisco Anguas (percussie). Zie voor een uitvoering van nog een aantal gedichten deze pagina.
„Wie schön leuchtet der Morgenstern“ is een hymne van Nicolai uit de zestiende eeuw en het gedicht inspireerde Bach tot een van zijn mooiste cantates, BWV 1. Wat geeft de morgenster een prachtig licht! Christian Morgenstern heeft ons leven met zijn teksten ook verlicht.