Kusjesdag

Ik moest mijn oudste kleinzoon uit zijn rol van Sinterklaas halen want we gingen naar orgelles. Zo net nog,  in het spel met zijn broer en zusje,  lag hij ziek te bed en werd verzorgd door een zwarte piet (zijn zusje van 3). Wij als volwassenen moesten ook geregeld gaan slapen na  een wortel of een ui in de schoen te hebben gestopt. Ik kreeg van de Sint onder meer het boek: “Christianisierung im Mittelalter”. Ik wist niet dat de goedheiligman al sinds de middeleeuwen  bekeringsdrift had maar het leek me een mooi boek. Het was tijd om te gaan. Zonder morren schikte Sinterklaas zich in zijn lot: hij had immers best zin in orgelles.

In de auto stelde hij me diverse muziektheoretische vragen.
-‘Waarom zijn er op twee plaatsen géén zwarte toetsen op de piano?’
Oef, hoe leg je dat kort en bondig uit. Ik vertelde dat als je een toonladder zingt dat de afstand tussen de tonen niet overal hetzelfde is. Overal kan er nog iets tussen, maar op twee plaatsen niet. Alleen waar er nog iets tussen kan zit een zwarte toets. Dat werd door hem als verklaring geaccepteerd.
-‘Waarom kun je tegen een Cis ook een Des zeggen?’
Hij kijkt vaak in partituren die op de piano staan en blijkbaar is hem dat opgevallen. Hij krijgt er dus best al wat van mee. Ik antwoordde:
-‘Als een toonsoort kruisen gebruikt dan krijg je een Cis en met mollen een Des’. Ik besefte dat ik nog veel meer zou moeten vertellen maar hoe doe je dat in de auto zonder piano aan een zevenjarig kind? Ik zong dus maar als voorbeeld de toonladder van Bes mineur op notennamen en daarna die van A majeur op notennamen. ‘Zie je, de eerste keer zing ik een Des en de tweede keer een Cis.’
-‘Ik weet wat majeur en mineur is, als je bij C een Es maakt dan is het mineur.’
Hij zong tot aan de  kwint de toonladder van C mineur op notennamen en ook die van C majeur. Ik wist dat hij dit allemaal intuïtief beheerste, vanuit zijn improvisaties, maar niet dat hij het zich al zo bewust was. Hij weet voortdurend al zoveel van noten, hoe ze heten en hoe het werkt, zelfs met de notennamen. Maar zo gauw ze als bolletjes op een notenbalk staan wordt het een stuk moeilijker…

We waren er bijna. Ik vroeg hem nog een keer om er op te letten dat als zijn leraar ging praten hij dan moest stoppen met spelen, moest luisteren en dat hij dan antwoord moest geven op zijn vraag.
-‘Wil je dat echt proberen?’
–‘Ja hoor.’
-‘En je wilt natuurlijk heel graag laten horen dat je al een beetje het eerste preludium uit het Wohltemperiertes Klavier van Bach kunt spelen. Als je straks bij je leraar bent kun je dan het beste zeggen:
-‘Ik wil heel graag laten horen wat ik mezelf aan het leren ben. Maar eerst gaan we de oefeningen met noten doen, mag ik het daarna laten horen?’
Dat zou hij doen.

We waren bijna bij de Sint Jans kerk. Hij holde voor me uit. Toen ik er aan  kwam deed ik eerst nog even mijn mondkapje om. Ze kennen hem al bij de balie. Een medewerkster vertelde me:
‘Hij is gelijk de kerk in gerend.’
Hij zat midden in de kerk op een bankje te kijken naar het scherm met het orgel. Zijn leraar kon je ook zien op dat scherm, deze was aan het stemmen. Al snel ging mijn kleinzoon weer door de kerk dwalen, door de langste kerk van Nederland. Voor een rondje door deze kerk heen ben je een tijdje zoet. Ik ging hem zoeken en toen ik hem eindelijk te pakken had nam ik hem mee terug naar de wachtplaats, want hij zou nu zo wel opgehaald worden. Dat was ook zo.

-‘Weet je nog wat je aan je leraar zou vragen?’ vroeg ik hem, toen hij bij het orgel was gearriveerd.
-‘Ik ben een stuk van Bach aan het leren, kijk, dat klinkt zo’ en hij begon onmiddellijk te spelen. Zijn leraar liet hem spelen. Af en toe liet hij hem stoppen en wees hoe hij de verkeerde vingerzetting gebruikte. Braaf paste hij het toe en ging verder. Hele stukken sloeg hij over, het einde wist hij wel nog ongeveer. Hij speelde een plechtig slotakkoord.
-‘En wat komt daar achter?’ vroeg zijn leraar.
Na enig aarzelen speelde hij het thema uit de fuga maar bij de tweestemmige beantwoording wist hij het niet meer.
-‘Ga dat thuis ook maar oefenen’ zei de docent.

Ik vond het goed om te zien hoe hij technisch geholpen werd en hoe hij toch het stuk uit mocht spelen. Hij werd niet gecomplimenteerd maar hij werd alleen maar gepusht om er nog verder mee te gaan. Het spelen van de noten met de leesoefeningen even later ging een stuk beter dan de voorafgaande weken. Hij mocht zelf een begeleiding verzinnen in de linkerhand bij het thema van het slotdeel van de negende symfonie  “Ode an die Freude”. Dat ging heel goed, behalve dat hij daarbij in de rechterhand ook allerlei stemmen ging spelen, die op zich goed en muzikaal waren, maar daardoor ging weer van alles mis met de vingerzetting. Hij moest het nog een keer doen. maar in de rechterhand mocht hij toen alleen spelen wat er stond. Dus eenstemmig met de goede vingerzetting. En uitsluitend in de linkerhand mocht hij een begeleiding maken. Dat vond hij nu opeens toch wel moeilijk, zijn rechterhand gleed steeds onwillekeurig naar extra noten. Bij een andere oefening maakte zijn docent hem bewust dat hij “plakte”, dat wil zeggen dat hij de noten vaak net iets te lang aanhield zodat op het moment dat hij de volgende noot speelde het geheel een beetje door elkaar heen liep. Dit begreep hij. Hij vond het inderdaad niet mooi.

We liepen de kerk uit. Zijn docent liep met grote snelle passen en mijn kleinzoon rende enthousiast babbelend naast hem.
– ‘Jij bent een beroemde organist hè?’
-‘Dat weet ik niet, maar ik denk dat jij ook wel een beroemde organist gaat worden’. Wat een compliment dacht ik bij mezelf. Er achter aan hollende voegde ik er aan toe:
-‘Als je tenminste goed noten lezen blijft oefenen.’
Buiten gekomen zat op een bankje bij de kerk een groepje tieners. Ze waren uit grote zakken snacks aan het eten. Mijn kleinzoon liep naar hen toe.
-‘Hé, wat eten jullie? O, dat vind ik ook lekker. Mag ik ook iets?’
Een van de jongeren gaf hem iets. Enthousiast kwam hij weer achter me aan rennen. Hij had een stukje kibbeling gekregen en at het al lopende op. Bij de parkeerplaats was een dienstertje buiten aan het opruimen. Na vandaag worden de restaurants vanwege de nieuwe intelligente lockdown weer gesloten. Zij had een spatscherm op.
-‘Waarom heb jij een helm op, je bent toch geen ridder?’
Het meisje begreep hem niet en ik legde mijn kleinzoon uit dat dit een soort mondkapje was. Hij vond het raar dat de helm van boven open was.
-‘Ken jij dit?’ vervolgde hij de conversatie met het meisje? Hij begon de melodie van het carillon van het stadhuis van Gouda te zingen. Zij kende het niet.

-‘Wat vreemd, die melodie kent toch iedereen in Gouda?’ We liepen verder en ik opperde dat die vrouw waarschijnlijk alleen maar van popmuziek hield en dan luisterde ze waarschijnlijk niet naar het carillon.
-‘Ik hou alleen van klassieke muziek’ zei hij tegen mij.
We liepen verder. Er kwam een oudere mevrouw aan lopen. Het moment om zekerheid te krijgen over het carillonprobleem.
– ‘Houdt u van klassieke muziek?’
-‘Ja zeker, ik ben net op weg naar mijn koor.’
-‘Dan ken jij waarschijnlijk wel dit.’ Hij zong weer het carillondeuntje.’
-‘O, ja zeker, dat is van het carillon.’
Zichtbaar tevreden over het antwoord babbelde hij verder. Hij voegde er nog aan toe:
-‘Ik heb orgelles gehad. ‘
Maar de mevrouw liep alweer door. Thuis gekomen besefte ik, pas bij de buitendeur, dat hij nog tot honderd moest tellen. Dat mag niet ontbreken vlak voor het eten. Dus dat gingen we samen nog even doen. In sneltreinvaart, sneller dan ooit, telden we tot 100. Mijn kleinzoon liep binnen gekomen op iedereen af.  
‘Honderd! Eten!’
Daarna begon hij spontaan te zoenen: oma,  tante, broer en zus. Iedereen werd gezoend. En vervolgens rende hij naar de piano en speelde weer het eerste preludium uit het Wohltemperiertes Klavier van Bach. De rituelen waren afgehandeld. Toen hij naast me aan tafel plaats nam vroeg ik hem:
-‘Waarom ging je zonet iedereen zoenen?’ Het was me opgevallen dat hij dat op het schoolplein toen de school uit was ook al had gedaan.’
-‘Het is vandaag “kusjesdag”.
-‘Kusjesdag? Die ken ik niet. Is dat op jullie school uitgevonden?’
-‘Nee hoor, dat heb ik zelf uit gevonden.’

Hij had deze dag weer veel rollen gehad. De laatste rol was die van een lieve broer, lieve neef en lieve kleinzoon. Maar hij was ook Sinterklaas geweest. En hij was ook nog eens een beroemde organist in de dop geweest, die zich in de auto had ontpopt als een getalenteerde  muziektheoreticus. Intussen werkt zijn aanstekelijke vrolijkheid en openheid op bijna iedereen in zijn omgeving  als een weldaad. Kusjesdag! Hoe verzin je het. In deze coronatijd. Alle zorgen worden door hem vervangen door een lieve zoen en een blijde lach.

Geplaatst in autisme, muziek, pedagogiek en onderwijs | Tags: | 1 reactie

Das Lied von der Erde

Reinbert de Leeuw heeft zich bijna 50 jaar hard gemaakt voor die modern-klassieke muziek waarvan hij vond dat die gespeeld moest worden. Hij richtte in 1974 het Schönberg-ensemble op. In 2009 fuseerde dat met het Asko-ensemble. Dit ASKO-Schönberg ensemble bleef hij dirigeren tot vlak voor zijn dood op 14 februari 2020.

Tot zes weken voor zijn dood heeft hij nog gewerkt aan de opname van “Das Lied von der Erde” van Mahler, in een eigen bewerking. Dat gebeurde nu met het “Collectief”, een Vlaams ensemble. Omdat ik onlangs bij Musica Sacra in Maastricht een andere uitvoering hoorde van dit werk was ik gelijk nieuwsgierig naar deze opname onder leiding van Reinbert de Leeuw, die zeer onlangs verschenen is. Ik las het volgende in de toelichting die bij de de CD-opname zat:

Na onze première van Das Lied von der Erde op het Festival de Saintes overtuigde Reinbert ons om het werk op korte termijn op te nemen. We konden niet vermoeden wat de ware reden voor zijn haast was, ook al merkten we dat zijn oude lijf de laatste tijd niet meer mee wilde. Tijdens de opnames was Reinbert geïnspireerder dan ooit, hij leek zich volkomen met de boodschap van het werk te identificeren. Toen Reinbert enkele weken na de sessies zijn eigen afscheid van het leven aankondigde, waren we zwaar aangeslagen. Tegelijkertijd werd het glashelder waarom hij zich de laatste maanden als een bezetene op Mahlers muziek had gestort. Met het einde voor ogen was hij ervan overtuigd dat hij met deze allerlaatste opname nog iets essentieels kon bijdragen aan de vertolking van Das Lied von der Erde. Tot op het moment van zijn dood heeft het stuk hem niet meer losgelaten…

Zelf denk ik dat er drie factoren waren die maakten dat hij vond dat het ook opgenomen moest worden. Op de eerste plaats vanwege de muziek van Mahler. Die is namelijk ongelooflijk goed. Op de tweede plaats vanwege zijn eigen arrangement: daar was hij trots op, het klonk misschien zo nog wel beter als bij de grote orkestuitvoering van Mahler zelf.. Maar als derde en niet minste argument: vanwege de tekst en de invloed van die tekst op hem zelf. Het lied gaat over de eeuwigheid, over de telkens terugkerende lente, maar ook over de herfst. De herfst van zijn eigen leven waarvan hij voelde dat die niet alleen aangebroken was, maar ook bijna voorbij was. Het stuk gaat niet alleen over de aarde, het gaat vooral ook over de mens. In zes gedichten wordt geschilderd hoe er een kringloop plaats vindt. Het eerste lied is een soort inleiding, een samenvatting van wat er komen gaat. De laatste zin in dat lied waarschuwt ondubbelzinnig waar het uiteindelijk heen zal gaan: “Kijk, daar beneden! In het maanlicht op de graven hurkt een wilde, spookachtige figuur.”  Het tweede gedicht gaat over de herfst, verwelkte bloemen en eenzaamheid. Het derde gedicht gaat over jonge mensen die genieten van het goede leven. Het vierde gedicht is een en al lente, je hoort de onbezonnen vreugde van tieners. Het vijfde gedicht is de taal van de eenzame zuiplap die zijn ellende verdrinkt en aan wie zelfs de lente niet is besteed. Als die lente dan toch komt, in het zesde en laatste gedicht, dan zien we vooral de overgave. Laat de lente maar komen, maar ik, mens, wacht in alle eenzaamheid mijn einde af. Vooral de titel van dat laatste gedicht: “Abschied”, en de laatste woorden: “ewig, ewig, ewig..” spreken boekdelen.

Ik heb de uitvoering van Reinbert de Leeuw gekocht en werd er compleet door overrompeld. Het is als het requiem van Mozart, het is als het ware zijn eigen requiem maar tegelijk weerspiegelt het ‘t noodlot van het leven, maar ook het optimisme van die altijd weer blauw blijvende lucht. Ik begrijp dat hij vlak voor zijn dood dit stuk nog wilde uitvoeren en ook opnemen.  Mahler bevond zich in een enorme crisis toen hij indertijd dit stuk componeerde, misschien zag hij het al een beetje als zijn eigen requiem. Nu heeft Reinbert de Leeuw, meer dan honderd jaar na Mahler, de levenscyclus van “Das Lied von der Erde” nogmaals rond gemaakt.
Ik zet hieronder mijn eigen vertaling van de zes liederen.

Het lied over de aarde

1 Het drinklied over de ellende van de aarde

Reeds wenkt de wijn in gouden bokalen. Maar drink nog niet! Eerst zing ik u een lied! Dat lied vol kommer zal een hard lachen in de zielen laten klinken.  Als de ellende nadert liggen de tuinen van de zielen er verlaten bij, verwelkt en dan sterft de vreugde, het gezang.  Donker is het leven, is de dood. Heer des huizes, je kelder bergt een weelde aan goudgele wijn. Hier, deze luit eigen ik me toe. De snaren klinken en de glazen worden leeg.  Dat zijn de dingen die goed samen passen.  Een volle beker wijn, zo op z’n tijd, is meer waard, dan alle rijkdom hier op aarde! Donker is het leven, is de dood. Het hemelse blauw blijft eeuwig en de aarde zal lang zijn positie bewaren en bloeien in mei. Jij echter, mens, hoe lang leef jij dan wel? Geen honderd jaren mag je je tanden zetten in de miezerige dingen van deze aarde. Kijk, daar beneden! In het maanlicht op de graven hurkt een wilde spookachtige figuur.

2 Eenzame in de herfst

Herfstnevels golven blauwig over het meer. Met rijp beslagen staan alle grassen.
Men denkt, een kunstenaar heeft stof van jade over de fijne bloesem uitgestrooid.
De zoete geur van bloemen is vervlogen. Een koude wind laat hun stengels buigen. Weldra zullen de verwelkte, gulden bladen van de lotusbloemen op het water neerstrijken.
Mijn hart is moe. Mijn kleine lamp ging knetterend uit, dat maant me te gaan slapen.
Ik kom naar jou, vertrouwde legerstede. Ja, bied me rust, ik heb behoefte aan verkwikking.
Ik huil veel in mijn eenzaamheid. De herfst in mijn hart duurt te lang. Zon van liefde, zal je nooit meer schijnen, om mijn bittere tranen mild droog te laten worden?
 

3 Over de jeugd

Midden in de kleine vijver staat een paviljoen, gemaakt van groen en wit porselein. Als de rug van een tijger welft de brug zich omhoog uit de jade naar het paviljoen. In het huisje zitten vrienden, goed gekleed te drinken, te babbelen. Sommigen schrijven gedichten. Hun zijden mouwen glijden naar beneden,  hun zijden mutsen zakken grappig diep in hun nek. Op het stille oppervlak van de kleine vijver kun je alles mooi in spiegelbeeld zien. Alles staat op zijn kop in het paviljoen van groen en wit porcelein. Als een halve maan staat de brug, met de leuning omgekeerd.  Vrienden, mooi gekleed, drinken, babbelen.

4 Over de schoonheid

Jonge meisjes plukken bloemen, plukken lotusbloemen aan de oeverranden. Tussen bosjes en blaadjes zitten ze, doen ze de bloemen in hun schoot en roepen ze elkaar gekkigheidjes toe. Een gouden zon weeft zich om de gestalten, weerspiegelt ze in het blanke water. De zon weerspiegelt hun slanke lijfjes, hun zoete ogen. En een briesje heft plagerig hun geweven zijden mouwtjes omhoog, voert de tover van lekkere geurtjes door de lucht. O kijk eens, wat stormen daar voor mooie jongens aan de waterkant op stoere paarden? Feller glanzend dan de zonnestralen. Al vanuit het struikgewas richting groene weiden draaft het jongfrisse volk naar voren. Het paard van een jongen hinnikt vrolijk en schiet en stuift voorbij. Over bloemen en grassen schieten de hoeven, ze verpletteren in een keer de neergeslagen bloesem. Hei! Met weelderig wapperende manen. Dampend, snuivend, briesend. Gouden zonlicht weeft om de gestalten, spiegelt zich in het blanke water. En het mooiste meisje stuurt lange blikken van verlangen achter hem aan. Haar trotse houding is slechts schijn. In de flonker van haar grote ogen, in het donker van haar hete blik, weerklinkt klagend de opwinding van haar hart.

5 De dronkenlap in de lente

Als het leven slechts een droom is. waarom dan vermoeidheid en zorg? Ik drink tot ik niet meer kan, de hele lieve dag. En als ik niet meer drinken kan omdat mijn keel en ziel te vol zijn, dan tuimel ik naar mijn deur en slaap ik heerlijk. Wat hoor ik bij ’t ontwaken? Luister! Een vogel zingt in de boom.  Ik vraag hem of het al lente is, het is alsof ik droom. De vogel twittert: ja, de lente is er, hij is vannacht gekomen! Vanuit een verre slaap kijk ik glazig omhoog, de vogel zingt en lacht, en lacht! Ik vul opnieuw de beker en maak hem in een keer leeg en zing, tot de maan gaat schijnen aan het zwarte firmament. En als ik niet meer zingen kan dan slaap ik weer in! Wat interesseert mij de lente? Laat mij maar dronken zijn!

6 Afscheid

De zon verdwijnt nu achter het gebergte. In alle dalen valt de avondschemer met zijn schaduw die verkoeling biedt. O zie! Als een zilveren gondel zweeft de maan de blauwe hemelzee omhoog. Ik word gewaar hoe zoet een windje waait achter de donkere dennen. De beek zingt zeer welluidend in het donker. De bloemen verbleken in het licht van de schemering.  De aarde haalt vol rust en slaap adem. Alle hartstocht zal nu dromen. Vermoeide mensen gaan huiswaarts om in hun slaap vergeten geluk en hun jeugd opnieuw te leren kennen. De vogels zitten stil op hun twijgjes. De wereld valt in slaap. Het waait koel in de schaduw van mijn dennen. Ik sta hier en wacht op mijn vriend. Ik wacht op zijn laatste afscheidsgroet. Ik verlang, o vriend, om aan jouw zijde de schoonheid van de avond te genieten. Waar blijf je? Je laat me lang alleen! Ik trek van hier naar daar met mijn luit, over wegen die opzwellen door het zachte gras.  O schoonheid, o eeuwige lievende, levende levensdronken wereld!

Hij steeg af van ’t paard en reikte hem de dronk ter afscheid aan. Hij vroeg hem waarheen hij reisde en waarom dat zo moest zijn. Hij sprak, zijn stem was omfloerst. ‘Jij, mijn vriend, mij was dit aards bestaan geluk ontzegd! Waarheen ik ga? Ik ga. Ik trek de bergen in. Ik zoek rust voor mijn eenzaam hart.  Ik trek naar mijn vaderland, mijn woonplaats. Ik zal nooit meer de wijde wereld in gaan. Stil is mijn hart en het wacht op zijn uur. tot het tijd is.’
 Die lieve aarde, overal bloeit de lente op en wordt het opnieuw groen. Overal en eeuwig blauwt het licht de verten!  Eeuwig, eeuwig, eeuwig…

DER EINSAME IM HERBST.

Ik licht het tweede lied er uit, het wordt gezongen door Lucille Richardot. Je kunt in dit lied goed horen hoe Mahler, maar ook Reinbert de Leeuw fijnzinnig gebruik maken van de instrumenten. Elk instrument, elke combinatie komt tot zijn recht en heeft ook zijn functie. We horen onder meer de volgende instrumenten: fluit, hobo, althobo, klarinet, basklarinet, fagot, viool, altviool, cello, contrabas en harp. Het hele werk gebruikt geen koperblazers. In andere delen dan dit tweede deel horen we soms ook piccolo, piano, basfagot, harmonium, celesta of percussie.

  • In de muzikale inleiding hoor je het golven van de herfstnevels. Maar daarboven speelt de hobo een klaaglijk lied, dat staat voor de trieste sfeer van de hoofdpersoon. Er komen steeds meer instrumenten bij en daaronder komt een lang orgelpunt van een klarinet te liggen. Als de viool verschijnt wordt de zangeres daarmee ingeleid:
  • Herbstnebel wallen bläulich überm See; vom Reif bezogen stehen alle Gräser. De wijdsheid van het meer hoor je in de lange toon bij het woord “See”, maar de overgang naar hetzelfde motiefje in mineur maakt het meer niet alleen groots maar ook mistroostig. De grassprieten zijn stijf bevroren, de melodie gaat denk ik daarom omhoog, ze beeldt de rechtopstaande stijve grassen uit:
  • Man meint, ein Künstler habe Staub von Jade über die feinen Blüten ausgestreut.  Nu komt ook de cello erbij en nog meer instrumenten. De fijne stof jade noopt tot meer kleuren. Je hoort op het einde hoe de kunstenaar met zwierige hand voorzichtig het fijne stof uitstrooit:
  • Der süße Duft der Blumen ist verflogen; Ein kalter Wind beugt ihre Stengel nieder. Hier hoor je niet alleen aan de stem van de zangeres dat het koud is maar ook de klarinet speelt een ijzige triller boven het woord “kalt”. De wind is echt koud:
  • Bald werden die verwelkten, gold’nen Blätter der Lotosblüten auf dem Wasser zieh’n. Nadat deze woorden zijn gezongen hoor je hoe het harder gaat waaien. En prachtig is hoe je dan de lotusbloemen langzaam naar beneden hoort dwarrelen boven het meer:
  • Donkere harptonen brengen ons in de sombere stemming van het vermoeide hart: Mein Herz ist müde. De woorden worden begeleid door een vioolsolo met een tegenmelodie in de fagot:
  • Meine kleine Lampe erlosch mit Knistern, es gemahnt mich an den Schlaf. De muziek wordt rustiger, je hoort hoe de hoofdpersoon moe wordt. Bij het woord Schlaf hoor ik zelfs het gapen:
  • Der Herbst in meinem Herzen währt zu lange. Sonne der Liebe, willst du nie mehr scheinen, um meine bittern Tränen mild aufzutrocknen? De klacht van de eenzame leidt naar een hoogtepunt. Bij het woord “Sonne” zie je de zon zelfs even als het ware door de mist heen komen. Maar hij is gelijk weer weg, de klagende tonen nemen al snel weer de overhand:

Luister hier naar het hele lied:

DER EINSAME IM HERBST
Herbstnebel wallen bläulich überm See;
Vom Reif bezogen stehen alle Gräser;
Man meint, ein Künstler habe Staub von Jade über die feinen Blüten ausgestreut.
Der süße Duft der Blumen ist verflogen;
Ein kalter Wind beugt ihre Stengel nieder.
Bald werden die verwelkten, gold’nen Blätter der Lotosblüten auf dem Wasser zieh’n.
Mein Herz ist müde.
Meine kleine Lampe erlosch mit Knistern, es gemahnt mich an den Schlaf.
Ich komm’ zu dir, traute Ruhestätte!
Ja, gib mir Ruh’, ich hab’ Erquickung not!
Ich weine viel in meinen Einsamkeiten.
Der Herbst in meinem Herzen währt zu lange. Sonne der Liebe, willst du nie mehr scheinen, um meine bittern Tränen mild aufzutrocknen?  

Herfstnevels golven blauwig over het meer.
Met rijp beslagen staan alle grassen.
Men denkt, een kunstenaar heeft stof van jade over de fijne bloesem uitgestrooid.
De zoete geur van bloemen is vervlogen.
Een koude wind laat hun stengels buigen. Weldra zullen de verwelkte, gulden bladen van de lotusbloemen op het water neerstrijken.
Mijn hart is moe.
Mijn kleine lamp ging knetterend uit, dat maant me te gaan slapen.
Ik kom naar jou, vertrouwde legerstede.
Ja, bied me rust, ik heb behoefte aan verkwikking.
Ik huil veel in mijn eenzaamheid.
De herfst in mijn hart duurt te lang.
Zon van liefde, zal je nooit meer schijnen, om mijn bittere tranen mild droog te laten worden?
 

Je kunt de complete uitvoering van “Das Lied von der Erde” voor 10 euro downloaden. Het stuk duurt meer dan een uur en wordt uitgevoerd door Lucille Richardot, mezzo-sopraan, Yves Saelens, tenor en de 15 instrumentalisten van het Collectief. Het geheel staat onder leiding van Reinbert de Leeuw. Ga voor deze download naar Chandos.net.

Geplaatst in muziek, recensie | Tags: , , , , | 2 reacties

Studiedag

Wat kan een kind een hoop leren als er een studiedag is. Nee, hij leert niet door de studiedag, dat doen de juffen. Maar hij leert doordat hij zelf kan bepalen wat hij leert. Dat zag ik gisteren. Op de school van mijn oudste kleinzoon was dus een studiedag en hij mocht bij opa logeren. Al voor acht uur was hij er. Dát werd een lekker dagje. Orgel spelen, piano spelen, orgel bouwen, boekjes bekijken, filmpjes zien, oefenen met noten lezen op verschillende manieren, net voor de bui naar de speeltuin en en daar dan een half uur springen op de trampoline en nog veel meer.
-‘Ik wordt een beetje moe.’
Dat begreep ik. En ik werd een beetje koud, nee ik verkleumde inmiddels.. Terwijl hij daar stond te springen had ik het meest windluwe deel van de buitenkant van de trampoline opgezocht en intussen kletsten we samen over van alles, het gesprek ging van de hak op de tak. Dit keer ging het niet over pausen of koningen, nee, hij stelde weer eens allerlei vragen over het heelal. Ik vertelde hem dat ik de avond ervoor Jupiter met zijn vier manen en Saturnus had gezien.
-‘Opa, gaan wij vanavond ook samen sterren kijken?’
Dat vind ik natuurlijk superleuk maar het was de hele dag bewolkt en vaak regenachtig dus dat werd niets. Maar wel hebben we een film over de ontwikkeling van de aarde en het leven bekeken. Toen die afgelopen was ging hij alleen verder kijken. Hij koos een film die ging over de ontwikkeling van de landen in Europa, Een tijdmeter ging elke seconde een jaar verder en eindigde in 2019. Hij was ergens in de middeleeuwen begonnen. Ik kwam er weer bij toen de meter in de veertiende eeuw was. Geboeid zag hij hoe landen telkens van heerser wisselden, hoe de Fransen België en een deel van Nederland annexeerden en hoe in de negentiende eeuw het rijk van de paus eerst slonk tot de omgeving van Rome en uiteindelijk zelfs tot het nietige Vaticaanstad. Het was de tijd van de Zwitserse Garde, daar had ik hem al eens eerder over verteld. Daarna wilde hij een boek bestuderen over het heelal. Hij keek er weer met andere ogen naar als jaren geleden. “Het boek met het pijltje”, waar hij ooit zo verzot op was. ’s Avonds op bed wilde hij nog een ander heelal-boek bekijken. “Het boek van het ovaal”.

Bij de lunch bestudeerde hij het pak hagelslag.
-‘Wat is dat, emulgator?’
Ik vertelde dat het een middel was om te zorgen dat de dingen goed kunnen mengen. Dan wordt het een mooi glad goedje.
-‘Maar waarom staat er een dubbele punt achter?’
Die dubbele punt zegt: wat hier achter de dubbele punt staat , dat is allemaal emulgator. Er staat: “Emulgator: raapzaadolie”. Raapzaadolie maakt de hagelslag lekker egaal, daardoor mengen de suiker en de cacao en de andere dingen goed. Raapzaadolie is een goede emulgator. En kijk. Er onder staat weer iets met een dubbele punt. Glansmiddel: Arabische gom. Dat betekent dat ze Arabische gom gebruiken om de hagelslag te laten glanzen.  Arabische gom, dat zit trouwens ook in dropjes.’
Hij bestudeerde het hele pak. Ook keek hij mee terwijl ik las in de krant. Hij las de koppen hardop en vroeg dan waar het over ging. Het viel me op hoe moeilijk de taal is die er in de krant gehanteerd wordt. Dat is echt geen Jeugdjournaaltaal. Desondanks pikt hij er aardig wat van op.

Maar het leukste van alles was zijn eigen orgel. Opeens had hij een idee om van blokken en duplo een orgelkast, manualen en orgelpijpen te bouwen. Het werd ook nog eens wat. Apetrots!

Toen het mooie instrument op een gegeven moment in mekaar donderde besloot hij om een nog groter orgel te maken. Op zo’n orgel kon je uiteraard ook spelen. Op maar liefst drie manualen. Op de stang van de staande lamp zaten de registers. De negen  lades van het kastje waar alles op stond hoorden ook bij het mechaniek. Hij speelde onder meer een orgelbewerking van het eerste deel van symfonie 39 van Mozart.

En zo wisselde hij van alles af. Op de piano speelde hij stukken als de Toccata in D-mineur van Bach of Für Elise.

Of een eigen gemaakt barokstukje

Ook bleef hij maar improviseren. En wat leert hij zichzelf intuïtief veel over akkoorden. Ik heb een stukje opgenomen en geanalyseerd. Je kunt er naar luisteren en dan zegt het je misschien niets. Maar ik, als muziektheoreticus vindt het ongehoord hoeveel hij zich zelf leert en hoe hij de klankwereld van de akkoorden verkent. Ik heb op enkele plaatsen erbij gezet wat er zoal gebeurt. De afbeeldingen die je intussen ook ziet hebben er niet echt iets mee te maken, ze zijn van de Mookerhei van afgelopen vrijdag of het zijn foto’s van mijn kleinzoon gisteren.

Ik heb trouwens nog niet verteld dat hij ook weer veel componeert. Hij ziet dan de partituur van de fantasie opus 77 van Beethoven op de piano staan. Hij vraagt me honderduit wat al die nootjes en symbooltjes betekenen. En dan gaat hij componeren. Zijn eigen fantasie. Met alle mogelijke tekentjes, prachtige schilderijen maakt hij.
Woensdag dan heeft hij weer orgelles en dan moet hij ook weer vanaf noten gaan lezen. Het orgelboek is nu even opzij gezet. Het blijkt dat hij erg veel moeite heeft met het plaatsen van die bolletjes op en tussen de lijnen. Ik heb veel grotere noten voor hem gemaakt en eenvoudige liedjes verzonnen met slechts twee ritmes. Zijn leraar heeft dat overgenomen en nu moet hij twee van die liedjes oefenen. Concentratie en focus zijn desondanks nog steeds niet erg goed, maar het gaat al iets beter. Hé, boven staat nog een oude laptop van 20 jaar geleden bedacht ik opeens. Daar staat een programmaatje op dat ik 25 jaar geleden schreef, een programma voor Dos in de taal Quickbasic. Ik haalde de laptop tevoorschijn en probeerde het programma weer eens uit. Geboeid kwam hij kijken. Dat wilde hij ook wel eens  doen. Ik hoefde niet veel uit te leggen. Je kunt op een simpele manier noten invoeren, die ook horen terwijl je ze invoert, en je kunt je eigen geschreven muziekjes terug beluisteren. Het werkte!

Na een toch iets te korte nacht wilde hij opstaan. Zijn nieuwe, grotere orgel stond er nog. Daar wilde hij als eerste heen!

Daar aangekomen begon hij alweer te spelen. In het half donker, met een lamp aan en nog in zijn pyama. O wat was hij blij en gelukkig. Na het ontbijt bracht ik hem naar school. Zijn snoetje was bedrukt. Hij stapte uit de auto en begon onbedaarlijk te huilen. Ik ken dat inmiddels, Maar nu was er meer aan de hand. De juffrouw vertelde toen zijn moeder hem kwam ophalen dat hij de hele dag door was blijven sniffen, zelfs tijdens de gymles, en dat hij niets had gegeten. Vandaag had hij school. De school is er om dingen te leren. Wat zal hij geleerd hebben? Normaal, als hij blijft logeren, is hij daarna nog de hele dag tot ’s avonds bij ons. Dat was nou niet zo. Dat was voor hem dus opeens heel anders. Dus was hij in de war. Ondanks dat het hem van te voren allemaal goed was uitgelegd. Maar verder had hij het potverdikkeme ook nog eens zo erg naar de zin gehad. En dat leuke was voor zijn gevoel voorbij. Hij wilde dat het eeuwig door zou gaan. Maar nee, nu moest hij weer gaan” leren”. De speeltijd was voorbij. Dubbel huilen dus. Hij is dan compleet zonder grenzen, alle remmen gaan los. Tegelijk is het ook een ritueel aan het worden. Dat doet hij ook als hij bij een van de andere opa’s en oma’s op bezoek is geweest, of als er bezoek geweest is bij hem thuis. Bij het afscheid klinkt er steevast: ‘ik ga jullie missen’, en daarna is het huilen geblazen. Het heeft iets puurs, maar: zo erg? Dat ritueel moet nodig doorbroken gaan worden. Mijn vrouw oppert: misschien van te voren zeggen dat we het niet willen horen of zien. En dan gelijk weg gaan als hij het toch weer doet. Wie weet.

Morgen gaan we weer naar het Moreau-orgel. En naar zijn eigen gemaakte orgel. Dat wordt weer feest. Maar waarschijnlijk is die dag dan weer veel te kort… Wanneer is er trouwens weer eens een studiedag?

Geplaatst in autisme, muziek, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , | 3 reacties

De gouden decennia der stad Maastricht

In de laatste helft van de twaalfde eeuw zijn er een aantal uitstekende kunstenaars aan het werk in Maastricht. Van daaruit werken ze tot in Utrecht. Maar het duurt tot ongeveer 1470 voordat Maastricht zijn oude faam van kunstenaarsstad weer terug heeft. Hoe kon het dat deze stad zo tussen 1470 en 1530 vrij plotseling enorm opbloeide? De oorzaak kun je vinden als je kijkt naar wat er in die tijd allemaal in de regio gebeurde. Met name in Luik.

Luik had al een bisschop vanaf 714, toen het bisdom van Maastricht naar Luik was verhuisd. En die bisschop was zoals de meeste bisschoppen in die tijd altijd een zogenaamde prins-bisschop, dat wil zeggen dat hij naast klerikale functies vooral ook wereldlijke functies vervulde. Hij was daardoor vergelijkbaar met een graaf of hertog. Het grote verschil: het ambt van bisschop was niet erfelijk, maar hij werd benoemd. Om dat recht van benoemen ging de investituurstrijd: mocht de Rooms-Duitse keizer hem benoemen of de paus? Het pleit werd uiteindelijk, pas in de dertiende eeuw, ten gunste van de paus beslecht, maar dat neemt niet weg dat er veel intriges bleven bestaan rond de bisschopsbenoeming.

In het tweede kwart van de vijftiende eeuw was Jan van Heinsberg prinsbisschop in Luik. Hij was niet geliefd. In 1448 probeerde een Maastrichtse Franciscaan deze bisschop zelfs met pijl-en-boog van het leven te beroven. Deze pater werd in Luik ter dood gebracht. Uiteindelijk werd Jan van Heinsberg door Filips de Goede gedwongen af te treden, om plaats te maken voor Filips’ neef Lodewijk van Bourbon. Jan trachtte nog hulp te krijgen van koning Karel VII van Frankrijk, maar zijn eigen kapittel keerde zich tegen hem en stuurde gezanten naar Rome om de paus ertoe te bewegen hem af te zetten, wat in november 1455 lukte. Zo werd in 1456 de zittende bisschop van Luik, Jan van Heinsberg, vervangen door de pas achttien jarige Louis de Bourbon, neef van Philips de Goede van Bourgondië.  Maar de vergaande invloed van Bourgondië, dat wilden de inwoners van het prinsbisdom nou ook weer niet. Met name de burgers van de twee grootste steden van het prinsbisdom, Luik en Dinant, mopperden. Het Luiks stadsbestuur besloot de jonge bisschop daarop domweg af te zetten, maar Philips stuurde zijn zoon Karel de Stoute om het gezag te herstellen. In 1465 vond de slag bij Montenaken plaats, waarbij de Luikenaren werden verslagen en het gezag van Louis de Bourbon werd hersteld. Dinant hield niet veel later plundertochten in het nabije Bouvignes. Ook nu weer snelde een leger van Karel de Stoute er heen. In 1466 werd Dinant in de as gelegd en Karel de Stoute liet 800 inwoners ter dood brengen: ze werden aan handen en voeten gebonden en midden op de Maas in het water gegooid. De vestingmuren van de stad werden vervolgens gesloopt. Het jaar er na toog Karel de Stoute naar Luik met de aldaar nog steeds pruttelende inwoners. Op 12 november 1477 gaf de stad zich over. Het Luikse bestuur werd verdeeld over drie andere plaatsen:  Maastricht, Namen en Leuven en zo werd het prinsbisdom een vazalstaat van Bourgondië. De twaalf belangrijkste burgers werden ontboden, negen werden er op het marktplein onthoofd, drie werden er verbannen. De stad en de gebieden van het prinsbisdom moesten vervolgens een enorme som geld aan belasting opbrengen. Veel kerken, kloosters en dorpen moesten hun gronden verkopen of belenen om aan de schulden te kunnen voldoen. Karel de Stoute ging voor de derde keer trouwen. Dat gebeurde in Brugge, met Margaretha van York. Luik zag de kans schoon om nu het paleis van de nog steeds aanwezige prins-bisschop Louis de Bourbon aan te vallen. De pas getrouwde Karel de Stoute toog toen nogmaals naar de stad, maar nu spaarde hij niemand. Luik moest geheel van de kaart worden geveegd. De stad werd “professioneel” geplunderd en 5000 burgers vonden de dood.

Dit was het einde van deze middeleeuwse stad en het hele gebied er omheen werd ook hard getroffen. Karel de Stoute richtte zijn moorddadige pijlen intussen op andere gebieden. Als je de verhalen daarover leest word je daar ook niet vrolijk van. Na zijn dood nam het aantal inwoners al snel weer toe en met prinsbisschop Érard de la Marck (1505-1538) herwon Luik zijn rang van religieus, administratief en gerechtelijk centrum. Het nieuwe bisschoppelijke paleis werd in de bekende gotische stijl gebouwd. Andere nieuwe gebouwen kregen de meer renaissancistische Maaslandse stijl.

Maar door de verwoesting van Luik was er in het laatste kwart van de vijftiende eeuw een lacune ontstaan. Tot die tijd was deze stad een van de meest vooraanstaande centra van kunst en cultuur. Het trok de meest uitmuntende kunstenaars en ambachtslieden aan. Die zochten nu hun heil elders. Een van de plaatsen die het overnam was Maastricht. Maastricht was zo tussen 1470 en 1530 opeens een belangrijk ambachtscentrum met veel ateliers. Zoals er ook al eind twaalfde eeuw veel kunstenaars werkzaam waren in Maastricht, zo leek die welvarende periode opeens weer terug te keren. Gedurende enkele decennia, want langzaam herstelde intussen zoals gezegd ook Luik weer. En ook de vele gebeurtenissen met betrekking tot godsdiensttwisten en de tachtigjarige oorlog maakte geleidelijk een einde aan deze bloeiperiode in Maastricht.

Wie waren nu die belangrijke kunstenaars van rond 1500 in Maastricht? Jef Moers heeft er een boek aan gewijd. Na twaalf jaar speuren in alle mogelijke archiefdocumenten heeft hij hier een verslag van kunnen maken. Zo heeft hij de echte namen weten te achterhalen van een aantal kunstenaars die tot nu toe slechts met hun bijnamen bekend waren. Ik zal er slechts twee  noemen:

Aert van Tricht blijkt Aert Pellera te heten, hij leefde van circa 1450 tot 1538. Hij was geelgieter en koperslager en zijn familie stamt uit het gebied rond Bouvignes-sur-Meuse. In dat gebied waren kopergieters gevestigd die van oudsher in heftige concurrentie waren met die van het prinsbisdom Luik. In 1479 vestigt hij zich in Maastricht onder de naam Ernolt Luchtermecker. Het gezin kocht later een woning in de voormalige Boxstraat, niet ver van de later verloren gegane kerk van Maria ten Oever. (De Boxstraat is bij de aanleg van het kanaal naar Luik helemaal afgebroken, na demping van dat kanaal is daar nu de Kesselkade). Er zijn nog heel veel werken van Aert van Tricht bewaard gebleven, zoals een meer dan vijf meter hoge sacramentstoren in de Sint-Laurentiuskerk van Bocholt.

Detail van de sacramentstoren met de heilige Paulus, Petrus, Laurentius en Lambertus

Hij kreeg opdrachten tot in de verre omtrek, waaronder enkele belangrijke in den Bosch, Leuven en Xanten. Door zijn vele opdrachten buiten Maastricht kreeg hij de bijnaam “Aert van Tricht”. Kinderen en kleinkinderen van hem gingen ook het vak in. Zij woonden in Maastricht en overleden soms elders, zoals in Antwerpen, in een tijd dat Maastricht alweer over zijn hoogtepunt heen was. Er waren ook leden die zich tot het protestantisme bekeerden.

Jan van Steffeswert leefde van 1470 (of eerder) tot 1537. Hij signeerde zijn werken meestal met “Jan Bieldensnieder”. Hij vestigde zich in 1488 of eerder in de stad.  Bijna zeker komt hij uit Stevensweert of Wessem. Zijn broer die zich ook vestigde in Maastricht noemde zich meest Siets van Wessem of Siets van Steffens weerde. De eerste jaren hield hij zich waarschijnlijk vooral bezig hield met het maken van prenten en zegels. Pas vanaf 1499 kennen we hem als beeldensnijder. Tussen 1505 en 1507 trouwt hij, in 1508 heeft hij in ieder geval een dochter. Zij wonen dan in de Mariastraat. In zijn atelier heeft hij ook leerjongens in dienst. Waarschijnlijk voelde hij zich ook aangetrokken tot de nieuwe Christelijke sekten, maar hij was huiverig vanwege al zijn kerkelijke werkgevers. Haar schoondochter is een van degenen die in 1533 als anabaptist verbrand werd. Van Jan van Steffeswert is veel werk bekend, zoals de prachtige Christoffel die je ziet als je de Onze Lieve Vrouwekerk van Maastricht binnenkomt. Een groot aantal beelden van hem is ook te zien in het Bonnefantenmuseum.

Het boek van Jef Moers staat bomvol met afbeeldingen van aktes uit steden, kerken en kloosters en ook met veel afbeeldingen van kunstwerken. Van maar liefst tien groepen van kunstenaarsgildes zijn de namen en achtergronden van de betreffende kunstenaars uitgezocht: klokkengieters, glazeniers, orgelbouwers enzovoort. Wat dat betreft krijgen we een mooi overzicht. De opbouw van het boek doet wat chaotisch aan doordat er soms van de hak op de tak wordt gesprongen en het verhaal over het leven van de kunstenaar niet goed te volgen is, omdat alles voortdurend gelardeerd wordt met stukjes uit onderzochte akten. Je kunt zo wel goed zien waar al de kennis vandaan komt. Desalniettemin is het een prachtig boek met waardevolle informatie over deze korte en relatief onbekende gouden periode.

De Gouden decennia der stad Maastricht, 1470-1530. Jef Moers. Uitgegeven in eigen beheer, te bestellen via de auteur jefmoers@hetnet.nl

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Adagio con Gran Espressione

Celliste Lidy Blijdorp speelde afgelopen zondag bij Podium Witteman onder meer een deel uit de sonate voor cello solo van de Hongaarse componist Zoltan Kodaly.  Het stuk stamt uit 1915, de componist was toen 33 jaar oud. Wat een tumultueuze tijd! We zitten midden in de eerste wereldoorlog en op het gebied van de kunsten zijn inmiddels overal de grenzen verlegd. De eerste atonale stukjes zijn pas zes jaar eerder geschreven, de Sacre du Printemps van Strawinsky is net twee jaar oud, het kubisme is helemaal hot, bijna iedereen zoekt de grenzen op. Kodaly deed dat op zijn manier ook. Hij experimenteerde met toonsoort en klankkleur. In het laatste deel verandert hij de stemming van de vier cellosnaren. De bovenste twee snaren blijven hetzelfde als bij een normale stemming, terwijl de onderste snaren een halve toon lager worden gestemd. Hierdoor wordt zowel het tonale als het expressieve bereik van het instrument uitgebreid. Ook schuwt hij niet voor het gebruik van glissandi en flageoletten, liefst in combinatie met pizzicati of het spelen op de kam. Het is met recht een stuk dat je tot het expressionisme kunt rekenen. Net als Bartok verwijst Kodaly ook naar elementen uit de Hongaarse volksmuziek.

Lidy heeft het stuk de laatste tijd vaak gespeeld, het staat op haar net uitgekomen CD Journeyers. Nu op TV speelde ze dus alleen het tweede deel, en van dat deel eigenlijk ook maar de helft, want na de eerste inleiding sprong ze gelijk naar de reprise. Vreemd genoeg zou dat deel voor mij eigenlijk altijd zo gespeeld mogen worden. Want juist het ontbreken van een herhaling maakt het tot een echte fantasie, iets waarbij het niet om de vorm gaat maar om de expressie, waar het zeker bij dit stuk alleen maar om draait. Dus kun je zo’n stuk beter niet in een strak omlijnde vorm gieten. Hieronder staat een link naar de opname van zondag. Ik heb er ook de noten bij gezet. Je kunt dan kijken naar hoe ze het doet, of je kunt het stuk volgen met de partituur erbij, of nog beter: je luistert met je ogen dicht. Kodaly gaf aan dit deel de titel: Adagio con Gran Espressione. De uitvoering van János Starker in 1948, die ook een grammofoonprijs won, noemde hij een “bijbelse uitvoering”. De uitvoering van Lidy is aards met ruwe klanken, maar telkens weer ga je ook even naar de hemel.

Lidy Blijdorp speelt het adagio con gran espressione uit de sonate voor cello solo van Kodaly bij Podium Witteman

De hele uitzending met veel mooie dingen, maar ook waarin Lidy Blijdorp nog andere stukken speelt en vertelt over de hilarische gebeurtenissen op haar release concert vindt je via deze link

Geplaatst in muziek, recensie | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Het Moreau-orgel

-‘Wat doet u, waarom maakt u foto’s?’
-‘Omdat ik het een mooi stadje vind.’
-‘Mijn vader schildert dit soort plekjes, hij is schilder. Kent u hem?’

Mijn kleinzoon, op weg naar huis, komt een kiekjes schietende toerist tegen. Vervolgens vertelt hij hoe zijn vader heet, hoe hij zelf heet en waar hij woont. O, ja, hij wil een beroemde organist worden.
–‘Morgen krijg ik les van een beroemde organist op het Moreau-orgel,’
voegt hij er nog aan toe.

De dag er na is het dan zo ver. Hij schreeuwt het in Gouda van alle daken, al lopende samen met mij door de binnenstad.
-‘Ik krijg orgelles, in de St. Jan. Zien jullie dat, in díe kerk daar. Op het Moreau-orgel!’
 We zetten de paraplu op, we hadden in de auto al een donkere lucht zien aan komen en het begon nu stevig te regenen. We waren er veel te vroeg, bij zijn tweede orgelles, en deze was dus in de Sint Jan. Hij rende voor me uit en stormde naar de balie.
-‘Ik heb orgelles op het Moreau-orgel. Moeten wij betalen?’

Ik kwam er aan en verduidelijkte de situatie.
-‘Zo’n kleine jongen, heeft hij orgelles?
‘-‘Ja zeker. Maar we zijn hier nu voor het eerst en we weten niet hoe het werkt. De les is trouwens pas over twintig minuten.’

We mochten alvast de kerk in en hoefden niet te betalen. Mijn kleinzoon was nog steeds even opgetogen. Hij liep een klein stukje verder en wees omhoog:
-‘Daar, opa zie je het? Dat is het Moreau-orgel. Daar krijg ik les.’
Toen vroeg ik hem dringend om niet te gaan rennen en alleen maar zachtjes te praten.
-‘Kom, dan gaan we hier even zitten, en dan kunnen we ook goed naar het orgel kijken.’

Dat was te veel gevraagd. Gelukkig was hij wel stil en ging niet rennen, maar met ferme pas ging hij de hele kerk bestuderen. Ik bleef nog even zitten en ging toen toch maar kijken wat hij aan het doen was.

Hij had zijn leraar al ontdekt. Hij was met anderen aan het praten, vertelde mijn kleinzoon.
-‘Heeft hij jou gezien?’
-‘Nee hoor.’
Ik verwonderde er mij over dat hij niet naar hem toe was gerend en hem had aangeklampt. Hij snapt dus dat hij dat niet zo maar mag doen. Intussen was hij wat rustiger geworden. We keken naar een schilderij en enkele van de prachtige “glazen”, de beroemde glazen van Gouda, de eeuwen-oude glas-in-lood-voorstellingen.
-‘Wie is dat?’
-‘Dat is koning David. Kijk maar. Hij heeft een kroon op. Weet je waarom het David is, kijk maar eens achter hem? Daar staat een harp. En Koning David kon de harp bespelen.’
-‘O ja.’
Hij weet hoe een harp er uit ziet. En ik vertelde dat deze koning voor kwam in de bijbel en dat hij heel veel psalmen heeft geschreven. In protestantenkerken worden altijd veel psalmen gezongen. Dat wist hij ook. Hij kijkt op youtube vaak naar filmpjes naar organisten en soms ziet hij dan ook een stuk van een dienst. Hij speelt zelf inmiddels ook soms psalmen. Die heeft hij gehoord en speelt hij na. Met mooie akkoorden erbij. We zagen een bordje met PS en een nummer. Ik legde uit wat dat betekende.

Eindelijk kwam zijn leraar. Deze zette het orgel aan en onmiddellijk begon mijn kleinzoon te spelen en vooral te luisteren naar de prachtige klanken van dat orgel.

De les ging vrij goed. O, dat noten lezen. Maar hij deed zijn best. Helaas, zijn focus blijft heel kort. En aan het einde van elke oefening speelde hij de slotnoot van het vervelende deuntje met een akkoord erbij en wilde dan gelijk gaan improviseren. Toen zijn leraar dat door had sprak hij af, dat wanneer hij eerst het liedje goed gespeeld had dat hij dan iets mocht spelen wat hij zelf wilde. Op het einde deed hij er nog een schepje boven op. Hij mocht de liedjes van het orgelboek spelen met akkoorden erbij die hij zelf mocht verzinnen. Ook ging hij mee spelen en veranderde van allebei de manualen het register. Hij trok de knop van een kwintregister uit. Mijn kleinzoon speelde een C.
-‘Hé, de C klinkt nu als een G.’
Verwonderd hoorde zijn leraar dat en legde uit wat een kwintregister was.

De les zou normaal 20 minuten mogen duren, maar het werden er 40. Vooral omdat elke oefening bijna niet door hem afgemaakt werd. Maar mijn kleinzoon vond het een goede les. We liepen naar buiten. Het was vrijwel droog en er liepen mensen op de markt. Hij riep iedereen toe:
-‘Ik heb op het Moreau-orgel gespeeld!’

Meer informatie over het Moreau-orgel vind je hier:

Geplaatst in autisme, muziek, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , , | 5 reacties

Beschaving

Angela Merkel zegt wijze dingen over het sluiten van compromissen en over het zorgvuldig omgaan met het gebruik van taal. Over wezenlijke dingen sluit je geen compromis, daar sta je voor. Maar er zijn erg veel dingen waarover je wel compromissen kunt sluiten. Door het sluiten van dergelijke compromissen komen mensen nader tot elkaar en gaan ze met elkaar in gesprek. Dat is waardevol.

Over het gebruik van taal: er wordt tegenwoordig snel van alles geroepen. Ook de woordkeuze is niet altijd fijnzinnig. Als dat allemaal maar kan wordt het snel van kwaad tot erger. Dit alles getuigt van beschaving, respect voor je medemens en zorgvuldigheid.

In Nederland zijn er volgend voorjaar weer verkiezingen. Zelfs de belangrijkste politicus van Nederland en de aanvoerder van de grootste partij is weer als vanouds bang voor de populisten, met name dat hij daar stemmen zal gaan verliezen. Hoe voorkom je dat? Door ook populistische en makkelijke uitspraken te gaan doen. “Hou je bek.” Zo, dát klinkt stoer! Dat is tenminste iemand die precies zegt wat wij ook denken!

Ik was enkele dagen in Keulen. Tot Duisburg zat ik in de ICE, daarna in een nationale intercity. Tot twee keer toe zag ik in die laatste trein iets ongehoords: er kwam bij een volgend station een man, later nog weer een vrouw binnen, allebei van zo rond de 50 jaar schat ik. Twee verschillende tieners (16 jaar?) stonden op en boden in de drukte aan deze volwassenen hun eigen plaats aan. Ik wist niet wat ik mee maakte.

In Keulen moest ik wennen aan het mondkapjesbeleid. Overal waar je naar binnen ging moest een mondkapje op. Van stationshal, tot hotel, tot winkel, tot café, tot museum, tot kerk. En iedereen had zo’n kapje om. Ik vergat het af en toe en schrok onmiddellijk als ik anderen zag die het wel om hadden en deed het gelijk ook braaf. Een enkele keer werd ik er vriendelijk op geattendeerd. Het leven ging gewoon door. Het was een leven met mondkapje. Iedereen was vriendelijk.

Het verkeer in Keulen is geen pretje. Er zijn in het centrum grote straten met veel verkeer dat van alle kanten aan komt stormen en dat dan via stoplichten wordt gestroomlijnd. Het verkeer is er zo druk dat men het snel wil laten door stromen vermoed ik. Het duurt dus behoorlijk lang voordat eindelijk ook de voetgangers kunnen oversteken. En als je daarna nog een keer moet oversteken moet je weer een tijd wachten. Maar wat schetst mijn verbazing: iedereen wacht keurig totdat het stoplicht voor de voetgangers weer groen is, ook als er helemaal niets meer komt en je eigenlijk daar voor “piet snot” lijkt te staan wachten. Niemand piekert er over om snel even een hupje naar de andere kant te maken. Men neemt de tijd. Een weldadige tijd als je je er aan overgeeft. Zo kom je ondanks de drukte vanzelf tot rust.

Ik weet niet hoe het komt dat er in Duitsland zoveel minder Covid19 besmettingen zijn dan in Nederland. Ik kan alleen constateren dat de mensen daar veel beschaafder zijn dan hier. Ik wens Nederland ook een Angela Merkel als premier toe.

Geplaatst in maatschappij | Tags: , | 3 reacties

Abschied

Drie dagen Musica Sacra, dat betekende in dit geval vier theater ervaringen tijdens prachtig weer in de mooie stad Maastricht. Met veel minder publiek dan normaal, vanwege alle coronamaatregelen. Samen met mijn vrouw was ik bij de Hoogmis in de Onze Lieve Vrouwebasiliek waar een nieuw werk van Hans Leenders de liturgie verrijkte: Missa Simplicitate. Met een goede solist (Eva Diederix), de  begeleiding van een strijkkwartet (Het Basilica-ensemble) en natuurlijk met zang door het Basilicakoor. Inderdaad was de mis “simplicitate”, eenvoudig, maar hij was functioneel bij zo’n dienst. Wij woonden de dag ervoor een concert bij met werk van Bach en Carissimi. Het oratorium Jephta van Carissimi kende ik niet. Het is niet een werk dat voor mij een eeuwigheidswaarde heeft. Het haalt het niet bij werken van de eerdere Monteverdi en kan ook niet tippen aan latere oratoria van Händel. Maar de uitvoering door “Ad Mosam Barock” met goede solisten mocht er zijn, met name de bas Valerio Zanolli maakte indruk. Ook bij de Actus Tragicus van Bach trouwens, het tweede stuk dat die middag werd uitgevoerd. De moderne dans van Samir Calixto beloofde veel als je het programmaboekje erbij hield. “Het begrijpen van de mens als onderdeel van een groter geheel”. Dat kwam bij mij niet over. Ik ervoer de solo dans als één grote egotrip. Van het lichtontwerp dat erbij was merkte ik niet veel, was hier sprake van een lichtontwerp? Het licht ging in het begin langzaam uit en op het einde langzaam aan. De muziek deed me aan Schumann en Liszt denken maar was in vergelijking met de pianomuziek van die componisten naar mijn smaak enigszins banaal. Het enige dat veel goed maakte: de plek van de uitvoering. Er werd gedanst voor zo’n twintig toeschouwers in de keizerzaal van de Servaasbasiliek. Het is altijd een feest om daar even te mogen zijn en te genieten van de sfeer en de architectuur. Het mooiste van die voorstelling was dus het kwartier dat we er zaten voordat de voorstelling zou gaan beginnen.

Het beste van Musica Sacra waar we bij waren hoorden we vrijdagavond: de bewerking van Schönberg van das Lied von der Erde van Gustav Mahler. Schönberg maakte alleen de bezetting wat kleiner, in plaats van een aantal harpen instrumenteerde hij die partijen voor een piano. Daarnaast kwam er nog een accordion bij. En ook gebruikte hij minder blazers en strijkers. Maar wat was het een prachtige uitvoering door het ensemble Oxalys met Christianne Stotijn als mezzosopraan en Mati Turi als bas!

Mahler baseerde zich op een oorspronkelijk Chinese tekst, van twee dichters:  Meng Haoran en Wang Wei. Deze teksten zijn in het Frans vertaald, daarna in het Duits, nogmaals in het Duits aangepast en Mahler heeft er weer zijn eigen bewerking van gemaakt. Wat was er bij Mahler nog over van het origineel? Ik laat van het slotlied, “Abschied”, het (vertaalde) origineel zien, gevolgd door de versie van Mahler.

Meng Haoran, Verblijf in het huis van de leraar, tevergeefs wachtend op een vriend

De schemeringzon passeert de westelijke piek
Valleien zijn plotseling verduisterd
De maan boven de pijnbomen verkoelt de nacht
Wind en beek zijn gevuld met een helder geluid
De houthakkers zijn bijna allemaal thuis
De vogels rusten in de mist
De man waarvan verwacht werd dat hij de nacht zou blijven, is nog niet gekomen
Een eenzame luit wacht op een rotanpad

Wang Wei
Afscheid

Stap af, drink je wijn
Vraag je: “Waarheen?”
Dan zeg je: “stop met strijden tegen de wereld,
Keer terug om uit te rusten bij de Zuidelijke heuvel. “
Kom dan alsjeblieft. Vraag niet meer.
Eindeloos zijn de witte wolken.

Vaarwel in de bergen

Zeg elkaar in de bergen vaarwel
De houten poort sluit in de schemering
Het lentegras is volgend jaar weer groen
Zal de geëerde vriend terugkeren?

Mahler:

Die Sonne scheidet hinter dem Gebirge.
In alle Täler steigt der Abend nieder
Mit seinen Schatten, die voll Kühlung sind.
O sieh! Wie eine Silberbarke schwebt
Der Mond am blauen Himmelssee herauf.
Ich spüre eines feinen Windes Wehn
Hinter den dunklen Fichten!

Der Bach singt voller Wohllaut durch das Dunkel.
Die Blumen blassen im Dämmerschein.
Die Erde atmet voll von Ruh und Schlaf,
Alle Sehnsucht will nun träumen.
Die müden Menschen gehn heimwärts,
Um im Schlaf vergeßnes Glück
Und Jugend neu zu lernen!
Die Vögel hocken still in ihren Zweigen.
Die Welt schläft ein!

Es wehet kühl im Schatten meiner Fichten.
Ich stehe hier und harre meines Freundes;
Ich harre sein zum letzten Lebewohl.
Ich sehne mich, o Freund, an deiner Seite
Die Schönheit dieses Abends zu genießen.
Wo bleibst du? Du läßt mich lang allein!
Ich wandle auf und nieder mit meiner Laute
Auf Wegen, die vom weichen Grase schwellen.
O Schönheit! O ewigen Liebens – Lebenstrunkne Welt!

Er stieg vom Pferd und reichte ihm den Trunk
Des Abschieds dar. Er fragte ihn, wohin
Er führe und auch warum es müßte sein.

Er sprach, seine Stimme war umflort:

Du, mein Freund,
Mir war auf dieser Welt das Glück nicht hold!
Wohin ich geh? Ich geh, ich wandre in die Berge.
Ich suche Ruhe für mein einsam Herz.
Ich wandle nach der Heimat, meiner Stätte.
Ich werde niemals in die Ferne schweifen.
Still ist mein Herz und harret seiner Stunde!

Die liebe Erde allüberall
Blüht auf im Lenz und grünt
Aufs neu! Allüberall und ewig
Blauen licht die Fernen!
Ewig… ewig…

We zien dat de uiteindelijke tekst veel en veel langer is en ook wat minder aan de fantasie overlaat. De originele Chinese tekst is meer geheimzinnig. Desondanks: de muzikale invulling door Mahler is verpletterend. Ik heb hier een link naar een andere uitvoering, nu met de bezetting van het origineel. Ik zou zeggen, houdt de tekst erbij. Het einde, “Ewig… Ewig’ alleen al… Gaan we deze vriend nog weerzien? Mahler had net zijn dochtertje van vier verloren. Maar er kwam weer een beloofde lente aan:
Die liebe Erde allüberall
Blüht auf im Lenz und grünt
Aufs neu! Allüberall und ewig
Blauen licht die Fernen!
Ewig… ewig…

Na drie dagen was het de beurt aan mijn “Abschied” van de stad. Samen met mijn vrouw stond ik nog even stil bij het uitzicht over de Maas, vlakbij de parkeergarage. Links de Martinuskerk van Wijck die Cuijpers ontwierp. De kerk met de zwarte Christus die we op een wandeling nog zagen. Er naast zie je de voormalige brouwerij van Ridder. En links de Middeleeuwse Servaasbrug. We wierpen nog een laatste blik vol weemoed.

Geplaatst in kunst, muziek, recensie | Tags: , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Romaans beeldhouwwerk in Keulen

Keulen heeft veel Romaanse kerken. Ik ken eigenlijk geen enkele plaats waar er meer te zien zijn. De Romaanse periode loopt globaal van 900 tot 1200, en in sommige steden kun je nog enkele decennia daar bij trekken. In die tijd zijn in Keulen heel wat kerken gebouwd en daarvan zijn er nog veel overgebleven, maar liefst twaalf! Je moet je wel realiseren dat deze stad zwaar te lijden heeft gehad van bombardementen in de Tweede Wereldoorlog. Daarna is men manmoedig begonnen om ook al de getroffen kerken weer te herstellen. Veel pilaren moesten daarbij vervangen worden en heel veel kapitelen dus ook. Dat maakt dat er van het zo vaak geheimzinnige Romaanse beeldhouwwerk veel verloren is gegaan. Sommige objecten zijn in museum Schnütgen terecht gekomen, daar zag ik ze een week geleden. Maar de kerken zelf zijn goeddeels hersteld en je kunt genieten van de prachtige bouwstijl en de intieme atmosfeer die er altijd is in dat soort kerken.  Zo heeft Keulen nu nog twaalf gerestaureerde Romaanse kerken, drie bekeek ik er van binnenuit en van buitenaf: de Sint-Ceciliakerk, de Sint-Gereonskerk en de Sint-Ursulakerk. De kerk “Heilige Maria in het Capitool” bekeek ik alleen aan de buitenkant. En van de Pantaleonkerk, daarvan was alleen de narthex (het voorportaal) open. De rest van de kerk kon je een beetje zien door de tralies. Tien jaar geleden was ik er ook al eens en toen zag ik gelukkig deze kerk wel helemaal. Misschien dat ik aan enkele van deze kerken nog een keer een apart artikel ga wijden. Nu wil ik alleen wat Romaans beeldhouwwerk laten zien en het is interessant om een enkel object te vergelijken met dat van het redelijk nabijgelegen Maastricht.

Leeuw in de Sint Gereonskerk. Leeuwen hoog in de kerk kunnen meerdere functies hebben. In Zuid-Frankrijk zag ik ze in combinatie met bijvoorbeeld stier en adelaar. Dan weet je dat er een evangelist wordt voorgesteld. Hier zag ik twee leeuwen, waarvan een door mij op de foto gezet. Ik denk dat het om wachters gaat, zoals ook zo vaak bij Romeinse poorten het geval was. Ik weet ook niet of deze daar altijd gestaan hebben. Ze zijn van rond 1200. De leeuw hier onder houdt een lam vast, is dat een prooidier of staat het dier voor Christus? Het gaat om verguld beeldhouwwerk, nu vernieuwd, maar er waren nog resten van het origineel aanwezig.

Deel van een van de portalen van de Ceciliakerk waar nu museum Schnütgen in is gevestigd. Cecilia krijgt de martelaarskroon aangereikt door een engel boven haar, samen met haar verloofde Valerianus en diens broer Tiburtius. Wat je hier ziet is een replica, in het museum bevindt zich het origineel.

Fragmenten van een onbekend portaal, misschien van de voormalige Catharinakerk? Eerst twee roofvogels tussen slingerende stengels.

Wat hier niet allemaal tussen die stengels zit! Onder meer een mensenhoofd en de koppen van twee dieren. Heel opvallend: alle koppen erg dicht bij elkaar.

Een man met de poten van een roofvogel (voorkant) en de achterkant lijk wel een bok. Met zijn achterpoten leunt hij als met een soort armen op zijn eigen rug.

Een soort tijger met een veel te grote, vreemde kop

Kapiteel uit de voormalige Catharinakerk van de Duitse orde. Twee grote vogels met de kop van een katachtige

Nog enkele kapitelen van onbekende herkomst. De eerste is een Blemmyes, een man zonder romp, terwijl hij twee vogels vasthoudt. Of afweert? Doet denken aan de Blemmyes die je in de Servaaskerk van Maastricht kunt zien, zie iets lager en het artikel over de kapitelen van de Servaaskerk

Blemmyes Maastricht. Om hem heen staan twee geklede mannen met hondenkoppen, zogenaamde Cynocephali, die de Blemmyes in zijn arm bijten.

Twee vriendelijke leeuwtjes, omgeven door grote vogels, de linker met geopende bek en vervaarlijke tanden

Mannen met wapens, maar ze lijken door grote stengels van planten geen kant uit te kunnen

Hieronder een vedelspeler, eind 12e eeuw. Herkomst onbekend

Afgezien van enkele afbeeldingen van heiligen of van bovenstaande vedelspeler zijn er dus vooral afbeeldingen te zien van mensen, dieren en monsters. Het idee is waarschijnlijk: de wereld is bevolkt door allerlei vreemde wezens en duivels waarvoor je moet oppassen. Als je een kerk binnen gaat kun je beschermd worden tegen deze gevaren.

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

De koning speelt op het carillon

Een paar weken geleden nog speelde mijn oudste kleinzoon op “zijn eigen carillon” in Bergambacht. Dat klonk zo:

Afgelopen zaterdag had hij een dubbelrol. Hij is nog steeds koning. Op de BSO had hij samen met een begeleider een kroon gemaakt. Ja, en een koningsmantel heeft hij al meer dan een half jaar. Samen met zijn vader liep deze koning door de stad, richting carillon. Elke zaterdag geeft Boudewijn Zwart een carillonconcert en er was deze week een mysterie-guest. Dat was dus de koning. De koning was dus nu ook carillonspeler.

Het eerste wat hij mocht doen was een ostinaat spelen met de noten G-D, terwijl Boudewijn daarboven een beetje improviseerde. Die ostinaat deed mijn kleinzoon uitstekend, maar hij kon het niet nalaten na elf maten om er toch ook zelf wat aan toe te voegen. Heel bewust begon hij met het regelmatig vervangen van de lage G door een andere toon. Eerst verving hij deze met een A, dan met een B, daarna met een Bes, drie keer met een As, dan weer met een Bes. En hij luisterde heel goed hoe muziekstukje afgerond zou kunnen worden. Eerst speelde hij C-D, voor de muziekkenners: een afsluiting met subdominant en dominant (IV-V), die bleef aangehouden, dan de oplossing G (I), nogmaals de dominant D (V), en de tonica met twee tonen G en D tegelijk, dit alles precies op tijd. Als toetje speelde hij nog een heel lage G met het pedaal er achter aan natuurlijk. Hé, dat klinkt mooi! Nog een paar keer. Intussen luisterde hij vol aandacht naar het mooie bel-geluid van de lage bas-g. Het leek wel een kerkklok die de uren aangaf! Ik vond het allemaal erg muzikaal, vooral ook door zijn timing, luister maar, en let dan dus op het lagere register. Ik heb in noten genoteerd wat hij in de bas speelde. De noten in rood zijn de eigen nieuwe noten, die hij heel bewust uitprobeerde:

Toen mocht hij ook alleen spelen. Het werd de Toccata in D-mineur van Bach. Normaal speelt hij die op piano of keyboard, met de basnoten en akkoorden in de linkerhand. Maar dat ging natuurlijk niet. Wil je de melodie enigszins kunnen spelen op een carillon, dan zal je dat met twee handen moeten doen. Al doende kreeg hij er enige behendigheid in. Een klein fragment van zijn solo:

Eigenlijk wou hij het stuk helemaal uit spelen maar dat mocht niet van Boudewijn. Wat goed van mijn kleinzoon dat hij dat accepteerde! En hij kreeg nog enkele wijze raadgevingen mee:

De koning ging weer naar huis en luisterde onderweg naar de mooie stukjes van de rest van het concert. Dat kunnen jullie ook doen, mits je facebook hebt.  Dan kun je namelijk via onderstaande link het hele carillonconcert terug zien en beluisteren. Het stuk waar mijn kleinzoon speelt zit al vrij snel in het begin, ongeveer op 3:50.

Carillonconcert

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: , | Een reactie plaatsen

De aanbidding van de Drie Koningen in Keulen

In de katholieke kerk worden nog steeds op veel plaatsen relieken vereerd. Het denken aan een heilige maakt dat gelovigen in een soort trance kunnen raken en zo tot een gebed komen.  Ik kan me van alles voorstellen bij een dergelijke meditatie. Als je iets weet over het leven van een heilige, en deze persoon heeft zodanig geleefd dat hij voor jou een inspiratiebron is, dan kan het denken aan die persoon een goede functie hebben. En het gevoel van zijn aanwezigheid door middel van relieken kan dat gevoel versterken. In de twaalfde eeuw werd het steeds populairder om belangrijke relieken in een kerk te hebben, dat trok pelgrims aan en pelgrims waren goed voor een klooster of stad. Maar als je er redelijkerwijs over nadenkt weet je zeker dat de meeste relieken niet echt zijn. Het begon al met Helena, de moeder van keizer Constantijn.  Een goddelijke ingeving wees haar de weg naar het kruis waaraan Christus gestorven zou zijn in Jerusalem. Ze nam dat kruis mee naar Rome en daar werd er een kerk omheen gebouwd. Ook de plaats waar het lichaam van de apostel Jacobus zou liggen werd door God aangewezen. Deze plek is nu een van de belangrijkste pelgrimsoorden van de wereld: Compostella in Noord-Spanje. Het was ook Helena die omstreeks 325 tijdens een reis door Palestina niet alleen het heilige kruis, maar ook de overblijfselen van de Drie Koningen meende te hebben gevonden, in de vorm van bot- en kledingresten. Deze relikwieën werden volgens de overlevering door keizer Constans I in 344 aan de stad Milaan geschonken.

Pas in 1158 wordt opnieuw melding gemaakt van de relikwieën. De Franse abt Robert van de abdij van Mont Saint-Michel noteerde in dat jaar dat in een kerkje nabij Milaan de lichamen van de Drie Koningen terug waren gevonden. Omdat de stad in deze periode belegerd werd door de Duitse keizer Frederik Barbarossa, werden de relikwieën binnen de stadsmuren van Milaan gebracht en in de klokkentoren van de kerk van San Giorgio al Palazzo bewaard. Na de overwinningen van Frederik Barbarossa in Lombardije, werden de resten van de Drie Koningen in 1164 door de Keulse aartsbisschop Reinald van Dassel, tevens rijkskanselier voor het Italiaanse deel van het keizerrijk en legeraanvoerder, naar Keulen overgebracht. De zeer belangrijk geachte relieken werden door de opvolger van Reinald van Dassel, aartsbisschop Filips I van Heinsberg in een zeer rijk bewerkt, verguld koperen reliekschrijn geplaatst, vervaardigd door de beroemdste edelsmid uit de middeleeuwen, Nicolaas van Verdun. Om dit grootste reliekschrijn ter wereld een waardig huis te bieden werd gestart met de bouw van een nieuwe Keulse Dom.

Zo worden tot op de dag van vandaag in Keulen in de dom deze relieken van de Drie Wijzen uit het oosten vereerd. Je kunt nu helemaal om het reliekschrijn heen lopen, althans: nu even niet vanwege de corona-maatregelen.

Hoe komen we nu op het aantal, drie wijzen, en op hun namen, Melchior, Balthasar en Caspar? De vermelding van de wijzen komt in het Nieuwe Testament alleen voor in Matteüs 2:1-12. Hun herkomst wordt niet vermeld, behalve dat ze uit het oosten kwamen. Hun aantal en hun namen worden ook niet vermeld. Er wordt verteld dat de wijzen “vanuit het oosten” naar Jeruzalem kwamen omdat zij de ster hadden zien opgaan van de pasgeboren “koning der Joden” en zij wilden hem eer bewijzen. Dit kwam koning Herodes I ter ore en hij schrok van het nieuws. Hij riep de schriftgeleerden en priesters samen om te weten te komen waar de messias geboren zou worden. Volgens de profetie was dat in Bethlehem. Daarna ontbood hij de wijzen en gaf hun de opdracht om de pasgeboren Messias in Bethlehem te gaan opzoeken. Hij zei dat hij wilde weten waar het kind was, zodat hij hem zelf ook eer kon gaan bewijzen. Volgens Matteüs zagen de wijzen, terwijl ze in Jeruzalem waren, de ster die zij hadden zien opgaan weer aan het firmament. De ster ging voor hen uit en bleef staan boven de plaats waar het kind verbleef. In dat huis vonden de wijzen Maria en de pasgeboren Jezus. Ze vielen op hun knieën en boden het kind goud, wierook en mirre aan. God waarschuwde in een droom de wijzen ten slotte niet naar Herodes terug te gaan. Ze keerden daarom langs een andere route naar hun land terug. Toen Herodes ontdekte dat hij misleid was, liet hij, afgaande op het tijdstip dat hij van de magiërs had gehoord, alle jongetjes in Bethlehem tot de leeftijd van twee jaar vermoorden (de kindermoord van Bethlehem). Jozef was echter door God gewaarschuwd en was tijdig met Maria en Jezus gevlucht naar Egypte.

Legendevorming heeft het Mattheüsverhaal uitgebreid. In het westers christendom bijvoorbeeld hebben zich een reeks tradities rond de wijzen uit het oosten ontwikkeld die geen basis hebben in het Bijbelse verhaal. Mattheüs noemt het aantal niet, maar volgens de traditie zijn er Drie Wijzen. Dit getal van drie werd wellicht vastgesteld aan de hand van het aantal geschenken dat ze meebrachten. In veel oosterse tradities zijn er niet drie maar twaalf wijzen. De koningen vertegenwoordigen daarmee de drie toen bekende werelddelen en drie leeftijden van de man. Vandaar dat je de opvallende leeftijdsverschillen ziet op de latere afbeeldingen, en ook wordt steeds de donkere Afrikaanse koning afgebeeld. Volgens de legende werden de koningen later gedoopt door Sint-Thomas. Ze zouden daarna bisschoppen zijn geworden in India. Deze legende kan teruggeleid worden tot een schrijver in de 6e eeuw die zich baseerde op apocriefe bronnen. De namen Balthasar, Melchior en Caspar dateren uit de middeleeuwen. Rond de 8e eeuw werden ze in de kroniek Excerpta latina barbari genoemd als Bithisarea, Melichior en Gathasp. In andere christelijke tradities komen weer andere namen voor. Bij de Syrische christenen bijvoorbeeld heten de Drie Wijzen Larvandad, Goesjnasap en Hormisdas. De benaming “Drie Koningen” komt al vanaf de 3e eeuw voor, waarschijnlijk als vervulling van de voorspelling in Psalmen 72:11: “Laten alle koningen zich neerwerpen voor hem”.

Als er pelgrims op bezoek komen gaan ze uiteraard naar de plek in de dom waar de driekoningenschrijn staat, maar je kunt ook in gebed verzinken op andere plekken waar hun afbeeldingen te zien zijn. We kennen de wijzen vooral van hun aanbidding van de pasgeboren Jezus. Zo zijn er in de dom meerdere afbeeldingen van dat tafereel te zien. Een van de vensters laat het zien in glas en lood. De mooiste afbeelding van de aanbidding zien we op het grote schilderij van Stefan Lochner, vooraan in een zijkapel van de kerk. In de huidige tijd zijn er meer plekken in Keulen. Museum Schnütchen heeft een prachtig middenpaneel van Meester Arnt von Kalkar in bezit, normaal te zien in de vaste collectie, nu nog even in een tentoonstelling die aan deze grootmeester is gewijd. Het hele paneel gaat over deze Drie Wijzen, met de aanbidding van Jezus als centraal gegeven. In museum Wallraf-Richartz in Keulen zag ik ook twee schilderijen met dit onderwerp. Allebei uit 1515. Het eerste is van Bartholomeüs Bruyn, het tweede van een anonieme schilder die de naam “meester van Severin” heeft gekregen. Deze vier “aanbiddingen der wijzen” laat ik in de volgorde van de chronologische datum van ontstaan hieronder zien.

Stefan Lochner leefde in dezelfde tijd als bijvoorbeeld Jan van Eijk, bovenstaand schilderij maakte hij rond 1448. Net als deze kunstenaar laat Lochner op de voorgrond gras en bloemetjes zien. Maar de plaatsing van Maria op een troon is ronduit ouderwets. Ook de gouden achtergrond is passé. Toch vind ik het een prachtig schilderij, vooral door de menselijke blik van Jezus en de koning met de gevouwen handen. Hij kijkt naar het kindje en Lochner weet in zijn blik te leggen: “Ja, ik zie het, dit is de verlosser!” Ik zag het door de coronamaatregelen dit jaar slechts vanuit de verte. Toen ik het voor de eerste keer van dichtbij zag werd ik er door ontroerd.

Detail uit een paneel van Meester Arnt von Kalkar uit 1491. Net als bij de vorige afbeelding kijkt Maria een beetje bedroefd, ze lijkt nu al te weten dat haar zoon een moeilijk leven gaat krijgen. En ook hier weer zien we hoe een van de koningen zijn handen vouwt. Een andere koning voelt aan de handen van de toekomstige verlosser, alsof hij nu al een soort relikwie voelt. De derde koning, de jonge Caspar, tilt zijn hoed omhoog als eerbetoon. Jezus lijkt in de verte te staren en aan hogere dingen te denken.

Bartholomeus Bruyn laat Melchior met de handen gevouwen naar Jezus kijken en Jezus kijkt terug. Maria is weer bedroefd, En ook hier weer staat Caspar met zijn hoed in de hand. Bij de eerste voorstelling zat Maria op een troon, het tweede tafereel speelt zich af in een grot, hier in een huis met tegels op de vloer en ja hoor: ook nu zit Maria weer op een troon. Die troon staat voor haar hemelse status maar maakt het tafereel onwerkelijk.

Nu geen gevouwen handen, maar alle drie de wijzen laten hun geschenken zien. Jezus kijkt bijna uitdrukkingsloos naar de oudste van Drie Koningen. Ook Maria kijkt deze wijze aan, weer met een enigszins bedroefde blik. Voor de eerste keer dat ze naar iemand kijkt trouwens. Alles speelt zich af in een huis met een vloer met tegels. Heel opvallend en hopeloos ouderwets: Maria zit alweer op een troon, net als bij Lochner en de Bruyn. Maar de Bruyn en de meester van Severin maakten dit schilderij wel maar liefst 67 jaar later dan Lochner, in een tijd dat alles veel meer naar de werkelijkheid werd geschilderd. Opvallend zijn de vele overeenkomsten met het vorige schilderij dat in hetzelfde jaar is gemaakt. Kijk bijvoorbeeld eens naar de troon. De koningen die contact hebben met Jezus zijn de oude Europese Melchior en de Aziatische Balthasar, ook de plaatsing van de hoofdfiguren in de ruimte is vrijwel identiek. Steeds zien we Caspar, de jonge Afrikaanse koning met de donkere huid, aan de rechterkant, en vaak ook wat verder af dan de anderen. Ik zou haast zeggen dat het om precies dezelfde kunstenaar gaat en dat zou dan in beide gevallen Bartholomeus Bruyn zijn. Op zich is het trouwens interessant om te zien dat vanaf het begin dat deze legende is opgetekend er drie koningen waren uit verschillende landen. Een neger hoefde niet altijd een dienaar of slaaf te zijn. Maar deze renaissancekunstenaars plaatsen hem toch steeds iets meer op de achtergrond waardoor je toch het gevoel van een soort rangorde krijgt. Maar ja, hij was de jongste. Er was natuurlijk ook nog een rangorde in leeftijd.

De dom van Keulen, daar valt een boek over te schrijven en dat is ook vaker al gedaan. Ik heb een tijdje vlak voor deze immens grote gotische kathedraal op een terras gezeten. Ik keek omhoog. Wat zou dat zijn, wat je daar heel hoog zag? En waarom zou dat daar te zien zijn? In de gotische tijd had alles zijn plek, en hoe hoger je kwam, hoe dichter bij God je was. Die dingen zo hoog hoef je niet te zien. Dat het er is, dat is genoeg. Zo dachten de geestelijken en dus ook de opdrachtgevers voor de bouw van de dom in die tijd. Toch wilde ik het weten. Ik zoomde met mijn camera flink in. En toen zag ik opeens onderstaande hemelse figuren: ik zag de gevleugelde aartsengel Michael die met de punt van zijn zwaard de duivel in bedwang houdt en ik zag de apostel Thomas, herkenbaar aan de winkelhaak. De kerk is groot, dus de andere apostelen zullen ook wel ergens in de hoogte zijn afgebeeld. Zij zijn heel hoog, vlak bij God. Misschien zijn de drie koningen daar ook wel.

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Arnt der Bilderschneider

Kijk hier naar een door mij gemaakte film van de tentoonstelling

Een van de beste beeldhouwers van de vijftiende eeuw was volgens mij Arnt von Kalkar, of Arnt van Zwolle zoals hij ook wordt genoemd. Waarschijnlijk opgeleid in Vlaanderen werkte hij lang in Kalkar en in Zwolle. Deze beide woonplaatsen heeft hij enkele keren verwisseld. Hij is overleden in Zwolle terwijl hij bezig was met een grote opdracht uit Kalkar.

Als je nog nooit iets gezien hebt van deze kunstenaar dan moet je nu snel naar Keulen gaan en je daar laten overtuigen van zijn vakmanschap en diepgang. Nog ruim een week is er de tentoonstelling “Arnt der Bilderschneider” te zien. Niet alles wat hij in zijn leven gemaakt heeft is daar opgesteld maar er staat wel erg veel. Hij heeft voornamelijk voor opdrachtgevers gewerkt aan geestelijke beeldhouwwerken. Die staan normaal in kerken of kloosters en ze zijn soms ook nog eens erg groot, zoals het hoogaltaar van de Nicolaikirche in Kalkar. Het retabel is helemaal door Meister Arnt ontworpen maar helaas slechts gedeeltelijk ook door hem uitgewerkt door zijn vroegtijdige overlijden. Alleen de predella, het onderstuk, is naar museum Schnütgen gehaald.

Maar niet getreurd. Het complete Sint Joris-altaar uit diezelfde kerk is naar de tentoonstelling gebracht! En er staat nog veel meer. Het fraaie is dat al de stukken nu zodanig zijn opgesteld dat je er met de neus bovenop kunt gaan staan en er dus veel meer details te zien zijn als wanneer je het op de originele plaatsen zou zien. Wat kun je er nog meer zien? Al zijn mooie beelden die hij maakte voor de kerk van Petrus Banden in Venray bijvoorbeeld. Of je kunt stukken uit Kleef, Nijmegen, of de museumstukken uit Parijs, Antwerpen en Amsterdam bewonderen.

Ik maak een keuze en beperk me tot twee stukken. Om te beginnen het middendeel van het retabel van het Sint Joris-altaar uit de Nicolaikirche dat je hier boven ziet. Deze kerk had tot en met de Franse tijd maar liefst 15 altaarretabels. Na de Franse tijd was het nodig dat ze allemaal gerestaureerd zouden worden, maar daarvoor ontbrak het geld. Men besloot om er slechts zes te behouden en de rest te verkopen. De zes die overbleven zijn inderdaad gerestaureerd en ze zijn er nog steeds te zien.  Het zijn altaarstukken die een tijdsperiode van ongeveer 200 jaar omspannen, van pakweg de tweede helft van de vijftiende tot en met de eerste helft van de zeventiende eeuw. Allemaal zijn ze van grote kwaliteit. In Kalkar kun je zo een les kunstgeschiedenis krijgen, van renaissance tot en met barok, aan de hand van deze retabels. En een van die retabels is bovenstaand Gregorius (Joris) retabel. Het is een drieluik waarbij je in gesloten toestand aan de twee geschilderde zijpanelen aan de ene kant  het gevecht van Joris met de draak kunt zien, aan de andere kant kun je zien hoe de stichter met zijn familie toekijkt. Maar in geopende toestand komt niet alleen het imposante beeldhouwwerk tevoorschijn, maar zie je ook op de zijpanelen vreemd genoeg iets dat er eigenlijk niets mee te maken heeft:  je ziet dan twee scenes uit het leven van de heilige Ursula, geschilderd door een andere kunstenaar. Ik beperk me nu tot alleen het imposante middendeel, het beeldhouwwerk van meester Arnt, over het leven van Sint Joris.

Centraal op de voorgrond zie je het gevecht met de draak. Joris zou de stad Silene bezocht hebben die door een draak werd bedreigd. De draak nam genoegen met het offer van twee schapen, later wilde hij een schaap en een kind. Het lot bepaalde welk kind er aan de beurt was. Toen viel het lot op een koningsdochter. Maar Joris bezocht de koning en hij beloofde met een oplossing te komen.  Hij  wilde de draak met een lans doden en zo de koningsdochter laten leven. Zo geschiedde: je ziet hoe de draak na een lanssteek bloedend zijn kop de hoogte in steekt en de genadeslag met een zwaard lijkt te gaan krijgen.  Rechts naast dit tafereel knielt de koningsdochter. Met gevouwen handen kijkt ze naar de held, terwijl ze nog biddend wacht op de goede afloop, of misschien wel bidt ze berustend in haar droeve lot. Op een rots zit het lam dat ook geofferd zou moeten worden.

Rechts boven zie je hoe als in een stripverhaal de volgende scene wordt uitgebeeld: Joris keert terug in de stad met de prinses, die de getemde draak als een hond aan de lijn meeneemt. De stadsbewoners kunnen hun ogen niet geloven. Maar uiteindelijk loopt het met Joris toch niet goed af.

Chronologisch is het trouwens op het retabel een zooitje. Alle scenes staan min of meer door elkaar gehusseld. We zien een prachtige uitvoering van de stad met stadspoort. Het schijnt dat het naar de omwalling van Kalkar uit die tijd is nagebootst. Joris, weer in deze stad met de prinses, zegt dat hij de getemde draak pas zal doden als iedereen in de stad zich tot het Christendom bekeert. Iedereen gaat akkoord, 15000 mensen bekeren zich, de draak wordt alsnog gedood. Maar dan komen Christenvervolgers onder leiding van keizer Dacianus die Joris gevangen nemen. Deze keizer kun je herkennen aan zijn scepter. Hij is telkens aanwezig als er gepijnigd wordt. Joris staat vanaf dat moment meerdere martelingen te wachten…

Zo zien we hoe er grote metalen spijkers uit zijn romp steken en een man deze met een enorme hamer met ferme meppen in zijn lichaam verder moet slaan. De keizer en twee andere beulen staan er onaangeroerd bij. Een van deze twee beulen zwaait vervaarlijk met een bijl. Wat is hij van plan? Dat belooft niet veel goeds…

Hierboven, en vrij centraal op het paneel, zien we de scene waarbij in een grote ketel olie tot koken wordt gebracht, terwijl Joris biddend in deze ketel de komende pijnen gelaten afwacht.  Het rijshout om te stoken wordt rechts door een helper aangedragen, een ander moet geknield met een blaasbalg het vuur aanwakkeren. Links bij dit tafereel staat iemand alles te bewaken en de bediener van de blaasbalg neemt beleefd zijn hoed voor hem af. Dat hij een belangrijk iemand is kun je zien aan zijn kleding. Naast de keizer staan weer de twee eerdere beulen. Iedere persoon heeft zijn eigen houding en uitdrukking. De meest rechtse van de twee slaat bij de persoon naast hem kameraadschappelijk een arm om de schouder, deze leunt intussen op zijn lans.

Hierboven zie je nog meer martelscenes:  zo zien we hoe de armen van Joris worden afgehakt en hoe hij de gifbeker moet drinken.

Bij bovenstaande martelscenes lijkt de keizer zelf ook een actieve rol te hebben. terwijl rechts Joris vastgebonden is aan een martelpaal reikt de keizer de beul spijkers aan.

Tot slot zien we hoe Joris dan toch nog dood gaat als hij uiteindelijk wordt onthoofd. De genadeslag wordt gegeven door dezelfde man die in een eerdere scene al naast de keizer stond met een bijl in zijn handen.

Niet alleen het beeldhouwwerk is prachtig, maar het geheel is ook heel erg goed en subtiel geschilderd. Dat deed in principe trouwens meestal een andere kunstenaar. Na onderzoek blijkt dat de kleuren zoals je ze nu ziet nog steeds  de originele kleuren zijn. Maar het meest bijzondere vind ik de manier waarop het verhaal met alle figuren is weergegeven. Kijk eens naar de houdingen en gezichtsuitdrukkingen! Arnt maakt echte mensen van hen, het zijn niet zo maar figuranten in een verhaaltje. Alle mensen en alle onderdelen hebben hun plek, over alles is nagedacht en zo kun je als je lang kijkt een verhaal ontwaren met als hoofdrolspelers meerdere mensen van vlees en bloed. Al die dingen maken van hem een buitengewoon goede beeldhouwer. De levendigheid van dit alles doet me al denken aan hoe barokkunstenaars mensen konden weergeven, maar dan zijn we ruim een eeuw verder in de tijd.

Nu beschrijf ik kort nog een voorbeeld, ook te zien op de  tentoonstelling. Het gaat om een scene uit de predella van het hoofdaltaar van alweer de Nicolaikirche. (Hierboven deze predella.)
Ik moest bij het kijken en overpeinzen van de rechter scene, waarover zo meer, denken aan twee componisten en aan een schilder. De eerste componist aan wie ik dacht is Mozart. Mozart maakte zijn requiem niet af, want hij kwam te overlijden. Een complete schets van het hele stuk was er wel al en een leerling van Mozart maakte de grote compositie op basis van de schets af. Alleen het inleidende eerste deel, het “Requiem Aeternam”, en het “Kyrie” zijn feitelijk door Mozart geschreven. En dat kun je horen. De rest van de uitwerking is dus gemaakt door zijn leerling Süsmayer, en het is duidelijk van mindere kwaliteit. De tweede componist aan wie ik moest denken is Bach. Bach schreef “Die Kunst der Fuge.” Het stuk was bijna af, toen kwam hij te overlijden. Nog steeds proberen sommige mensen het stuk af te maken. Elke poging leidt tot iets dat soms aardig is, maar nooit in de buurt van  de kwaliteit van Bach komt. Zowel het requiem van Mozart als “die Kunst der Fuge” van Bach zijn desondanks uitzonderlijke meesterwerken. En dat brengt me op meester Arnt. Meester Arnt had op zijn oude dag de opdracht aangenomen om vanuit Zwolle te werken aan het hoogaltaar van de Nicolaikerk van Kalkar, een enorme opdracht die hem heel erg lang nog interessant werk zou geven. Het geheel maakte hij af in schetsen. Sommige delen maakte hij zelfstandig zelf helemaal af. De rest: je raadt het al. De eerste die een poging waagde om het na zijn dood af te maken was Jan van Halderen, een leerling van meester Arnt. De twee linker scenes van de predella zijn door hem uitgewerkt, terwijl rechts, de voetwassing van Christus, door Arnt nog is gedaan. Jan van Halderen deed het niet slecht maar de opdrachtgevers wilden toch met iemand anders verder. Zo is het complete beeldhouwwerk uiteindelijk door drie verschillende kunstenaars uitgewerkt, de derde die aan de slag mocht was Meister Loedewich, hij werkte uiteindelijk het leeuwendeel uit. Alle kunstkenners van nu geven de voorkeur aan het deel dat de oude Arnt uitwerkte. Dat zijn delen van de kruisigingscene, maar ook het meest rechtse deel van de predella, de scene met de voetwassing. Deze was ook op de tentoonstelling te zien.

Op die predella staat in het midden de scene van het laatste avondmaal, in dit geval prachtig gebeeldhouwd door Jan van Halderen. Mooi gedaan. Maar daarnaast staat bovenstaande sublieme uitwerking van de voetwassing, die de 12 apostelen laat zien naast Jezus, ieder met zijn eigen karakter en uitdrukking. En dat beeld bacht me op het beeld van een schilder, de derde persoon dus aan wie ik moest denken. Waar heb ik dat meer gezien? Ik schreef er over. .
Deze voetwassing is zo een grootse afsluiting van de carrière van deze “Bilderschneider”, het is een waardige zwanenzang.

Tot slot hieronder nog enkele afbeeldingen met details van de apostelen uit deze voetwassingsscene. Uitgebeeld wordt de scene, waarin Jezus de voeten van al zijn discipelen gaat wassen.

We lezen in Johannes 13:09-11: Simon Petrus zei tot Hem: Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd! Jezus zei tot hem: Wie gebaad is, heeft alleen nodig zich de voeten te laten wassen, maar is geheel rein. En u bent rein, maar niet allen. Want Hij wist wie Hem zou overleveren; daarom zei Hij: U bent niet allen rein.

Op de eerste afbeelding zie je centraal Petrus in het voetenbad. Verder zien we aan de linkerkant van de afbeelding de jonge Johannes, herkenbaar aan zijn weelderige haardos en de afwezigheid van een baard. Een oudere apostel achter hem legt vaderlijk een hand over zijn schouder. helemaal rechts een fragment van Jezus, in gesprek met Petrus, die zegt: ‘niet alleen mijn voeten maar ook mijn handen en hoofd’.

Twee van de apostelen hieronder hebben geen baard, en de twee links hebben ook niet veel hoofdhaar. De geheel kale apostel luistert naar alles maar verwerkt het allemaal in zichzelf, de andere twee zijn in gesprek. Let ook op de verschillende handhoudingen.

Op onderstaande afbeelding zien we drie apostelen met elkaar in debat. Jezus had gezegd: ‘niet iedereen is rein? Wie zou dan diegene zijn die niet rein is?’ Judas, de man over wie Jezus het heeft, houdt angstvallig een buidel met geld achter zich, intussen praat hij zogenaamd mee over wat Jezus net zei.

Ook de houdingen van onderstaande twee apostelen zijn weer heel anders, de man met kap legt een hand over de schouder van de apostel met volle baard en wijst met een vinger naar beneden, zo van: ‘jij bent het niet, ik ook niet, wie dan?’

Op onderstaande afbeelding zien we Jezus, geknield voor het voetenbad. Hij spreekt tot Petrus die met zijn voeten in het bad is en intussen de vragen stelt zoals ze in het evangelie van Johannes staan. ‘Alleen de voeten wassen is genoeg, behalve voor hen die niet rein zijn.’

Ik heb een film gemaakt met werk van meister Arnt, zoals nu nog te zien is in museum Schnütgen  in Keulen. Op de overzichtstentoonstelling is trouwens ook werk van tijdgenoten te zien, niet op deze film te zien. Alles is bijzonder mooi in de ruimte geplaatst en goed gedocumenteerd. Een aanrader!
Kijk hier naar deze door mij gemaakte film van de tentoonstelling
Te laat? Ga dan een keer naar de Nocolaikirche in Kalkar. En krijg door te kijken naar de zes altaarretabels en de vele andere schilderijen en beeldhouwwerken gratis een les kunstgeschiedenis.

Zie ook eerdere stukjes die ik schreef:
Meester Arnt
Muzikale ervaringen in Kalkar
Kartuizers

Geplaatst in kunst, recensie | Tags: , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

Dyscalculie?

Afgelopen jaar verwonderde ik me steeds meer over hoe mijn oudste kleinzoon moeite had met een aantal dingen. Zijn tekentalent laat zien dat hij een heel goed ruimtelijk inzicht heeft, maar in een ruimte heeft hij de neiging om over alles te struikelen. En iets zoeken? Hij weet niet waar te beginnen en ziet niet dat het bewuste voorwerp dat hij wil vinden pal voor hem ligt. Als kleuter was hij gefascineerd door hectometer-paaltjes dus ik dacht: rekenen wordt een eitje voor hem. Niets blijkt minder waar: hij blijkt juist heel veel moeite met rekenen te hebben. Gedeeltelijk wijt ik dat dan aan de klassikale aanpak en de methode die er op die school gebruikt wordt, maar ik denk dat het probleem in de kern  in de verwerking van een aantal dingen in zijn hersenen zit.

Ik had een aantal jaren geleden op het conservatorium een buitengewoon begaafde student. Ze leerde in een klasje van mij onder meer om muziekstukken die ze hoorde op de juiste manier op te schrijven in noten. Deze leerling bleek heel veel moeite te hebben met ritmische notatie. Na pas meer dan een jaar vertelde ze mij dat ze dyscalculie had. Ik had toen ik dat hoorde de neiging om haar sommige opdrachten kwijt te schelden maar het pleitte voor haar dat ze dat niet wilde en koppig bleef ze verder oefenen. Uiteindelijk lukte het haar om alles wat ze hoorde correct te noteren. Ik vermoed nu dat er ook zo iets bij mijn kleinzoon aan de hand is. Ik blijf om te beginnen versteld staan van zijn muzikaliteit. Stukjes die hij hoort speelt hij na, in ieder geval altijd de melodie en de bas. Maar ook gebruikt hij het juiste register, en vaak ook speelt hij akkoorden. Hij begint het leuk te vinden om stukken die hij al min of meer kent nu in andere toonsoorten te spelen. Of gewoon wat te improviseren, nu een keer in D, dan weer in Bes, waarom niet. Zonder zich bij dit alles bewust te zijn van de notatie.

Heel kenmerkend is hoe hij omgaat met de stukken in het orgelboek dat hij heeft moeten aanschaffen. De oefeningen die hij zou moeten doen na zijn eerste proefles, nog voor de zomervakantie,  klinken nergens naar. Je speelt soms niet meer dan drie verschillende tonen en ook nog eens in hetzelfde ritme. Oersaai. Dus ik denk: ik ga een basje en akkoorden er onder spelen. Helaas, hij kan zich, zo gauw ik dat ga doen, niet meer concentreren op zijn partij. Niet omdat er nu teveel tegelijk gebeurt, nee: hij hoort opeens muziek! Het probleem is dat hij intussen moet lezen en spelen wat er voor zijn neus staat. Maar dat zegt hem niets. Met veel moeite komen we er desondanks doorheen en dan duwt hij mij snel opzij: hij speelt onmiddellijk vrijwel vlekkeloos met twee handen wat ik zo net als begeleiding speelde, een bas met op de afterbeat een akkoord, en het zijn leuke akkoorden al zeg ik het zelf, niet de meest voor de hand liggende. Maar zijn eigen partij, bestaande uit een stukje met alleen een d, e en f, krijgt hij nauwelijks voor elkaar. Het notenbeeld is voor hem nog steeds een beetje abracadabra. Ik heb nu toevallig deze week drie dagen achter elkaar met hem kunnen werken en ik zie enkele lichtpuntjes. Het ging vandaag opvallend veel beter dan gisteren. Desondanks ben ik nu al bang dat de orgelmethode waar hij nu zijn eerste oefeningen uit haalt waarschijnlijk voor hem niet heel goed zal gaan werken. Maar misschien weet zijn leraar het voor elkaar te krijgen. Over een week heeft hij zijn eerste echte les op een prachtig orgel in een prachtige kerk. Hij verheugt er zich zo wie zo enorm op.

Hieronder een opname die ik vanmiddag maakte toen hij het Hallelujah van Händel zat te spelen. Hij heeft het stuk in de koor-orkestversie een aantal keren op youtube beluisterd. Omdat hij dat leuk vindt. De opname van mij is incompleet, want ik was te laat. Het is in dit stadium bij hem duidelijk nog een beetje zoeken. Hij gaat door tot hij min of meer op de piano terughoort wat in zijn hoofd zit. Het is een behoorlijk lang stuk. Hoe onthoudt hij het om te beginnen in godsnaam allemaal? Bij het fugato aangekomen liet hij meer weg dan eigenlijk wenselijk zou zijn, maar ja: vier melodieën door elkaar heen spelen is nog net iets te veel gevraagd. Het zou me trouwens niet verwonderen als hij dat over niet al te lange tijd ook gewoon speelt. Hoe dan ook, zijn muzikale ontwikkeling is fascinerend!

Geplaatst in autisme, muziek, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Volle maan in het westen, Venus in het Zuid-oosten

Deze ochtend om 7:22 uur was de maan exact vol. Net iets eerder, even na zessen, maakte ik deze foto. Waar je bij de vorige foto van anderhalve dag eerder nog duidelijk aan de linkerkant van de foto kraters zag, zie je nu vrijwel niets meer, wat duidt op exact of bijna exact volle maan.

Ook zag ik voor het eerst sinds tijden weer Venus. Schitterend in al haar glorie. Ik maakte ook een detail-opname waarop je met name bij de oranje vlekken enigszins dezelfde details kunt zien die je ook bij de foto’s van grote telescopen kunt zien als die van de Nasa (onderste foto). Dat soort vlekken en strepen verandert voortdurend en wordt veroorzaakt door enorme stormen van gas in de giftige atmosfeer van deze gloeiend hete planeet. Venus gaat altijd schuil onder een zeer dik wolkendek van fijne druppels zwavelzuur gemengd met aerosolen en zwaveldeeltjes. In de wolken treedt een cyclus van chemische reacties op, zwavelcyclus geheten, die fotochemisch wordt aangedreven. Van bovenaf gezien zorgt dat voor een grote helderheid doordat het wolkendek veel zonlicht weerkaatst. Aan de onderkant zorgt het wolkendek voor een heftig broeikaseffect waardoor de temperatuur op Venus hoog oploopt. De zon en de nachtelijke sterrenhemel zijn dan ook nooit zichtbaar vanaf het oppervlak van deze planeet. Maar wat heb je te zoeken op deze planeet? De gemiddelde temperatuur is er met zo’n 480 °C zelfs hoger dan die op Mercurius. Het geel/oranjekleurige wolkendek draait sneller om de planeet dan zij zelf draait, waarbij er windsnelheden tot 360 km/u kunnen optreden. (Wikipedia)

Geplaatst in Astronomie | Tags: , | 1 reactie

Neowise en Antares

Vanavond (31 augustus 2020) is het vrijwel volle maan, dus ik ging zo rond half 10 met mijn camera naar buiten en maakte enkele foto’s. Maar ik richtte ook mijn camera naar het westen, daar schitterde de rode reuzenster Antares. Ik haalde het geheel met de zoom wat dichter bij. Wat schetst mijn verbazing, daaronder, dat leek wel een komeet! Thuis ging ik het opzoeken. Ja hoor, Precies de goede tijd, precies de goede plek om Neowise nog een keer te kunnen zien. En hij staat op de foto!

De foto is gemaakt om 21:28 uur, vlak voor de beste waarnemingstijd. Mazzel!
Hieronder de volle maan boven de Lek. ook altijd mooi.

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , | 3 reacties

Trier in de middeleeuwen

Aan het einde van de vijfde eeuw was er niets meer over van het ooit zo bruisende stadsleven in Trier en was het aantal inwoners dramatisch gedaald. Maar we zien desondanks nog steeds op lijsten de namen van bisschoppen die zonder onderbreking elkaar blijven opvolgen. Het waren de bisschoppen die het machtsvacuüm vulden en als seculiere heersers verschenen. Als grootstedelijk bisdom was Trier superieur aan de naburige bisdommen Metz, Toul en Verdun. Sinds het einde van de zesde eeuw was Trier ook weer een stad waar munt werd geslagen.

Na Karel de Grote werd het Frankische rijk in drieën gedeeld en Trier viel aanvankelijk onder het Middenrijk Lotharingen, daarna vanaf 869 onder het Oost-Frankische en later het Duitse rijk. Toen kwam de catastrofe van het jaar 882: van Witte Donderdag tot Paaszondag hielden de Noormannen er huis, de stad werd verwoest en plat gebrand.  Veel inwoners kwamen om het leven.

Het duurde een paar decennia voordat Trier van deze klap herstelde. De goede relaties tussen de aartsbisschoppen van Trier en de heersende huizen van de Ottonen en Saliërs waren daarbij behulpzaam. Trier kreeg  veel privileges. Het marktkruis dat in 958 door aartsbisschop Heinrich werd opgericht (erexit Henricus), symboliseerde het herwonnen zelfvertrouwen en markeert tot op de dag van vandaag het centrum van de stad.

Onder de heerschappij van de  Liudolfinger (919 – 1024) was het hof van de aartsbisschoppen van Trier zo een belangrijk politiek en cultureel centrum. De economie profiteerde daarvan. Maar vanaf de twaalfde eeuw  wilde de burgerij zich los maken van de benauwende beknelling van de heerschappij van deze aartsbisschoppen.  In 1301 werd er een stadsraad opgericht. Deze stadsraad streefde naar rijks-onmiddellijkheid.  De stad wilde niet meer onder de bisschop vallen. Korte tijd is dat gelukt maar na enkele tientallen jaren werd deze onafhankelijkheid al weer opgeheven. Het bleef nadien lang gisten en pas in 1583 werd het pleit definitief ten gunste van de aartsbisschop beslecht.

In 1198 ontstond het procédé dat elke nieuwe Duitse koning benoemd moest worden, en niet erfelijk de macht kreeg. Verdeeld over het Duitse rijk kwamen er zeven keurvorsten, drie bisschoppen en vier wereldlijke vorsten. Zij bepaalden samen wie de nieuwe koning zou worden. Een van deze keurvorsten was de aartsbisschop van Trier, wat veel zegt over de status van de stad. (De andere keurvorsten waren de aartsbisschop van Keulen, die van Mainz, de koning van Bohemen, de paltsgraaf van Düsseldorf aan de Rijn, de hertog van Saksen en de Markgraaf van Brandenburg.) In de zelfde tijd werd er een omvangrijke stadsmuur aangelegd, die deels die van de Romeinse muur volgde maar hooguit de helft van de oorspronkelijke oppervlakte besloeg.  In het begin van de veertiende eeuw had Trier weer ongeveer 10.000 inwoners waarmee het alsnog een van de grote steden van die tijd was.  In 1473 werd er een universiteit gesticht.

In Trier zijn er uit de middeleeuwen nog veel gebouwen bewaard gebleven. Zo is er de Romaanse dom uit de elfde/twaalfde eeuw, die gebouwd werd op de fundamenten van een Romeinse basilica.

Keizer Constantijn begon in 326 niet alleen met de bouw van zijn basiliek in Trier, maar ook met de oude Sint-Pietersbasiliek van Rome, de Graf- en Verrijzeniskerk in Jeruzalem en de Geboortekerk van Bethlehem. Waarschijnlijk werd de kerk in Trier gebouwd op de plaats van het paleis van keizerin Helena, de moeder van Constantijn. Sinds archeologische opgravingen in de periode 1992 – 1995 gaat men ervan uit, dat er sprake was van een ingewikkeld gebouwencomplex met meerdere basilieken (waarschijnlijk vier) die met elkaar verbonden waren door zalen en gangen en die tezamen een geweldige omvang hadden. In de tweede helft van de 4e eeuw werd het noordoostelijke deel van de oorspronkelijke kerk afgebroken en werd op de plaats van de huidige dom een vierkant gebouw met een 45 m hoge vieringtoren neergezet. In het midden daarvan stonden 4 bijna 12 meter hoge granietzuilen, elk ca. 65 ton zwaar. Voor het zuidwestelijke portaal van de huidige dom ligt nog een deel van een van die zuilen, die al in de eerste helft van de 5e eeuw neergehaald zijn, in de verwarring van de grote Volksverhuizing.  Met Pasen 882 werden tijdens een inval van de Noormannen de kerken van het domcomplex in brand gestoken. Onder het bewind van bisschop Egbert (977-993) begon men met een renovatie, die niet werd voltooid. Aartsbisschop Poppo van Babenberg (1016-1047) voltooide deze renovatie. Bovendien kreeg de dom toen zijn thans nog bestaande westwerk: een apsis en twee romaanse torens, met op de uiterste hoeken ronde traptorens. Het is de oudste westfaçade met een dwerggalerij. Het westwerk van de dom bestaat uit vijf symmetrische delen, waaronder vier torens. Het dateert grotendeels uit de 11e eeuw (Salische tijd). De apsis van het westkoor was in 1196 het laatste onderdeel dat voltooid werd. De Latijnse inscriptie boven het uurwerk aan de hoogste westwerktoren luidt: NESCITIS QVA HORA DOMINVS VENIET (“Je kent het uur niet waarop de Heer zal komen”). Het oostkoor wordt enigszins aan het zicht onttrokken door de barokke kapel, waar de Heilige Tuniek wordt bewaard. Aan de buitenzijde is het Romeinse metselwerk van de oorspronkelijke rechthoekige basilica uit de vierde eeuw nog goed zichtbaar.

De kerk bezit drie kerkorgels. Het hoofdorgel, een zogenaamd zwaluwnestorgel, lijkt oud maar dateert uit 1974.

De gotische kloostergang ontstond tussen 1245 en 1270 en verbindt de Dom met de Onze-Lieve-Vrouwekerk. In het westelijk deel, waar ooit de kanunniken begraven werden, bevindt zich de wijbisschopskapel.

Aan het einde van de kloostergang bevindt zich een deur die naar de OLV kerk leidt (Liebfraukirche). Boven deze deur is de oudste afbeelding van deze kerk te zien, een timpaan uit 1180. Deze doet me erg denken aan vergelijkbare timpanen in de Servaaskerk van Maastricht. We zien Maria, de patrones van de Liebfraukirche waar de poort naar toe leidt, Christus in het midden en rechts Petrus, de patroonheilige van de Dom.

De Onze- Lieve-vrouwe kerk, Liebfraukirche is gebouwd in de dertiende eeuw. Aartsbisschop Diederik van Wied begon rond 1230 met de bouw van deze kerk. De voorganger van de kerk, een Romeins gebouw uit de tijd van keizer Constantijn de Grote, was zo bouwvallig geworden dat het gesloopt moest worden. Om de reusachtige dubbelkerk met de Dom in stand te houden werd de nieuwe kerk gedeeltelijk op de fundamenten van de oude gebouwd. Rond 1260 was de kerk voltooid. De bouwmeester van de kerk was afkomstig uit de Champagnestreek. Daar werkte aan de hooggotische kathedraal van Reims een zeer groot aantal ambachtslieden samen. De bouwstijl en de stijl van het beeldhouwwerk die deze bouwloods daar toepaste, waren zeer invloedrijk. Veel kerken door heel Europa die in deze periode gebouwd werden namen de stijl van de kathedraal van Reims over. De kerk behoort daarmee tot de oudste Duitse voorbeelden van de Franse Gotiek.

Hierboven zien we de hoofdingang, versierd met enkele beelden en een timpaan. Het sterk verweerde beeldhouwwerk in het timpaan toont episodes uit de jeugd van Christus. In het midden zien we de Maagd Maria. Op haar schoot heeft zij het pasgeboren Jezuskind en onder haar linkervoet vertrapt zij een draak. Links van hen bevinden zich de drie koningen. De voorste van hen is geknield en laat zijn kroon rusten op zijn knie. Achter hem wijst de tweede koning op de ster die hen de weg gewezen heeft. Helemaal links bevindt zich de scène van de verkondiging aan de herders. Rechts van Maria wordt de presentatie van Jezus in de tempel verbeeld. Helemaal rechts is de episode van de kindermoord van Bethlehem te zien. Aan weerszijden van de deuropening bevinden zich op een sokkelzone zes vrijstaande figuren. Van binnen naar buiten zijn dit links Adam en rechts Eva, links Andreas (met net) en rechts Johannes de Evangelist (met een met slangen gevulde gifbeker), links de personificatie van de kerk en rechts van de synagoge (Ecclesia en Synagoge). Deze beelden zijn replica’s, de originelen bevinden zich in musea.

Vlakbij de Dom en Liebfraukirche staat ook de parochiekerk St. Gangolf uit 958 die in de vijftiende eeuw is herbouwd. Deze kerk is de markt- en stadsparochiekerk en is gewijd aan de heilige Gangolf of Gangulfus.

Andere kerken: in de middeleeuwen was heel belangrijk de pelgrimskerk St. Matthias (kloosterkerk van een benedictijner abdij) waar het gebeente van de apostel Matthias als relikwie wordt vereerd . Ook het tussen 1936 en 1939  gereconstrueerde klooster van Simeon bij de Porta Nigra was belangrijk voor pelgrims. Behalve het gebeente van Matthias hadden al in de middeleeuwen veel kerken belangrijke reliquiën.  De dom had de tuniek van Christus, de botten van de arm van sint Anna,  en nog veel meer relikwiën zoals de beenderen van de eerste bisschop van Trier, Maternus.

Ook zijn er nog een aantal wereldlijke gebouwen uit de middeleeuwen bewaard gebleven zoals het oude raadhuis (Steipe), nu restaurant en speelgoedmuseum uit de vijftiende eeuw.

In de stad staan verscheidene oude Patriciërshuizen met een torentje, zoals het door een schepenfamilie bewoonde driekoningenhuis. Oorspronkelijk heette het “Zum Saülchen”. De fassade dateert van 1230 en is in laat Staufische stijl, de laatste Staufische Duitse keizer, Frederik II, stierf in 1250. Ook de gerestaureerde kleuren horen bij die stijl. Het hele huis is in 1938 en 1973 gerestaureerd.

In de Judengasse 2 staat de oudste bewaard gebleven woning van een joodse familie van heel Duitsland, gebouwd in 1311. Trier trok veel joden aan: al in de 11e eeuw was er een joodse gemeenschap in Trier, die in het midden van de 14e eeuw ongeveer 300 leden telde. De Joodse wijk met een synagoge en een ritueel bad (“mikveh”) bevond zich in het stadscentrum in de onmiddellijke nabijheid van de grote markt. In 1349 werd de bloeiende joodse gemeenschap echter plotseling opgeschrikt  door een pogrom in verband met de pestepidemie in Europa. In 1418 werden alle joodse inwoners uit Trier verdreven.

In de stad zijn uiteraard ook allerlei mooie gebouwen uit later tijden te zien. Ik beperk me tot het aartsbisschoppelijk paleis dat staat achter de Romeinse basilica (nu Lutherse kerk). De bisschoppen resideerden eerst in die oude basilica, maar vlak voor de Franse tijd lieten ze een nieuw paleis bouwen in Rococo-stijl.

Zie ook: Trier in de Romeinse tijd

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Onbevangen

Mijn oudste kleinzoon groette met strakke blik in het bos enkele voorbijgangers.
-‘U weet dat u goed afstand moet houden? Wij zijn nu bezig met de appels, maar intussen moet de rest ook goed gaan in Solor.’
Hij was in de rol van burgemeester. Dezelfde blik had hij nu al meer dan een halve dag, binnen, in zijn eentje, buiten naar anderen toe. De voorbijgangers die hij toe sprak keken ietwat bevreemd maar groetten hem vriendelijk terug. Ik groette hen ook en babbelde met hen over de grote hoeveelheid  appels die hier onder de bomen lagen.
-‘Ja, dat komt waarschijnlijk door de storm van gisteren.’
In het Loetbos zijn op diverse plekken fruitbomen geplant in het verleden. Appelbomen, perenbomen.

Ik vroeg mijn kleinzoon even later toen de mensen weer verder waren gelopen:
-‘Denk je dat die mensen weten wat Solor is? En dat jij burgemeester bent?’
Hij keek me aan en ik zag hem nadenken.
-‘Voor jou is dat heel vanzelfsprekend, en ík weet dat ook, maar andere mensen weten dat niet. Dit zijn vriendelijke mensen. Maar er zijn ook mensen, vooral kinderen, die daar niets van snappen en die je dan misschien gaan uitlachen.’
Hij zei niets en nam het voor kennisgeving aan. Even later zat hij weer midden in zijn rol. Zijn twee jaar jongere broertje snapt dat wel. Hij zal nooit zomaar wildvreemde mensen aanschieten. Hij snapt dat die dat niet begrijpen wat ze lopen te fantaseren. Heel soms speelt hij met zijn broer mee, maar meestal niet en is hij het snel zat. Gelukkig vindt hij appels verzamelen leuk. Hij wil wel heel graag samen spelen met zijn broer maar hij wil meestal heel andere dingen dan hij. Zijn zusje van ruim drie jaar jonger speelt wel heel vaak met haar oudste broer mee. Vooral als er verkleedpartijen aan te pas komen.
-‘Stop, stop! Dit is echt genoeg!’
We namen meer appels mee dan ik dragen kon…

In deze laatste vakantieweek is hij drie keer bij ons, grootouders, geweest. De laatste dag was hij er alleen. Hij was ambtenaar van de burgerlijke stand en had een deftig jasje aan. Hij organiseerde in de woonkamer een soort ontvangstruimte van het stadhuis. Met een tafel, aan een kant twee stoelen, een voor de bruid en een voor de bruidegom, aan de andere kant een stoel voor hem zelf. Op de tafel lag op zijn plek een officieel document waar hij van alles op had geschreven. En vlak voor de plaats van bruid en bruidegom lagen twee door hem gemaakte trouwboekjes. Met voor de twee leden van het bruidspaar, keurig ernaast, een pen. Heel lang speelde hij daar in zijn eentje, maar toen oma thuis kwam had hij een compleet toekomstig echtpaar tot zijn beschikking.
-‘Opa en oma, willen jullie trouwen?’
We keken elkaar aan, zo van, waarom niet? Hij ging klaar zitten achter zijn stoel en wij moesten gearmd binnen komen lopen. We zetten snel een hoed en een pet op. Intussen neurieden we de bruiloftsmars en marcheerden richting onze plaats.
-‘Neem plaats’.
Hij had op zijn papier opgeschreven wat hij allemaal moest zeggen. Dat had hij gehoord bij een filmpje van de trouwerij van Willem-Alexander en Maxima in de Beurs van Berlage. Hij las het plechtig voor. Heel knap, met talrijke archaïsche woorden. Uiteindelijk mochten we elkaar de rechterhand geven, elkaar een ring omdoen (hij had twee ringen in een doosje klaar liggen), en mochten we elkaar kussen. Maar het was nog niet afgelopen! We moesten ook nog voor de kerk trouwen. De kerk is in het halletje in ons huis waar een mooie lamp hangt en waar een hoog portaal is. Nu improviseerde hij zijn tekst. Op het moment suprême, toen hij ons ging zegenen, moesten we knielen. En nu waren we dan echt helemaal getrouwd.

’s Middags, een tijd eerder, was hij carillon-speler. Ik was met hem in de speeltuin van Bergambacht, maar dat was nu een groot kerkgebouw, de kerk heette de “Sint Clibberskerk” van Bergambacht, in het land Solar. (Nu met een a, maar je spreekt uit Solor. Dat krijg je met vreemde talen. Zoals je ook de sint Clibberskerk uitspreekt als Sint Clubberskerk).  Allerlei onderdelen van de speeltuin waren onderdeel van de kerk, er was een orgel, er waren grote klokken en er was dus een carillon. Vier schommels hield hij zwaaiende en intussen maakte hij het geluid van diverse samen beierende klokken. Op het orgel klonk de toccata in D mineur van Bach. En: op het carillon klonk de meest wonderlijke muziek, die uitliep op twee coupletten (instrumentaal) van het Wilhelmus. Alle geluiden kwamen uit zijn stem maar intussen sloeg hij als een bezetene op de ringetjes die als carillonbelletjes dienst deden. Het carillon had ook een pedaal dus ook zijn voeten deden driftig mee. En af en toe versterkte hij de galm door op een soort registerknop te drukken. Wat een heerlijke fantasie! In het verleden serveerde zijn zusje hier nog wel eens ijsjes, (‘Wie wil er een ijsje?’) maar nu was het een godsdienstige plek.

En hij was er alleen met zijn opa en dus vond niemand het vreemd. Compleet onbevangen was hij een kerkmuzikant. En de muziek klonk best wel goed..

Op de terugweg hoorden we een sirene. Als burgemeester was hij de baas van de politie. Hij hield zijn personeel nauwgezet in de gaten maar hij zag vanuit de dienstauto dat ze hun werk goed deden.

De volgende week gaat hij weer naar school. Dan is hij geen ambtenaar van de burgerlijke stand meer, dan is hij geen burgemeester meer, en dan is hij ook geen muzikant meer. Het echte leven gaat weer beginnen Met twee nieuwe juffen. Die zijn dan de baas. Hij blijft onbevangen, maar hoe ouder hij wordt, hoe vreemder zijn leeftijdsgenoten het zullen vinden. Ik houd eerlijk gezegd een beetje mijn hart vast. Gelukkig kennen de kinderen in zijn klas hem al. En hopelijk krijgt hij genoeg ruimte om zich zelf te kunnen blijven. Maar het zal hoe dan ook erg wennen zijn.

Geplaatst in autisme | Een reactie plaatsen

Trier in de Romeinse tijd

Korte tijd geleden waren we in Trier. Een stad waar veel over te vertellen valt. In dit artikel beperk ik me voornamelijk tot “Trier in de Romeinse tijd”, wat overigens waarschijnlijk ook de belangrijkste periode was voor de stad. Gedurende een bepaalde tijd was Trier zelfs de hoofdstad van het West-Romeinse rijk. Er zijn nog veel Romeinse sporen terug te vinden. In een volgend artikel zal ik ook de middeleeuwse tijd bespreken. De tekst van dit artikel is grotendeels ontleend aan de Duitstalige wikipedia. De foto’s, met uitzondering die van de Romeinse brug en die van het forum, heb ik zelf gemaakt.

Rivieren zijn belangrijke aders voor de handel en op bepaalde plekken ontstaan dan ook al vroeg steden. Trier ligt in een wijde bocht van de Moezel waardoor zich tussen de rivier en de omliggende hoogte van de heuvels van de Hunsrück een breed gebied bevindt, dat nooit last heeft van hoog water. Het is het grootste nederzettingsgebied in de verre omgeving. De ligging van de rivier is al duizenden jaren vrijwel gelijk gebleven, de condities dus ook. Beken als de Olewiger Bach, de Aulbach en de Aveler Bach zorgen voor direct vers water in Trier. Toen de Romeinen er kwamen stichten zij er rond 20 voor Christus een stad, die ze net als bijvoorbeeld Autun vernoemden naar de Romeinse keizer van die tijd: keizer Augustus. De stad heette toen Augusta Treverorum. Treveri is de naam van de Keltische stam die in die omgeving woonde, met nederzettingen behalve in Trier ook in bijvoorbeeld Luxemburg.

Nog voor het begin van de jaartelling kwamen er omvangrijke bouwwerken tot stand zoals een deel van de ommuring. In 17 voor Christus is er een brug gebouwd over de Moezel. Deze was van hout. Tussen 144 en 155 na Christus is hij op een iets andere plek opnieuw gebouwd: Negen pijlers bestaande uit kalksteenblokken vormden de basis voor een nieuwe houten brug. Er zijn er nog zes van over. In de veertiende eeuw werd het houten gedeelte vervangen door een gemetseld stenen deel. De richels boven de pijlers geven nog aan waar het originele houtwerk zat.

Augustus deelde Gallia op in vier provincies: Belgica met als hoofdstad Reims (later Trier), Lugdunensis met als hoofdstad Lyon, Aquitania met als hoofdstad Bordeaux en Narbonensis met als hoofdstad Narbonne. Trier was vanaf het begin het financiële centrum van de provincie Belgica en later zelfs van heel Gallië. Toen in de vierde eeuw lange tijd meerdere keizers in Trier woonden was de stad de hoofdstad van heel Gallië.

Er ontstonden tal van gebouwen, zoals de thermale baden op de veemarkt rond 80 en het amphitheater rond 100. In het midden van de tweede eeuw waren de thermale baden aan de Veemarkt al te klein geworden, zodat de Barbarathermen over het gebied van verschillende “insulae” werden gebouwd. In hun tijd werden ze beschouwd als een van de grootste thermale baden in het Romeinse rijk. Onder Marcus Aurelius en Commodus werden de stadsversterkingen en daarmee de noordpoort, de Porta Nigra, gebouwd vanaf 170, wat het belang van de stad in de 2e en 3e eeuw onderstreept. De bouwwerkzaamheden kunnen verband houden met de verheffing van de stad tot de provinciehoofdstad van Gallia Belgica. Het jaartal dat Trier Reims opvolgde als hoofstad moet in ieder geval eerder dan 250 zijn. De naam porta nigra (zwarte poort) is overigens pas in de middeleeuwen ontstaan. Door verwering, vuil en stof was de lichte zandsteen bijna zwart geworden.

Al heel snel werd Trier een stad van kooplieden en handwerkslieden. In de stad werden stoffen en vooral ook veel aardewerken producten gemaakt. Ook wijn werd een belangrijk product.

Tussen 193 en 197 was er een burgeroorlog, twee Romeinse legers stonden tegenover elkaar. Trier wist de aanvallende partij buiten de deur te houden en werd daar uitvoerig voor beloond.  In de derde eeuw waren de eerste invallen van Germaanse stammen. Keulen, de hoofdstad van Germania dreigde onder de voet gelopen te worden en toen de situatie hachelijk begon te worden werd deze hoofdstad verplaatst naar het meer veilige Trier. Maar snel na de dood van keizer Aurelius in 275 werd de stad door Germaanse troepen alsnog geplunderd en deels verwoest. Desondanks herstelde de stad zich snel. Tussen 293 en 401 was Trier een van de belangrijkste plaatsen in het westen van het Romeinse rijk. Door de hervormingen van Diocletianus werd de stad zelfs de zetel van de praefectus praetorio Galliarum en daarmee het administratieve centrum van het diocees Gallië, dat het huidige West-Europa en delen van Noord-Afrika omvatte. De provincie Belgica werd opgesplitst en Trier werd de hoofdstad van een deel van Belgica.

Keizerlijke woonplaats

Tijdens de Tetrarchie koos Caesar Constantius Chlorus in 293 voor het eerst voor Trier als zijn woonplaats. Later werd de stad uitgebreid door zijn zoon Constantijn I, die tussen 306 en 324 enkele jaren in de stad verbleef. Om zijn aanspraak op de macht te consolideren liet Constantijn een monumentaal paleis bouwen naar het model van de Palatijn in Rome. Om zijn heerschappij te legitimeren liet hij zijn vader begraven in een mausoleum nabij de huidige kerk van St. Maximin.

De bouw van de Kaiserthermen begon ook in deze tijd.

Constantijns zoon Constantijn II woonde hier van 328 tot aan zijn dood in 340, de usurpator Decentius van 351 tot 353. Treveris was opnieuw de residentie van Romeinse keizers van 367 tot 388 (Valentinianus I, Gratianus, Magnus Maximus); De jonge Valentinianus II woonde hier voor het laatst rond 390. Deze hoogtijdagen kwamen ook tot uiting in de ontwikkeling van de wetenschap in deze tijd. De keizerlijke docenten Lactantius (rond 317) en Ausonius (367-388) werkten in Trier, onder Ausonius bereikte ook de universiteit van Trier haar grootste roem. Het was een van de belangrijkste scholingsinstituten in het westerse rijk, alleen overtroffen door de school in Burdigala (Bordeaux). Hoewel er enkele schriftelijke bronnen over zijn, kan een exact beeld van de school niet worden verkregen. De belangrijkste student in deze stad was Ambrosius van Milaan. Gelokt door het keizerlijk hof vestigden veel mensen zich in de stad, het inwoneraantal is waarschijnlijk al sterk toegenomen. Aangenomen wordt dat er in het midden van de keizerlijke periode ongeveer 20.000 mensen leefden. Het amfitheater, gebouwd in de 4e eeuw, kon overigens minstens 50.000, misschien zelfs 100.000 bezoekers herbergen, maar in beide gevallen kan niet worden gezegd of bij de planning van deze gebouwen rekening is gehouden met de bevolking van de omgeving. Maar ook in deze welvarende 4e eeuw zullen er nauwelijks meer dan 100.000 mensen in Trier hebben gewoond; Anderen gaan er zelfs van uit dat zelfs in de late oudheid een bevolking van meer dan 30.000 mensen in dit gebied nauwelijks zou kunnen worden gevoed. Na het vertrek van het keizerlijk hof en de Praetoriaanse prefectuur in het begin van de 5e eeuw is het inwoner aantal waarschijnlijk snel gedaald tot wellicht niet meer dan 10.000 mensen.

Aan de rand van de stad, voornamelijk in het zuiden en dicht bij de Moezel, waren ambachtelijke bedrijven. Voor vrachtverkeer waren zij afhankelijk van de nabijheid van deze waterweg. Deze bedrijven bestonden uit de al genoemde pottenbakkerijen, maar ook uit textielfabrieken, metaalbewerkingsbedrijven en productiefaciliteiten voor glaswerk. De woongebouwen van de stad bestonden aanvankelijk uit vakwerkhuizen. De vroegste stenen gebouwen werden gevonden in het gebied van de latere keizerlijke baden. Ze hadden in sommige gevallen prachtige meubels, mozaïeken en muurschilderingen. Na 293 n.Chr. werden ze afgebroken voor de bouw van de thermale baden. De opeenvolging van uitbreidingsfasen, aanvankelijk in houtskeletbouw, vanaf het einde van de 1e eeuw kalksteen en uiteindelijk rode zandsteen, is terug te zien in veel particuliere gebouwen, waaronder een wooncomplex bij St.Irminen welk in 1976/1977 is opgegraven. Dit omvatte ook een kleine badgelegenheid, die de typische structuur had van Romeinse baden met een koud bad (frigidarium), een lauw bad (tepidarium) en een warm bad (caldarium). In de loop van de tijd kregen de huizen een steeds meer luxe interieur met muurschilderingen, mozaïeken, opus signinum of geornamenteerde bakstenen tegelvloeren. Voor de dakbedekking werden tegels of leistenen gebruikt.

Forum en basilica

Het forum, waarvan bij opgravingen kleine delen zijn blootgelegd, bevond zich op de kruising van de legioenswegen decumanus maximus en cardo maximus. In de Vespasiaanse periode werd het forum enorm uitgebreid, zodat het zes kwadranten besloeg aan weerszijden van de oost-west-as van de stad met een afmeting van 140 × 278 m. Tijdens de uitbreiding werden enkele privé-woonwijken geëgaliseerd en werden de aangrenzende thermale baden op de veemarkt toegevoegd.

De basilica, de ontvangstruimte van de keizer, doet nu dienst als de Evangelische Kerk van de Verlosser (Konstantinbasilika). Hij werd gebouwd voor de Romeinse keizers die in de vierde eeuw in de stad woonden. Alleen nog de naamgeving “Constantijnse Basilica” herinnert aan deze tijd en aan dit doel. De eerste vroeg-christelijke kerken hadden ook de basilicavorm, een soort hallenkerk (bijvoorbeeld de Apollinaris in Classe in Ravenna). De katholieke eretitel “basiliek” is hier niet van toepassing, aangezien het gebouw nooit een katholieke kerk is geweest.

Wat gebeurde er nadien met deze keizerlijk audiëntieruimte? In de vroege middeleeuwen kwamen de uitgebrande ruïnes in het bezit van de bisschoppen van Trier. Ze hebben het omgebouwd tot een kasteel-achtig pand. In 1614 werden de zuidelijke en oostelijke muren afgebroken en de rest werd geïntegreerd in de residentie van de bisschop, het keurvorstenpaleis. In de jaren 1844 tot 1856 werd het gebouw gerestaureerd, ingehuldigd op 28 september 1856 en “voor altijd” gegeven aan de protestantse parochie, die het sindsdien als kerk heeft gebruikt. Op 14 augustus 1944 werd het gebouw zwaar beschadigd door een Amerikaanse luchtaanval en is toen volledig afgebrand. Het werd in de jaren 50 herbouwd. Het ontwerp werd teruggebracht tot stenen buitenmuren en een houten cassetteplafond.

Sinds 1986 maakt de Constantijn-basilica deel uit van het UNESCO-werelderfgoed  samen met veel andere monumenten in de stad. Het is ook een beschermd cultureel goed onder het Verdrag van Den Haag. De apsis in het noorden, de westelijke muur, overblijfselen van muren van eerdere gebouwen onder de huidige vloer en overblijfselen van Romeinse buitenschilderijen aan de west- en noordgevels zijn bewaard gebleven. De kerk bevindt zich ongeveer halverwege tussen de kathedraal en de Kaiserthermen aan de oostelijke rand. In het westen is de kerk verbonden met het Constantijnplein. In het zuiden ligt de paleistuin, in het oosten het nieuwe keurvorstelijke paleis en in het noorden het gebied van het voormalige benedenpaleis – tegenwoordig Willy-Brandt-Platz – met de rode toren en een fontein. Het is het oudste gebouw in Duitsland dat op dit moment als kerk wordt gebruikt. Het huidige uiterlijk van het bouwwerk is grotendeels het resultaat van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Overblijfselen van eerdere Romeinse gebouwen op die plaats zijn bewaard gebleven onder de huidige bodem.

De stadsmuur

De 6.418 m lange Romeinse stadsmuur omsloot een gebied van 285 hectare. In het verleden werd vaak aangenomen dat deze pas gebouwd was in de 3e eeuw toen burgeroorlogen en plunderende Germanen de steden van Gallië bedreigden. Tegenwoordig is er echter consensus dat de stadsmuur in het laatste kwart van de 2e eeuw is gebouwd. Deze datering is het gevolg van het feit dat hij delen van de plaatselijke begraafplaats bij de Porta Nigra in het noorden doorsnijdt. De laatste graven binnen de muren dateren uit het derde kwart van de 2e eeuw. (De Romeinen begroeven hun doden over het algemeen buiten de stadsmuren, dus de graven moeten ouder zijn dan de muur.) Kleine vondsten in de muur wijzen op het einde van de 2e eeuw. Markeringen op de stenen van de Porta Nigra verwijzen naar keizer Marcus Aurelius (161-180) en zijn zoon Commodus (180-192). Het complex lijkt klaar te zijn geweest toen de troepen van Clodius Albinus de stad in 195 zonder succes aanvielen. De muur is gebouwd als typisch Romeins gietmetselwerk. De kern bestond uit leisteen, kleine stenen en veel mortel, terwijl zand- of kalksteenblokken de buitenste delen vormden. De hoogte van de loopbrug kan worden gereconstrueerd op 6,2 m met behulp van de bewaarde muuruitgangen bij de Porta Nigra. De breedte in het gebied van de fundering was maximaal 4 meter, aan het einde slechts 3 meter.  Regelmatig werden ronde torens toegevoegd, meestal aan de uiteinden van de straatlijnen. De in totaal 48 of 50 torens van de stadsmuur van Trier sprongen aan beide kanten gelijkmatig uit de muur. Latere Romeinse vestingwerken hadden daarentegen meestal torens die ver naar buiten staken, waardoor de zijmuurgebieden beter konden worden beschermd en aanvallers bij het kruisvuur konden worden opgevangen. Ook de vorm van de torens suggereert dat het gebouwd is in de late 2e eeuw.

Modern onderzoek gaat er meestal van uit dat de stadsmuur van Trier – net als die van veel andere Romeinse steden in de overwegend vreedzame 1e en 2e eeuw – niet werd gebouwd om te reageren op een specifieke dreiging; hij had niet zozeer een militaire functie dan wel dat hij diende als prestigeproject, bedoeld om het belang van de plaats te onderstrepen. Alleen in het noorden en langs de Moezel zijn kleinere delen van de muur geïntegreerd in de latere middeleeuwse stadsmuur (schietloopgraaf, bij de vakschool; kelder van het huis aan de Schützenstrasse 20, van buitenaf zichtbaar). In de zuidelijke delen is de muur uitgegraven tot aan de fundering. De stadsmuur had in totaal vijf poortgebouwen, waarvan sommige, zoals de Porta Nigra, zeer uitvoerig waren ontworpen en bij de bouw al anticipeerden op het latere wijdverspreide type poortkasteel. De zuidelijke poort (Porta Media) tegenover de Porta Nigra werd in de middeleeuwen afgebroken en daarom zijn alleen de fundamenten ervan bekend. De westpoort op de Moezelbrug werd in de middeleeuwen nog gebruikt en heette toen Porta Inclyta (“beroemde poort”). Vanuit het oosten kwam men de stad binnen via een poort ten zuiden van het amfitheater, die als zij-ingang werd gebruikt. Aan het einde van de 4e eeuw werd een zuidoostelijke poort toegevoegd, Porta Alba genaamd sinds de middeleeuwen. Bij de bouw waren de royale vestingwerken ontworpen om verder te groeien, zoals blijkt uit de vele open ruimtes in de meer perifere gebieden. Vanuit militair oogpunt had de muur echter weinig nut. Het gebouw hoefde zich in de eerste 200 jaar van zijn bestaan nauwelijks te bewijzen – de enige bekende uitzonderingen zijn de aanval van 195 en de Frankisch-Alemannische aanval rond 275. Bij de laatste kon de muur de aanvallers niet tegenhouden. In de 5e eeuw was het eigenlijk nauwelijks mogelijk om de stad effectief te verdedigen. Tegen de aanval van de vandalen als gevolg van de oversteek van de Rijn in 406, kon de overgebleven bevolking van de stad zich alleen beschermen door zich te verschuilen in het amfitheater.

Porta Nigra

De bouw die onder keizer Marcus Aurelius was begonnen, werd nooit definitief voltooid. Zo zijn de gaten voor de scharnieren van de poorten wel al voor-gemonteerd. Maar de nokken van het onafgewerkte blok steken nog steeds uit in de rotatie-as van de poorten, zodat er nooit een beweegbare poort kon worden geïnstalleerd.

Zelfs voor het ongetrainde oog maakt de porta een onvoltooide indruk, zo zijn de halve kolommen op de gevel aan de landzijde in hun ruwe staat gelaten. De gaten die middeleeuwse metaalrovers achterlieten toen ze de ijzeren beugels en loden gietstukken uit de constructie braken voor hergebruik, versterken deze indruk. Voor de constructie werden in totaal ongeveer 7200 stenen blokken gebruikt, waarvan de grootste tot zes ton weegt.

De Byzantijnse monnik Simeon, afkomstig uit Sicilië, vestigde zich na 1028 als kluizenaar in het gebouw. Naar verluidt had hij zich daar laten inkluizen. Na zijn dood in 1035 werd hij op de begane grond begraven. De aartsbisschop van Trier, Poppo, kreegin hetzelfde jaar zijn heiligverklaring door de paus voor mekaar. Ter ere van de heilige bouwde hij het Simeonklooster en herbouwde de poort naar de dubbelkerk waarin Simeon beneden werd begraven. Sommige van de overgebleven kloostergebouwen dateren uit 1040. Er werden twee kerkkamers boven elkaar aangelegd, waarvan vandaag de dag nog een apsis te zien is. De orgelkamer van de bovenkerk op de westtoren is nog goed zichtbaar. Omdat er maar één toren nodig was om de kerk te gebruiken, werd de tweede torenconstructie van de Porta Nigra afgebroken. De functie van de stadspoort werd overgenomen door de “Simeontor”, die in het oosten direct aansluit op de Porta Nigra. Deze poort, die klein is in vergelijking met de Porta, werd beschermd door de hoge vestingstoren uit 1389, de zogenaamde Ramsdonkturm.

Napoleon liet de kerk en het klooster in 1802 opheffen. Tijdens zijn bezoek aan Trier in oktober 1804 gaf hij opdracht om de kerkuitbreidingen te ontmantelen. Van 1804 tot 1809 werd het middeleeuwse gebouw gestript. De Pruisen voltooiden de sloopwerkzaamheden van alle latere toevoegingen vanaf 1815, zodat de Romeinse poort nu weer te zien is. Alleen het onderste deel van de middeleeuwse apsis bleef staan om redenen van monumentenzorg. Na voltooiing van het werk deed het gebouw dienst als het eerste museum van oudheden in Trier.

In de jaren 1870 werden de stadsmuur en werden bijna alle middeleeuwse stadspoorten afgebroken, inclusief de Simeonpoort. Op 11 september 1979 werd de Porta Nigra symbolisch bezet door tegenstanders van kernenergie. In 1986 werd de poort toegevoegd aan de UNESCO Werelderfgoedlijst, samen met andere Romeinse culturele monumenten in Trier en omgeving.

Amphitheater

Onder de arena bevond zich een soort kelder, die tot op de dag van vandaag bewaard is gebleven. Hier waren liften om de acteurs te laten optreden. Het was daarom niet mogelijk om de arena met water te laten overstromen. Het amphitheater maakte deel uit van de Romeinse stadsmuur en bevindt zich onder de Petrisberg. Een van de redenen waarom het amphitheater op Petrisberg werd gebouwd, was dat vanwege de hellingen van de Petrisberg slechts de helft van de muur hoefde te worden gevuld met aarde voor de tribunes. Het is op het noorden georiënteerd en heeft een noord- en een zuid-uitgang. Dieren of artiesten konden snel worden binnengebracht via een verborgen lift in het midden van de arena. Nadat het theater in de tweede helft van de 2e eeuw na Christus was gebouwd, werd het al snel onderdeel van het dagelijkse leven van veel inwoners van Trier. Daar boden lokale hoogwaardigheidsbekleders, keizerlijke functionarissen en, in de late oudheid, enkele persoonlijk aanwezige keizers de burgers brood en spelen aan: dierenjachten (venationes) en gladiatorengevechten beslisten over leven en dood, executies vonden er plaats en er werden belangrijke aankondigingen gedaan. Het amphitheater had ook nog een andere functie – het diende als oostelijke stadspoort van Trier. Na het einde van het West-Romeinse rijk (5e eeuw) werd het, net als veel andere gebouwen in Trier, in de middeleeuwen als steengroeve gebruikt. Tot in de 19e eeuw noemde de bevolking het complex een Kaskeller (kaaskelder) en schreef het deze naam ook op stadsplattegronden. Pas in de 19e eeuw, toen wetenschappelijk onderzoek en restauratie begon, verdween deze naam, die waarschijnlijk teruggaat tot het gebruik van de ondergrondse kamers van het amphitheater als opslagkelder Het houten plafond boven de arenakelder is in 1992-1993 om bouwkundige redenen vernieuwd. Voor toekomstige culturele evenementen is een infrastructuur voor elektriciteit, water en riolering aangelegd. In de zomer zijn er rondleidingen door het amphitheater, waarbij een acteur in de rol van gladiator Valerius vertelt over zijn carrière als gladiator. Concerten, musicals en andere evenementen worden er zelden gehouden.

Einde Romeinse tijd

Door de aanwezigheid van administratief en militair personeel, de rechtbank en de munt nam het belang van Trier in de 4e eeuw toe. In het gebied rond de stad werden verschillende paleisachtige villacomplexen gebouwd, die worden toegeschreven aan de keizerlijke familie of hoge ambtenaren, zoals het Palatiolum in Trier-Pfalzel.  Waarschijnlijk rond 402, een paar jaar na de overdracht van de rechtbank aan Mediolanum en de dood van Theodosius I (395), werd ook de Gallische Praetoriaanse prefectuur verplaatst van Trier naar Arles (uiterlijk 418). Met de terugtrekking van deze belangrijke economische factoren begon het definitieve verval van de eens zo belangrijke Romeinse stad. Alleen het bisschoppelijk bestuur bleef over, waarmee het christendom de drager werd van de continuïteit van de Romeinse cultuur, gesteund door de nog steeds invloedrijke Gallo-Romeinse bovenlaag. Na meerdere vernielingen en plunderingen viel de stad uiteindelijk rond 480 in handen van de Franken.

Over de genoemde Romeinse objecten maar ook over andere kun je nog veel interessante details lezen op livius.org, een van de sites van Jona Lendering. De daar bijgevoegde stadskaart is ook erg handig om alles precies te lokaliseren. Via onderstaande link zie je centraal op die kaart de basilica. Door rechts een ander object aan te klikken beweegt de kaart naar dat object.

https://www.livius.org/articles/place/augusta-treverorum-trier/trier-photos/trier-basilica/

Zie ook: Trier in de Middeleeuwen

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Gevoel en verstand

Als een kind geboren wordt voelt het van alles en dat wordt ook onmiddellijk hartstochtelijk geuit: heb je pijn, heb je honger, staat de zon in je gezicht: je gaat huilen, huilen of je leven er van af hangt. Als het kindje ouder wordt snapt het steeds beter dat bepaalde gevoelens vervelend zijn maar dat daar weinig aan te doen is. Soms is het gewoon erg warm bijvoorbeeld. En je hebt geen zin in opruimen, dan ga je niet huilen maar je moppert hooguit even of denkt “shit” en gaat het doen in de wetenschap dat dat erbij hoort. Zo gaat het verstand het gevoel steeds meer beïnvloeden.

Bij mensen met autisme werkt dat anders. In ieder geval bij mijn kleinzoon van zeven jaar. Gevoel en verstand blijven hardnekkig een eigen leven leiden. Hij weet dat als je jarig bent dat je dan cadeautjes krijgt. Dat geeft een fijn gevoel. Van de gedachte aan een cadeau wordt hij blij. Zijn broertje werd vijf jaar en kreeg cadeautjes, er werd voor hem gezongen. Wat is dat vreselijk oneerlijk: hij wilde ook cadeautjes! Je probeert het hem uit te leggen, van te voren al: hij luistert aandachtig, lijkt ook alles te begrijpen, maar toen zijn broer van de andere grootouders cadeautjes kreeg was hij boos en moest hij huilen: hij wilde ook cadeautjes. Ook als hij zelf een keer een cadeau krijgt dat hem niet interesseert dan begint hij te gillen en is hij boos. De gevoelens van de gevers doen er niet toe. Hij is dan een en al gevoel en emotie en moet en zal dat uiten. Tot wanhoop van zijn ouders.

Hoe ga je daar als opvoeder het beste mee om? Natuurlijk blijf je het hem ook uitleggen, maar nog belangrijker is het om iets te doen met dat gevoel van hem. Hij mag best even huilen, maar hij moet er niet in blijven hangen, dus al snel afkappen. Beslist zeggen: “stoppen!” Dat helpt en dan onmiddellijk vriendelijk doch beslist de emotie verplaatsen naar een andere positieve emotie, iets dat hij leuk vindt of graag doet. Gisteren bij de picknick nam ik hem mee naar het strandje en ging met hem een kasteel bouwen. Daar had hij het al even eerder over gehad, welnu: dit was dan het moment om dat te gaan doen. En gelukkig: het werkte, hij ging mee en we gingen bouwen, het werd snel weer een uitgebreide fantasie van hem waarin hij zich helemaal kwijt kon. Tot een enorme stortbui met windvlagen roet in het eten gooide. Ik had het nog over de organisatie van het reddingswerk maar toen was de regen al zo hard dat we echt moesten vluchten.

Het was al snel daarna weer mooi weer. We waren naar een gelegenheid toe gereden, er was een springkussen. En er waren meer kinderen. Meer dan een half uur heeft hij lekker uitbundig gesprongen, hij straalde een en al blijdschap uit. Maar ook daar kwam uiteraard een einde aan. De meeste mensen kwamen van ver en wilden weer naar huis. Dus we gingen naar de auto. Dat wilde hij niet. Ik was nog bij het springkussen en kondigde aan: nog vijf minuten. Nog steeds wilde hij niet. Nu was ik onverbiddelijk. ‘Aan alles komt een einde, dat hoort erbij. En nu gaan we naar huis’. Zijn broertje en neefje kwamen onmiddellijk en toen kwam hij dan ook maar. En daarna volgde dan onverbiddelijk het eeuwige afscheid nemen van alle opa’s, oma’s, tantes. ‘Ik ga je missen’. Natuurlijk is dat zo, hij vindt het allemaal nu veel te gezellig. Maar ook dat hoort erbij. Gelukkig bleven de enorme huilpartijen nu uit. Zonder veel discussie en na enkele knuffels werd er vertrokken. Ik denk dat hij na thuiskomst is gaan tekenen of orgel is gaan spelen.

Ik denk op dit moment gelijk al weer een beetje weemoedig aan hem. Hij had net een nachtje bij ons geslapen. Alles is bij hem zo puur. Blijdschap en verdriet. Maar dat verdriet gaat vaak ten koste van anderen, in dit geval ten koste van de blijdschap van zijn jarige broer. Die het trouwens aardig goed snapt. Toen de oudste zei: ‘Mag ik met jouw speelgoed spelen?’ antwoordde hij zonder enige aarzeling: ‘natuurlijk!’ Omgaan met dit alles blijft voor broer, zus, ouders en andere opvoeders lastig. Maar die ochtend nog was hij zijn land Solor gaan inspecteren, als bisschop. Er was een tractor bezig met riet te maaien. Dat gebeurde uiteraard in opdracht van de bisschop en de knecht werd vriendelijk begroet. Er ontstond weer een mooi breed pad, net zoals de bisschop dat wilde. De opdracht werd goed uitgevoerd. En bij de zee waaide het, maar het strand lag er goed bij.

Geplaatst in autisme | Tags: , | 1 reactie

Na regen komt zonneschijn

Vijf en twintig jaar geleden ging ik vaak met de bus naar mijn werk. In die bus kwam je allerlei mensen tegen. Zo was er het filosoofje. Ik stond een keer met haar samen op de bus te wachten en probeerde een gesprekje te openen. Zij was nog jong, nog geen twintig denk ik. Ik merkte gelijk dat er iets met haar aan de hand was, ze was verlegen maar er was meer dan dat. Ze bleek filosofie te studeren en ging nu naar college. Toen ik haar weer tegen kwam ging het gesprek al iets verder: ze vertelde dat ze zich ergerde aan sommige buschauffeurs die veel te hard reden op de dijk. En zo sprak ik haar nog enkele malen. Later hoorde ik van mensen uit de buurt dat ze autistisch was. Ik wist van dat fenomeen nog niet zoveel, maar haar toch wel enigszins vreemde gedrag zou daar wel eens mee te maken kunnen hebben, dacht ik zo.

Vlak bij ons woont nog een autist. Althans dat denk ik. Hij is al bijna tachtig jaar oud schat ik. Ook hij lijkt erg verlegen. Hij woonde tot voor kort in het huis waar hij geboren is en hij schijnt, totdat hij twee jaar geleden verhuisd is nooit in een ander huis gewoond te hebben, nee zelfs nooit ergens anders geslapen te hebben. Nu woont hij vijftig meter verder. Die verhuizing, dat moet dus  een enorme stap zijn geweest. Maar zijn vorige huis staat er nog, inclusief al de spullen. Het staat inmiddels al twee jaar leeg. Het mag blijkbaar niet verkocht worden. Het blijft zo een van zijn houvasten. Af en toe gaat hij op inspectie. Dat doet hij dan met de auto. Het nieuwe huis staat zoals gezegd hooguit vijftig meter verder. Waarom  dan toch met de auto? Ik denk het te weten: te voet kom je vaker mensen tegen. Sommige mensen kent hij. Maar anderen, zoals mij, die kent hij niet. Ik ben niet in die straat geboren dus ben en blijf ik een vreemde, ook al woon ik er inmiddels al vijf en twintig jaar. Dat soort mensen, en die komen er steeds meer, wil hij niet tegen het lijf lopen. Hij heeft een vrouw, een vriend en twee honden. Dat is meer dan genoeg. Al het contact met de buitenwereld loopt via zijn vrouw. Zijn wereld is klein maar hij is er denk ik op zijn manier gelukkig in.

Maar met het filosoofje gaat het niet goed. Op een gegeven moment ging ze het huis uit en zag je haar bijna nooit meer. Wat zou ze doen? Nu is ze regelmatig weer in het huis van haar ouders. Ze gaat nog steeds met de bus. Ze stapt dan uit en loopt over de dijk. Bijna onherkenbaar, ze heeft nu het gezicht van een oude vrouw. Ze is ook nog eens erg dik geworden en ze kan bijna niet meer lopen. Zo strompelt ze dan min of meer richting huis. Ik denk dat ze zwaar onder de medicijnen zit. Mijn inschatting is dat ze het leven, zoals dat geleefd dient te worden in een stad, niet goed aan kon. Inmiddels woont ze weer dicht bij haar ouderlijk huis. Ze lijkt me desondanks nog steeds erg ongelukkig te zijn.

Autisme heb je in allerlei soorten en maten. Maar het schrikbeeld van het filosoofje, dat wens je niemand toe. Wat zou haar gelukkig hebben kunnen maken? Waar zou het fout gegaan zijn? Ik ken haar moeder niet. Haar vader is inmiddels overleden. Ik krijg er een tragisch gevoel bij. Iemand die zo slim is dat ze naar de universiteit kan gaan, maar uiteindelijk nergens kan functioneren.

Mijn oudste kleinzoon  van zeven jaar is ook autistisch. Hij is drie weken op vakantie geweest met zijn ouders, broertje en zusje. Naar  Frankrijk, naar een land dus waar naar zijn gevoel alles totaal anders is. Hij was drie weken lang diep ongelukkig en werd pas weer blij toen hij hoorde dat ze weer terug naar Nederland zouden gaan. Gisteren wilde hij heel graag bij opa en oma zijn. En kijk: hij was de hele dag weer volmaakt  gelukkig. Bij ons achterom ontwierp hij een stad. Die stad kreeg een naam, die naam schreef hij op een bordje en erbij schreef hij nog allemaal dingen die voor buitenlanders onbegrijpelijk moeten zijn. Op het bordje stond de taal van dat land. Het was een stad in Atlantis. Vandaar het internetadres dat eindigt op AT. (Niet te verwarren met Oostenrijk…). Hij kon je wel uitleggen wat er stond, immers hij kwam uit dat land. De stad werd steeds groter,  intussen zong hij van plezier.

Ik zat te lezen en af en toe moest hij me wat kwijt over wat hij weer verzonnen had. Maar ik kon lekker doorlezen, hij ging steeds zijn eigen gang.

– ‘Opa, staan er bramen bij het strandje?’
– ‘Ja zeker, ik denk dat er nog wel wat staat. Zullen we samen zo meteen bramen gaan plukken?’

Dat vond hij een goed plan. Maar ik wilde eerst nog even wat lezen. Hij ging verder met de bouw van de stad.

Toen kwam er een onweersbui. Oma was net terug van de kapper. Er vielen dikke hagelstenen. Voorzichtig verplaatste ik met hem de stad naar een schijnbaar droge plek. En toen vluchtten we snel naar binnen. Het ging steeds meer te keer, het leek wel een wolkbreuk! O jee, de stad liep toch nog helemaal onder water. En dat niet alleen, hij werd zelfs bedolven met modder!

-‘Hoe gaan we dat oplossen?’ opperde mijn vrouw. Hij trok een mooie jas aan en was minister. De minister ging dit oplossen, samen met zijn secretaresse, mijn vrouw. Ze  maakten samen plannen: welke hulpdiensten waren er nodig, wie moest wat doen. Voortdurend liep hij weg om even te telefoneren. Hij regelde bijzonder deskundig en efficiënt wat er allemaal moest gebeuren. Alle dingen werden  tegelijk goed genoteerd en gecontroleerd, hij was voortdurend in de weer met papier. Deze minister was duidelijk iemand op wie je kon rekenen.

Ik zat intussen achter de computer en hoorde alles geamuseerd aan. De secretaresse ging naar boven,  ze moest nog wat anders doen. Dat was allemaal geen probleem voor de minister.  Hij had zoals gezegd alles in de hand.

Het was droog en de zon scheen weer. Het leek me heerlijk om even naar buiten te gaan.

-‘Zullen we bramen gaan plukken?’
-‘Nee hoor, ik moet nog het een en ander regelen. Ik heb het even te druk. Ik vind het wel jammer voor jou opa’.

OK, dan ging ik dus maar alleen. En hij bleef vermoed ik bezig met zijn organisatie. Toen ik terug kwam zat hij piano te spelen. Ik had eerder die dag een inventie van Bach gespeeld . Hij zat hem zo’n beetje na te spelen en er intussen om heen te improviseren. Ik verbaasde me weer over zijn talent.

-‘Opa, hoor je, ik kan ook die inventie van Bach spelen.’

Na het eten ging hij weer naar huis, nu was hij geen minister meer en hij was ook geen pianist. Maar hij was gewoon zichzelf, en hij was nog steeds volmaakt gelukkig. Hij viel zijn moeder om de hals.

De onweersbui was voorbij. Na regen komt steeds weer zonneschijn. Zoals er ook na de vakantie weer dingen komen  waar je blij van wordt. Als mijn kleinzoon niet blij is dan raast hij als een onstuimige onweersbui. Maar als hij wel blij is, dan maakt hij iedereen om zich heen blij, net als de zon.

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: | Een reactie plaatsen