In gesprek met Bach

Nadat hij zijn handen coronaproef had gezeept rende hij juichend de kerk binnen. Hij keek omhoog. Daar was het dan: het echte orgel!

Mijn zwager, organist, zou hem wegwijs maken. En liet hem op veel manieren “altijd is kortjakje ziek” spelen. Maar hij wilde natuurlijk Bach spelen. Thuis had hij al geoefend. Naast de Toccata in D mineur natuurlijk de Air. Rechts de melodie, links de bas. Maar nu hij bij een echt orgel is wil hij het stuk met ook een echt orgelpedaal spelen. Dus rechts de melodie, en de bas in het pedaal. Zo klonk het thuis, daarna zoals het in de kerk klonk.

Door “het Air” maar ook door veel van zijn andere muziek is Bach de favoriete componist van mijn kleinzoon. Het was warm buiten, we waren wezen zwemmen in een plas. Thuisgekomen ging hij dus in bad, even weer helemaal schoon spoelen. Ik was in de kamer ernaast. Daar hoorde ik dat Bach bij hem op bezoek was. Beide componisten voerden met elkaar een leuk gesprek. Bach zong een paar deuntjes en vroeg aan mijn kleinzoon of hij die ook kende. Uiteraard kende mijn kleinzoon die: het “Menuet”, de “Toccata in d mineur” en “Jesu bleibt meine Freude”. Bach moest toen ook even naar een compositie van mijn kleinzoon luisteren. Op de achtergrond hoor je naast het gespetter in het bad hoe in een andere kamer mijn vrouw aan de telefoon een heel ander gesprek voert en hoe mijn andere kleinkinderen totaal niet door hebben dat er hoog bezoek in de badkamer is. Af en toe hoor je ook nog een voorbijkomende auto of motor. Ook die rijden voorbij zonder zich te realiseren wat hier in huis gebeurt. Bach stoorde zich gelukkig niet aan al die geluiden.

-‘Opa!’
Mijn kleinzoon riep mij. Hij weet dat ik een Beethoven-fan ben: Beethoven zou ook nog langs komen!

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: , | 2 reacties

Organist

Al weken verheugt hij er zich op, maar nu gaat het dan eindelijk bijna gebeuren: mijn oudste kleinzoon mag op een écht orgel spelen! In een kerk waar een zwager die organist is speelt en studeert. Wat ga je later worden? Nu is het steeds vaker: organist!  Alhoewel machinist ook nog een mogelijkheid blijft. Dus als hij bij opa en oma is en vlak voor het naar huis gaan nog een filmpje mag kijken wordt het: of een film over treinen, of een film waarbij een organist speelt.

Er klonk weer een orgelstuk.
-‘Wat speelt hij, wat is dit?’ Hij wil van elk stuk dat hij hoort meer weten. De organist speelde in dit geval een improvisatie, maar die begon heel duidelijk met een bestaand gezang, waarschijnlijk iets dat voor de kerkgangers een bekend lied was. Zo leg ik hem dat dan uit. Daarna ging deze organist improviseren. Hij heeft deze zelfde film nu enkele keren bekeken en wat schetst mijn verbazing dat hij het stuk na ging spelen. Een mooi driedelig stukje met in het midden zijn eigen improvisatie. Dat is dan ook een echte improvisatie, iets heel anders als dat er in het filmpje klonk.

Bij het spelen zit hij zelf ook nog eens voortdurend te registreren. Op zijn keyboard is dat een kwestie van steeds een andere orgelklank kiezen, razendsnel drukt hij drie knopjes in: 065, en daar klinkt alweer een ander register. Ik moest ook een keer registreren. Maar ik ben niet zo snel, dus dan zei hij mij maar welke cijfers ik in moest drukken. Ook moest ik een keer orgel spelen en dan was hij de registrant. Voor we begonnen gaven we elkaar eerst een hand en toen begon het concert. Plechtig gaan zitten, en dan gewoon lekker improviseren, dat kan ik ook wel. Hij registreerde mijn improvisatie leuk!

Op het keyboard kun je ook door het instrument bestaande stukjes laten spelen. Je hoeft dan niets te doen. Het idee is dat je uiteindelijk die stukken ook gaat spelen. Er staan er misschien wel honderd in, hij kiest altijd klassieke stukjes. Daar luistert hij dan nauwgezet naar en gaat ze vervolgens na spelen. Niet stukje voor stukje, nee gelijk helemaal. Ik denk dat hij inmiddels zeker tien stukken op die manier al heel behoorlijk kan spelen. Je ziet hoe hij voortdurend luistert en zich verbetert, ook als de basnoot niet goed is. Alles zit al in zijn hoofd. Er is ook een mogelijkheid om het keyboard bijvoorbeeld alleen de bas te laten spelen, dan speel jezelf de rest. Dat heeft hij ook ontdekt. Geweldig: nu kun je het pedaal van een orgel laten horen, en dat intussen met je voeten zogenaamd meespelen. Dat doet hij dan bij dat stuk, maar ook bij andere stukken die hij gewoon met twee handen speelt laat hij zijn voeten meebewegen met de noten van de bas. Geweldig!

Het was feest zondag want we gingen eindelijk weer eens met de trein. Hij wilde naar Constantijn Huygens. Hij bedoelde: we gaan naar het zomerverblijf van Constantijn en zijn zoon Christiaen Huygens uit de zeventiende eeuw in Voorburg: Hofwijck.

-‘Weet je misschien al iets over Christiaen Huygens?’, vroeg de aardige mevrouw die ons opwachtte.
-‘Ja, hij heeft Titan ontdekt, de grootste maan van Saturnus.’
ik zag haar even aarzelen en enigszins perplex staan, zo van “mmm, dat zou best wel eens kunnen”. ‘Ja, en de ringen van Saturnus’, vulde ze aan. Mijn kleinzoon keek haar aan met een blik van “ja hoor, dat weet ik al lang.”

De eerste verdieping gaat helemaal over vader Constantijn Huygens, de beroemde dichter en secretaris van de Oranjes. Je kon een jas aantrekken uit die tijd die overeenkwam met een jas zoals de kinderen van Constantijn, dus ook Christiaen, indertijd droegen. Constantijn was erg muzikaal, hij speelde veel instrumenten, componeerde en wilde dat ook zijn kinderen een goede muzikale opvoeding kregen. Op de mouw waren 8 manchetknopen aanwezig. Zo leerden de kinderen terwijl ze naar deze knopen wezen “do re mi fa sol la si do” zingen en konden ze het solmiseren oefenen. Een uiterst effectieve methode! Mijn kleinzoon deed het ook en had er zichtbaar plezier in.

De logeerpartij was weer voorbij. Maar nu kijkt hij uit naar dat andere evenement: zelf spelen op een orgel!

Zie ook:

Retorica in de muziek van Constantijn Huygens

Ooghentroost

Geplaatst in autisme, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

De wereld van de mondkapjes en een bezoek aan het glijbaanrestaurant.

Mijn vrouw zei:
-‘Over twee weken ben ik jarig’.
-‘Dan wil ik een trein!’ zei mijn oudste kleinzoon.’
-‘Maar ík ben jarig, toch?’
-‘Maar dan krijg ik toch ook een cadeautje?’
-‘Als iemand jarig is krijgt die meestal de cadeautjes, niet degene die niet jarig is.’
-‘Toen ik jarig was kregen mijn broer en zusje ook een cadeautje.’
-‘O ja? Dat is niet zo gebruikelijk.’

We veronderstelden dat ze ook een klein cadeautje hadden gekregen, om de feestpret nog groter te maken. Toen zei ik:
-‘Bij een kinderfeestje is het wel zo dat de gasten vlak voor ze weg gaan soms wat snoep krijgen, of een klein cadeautje.’
-‘Ik houd niet van snoep, mag ik dan een trein?’
-‘Nee, een trein is best wel een groot cadeau, meestal gaat het om iets kleiners, om een puntenslijper of zo.
‘-Mag ik dan een puntenslijper?’

Mijn vrouw ging het over een andere boeg gooien.
‘Als je aan mij denkt, wat voor cadeautje denk je dat ik zou willen hebben?’
-‘Een trein?’
-‘Nee, dat is meer iets voor jou. Ik houd van andere dingen. Ik houd bijvoorbeeld van lezen. Wat voor een boek denk je dat ik zou willen?’
-‘Een boek over treinen?’
-‘Nee, iets anders. Wat denk je, wat zou ik willen lezen.’
-‘Een boek over planeten?’

Het is duidelijk, hij kan bijna alleen maar vanuit zich zelf denken. En dan zie je weer hoe autisme werkt. Van het weekend heeft hij gelogeerd. O wat vindt hij dat leuk.
-‘Zullen we de volgende keer weer een keer je broertje en zusje laten logeren? Dan ben jij lekker rustig alleen bij mama en papa.’
-‘Maar dat vind ik dan niet eerlijk, dat ik dan niet mag logeren.’

Thuis gekomen duurde het even voor hij weer een beetje in zijn normale doen was. In de auto zei hij steeds dat hij verdrietig was, dat het weer afgelopen was. We wezen hem op allerlei andere leuke dingen, hij deed zijn best, maar toen de deur van zijn huis open ging stortte hij zich huilend in de armen van zijn moeder.

We waren de laatste dag een stukje met de trein geweest. Hij keek op het perron zijn ogen uit.
-‘De hele wereld is zo veranderd.’
-‘Ja?’
-‘Ja, al die mondkapjes.’

Thuis tekende hij de nieuwe wereld van de mondkapjes. En nog meer dingen. Zoals een “glijbaanrestaurant”. Waar aan de wand schilderijen hangen die hij gemaakt heeft. En er zijn nog veel meer fantastische dingen in dat restaurant te zien. Het restaurant is van de moeder van Laura.
-‘Kijk opa. Ken je dat schilderij? Dat heb ik vorig jaar in Normandië gemaakt. Toen ik alsmaar zo aan Laura moest denken. Het hangt ook in dat restaurant.

Geplaatst in autisme | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

De verering van de heilige Ursula in Roermond

In 2002 en in 2013 zijn er twee afzonderlijke vondsten gedaan in de Munsterkerk van Roermond. De eerste vondst was op de zolder van de sacristie. Blijkbaar had nog nooit iemand daar gekeken. Er lag een schat aan relikwieën die er waarschijnlijk verstopt zijn vlak voordat de Fransen in 1797 het klooster ophieven en van de kerk een paardenstal maakten. De technische universiteit van Keulen heeft zich over deze schat ontfermd en deze negen jaar lang op alle mogelijke manieren onderzocht. Niet lang nadat ze hiermee klaar waren kregen ze een nieuwe klus te doen: In de westelijke galerij bleek er een nis weggewerkt te zijn doordat hij was dichtgemetseld met een muur. Deze muur werd open gebroken en in de nis lagen nog veel meer relikwieën, waaronder enkele heel bijzondere. Schots en scheef door elkaar lagen er allerlei schedels, sommige met fragmenten van prachtige zijden versieringen, er lagen nog meer botten, en er lagen drie poppen of wat daarvan over was in de vorm van kinderen, ook gedeeltelijk omhuld met stoffen. De objecten van de sacristie dateerden grotendeels van rond 1600, maar er waren ook nog veel oudere relikwieën bij, tot zelfs uit de dertiende eeuw. Er werden namelijk zogenaamde cedula gevonden, dat zijn beschreven aanhangsels die bij een relikwie horen. De relikwieën uit de nis stamden met de aankleding die sommige hadden uit de tijd van rond 1600. De meeste relikwieën waren oorspronkelijk geplaatst in of rond een altaar, en er waren in de hoogtijdagen van het klooster zeker tien altaren in de kerk, allemaal gewijd aan een andere heilige.

De 45 schedels zouden zijn van metgezellen van Ursula, de heilige die met veel vrouwelijke leerlingen volgens de legende was afgeslacht nabij Keulen. In Keulen is een kerk aan Ursula gewijd waar ook heel veel schedels bewaard worden, en als summum, het lichaam van Ursula zelf. Van de cultus voor deze maagden uit de derde eeuw getuigt de Clematius-inscriptie, een grafsteen uit de 5e eeuw, ingewerkt in de zuidelijke muur van het koor van de St. Ursulakerk in Keulen. In het eerste verhaal uit 922 waarin sprake is van elfduizend maagden is de centrale persoon Pinnosa, dochter van de koning van Brittania. Toen de relieken van Pinnosa werden overgebracht van Keulen naar Essen, werd de naam Pinnosa vervangen door de naam Ursula zodat de cultus in stand gehouden kon worden. In 1106 werden bij het graven van een nieuwe gracht bij Keulen voor de wallen de restanten van een Romeinse necropool ontdekt met een grote hoeveelheid beenderen. Het duurde niet lang voor het gerucht zich verspreidde dat men de overblijfselen van de elfduizend maagden had ontdekt. In de dertiende eeuw, toen Jacobus de Voragine zijn versie schreef in de Legenda Aurea, lag het verhaal al nagenoeg vast en begon de handel in schedels en beenderen vanuit Keulen naar heel Europa.

Bijzonder is hoe een aantal van deze schedels uit de Munsterkerk versierd was met zijden stoffen en daaromheen goudkleurige en ander-kleurige stiksels. Ze zijn waarschijnlijk allemaal vanaf de zeventiende eeuw tot aan de Franse tijd in de kerk aan de nonnen en pelgrims tentoongesteld geweest.

Nog meer bijzonder was de vondst van drie poppen in de vorm van kinderen. Na onderzoek is gebleken dat de poppen zijn gevuld met allerlei menselijke botten en fijne stoffen. Die werden dan omwikkeld met linnen stoffen zodat er een menselijke figuur ontstond. Hoewel de kleding sterk verteerd is en deels ontbreekt, is het duidelijk dat het ging om een groep van drie meisjes, die ook alle drie van een andere leeftijd waren. Deze poppen stammen oorspronkelijk uit de tweede helft van de vijftiende eeuw. Van de buitenste laag stoffen is veel verdwenen. De ogen werden waarschijnlijk weergegeven door glazen kralen en ook neus, wenkbrauwen en mond moeten zichtbaar geweest zijn. De kostbare damast en andere stof is jammer genoeg bijna helemaal weggesneden. In de zeventiende eeuw zijn ze opnieuw aangekleed, ook die kleding is grotendeels verdwenen. Maar er is voldoende van de oorspronkelijke oudste stof over om tot de vroegere datering te kunnen komen. Ook de 45 schedels stammen trouwens uit de tweede helft van de vijftiende eeuw, maar toen waren ze waarschijnlijk niet voor het publiek zichtbaar. Toen men rond 1600 besloot om ze anders en meer in het openbaar te exposeren werden ze versierd met stoffen in uitsluitend de kleuren rood, wit en blauw om zo tot een eenheid te komen. De drie meisjes werden vanaf de baroktijd waarschijnlijk bij het hoogaltaar geplaatst. Ook zij waren lid van het gezelschap van Ursula.

En er is ook nog een buste gevonden van een jonkvrouw, gemaakt in Keulen en daterend uit 1350. In de Cisterciënzerkloosters van Kamp en Marienfeld was ook een sterke Ursula-verering. En er was waarschijnlijk een sterke band met kloosters in Keulen. De verering in de Munsterabdij was dus niet uniek.

In Roermond werd in 1859 een middelbare school voor meisjes opgericht, het Ursula Lyceum. Mijn oudste zus ging er naar toe. De school werd gerund door de nonnen van het nabijgelegen Ursula-klooster. Het is een van de weinige kloosters die opnieuw in de stad verschenen na de Franse tijd. Eerder was er in Roermond ook al een Ursulaklooster, met de regel van Franciscus, opgericht in 1646. Inmiddels is dit Ursula klooster ook alweer verdwenen. De kapel staat er nog, op een van de vensters zie je Ursula met haar leerlingen. Verder moeten we het in Roermond doen met wat er nog bewaard is gebleven in musea en archieven. Toch, met een beetje fantasie kun je je van dat rijke leven nog een beetje voorstellen als je door de Munsterkerk dwaalt.

Dit artikel is grotendeels gebaseerd op: Annemarie Stauffer, Ein ausserordentlicher Reliquienfund und seine Geschichte, De Munsterabdij van Roermond, W Books 2020. ISBN 978 94 625 8379 5

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , | 1 reactie

Nieuwe klanken

Als mijn oudste kleinzoon zit te improviseren weet je soms niet wat je hoort. Zo was hij al een tijd bitonaal bezig op de piano en ik besloot het op te gaan nemen. De bas maakte gebruik van een stukje hele toonstoonladder: F#, G#, Bb, C. Hier speelde hij een ostinaat figuurtje mee. De rechterhand speelde witte toetsen, vooral van C naar beneden tot F. Het lijkt dan meer op een lydische toonladder van F dan op een normale majeurtoonladder. Samen klonk het prachtig, bitonaal en met bijzondere toonladders. Het geheel zal wel ontstaan zijn door zomaar wat te rommelen, maar het beviel hem, hij bleef er een tijdje mee doorgaan. Toen ging hij ook in de rechterhand enkele tonen van de ostinaat spelen. Het eindigde na wat gerommel in de bas met een virtuoos patroontje, nu duidelijk gebruik makend van louter tonen van de toonladder van C, alles in de rechterhand. Hij is duidelijk patroontjes aan het zoeken, maar ook speelt hij met toonladders en moderne klanken, kortom: hij is van alles aan het ontdekken.

Vandaag stuurde zijn moeder me een stukje dat begon op een klein orgeltje dat aangestuurd wordt door op een slangetje te blazen. Dat had hij gekregen van een oom en tante voor zijn verjaardag. Een leuk ding om mee te spelen als er geen stroom is. Je moet er wel behendigheid in krijgen, net als bij het spelen op een harmonium. Maar als een waar organist schakelde hij al snel over naar een ander manuaal, dat van zijn keyboard. En daar speelde hij een soort eigen gemaakte oefening: hoe kom ik via een triller tot een slotformule.

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Het dubbelgraf in de Munsterkerk van Roermond

Het is dit jaar precies 800 jaar geleden dat de Munsterkerk van Roermond werd ingewijd. Zeven jaar nadat de stad verwoest was door Otto IV van Brunswijk. Dit omdat Gelre Frederik II, diens tegenstrever, had gesteund bij het verwerven van de Duitse koningskroon. Roermond was namelijk onderdeel van het graafschap Gelre dat in die tijd veel invloed had in het Rooms-Duitse rijk. Uiteindelijk won Frederik II, hij werd tot koning en later Rooms-Duits keizer gekozen. De graaf van Gelre liet Roermond herbouwen en tegelijk werd het de belangrijkste stad van Oppergelre. De bouw van kerk en klooster waren een onderdeel van deze opwaardering.

Maar het had zomaar kunnen gebeuren dat de kerk er nu niet meer gestaan zou hebben. Weg met die oude zooi! Met dit devies is er vanaf de Franse revolutie tot zelfs op de dag van vandaag omgegaan met veel historisch erfgoed. Het huidige Nederlands Limburg werd na de inname in 1794 al snel geannexeerd door Frankrijk. Ook de gebieden van Limburg die toen bij de staten van Nederland hoorden. De rest van Nederland werd afgekocht: na betaling van een behoorlijk geldbedrag aan de revolutionairen zagen de Fransen af van de annexatie van die gebieden. Maar Limburg bleef in de kou staan. In de negentiende eeuw werd dit deel van Nederland door sommigen in den Haag nog een jammerlijke strook grond genoemd, zo van: ‘wat moeten wij ermee’. Het desastreuze gevolg was dat adel en kerk in de geannexeerde gebieden op zijn Frans bejegend werden. Er was zelfs korte tijd sprake van het verbod op elke godsdienstige uiting. Zonder enig mededogen werden alle kloosters opgeheven en onderdelen van het interieur vernietigd of verkocht. Tweeduizend boeken uit de rijke bibliotheek van het kartuizer klooster van Roermond verdwenen. Hier waren enkele honderden middeleeuwse handgeschreven boeken bij. Nooit meer terug gevonden, waarschijnlijk weggegooid, maar vooral ook uit elkaar gehaald. De mooie plaatjes kon je los verkopen. Zo ging het ook met altaar-retabels. Drie of meer afbeeldingen die oorspronkelijk bij elkaar hoorden: het werden losse schilderijtjes voor de kunstmarkt, voor verzamelaars. De gebouwen werden afgebroken of kregen een nieuwe bestemming. Kerken waren geschikt als paardenstal voor de Franse militairen. Of er werd een timmerwerkplaats van gemaakt.

Toen de Fransen weg waren duurde het nog lang voor er weer kloosters mochten komen. Willem I verbood het. Dus werden sommige gebouwen alsnog afgebroken. Sommige kloosterkerken werden parochiekerk, zoals gebeurde in Maastricht met de Servaas en de OLV-kerk. In Roermond gebeurde dat met de Munsterkerk, die een soort dependance werd van de kathedraal. De abdijgebouwen van al die opgeheven kloosters kregen ook een nieuwe functie. Soms werd er een school van gemaakt, zoals met de gebouwen van de dominicaner abdij in Maastricht.  De munsterabdij in Roermond verging het slechter. Tijdens de Franse bezetting werd het abdissenhuis gebruikt als gevangenis terwijl de overige gebouwen dienst deden als kazerne. Toen de gevangenis midden 19e eeuw naar elders verhuisde, werd het abdissenhuis en enkele andere bouwvallig geworden panden gesloopt. Wat overbleef waren de gebouwen rond de kloostergang tot ook deze in 1924 gesloopt werden. Weg was de rijke historie van dit aloude klooster uit het begin van de dertiende eeuw. De kerk staat er nog, maar ook deze is behoorlijk toegetakeld. Na een brand in de zeventiende eeuw moest een toren worden afgebroken en deze werd toen vervangen door een baroktoren met koepel. Bij de restauratie van de kerk door Cuijpers kreeg de kerk een fantasie-achtig neogotisch uiterlijk, waarbij de baroktoren werd afgebroken en er twee nieuwe hoge torens voor in de plaats kwamen.

Ook binnen in de kerk verdween veel van wat nog herinnerde aan eerder. In de baroktijd waren er veel altaren in de kerk. We weten nu niet eens meer waar ze waren, alleen dat ze er waren. Er is zo ontzettend veel verloren gegaan, dat de dingen die er wel nog zijn vaak moeilijk geïnterpreteerd kunnen worden. Toch zijn er nu voor het eerst serieuze pogingen gedaan om dat voor elkaar te krijgen. In een boek met 18 uitvoerige artikelen door telkens andere deskundigen ontstaat er toch een plaatje, maar waardoor de boosheid over hoe achteloos en onverantwoordelijk er met het historisch erfgoed is omgegaan alleen nog maar groter wordt.

We zullen het er mee moeten doen. Wat hebben we wel? Er zijn restanten van middeleeuwse muurschilderingen, er zijn spectaculaire relikwieën met omhulsel, er is nog een zeer oud schilderij, er zijn nog beeldhouwwerken, er zijn grafzerken. En heel dominant aanwezig: er is een dubbelgraf met de graven van de stichters van de abdij, graaf Gerard III van Gelre en Margaretha van Brabant. Ook de moeder van de graaf, Richardis van Beieren, is er begraven. Zij was de eerste abdis en dochter van hertog Otto I van Beieren en Agnes van Loon. Zij huwde in 1186 met graaf Otto I van Gelre. De Gelderse graven hadden nauwe banden met de cisterciënzer orde, met name met het klooster Kamp. Samen met haar man was Richardis lid van de gebedsgemeenschap van de abdij van Altenberg. Eind 12e eeuw had Otto I het plan zelf een cisterciënzer klooster te stichten maar had dit niet ten uitvoer gebracht. Tien jaar na het overlijden van haar man wilde Richardis toetreden tot deze orde. Omdat Gelre geen cisterciënzer klooster bezat stichtte haar zoon graaf Gerard III in 1218 in Roermond het Onze-Lieve-Vrouwenmunster. Richardis werd zoals gezegd de eerste abdis van deze vrouwenabdij. Zij overleefde het grafelijke echtpaar. De graaf en gravin overleden in 1229 respectievelijk 1231.  Richardis werd in de kerk begraven en het grafelijke echtpaar kreeg zelfs een praalgraf in de vorm van een dubbelgraf.  Alles wijst er op dat toen de kerk gebouwd was het van het begin af aan bedoeld was dat deze als grafkerk voor in ieder geval de stichters bestemd zou zijn. Op zich heel bijzonder, omdat in een Cisterciënzerklooster oorspronkelijk niemand begraven mocht worden, en zeker niet in de kerk. In de loop van de dertiende eeuw werden deze regels versoepeld en niet lang nadat het echtpaar overleden was werden de regels zelfs overtroefd door een bul van de paus die het begraven in dergelijke kloosterkerken toestond. Had Richardis dit voor elkaar gekregen? Zij vertoefde vlak voor haar dood aan het hof van de paus in Rome. Toch duurde het nog lang voordat er ook nog andere mensen in deze kerk of in de abdij werden begraven. Begraven laten worden in de kerk was op zich heel lucratief voor het klooster, daar moest een aanzienlijke som geld voor worden betaald. Maar heel lang nog moest het klooster het vooral hebben van de inkomsten op het innen van geldelijke bijdragen, afkomstig van aflaten. Iedereen die de kloosterkerk bezocht kreeg tegen betaling een aflaat. Dit was al bij de stichting van het klooster zo geregeld.

De Munsterkerk en de Munsterabdij  werden aanvankelijk gebouwd aan de rand van de stad, maar na een stadsuitbreiding kwam het geheel midden in de stad te liggen en zo bepaalden kerk en klooster eeuwen lang het beeld van het centrum. Nu staat gelukkig de kerk er nog.

En het dubbelgraf van de stichters, op de oorspronkelijke plaats in de viering van deze kerk, blijft imponeren.

Zie ook: De Munsterabdij van Roermond, W Books 2020. ISBN 978 94 625 8379 5

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , , , | 3 reacties

De F

-‘Opa, de F doet het niet meer.’
-‘De F?’
-‘Ja, deze.’
Hij zong een F.
-‘Dat is toch een F?’
-‘Ja, inderdaad.’
-‘En dit dat is toch een C? En dit een B?
Hij zong een C en een B.

Hij liet horen wat ik eigenlijk al lang wist. Hij heeft een absoluut gehoor. Wat is een absoluut gehoor? Dat je iets op exact de goede toonhoogte vanuit je geheugen kunt nazingen, en dat ook nog kunt koppelen aan notennamen. Dat eerste deed hij al jaren, maar omdat hij nu ook weet hoe de toetsen op piano of keyboard heten kan hij aan die klanken notennamen geven.

Ik ging met hem naar zijn kamer om te kijken wat er met de F aan de hand was. Op zijn keyboard stak de F tweegestreept vervaarlijk omhoog en er was geen beweging in te krijgen. Ik keek er onder en zag dat de uitstekende toets ergens in zou moeten klikken, maar dat lukte niet. Pas een week later toen de F het nog steeds niet deed kreeg ik met een schroevendraaier voor mekaar om het onderste deel ietwat naar achteren te drukken en warempel, het lukte. De F deed het weer.

Hij weet dan wel hoe een F klinkt maar met het noten lezen wil het nog niet vlotten. Wel componeert hij af en toe. In een razend tempo trekt hij wat lijntjes en voorziet die van noten, mollen en nog wat andere tekens. Trots liet hij me een nieuwe compositie zien.

  • ‘Wat betekent dat, “Bachtellen”?
  • ‘Zo heet het stuk.’
  • ‘En wat betekent 15k?’
  • ‘Dat is een zelfverzonnen naam. Zo heet het stuk als tweede naam.’
  • ‘OK.’ Kun je het ook spelen?
  • -Hmm. Zo?

Hij ging achter het keyboard zitten en ging ter plekke wat improviseren. Het leek op geen meter op wat daar op papier stond.

  • ‘Wat jij speelt klinkt heel anders als wat je hebt opgeschreven. Zal ik dat eens proberen op te schrijven?’

Ik had goed geluisterd naar het begin en schreef uit mijn hoofd de eerste maten op van wat hij net gespeeld had. Hij speelt veel met de sound van kerkorgel. Binnenkort mag hij een keer op een echt kerkorgel spelen! Thuisgekomen zette ik het stukje in Sibelius en stuurde het aan hem op. Hij heeft sinds kort een eigen email-adres. Hij vond het mooi. Maar het wordt nu toch echt tijd om dat noten leren serieus aan te pakken.

Op de lessenaar van de piano staan de bagatellen opus 126 van Beethoven. Die ben ik weer eens aan het studeren. En opeens viel het kwartje. “Bachtellen” was natuurlijke bagatellen! Hij had dat zien staan, had geen flauw idee wat dat betekende en had er iets van gemaakt: “Bachtellen”! Wat een mooi woord eigenlijk. Ook stond in dat stuk een paar keer cresc. Ook dat kende hij niet maar hij voegde het aan zijn manuscript toe, “crenc”.

De F is weer gerepareerd. Ik ben even keyboarddokter geweest. Er zijn ook echte dokters en verplegers. Als er op school een ongeluk is gebeurd  gaat in razend tempo een ambulance die kant uit. Hij stopt vlak voor de school. De juf, of is het de moeder, staat voor de ambulance (ulance kun je niet meer zien) en is helemaal ontdaan: wat erg! Een verpleger spreekt de vrouw bemoedigend toe. De andere ontfermt zich over het arme kind. Maar het komt vast weer goed. Net als met de F.

Geplaatst in autisme, muziek, pedagogiek en onderwijs | Tags: , | 2 reacties

Een eeuwigdurende kalender

In Padua en Venetië zag ik in het verleden klokken die mijn aandacht trokken. Ik noemde het astrologische klokken, alhoewel astrologie soms hooguit een opvallend aspect was van het instrument. Op die klokken was veel meer te zien dan de tijd. Ik zag iets vergelijkbaars in een boek dat ik onlangs kocht. In dat boek werd een pagina besproken van een middeleeuws brevier uit de dertiende eeuw. Het was een kalender die ging over de maand juni.

kalenderkalender2Onder het origineel staat een transcriptie, vervaardigd door Rob Dückers. Er staan veel intrigerende dingen in. Eigenlijk is slechts een ding snel duidelijk: elke dag van de maand is gekoppeld aan een heilige. Maar er valt veel meer af te lezen.

Zoals ik zei stamt de pagina waarschijnlijk uit een brevier, een handboek met allerlei geestelijke teksten voor een priester.  Door te kijken naar welke heiligen er in deze kalender staan durft Dückers te beweren dat de kalender afkomstig is uit de omgeving van Roermond en ook dat hij waarschijnlijk vóór 1295 tot stand gekomen moet zijn. Hoe is hij daar achter gekomen? Door te kijken naar welke heiligen er allemaal op staan. Het zijn namelijk bijna allemaal heiligen die lang niet overal vereerd werden. Zo staat Servaas er op, maar niet als een speciale heilige. Speciale heiligen worden in het rood weergegeven. In heel het bisdom Luik werd Servaas vereerd, maar alleen in Maastricht was het een bijzondere feestdag. Quirinus van Sescia op 4 juni is in Utrecht een speciale heilige. Hier staat hij er wel op, maar niet als speciaal. Ook ontbreekt Lebuinus, die op een Utrechtse kalender niet zou ontbreken. De kalender komt dus zeker niet uit Utrecht. Medardus op 8 juni werd met name in Wessem en Thorn vereerd. Deze kalenderpagina komt zo deducerende vrijwel zeker uit een brevier gemaakt voor iemand die werkzaam was in de ruime omgeving van Roermond.  Dückers vindt het niet onaannemelijk dat hij gemaakt is voor de Munsterabdij van Roermond. Persoonlijk lijkt de abdij van Thorn mij ook een goede kandidaat. En hoe komt Dückers aan zijn idee: gemaakt vóór 1295? Omdat het feest van de apostel Barnabas vanaf 1295 een universele feestdag werd moet de kalender dus eerder zijn gemaakt. Anders zou zijn naam immers in het rood zijn weergegeven.

Op de kalender staan 30 rijen, logisch want juni heeft 30 dagen. Deze rijen zijn weer verdeeld in zes kolommen. De vijfde kolom zagen we al. Daar staan de namen van de heiligen die bij de betreffende dag horen. Wat betekenen de gegevens in de andere kolommen?

Kolom 1 gaat over de maanstanden. Die kun je niet in een jaarkalender zetten, die zien er immers elk jaar anders uit. Maar via het zogenaamde gulden getal kun je dat wel bepalen. Dat komt omdat elk jaar er in dat opzicht om de negentien jaar precies hetzelfde uit ziet. Er zijn zo 19 gulden getallen, en die staan in de eerste kolom. Je moet nu weten wat het gulden getal is van het jaar dat je de kalender gebruikt (bijvoorbeeld V) en dan weet je dat het op de dag waar V staat nieuwe maan is. Alle andere maanstanden kun je daaruit afleiden (telkens zeven dagen later of eerder). Deze negentienjarige cyclus was ik zelf al een keer tegengekomen toen ik zo’n 25 jaar geleden zelf een digitaal planetarium in elkaar knutselde.)

Kolom 2 geeft de relatie met de dag van de week aan.  Je ziet zeven letters die zich steeds weer herhalen, de letters staan voor de dagen van de week. Maar elke letter kan de zondag zijn. Via een formule, gerelateerd aan het gulden getal, kun je uitrekenen welke letter voor een zondag in dat jaar staat, en dan weet je gelijk ook de andere weekdagen. (Voor dat laatste heb ik zelf ooit een leuk hulpmiddel ontwikkeld: een kalender die je vanaf het jaar 532 tot ver in de toekomst laat zien welke dag van de week bij welke datum hoort: historische kalender).

Kolom 3 gaat over de dagen van de maand, maar dan de dagen zoals ze geteld werden in de oude Romeinse kalender. De Romeinen telden niet van 1 tot en met 30. De eerste dag van de maand heette Kalenda, en werd afgekort tot KL. De maand is verdeeld in periodes die lopen van Kalenda naar Idus en Nonas. Alle andere dagen van de maand werden gerelateerd aan een van deze ijkpunten, je had het bijvoorbeeld over de tweede dag voor de Idus. In oude geschriften wordt hier maar zeer weinig gebruik van gemaakt. Meestal had men het over de feestdag van Bonifacius, of “het gebeurde “twee dagen voor de feestdag van Bonifacius”. De Romeinen zouden zeggen: “het gebeurde de Nonas van Juni”.  Nog een voorbeeld: wij zeggen “11 juni”, zij zeggen: “de feestdag van de apostel Barnabas”, de Romeinen zeiden: “de derde dag voor de Idus van Juni”. Achter de grote KL van Kalenda staat ook nog dat de maand juni 30 dagen telt en dat de maancyclus 29 dagen duurt. Dat laatste is natuurlijk altijd zo, maar het betekent voor de gebruiker dat als het bijvoorbeeld op de eerste volle maan is, dat het dat op de dertigste weer zal zijn.

Kolom 4 laat zien hoe er Romeins geteld werd: Zoveel dagen voor N (Nonas), of zoveel dagen voor Id (Idus) of zoveel dagen voor de volgende kl (Kalenda). Ze telden dus in principe naar het volgende ijkpunt toe, niet er vanaf. (Niet “twee dagen na de Idus van juni”)

In kolom 5 staan naast de namen van de heiligen nog enkele interessante details. We zien hoe vermeld wordt op welke dag de zon naar het dierenriemteken kreeft gaat (“Sol in cancrum”). Wat werd er toen bedoeld met zon in kreeft? De dierenriemtekens verschuiven geleidelijk t.o.v. de seizoenen. Rond het jaar 0 kwam het begin van de zomer globaal overeen met de echte stand van zon in kreeft. Inmiddels, zo rond het jaar 2000, is dat een dierenriemteken terug, tweelingen. In 1250 dus ergens daar tussen in. Vanuit de astrologie wordt zon in kreeft helemaal niet meer gekoppeld aan de stand van de zon ten opzichte van de vaste sterren, maar aan de zonnewende. Het symbool kreeft staat dan voor de eerste maand van de zomer, zoals ram staat voor de eerste maand van de lente. Dus wat bedoelden zij met zon in kreeft? Ik denk: het begin van de zomer, zoals dat ook in de astrologie wordt gezien. Maar dan zou dat hetzelfde moeten zijn als het zonnewendepunt (“Solsticium”), dat echter in deze kalender drie dagen later is geplaatst . Die drie dagen verschil zijn misschien te verklaren als we er van uit gaan dat ze keken naar de dag van het jaar dat de zon het allervroegste opkomt, dat is namelijk ongeveer drie dagen voor het solsticium. Toch blijven er ook dan nog vragen. We leven in de tijd van de Juliaanse kalender. Die liep rond 1250 maar liefst 7 dagen achter. Dat verschil was opgelopen vanaf de invoering in 532. Het verschil werd pas door paus Gregorius opgeheven aan het einde van de zestiende eeuw. Werd het solsticium bij deze kalender bepaald door hoe dat in 532 was vastgesteld en werd het sindsdien maar zo gelaten? De echte zonnewende was dan volgens de Juliaanse tijdrekening in 1250 zeker niet 20 juni!
In die vijfde kolom staat ook twee keer een hoofdletter D. Die zou aangeven dat de bewuste dag “slecht” was, een dag die niet gunstig was voor veel dingen.
In juni zijn er twee feestdagen (duplex festum): het feest van de geboorte van Johannes de doper (op de vier en twintigste) en het feest van Petrus en Paulus (op de negen en twintigste).

Kolom 6 geeft informatie over de status van de heilige. Je kunt hier lezen hoeveel lezingen er gezegd of gezongen moesten worden. (iij l’ betekent 4 lezingen, ix l’= 9 lezingen).

Het is een mooie en interessante pagina waar uiteraard nog veel meer over te vertellen valt.  Hij is gemaakt nog voor de tijd van de bekende getijdenkalenders die we vooral kennen van de gebroeders van Limburg en die artistiek gezien belangwekkend zijn. Enkele elementen van zo’n kalender besprak ik al eens toen ik het had over het getijdenboek van Visconti.  Hier gaat het om een vrij eenvoudige pagina uit een brevier die ons een beeld geeft over wat een geestelijke die er gebruik van maakte allemaal kon leren uit zo’n boek. Maanstanden, feestdagen, zondagen. Iets zoals je later in de Enkhuizer almanak kon vinden. Maar zo’n boek maken was heel duur in die tijd. Dat deed je niet elk jaar, de boekdrukkunst moest nog uitgevonden worden. Dus verzonnen ze een list. Ze maakten iets dat, als je zuinig was, een mensenleven mee zou kunnen gaan: een eeuwigdurende kalender.

  • De liturgische kalender van de Roermondse Munsterabdij vóór de oprichting van het eerste bisdom Roermond, Rob Dückers. Uit: De Munsterabdij van Roermond, Wbooks 2020. ISBN 978 94 625 8379 5
Geplaatst in Astronomie, Geschiedenis | Tags: , , , , , | 2 reacties

Pinksteren

Als ik mijn oudste twee kleinkinderen ophaal van hun school komen we langs de Oud-Katholieke kerk. Een mooi gebouw dat er uitziet zoals een kerk er hoort uit te zien. Er stond een bordje: “de kerk is open”. Ik zei tegen mijn kleinkinderen:

  • ‘De kerk is open.’
  • ‘Jaah, zullen we naar binnen gaan?’

Voor de jongste hoefde het niet zo.

  • ‘Ik vind het een beetje eng.’

maar de oudste was gelijk enthousiast, zijn broertje was zo overgehaald. Dus we parkeerden de fietsjes vlak bij de ingang. Eerst sprak ik ze nog een keer toe:

  • ‘Je moet hier heel stil zijn, je mag alleen maar zachtjes praten. Ook niet de akoestiek uitproberen.’

Dat was wat veel gevraagd, maar het ging toch al beter dan enkele maanden geleden in de Hervormde Kerk. Zachtjes luisterde hij naar de a-klanken van zijn stem. Zijn broertje was doodstil en keek zijn ogen uit. Toen wilden ze gaan rennen. Ik  probeerde hen met een handgebaar tegen te houden en fluisterde:

  • ‘Kijk daar zit een mevrouw, die is aan het bidden. We moeten heel stil zijn, anders storen we haar.’
  • ‘Echt?’

Zij zat geknield op de hoek van een bank enkele rijen verder richting het altaar.. Hij liep op haar af en ging recht voor haar staan. Daarbij keek hij haar  onderzoekend aan, recht in de ogen. Vervolgens liep hij naar me terug.

  • ‘Opa, ze is niet aan het bidden, ze heeft haar ogen open.’

Ik fluisterde dat je op allerlei manieren kan bidden, dat je dat kan doen met je ogen dicht en ook met je ogen open.

  • ‘Kom we gaan weer naar buiten.’

We waren weer een ervaring rijker en gingen naar de auto. Onderweg naar ons huis vroeg ik aan de jongste over zijn belevenissen op school en heel het onderwerp kerk en bidden was weer voorbij. Maar een week later vroeg de oudste aan mij:

  • ‘Opa, wat betekent Pinksteren eigenlijk? ‘

Ik dacht even na. Van Pasen weet hij intussen al het een en ander. Ik vertelde:

  • ‘Toen Jezus dood was waren al zijn leerlingen helemaal in de war. Ze hadden altijd alles samen gedaan. Hij leerde hun heel veel. Maar nu was hij dood, wat nu? Op een keer waren ze allemaal bij elkaar in een gebouw en toen gebeurde er iets vreemds. Ze voelden opeens de geest van Jezus. En toen werden ze blij. Hij was dood, maar hij was er toch nog op de een of andere manier. Dat vonden ze zo’n fijn gevoel dat ze besloten om van deze gebeurtenis een feestdag te maken. En ze noemden die feestdag Pinksteren.

Je zag hoe hij dit verhaal in zich opnam en vroeg daarna niet verder. Later die dag, of was het misschien enkele dagen later, zei hij vanuit het niets:

  • ‘Ik ga een brief aan Jezus schrijven.’

Verwonderd keek ik hem aan maar reageerde niet. Gisteren vonden zijn ouders onder zijn bed de bewuste brief aan Jezus. Wat een mooie plek om hem neer te leggen! Zo’n brief stop je niet in de brievenbus want dat is niet nodig. Onder zijn bed, dan zou Jezus hem wel vinden, toch? Hij ontroerde me. Of je nu gelovig bent of niet, die jongen is zo puur!

brief-aan-jezus

Geplaatst in autisme | Tags: , | Een reactie plaatsen

Leonardo da Vinci en Josquin des Prez

portretjosquin

Dit portret schilderde Leonardo da Vinci in Milaan en het vermoeden bestaat dat hij hier Josquin des Prez heeft afgebeeld.

Wie was de beste kunstschilder die er rond 1500 leefde? En wie was toen de beste componist? Ik zeg Leonardo da Vinci en Josquin des Prez. En ik denk dat veel kenners het met me eens zullen zijn. Leonardo da Vinci leefde van 1452 tot 1519, Josquin des Prez van 1450 tot 1521. Zij waren dus leeftijdgenoten, maar ze waren meer dan dat. Toen Leonardo da Vinci in Milaan in dienst van de Sforza’s werkte (1482-1499) was ook Josquin een tijdlang verbonden aan het zelfde hof. (1480-1489). Wat was dat voor een tijd en wat deden ze daar?

Om te beginnen: ze leefden in een zeer grillige tijd. De theoloog Savoranola, dominicaan in een klooster in Ferrara, vluchtte in 1482 met ordeleden naar Florence toen de paus met pauselijke troepen de stadstaat belaagde. In Florence was deze Savonarola erg succesvol met zijn boetepreken, de kerk van zijn klooster zat voortdurend bomvol. Toen Florence bedreigd werd door Franse troepen vluchtte Piero de Medici, de heerser van Florence, naar Venetië en Savonarola nam de macht over. Hij wist met zijn charisma bij de Fransen na de capitulatie af te dwingen dat Florence geen enorme afkoopsom hoefde te betalen. Maar hij liet er geen gras over groeien. Nu hij de macht had wilde hij het openbare leven helemaal hervormen. Er kwamen allerlei soberheidsmaatregelen en in zijn boetepreken veroordeelde hij de rijken. Ook moest heel veel kunst er aan geloven. Werken van bijvoorbeeld Donatello belandden op de brandstapel. Veel kunstenaars ontvluchtten dan ook de stad. Leonardo was gelukkig al in 1482 naar Milaan verhuisd omdat hij in Florence beschuldigd was van sodomie. Uiteindelijk won in Florence vier jaar later toch weer de oude macht, ook met behulp van de paus die Savonarola in de ban had gedaan. de Medici’s kwamen terug en Savonarola kwam op de brandstapel terecht. De zaken waar hij tegen ageerde, onder meer ook de misstanden in de kerk, bleven sluipend aanwezig. Het was niet voor niets dat Luther in 1517 zich los maakte van de Roomse kerk. Verder zien we hoe de Franse koning zijn invloed in Italië ging uitbreiden. Hij nam in 1499 Milaan in, de hertog vluchtte. Leonardo ging toen weer terug naar Florence waar hij zijn loopbaan was begonnen. Daar ging hij oorlogstuig maken voor Cesare Borgio, de hoofdfiguur in “La Principe” van Macchiavelli. (Met Macchiavelli was Leonardo trouwens goed bevriend. ) Leonardo reisde met Borgio mee en ervoer de buitengewoon wrede manier hoe hij met de leiders van veroverde steden omging. Dat maakte dat hij ook stopte met zijn militaire opdrachten.

In dat zelfde decor van bedreigde stadstaten, afwisselend strenge zedigheid, soms een fijnzinnig hofleven zoals dat in Ferrara of losballige orgiën, daarin leefde ook Josquin des Prez. Van veel van zijn werken weten we niet wanneer hij ze gecomponeerd heeft, maar wel van het “Ave Maria”, misschien wel het mooiste muziekstuk dat hij gemaakt heeft. Hij maakte het in Milaan. Daarover zo meteen meer.

maagd op de rotsen

In 1483 schilderde Leonardo, eveneens in Milaan “de Maagd op de rotsen.” Het was een opdracht van de “broederschap van de Onbevlekte Ontvangenis” om een altaarstuk te schilderen voor de Franciscaner kerk. Hij schilderde het middenstuk, andere schilders beschilderden de zijpanelen. Er op staan Maria, het kind Jezus, de jonge Johannes de Doper en een engel. Het gaat om een apocriefe scene over de ontmoeting van de heilige familie met Johannes als ze op weg zijn naar Egypte, nadat koning Herodus tot de kindermoord had bevolen. Hij heeft twee versies geschilderd. De eerste versie, die nu in het Louvre hangt, heeft hij waarschijnlijk verkocht toen er gedoe kwam over de betaling. Later heeft hij de tweede versie dan alsnog voor de broederschap gemaakt. Die tweede versie hangt nu in de National Gallery in Londen. We zien hier boven de eerste versie.

In die tijd was het nog controversieel dat Maria onbevlekt ontvangen zou zijn. Met name de Franciscanen hebben deze stelling ten zeerste gepromoot, en ook in dit schilderij zou dat idee op de een of andere manier aanschouwelijk gemaakt moeten worden, zo was de opdracht. Letterlijk luidde de opdracht: Maak een afbeelding met Maria. haar gewaad van goudbrokaat op karmozijn, in olieverf afgewerkt met fijne vernis. Daarbij het kind Jezus omringd door engelen en de twee profeten. Leonardo deed waar hij zin in had: hij liet de profeten weg, maakte slechts één engel (voor wie waarschijnlijk zijn jonge geliefde model stond) en haalde Johannes de doper erbij. Zo koos hij voor een mooie landelijke scene die weinig met de opdracht te maken leek te hebben. De profeten, waarschijnlijk Jesaja en Nephi, waren belangrijk in het verhaal. Ze moesten een soort testamentisch bewijs van de maagdelijkheid van Maria vormen. We lezen namelijk in het oude testament bij Jesaja: ‘Zie, de maagd zal zwanger worden. Zij zal een Zoon baren en Hem de naam Immanuel geven’ (Jesaja 7:14), en bij Nephi: Zie, de maagd die gij aanschouwt, is de moeder van de Zoon Gods, naar het vlees’ (1 Nephi 11:18).

Iets van die gedachte zien we misschien op het eerste gezicht toch nog. We zien een grot van kale rotsformaties waaruit op magische wijze bloemen ontspringen. We hebben het idee te kijken in het binnenste van de aarde. De figuren voor de grot baden in een warm licht, maar in de beschaduwde grot is het angstaanjagend donker. Leonardo da Vinci schreef eerder al eens over een mysterieuze grot waar hij tijdens een wandeling was langs gekomen. Het schijnt trouwens dat de onderdelen van de grot met een nauwkeurige geologische accuratesse zijn geschilderd, ze zijn duidelijk naar de natuur weergegeven. Ook de planten kloppen, ze staan uitsluitend op stukken zandsteen die zo ver geërodeerd zijn dat er wortels in kunnen doordringen. Ze staan nergens in het harde gesteente. Ook de soorten die je ziet komen in hetzelfde jaargetijde voor. Maar tegelijk is er sprake van symboliek: om de zuiverheid van Christus weer te geven wordt vaak een witte roos gebruikt, in dit geval kiest hij voor een witte stengelloze sleutelbloem. Vaag zichtbaar zien we boven de linkerhand van Maria een rozetje lievevrouwebedstro. Volgens een van de legenden zou Jozef deze plant gebruikt hebben als bed voor het kindje. Maar vreemd genoeg lijkt verder het verhaal vooral te gaan over Johannes de Doper, een van de favoriete thema’s van Leonardo. Johannes zit op zijn knieën met zijn handen eerbiedig gevouwen en Jezus zegent hem, zijn andere hand rust op een steen. Het lichaam van Maria lijkt in een draaiende beweging bevroren, ze kijkt naar Johannes en houdt een hand beschermend over het hoofd van haar kindje. Met de andere hand houdt ze liefdevol Johannes vast. De engel met zijn mooie krulhaar wijst naar Johannes en de andere hand rust ook op een steen. Het lijkt wel een oefening in gebaren en handhoudingen, een oefening die hij nog uitgebreider lijkt te herhalen als hij enkele jaren later het Laatste Avondmaal schildert.

handen

Zoals we zagen was de onbevlekte ontvangenis nog geen gemeengoed in de kerk en waren vooral de Franciscanen bezig om dat idee te promoten. Als we kijken naar de tekst van het Ave Maria zoals Josquin die gebruikte bij zijn compositie uit 1483, dan zien we daar ook een aantal verwijzingen naar die onbevruchte ontvangenis. Deze onderdelen komen in het officiële weesgegroetje, waarvan de tekst uit de elfde eeuw stamt, niet voor. Ik heb de betreffende passages vet weergegeven. Zou ook Josquin een opdracht kunnen hebben gehad van dezelfde broederschap? Het lijkt erg waarschijnlijk.

Ave Maria, gratia plena,
Dominus tecum, virgo serena.
Ave, cuius conceptio, solemni plena gaudio,
Caelestia, terrestria, nova replet laetitia.
Ave, cuius nativitas nostra fuit solemnitas,
Ut lucifer lux oriens verum solem praeveniens.
Ave pia humilitas, sine viro fecunditas,
Cuius annuntiatio nostra fuit salvatio.
Ave vera virginitas, immaculata castitas,
Cuius purificatio nostra fuit purgatio.
Ave, praeclara omnibus angelicis virtutibus,
Cuius fuit assumptio nostra fuit glorificatio.
O Mater Dei, memento mei. Amen.

Wees gegroet Maria vol van genade,
De Heer is met u, serene Maagd.
Gegroet, gij wiens conceptie, vol grote vreugde,
De hemel en de aarde vervult met nieuwe blijdschap.
Gegroet, gij wiens geboorte voor ons een groot feest werd,
Als de verlichtende morgenster anticipeert u op de ware zon.
Gegroet, trouwe nederigheid, die vruchtbaar was zonder man,
Van wie de aankondiging tot onze redding zou leiden.
Gegroet, ware maagdelijkheid, onberispelijke kuisheid,
Uw zuiverheid zou tot onze reiniging leiden.
Gegroet, glorieuze met al uw engelachtige deugden,
Uw liefdevolle bescherming zou tot onze verheerlijking leiden.
O moeder van God, denk aan me. Amen.

Josquin maakt hier gebruik van allerlei zettingstechnieken. Virtuoos wordt elk tekstdeel op een andere manier gezet. Maar opvallend is hoe het tekstdeel dat over de maagdelijkheid van Maria gaat er uitspringt:
Ave vera virginitas, immaculata castitas, cuius purificatio nostra fuit purgatio.
We horen hier een koraalzetting, alle stemmen hebben hetzelfde ritme, met uitzondering van de tenor, die telkens net een tel later komt. Het is een prachtig effect. Het doet me denken aan een passage in de Mariavespers van Monteverdi, waarin muzikaal wordt uitgebeeld dat alle mensen voor God gelijk zijn en de verschillen door hem weggepoetst worden. (Ut collocet cum principibus). Door zo’n verschuiving hoor je hoe dissonanten oplossen. Hier zou je dat kunnen interpreteren als “hoe haar zuivere maagdelijkheid bij ons tot zuiverheid leidt, wij worden door haar gereinigd”. Heel mooi is ook hoe aan het einde van die zin de maagdelijke zuiverheid van Maria nog even helemaal eenstemmig in de alt overblijft in het woord “purgatio” (reinheid). Koortechnisch mooi hoe het Gabrieli Consort er hier voor kiest om dat fragment op slechts een o-klank te zingen, maar ik denk dat Josquin echt wel gewild zou hebben dat je hier duidelijk het woord “purgatio” zingt, zoals ook in de partituur staat. Juist in die dingen laat Josquin zien dat hij de opdracht van de broederschap, het uitdragen van het mystieke wonder van de maagdelijkheid van Maria, begrepen heeft.

Ik schreef al eerder een artikel over deze compositie, zie de link onder aan deze pagina. Josquin heeft het ook met een afwijkende tekst op muziek gezet zoals je daar kunt zien. Bovenstaande versie heeft hij veel later ook nog bewerkt, hij wordt dan zesstemmig in plaats van vierstemmig. Dat was toen mode en er moest brood op de planken. Mooi gedaan, maar de originele versie uit Milaan vind ik veel mooier. De uitvoering die ik in dat eerdere artikel liet horen, (niet die ik toen live hoorde), dezelfde vierstemmige, is weer heel anders dan deze. Mijn ideale uitvoering zou een mix tussen deze twee uitvoeringen kunnen zijn. Hier boven hoor je het Gabriëli consort in een uiterst trage maar bijna engelachtige mystieke uitvoering. In dat andere artikel zingt het Gents vocaal ensemble hetzelfde stuk onder leiding van Philip Herrewhege, sneller maar met een heel natuurlijke tekstuitdrukking.

Josquin en Leonardo komen in Milaan met “de Maagd op de Rotsen” en het “Ave Maria” op een heel bijzondere manier opeens heel dicht bij elkaar. Misschien waren zij wel de twee grootste genieën van hun tijd. Ik stel me zo voor dat ze allebei in die Franciscaner kerk zijn en luisteren naar de opdracht van de broederschap. Leonardo broedt op de draai die hij er aan wil geven. Eerdere ideeën kan hij er wellicht in kwijt. Josquin luistert naar de akoestiek van de ruimte en kent de schola die hij kan gebruiken om het motet bij een Mariafeest in te wijden. Ik heb niet kunnen achterhalen of de betreffende kerk nog bestaat, ik vermoed van niet. Wel bestaat nog de zwaar beschadigde en nadien gerestaureerde Dominicanerkerk waar Leonardo enkele jaren later het Laatste avondmaal voor schilderde. Beide kunstenaars hadden het uitstekend naar de zin in het ruimhartige kunstminnende milieu waar ze toen in verkeerden. Leonardo da Vinci woonde in een niet gebruikt kasteel van de hertog en had daar ook een groot atelier waar hij niet alleen kon schilderen maar ook al zijn installaties voor hoffeesten kon ontwikkelen. En ook Josquin werd gewaardeerd en had waarschijnlijk de beschikking over een aantal goed getrainde zangers. Maar intussen borrelde en gistte het in Europa steeds meer. De zestiende eeuw met al zijn omwentelingen zat er aan te komen. Maria vluchtte naar Egypte. Leonardo en Josquin wisten nog niet wat de toekomst hen zou bieden. Maar even was het leven maagdelijk mooi.

Zie ook:
De Mona Lisa van Leonardo da Vinci
Leonardo die niet kon rekenen
Het laatste avondmaal van Leonardo da Vinci
Het Ave Maria van Josquin des Prez

Geplaatst in Geschiedenis, kunst, muziek | Tags: , , , , , , , | 1 reactie