Rekenen en taal

Mijn vrouw geeft aan mijn oudste kleinzoon drie dagen in de week les, dat wil zeggen ze helpt hem met zijn huiswerk. Dat is allemaal erg goed en duidelijk geregeld op zijn school. Hij vindt alles leuk, behalve rekenen. Alles gaat met plaatjes en die plaatjes vindt hij op zich veel interessanter dan de er achterliggende som. Hij wil snel weten wat het trucje is en dan: klaar. Maar helaas, dat trucje is niet steeds hetzelfde. Hoe kun je hem op een speelse manier toch inzicht geven? We hebben daarom op initiatief van mijn vrouw winkeltje gespeeld met zijn allen. Iedereen vond het leuk, behalve hij, om wie we het deden… Hij doet zijn best, maar slechts met vrolijke tegenzin doet hij mee. Deze ingang blijkt niet te werken. Maar al het taal- en schrijfwerk gaat goed en dat vindt hij ook leuk.

-‘Opa, kun jij dit lezen?’
Hij liet me een pagina zien met een door hem zelf handgeschreven tekst.
-‘Poe, dat vind ik lastig.’
Ik begon snel hardop te lezen en bewoog intussen met mijn vinger mee. Ik las met veel expressie alsof er een spannend verhaal stond en probeerde van zijn onzin-stukje iets te maken.
-‘Weet je welke taal dit is?’ vroeg hij mij.
Ik had geen flauw idee.
‘Het is gewoon oud-Nederlands. Dat kun je lastig lezen,’ zei hij triomfantelijk.

Hoe was hij daar nu weer op gekomen? Maanden geleden had ik hem een keer een handgeschreven tekst uit de zestiende eeuw laten zien en hem verteld hoe moeilijk je dat kon lezen. Hij luisterde toen wel, maar kwam er nooit meer op terug. En nu: floep, vanuit het niets! De vorige week heeft hij ook Chinese tekens gemaakt. Die waren wel echt. Er lag een minutieus papiertje met een handleiding in het Chinees, afkomstig van een verder overigens waardeloos Chinees bouwpakket (waar ik het nu niet  over zal hebben) in de kamer.
-‘Wat zijn dat voor tekens?’
-‘Dat is Chinees.’
Dat vond hij blijkbaar zo intrigerend dat hij dat was gaan natekenen.

Een van de huiswerkopdrachten van deze week luidde: “schrijf een brief aan de juf.”
Mijn vrouw vroeg of ik dat met hem in een tekstverwerker wilde doen. OK dan, dat vond hij leuk. Elke zin verzon hij zelf, inclusief leestekens. Na ‘lieve juf Daphne’ – Opa hoe schrijf je Daphne? – kwam er gelijk een concrete vraag aan zijn juf: ‘Ik ben benieuwd of  we nog de x  c  y  q  nog gaan  leren. Ik  kan  gewoon  niet  wachten tot  we  die  letters  gaan   leren.
Met spaties is hij erg gul. De woorden moeten duidelijk los van elkaar staan.
Maar   ik vindt  je gelukig wel lief. Hee vindt jij mij ook lief?
Hoe je vind moet schrijven vroeg hij niet. Hij tikte het in dit geval tot twee keer fout in. Ik denk dat hij al snel wil weten wanneer je het zus of zo schrijft maar ik liet het nu maar even.

Hoe anders is het dus met taal, schrijven en lezen dan met rekenen. Toen hij een tijdje boven was om op het keyboard te spelen viel me opeens op dat ik geen geluid meer hoorde. Ik liep naar boven. Hij had het keyboard uitgezet en lag op de grond te lezen, in mijn studeerkamer. Hij las uit het boek: “Het hof van Willem van Oranje.” Willem van Oranje, die kent hij wel en een foto van zijn portret dat op de voorkant van het boek staat had hij uiteraard gelijk herkend.
-‘Opa wat is een hof?’

Ik vertelde hem over een hofhouding en hoe de mevrouw die het boek geschreven had, had uitgezocht hoeveel mensen Willem van Oranje in dienst had en wat die allemaal zoal deden. En ook wat ze allemaal aten, gewoon door de week of bij een feestje.
-‘So hei!’
Ik vertelde dat Willem van Oranje erg rijk was maar doordat hij ruzie had met de Spaanse koning heel veel dingen die van hem waren moest afgeven. Zelfs hele paleizen. Op de kaft stond ook een afbeelding van zijn paleis in Brussel. Dat vond hij erg indrukwekkend. Dat pikte de koning van Spanje zomaar in.
‘Waren alle mensen toen zo rijk?‘
Ik vertelde dat heel veel mensen heel erg arm waren. Sommigen waren zo arm dat ze helemaal niets te eten hadden en dan werden ze maar soldaat. Dan kregen ze tenminste nog wat te eten.
-‘Dat is niet eerlijk.’
Ik zei dat het ook nu nog steeds niet erg eerlijk verdeeld was over de wereld maar dat het in Nederland gelukkig best wel aardig geregeld was.

Met duplo ging hij een kasteel bouwen, ook buiten in het zand ging hij een kasteel bouwen en ook bij zijn ouders bouwde hij met zijn broertje een kasteel met blokken.

kasteel2

Maar hij ging geen kasteel tekenen. Hij tekende een flink aantal treinen. Onder meer een trein in station “Hollandsche Rading.” Opa, ik heb “Hollandsche Rading met sch geschreven. Dat komt omdat het geschreven is in oud-Nederlands. Samen met broer, zus en moeder was hij bij dat station geweest om treinen te kijken. Daar is trouwens het coronavirus weg…

tekening1Maar hij tekende ook station Rotterdam Centraal en Rotterdam Blaak. In Blaak stonden vijf mensen op het perron. Dat waren hij zelf met broer, zus, opa en oma. Allemaal waren ze treinen aan het kijken.

tekening2

tekening4

-‘Wanneer leefde Schumann?’
Hij speelde op de piano uit “Album für die Jugend” het liedje waar ook “Hij komt, hij komt die goede Sint” op is gebaseerd. En net als bij Schumann speelt hij het liedje met links de melodie en rechts de begeleiding. Ik help hem er helemaal niet mee. Dat wil hij niet. Op zijn eigen en ook op ons keyboard staan heel veel muziekjes. Je tikt een nummer in en dan hoor je een liedje dat vervolgens in een soort repeteermodus wordt herhaald. Dus ook dit liedje. Bij ons tikt hij bijna uitsluitend cijfers in van klassieke muziekstukken en hij vraagt dan aan mij wie dat gemaakt heeft. Dan luistert hij een aantal keren achter elkaar naar de betreffende melodie en vervolgens gaat hij het proberen na te spelen. Allemaal op zijn gehoor. Zo is hij onder meer bezig met de sonate facile van Mozart en met de titelsong van Pippi Langkous. Zijn zusje wordt daar altijd helemaal blij van. ‘Pippi Langkous!’ zegt ze dan glunderend.

Morgenochtend krijgt hij weer rekenles. Dat moet dan maar. Verder heeft hij het reuze naar de zin. Maar wanneer is dat rotvirus nu weg? In ieder geval moet je altijd je handen wassen met zeep. In elke taal schrijf je dat anders.

tekening3

 

 

 

Geplaatst in autisme | Tags: , , , , | 2 reacties

De maan, Venus en het ISS

Nu, eind maart 2020, is het ruimtestation ISS weer een aantal keren goed te zien, vanavond was dat rond 8 uur het geval. We hebben al een hele tijd schitterende, bijna wolkenloze luchten. Venus staat al maanden elke avond in het westen. Al enkele dagen achter elkaar kroop de maan naar hem toe en vanavond staat hij er het meest dichtbij: we zien nu een mooie conjunctie tussen beide hemellichamen. Deze conjunctie werd heel even nog uitgebreider doordat het ISS zich bij het gezelschap voegde. Ik maakte een korte opname, als je een goed scherm hebt zie je al vrij snel het ISS vanuit de horizon omhoog komen. Rechts van Venus. Op het moment dat ik inzoom zie je het station veel beter.

Ik ontdekte onlangs een mooie video waarin André Kuipers op een leuke manier iets vertelt over het verblijf in het ruimte station ISS. Er is van die heel uitgebreide versie een korte kinderversie gemaakt. Mijn oudste kleinzoon vond de gewichtloosheid erg fascinerend, maar hij vond het ook eng. Bij deze heeft hij besloten geen ruimtevaarder te worden! Ik denk dat hij enigszins claustrofobisch is, hij wordt ook panisch van tunnels. Maar hier liep hij niet voor weg maar bleef tot het einde kijken. Hieronder de uitgebreide versie.

Zweven door smalle gangen in een ruimtevaartstation is misschien eng, maar het coronavirus is voor mijn kleinzoon nog veel enger. Ik weet niet wat hij er allemaal van mee krijgt, maar blijkbaar genoeg om er ’s avonds lang bang wakker van te liggen. Deze week bouwde hij eerst van duplo een trein die gereviseerd moest worden. Hij imiteert dan een filmpje waarop dat te zien was. Maar ook bouwde hij een ziekenhuis. In het prachtige boek “Nederland” van Charlotte Dematons staan allerlei tekeningen van plekken in Nederland. Herkenbare plekken, zoals de Blaak in Rotterdam. Er is ook een pagina waarop een ziekenhuis is te zien, met een helikopterplatform op het dak. Je ziet hoe er in de straat een ziekenauto komt aanrijden. Hij fantaseert dan wat er allemaal gebeurd kan zijn. Door de vensters van het ziekenhuis zie je verpleegafdelingen met patiënten.

-‘Opa, hoe gaat dat, een operatie? Kun je me daar een filmpje van laten zien?’
-‘Nee, ik weet niet of die filmpjes er zijn. Maar ik ga ze ook niet zoeken. En elke operatie is weer heel anders. Het doet trouwens geen pijn want de mensen worden verdoofd, dan voel je niets. Maar laten we maar naar iets anders kijken. Volgens mij is dat helemaal niet zo leuk om naar een operatie te kijken.’
-‘Wanneer is dat corona nu weg? Komen er mensen op mijn verjaardag?’
-‘6 juni, ik denk dat we jouw verjaardag wel kunnen vieren. Dat duurt nog een hele tijd. En anders vieren we hem toch gewoon een tijd later?’

Vervolgens begon hij op te sommen wat hij graag wilde hebben voor zijn verjaardag. Ik denk zelf aan een cadeautje dat hij niet opsomde. Verkleedkleren. Hij vind het heerlijk om zich regelmatig een rol toe te eigenen. Koning, bisschop, machinist. Tegen die tijd is er vast weer iets waar hij iets mee kan. En ook zijn broer, maar vooral zijn zusje vinden dat heerlijk. Hij speelt steeds vaker met zijn 3,5 jaar jongere zus. In dat soort fantasiespelletjes vinden ze elkaar. Eergisteren trouwde hij met haar. Zij had een oneindig lange sleep van een oud laken. Statig liepen ze naar het altaar.

Maar gelukkig zijn ze ook weer niet voortdurend met dat virus bezig. Het spelen aan het strandje was een aantal dagen heel goed mogelijk. Er was wel veel wind, maar het was helemaal niet koud. En mijn oudste kleinzoon is steeds meer en langer piano aan het spelen. Nadat hij het begin van de sonate facile van Mozart had gehoord probeert hij dat stuk nu ook te spelen. En Für Elise van Beethoven. En nog een stuk of wat andere deuntjes. Fascinerend om te zien hoe hij al rommelende steeds verder komt..

Boven in het ISS zitten drie astronauten. Ze zaten er al lang voordat het coronavirus een internationale crisis veroorzaakte. In het luchtledige, ver buiten de dampkring. Met een enorme snelheid, maar liefst twaalf keer per etmaal draaien ze in een steeds iets veranderende baan om de aarde. Hele periodes kun je vanuit Nederland het ruimteschip niet zien. Dan opeens zijn er een aantal mogelijkheden. Nu, eind maart dus ook weer. Over een tijd zullen de passagiers afgelost worden door nieuwe astronauten. En ooit zal het ruimteschip afgedankt worden denk ik. De maan en Venus niet. De maan blijft onvermoeibaar haar rondjes rond de aarde draaien. En wij deinen met haar mee in de getijden van eb en vloed. Venus zal eeuwig schitterend als avondster of morgenster aan de hemel blijven staan. Waakzaam, als godin van liefde en kunst. Dingen die we in deze periode hard nodig hebben.

Geplaatst in Astronomie, autisme | Tags: , | 1 reactie

Nederig

Ik was 12 jaar en zat in de brugklas in Roermond. Zes dagen in de week (ja ook de zaterdagmorgen!) gingen we fietsen vanuit Swalmen, vijf kilometer heen, vijf kilometer terug. Dat was geen probleem maar In januari werd het dat jaar wel erg koud. Zo lezen we in de Limburger van 23 januari van dat jaar:

de limburger1

En daar kwam nog een schepje boven op. Op 1 februari werd het nog veel kouder:

de limburger2In onze buurt bevroren al heel snel alle waterleidingen en even later ook de rioolleidingen. Een keer per dag kwam er een tankwagen met water langs en dan mocht je in teiltjes en kannen water tappen. Onze behoefte deden we in de tuin. Mijn vader had onder de appelboom nog een kuil weten te hakken, waar alles in werd gedeponeerd. Vanaf dat jaar gaf de boom trouwens de meest lekkere en stevige appels.. Deze situatie duurde een hele tijd, tot vlak voor Pasen bleef het riool bevroren!

Met vastenavond waren de vorst en de bijkomende ongemakken natuurlijk een dankbaar onderwerp. Zo herinner ik me de buut die uitbeeldde hoe gemeente-ambtenaren kwamen om te inspecteren hoe het zat met de rioolleidingen. Ik zat ook in de zaal waar de zitting met de plaatselijke buutreedner plaats vond. Twee deskundigen bogen zich “zogenaamd” over een plek waar een kuil gegraven was in de keiharde grond. De werklieden waren er een hele tijd mee bezig geweest maar het was gelukt. Daar lag hij dan. De rioolbuis. ‘Ja’, zei de een met een deskundig gezicht tot de ander. Hij liet bewust een aantal seconden een stilte vallen. ‘Bevroren’. Nog enkele seconden stilte. ‘Onder de grond’. De wetenschappelijke diagnose was gesteld. Wij toehoorders in de zaal lagen dubbel van het lachen.

Toen het onmogelijk was om nog bij het bisschoppelijk college te komen op de fiets hadden we een aantal dagen vrij. Op de heenweg was het me die eerste dag nog gelukt maar het begon zo hard te sneeuwen dat ik niet meer normaal thuis kon komen. Pas laat in de middag kwam ik verkleumd met een fiets die nauwelijks meer rond kon draaien thuis, waar mijn ongeruste moeder me opwachtte. Het was een uitzonderlijke tijd. Het gaf verbroedering. Maar op veel plaatsen in Europa was er een doffe ellende, vooral door het toenemende tekort aan brandstof. We waren er niet op voorbereid.

Later die maand was er een elfstedentocht. Waar nog beelden van zijn. IJzige beelden. Reinier Paping was de historische winnaar.

De ontreddering die er nu is door het coronavirus doet me nog het meest denken aan wat er in dat jaar gebeurde. Het overkwam ons gewoonweg. De natuur bleek veel sterker dan de mens. Zoals in 1953 en 1995 het hoge water ons overviel. En ook nu zijn we er niet op voorbereid. Wereldwijd zijn we nu van slag. Een virus, slechts zichtbaar met geavanceerde electronenmicroscopen, neemt ons te grazen. En het had net zo goed iets anders kunnen zijn. Er zijn nog talloze natuurkrachten waar we nauwelijks iets tegen kunnen uitrichten. Het zou ons nederig moeten maken.

Geplaatst in Geschiedenis, maatschappij | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Improviseren aan de piano

aanpianoDe wereld van de muziek is fascinerend en eindeloos. Mijn oudste kleinzoon probeert af en toe muziekstukjes na te spelen maar vooral ook zit hij te zoeken, te graven en te spitten in de klankwereld van een piano of orgel. De vorige week was hij erg verkouden met in het begin ook stevige koorts. Maar dat weerhield hem er niet van om vaak achter de piano of het keyboard te kruipen en te improviseren of iets na te spelen. Af en toe heb ik een fragment daarvan opgenomen. Het fascineert mij en het doet me ook aan mezelf denken toen ik een heel simpel keyboardje kreeg. Ik was toen wel al een jaar of 10, hij is pas 6. Toen ik 7 of 8 jaar was schreef ik muziekstukjes voor meer blokfluiten en ontdekte dat een tweede stem op terts-, af en toe sext-afstand heel mooi klonk. Dat ontdekt mijn kleinzoon nu ook al. Hieronder 9 fragmenten van zijn improvisaties van de afgelopen week met commentaar van mij erbij.

Ja dat requiem van Evi komt ook nog steeds af en toe terug in de een of andere variant. Hij eindigt heel bewust op een secunde: E-F#. Dat moest ik ook een keer eerder al voor hem opschrijven. Ik vind dat heel bijzonder, dat hij zo’n interval als slot kan ervaren. En het klopt!

Hij kan eigenlijk niet zonder pedaal spelen op de piano, die moet er steeds bij. Maar het is ook leuk om af en toe het linker pedaal te gebruiken. En terts-parallellen klinken goed! Stukken eindigen trouwens vaak met een triller.

Maar de prachtige doorklinkende tonen en akkoorden van het rechterpedaal zijn favoriet. Verder verkent hij het effect van repeterende noten. Hoe maak je een duidelijke afsluiting? Juist, met een triller in de melodie en een tonica in de bas!

Op het keyboard is de klank van het orgel favoriet. Sinds hij dat orgel zo goed gehoord en gezien heeft in de Sint Jans Kerk van Gouda afgelopen september speelt hij herhaaldelijk voor organist. En dat vraagt om heel andere muziek dan wanneer hij op de piano speelt. Wat het goed doet zijn liggende tonen, orgelpunten, in de bas. Op een orgel klinken ze door, dat is heel anders dan op de piano.

Nog zo’n orgelstukje. Twee melodieën tegelijk. En af en toe – dat klinkt apart! – met kwintparallellen!

En nog een stukje. Leuk hoe hij op het einde al vrij doelbewust naar een einde toe weet te werken.

Op het keyboard bij hem thuis op zijn kamer zitten allerlei liedjes die hij probeert na te spelen. Zoals deze melodie. Een begeleiding erbij zoeken is leuk. Het onbewuste commentaar van broertje, zusje en oma op de achtergrond hoort er niet bij….

“Altijd is Kortjakje ziek” is het equivalent van het Engelstalige “Twinkle twinkle little star”. Eerst zingt hij het liedje en probeert hij zich intussen zelf te begeleiden. Daarna speelt hij een aantal keren de melodie zonder hem mee te zingen en zoekt uit wat er in de linkerhand zoal bij zou kunnen. Zoals sommige fragmenten op terts-afstand.

De “albertijnse bas” maakt hij zich steeds meer eigen, maar alleen een bas is natuurlijk niks. Daarboven kun je improviseren.

corona2020Dit tekende hij bij zijn ouders naar aanleiding van de verhalen over het corona-virus. Sommige mensen moeten zelfs in het ziekenhuis verzorgd worden. Maar zijn verkoudheid geneest goed. En de muziek blijft in zijn leven veel belangrijker. Gelijk heeft hij!

 

 

 

 

Geplaatst in autisme, maatschappij, muziek | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

De jonge Beethoven

Toen ik nog op het conservatorium van Maastricht studeerde was er een docent die vrijwel even oud  was als ik zelf. Hij was buitengewoon virtuoos op zijn instrument, maar ik had sterk de indruk dat hij buiten de muziek die bij zijn hoofdvak hoorde weinig kaas had gegeten van al die andere muziek. Hij vond de pianosonates van Beethoven oersaai en kon er bovendien geen touw aan vast knopen en dat gaf hij eerlijk toe. De sonates van Schubert daarentegen kon hij wel waarderen.

Ik snapte daar niets van, want ik vond de sonates van Beethoven opwindend, spannend en ook nog eens heel erg samenhangend. En dat vind ik nog steeds.

Zelfs de allereerste sonates van Beethoven vond ik geweldig. Een van de sonates die ik al snel enigszins kon spelen was de sonate opus 14 nummer 2. Na opus 13, de zogenaamde sonate pathétique,  lijkt deze sonate een soort terugval, op het eerste gezicht minder dramatisch en meer traditioneel van opzet. Maar ik was al spelende onder de indruk van de toch weer prachtige retorische opzet. Het eerste thema was zangerig en had een prikkelend vrolijk karakter: Beethoven die al steeds meer beroemd begon te worden en de hele toekomst nog zonnig voor zich zag.

Voor mij had dat eerste thema alles in zich wat het woord lyrisch impliceert. Ik genoot ook van het vaker voorkomende vraag-antwoordspel tussen de linkerhand en de rechterhand, zoals in het eerste stukje van de slotzin van het eerste deel:

Het mooiste vond ik de doorwerking, waarschijnlijk het punt waar die jonge docent het spoor bijster raakte en daardoor tot de conclusie kwam dat Beethoven een saaie onbegrijpelijke componist was:

De doorwerking begint met een bekende formule: het begin van het eerste thema komt terug maar nu opeens in mineur. En dan gaat hij op een canonische manier spelen met de kop van dat thema, totdat plotseling fortissimo het thema in de bas komt met een snelle triolenbeweging in de rechterhand. Mijn oudste kleinzoon noemde dat “roepmuziek”, dat is muziek waarbij je je oren dicht moet houden. Toen ik het laatst speelde begon hij mee te doen op de djembé om het pianogeluid te overschreeuwen en nog wat later ging hij zelfs naar beneden om zich uit te leven op het drumstel..  Zo zal het vast ook gewerkt hebben bij die jonge docent indertijd. Maar bij dat fragment geeft de muziek juist een adrelanine-shot aan de toehoorders. Wie er voor open staat krijgt een enorme kick. Die passage eindigt met een zogenaamd orgelpunt op de dominant. Zo’n moment maakt dat je voelt dat er iets nieuws gaat komen. Alleen het is een vreemde dominant, niet die je zou kunnen verwachten, die van de oorspronkelijke toonsoort. In deze verkeerde toonsoort lijkt de reprise te komen: je hoort namelijk weer het eerste thema. Het is een zogenaamde schijnreprise, al snel komt er nog weer een orgelpunt, nu op de goede dominant, en ja hoor: daar is de reprise dan, met nu het eerste thema zoals het hoort.

Over die sonate kun je nog veel meer vertellen. Over de ritmiek en metriek bijvoorbeeld. Maar ook over de motivische samenhang. Met het eerste thema is feitelijk iets eigenaardigs aan de hand. Je ervaart de zware tel op een ander moment als dat hij genoteerd staat. Dat komt omdat de bas een drieklank-breking heeft precies op het moment dat de melodie een langere toon heeft. Dat moment ervaar je als zwaar. Ik heb het enkele jaren geleden met conservatoriumstudenten uitgeprobeerd. Ik liet alleen de eerste vier maten enkele keren horen en vroeg hen om mee te tellen en om intussen met voeten, handen of stem duidelijk de zware tel te laten horen. Iedereen hoorde het op dezelfde manier. Maar zo staat het er niet. Na enkele maten klopt het opeens wel, dan hoor je de zware tel zoals genoteerd. Feitelijk ervaar je een maatwisseling die niet als zodanig genoteerd staat, er komt opeens een kortere maat tussen. Om dat inzichtelijk te maken heb ik de notatie verandert. Het eerste stukje niet in de 2/4 maat van de partituur, maar in een 4/8 maat, die dan om eerder genoemde reden even verandert in een 3/8 maat.

thema1a-klinkend

Maar zo heeft Beethoven het genoteerd, pas bij maat 5 hoor je de zware tel aan het begin van de maat:

thema1a-oprigineelDit thema komt terug, twee keer in de doorwerking en later ook in de reprise. Iedere keer moet er ergens wat met het metrum gebeuren om het weer te laten kloppen, maar dat wordt nooit als een maatwisseling genoteerd. Luister naar deze vier momenten in de expositie, doorwerking, nog eens doorwerking en tenslotte in de reprise.

Aan het einde van het eerste deel van de sonate komt er een klein coda. Daar is het thema zodanig veranderd dat het nu wel klopt. Dit door in plaats van een opmaat met vijf zestiende noten slechts een opmaat van drie zestiende noten te gebruiken. Wonderwel heeft deze inkorting een goed effect op die plaats en het stuk komt op een natuurlijke manier tot een afronding.

Ik begrijp niet hoe Beethoven dit thema heeft kunnen verzinnen met die vreemde metrische verschuiving. Ik vermoed dat hij achter de piano zat te zoeken naar een thema en op de een of andere manier die inkorting in maat 4 voor zijn gevoel logisch vond klinken. Maar maatwisselingen noteren, dat deed men niet in die tijd midden in een stuk. Dus moest hij alles naar voren opschuiven en kreeg je dus de notatie zoals die er nu staat.

Over het gebruik van het motivische materiaal in de sonates van Beethoven kun je boekwerken schrijven. Om een idee te geven wat er in dat opzicht zoal gebeurt in deze sonate, luister nogmaals naar het begin van deze sonate en mijn uitleg daarna.

En luister hier naar de hele sonate.

Beethoven stond nog aan het begin van zijn carriëre, het was het jaar 1799.  Een jaar later zou hij zijn eerste symfonie schrijven. Het werd geen makkelijk leven. Maar o. wat heeft hij ons veel mooie dingen nagelaten!

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Corona

In de Volkskrant stond een tekening van een coronavirus: een bol met aan de buitenkant uitsteeksels. Aan die uitsteeksels dankt het virus zijn naam.
Maar we kennen ook nog een andere corona, de corona van de zon.

zon met coronaDat is de hete atmosfeer rondom de zon en andere sterren die zich uitstrekt over miljoenen kilometers. Bij een totale zonsverduistering is hij opeens te zien De temperatuur van de corona is hoger dan die van het zichtbare oppervlak van de zon – de fotosfeer. De fotosfeer heeft namelijk een temperatuur van rond de 6000 K, terwijl de corona een temperatuur heeft van rond de 1.000.000 K. Feitelijk is de corona daarmee nog veel heter dan het binnenste deel van de zon. Hoe kan dat? Eigenlijk weten we dat nog steeds niet. Er zijn twee hypotheses, die misschien wel allebei een deel van de oorzaak bevatten. De magnetische velden van de zon zijn zo sterk dat de buitenkant van de zon verschrikkelijk heet wordt. Een andere veronderstelling uit 2017 is dat de hoge temperatuur wordt veroorzaakt door zogenaamde “spiculen” die heet plasma van ongeveer 10 miljoen graden dumpen in de corona. In de corona vinden explosies plaats, de zogenaamde zonnevlammen. De oorzaak is dat de energie die vastgehouden wordt door de magnetische velden van de zon op sommige plaatsen plotseling vrij komt. Materie uitgestoten bij zonnevlammen komt uiteindelijk terecht in de zonnewind. Een zonnevlam kan gevaarlijk zijn voor de aarde. De ozonlaag beschermt ons echter voor een groot deel tegen de gevaarlijke straling ervan.

In februari is er een missie gestart om meer inzicht te krijgen in al die processen. De Solar Orbiter van de Esa werd gelanceerd. Het ruimtevaartuig bevat 10 instrumenten. In de eerste twee dagen na de lancering zal Solar Orbiter zijn instrumenten en verschillende antennes inzetten die met de aarde communiceren en wetenschappelijke gegevens verzamelen. Solar Orbiter zal de mensheid de allereerste beelden van de polen van de zon tonen. Hij komt maar liefst 22 keer vlakbij de zon. Tijdens de cruisefase van de missie, die duurt tot november 2021, verzamelen instrumenten van het ruimtevaartuig wetenschappelijke gegevens over de omgeving rond het ruimtevaartuig, terwijl de telescopen zich richten op de voorbereiding van wetenschappelijke operaties in de buurt van de zon. Om de benodigde snelheid te krijgen zullen Venus twee keer en de aarde een keer het ruimtevaartuig een soort opzwieper geven. Uiteindelijk zal de Solar Orbiter een baan krijgen die niet meer is uitgelijnd met de evenaar van de zon waar de aarde en de andere planeten ronddraaien. Ruimtevaartuigen gelanceerd vanaf de aarde blijven normaal gesproken in dit vlak, wat betekent dat telescopen op aarde en telescopen op satellieten een beperkt zicht hebben op de noord- en zuidpool van de zon. Dat zicht hebben we dan nu met deze solar orbiter voor het eerst wel.

De aarde wordt beschermd door de ozonlaag. Daardoor worden de uitbarstingen in de corona van de zon geheel of deels onschadelijk gemaakt. Want de schade kan enorm zijn. De aarde die nu 4,5 miljard jaar oud is had niet altijd een ozonlaag. De vorming van die laag vond pas ruim een half miljard jaar geleden plaats. Het grootste deel van zijn leven was de aarde onbeschermd. Het eerste leven verscheen al ruim 3,5 miljard jaar geleden. Drie miljard jaar was dat leven dus onbeschermd tegen de zonnevlammen. Het leven bestond lang uit niet meer dan eencellige wezens, veel minder complex dan bacteriën. Pas als er wat blauwalgen zijn en ook de eerste levensvormen op het vasteland verschijnen, pas als de aardse atmosfeer voor een deel uit zuurstof gaat bestaan, dan begint ook de vorming van de ozonlaag. Een soort beschermende huid tegen de inslagen van de zonnevlammen. Waarschijnlijk ook dankzij dit afweermechanisme kan het leven zich vanaf dan meer veelzijdig gaan ontwikkelen.

De mens en andere zoogdieren hebben los van die ozonlaag ook hun eigen afweermechanismen. Bij aanvallen van buitenaf gaan er beschermingscellen aan de slag om de aanvallers het hoofd te bieden. Allerlei ziektes krijgen bij voorbaat al geen kans dankzij die verdediging. En als ze dan toch hun kans grijpen omdat het immuunsysteem de aanvallers nog niet goed kent, dan gaat het lichaam als een gek improviseren om de ziektemakers de baas te worden.

In het mooie artikel over het coronavirus in de wetenschapsbijlage van de Volkskrant van 7 maart 2020 trof me een zinnetje het meeste: virussen zijn misschien wel ouder dan het leven op aarde. Ouder dan het leven op aarde? Ja, dat kan omdat virussen in tegenstelling tot bacteriën geen levende wezens zijn.
“Ze zijn klein. Ontzettend klein. Nogal wat mensen denken dat een virus ongeveer hetzelfde is als een bacterie (allebei klein en kriebelig), maar in werkelijkheid verhoudt een virus zich wat betreft maat en complexiteit tot een bacterie als een roeiboot tot een vliegdekschip. Een bacterie is in essentie een klein beestje, maar een virus is niet meer dan een ingepakt sliertje erfelijk materiaal, met het opschrift: KOPIEER MIJ. Virussen vormen dan ook de onzichtbare hand achter allerlei biologische processen. Dat u zetmeel kunt verwerken, en dat het lichaam van vrouwtjeszoogdieren een baby gedoogt: het heeft te maken met subtiele genetische signaaltjes in het dna die virussen daar hebben aangebracht. Er zijn zelfs wetenschappers die denken dat het virus er eerder was dan het leven zelf: virussen vormen het canvas waarop het verhaal van het leven is geschilderd.”
Op onderstaande foto zien we een sterke uitvergroting van coronavirussen.

coronavirusdeeltjesMicroscoopbeeld van Montserrat Bárcena, LUMC (Volkskrant, 7 maart 2020)

Het begint allemaal als er wat virus in ons lichaam komt. Door inademing, via de ogen misschien: als je een tienduizendste van een millimeter klein bent, is er altijd wel een weg naar binnen. Eenmaal daar buitelen en zweven de virionen, zoals de virusdeeltjes formeel heten, door uw luchtweg. Tot ze beet hebben. Daarvoor gebruikt het coronavirus een van de bloembladachtige uitsteeksels die hem omringen en hem de naam ‘coronavirus’ bezorgen (naar de ‘krans’ van de uitsteeksels). Zijn ‘spikes’. Het virus tast ermee zijn omgeving af. Tot de spikes zich chemisch vastzuigen. Waarna het virus zich gewillig laat verpakken in een vetblaasje waarin de cel ook nuttige voedingsstoffen verpakt en naar binnen bubbelt, hup de cel in. Daar begint de cel, nietsvermoedend, het pakketje uit te pakken. Eiwitten stropen met talloze bezige handjes het vetblaasje van hem af en breken zijn buitenkant open. Totdat zijn onheilige inhoud vrijkomt. In de cellen van uw luchtwegen begint het coronavirus zijn enorme genoom te ontrollen. Geschreven in chemische codetaal, op een lange sliert erfelijk materiaal die biologen ‘RNA’ noemen. Slaafs beginnen de eiwitfabriekjes in uw cellen de bouwinstructies op het RNA te volgen. Zestien onderdelen knutselen ze tevoorschijn. Een werktuig van de duivel, zo zal al snel blijken. De virusonderdelen beginnen zichzelf aan elkaar te klikken. Tot er een enorm, ingewikkeld eiwitcomplex ontstaat. In uw cellen is het virus begonnen met de volgende fase. Een wonderlijke fase, goed te zien op microscoopfoto’s: het virus begint bellen te blazen. In de cel ontstaat een soort schuim. En dit is wat je dan overhoudt. We zien de besmette cel, of wat daarvan over is. Een uitgewoonde chaos, waarin van de afzonderlijke celstructuren weinig meer is te herkennen. Dat is niet alles, want ook aan de buitenkant van de cel kleven spikes. Met als gevolg dat cellen met elkaar beginnen te verkleven, voedingsmoleculen en signaalstoffen er niet meer langs kunnen en hele weefsels verziekt raken. Tot de cel zichzelf opblaast, wordt gesloopt door immuuncellen of er een bacterie langskomt om zich aan de zieke cellenpap tegoed te doen. U hoest: de bacteriën, het afval én de kerngezonde virusdeeltjes vliegen in het rond.

Virussen zijn strengsels RNA. Ze vormen de basis van het leven. Zonder virussen zouden wij er niet zijn. Maar virussen springen af en toe uit de band. Zoals de corona van de zon af en toe enorme hoeveelheden energie in de vorm van zonnevlammen het zonnestelsel in spuugt en processen op de planeet ontwricht. Bij een zonsverduistering zien we deze corona. Als een groot spektakel. We weten er nog niet voldoende van af, de Solar Orbiter is op weg om onze kennis te vergroten. Zoals talloze wetenschappers de virussen onderzoeken.
Veel meer informatie over het coronavirus kun je vinden in het complete artikel van de Volkskrant waaruit ik hierboven enkele fragmenten heb geciteerd.

 

 

Geplaatst in Astronomie, maatschappij | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Koffer

Boven stond een koffer. Een goede, mooie koffer, die in het vliegtuig als handbagage mee mag. Daar ging mijn oudste kleinzoon mee aan de haal. Hij wilde er mee naar Solor, en naar nog verdere oorden. Hij sleepte hem mee naar beneden en dacht na wat er allemaal in moest.
-‘Nee. Jij mag niet met deze koffer spelen en ook mag hij niet mee naar buiten.’
Ik zag hoe hij leuk bezig was maar ik wilde ingrijpen voor het te laat was. Er dreigde een groot kinderverdriet te gaan ontstaan.
-‘Wacht maar, Ik heb misschien nog wel een andere koffer.’

Die was er inderdaad en inmiddels hadden ook zijn broertje en zusje de smaak te pakken. Nu eens was het niet de zak van Sinterklaas die volgestopt werd met cadeautjes, nee, nu was het een reiskoffer. En ze stopten er van alles in. Zo gingen we met zijn allen op reis.

-‘Kunnen jongens ook vlechtjes hebben?’
-‘Ja, dat zie je soms wel eens. Maar niet zo heel vaak.’
Mijn vrouw maakte twee vlechtjes bij hem. Hij bekeek ze verguld in de spiegel. Zo kon hij wel op reis. Het was prachtig weer, een ideale middag voor een mooi tochtje.

kofferDe reis ging inderdaad naar Solor. Zo noemt hij het strandje naast ons huis. Hij mocht de koffer rollen, zijn broertje zou het op de terugweg mogen, zo spraken we af. Daar aangekomen begon de middelste met het uitpakken van de koffer. Aan alles was gedacht. Oma kreeg een mooie zonnehoed, er waren strandballen, er was een lievelingsknuffel, (altijd leuk aan het strand), er was een hijskraan voor je weet maar nooit, er waren treinen en er was nog veel meer. Ook was er gedacht aan eten. In de koffer zaten sinaasappels en tomaatjes.

plasWat een feest, er gebeurde van alles op Solor. Solor kreeg een fortificatie en af en toe werd er gepauzeerd. De jongste twee trappelden met hun laarsjes, de slotgracht moest immers goed diep worden. De meeste plannen kwamen van mijn oudste kleinzoon en hij praatte dan zo enthousiast dat de anderen als bijna vanzelfsprekend mee gingen doen. Maar als zijn broertje ook een ideetje kreeg dan was dat niet goed, want het paste niet in de film die hij al in zijn hoofd had en hoe alles verder moest gaan.

Toen de jongste natte voeten had ging ik met haar naar huis. Mijn vrouw ging met de andere twee de film afmaken. En achteraf hoorde ik hoe dat gegaan was. We waren ooit een keer op een pier geweest. Daar wilde hij nu weer heen. Alleen: toen was deze niet zo glad. Hij luisterde niet, want de pier van Solor hoorde bij zijn spel. En hij gaat zo sterk op in zijn spel dat hij voor geen enkele rede meer vatbaar lijkt. Gelukkig was hij zo voorzichtig dat het goed ging. Maar het blijft een probleem waar hij mee zal moeten leren om gaan. Zo ook als hij naar huis gaat op zijn fiets. Het laatste stuk zit hij in de film van een wielrenner en wil hij dus keihard rijden. Met het gevolg dat hij een keer al over stak op een punt dat we afgesproken hadden dat hij moest wachten. Ik was heel boos op hem en vertelde hem dat hij de volgende keer niet meer op zijn fiets mocht. ‘Nooit meer opa?’ –‘Nee, nooit meer’. Hij begon te huilen. Ik liet hem een tijdje huilen en legde nog een keer uit waarom ik zo streng was. –‘Zullen we het nog een keer proberen?’ Sindsdien gaat het goed en wacht hij keurig bij elke zijstraat. Zoiets zal bij de pier van Solor ook moeten gebeuren.

De laarzen gingen uit, de speelkleren in de was, de handen werden gewassen. Hij ging weer achter de piano zitten. Hé! Ik herkende het requiem van Evi. Dus toch! De vorige week nog wilde hij zijn eigen stuk niet spelen. Eerst moesten Bach, Mozart en Händel in zijn vingers zitten. Maar blijkbaar wilde hij het uiteindelijk toch. Het was een andere versie dan hij eerder zelf op een blaadje had geschreven, met eigen gemaakte muziekbalken en sleutels. Ik schreef ook deze voor hem op.

requiem2

Hij speelde het daarna van blad, maar toen hij het de tweede keer speelde klonk het alweer anders. Het requiem werd net als de ouvertüres Leonore van Beethoven bij elke versie  omgezet in een behoorlijk afwijkend stuk, er klonk opeens een tegenmelodie in de bas. Ook deze versie bleek tijdelijk, hij verzon weer wat anders. Beethoven schreef  vier versies als opening van zijn opera….

-‘Welke moet ik nu voor je opschrijven?’
-‘Moet die dan altijd hetzelfde zijn?
-‘Ja, composities zijn altijd hetzelfde. Die schrijf je op en dan worden ze precies zo gespeeld als dat ze opgeschreven zijn. Als je iedere keer weer iets anders speelt dan noem je dat een improvisatie. Dat kan ook. Maar die schrijf je niet op. Improvisaties zijn trouwens ook erg leuk hoor!’

Hier moest hij even over nadenken. Deze informatie wordt in een van zijn vele koffertjes gedaan. En dat koffertje neemt hij mee naar huis. Maar meestal blijft het daar niet lang in zitten. Misschien dat ik een dezer dagen weer iets te zien of te horen krijg, dat ooit in die koffer zat, maar waar hij opeens iets heel moois van heeft gemaakt!

Geplaatst in autisme | Tags: , | Een reactie plaatsen

Muzieknoten

Mijn oudste kleinzoon ziet op de piano muzieknoten staan en gaat deze “zogenaamd” ook spelen. Maar hij gaat ze ook zelf opschrijven, thuis of bij ons grootouders. Dat doet hij uit zijn hoofd, en dat doet hij dan ook op zijn manier: eerst trekt hij een aantal horizontale strepen, drie of soms meer. Hij tekent een vioolsleutel aan het begin, hij noteert soms ook voortekens. Maar veel stokken staan aan de verkeerde kant, de maatstrepen ontbreken en hij noteert toevallige voortekens die enharmonisch onlogisch zijn. Hij heeft over veel dingen nog geen idee.

-‘Opa, hoe klinkt dit?’

Ik speel het hem voor voor zover ik er wijs uit word en het bevalt hem. Hij schrijft daarna nog twee stukjes. Volgens mij heeft hij intussen wel een soort klank in zijn hoofd. Hoog-laag dat snapt hij.

Ik ben hem toch maar iets meer gaan uitleggen. En ik vroeg hem om een toonladder die ik had genoteerd op een velletje muziekpapier over te nemen. Boaring… Na vijf noten vond hij het welletjes. Ik herinner me hoe hij vroeger ging huilen als hij dacht dat ik hem wilde verbeteren. Dus ik blijf voorzichtig.

-‘Opa ik kan van alle kinderen het beste piano spelen toch?’
-‘Je kunt erg goed piano spelen, maar er zijn kinderen die nog veel beter kunnen spelen. Jij speelt met de verkeerde vingers en als je dat ook nog eens goed gaat doen dan kun je al heel snel nog veel beter spelen.’

Hij zei niets. Na een uurtje hoorde ik hem toonladders spelen. Toen kwam hij:
-‘Opa ik heb gespeeld met de goede vingers!’
-‘Ja, dat klonk goed. Fijn zeg!’

Zo ging het ook met de muzieknotatie op die dag. Hij ging opeens weer wat noteren en vroeg me:
-‘Is dit de hoge C?’
Het was de hoge F. Ik zag hem nadenken. Ik wilde hem nog aanwijzen waar die hoge C lag maar hij liep alweer weg.

Toen zag hij dat ik achter de computer met het muzieknotatieprogramma Sibelius bezig was. Hij kwam nieuwsgierig kijken. Ik besloot om iets in te spelen door middel van het pianokeyboard. Hij keek wel, maar vooral: hij luisterde. Ik speelde een stuk van de sonate facile van Mozart.

Na weer een tijdje begon hij op de piano, en later ook bij zijn ouders op het keyboard, met zijn linkerhand een Albertijnse bas te spelen, zoals bij Mozart! En met zijn rechterhand ging hij intussen wat improviseren. Geweldig! Hij leert vooral auditief, dat bleek maar weer.

Een van de stukjes die hij eerder noteerde had hij een naam gegeven. “Requiem van Evi”. Evi is een van zijn vlammen. Zo heeft hij nog twee of drie vlammen. En hij vindt het requiem van Fauré erg mooi. Dus maakt hij zelf ook een dergelijk stuk en noemt het “requiem”. Hij weet niet wat dat echt betekent, maar ik heb er een soort dodenmars van gemaakt door er een baslijn onder te zetten en door het tempo lekker laag te zetten. Wat pauken erbij en het effect is compleet. Hij vindt het mooi maar wil het niet zelf gaan spelen. Eerst wil hij nog Beethoven, Bach en Händel leren…

 

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: , , | Een reactie plaatsen

De Coda

In de tijd van de Weense klassieken – Haydn, Mozart en Beethoven – hebben een aantal muziekvormen zich ontwikkeld tot een soort standaard die meer dan een eeuw lang mee ging. De belangrijkste standaard is die van de sonatevorm. Het wordt niet voor niets ook wel de “Hoofdvorm” genoemd. Het model vond zijn weg in de kamermuziek, de symfonische muziek, de pianoconcerten en in nog veel meer genres. De componist die het meeste zijn stempel heeft gedrukt op deze vorm is Beethoven. En in zijn 32 pianosonates kun je heel goed ook de eigen ontwikkeling van Beethoven binnen dit genre zien. Bijna elk werk, meestal bestaande uit vier delen, begint met een deel in de hoofdvorm.

Vaak eindigt zo’n hoofdvorm met een staartje, de zogenaamde Coda. Voor Beethoven is dat een deel waarin hij zich lekker uitleeft. Oorspronkelijk was een coda een niemendalletje van slechts enkele maten dat lang niet in elke sonate aanwezig was, maar Beethoven maakt er iets van dat je in retorisch opzicht zou kunnen beschouwen als het hoogtepunt van het hele deel. Vergelijk het met een preek. De argumenten zijn opgesomd bij het eerste en het tweede thema, deze zijn helemaal uitgekauwd en doorgelicht in de doorwerking. Ze worden nog een keer voor het voetlicht gebracht in de reprise, maar dan verlaat je de kerk na nog enkele donderpreek-achtige waarschuwingen: ‘dus, waarde gelovigen, jullie begrijpen nu waarom je je zo en zo dient te gedragen!’ Dat laatste gebeurt in de Coda.

De Coda begint altijd verrassend. Daarvoor is er toegewerkt naar het einde, het stuk had al afgelopen kunnen zijn met de laatste slotzin van de reprise. Maar dan komt er opeens iets dat je niet verwacht, je gaat op het puntje van je stoel zitten. Alsof er nog weer een doorwerking komt, een bestanddeel dat we al gehad hebben. Maar dat blijkt slechts schijn. Uiteindelijk wordt dan ook de coda alsnog afgerond.

Kan een coda ook spannend zijn zonder dat je het voorafgaande gehoord hebt? Niet echt, een coda dankt een deel van zijn effect aan het verwachtingspatroon – hu, wat gebeurt er? – Maar er zijn coda’s die je bijna als losse stukken zou kunnen beluisteren en die ook dan nog het beluisteren waard zijn. In het late werk van Beethoven gaat het vaak om lange onderdelen, die inderdaad bijna een stuk op zich gaan vormen. Maar een begin in die richting zien we ook al in zijn jeugdwerk, zoals bij de coda van het eerste deel van de sonate opus 2.3. De vroege Beethoven is trouwens echt prachtig, je voelt zijn energieke zoektocht in het Walhalla van de muzikale vormen. Hieronder heb ik een een beschrijving gemaakt van deze coda. In het schema, waarin het dynamische verloop van het stuk aanschouwelijk is gemaakt, heb ik cijfers gezet. Deze cijfers corresponderen met de cijfers van de beschrijving. Met enige oefening kun je zo alles goed volgen.

coda

  1. De slotzin van de reprise is al bijna afgelopen, maar opeens komt er een onverwacht akkoord, een zogenaamd bedrieglijk slot. Een effect zoals bij Haydn in zijn symfonie met de paukenslag, iedereen die ingedut is wordt gelijk wakker geschud. En wat gebeurt er dan? Je hoort het akkoord nog nadreunen, intussen komt er een zacht geborrel van gebroken akkoorden, die steeds spannender worden,
  2. het worden verminderde septiem-akkoorden die op een onverwachte manier stijgend in elkaar overgaan.
  3. Dat leidt tot een nieuw hoogtepunt: je hoort een zogenaamd kwart-sextakkoord boven de dominant. Iedereen weet en voelt: nog twee akkoorden en het stuk is klaar, we wachten alleen nog op het dominant akkoord en de slot-tonica.
  4. Maar die dominant wordt heel lang uitgesteld, je hoort allerlei “wirwarrende” loopjes boven nog steeds dat kwart-sextakkoord.
  5. Als dan eindelijk een triller komt en daaronder de grondtoon van die dominant zijn we echt op het dominant akkoord aangekomen. Nu rest er nog slechts een slotakkoord. Maar in plaats van dat slotakkoord lijkt er een nieuwe reprise te komen die ingeleid wordt door een dalend chromatisch loopje.
  6. Ja hoor, daar is thema 1 weer terug. Al snel laat Beethoven nu weten: nee hoor, dit is niet weer een reprise, nu gaan we het toch echt wel afronden: we horen een steeds sneller wordende canon, die lijkt te gaan eindigen met een duidelijke slot-cadens: eerst een akkoord op de sub-dominant, dan een dominant akkoord: nu zal dan eindelijk toch die verlossende tonica komen… mis poes!
  7. Alweer een bedrieglijk slot, nu niet keihard, zoals de coda begon, maar juist heel zacht. Dan wordt de cadens opnieuw opgepakt met sub-dominant, kwart-sextakkoord op de dominant, het dominant akkoord zelf, en,
  8. hè hè, eindelijk daar is ie dan: een langgerekte, uitgesmeerde tonica,
  9. met nog een krachtige bevestiging van slechts twee akkoorden er achter aan: dominant-tonica!

Hieronder staat deze coda nogmaals, maar nu voorafgegaan door de niet afgemaakte slotzin van de reprise. Zo kun je horen hoe de coda is ingebed in het geheel.

Het hele deel, en de volgende drie delen van deze sonate, vind je hier, gespeeld door Daniel Barenboim

Geplaatst in muziek | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Goudblonde lokken

Totdat ik naar het conservatorium ging zat ik alleen op jongensscholen. En als je dan in de puberteit kwam dan veranderden meisjes opeens van mensen in engelen. Zo fietsten we terug van school naar huis. Met een groepje jongens. Maar niet die dag. Toen fietsten daar opeens twee meisjes, net voor ons. O wat waren ze mooi, nee, ze waren beeldschoon, ik kon mijn ogen niet van hen af houden. Vooral dat haar. Goudblonde lokken. Hun ogen zag ik niet. Daar durfde ik niet naar te kijken. Maar het waren vast engelen-ogen die niet konden jokken.

Ik begrijp dus mijn oudste kleinzoon wel. Als we naar de speeltuin gaan hoopt hij dat er meisjes van zijn leeftijd zijn. En dat moeten meisjes zijn met lange haren. Die vindt hij veel leuker dan jongens. Dat zegt hij dan ook openlijk. Nu wil hij zelf ook lijken op zo’n mooi meisje. Gisteren ging hij naar boven en haalde daar de klerenkast van mijn vrouw overhoop. De vloer lag bezaaid met kleren. Uiteindelijk had hij iets bruikbaars gevonden. Over zijn hoofd had hij een broek getrokken, de pijpen hingen als lange meisjesharen achter hem aan.

Soms zou je wel eens willen weten wat er allemaal omgaat in het hoofd van een kind. Bij hem is dat vrij makkelijk want hij speelt zijn gedachten uit, het wordt een film zonder scherm. Hij woont tegenwoordig op Solor. Solor heeft als hoofdstad Schoonhoven. Wij wonen meer aan de rand, bij de zee. Solor is immers een eiland. We moeten uitkijken want als het vloed is dreigt Solor onder water te lopen. Vooral waar wij wonen, daar kan dat gevaarlijk worden. In een niet aflatende stroom van enthousiaste verhalen heeft hij me gisteren verteld over het ontstaan van Solor. Over hoe er mensen gingen wonen, eerst in grotten. Hoe er allerlei uitvindingen werden gedaan. Hoe Solor twee wereldoorlogen te verduren kreeg en alle huizen compleet vernietigd werden. Maar hoe er daarna weer nieuwe huizen gebouwd werden. Alle huizen van Solor waren van na die tijd. Ook was er nu asfalt wat alles een stuk gemakkelijker maakte. Hij hield een monoloog van een half uur, van ons huis tot bij zijn eigen huis en eindelijk thuis gekomen was hij nog niet klaar. Ik zei:
-‘Over het ontstaan van Solor kun je volgens mij wel tien tekeningen maken.’
-‘Och man, wel honderd’, antwoordde hij.

Uiteindelijk tekende hij niet Solor maar een trein die net onder het half-open viaduct vlakbij Abcoude reed. Als je daar in die trein zit en de zon schijnt dan zie je wel tien lichtflitsen achter elkaar: licht-donker-licht-donker- licht-donker-licht-donker… Ik keek naar zijn tekening. Hij werd nu ook in mijn fantasie steeds mooier. In mijn gedachten leken de goudblonde lokken van de meisjes, die vast ook in die trein zaten, steeds meer te gaan schitteren.

abcoude

Geplaatst in autisme | Tags: , | 1 reactie