Verjaardag in de duinen

Het was koud, nog een beetje winderig, maar er was ook veel zon in de duinen van Oostvoorne. Nog steeds zag ik Maartse viooltjes maar ook was er de kruipende Ooievaarsbek, het klein Kruiskruid, de kleinste Vergeetmijniet, de Pinksterbloem en er waren nog veel meer lentebloeiers. Ook was er veel te horen, ik geniet vooral ook altijd zo van de geluiden van de eerste insecten. Al die natuurgeluiden veroorzaken een weldadige rust. Lekker in de zon tegen een helling aan lunchen, wat wil je nog meer op je verjaardag! Ik heb als achtergrond bij onderstaand filmpje de muziek van een eigen compositie geplaatst.

Geplaatst in natuur | Tags: , | Een reactie plaatsen

Het paaslam

Leven is een bijproduct bij het in evenwicht brengen van de waterstof-koolzuur-huishouding. Deze stelling las ik een tijd geleden en ik schreef er een blog over. Leven zorgt dus voor evenwicht. En wat gebeurt er met het leven als een systeem uit zijn evenwicht komt? Dat gebeurt voortdurend en is ook in het verleden al heel vaak gebeurd. Sommige onevenwichtigheden zijn van korte duur en de balans is snel hersteld. Als ik iets heb gegeten dat mijn maag en darmen niet goed aan kunnen krijg ik daar last van. Het lichaam probeert het naar buiten te werken of op zijn minst de schadelijke elementen te neutraliseren. Ik voel me weer beter. Het systeem is weer in evenwicht. Een groot verschil in luchtdruk maakt dat het gaat waaien. Stormen herstellen het evenwicht. Waarom trokken veel volkeren die in onze streken woonden rond het jaar 400 weg? Het klimaat werd zo slecht dat er te weinig voedsel was. Na zo’n tweehonderd jaar werd het weer beter en kwamen er weer mensen hier wonen. Zo ging het ook in de ijstijd, alleen toen gebeurde dat op nog veel grotere schaal en duurde het veel langer voordat bepaalde gebieden weer bewoonbaar waren. Er zijn tijden geweest dat vrijwel al het leven uitgestorven was doordat de omstandigheden veranderd waren. Miljoenen jaren was er dan nauwelijks leven. Maar er kwam steeds weer een nieuw evenwicht.

Was dat niet de beste tijd voor de aarde? Leven was soms blijkbaar niet echt nodig. Het bijproduct van de waterstof-koolzuur-huishouding, “leven”, was dan niet relevant. De aarde kon heel goed zonder. Maar sinds het eerste leven is leven toch onderdeel van dat grote systeem gebleven, hoe latent ook. En bij dat systeem hoort ook de dood.  Als onderdeel van dat evenwicht is het leven eindig om ruimte maken voor nieuw leven.

We bezien alles vanuit ons beperkte gezichtsveld. We denken en redeneren vanuit de mens. Als je enigszins probeert om wat ruimer te kijken dan moet je wel zien dat de mens slechts een kleine onbeduidende schakel is in deze evenwichtshuishouding. We weten nu hoe virussen, die al bijna net zo lang bestaan als de aarde zelf, misschien wel veel belangrijker zijn en een veel groter aandeel in die huishouding hebben dan zoogdieren of mensen. Maar we kunnen ons nauwelijks verplaatsen op het niveau van een virus. Ik denk dat virussen een van de belangrijkste onderdelen van de levensader van de aarde zijn. Heel veel processen in ons lichaam kunnen niet zonder. Eigenlijk heeft elk wat complexere vorm van leven virussen nodig. En daarbij horen denk ik ook virussen waar we ziek van worden. Voor het individu is dat vervelend (zoals een kikker die wordt opgegeten door een reiger), maar voor het systeem is het van belang.

Dit kunnen wij alleen maar accepteren als we de dood accepteren als iets dat er bij hoort. Maar dat kunnen wij moeilijk. In de tijd van Bach draaide het in de teksten die in de kerk werden gezongen of gesproken voornamelijk over het accepteren van de dood, maar ook over het verlangen naar een leven na de dood. Door deze aanname konden we de dood accepteren, ja er zelfs naar uit zien. Dat leven na de dood kon men niet beschrijven. Het was een metafysische aanname van een hogere werkelijkheid.

Die mogelijke werkelijkheid ervaren we soms. Door middel van kunst. Vooral door muziek. Het opgaan in en ervaren van muziek maakt dat sommige mensen voelen dat er net iets meer is. Misschien zijn we op dat moment voorbij de primitieve menselijke waarneming gestapt, ja zijn we wellicht dichtbij het begrijpen van het leven zelf.

Bij de cantate „Christ lag im Todesbanden, BWV 4“ van Bach gaat het volgens John Eliot Gardiner om de overwinning op de dood. Dit kun je veralgemeniseren, bij het Christendom is het Christus die dat doet door met Pasen uit de dood op te staan. Het hele proces wordt in deze cantate in 7 strofen geschilderd, als een verhaal. In strofe 5 horen we de volgende tekst:

Hier ist das rechte Osterlamm, davon Gott hat geboten, das ist hoch an des Kreuzes Stamm in heißer Lieb gebraten, das Blut zeichnet unsre Tür, das hält der Glaub dem Tode für, der Würger kann uns nicht mehr schaden. Halleluja!

Hier zie je het ware Paaslam, aan wie God de opdracht heeft gegeven, om zich hoog aan het kruis te laten braden, het bloed wijst ons de deur, die het geloof de dood een halt toe roept, de wurger kan ons niets meer aandoen. Alleluia!

Er is ons een weg gewezen om beter met de dood te kunnen omgaan. Het paaslam wordt ons tot voorbeeld van de verlossing gemaakt.

Dit deel van de cantate begint met een chromatische lijn in de bas die onmiddellijk doet denken aan de beroemde lamento van Purcell in Dido en Aeneas. Daar ging het om het verdriet van Dido, hier gaat het om het drama van de kruisiging.  De tekst legt een mystiek verband tussen het offer van een lam en de dood van Christus aan het kruis. Het symbool van het kruis wordt het symbool van de overwinning op de dood. In de tekst staat dan “Das Blut zeichnet”, letterlijk “het bloed tekent”. Bach laat deze tekst drie keer zeggen, God de vader, de Zoon en de Heilige Geest, intussen wordt er muzikaal door sprongen een kruisteken “getekend”.

Het kruisteken dat de dood (de duivel) overwint wordt ook daarna nog op een iets andere manier weer een aantal keren uitgebeeld. We horen het kruisteken eerst in de bassen, dan in de violen. (Zie bij het fragment van de partituur hieronder de noten in het rood) Met vervolgens een enorme sprong (octaaf+verminderde kwint) naar beneden, gevolgd door een zeer lang aangehouden uiterst lage toon wordt de te overwinnen dood muzikaal nadrukkelijk uitgebeeld. Luister eerst even naar dat stukje:

Dan volgt de tekst waarin de duivel (de wurger) is overwonnen en het hallelujah klinkt. Luister hier onder naar de volledige strofe 5 van deze cantate, die zoals gezegd begint met de chromatische baslijn die aan Purcell doet denken.

De hele cantate is bijzonder de moeite van het beluisteren waard. Het is een van de vroegste werken van Bach, maar deze cantate heeft misschien nog meer diepgang dan zijn beroemde passiemuziek. Als ik er tijdens het luisteren helemaal in op ga denk ik iets te ervaren dat verder gaat dan de zichtbare werkelijkheid, iets dat misschien wel voorbij de dood reikt. Luister hier naar de volledige cantate met zijn zeven strofen, die stuk voor stuk op een andere manier zijn uitgewerkt, maar wel op basis van dezelfde koraalmelodie.

John Eliot Gardiner , het Monteverdi choir en The English Baroque Solists
1. Sinfonia
2. (Coro) Christ lag in Todesbande 1:24
3. (Sopran, Alt) Den Tod niemand zwingen kunnt 5:21
4. (Tenor) Jesus Christus, Gottes Sohn 10:57
5. (Coro) Es war ein wunderlicher Krieg 12:41
6. (Bass) Hier ist das rechte Osterlamm 14:28
7. (Sopran, Tenor) So feiern wir das hohe fest 18:51
8. (Choral) Wir essen und leben wohl 20:31​

Geplaatst in filosofie, muziek | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Paasconcert

Al weken leefde hij er naar toe. Aan zijn orgeldocent vroeg hij:
-‘Ga jij ook een paasconcert geven?’
-‘Ja zeker. En jij dus ook. Wordt dat gestreamd?
Mijn kleinzoon keek me vragend aan.
-‘Nee, het wordt niet live uitgezonden, maar ik neem het wel op. Ik zal je een link sturen’ zei ik tot zijn docent.
-‘Wat gaan we vanavond eten opa?’

Alles moest echt zijn. Samen met zijn moeder maakte hij een uitnodiging die per post werd verzonden:

Uiteindelijk wist zijn moeder het een en ander tot drie stukken terug te brengen. Wel echte paasnummers, zoals het Hallelujah van Händel. Maar het moest nog steeds zo echt mogelijk lijken. Zijn moeder zou het concert aankondigen dus kon ze niet tegelijk ook filmen, dat was een heel andere rol. Dat deed ik dus. En dan was er nog de registrant, zijn zusje waar hij dat vaker mee doet. Zo waren de rollen verdeeld. Het orgel stond zoals in een kerk boven en de mensen zaten beneden in de kerk. In de hal beneden werd een rij stoelen voor het publiek geplaatst. Als je omhoog keek zag je wel de orgelpijpen maar niet de organist, alles was zoals het hoort.

De registrant had er eigenlijk al niet veel zin meer in en een deel van het publiek, broertje, vond het te lang duren. Hij liep midden in het concert naar de organist. Een boze uitval “sjjjt, sjjjt!” en een nog bozere blik, allebei van de organist, en daarnaast een vermanende hand van de opnametechnicus wisten de indringer tegen te houden. De registrant had aan het begin van het concert de handen vol aan haar stoel waar ze op moest zitten want die was kapot. Tijdens het eerste muziekstuk werd het meubelstuk door haar vakkundig gerepareerd waardoor ze wel helaas een registratiemoment moest missen. Dat loste de organist gelukkig zelf goed op. Het was Pasen en het laatste stuk, het Hallelujah werkte erg aanstekelijk. De registrant ging playbackend meezingen! Ze vond de muziek prachtig, dat kon je goed aan haar blik zien. En op het einde ging ze zelfs meespelen, niet op het echte orgel natuurlijk, maar ze speelde in de lucht virtuoos alle passages mee. En toen het concert was afgelopen liepen de organist en registrant naar de voorkant van het orgel waar het publiek hen kon zien. Er volgde een daverend applaus en beiden maakten een buiging.

Omdat alles uiteindelijk toch redelijk was gelopen zoals de organist het van te voren in zijn hoofd had gehad was het ook voor hem een goed concert geweest. Dat had zomaar compleet anders kunnen zijn. Het blijft spitsroeden lopen. De registrant vertelde trouwens ook nog iets over het concert:

Er werden die middag drie stukken gespeeld: de Toccata in F en de Toccata en fuga in D mineur van Bach en het Hallelujah uit de Messiah van Händel. In onderstaande opname hoor je alleen de Toccata in D mineur. En het moet gezegd: wat we allemaal muzikaal te horen kregen was soms behoorlijk spectaculair! Het originele concert duurde 18 minuten. Veel luisterplezier!

Geplaatst in autisme | Tags: , | 1 reactie

Gerendal

Het Gerendal in Zuid-Limburg is bekend vanwege de veel soorten orchideeën in mei en juni. Daarvoor was het nu nog te vroeg. Ik wandelde van Oud-Valkenburg naar Gulpen en langs een iets andere route weer terug. Het was bijzonder warm. Het werd in de loop van de middag 24 graden. Ik zag een dassenhol, veel vogels en insecten en allerlei voorjaarsbloemen zoals de bosanemoon en het maarts viooltje. En er waren veel lammetjes bij de boerderij van Natuurmonumenten. Ik genoot vooral ook van de rust en de vogelgeluiden. En ik wist een koolmeesje boven op een holle boom te betrappen met mijn camera.

Geplaatst in natuur | Tags: , , , | 4 reacties

Torquato Tasso en Claudio Monteverdi in 1590

Wat lijkt het alweer lang geleden dat we wandelden in de bergen. Genietend van het geluid van beekjes en de geuren in de frisse alpenlucht. Vooral Oostenrijk en Noord-Italië waren in het verleden favoriet. Vooral omdat je van daaruit ook nog eens mooie uitstapjes kunt maken naar cultureel gezien interessante plaatsen.

Meer dan twaalf jaar geleden was ik in de zomer met mijn vrouw in Mantua. Eerst waren we ook toen in de Alpen, maar toen we doorzakten naar het zuiden was er van die heerlijke atmosfeer in een klap niets meer over. Het was er snikheet en het stikte er van de muggen. Desondanks hebben we ook in Mantua toch nog van veel dingen kunnen genieten. Maar in eerste instantie was het balen. We namen een hotelkamer in het centrum en we hebben er nauwelijks een oog dicht gedaan.

Mantua was hier rond 1600 al berucht om. Het ligt in een moerassig gebied. Het grootste deel van de stad is een soort eiland tussen meestal traag stromende brede rivierarmen die op weg zijn naar de rivier de Po. De atmosfeer is er ook volgens Monteverdi, die lange tijd verbonden was aan dat hof, niet gezond. Toen hij in 1612 na de dood van zowel zijn vrouw en daarna zijn baas, de hertog, werd ontslagen, was hij daar niet rouwig om. Een jaar later had hij een veel betere baan in een stad met een gezond klimaat: Venetië.

Maar toch heeft hij het 22 jaar uitgehouden in Mantua en toen hij er net was aangekomen als jonge man ontmoette hij daar de dichter Torquato Tasso. Deze dichter was in zijn tijd al beroemd en inmiddels was hij 46 jaar oud. Hij zou trouwens nog maar vijf jaar te leven hebben, en dat leven bleef tot het einde zeer onrustig. Hij heeft zijn hele leven aan veel verschillende hoven vertoefd zoals aan dat van Urbino en Ferrara, maar ook heeft hij zeven jaar in een krankzinnigengesticht gewoond en toen hij dat eindelijk verliet ging hij naar Mantua. Daar bleef hij van 1586 tot de herfst van 1587, zijn eeuwige onrust dreef hem weer naar andere plekken. In 1590 keerde hij nog even terug naar deze stad. Toen zal hij er ook Monteverdi die er net pas werkte hebben ontmoet.

Heeft deze korte ontmoeting geleid tot het madrigaal “Ecco mormorar l’onde”? Het zal niet de enige uitwerking van gedichten van Tasso blijven die Monteverdi maakte. Hij zette ook een deel van diens meest beroemde werk Gerusalemmo Liberata op muziek in “il Combattimento di Tancredi  e Clorinda”. Maar ik wil het nu hebben over een madrigaal uit de bundel die Monteverdi in 1590, het jaar waarin hij Tasso ontmoette, schreef. Het madrigaal “Ecco mormorar l’onde” staat bol van allerlei natuurbeschrijvingen, maar die indirect, net als bij Petrarca, ook weer slaan op zieleroerselen. Het gedicht stamt uit een groep gedichten die gewijd zijn aan Laura Peperara, een rijke koopmansdochter op wie Tasso verliefd was.

Ecco mormorar l’ondeHoor hoe de golven kabbelen
E tremolar le frondeen het beven van de bladeren
A l’aura mattutina e gli arborscellien de struiken in de morgenwind
E sovra i verdi rami i vaghi augellien hoe op groene takjes de lieflijke vogels
Cantar soavementebetoverend zingen
E rider l’oriente:en het oosten lacht:
Ecco gia l’alba apparekijk, het morgenlicht komt al tevoorschijn
E si specchia nel mare,en spiegelt zich in de zee
E rassenera il cieloen licht de hemel op,
E le campagne imperla il dolce geloen de zoete morgendauw strooit parels over het veld
e gli alti monti indora.en verguldt de hoge bergen.
O bella e vaga aurora,O mooie, lieflijke dageraad,
L’aura e tua messaggera, e tu de l’aurade wind is jouw bode, en jij bent de wind
Ch’ogni arso cor ristaura.die elk brandend hart verkwikt.

Het gedicht is prachtig in zijn eenvoud. Na het eerste “ecco” zien we vier werkwoordsvormen in de infinitivus: mormorar, tremorar, cantar en rider. Na het tweede ecco komen uitsluitend werkwoordsvormen in de tegenwoordige tijd: appare, indora. Het derde deel van het gedicht richt zich via “o bella aurora” indirect op de naam Laura, de geliefde van Tasso, via twee maal het woord “l’aura” (de wind). Maar subtiel werd “l’aura” al geïntroduceerd in het begin (regel 3). De woorden met vooral de prachtige alliteraties en consonanties zijn op zich zelf al dragers van poëzie. (mormorar-tremolar, l’onde-fronde, arborscelli-verdi-rami-vaghi-augelli enz.) Er is van het begin tot aan het einde sprake van eindrijm; aa, bb, cc enz. maar er is geen vaste versvoet. Ook symmetrie in zinsbouw wordt vermeden: het werkwoord staat soms vooraan in een zin, soms achteraan.

De muzikale uitwerking van Monteverdi (je hoort hier als uitvoerenden de leden van Concerto Italiano in een opname uit 1994) sluit prachtig aan op het gedicht. Heel subtiel begint het madrigaal eenstemmig in een laag register: het gekabbel van de golven. Het lied wordt opgebouwd naar een hoger register, er komen meer stemmen bij. Bij het woord l’aura (tevens de geliefde van Tasso) schiet de muziek nadrukkelijk met lange tonen de hoogte in. Monteverdi maakt een opvallende scheiding in zijn madrigaal: na de derde regel van het gedicht. In dit volgende tweede deel wordt bij “cantar” het zingen van de vogels uitgebeeld. Een iets kleinere maar vanuit de tekst meer verklaarbare scheiding zien we voor het tweede “ecco”. In dit deel zien we hoe bijv. het woord “cielo” (hemel) wordt uitgebeeld met een stijgende lijn en het woord “monte” letterlijk met een piek (langzaam stijgen en dalen). Het laatste deel “o bella” overlapt het vorige deel, maar scheidt zich wel af door de zetting, beginnend met een koraalzetting: drie stemmen met dezelfde tekst in hetzelfde ritme. Het woord “l’aura”, de woordspeling, wordt weer zeer nadrukkelijk neergezet. De laatste zin, feitelijk de apotheose van het gedicht, het “verkwikken van het hart”, wordt in een vijfstemmige koraalzetting als imposant slot neergezet.

Terug naar ons bezoek aan Mantua in 2008. De tweede dag van ons verblijf bezochten we het Palazzo Te, ontworpen door de beroemde renaissance architect Romano.

En dat was tegelijk een hoogtepunt. Een prachtig gebouw met schilderingen van de architect zelf, en wat voor schilderingen! Federico II Gonzaga besloot om van  Palazzo Te een oord van vermaak en plezier te maken, waar hij kon ontsnappen aan zijn officiële taken en waar hij heel wat tijd kon doorbrengen met zijn minnares, Isabella Boschetti, een adellijke dame van Mantua. We keken ons de ogen uit in al die zalen waar vooral allerlei godentaferelen waren te zien. En goden mogen bloot zijn.

Ik zal het eerlijk zeggen, toen ik deze bewuste zaal in liep voelde ik me gegeneerd. Je staat te kijken naar een grote penis gericht op een blote vrouw. (Hier heb ik hem kuis weggelaten.) De afbeeldingen waren levensgroot. En dat in het tegenwoordig zo preutse Italië. Maar ook toen zal het een feest zijn geweest voor iedereen die stiekem houdt van wat porno, en dat waren er in de hogere kringen heel wat. (Later zag ik ook een veel minder imposante maar wel vergelijkbare ruimte in het klooster van Melk, het was de slaapkamer van de de Oostenrijkse koning die hij had laten inrichten voor als hij rond Pasen in het klooster verbleef..)

Palazzo Te was natuurlijk voor de hertog zelf en zijn meest naaste hovelingen. Zouden Torquato Tasso en Monteverdi ook deze schilderingen hebben gezien? Ik denk het wel. Het paleis was immers ook de plek waar de meeste uitvoeringen van zijn muziekstukken en opera’s plaats vonden, daar en in de tuinen werd er regelmatig gefeest. In die tuinen moesten de decormakers de meest vernuftige installaties ontwerpen om bijvoorbeeld een deo ex machina te kunnen toveren. Maar in 1590 bleef het nog even bij het murmelen van de golfjes en de bladeren als Laura er aan kwam.

Wij gingen pas laat weer terug naar ons hotel. De stad was doodstil. Het Castello Giorgio, vlakbij de plaats waar we verbleven, was mooi verlicht. En zag er uit als in 1590. Het waaide niet. Waar was l’Aura?

Die vonden we toen we naar het oosten reden. Net als Monteverdi dat deed in 1613. In Venetië.

Geplaatst in Geschiedenis, kunst, muziek | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Aldebaran

Al enkele maanden staan ze aan de avondhemel en ze zijn niet te missen: de rode reus Aldebaran met vlak daarbij de rode planeet Mars. Twee opvallend enigszins rood gekleurde objecten. Mars dankt zijn rode kleur aan grote delen van het oppervlak, die bedekt zijn met stof en rood ijzeroxide. Maar hoe komt de ster Aldebaran aan zijn rode kleur?

Dat heeft met de oppervlaktetemperatuur te maken. De heetste sterren lijken blauw, de meer normale wit en de minst hete zien we als rode sterren. Een beetje zoals je ook kunt zien bij de verbranding van hout in een haard. Bij goede verbranding is de temperatuur veel hoger en de kleur van de vlammen wit of zelfs blauw, bij slechte verbranding is de kleur meer rood.

Waarom zijn sommige sterren minder warm? Wikipedia heeft er een mooi verhaal over. Een ster geeft tijdens de normale levensperiode energie af door de fusie van waterstof tot helium in de kern. Dit is de bron van warmte, energie en uiteindelijk ook van het leven op aarde. In de loop der tijd raakt het waterstof in de kern steeds meer opgebrand, waardoor het fusieproces in de loop der tijd minder wordt. Daardoor koelt de ster wat af en neemt de stralingsdruk in de kern af. Hierdoor trekt de kern onder invloed van haar eigen gewicht wat meer samen waardoor de temperatuur stijgt. Deze temperatuurstijging heeft tot gevolg dat er een waterstoffusie in een schil buiten de kern op gang komt. Een ster waar buiten de kern een fusieproces plaatsvindt, produceert meer energie dan daarvoor en zwelt enorm op: hij wordt een reus. Maar doordat door het opzwellen de oppervlaktetemperatuur daalt, wordt de ster tegelijk rood. Aldebaran is een dergelijke rode reus, dat wil zeggen: hij is aan het eind van zijn leven en daarbij is hij zowel aan het opbranden als aan het uitdijen. Dat proces duurt overigens miljoenen jaren. Hij is maar een klein beetje zwaarder dan onze zon maar hij is 45 keer zo groot.

Wordt onze zon ook een rode reus? Ja zeker. En net als bij Aldebaran is dat slechts een voorstadium van wat er na miljoenen jaren nog meer staat aan te komen. Ook bij onze zon zal zich over 5 miljard jaar steeds meer helium in de kern ophopen, die daardoor nog meer samentrekt en waardoor de dichtheid van de kern steeds hoger wordt. Als de kern een temperatuur bereikt van 100 miljoen kelvin gaat het helium in de kern fuseren tot koolstof. Het begin van deze fusie wordt heliumflits genoemd. De buitenste gaswolken drijven steeds verder weg en vormen een planetaire nevel. De rest (dus het inwendige) van de ster stort in elkaar en eindigt als een witte dwerg.

Bij veel zwaardere sterren vindt er op een gegeven moment een supernova-explosie plaats, en eindigt de ster uiteindelijk als neutronenster (pulsar) of als een zwart gat. Sterren met een massa groter dan 8 maal de massa van de zon worden superreuzen en de nog veel grotere sterren veranderen in een zwart gat.

Kijkende naar de hemel zien we dus een ster in een voorstadium van zijn eigen einde: zijn omvorming tot witte dwerg. In dat eindstadium zal Aldebaran waarschijnlijk niet eens meer met het blote oog te zien zijn. Nu is hij nog een van de meest heldere sterren aan de hemel.

Hij staat in het sterrenbeeld stier en in de oudheid werd deze ster gezien als het rode oog van de stier. Bij tekeningen van dit dierenriemteken zien we dan meestal een wilde stier met een gemene blik. Zoals hier in het astronomische programma Stellarium waarop naast de altijd aanwezige Aldebaran en het Zevengesternte (Pleïaden) nu ook Mars te zien is:

Gisteravond, en op onderstaande foto, was heel mooi te zien hoe niet alleen Mars dicht bij Aldebaran stond, maar ook de maan een conjunctie vormde met beide hemellichamen: met zowel Mars (rechts) als met Aldebaran (links). De maan had zich tussen de beide rode objecten in genesteld. Het rode oog van de stier, de zachte gloed van de weer groeiende maan en tegelijk de energieke blik van de rode Mars keken naar de aarde.

Even was alles nog heel helder, maar toen kwamen er zachte wolkenslierten. Het felle rood werd omgetoverd tot een mooie milde kleur, zoals hoort bij het einde van het leven. De Arabische naam Aldebaran betekent: “hij die volgt”. Bij het opkomen van de Stier zien we eerst de Pleïaden, dan volgt Aldebaran. Maar door de maan was Aldebaran voor mij nu meer een mooie grijsaard. En in het Nederlands klinkt de naam Aldebaran een beetje zoals hij er deze avond uit zag, iets van: “Alde Baran”, “Oude Baron”.

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , , | 3 reacties

Een beroemde organist

Mijn 7-jarige kleinzoon snelt met zijn vingertjes over de toetsen van zijn keyboard met daarop de klank van een kerkorgel. Hij speelt niet orgel, nee, hij speelt ook geen orgelmuziek, nee, hij speelt organist. Het stuk dat hij speelt is van Händel, de aankomst van de koningin van Sheba. Op de opname met Gert van Hoef die hij op Youtube beluistert duurt het stuk 4:06 minuten. Bij mijn kleinzoon duurt zijn uitvoering 4:19 minuten. Hij speelt het zonder bladmuziek. Maar hij voelt zich al spelende een groot organist, en daarom doet hij ook als een groot organist.  Hij leunt af en toe naar achteren, naar voren, hij knikt een beetje mee met de muziek en kijkt alsof de koningin elk moment kan arriveren.

Ik moest denken aan mijzelf toen ik op het conservatorium zat en aan mijn leraar vroeg: ‘denkt u dat ik een goede leraar ben?’ Ik studeerde Theorie der muziek en tegelijk ook Schoolmuziek en had ernstige twijfels over mezelf. Ik leerde fuga’s en motetten schrijven, alle mogelijke muziek analyseren, muziek componeren, uitsluitend dingen die ik heerlijk vond om te doen en die ik ook nog eens goed kon. Maar kon ik ook goed lesgeven? Hij kwam een keer bij me kijken toen ik les gaf op een basisschool.  Hij gaf me enkele nuttige tips. Maar toen ik hem vroeg:
-‘Denkt u dat ik een goede leraar ben?’ bleef hij even stil. Hij keek me nadenkend en peinzend aan en antwoordde na een tijdje:
-‘Ik denk dat je een goede leraar wordt.’ Ik was heel erg blij met zijn antwoord. Natuurlijk was ik geen goede leraar, nog niet. Ik moest nog veel leren. Maar hij zag blijkbaar potentie in me en omdat ik wist dat hij altijd eerlijk was, was ik zeer in de nopjes met zijn antwoord. Het stimuleerde me om nog meer mijn best te gaan doen om van alles te leren.

Zo vraagt mijn kleinzoon nu al af en toe aan mij:
-‘Opa, vind je mij een goede organist?’ Ik antwoord hem dan: ‘Ik denk dat je een heel goede organist zult worden.’ En dat meen ik. Feitelijk zijn de meeste stukken die hij speelt veel te moeilijk en te snel voor hem, maar daar trekt hij zich niets van aan, hij blijft in zijn rol. En intussen sta ik opnieuw verbaasd over zijn vingervlugheid en van het feit dat hij dat stuk van Händel compleet in zijn hoofd heeft zitten en op zijn gehoor speelt. Verder geniet ik van zijn creativiteit. Het stuk wordt op Youtube gespeeld op twee, soms nog meer manualen. Hij heeft tegenwoordig ook een tweede manuaal. Een klein speelgoeddingetje met twee octaven, met een vreselijk geluid. Het kreng is vals, maar vooral ook staat het ongeveer een kwarttoon hoger dan het manuaal van zijn echte keyboard. Maar het deert hem niet. Hij is organist en weet dat hij moet roeien met de riemen die hij heeft. En dit stuk hoort op minstens twee manualen gespeeld te worden. Hij is wat mij betreft en ook wat zijn leraar betreft echt toe aan een heus huisorgel. Omdat dit vanuit de orgelmethode een must is, maar ook: dan pas ben je een echte organist. Een organist is iemand die op twee manualen en ook nog eens virtuoos met twee voeten op  een pedaal speelt.

We stonden bij de Sint Jan van Gouda.
-‘Ik krijg hier orgelles.’ Twee toeristen, onder wie een Amerikaanse mevrouw gingen op hem in. Op het einde vroeg de meneer:
-‘Hoe is je naam? ‘ Hij noemde zijn naam.
-’Die zal ik onthouden. Als jij straks een beroemde organist bent dan weet ik dat ik je toen al een keer gesproken heb.’
De organist snelde naar binnen en begon onmiddellijk op het al gereed staande orgel te improviseren. En wat voor een orgel! Het Moreau orgel! Dan word je vanzelf wel een beroemde organist.

Geplaatst in autisme | Tags: , , , , , | 2 reacties

Weerribben

Afgelopen weekend waren we in delen van Drenthe en Overijssel. Bij Frederiksoord volgden we de monumentenroute. Aan de hand van allerlei nog bestaande gebouwen uit de negentiende en twintigste eeuw kregen we een beeld van wat er in die tijd werd gedaan met armen en bedelaars uit de grote steden van het westen van het land. Ze kregen een heropvoeding in een kolonie, gesticht door de Maatschappij van Weldadigheid. Er werd een grote nederzetting, een zogenaamde proefkolonie, uit de grond gestampt: Frederiksoord. Zij die er geplaatst werden moesten verplicht elke zondag naar de kerk, mochten de “kolonie” niet uit zonder toestemming, er werd een eigen munt geslagen die alleen geldig was binnen de kolonie en er moest hard gewerkt worden. Woeste heidegronden werden ontgonnen en er werd gewerkt in dienst van de kolonie op een boerderij. Het was nog net geen gevangenis maar dat veel mensen het wel zo ervoeren wordt duidelijk als je ook leest dat mensen soms “ontsnapten” en dan buiten de kolonie ergens op de hei binnen een nacht een plaggenhut bouwden en er een vuur in maakten. Als ze dat voor elkaar kregen en er rook uit de schoorsteen kwam dan waren ze vrij man. Zo leerden we vroeger op school dat mensen in Drenthe in plaggenhutten woonden en het was deels nog eens waar ook.

Iets meer naar het oosten, waar nu de Weerribben zijn, in de kop van Overijssel, was in die tijd laagveen. Daar werd turf gestoken. Aan het begin van de twintigste eeuw was al dat turf op en was het hele gebied verworden tot een nat moeras. Als je dat zo zou laten zou het vrij snel eerst een broekbos worden, daarna steeds droger worden en uiteindelijk zou het helemaal verbossen. Dat vonden veel mensen zonde, want juiste dat natte gebied vond men mooi en werd als aantrekkelijke natuur gezien. Dus nu wordt het beheerd door Staatsbosbeheer die er wandel- en fietspaden in heeft laten aanleggen. Er wordt regelmatig water in gepompt om het nat te houden. Er staan op veel plaatsen borden met uitleg. Turf steken was zwaar werk, dat wordt je al snel duidelijk. Maar nu, in 2021, eind februari op een mistige ochtend is het er heerlijk. De eerste zangvogels lieten al van zich horen, naast natuurlijk watervogels als ganzen.

Geplaatst in Geschiedenis, natuur | Tags: , , | 1 reactie

Mijn KPN

Pff. Het internet is nu toch wel supertraag. Er bestaat gelukkig een KPN speedtest. Ik ga een meting doen.
“0,2 upload, 10,1 download.” Dat is behoorlijk laag.
Geen nood. De KPN heeft een servicetool om het probleem op te lossen. Ik volg de online aanwijzingen en intussen wordt er in mijn huis op afstand van alles gedaan. Na 5 minuten zie ik de volgende tekst op het scherm: “het signaal naar binnen is goed, maar in uw huis heeft u een blokkade. U heeft waarschijnlijk een betalingsachterstand. Zet de computer uit, betaal via Ideal en na twee uur heeft u weer een prima werkend internet.”

Dat kan toch niet waar zijn! Mijn abonnementskosten worden altijd automatisch afgeschreven. Toch maar controleren. Ja hoor. Alles is keurig betaald. Dan nog maar een keer de tool gestart. De uitkomst is hetzelfde. Er wordt nogmaals aan mij verzocht om te betalen. Wat een servicetool! Ik ga hen maar eens opbellen.

Waar vind je in godsnaam het telefoonnummer van de klantenservice van de KPN? “Mijn KPN” heeft een onderdeel “contact”. Klik. “Over welk onderwerp wil u een vraag stellen?” Uiteraard krijg ik nu een submenu. En een submenu van een submenu. Kortom, je moet door een woud van vragen heen maar je krijgt op geen enkele manier een telefonisch contactnummer.  Dat kan blijkbaar niet via “Mijn Kpn” en het menu-onderdeel “contact”. Door de lockdown is ook de KPN blijkbaar compleet contactloos. Maar, wacht eens even! Ik heb toch al eens contact gehad met deze firma, jaren geleden? Ik pak mijn telefoon erbij. Warempel, het nummer van KPN staat gewoon in mijn telefoon!

Ik bel enthousiast het bewuste contactnummer. Het bestaat nog! De telefoon gaat over. Maar helaas, mijn enthousiasme wordt al snel weer gedempt. Het online-verhaal lijkt zich te herhalen. Eerst willen ze weten waarover je belt, “wat is het probleem?” Het probleem heeft te maken met internet. Duidelijk. Je krijgt een volgend menu. Ik toets een 2 bij “niet goed functionerend internet”. Er volgen nog een aantal submenu’s. Druk op… enzovoort. Uiteindelijk wordt het probleem opgelost: “er wordt nu een SMS-je met een link naar je gestuurd hoe je het probleem kunt oplossen.” De verbinding wordt vervolgens verbroken. Sjjj. Ik kijk op mijn telefoon naar de link en vrees het ergste. Ik tik deze link in op mijn PC. Ja hoor! Ik wordt verwezen naar de servicetool die ik al eerder gebruikt heb en die toen opleverde dat ik moest betalen vanwege een betalingsachterstand! Ik overweeg om in contact te treden met Kassa of een ander consumentenprogramma. Maar koppig ga ik het nog anders aanpakken En slimmer. Ik ga ze domweg beduvelen. Ik veins dat ik iets ga kopen, bij KPN. Ik bel ze dus weer, maar nu niet met een klacht! Ik wil iets waar ze wellicht geld aan kunnen verdienen. Ik laat hun een nieuw klant ruiken. Ja hoor. Ze trappen er in, de lijn gaat over.  Maar je bent er nog niet. Er is een wachttijd. Je kunt zelfs kiezen: wel of geen wachtmuziekje. O wat fijn. Géén muzak! Dat is het allereerste goede bericht van vandaag.

  • Goedemiddag, met de KPN, waarmee kan ik u van dienst zijn?
  • Ik heb uiterst traag internet, ik heb daarom de servicetool van KPN geactiveerd en ik kreeg te horen dat het signaal is geblokkeerd omdat ik niet heb betaald.  Dat klopt niet.
  • Naam, adres, geboortedatum? Momentje.
  • Duim duim duim.
  • Nee, er is inderdaad geen betalingsachterstand. Ik zal ook nog eens kijken naar uw signaal. Momentje.
  • Duim duim duim.
  • Nee, het signaal is inderdaad niet bijzonder sterk.
  • Ja weet u, ik woon in een buitengebied en ik heb daarom enkele jaren geleden een 4g-modem gekregen om het signaal te versterken. Dat werkte heel lang uitstekend, maar nu is de verbindingssnelheid weer belabberd. Eerst dacht ik, ach ja. Iedereen is door de lockdown in deze tijd online. Dat zal het wel zijn. Maar ik ben het inmiddels goed zat. Het is gewoon geen doen meer. Ook het TV-signaal valt trouwens herhaaldelijk uit.
  • U zei dat u een 4-g-modem had. Branden de lampjes van dat modem?
  • Ja ze branden, ik zal eens wat wiebelen. Oef nu gaan ze uit. Ja, ja.. nu gaat hij geloof ik weer herstarten. Ja hoor, de lampjes fikkeren weer, Ik zal even kijken of de kabeltjes goed vastzitten. Mmm, dat lijkt me allemaal goed. Ik ben bang dat er in het kastje zelf wellicht iets niet goed is.
  • Het lijkt inderdaad op een dergelijk probleem. Ik zal kijken wat ik voor u kan doen.
  • Momentje.
  • Duim duim duim.
  • Nee, ik heb gekeken of een dergelijk kastje opgestuurd kan worden. Dat kan helaas niet. Ze worden altijd door een monteur geplaatst. Zal ik dan maar een monteur voor u regelen?

Dat klonk allemaal goed. Een monteur! Graag natuurlijk! Dan moest het wel goed komen. Monteurs lijken gewone mensen. Maar dat zijn ze niet. Het zijn mensen met twee rechterhanden. Mensen die meten en weten en sleutelen en daarna “voor mekaar” zeggen.

De monteur kwam enkele dagen later en controleerde eerst het basissignaal van de vaste lijn. Dat bleek enigszins instabiel te zijn. Om verder te gaan moest hij in een verbindingskast verderop in de straat zijn. Na een tijdje kwam hij terug. Hij kon er niet bij. De deur van het kastje was dicht. Daar moest eerst iets voor geregeld worden. Hij maakte dus een vervolgafspraak.

Het duurde dan wel een halve week maar daar was de vervolgafspraak dan. In mijn e-mail las ik: Herinnering: morgen tussen 8 en 10 komt er een monteur bij u langs. Zorg dat u thuis bent en dat u ook telefonisch bereikbaar bent. De monteur draagt een mondmasker en verwacht van u dat u dat ook zult doen.

Om acht uur zit ik in de startblokken. Een schoon mondkapje ligt naast me. Ik zit vlakbij het raam en kijk naar de voordeur. Het is 9 uur. Het is 10 uur. Hij is te laat. Kan gebeuren. Het is 11 uur, 12 uur, 13 uur, 14 uur….

Ik bel weer het telefoonnummer van de KPN dat ik inmiddels vlekkeloos weet te vinden.

  • Is de monteur niet geweest? Heeft u een momentje?

Nu krijg ik ongevraagd toch het muzakmuziekje. Nou vooruit dan maar. Ik duim op de maat van het muziekje.

  • Bent u er nog? Ja, de monteur blijkt uit de planning gehaald te zijn. Ik weet niet waarom. Waar gaat trouwens het probleem over?
  • Ik heb traag internet. De monteur was er al eerder en had geconstateerd dat er een instabiele verbinding was en wilde dat vandaag komen oplossen.
  • Heeft u al een wifi-test gedaan?
  • Het gaat niet over wifi. Ik wil dat die monteur weer komt.
  • Dat kan ik eventueel wel regelen maar dan moet u 60 euro voorrijkosten betalen.
  • Wat zegt u? De monteur is uit de planning gehaald en nu moet ik opeens voorrijkosten betalen?
  • Ja als u niet eerst een wifitest hebt gedaan waaruit blijkt dat u slecht internet hebt komt u niet in aanmerking voor een gratis monteur.
  • Het gaat niet om de wifi, het gaat om de vaste lijn. En om een 4-g-modem die het volgens mij niet of niet goed doet.
  • Nee, u zult toch eerst de wifi-test moeten doen.
  • Mevrouw mag ik asjebliéf heel snel een monteur? Voor mijn part betaal ik voorrijkosten maar ik ga dan wel zo wie zo een klacht indienen.
  • Momentje, ik zal eens kijken.

Ik krijg alweer een muzak wachtmuziekje. Ik besluit om nu niet te gaan duimen maar als tijdverdrijf een online wifitest te doen. Met wat zoekwerk op mijn PC vind ik waar dat kan. Er volgt een test. De robot vraagt me: “hoe is de Wifi nu? Welk rapportcijfer geeft u het?” Ik geef de wifi een 2. Dan wordt er actie ondernomen. Het kpn-modem wordt op afstand gereset. De robot vraagt me ten tweede male: “welk rapportcijfer geeft u de Wifi nu?” Ik geef zonder nadenken nogmaals het rapportcijfer 2 (wat niet zo is maar wat maakt het mij uit). De robot is onder de indruk. Ja hoor! “U komt in aanmerking voor een gratis monteur!”

Net als ik die wil gaan regelen is de mevrouw van zo even na het ietwat eindeloze o zo irritante wacht-muzakje weer aan de lijn. Maar ik wil al niet meer horen wat ze te zeggen heeft, ik kan gewoonweg haar stem niet eens meer horen. Ze klinkt me als muzak in de oren. Ik vertel zo vriendelijk als me nog enigszins mogelijk is dat ik online al een monteur heb geregeld. Verbaasd wenst ze me een goede middag toe.

Ik regel vervolgens inderdaad online de monteur voor de volgende dag. Maar wat moet ik nu tegen die monteur morgen vertellen? De TV doet het sinds de keer dat de eerste monteur er naar gekeken heeft opeens weer uitstekend, zelfs “NPO-plus”,  dat voorheen vaker niet dan wel werkte. Deze monteur had de kabeltjes van de buitenverbinding opnieuw aan elkaar verbonden. Volgens mij was de storing die hij eerder gemeten had daarmee eigenlijk al opgelost. Maar mijn internet was nog steeds net zo traag: 0,2 upload en 10,1 download. Ik besluit om mijn 4-g-kastje los te koppelen en nog eens een keer een speedtest te doen, nu met alleen de vaste kabel naar mijn PC. Uitslag: precies hetzelfde! Het 4-g-modem doet dus helemaal niets. Daar zit dus inderdaad het probleem.

Op het 4-g-kastje stond een merk en een serienummer. Dat tikte ik in bij Google. Ik kwam onmiddellijk op een forum terecht. Dat puilde uit van de lotgenoten. En een slimme lotgenoot had inmiddels weten uit te zoeken wat er aan de hand was. Er is enkele maanden geleden een online upgrade geweest van de firmware van het betreffende 4-g-modem. Daarbij was bij iedereen het wachtwoord gewist en zonder wachtwoord deed het modem niets. Hij wist haarfijn uit te leggen hoe het probleem opgelost kon worden. Dat was niet supersimpel maar voor mij te doen. En wat belangrijker is: het werkte! Mijn snelheid verbeterde gigantisch. Met name de upload snelheid. Die was van 0,2 opeens gestegen naar maar liefst 15 MGb per seconde (45 keer zo snel) en de downloadsnelheid was zes keer zo snel, van 10 naar 60 Mgb per seconde!!

Ik heb opgetogen online mijn monteursafspraak weer afgezegd. Er werd niet om de reden van afzegging gevraagd. Die had ik hen graag gegeven. Ook kreeg ik geen tevredenheidsvraag naar aanleiding van bijvoorbeeld het telefonische contact. Ook kon ik nergens een klachtenformulier vinden. Vinden ze dat daar niet nodig? Volgens mij is de KPN streng calvinistisch. Als je recht in de leer bent dan kun je geen fouten maken. Waarom zou trouwens mijn monteur uit de planning zijn gehaald? Ik vermoed dat die niet bij de KPN paste. Hij was vast niet zo recht in de leer. Hij had bijvoorbeeld goddeloos geen mondkapje op toen hij kwam. Maar mijn goddeloze TV doet het dankzij deze atheïst weer. En dankzij een anonieme techneut heb ik nu weer snel internet. Ik zou de oplossing die mij hielp willen doorgeven aan de monteursbrigade van KPN. Maar dat kan nergens. Ook daarvoor is er geen formulier, niks.

O ja. Mijn telefoonnummer bleek ook nog eens het verkeerde te zijn. Ik had een bericht gekregen met de vraag of onderstaand telefoonnummer goed was. Zo nee, of ik dat dan op “Mijn Kpn” wilde verbeteren. In het berichtje stond mijn telefoonnummer, maar het bleek een telefoonnummer te zijn dat al jaren niet meer bestond. Dus ik naar “Mijn Kpn” om dat te herstellen. Maar wat stond daar tot mijn grote verbazing. Gewoonweg het goede telefoonnummer. Aanpassen leek me dus zinloos. Iets dat goed is pas je immers niet aan. Zal ik dit dan maar doorgeven? Telefonisch of zo? Wat vinden jullie?

Geplaatst in maatschappij | Tags: , , | 1 reactie

Pure en vrolijke tutti-tonen

Een en al blijdschap, of een en al verdriet. Bij mijn oudste kleinzoon is er nauwelijks een middenweg. Alles is extreem maar tegelijk zo puur. Het verdriet beperkte zich tot het moment van het afscheid na het logeerpartijtje, de blijdschap was er vrijwel steeds, twee lange dagen achter elkaar. Alleen werd deze onderbroken als hij in de verte een hond zag. Dan verstarde hij helemaal en werd hij een klein bang nietig hoopje. Ook die angst is dan zeer intensief. Praten helpt niet. Het is ook voor ons eng, hij heeft de neiging om zonder ook maar naar iets van het verkeer te kijken zomaar een straat over te steken. Dus gaan we maar zoveel mogelijk met hem mee in zijn denken.

  • ‘Kijk, hij is aan de lijn.’
  • ‘Maar kan hij dan niet komen snuffelen?’
  • ‘Als we wat dichterbij zijn kunnen we zo nodig even wat uitwijken.’
  • ‘Komt hij dan echt niet snuffelen?’
  • ‘Nee, hij komt dan echt niet snuffelen.’

En zo lopen we dan voorbij “man met hond.” Soms besluit ik ook al iets eerder samen met hem over te steken. En als het er naar uitziet dat bijvoorbeeld een loslopende hond echt niet ontweken kan worden dan til ik hem hoog op mijn schoot en hij klampt zich, zijn gezicht boven mijn hoofd, tegen mij aan. De hond ziet ons zoals gewoonlijk niet eens. Wij zijn voor honden totaal niet interessant. We ruiken niet naar hond. Honden zijn meestal alleen geïnteresseerd in andere honden.

Een ander gevaar is de tunnel. Bij station Spui en Grote Markt gaat lijn 3 van de HTM onder de grond.

  • ‘Waarschuw je me als de tunnel komt?’
  • ‘Ja hoor.’

Vlak voor de tram naar beneden gaat doet hij zijn ogen dicht en houdt ook nog zijn handen voor zijn ogen.

  • ‘Waarschuw je me als we weer uit de tunnel zijn?’
  • ‘Natuurlijk.’

Het zijn maar enkele minuten, ook dit stukje ellende is voorbij en het was gelukkig voor hem goed te overzien.

Maar het is een feest als hij in een toneelrol zit. De afgelopen jaren had hij vaak allerlei rollen. De rol van priester of bisschop, die van koning, die van astronaut, die van carillon-bespeler. Nu is hij meestal een professionele organist. En hij bespeelt dan het orgel in diverse kerken. Al die kerken hebben hun eigen pijp-orgel, met allerlei pijpen, orgelkasten, pedalen. Alleen: behalve op orgelles komt hij geen echt pijp-orgel tegen. Geen nood. Hij maakt zelf zijn orgel of fantaseert dat bestaande dingen bij zijn orgel horen. Zoals een wasrek en vooral klerenkasten met openslaande deuren. En om het nog wat echter te maken maakt hij van duplo dan nog aanvullingen. Thuis heeft hij de beschikking over maar liefst drie manualen. Een daarvan doet het echt, de andere twee staan er boven en laten het orgel er vooral wat meer echt uitzien. Het bespelen van zo’n orgel is één grote show. Hij imiteert vooral graag de grootse gebaren van organisten die hij op youtube heeft gezien. En vooral als hij tutti speelt voelt hij zich helemaal in zijn element. Hoe ziet dat uit? Wel, zoals op deze tekening. Waarbij naast de organist ook nog registranten staan

We waren zaterdag en zondag in drie verschillende speeltuinen. In de speeltuin van Kinderdijk staat de grootste kathedraal van Kinderdijk. Mijn kleinzoon bespeelde uiteraard het orgel en legde me en passant nog wat dingetjes uit.

In een andere kerk, nu in Den Haag, zaten toen hij er speelde enkele andere kinderen, iets ouder, erg dicht bij hem. Zijn spel werd steeds luidruchtiger, er kwam bij mijn kleinzoon een triomfantelijk tutti.

  • ‘Kop houden!’

De jongens hadden last van hem. Hij speelde door maar matigde het volume enigszins. Tot mijn grote opluchting werd hij door hen gedoogd. Net daarvoor zat hij met diezelfde jongens in een soort draaimolen. Hij ging in het midden zitten en wees aan elke jongen aan wie hij was:

  • ‘Jij bent de Aarde, jij Venus, jij Mars, jij Jupiter, jij Uranus. Ik ben de zon.

Het levende planetarium draaide rond. De planeten keken ietwat bevreemd naar deze centrale zon. Ik hoorde Mars tegen Uranus zeggen:

  • Hij weet veel van planeten, jij weet toch ook veel van Dinosauriërs?’

Blijkbaar moest het dus kunnen. Wat leuk, dacht ik bij mezelf. Maar toen hij een luidruchtige organist was moest hij alsnog zijn kop houden. Later hoorde ik hoe enkele van die kinderen zijn geluiden aan het nadoen waren en intussen grinnikten ze naar elkaar. Ik geloof dat mijn kleinzoon het niet gezien of gehoord heeft. Hij zat teveel in zijn spel.

Zoals gezegd: het waren twee topdagen voor hem maar ook voor mijn vrouw en mij. We hebben veel samen gelachen en gekletst. Sinds hij enkele weken geleden op bezoek is geweest in het atelier van een orgelrestaurateur is alles wat met orgelrestauratie te maken heeft een favoriet onderwerp. Op youtube staat een prachtige documentaire over de restauratie van het Broederen-orgel in Deventer. Je ziet allerlei vakmensen aan het werk maar een en ander is in een jasje gegoten waarin scenes nagespeeld worden. Zo wordt ook de scene gespeeld dat het Ibach-orgel in 1868 wordt ingewijd in de Broederenkerk. Terwijl er nog wat gekletst wordt over dat orgel in de kerk, vlak voor de Hoogmis, zegt een oudere kerkgangster:

  • ‘Meneer, wilt u stil zijn! De Heilige Mis gaat zo beginnen!’

Dat zinnetje heeft hij de twee logeerdagen wel tien of meer keren herhaald, dat vindt hij zo komisch. En hij spreekt het uit met hetzelfde accent als hoe de bewuste oude vrouw in dat filmpje het zegt. En dan die grijns op zijn gezicht! Heerlijk aanstekelijk. Daar wordt iedereen blij van.

Verder is het toch ook weer opvallend dat hij eigenlijk totaal niet vermaakt hoeft te worden. Het grootste deel van de tijd speelt hij in zijn eentje. Ja, af en toe dan komt hij enthousiast iets vertellen en vraagt aan ons of we komen kijken of luisteren. Maar als dat even niet uitkomt is dat geen probleem.

En dan heeft hij natuurlijk ook echt orgel (keyboard) gespeeld, of heeft hij gespeeld op de piano. Hij speelt graag bestaande stukken na zoals “Für Elise”, sinds kort ook het thema uit een van de impromptu’s van Schubert. Maar ik geniet vooral als hij gaat improviseren. Bij onderstaande piano-improvisatie zei hij van te voren dat hij ging improviseren met drieklanken.

  • ‘Wat vond je er van opa?’
  • Ik vind het mooi, maar misschien was het nog mooier geweest als je ook wat zwarte toetsen had gebruikt.’
  • ‘Ik héb zwarte toetsen gebruikt!’
  • ‘O ja? Zullen we de opname die ik maakte dan even terug luisteren?’

Samen luisterden we nog een keer naar zijn improvisatie. Er zat inderdaad op twee plekken een zwarte toets in. Precies op die plekken keek hij me aan: ‘hoor je?’ Ik hoorde het en het klopte. Weer opvallend hoe hij dit allemaal bewust hoort. Ik denk dat aardig wat conservatorium-studenten hem dat niet na zouden doen, auditief herkennen op welke plek er even een zwarte toets wordt gebruikt.

Onderstaande orgel-improvisatie speelde hij bij zijn ouders op het keyboard, of liever gezegd op zijn “huisorgel”. Volgens mij op basis van een stuk dat hij op youtube gehoord had. Met in het pedaal lang doorklinkende orgeltonen. En verder was de improvisatie behoorlijk heftig. Maar het waren pure en vrolijke tutti-tonen.

Geplaatst in autisme | Tags: , , , | 1 reactie

Andromedanevel

Hoewel het in wetenschappelijke kringen al eeuwen bekend was maakte Copernicus pas in 1543 duidelijk dat niet de aarde het centrale object in onze directe omgeving was maar de zon. Het duurde daarna nog een hele tijd voordat dit gegeven algemeen werd geaccepteerd. Hij schreef  “De revolutionibus orbium coelestium” (Over de omwentelingen van de hemellichamen). Dit soort boeken, ook die van Galilei meer dan 50 jaar later, kwamen al snel op de brandstapel terecht en de schrijvers waren soms hun leven niet zeker. Zij schreven desinformatie. Het kwam de autoriteiten niet goed uit. De hele bijbel zou wel eens gerelativeerd kunnen gaan worden als dit soort onzin gemeengoed ging worden…

De hemel had nog meer in petto. Toen eenmaal vaststond dat de zon slechts een van de vele sterren was ging men nadenken over de structuur van het heelal. Al in de Griekse mythologie lezen we over “de Melkweg”. Een soort streep aan de hemel die enigszins diffuus is, maar die als je goed kijkt uit talloze sterren bestaat. Feitelijk bleek naderhand dat hetgeen wij “Melkweg” noemen feitelijk de kern is van het galactische stelsel waar onze zon zich in bevindt. Dat stelsel is een spiraalvormig sterrenstelsel, onze zon bevindt zich in een van de kleinere spiralen, zie tekening hier onder. (De ster van waaruit alle strepen getrokken zijn in de “Orion-Cygnus”-arm is onze zon). In het midden bevindt zich een zwart gat. Alle sterren die je afzonderlijk aan de nachtelijke hemel kunt onderscheiden zijn onderdeel van dit galactische stelsel, “onze Melkweg”. We zien trouwens voornamelijk slechts sterren die zich in onze eigen arm bevinden.

Wat was de aard van al die nevels die je onder goede omstandigheden tussen de sterren kon zien? Men nam aan dat het objecten waren binnen ons melkwegstelsel, immers daarbuiten was niets. Het was tot de jaren twintig van de 20e eeuw niet bekend dat er zich buiten onze Melkweg nog andere sterrenstelsels bevonden. In 1925 stelde Edwin Hubble vast dat er nog andere sterrenstelsels waren en niet veel later toonde hij ook aan dat die zich steeds sneller van ons verwijderen. Hij stelde daarmee vast dat het heelal zich uitdijt. We hebben de mazzel dat onze zon zich niet in de nabijheid van de kern van ons melkwegstelsel bevindt. We kunnen als het ware ook “naar buiten” kijken. En zo dus ook andere sterrenstelsels zien.

Hoe ziet onze Melkweg er eigenlijk uit? Je kunt geen foto maken. Immers wij zitten er midden in. Er zijn allerlei berekeningen gemaakt en daardoor hebben we toch een aardig idee. En er blijkt een ander galactisch stelsel te zijn dat volgens berekeningen aardig lijkt op dat van ons, namelijk NGC 6744.

We weten nu dat al deze sterrenstelsels zelf ook weer groepen vormen. Onze Melkweg maakt deel uit van de zogenoemde Lokale Groep van ongeveer 30 stelsels, waartoe ook de Andromedanevel M31, de Driehoeknevel M33 en de zogenaamde Magelhaense wolken behoren. De dichtstbijgelegen volgende groep is de Virgocluster. Zowel de Lokale Groep als de Virgo Cluster zijn op zich weer onderdeel van de Virgosupercluster, een van de gigantische groepen van clusters van sterrenstelsels in het heelal.

Het galactische stelsel dat het meest dichtbij staat is het Andromedastelsel M31, ook wel de Andromedanevel genoemd. Het was voorheen een van de vele geheimzinnige nevels, niet anders als bijvoorbeeld de Orionnevel. De Orionnevel heeft een totaal andere achtergrond, deze bevindt zich namelijk wel binnen ons eigen melkwegstelsel en is een plek waar veel nieuwe sterren worden geboren. Maar de Andromedanevel is van een heel andere orde. Het is een soort zusje van onze eigen Melkweg. Je kunt hem onder goede omstandigheden zien met het blote oog. Het stelsel heeft dezelfde vorm als ons eigen sterrenstelsel, de Melkweg, maar is wel een stuk groter. De afstand wordt geschat op ongeveer 2,54 miljoen lichtjaar, de diameter ca. 250.000 lichtjaar. Begin 2012 heeft een groep wetenschappers aangetoond dat binnen ongeveer 4 miljard jaar een botsing van de Andromedanevel met onze eigen Melkweg zal plaatsvinden. Daar sterrenstelsels voornamelijk uit lege ruimte bestaan, zullen er naar verwacht slechts weinig directe botsingen tussen sterren plaatsvinden, en zullen de twee sterrenstelsels samensmelten. Wel zullen door de onderlinge zwaartekracht de sterren sterk verstrooid worden, en zal dus ook onze zon waarschijnlijk sterk van baan gaan veranderen. Overigens is onze eigen Melkweg, nog voor onze zon werd geboren, al eens samengesmolten met een andere Melkweg. Niks nieuws onder de zon… Hier onder een afbeelding van de Andromedanevel van de Nasa:

Het zien van de Andromedanevel is net zo iets als het zien van Uranus. Allebei kun je ze onder goede omstandigheden met het blote oog zien. Uranus, dacht men voorheen, is niet meer dan een onooglijk klein sterretje. Toen Uranus werd herkend als planeet leerde dat ons dat het eeuwenoude beeld van het vaste aantal planeten aan herziening toe was. Het herkennen van de Andromedanevel maakt ons mensen zo mogelijk nog weer een keer veel nietiger: al de sterren die we aan de hemel zien zijn feitelijk hartstikke dichtbij. Maar er blijken nog miljarden sterren te zijn die veel verder af staan. Kijk maar eens naar de Andromedanevel. En met een goede telescoop kun je van alles zien, om te beginnen zijn spiraalvorm: kijk, zo ziet een melkwegstelsel er uit. En met nog betere telescopen kun je zelfs de grootste sterren binnen het stelsel onderscheiden, en kun je supernova’s waarnemen. Elke vier dagen gemiddeld is er wel een te zien. Op bovenstaande foto van de site van de Nasa zie je ook een van zijn kleine begeleidende melkwegstelsels.

Ik heb zelf de Andromedanevel denk ik voor het eerst bewust gezien zo’n dertig jaar geleden. Als je weet waar je moet zoeken kun je hem makkelijk met een verrekijker en dus ook heel soms met het blote oog vinden. Ik heb hem vijf dagen geleden gefotografeerd. Nou ja. Door vergelijking met een plaatje van de software Stellarium weet ik zeker dat hij het is. Heel, heel erg onbeduidend.  Bij het pijltje, Ik beloof dat er een keer een beter plaatje gaat komen.

Wat is de beste tijd om een keer te gaan zoeken aan de nachtelijke hemel naar dit melkwegstelsel? Het beste jaargetijde zijn de herfst en de vroege winter. Dan staat het vrij hoog aan de hemel. In de late winter, lente en vroege zomer staat het erg laag en dicht bij de horizon is nooit ideaal. Verder natuurlijk ook liever niet bij maanlicht. Zoals je de poolster kunt vinden vanuit de Grote Beer, zo kun je ook de Andromedanevel vinden vanuit enkele andere sterrenbeelden. Misschien nog het beste kun je beginnen bij het sterrenbeeld Cassiopeia. Dat is circumpolair dus altijd te zien. Herkenbaar als een soort “W”. Maar die W kan wel op zijn kant liggen, hij draait als het ware om de poolster heen. Op bovenstaande foto ligt hij op zijn kant, helemaal rechts. Als je de twee rechtse sterren (als je als het ware een W zou schrijven) met een lijn verbindt kom je, vier keer zover, uit bij een van de heldere sterren van het sterrenbeeld Andromeda. Met een rechthoek maak je weer een denkbeeldige lijn van daaruit naar rechts (in bovenstaand beeld dus naar beneden) en je komt bij een andere heldere ster uit van dit sterrenbeeld. Weer met een rechthoekige lijn terug parallel met de eerste lijn (in bovenstaand beeld naar rechts) zie je al snel twee wat mindere heldere sterren. Een klein beetje rechts van de laatste van die twee sterren (in dit geval dus er onder) staat de Andromedanevel. Zie de twee onderstaande afbeeldingen. Succes!

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Gurrelieder

In de tweede helft van de negentiende eeuw zien we allerlei stromingen in Europa waar namen als naturalisme, realisme, impressionisme of symbolisme op worden geplakt. In de schilderkunst kun je het meeste werk wel bij een van die stromingen onder brengen. Moeilijker is het bij literatuur of bij muziek. En wat als een romantische tekst wordt gebruikt door een symbolistische componist? Als je wat beter naar de teksten kijkt en naar de muziek luistert dan klopt het in het algemeen toch wel. Zo hebben veel romantische teksten een lading die niet uitgesproken wordt maar die je voelt of vermoedt. Ze worden spannend doordat ze zich afspelen in het donker of in een enigszins angstaanjagende omgeving van de natuur. En de muziek kan die lading extra benadrukken waardoor een schijnbaar romantische tekst opeens een meer symbolistische wordt. En zoals bij Verdi de held meestal sterft zo ook bij een dichter als Jens Peter Jacobsen. Arnold Schönberg werd gegrepen door zijn gedichten en besloot om een hele cyclus gedichten van hem op muziek te zetten: De Gurrelieder. Eerst iets over deze Deense dichter.

Op Wikipedia lezen we onder meer: Jens Peter Jacobsen (1847-1885) was een Deens schrijver en dichter. Hij studeerde biologie en maakte een Deense vertaling van “Origin of Species”  van Darwin. Jacobsen was een realist, gegrepen door de wetenschap, maar toch ook met een romantische inslag, getuige ook zijn sterke natuurschilderingen. Hij biedt weinig troost. De meeste van zijn personages sterven, zonder dat ze het geluk vinden. Jacobsen wordt beschouwd als de grondlegger van de psychologische roman in de Deense literatuur, met een scherp oog voor details. Zijn taal is zakelijk en precies, maar tegelijkertijd gevoelig en lyrisch. De laatste twaalf jaar van zijn leven leed Jacobsen aan tuberculose. Hij overleed in 1885, net 38 jaar oud. Zijn werk was van invloed op Thomas Mann, D.H. Lawrence en Rainer Maria Rilke.

Pas na zijn dood kreeg hij erkenning en werd al zijn werk, waaronder ook veel gedichten, uitgegeven.

De Gurrelieder zijn vergelijkbaar met andere gedichten die Schönberg inspireerden. Zijn symfonische gedicht “Verklärte Nacht” gaat over het menselijke drama van een vrouw die zwanger raakt van een ander, het bos in vlucht, achtervolgd wordt door haar man die haar uiteindelijk weer in zijn armen sluit. Ditmaal loopt het goed af. In 1903 schreef hij  een symfonisch gedicht op basis van het toneelstuk “Pelleas et Mélisande” van de Belgische auteur Maurice Maeterlinck. Dezelfde tekst gebruikte in dezelfde tijd Debussy trouwens voor een opera. Pelléas et Mélisande vertelt de tragische geschiedenis van een driehoeksrelatie tegen de achtergrond van een symbolistisch sprookje.  Een van de kemphanen, de echtgenoot,  krijgt lucht van de heimelijke ontmoeting van zijn broer met zijn vrouw en hij doodt zijn broer… De vrouw om wie het allemaal begonnen was, Mélisande, sterft in het kraambed. Dat verhaal speelt zich af in een bos en in een burcht.

Zo ook de Gurrelieder. Schönberg begon ze in 1900 op muziek te zetten. Hij koos voor een Wagneriaanse orkestratie: een orkest van 150 man, een koor van 200 mensen en een aantal solisten. Wat een werk. Hij kreeg het dus ook niet af. In 1911 pakte hij het weer op en er volgde een uitvoering met begeleiding van piano. Toen dat een succes bleek te zijn maakte hij ook de orkestratie af. Toen het werk dan eindelijk klaar was in 1913 was het eigenlijk al weer wat ouderwets. Een jaar eerder had hij nog Pierrot Lunaire geschreven, waarmee hij zelfs mensen als Stravinsky wist te inspireren. Maar waar zijn nieuwste muziek nauwelijks aansloeg bij het grote publiek was dat anders bij de nu al ouderwetse Gurrelieder. De premiëre was een eclatant succes.  

In de Gurrelieder vat Schönberg de hele muzikale Romantiek dus nog één keer samen. Jacobsens gedichtencyclus eindigt niet met de romantische ‘Liebestod’ van Waldemar en Tove. Er volgt namelijk een macaber (Wilde Jagd), maar ook een ironisch naspel (KlausNarr). Het stuk begint bij zonsondergang en eindigt bij zonsopgang. Feitelijk speelt alles zich dus af in de nacht.

  1. Orkestvoorspel. De dalende lijnen en donker wordende klankkleuren symboliseren een zonsondergang.

    In negen liederen wordt het geluk van Waldemar en prinses Tove bezongen. Waldemar nadert in een ruiterlied kasteel Gurre, waar Tove hem met een jubelende wals tegemoet ziet. Waldemar begroet haar op zijn beurt in een statige Pavane. Om middernacht is Waldemar opeens bang voor de vergankelijkheid van liefde en leven. Tove belooft samen met hem de dood tegemoet te zien.

    Instrumentaal tussenspel: koningin Helwig vermoordt Tove

    In een klaagzang over Toves dood bericht de woudduif wat ze gezien heeft.
  2. Waldemar beschuldigt God: dit kan toch niet de bedoeling zijn.
  3. Waldemars angstige voorgevoelens zijn uitgekomen. Hij roept zijn mannen bijeen voor de “Wilde Jagd”: overledenen komen uit hun graf en jagen door bos en veld. De geesten stormen over het erf van een boer. Overal in de natuur ontdekt Waldemar Toves gestalte. Zelfs de hofnar KlausNarr doet mee aan de Wilde Jagd en in zijn sarcastische commentaar klinkt ook weer het “Tove-thema”. Wanneer de haan kraait, zinkt de Wilde Jagd weer terug het graf in. Bij het ochtendgloren verbleken de nachtelijke dromen en spookverschijnselen. De spreker hoort een verhaal, gefluisterd en weggeblazen door de zomerwind. Het slotkoor geeft klank aan een prachtige zonsopgang.

Afgelopen zondag was dit stuk in een streaming versie te zien en te horen. Het was dezelfde versie die ik in 2011 ook live heb bijgewoond. Een bevlogen uitvoering onder leiding van Reinbert de Leeuw. De documentaire “Extase” liet fragmenten van de repetities zien. Reinbert de Leeuw wist precies wat hij wilde en ging door tot het lukte. Deze documentaire ging vooraf aan de uitvoering van het stuk. De uitvoering nu was trouwens goed getimed: exact een jaar na het overlijden van Reinbert de Leeuw.

Ik laat enkele stukjes horen, nu gespeeld door het Philharmonisch orkest van Dresden onder leiding van Herbert Kegel, een opname uit 2019.

Je hoort het “Orchesterzwischenspiel”. In dit deel wordt muzikaal de moord op Tove uitgebeeld
Waldemars Mannen, einde van de nacht, de doden verdwijnen stil in hun graf, met deze tekst:

Der Hahn erhebt den Kopf zur Kraht,
Hat den Tag schon im Schnabel,
Und von unsern Schwertern trieft
Rostgerötet der Morgentau.
Die Zeit ist um!
Mit offnem Munde ruft das Grab,
Und die Erde saugt das lichtscheue Rätsel ein.
Versinket! Versinket!
Das Leben kommt mit Macht und Glanz,
Mit Taten und pochenden Herzen,
Und wir sind des Todes,
Der Sorge und des Todes,
Des Schmerzes und des Todes.
Ins Grab! Ins Grab! Zur träumeschwanger’n Ruh.
O, könnten in Frieden wir schlafen!

De haan verheft zijn kop om te kraaien,
hij heeft de dag al in zijn snavel,
en van onze zwaarden druipt
roestrood de ochtenddauw.
de tijd is om!
Met open mond roept het graf,
en de aarde zuigt het lichtschuwe raadsel naar binnen.
Verzink, verzink!
Het leven komt er aan met macht en glans,
met daden en pochende harten,
en wij zijn nu de zorg van de dood,
van de smart en van de dood.
Ga in het graf! In het graf! Naar een droombezwangerde rust.
Och, konden we maar in vrede slapen!

Hieronder de complete opname van de Gurrelieder door dezelfde uitvoerenden

Geplaatst in muziek | Tags: , , | Een reactie plaatsen

De Barenboim vleugel

Daniel Barenboim neemt voor zijn concerten als pianist steeds zijn eigen vleugel mee: De ”Barenboim-Maene”. Deze vleugel is speciaal voor hem door de Belgische pianobouwer Maene gemaakt. Het is niet een kruissnarige zoals gebruikelijk, maar een rechtsnarige vleugel, verder is hij gebaseerd op de techniek van Steinway & Sons. ‘Elke noot heeft een eigenheid maar je hebt als speler de mogelijkheid om toch alles te laten versmelten met je toucher’, aldus Barenboim. Omdat Daniel Barenboim kleine handen heeft heeft hij nog een kleine aanpassing laten maken: alle toetsen zijn een fractie smaller dan normaal. Het hele klavier is daardoor 7 cm korter. Aldus deze toevoeging die een vriendin mij wist te geven.

Gisteravond was er een concert in de Doelen van Rotterdam waar Barenboim op dit instrument het eerste pianoconcert van Chopin speelde, begeleid door het Rotterdams Philharmonisch orkest onder leiding van chefdirigent Shani. Je kon tegen betaling dit concert streaming bijwonen. Dat heeft zo zijn voordelen: je hoort van dichtbij een live-opname die opname-technisch erg goed was. Je kunt daarnaast genieten van mooie beelden, met name ook van het spel van Barenboim. Bij het laatste fragment van het langzame tweede deel kwam de klank van deze bijzondere vleugel goed tot zijn recht.

Het was een goed concert, vooral ook “l’Après midi d’une faune” van Debussy, waar het concert mee begon,  werd subtiel en geconcentreerd gespeeld. Het orkest heeft weer prachtige opnames gemaakt die in de toekomst vast nog wel eens verder verspreid zullen worden. De link waarvoor ik betaalde werkt nog steeds, dus ik kan het concert heerlijk terug beluisteren.

Geplaatst in muziek, recensie | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Is leven uniek?

Eloi Camprubi Casas, postdoc aan de Universiteit Utrecht, probeert uit te vogelen hoe een kleine vier miljard jaar geleden leven is ontstaan. In een artikel van Nemo-kennislink wordt hij geïnterviewd en vertelt er dingen over die mij bijzonder intrigeren. In het kort samengevat is zijn stelling: leven is een bijproduct van de neiging die overal in het universum aanwezig is om energie vrij te maken. Op de aarde draait het allemaal om een verstoring in het evenwicht tussen enerzijds de aanwezige Co2 in lucht en zeewater en anderzijds waterstof in gesteente. Leven kan heel goed koolstofdioxide en waterstof met elkaar laten reageren door er organische moleculen van te maken. Waterstof is reducerend, wat betekent dat de elektronen er graag ‘uit’ willen, terwijl Co2 oxiderend is, het wil die elektronen graag opnemen. Je hebt dus een plek met veel elektronen en een plek met weinig, dat kun je zien als een soort batterij. Waterstof en koolstofdioxide willen graag met elkaar reageren, maar ze hebben dan wel een duwtje in de goede richting nodig. Vanuit gaten in de oceaanbodem komen vloeistoffen naar boven die licht basisch zijn. Die komen in contact met het licht zure oceaanwater. Dit verschil stimuleert de chemische reactie tussen koolstofdioxide en waterstof. Eloi Camprubi Casas  denkt daarom dat leven is ontstaan op een plek waar die twee verschillen aanwezig waren en de diepe oceaan-bronnen bieden precies zo’n omgeving. Hij experimenteert in een laboratorium met het creëren van omstandigheden die lijken op wat er indertijd gebeurd is.

Maar er kan dan alsnog van alles mis gaan. In het verre verleden leek alles weer ongedaan gemaakt te worden. Twee miljard jaar geleden is namelijk het grote oxidatieproces op gang gekomen: de hoeveelheid zuurstof op aarde explodeerde. Al het bestaande leven kreeg het toen moeilijk, leven had leren bestaan zonder zuurstof. Zuurstof werkte als een soort vergif. Het grootste deel van het leven stierf toen uit. Een deel overleefde: bijvoorbeeld de bacteriën in onze darmen zijn nog steeds wezens die zonder zuurstof leven. Het meeste leven vond zichzelf daarna geleidelijk weer opnieuw uit, maar nu was zuurstof opeens een essentieel onderdeel geworden. Wij kunnen niet meer zonder.

Sommige geleerden zoeken nu op andere planeten naar omstandigheden die met de huidige op aarde vergelijkbaar zijn. Maar de geschiedenis heeft ons geleerd dat het onderdeel zuurstof bijvoorbeeld absoluut niet essentieel is. Wel essentieel lijken waterstof en koolstof. En katalysatoren die in staat zijn om beide elementen verbindingen te laten aangaan. De vorm van leven die kan ontstaan kan erg veel afwijken van de vorm op aarde zoals die er nu is. Het had net zo goed heel anders kunnen lopen. In zoverre is alles toch uniek.

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , , | 1 reactie

IJs en hoog water

Achter ons huis is een natuurgebied van het Zuid-Hollands landschap dat is aangelegd rond 2000. Dit naar aanleiding van de hoge waterstanden in de grote rivieren in 1993 en 1995. De getijden hebben er vrij spel, het verschil in waterhoogte is dagelijks soms een meter. Je ziet het water dus bijna altijd  stromen,  bij eb gaat het richting rivier, bij vloed richting dijk. Dus ook nu in deze vorstperiode. Maar door de stevige kou bevriest steeds het bovenste laagje van het water, dat het riet binnen dringt. En als het water weer terug gaat richting de rivier blijft dat ijs in het riet hangen. Dat levert mooie plaatjes op.  Het was de afgelopen dagen ook vrij hoog water. Talrijke watervogels uit de omgeving maar vooral ook uit het noorden en oosten hebben dit soort paradijsjes weten te vinden. De hele nacht door hoor je het gesnater van ganzen en het gekwek van eenden, het krijsen van meeuwen en het geluid van allerlei andere watervogels.

Geplaatst in natuur | Tags: , , , , | 1 reactie

Josquin Desprez en Ferrara

In België was er enkele jaren geleden een verkiezing voor de grootste Belg aller tijden. Een van de genomineerden was Josquin Desprez. Maar net als in Nederland wordt eerder een wielrenner als Eddy Merckx dan een beroemde componist uit de tijd van de renaissance gekozen tot grootste landgenoot.  In de Volkskrant van afgelopen vrijdag betwijfelde de verslaggever zelfs of iemand van de kandidaten van “de slimste mens” ooit van Josquin Desprez gehoord zou hebben. Terwijl hij volgens musicologen de belangrijkste componist van zijn tijd en volgens sommigen zelfs de allerbelangrijkste voor Bach geweest is. Dit jaar is het precies vijfhonderd jaar geleden dat hij overleed. Na het Beethoven jaar bevinden we ons nu dus in een Josquin jaar. Maar ik denk niet dat we veel van hem gaan horen. Zijn muziek staat te ver van de meeste mensen af. Op zich is dat toch ook wel ietwat vreemd. Want tijdgenoten als Leonardo da Vinci of Michelangelo kent bijna iedereen. Maar bij de meeste liefhebbers van klassieke muziek bestaat er geen muziek voor Bach. En ik ken ook een aantal mensen die pas de klassieke muziek vanaf de laatromantiek weten te waarderen. Ik dus niet. Ik vind hem de grootste Belg aller tijden.

Josquin stierf op 27 augustus 1521, een woensdag volgens de toen nog geldende Juliaanse kalender. Hij stierf in Condé-sur-l’Escaut, op de grens van het huidige Frankrijk en België. In die tijd hoorde deze stad bij Bourgondië. Hij is geboren tussen 1450 en 1453, waarschijnlijk iets ten oosten van Kamerijk. Josquin heeft veel gereisd, hij werkte in 1475 in Aix-en-Provence, in ieder geval van 1484-1489 bij kardinaal Asconia Sforza in Milaan, van 1489-1495 was hij aangesteld aan het hof van de paus in Rome en daarna nam hij dienst bij de Franse koning Lodewijk XII. In 1503 wist de hertog van Ferrara hem te strikken. Heinrich Isaac, tijdgenoot en eveneens een vermaarde componist, wilde de vacante baan van kapelmeester in Ferrara graag hebben. Wetende hoe goed hij was durfde hij het riante salaris van 120 dukaten te vragen. Een gezant reisde af naar Parijs om Josquin te polsen. Hij wilde het ook wel doen, maar niet voor minder dan 200 dukaten. Hertog Ercole ging overstag, hij wilde immers het beste van het beste. Dan maar in de buidel tasten: voilá, Josquin kon afreizen naar Ferrara. Helaas, de pest brak uit, Josquin vluchtte al na ruim een jaar dienst aan het illustere hof en vestigde zich vervolgens in Condé.  Hij was nu weer in de buurt van zijn geboortestreek.  Daar werd hij proost en kapelmeester van de Notre Dame en hij werd op handen gedragen door hertog Philips de Schone. In deze stad ontstonden talrijke composities. Ook onderhield Josquin van daaruit nauwe contacten met het hof van Margaretha van Oostenrijk in Mechelen, die landvoogdes was van de Nederlanden.  Josquin bleef in deze stad proost gedurende 16 jaar, tot zijn dood in 1521.

Maar ik wil het hebben over Josquin en Ferrara. Ik heb al eerder het Ave Maria van Josquin besproken dat hij in Milaan schreef, nu wil ik ingaan op een compositie die hij in 1503 in Ferrara schreef. Ik ben al drie keer in deze stad geweest en bezocht daar twee paleizen van het hof van de familie d’Este. Als je je daarin verdiept ontdek je dat je te maken hebt met misschien wel het meest verfijnde hof van die tijd, een plek waar alle mogelijke kunstenaars konden gedijen. In dezelfde tijd dat Josquin aan het hof was verbleef daar ook Giovanni Sabadino degli Arienti,een Italiaanse humanist, auteur, dichter en prozaschrijver. Hij was geboren in Bologna en vanaf 1491 was hij in dienst van Ercole d’Este in Ferrara.  Zijn beroemdste werk “Novelle Porretane” (1483) is een verzameling van eenenzestig verhalen in navolging van Boccacio’s Decamerone. Maar voor ons beeld van het hof van Ferrara is een ander boek erg waardevol, namelijk  “De Triumphis Religionis” uit 1497, een verhandeling over de deugden van een prins. Hierin beschrijft hij het hof van Ercole d’Este als een voorbeeld van de deugd en grootsheid van een heerser. Zo kunnen we lezen:

Zijn waardigheid werd ondanks zijn toenemende rijkdom alleen maar meer, zijn grootmoedige ziel steeg met een heilige behoedzaamheid tot de hogere sferen van de religie. Hij stelde twee muziekkoren samen met geoefende zangers. Het ene koor bestond uit 24 adolescenten en het andere uit evenzoveel oudere en erg talentvolle zangers die aan de jongsten les gaven. En zo hoorde men elke dag de mis, begeleid door uitstekend gezang en op feestdagen werd de gezongen mis met orgel begeleid. Op feestdagen was hij niet alleen bij de Mis maar luisterde hij ook geknield naar de vespers. En als het koor zong onderbrak hij de kerkdienst niet maar bleef hem vol devotie bijwonen. Na de mis week hij een beetje naar achteren om geknield in zijn eentje te blijven bidden.”

Josquin werd aangesteld door deze hertog en hij kwam zo in een muzikaal gespreid bedje. En dat wist hij te waarderen. Hij componeerde hier een prachtige Mis volgens een enigszins ouderwetse techniek, de zogenaamde cantus firmus techniek. In essentie gaat het bij deze techniek om een van te voren vastgestelde melodie waar de rest van de compositie aan is opgehangen. Deze melodie wordt vervolgens uit elkaar gerekt en gezongen in lange tonen. Tussen de zinsdelen van deze lange tonen zit steeds een heel stuk waar deze zogenaamde “cantus firmus” dan weer niet aanwezig is. Deze techniek kwam tot grote hoogte zo’n 60 jaar eerder bij Guillaume Dufay. Bij de muziekboeken die aanwezig waren in de muziekbibliotheek van de cantor in Ferrara zaten ook enkele missen van Dufay. Josquin had deze techniek ook al vaker toegepast, maar steeds meer introduceerde hij in zijn missen nieuwe technieken zoals met name “doorimitatie”: Elke passage begint daarbij met een melodie die vervolgens terug keert in alle stemmen, deels of in zijn geheel. En Josquin had daarnaast nog een groot repertoire van mogelijkheden, zoals het gebruik van paarsgewijze zetting, paarsgewijze imitatie, hoketustechnieken enzovoort. De zetting van het Ave Maria waarover ik eerder al sprak is bijna een cursus zettingstechnieken: “hoe kun je een polyfoon muziekstuk vormgeven”. Ook in deze Mis gebruikte Josquin meerdere technieken. Maar de basis was toch wel de Cantus firmus techniek. De cantus firmus bestond uit een buitengewoon simpel thema, dat hij zelf verzon, op basis van de naam van zijn heer: “Hercules Dux Ferrarie” (Ercole hertog van Ferrara). Als je de naam “Hercules Dux Ferrarie scandeert, en daar muzieknoten uithaalt dan krijg je: Re Ut Re UT Re Fa Mi Re. Deze noten vormen de basis van de cantus firmus van deze mis:


Bij het Kyrie zit deze melodie eerst in de superius (sopraan), daarna in de tenor. Maar waar bij Dufay in zijn missen de verdere polyfone opzet bijzonder grillig is en de rest van de melodieën weinig samenhang hebben, is deze cantusfirmusmis bij Josquin bijzonder helder van opzet.

Ik heb in kleuren aangegeven wat de stemmen met elkaar te maken hebben. Sommige fragmenten worden vaker geïmiteerd, steeds op dezelfde afstand van elkaar, maar niet altijd op dezelfde toonhoogte. Er ontstaat een bijzonder overzichtelijk en smaakvol geheel. Doordat behalve de Cantus firmus de rest van de melodieën een heel vrije opzet heeft, een beetje zoals ook Gregoriaanse melodieën niet in een maat staan, zijn de melodieën ritmisch rijk en melodieus, heerlijk om te zingen. Voor een koor is het een feest dat alles zo prachtig lijkt te kloppen. De harmonische opzet is voor onze verwende oren misschien minder interessant, er komen feitelijk slechts een beperkt aantal akkoorden voor . Maar doordat de cantus firmus hier acht maten beslaat en gelijk al herhaald wordt begint het stuk wel heel duidelijk met een tweedelige structuur, 8+8 maten. Het eerste stuk eindigt op de vierde trap, een subdominant en vraagt om de tweede zin, die als een soort nazin met een duidelijke cadens dominant-tonica eindigt. Zowel de voorzin als de nazin hebben ook nog eens een interne structuur van 2+2+4 maten, heel helder. Een eeuw later wordt tekstuitbeelding erg belangrijk en precies op dat moment gaat men ook veel meer vanuit akkoorden denken, met Monteverdi als eerste hoogtepunt. Toch is het ook weer niet zo dat er geen sprake is van tekstuitbeelding in deze mis van Josquin. Het is gewoon allemaal veel subtieler en minder direct dan een tijd later. Maar de keuze van de melodieën en de keuze van de verschillende zettingen zijn wel degelijk gerelateerd aan de tekst. Bij een tekst als “qui tollis peccata mundi, miserere nobis” in het Gloria, voel je hoe Josquin de nederigheid van de zondaar probeert uit te beelden door opeens soberder te componeren, met ook nog eens melodieën in mineur. De tekst wordt drie keer gezongen, in de registers midden-hoog-laag. Hier wordt natuurlijk indirect gezinspeeld op de heilige drieëenheid. Eindigen in de laagte met daar ook weer het begin van de cantus firmus melodie maakt het extra droevig: “heer, heb medelijden met ons.”

Het einde van dit Gloria is majestueus. De tekst luidt: “Cum Sancto Spiritu, in gloria Dei Patris, Amen.” Met de Heilige Geest, eer zij God de Vader, Amen.” In de muziek hoor je onmiddellijk een verdichting van de ritmiek doordat de alt in triolen gaat zingen (in partituur in groen). Ook symbolisch: de drieëenheid. En die drieëenheid hoor je ook doordat het eerste tekstgedeelte in de Superius (de sopraan) drie keer achter elkaar wordt gezongen.  (in rood). Het laatste stukje van die Superius wordt door de bas een terts lager meegezongen (ook in rood). Al snel hoor je de Cantus Firmus in de tenor. Een verdere culminatie ontstaat doordat vanaf maat 6 tot en met 9 korte melodische fragmenten in alle partijen steeds hoger herhaald worden, in een stijgende sequens (in blauw). Als de tenor in maat 10 is aangekomen zingt hij vijf maten achter elkaar een lang aangehouden D. Dat is het moment van de afsluiting. Alle andere stemmen bouwen nu het geheel weer geleidelijk af: eerst eindigt de bas op een D die drie maten blijft doorklinken, dan de sopraan die twee maten een F heeft en tot slot de alt die pas in de laatste maat een lange A heeft.  We horen een D-mineur akkoord. Je zou misschien een majeur akkoord verwachten, maar dat is gezien de beweging van de alt in de een na laatste maat onmogelijk. Desondanks een triomfantelijk slot.

Hier onder een fragment van het origineel in de notatie van die tijd:

In de kern horen we in deze mis vooral ingetogenheid.
Het hele stuk kun je hier beluisteren:

In twee paleizen in Ferrara heb ik indertijd enkele foto’s gemaakt. Zoals in het Palazzo Schifanoia. De voorganger van Ercole I, Borso, liet in het paleis alle zalen van fresco’s voorzien. Van een van die zalen is nog het grootste deel bewaard gebleven. Dit dankzij het feit dat het naderhand is witgepleisterd. Toen het pleister werd verwijderd kwam er een ware schat tevoorschijn. Het is de Salone dei Mesi (salon van de maanden). De schilderingen werden van 1469 tot 1470 gemaakt. Verticale stukken die de maanden voorstellen zijn telkens in drieën verdeeld. Bovenaan is de triomf van een klassieke godheid afgebeeld, in het midden het teken van de dierenriem en onderaan zie je taferelen uit het leven aan het hof. De hele zaal is niet door één kunstenaar beschilderd maar er waren maar liefst vijf ateliers bij betrokken, waarbij Leon Battista Alberti de supervisie had. Behalve dat de maanden uitgebeeld werden moest vooral ook het goede bewind van de vorst worden uitgebeeld.  Dat zag je telkens op het onderste paneel. Als alles klaar was zou de paus op bezoek komen en aan Markies Borso de hertogtitel verlenen.  De zaal heeft ook iets magisch, zonder deuren of ramen. Zalen zonder deuren kennen we ook van ridderromans. Toch was er één zichtbare deur, namelijk eentje die geschilderd was onder in de maand maart. En die bleek ook nog eens open te kunnen gaan: het was de plaats waar de hoogwaardigheidsbekleders naar binnen kwamen. De ruimte was pikkedonker, maar als er gasten waren was er overal verlichting geplaatst. Het was een ruimte waarin veel te zien viel, en de hertog kon hier ook zijn kennis van zowel de astrologie als de klassieke oudheid demonstreren aan de hand van het hele verhaal van de maanden.  En iedereen kon hem in zijn goede werken bewonderen… Zo zien we bij de maand april boven de godin Minerva. Minerva  is een personificatie van de goddelijke macht van het verstand, van de vindingrijkheid, van de menselijke geest en van de wijsheid. Als attributen zie je meestal een uil en een wapenrusting.  In het midden van dezelfde wand zien we de uitbeelding van het astrologische symbool Ram. En daaronder weer wordt de hertog zelf uitgebeeld, die recht spreekt en op jacht gaat.

Het andere paleis dat ik bezocht is het hertogelijke paleis zelf, waar nog veel meer ruimtes bewaard zijn gebleven. Ook de plafonds zijn daar beschilderd. Er moeten ook nog prachtige schilderijen en wandtapijten zijn geweest, maar die zijn verloren gegaan of in talrijke verzamelingen over de hele wereld terecht gekomen. Nu zie je dus met name de fresco’s nog. Helaas, de laatste keer dat ik er was in 2019 had men tegen het afbrokkelen overal een soort plakband geplakt wat behoorlijk storend was. Maar ik heb er in het verleden nog foto’s van gemaakt die nog geen plakband laten zien, zoals deze, gemaakt in de zaal die gewijd is aan het verhaal van de godin Aurora:

Of deze, in een zaal waarin allerlei sporten en spelen werden uitgebeeld:

Josquin Desprez kwam hier zo’n dertig jaar nadat al deze schilderingen voltooid waren, hij heeft ze dus zeker gezien. Hij kwam natuurlijk vooral in de ruimtes waar alle muziekinstrumenten waren opgeslagen en werden onderhouden door de beste handwerkslieden van die tijd. Maar zoals gezegd, na ruim een jaar vertrok hij hals over kop toen in Ferrara de pest was uitgebroken. Ons herinnert vooral een prachtige mis aan zijn verbinding met dit illustere hof. Wat zou het mooi zijn om een uitvoering van deze mis eens bij te wonen in een van de prachtige zalen van het paleis of in de kathedraal van Ferrara.

Een bijzondere renaissance. Het hof van de Este’s te Ferrara. Europalia 2003
Prachtig boek, uitgegeven ter gelegenheid van een tentoonstelling in het Paleis der Schone Kunsten in Brussel. Ook aan de muziek aan dit hof is een hoofdstuk gewijd.

Geplaatst in Geschiedenis, kunst, muziek | Tags: , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Sensatie

Als mijn oudste kleinzoon bezig is met het corona-huiswerk dan is het fijn als we klaar zijn met rekenen. Want na dat saaie rekenen (hij vindt het heel erg moeilijk) gaan we lekker taal doen. Spelling en dictee gaan meestal foutloos, maar de woordenschat die hij moet leren is vaak een heel andere als die hij kent. Nooit staan er woorden als meteoriet of asteroïde, laat staan Kuipergordel of exoplaneet. Maar wel woorden als outfit, mode, pantalon. En die kent hij nog niet. Ook stond er het woord “sensatie”.
-‘Dus een film die laat zien wat er met de aarde gebeurt als er een asteroïde op valt, dat is gewoon sensatie?’ vroeg hij mij.
Dat beaamde ik, want hij neemt alles serieus, net zoals zijn jongere zusje van vier echt bang is voor spoken.
-‘Spoken bestaan niet, die verhaaltjes zijn maar sensatie’, zegt broerlief nu met een vaderlijke toon tegen haar.

Zijn orgeldocent had hem beloofd dat hij aan het einde van de les nog even mocht improviseren.
-‘Ik wil tutti’. Zijn docent sloot een compromis. Op een manuaal trok hij van alles uit de kast, dat werd een soort tutti. Maar het andere manuaal klonk zacht en lieflijk. Hij ging naar beneden om zijn volgende leerling op te halen. Mijn kleinzoon probeerde even het zachte register uit maar daarna wilde hij toch echt wel sensatie: pedaal met tutti! Het werd vooral een en al uitproberen. Al spelende keek hij voortdurend naar zijn voeten en zocht naar sensationele bastonen.

Pippi Langkous houdt ook van sensatie. En dat vinden vrijwel alle kinderen leuk. Leuke stoere sensatie. Op weg naar de grootouders van mijn kleinkinderen in Limburg klonk de tune van deze Zweedse serie. Mijn kleinzoon had hem nog in zijn kop zitten. Hij mocht van zijn grootouders op het spinet spelen.

Maandag toen hij zijn huiswerk had gemaakt ging hij al zingende voor zich zelf aan de gang. Dit keer zong hij geen sensationele muziek, maar een soldatenlied. L’Homme l’homme, l’homme armé. De begintune van de podcast over de Bourgondiërs. ‘Met Bart van Loo’ zegt hij breed lachend op zijn Vlaams. Intussen maakte hij een tentoonstelling. Je kon allerlei objecten bewonderen. De belangrijkste onderdelen van de asteroïdengordel, een meteoriet, een lavasteen en zelfs een komeet werden uitgestald. Het was bijzonder sensationeel dat al deze ruimte-objecten opeens bij ons samen op een tafeltje lagen. Ik mocht ze niet opruimen toen hij ’s avonds weer naar huis ging. Dus beloofde ik dat ik ze alleen zou verplaatsen naar een meer geschikte plek. De tentoonstelling is nu ingericht op mijn werkkamer boven. Ik zal er over waken. Wie weet wordt hij binnenkort nog uitgebreid. Met allerlei andere sensationele objecten. Misschien wel met een fragment van Theia….

Geplaatst in autisme | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Nobelprijs?

In de Volkskrant van afgelopen zaterdag las ik een artikel dat me bijzonder boeide. Toen ik er over doordacht realiseerde ik me dat de impact van dat wat wetenschappers onlangs gemeten hadden wel eens een nobelprijs-winnaar zou kunnen opleveren. Het begrip van alles van de hele wereld zou er totaal anders door kunnen worden. Waar gaat het om?

De natuurkunde kent een aantal zogenaamde constanten die stuk voor stuk van groot belang zijn. Het gaat om fundamentele natuurkrachten, in totaal zijn dat er ongeveer 26. De fijnstructuurconstante is een van de allerbelangrijkste. Hij is ongelooflijk zwak, maar zorgt er wel voor dat materie niet verkruimelt en ze bepaalt ook hoe sterk de electromagnetische kracht is. Het is zelfs zo, dat als deze constante er niet zou zijn, of ook maar een tikkeltje in waarde zou afwijken, het heelal er totaal anders uit zou zien. Door de fijnstructuurconstante zo nauwkeurig mogelijk te meten kan er heel wat verklaard worden. Met het standaardmodel van de deeltjesfysica kunnen we nog een heel eind komen, maar fenomenen  als donkere materie, donkere energie en de disbalans tussen materie en antimaterie blijven een mysterie. Zoals ook trouwens weer eens naar voren kwam bij een lezing die ik een jaar geleden bijwoonde.

De fijnstructuurconstante, die de sterkte van de interactie tussen een foton (lichtdeeltje) en geladen elementaire deeltjes, zoals elektronen kenmerkt, is onlangs door een team van Franse onderzoekers opnieuw vastgesteld. Dit met een nauwkeurigheid van 11 significante cijfers wat een verbetering van de precisie van de vorige meting betekent met een factor 3,2. De wetenschappers bereikten deze precisie door hun experimentele opstelling te verbeteren, in een poging om onnauwkeurigheden te verminderen en effecten te beheersen die verstoringen van de meting kunnen veroorzaken.  Er werd zelfs rekening gehouden met de draaiïng van de aarde binnen de tijdsorde van een milliseconde. Hoe zag de meting er uit? Er werden rubidiumatomen afgekoeld tot bijna het absolute nulpunt. Toen keken de wetenschappers wat er gebeurde als een foton zo’n ijskoud atoom bereikte. Er ontstond een schok met een snelheid die afhangt van de massa van het atoom. De onderzoekers gebruikten  materiegolfinterferometrie om de terugstootsnelheid te meten.

De nieuwe precisiemetingen maken het eindelijk wellicht mogelijk om deeltjes te ontdekken die als antimaterie gezien kunnen worden. Ook is er tot nog toe geen verklaring voor de magnetische momentafwijking van het muon. (Een muon is een van de deeltjes die zich bevinden tussen de protonen en elektronen binnen een atoom.) Ook deze momentafwijking kan nu na verder onderzoek misschien beter verklaard worden. Directe toepassingen lijken nog ver. Het gaat nu vooral om fundamentele vraagstukken met betrekking tot de bouw van het heelal. Het artikel in de Volkskrant viel niet erg op. Maar het zette mij behoorlijk aan het denken. Mijn oudste kleinzoon vroeg me: ‘Opa, wat is leven eigenlijk? ‘  Een vraagstuk dat net zo fundamenteel is als het raadsel van het hele heelal en de nog weinig begrepen fundamentele natuurkrachten. Het onderzoek werd geleid door de van Algerije afkomstige fysicus Saïda Guellati-Khélifa aan de Université Pierre et Marie Curie in Parijs. Zal deze fysicus in de nabije toekomst de nobelprijs voor natuurkunde krijgen?

Volkskrant 30 januari 2021: George van Hal, “Het getal waarop de realiteit rust”.

Geplaatst in Astronomie, filosofie | Tags: , , | Een reactie plaatsen

De Grote Beer

Begin januari maakte ik midden in de nacht een aantal foto’s van de sterrenhemel. Op een van die foto’s was de Grote Beer heel goed te zien.

De Grote Beer is een van de meest bekende sterrenbeelden. Zie je de Grote Beer, dan kun je ook makkelijk de poolster vinden. Wat is dat eigenlijk, de poolster? Op wikipedia lezen we: Een poolster is een ster die zich in een van de hemelpolen bevindt. Voor de noordelijke hemelpool is dat de ster met de naam Poolster, Polaris of alpha Ursae Minoris, die dicht bij het verlengde van de aardas aan de noordelijke hemelpool ligt. Gedurende de nacht lijken alle sterren door de rotatie van de aarde in een baan om de pool heen te draaien. De Poolster beweegt vrijwel niet, zodat deze altijd op dezelfde plaats aan de hemel te vinden is. De Poolster was, voor de ingebruikneming van elektronische systemen zoals gps, van groot belang voor de navigatie. De hoogte van de Poolster aan de hemel is vrijwel gelijk aan de breedtegraad waarop de waarnemer zich bevindt; de zegswijze poolshoogte nemen, is hiervan afgeleid.

In Nederland bevinden we ons op ongeveer 51 graden noorderbreedte. Vanuit de horizon gezien zullen we de Poolster dus op die hoogte moeten zoeken. In Spanje staat hij al een stuk lager. De Grote Beer wijst als volgt naar de Poolster:

Omdat alle sterren om de poolster heen lijken te draaien, ziet ook de Grote Beer er afhankelijk van seizoen en tijdstip anders uit. Bij de bovenstaande illustratie en ook bij onderstaande foto, die ik op 9 januari om 10 voor vijf in de ochtend maakte, staat de Grote Beer boven de Poolster, dus heel hoog aan de hemel. Hij kan er ook onder staan, dan staat hij dus heel laag aan de hemel, en ook kan hij links dan wel rechts van de Poolster staan.

Verder lezen we:

Door de precessie beschrijft de aardas in 25.770 jaar een grote (dubbele) kegel aan de hemel, waardoor zowel de noordelijke als de zuidelijke hemelpool in een cirkel bewegen. Hierdoor zullen in de loop van deze periode verschillende sterren de rol van poolster vervullen. Rond het jaar 4100 is dit een zwakke ster in het sterrenbeeld Cepheus, vervolgens Deneb, een heldere ster in Zwaan. In het jaar 14.000 zal Wega, een heldere ster in Lier, de poolster zijn. Daarna duurt het nog ongeveer 12.000 jaar voordat de aardbewoners Polaris weer als nachtelijk oriëntatiepunt kunnen gebruiken.

De Grote Beer bevat 7 opvallende sterren. Vijf van die sterren horen bij een groep, de zogenaamde Ursa Major-cluster. Dat is een groep van ongeveer 100 sterren die pas 300 miljoen jaar geleden ontstaan zijn. In vergelijking met onze zon, die al 4,5 miljard jaar oud is, zijn het dus baby’s. Ze staan allemaal op ongeveer 80 tot 84 lichtjaren afstand. Alleen aan de uiteinden staan twee sterren die hier niet bij horen: Dubhe en Alkaid. De sterren van de Ursa Major-cluster bewegen binnen ons melkwegstelsel in een gelijke richting doordat ze gelijktijdig zijn geboren. Misschien zijn ze ook onderdeel van de grotere Sirius-cluster, maar er zijn metingen die dat weer tegen lijken te spreken.

De zeven meest opvallende sterren hebben ook een Arabische naam. Elke naam is een onderdeel van de lichaamsdelen van de beer, zoals de dij. Het zijn mooi klinkende namen, en als je naar het sterrenbeeld kijkt is het leuk om nog enkele eigenaardigheden te weten van elke ster. De sterren hebben dan niet alleen een mooie naam maar ze krijgen dan ook een soort eigenheid.
Zoals gezegd maakte ik onderstaande foto begin januari. Je ziet de Grote Beer en een heleboel kleine spikkeltjes in rood of wit. Dat waren uiterst kleine waterdruppeltjes die zich door de vochtige atmosfeer op mijn lens hadden gevestigd.

Merak:  Deze ster is 9000 graden Kelvin heet en hij staat op  80 lichtjaren afstand. Zoals gezegd zijn vijf van de sterren van de grote beer nog erg jong, maar deze ster is misschien zelfs nog maar een protoster.  Het lijkt alsof er zich in een laag om de ster heen nu pas planeten aan het vormen zijn, net zoals trouwens ook  bij Vega en bij Fomalhaut, sterren van andere sterrenbeelden.

Dubhe hoort niet bij de Ursa Major-cluster. Hij heeft ook duidelijk een andere, meer gele of oranje kleur. Het is een reuzenster van slechts 4900 graden Kelvin, de minst warme van de zeven sterren van de Grote Beer. Verder is het een driedubbele ster die zich op 124 lichtjaren afstand bevindt. Dubhe A is aan het einde van zijn leven, de kleinere metgezellen daarentegen verbranden nog volop helium.

Phecda heeft een temperatuur van 9500 graden kelvin en bevindt zich op 84 lichtjaar afstand. Phecda is 2,7 keer zo groot als onze zon. Net als Merak, Megrez, Alioth en Mizar is Phecda dus  onderdeel van de Ursa major cluster.

Megrez heeft een oppervlaktetemperatuur van 8630 graden Kelvin en staat op 80 lichtjaar afstand.

Alioth heeft een oppervlaktetemperatuur van 9500 graden Kelvin en staat op 83 lichtjaar afstand.

Mizar heeft een oppervlaktetemperatuur van 9000 graden Kelvin. Het is een vierdubbelster, de andere drie zijn met blote oog niet te zien. Vlak erbij staat echter nog een andere ster, Alkor, waarvan men vermoedt dat deze ook met het systeem verbonden is. Alkor kun je onder goede omstandigheden met het blote oog zien, hij heeft magnitude 4. In het oude Egypte kon je je ogen testen: kun je Alkor zien ja of nee? Ook dat is een meervoudige ster, in dit geval gaat het om een dubbelster. Mochten al deze sterren qua gravitatie inderdaad aan elkaar verbonden zijn dan gaat het dus om een zesvoudige ster. Het complete systeem staat op 83 lichtjaren afstand. Wil je ook je ogen testen? Kijk dan naar Mizar. Zie je heel vlakbij Alkor dan heb je nog goede ogen. Maar in Nederland gaat het Egyptische verhaal niet zo op ben ik bang, met onze licht- en luchtvervuiling. Pak gewoon een verrekijker, dan kun je hem meestal wel zien. En dat blijft leuk, zo’n duidelijke dubbelster zien.

Alkaïd is een ster die niet bij de cluster hoort. Aan de oppervlakte is het 15700 graden Kelvin, het is dus de warmste ster van de zeven sterren van de Grote Beer. Deze ster staat op 104 lichtjaar afstand.

De Grote Beer is in Nederland circumpolair. We noemen de sterren die relatief dicht bij de Poolster staan en die je daardoor elke wolkeloze nacht de hele nacht kunt zien, circumpolair. Circumpolaire sterren gaan dus niet onder, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de sterren van de dierenriem, die net als zon, maan en planeten opkomen en ondergaan. De Grote Beer wordt ook wel de wagen genoemd. Deze tollende wagen wijst ons steeds weer de weg, ook al staat hij soms op zijn kop.

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Meerderwaardigheidscomplex

Max Pam schijft in de Volkskrant van 20 januari: Lilianne Ploumen mag een aardig mens zijn met sympathieke ideeën, een lijsttrekker moet meer zijn dan dat. Dat gaat hij uitleggen. Ik citeer enkele stukjes:
‘Een lijsttrekker moet een goede spreker zijn en dat is Lilianne Ploumen helaas niet. Ze spreekt wat hortend en stotend en het einde van haar zinnen zit soms niet vast aan het begin. Verder spreekt zij erg Limburgs en dat is boven de Moerdijk een electoraal nadeel.’ Ook zegt hij: ‘weinigen zullen begrijpen dat je Ploumen op zijn Limburgs als Ploemen uitspreekt, zoals in het woord boudoir.’ Max Pam heeft verder problemen met het feit dat zij gelovig is maar zegt er gelukkig bij dat dat een puur persoonlijk bezwaar is.

Sommige mensen vinden het raar dat Limburgers nog steeds vaak een minderwaardigheidscomplex hebben. Als je zo’n stukje van de Hollander Max Pam leest vraag je je af: ‘Hoe zou dat komen?’  Misschien omdat sommige mensen een meerderwaardigheidscomplex hebben?

Geplaatst in maatschappij | Tags: , | Een reactie plaatsen