César Franck

César Franck is op 10 december 1822 geboren in Luik. Het is dus dit jaar een César Franck-jaar, we vieren dat hij tweehonderd jaar geleden werd geboren. Zijn ouders kwamen uit een streek die me goed bekend is, namelijk het gebied net voorbij de grens in het Zuid-Oosten van Limburg. Zijn vader, Nicolas-Joseph, was een bankbediende die geboren is in Gemmenich nabij de huidige Duits-Nederlandse grens. Zijn moeder, Marie-Catherine-Barbe Frings, is geboren in Aken.  Grootvader Franck was burgemeester van Gemmenich. Na zijn dood is het huis waarin hij woonde een boerderij geworden die er nog steeds staat. Zijn beroemde kleinzoon César  werd op december 1822 geboren in het centrum van de stad Luik in de rue Saint-Pierre waar ook hotel Grady ligt. Luik hoorde toen nog bij het Nederland van koning Willem I.

Hoewel de jonge César-Auguste, zoals hij in zijn vroege jaren bekend stond, zowel teken- als muzikale vaardigheden toonde, zag Nicolas-Joseph hem als een jong wonderkind pianist-componist, op de manier van Franz Liszt, die voor roem en fortuin voor zijn familie zou moeten zorgen. Zijn vader zorgde dat zijn zoon aan het Koninklijk Conservatorium van Luik werd toegelaten, waar hij notenleer, piano, orgel en harmonie studeerde bij Joseph Daussoigne-Méhul en andere docenten. César-Auguste gaf zijn eerste concerten in 1834 tijdens een concerttournee door België en Duitsland met optredens in Brussel en Aken. Bij een concert was ook koning Leopold I aanwezig, de koning van de kersverse monarchie.

In 1835 besloot zijn vader dat de tijd rijp was voor een breder publiek, en hij haalde César-Auguste en zijn jongere broer Joseph naar Parijs om daar privéles te krijgen: contrapunt bij Anton Reicha en piano bij Pierre Zimmerman. Beiden waren ook professor aan het Conservatorium van Parijs. Toen Reicha zo’n tien maanden later stierf, probeerde vader Nicolas-Joseph beide jongens naar het conservatorium te laten gaan. Het conservatorium zou echter geen buitenlanders accepteren; Nicolas-Joseph was verplicht het Franse staatsburgerschap aan te vragen, wat in 1837 werd verleend.

In 1837 ging hij dus naar het Conservatorium van Parijs. Daar zette hij de pianostudie bij Zimmerman voort en kreeg ook les in compositie.  Het jaar daarna won hij de eerste prijs voor piano op een buitengewone manier. Zoals de toenmalige pers meldde: “De heer Cherubini kwam zeggen: ‘De heer Franck, die voor de eerste keer meedeed, speelde niet alleen briljant, maar hij had ook het moeilijke concerto in B mineur van Hummel voortreffelijk gespeeld. Dit moest à vue gespeeld en getransponeerd worden, in dit geval; van B mineur naar C mineur’”. Maar op 22 april 1842 nam hij “vrijwillig” afscheid van het conservatorium. Zijn terugtrekking gebeurde waarschijnlijk door toedoen van zijn vader. Er was een vete ontstaan tussen vader Nicolas-Joseph en Henri Blanchard, de belangrijkste criticus van de Revue et Gazette musicale, die geen gelegenheid voorbij liet gaan om de agressieve pretenties van de vader aan de kaak te stellen en te bespotten. Hij besloot terug naar Luik te gaan en nam ook zijn kinderen mee.

Terug in België leek niets te lukken, er werd niets verdiend, er waren geen concerten. Dus na een kleine twee jaar besloot het gezin terug te keren naar Parijs. Door middel van kleine baantjes als het begeleiden bij recitals kwam er wat geld binnen maar César Franck had in deze tijd eindelijk ook weer zin om te componeren. Hij schreef enkele trio’s voor piano, viool en cello. Liszt zag ze, leverde opbouwende kritiek en voerde ze enkele jaren later in Weimar uit. In 1843 begon Franck aan zijn eerste niet-kamermuziekwerk, het oratorium Ruth. Het ging in privé-première in 1845 met als toehoorders Liszt, Meyerbeer en andere muzieknotabelen, die een zekere goedkeuring en opbouwende kritiek gaven. In Orléans verzorgde hij jaarlijks begeleidingen bij concerten met liederen en andere kleine werken en vooral in Parijs trad hij regelmatig op als pianist.

Een echt grote verandering kwam toen hij verliefd werd op een van zijn privé-pianoleerlingen, Eugénie-Félicité-Caroline Saillot (1824-1918). Haar ouders waren lid van het gezelschap Comédie-Française onder de artiestennaam Desmousseaux. Hij kende haar van zijn jaren aan het conservatorium en voor de jonge Franck was het ouderlijk huis van zijn geliefde een soort toevluchtsoord geworden. Toen zijn vader toevallig achter de ontluikende relatie kwam wilde hij het contact verbieden Op een zondag in juli liep César-Auguste voor de laatste keer het huis van zijn ouders uit met alles dat hij kon dragen, en verhuisde naar de Desmousseauxs, waar hij werd verwelkomd. Vanaf die tijd noemde de jonge Franck zichzelf César Franck of gewoon C. Franck, zonder het protserige Auguste als achtervoegsel. Hij was vastbesloten een nieuw mens te worden en de oude Franck achter zich te laten.

Zodra hij in 1847 25 jaar oud werd vroeg hij bij zijn toekomstige schoonvader de hand van zijn geliefde, in Frankrijk mocht je in die tijd pas zonder de toestemming van de vader trouwen nadat je 25 jaar was geworden. Hij meldde dit aan zijn ouders die inbonden en besloten bij de huwelijksplechtigheid aanwezig te zijn. Op 22 februari 1848, de maand van de Parijse opstand (ze moesten op weg naar de kerk over barricades stappen..), trouwden ze in de “Notre-Dame-de-Lorette”, de kerk waar hij een jaar eerder was aangesteld als assistent-organist. Hij had nu de gelegenheid om zijn rooms-katholieke toewijding te combineren met het leren van de vaardigheden die nodig waren voor het begeleiden van openbare erediensten, en ook had hij af en toe de gelegenheid om de hoofdorganist te vervangen. Niet heel veel later kon hij eerste organist worden in de nieuwe kerk van “Saint-Jean-Saint-François-au-Marais”. Deze kerk bezat een mooi nieuw orgel (1846) van Aristide Cavaillé-Coll, die naam had gemaakt als een artistiek begaafde en mechanisch innovatieve maker van prachtige nieuwe instrumenten.

Aristide Cavaillé-Coll

‘Mijn nieuwe orgel,’ zei Franck, ‘het is net een orkest!’ Er was nu opeens veel belangstelling voor de improvisatorische vaardigheden van Franck, aangezien de liturgische praktijk van die tijd het vermogen vergde om tussen teksten die gezongen of gesproken werden door het koor of geestelijkheid improvisaties te spelen.

Bovendien leidde Francks speelvaardigheid en zijn liefde voor de Cavaillé-Coll-instrumenten tot zijn samenwerking met de bouwer om diens instrumenten te demonstreren. Franck reisde naar steden in heel Frankrijk. Tegelijkertijd vond er een revolutionaire verandering plaats in de technieken van de Franse orgeluitvoering. De Duitse organist Adolf Hesse (1809-1863), een leerling van Bachs biograaf Johann Nikolaus Forkel, had in 1844 in Parijs de pedaaltechniek gedemonstreerd die (samen met een pedaalbord in Duitse stijl) de uitvoering van Bachs werken mogelijk maakte. Dit viel totaal buiten het soort spel dat Franck van Benoist aan het Conservatorium had geleerd; de meeste Franse orgels hadden niet de pedaaltonen die nodig zijn voor dergelijk werk, en zelfs Frankrijks eigen grote klassieke orgeltraditie uit de periode van Couperin werd in die tijd verwaarloosd ten gunste van de kunst van het improviseren. Hesse’s uitvoeringen waren een sensatie vanwege hun oogverblindende virtuositeit. Hessen’s leerling Jacques-Nicolas Lemmens (1823-1881) kwam in 1852 en ook nog in 1854 naar Parijs. Lemmens was toen professor orgel aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel, en was niet alleen een virtuoos uitvoerder van Bach, maar ook een ontwikkelaar van orgelleermethoden waarmee alle organisten konden leren spelen met precisie, helderheid en legato-frasering. Franck verscheen in hetzelfde openingsconcertprogramma als Lemmens in 1854, en bewonderde niet alleen zijn klassieke interpretatie van Bach, maar ook de snelheid en gelijkmatigheid van Lemmens’ pedaalwerk. Léon Vallas stelt dat Franck, pianist voordat hij organist werd, “zichzelf nooit de legato-stijl volledig heeft eigen gemaakt”; niettemin realiseerde hij zich het belang van de orgelstijl die mogelijk werd gemaakt door de introductie van dergelijke technieken en nam hij de taak op zich om ze onder de knie te krijgen.

In zijn zoektocht om nieuwe orgelspeltechnieken onder de knie te krijgen, werd hij zowel uitgedaagd als gestimuleerd door zijn derde en meest belangrijke orgelfunctie. Op 22 januari 1858 werd hij namelijk als organist en kapelmeester aangesteld in de net ingewijde kerk Sainte-Clotilde (vanaf 1896 de Basilique-Sainte-Clotilde), waar hij bleef tot aan zijn dood. De Sainte-Clotilde werd ontworpen door François-Chrétien Gaud en Théodore Ballu in neogotische stijl, geïnspireerd op de Duitse Rijnlandse kathedralen uit de 14e eeuw. Hierdoor werden de plannen in eerste instantie door de Parijse autoriteiten tegengehouden. Een kerk bouwen naar Duits voorbeeld in Frankrijk, dat nota bene de gotiek zelf had “uitgevonden” voelde niet juist. De gotiek was echter weer uitermate populair en toen door Eugène Viollet-le-Duc de “Sainte-Chapelle” en de “Notre-Dame” werden gerestaureerd, werd ook gestart met de bouw van de “Sainte-Clotilde”. In 1857 werd deze kerk ingewijd.

De kerk Sainte-Clothilde, in 1896 kreeg de kerk de eretitel basilica minor van de paus

Elf maanden later installeerde de parochie een nieuw orgel gemaakt door Cavaillé-Coll. Franck werd bij die gelegenheid als organist-titulaire aangesteld, waarbij Théodore Dubois de functie van koordirigent en assistent-organist op zich nam. Het orgel werd door Franck ingehuldigd. Het was een orgel met drie manualen en een pedaal en prachtige registers waarmee je vooral is staat was om ongelooflijke crescendo’s te bouwen. Cavaillé-Coll schreef daarover als aanwijzing bij gebruik onder meer:
Dit orgel is volledig ontworpen in een dynamisch perspectief met het oog op een gigantisch crescendo. Om luider en luider te spelen, moet de organist gewoon uiteindelijk bijna alle registers uittrekken die deel uitmaken van het Hoofdwerk, bij het recitatiefmanuaal kan alles dicht, deze beide manualen koppelen-en vervolgens spelen op het hoofdwerk, dan de koppeling met het positief register toevoegen en ten slotte de koppeling van het hoofdwerk met het Pedaal aanroepen. Let erop dat u de hoofdwerk-koppeling alleen plaatst als u op dit klavier speelt.
De impact van dit orgel op de composities van Franck kan niet worden overschat; samen met zijn vroege pianistische ervaring vormde het hem voor de rest van zijn leven. Norbert Dufourcq beschreef dit instrument als “tot nu toe ongetwijfeld het grootste meesterwerk van de bouwer,” Franck zelf zei tegen de pastoor van de Sainte-Clotilde: “Als u eens wist hoeveel ik van dit instrument hou… het is zo soepel onder mijn vingers en zo gehoorzaam aan al mijn gedachten!”. Om zich voor te bereiden op de mogelijkheden van dit orgel (inclusief het 27-notenpedaal), kocht Franck een oefenpedaal van “Pleyel et Cie” om thuis te oefenen, en bracht hij daarnaast vele uren door achter de orgelklaviatuur in de kerk.

Het orgel van de Ste. Clothilde

De schoonheid van het geluid en de mechanische voorzieningen die het instrument hem boden, hielpen zijn reputatie als improvisator en componist, niet alleen voor orgelmuziek, maar ook in andere genres. Stukken voor orgel, voor koor en voor harmonium begonnen te circuleren, waaronder de “Messe à 3 voix” (1859). De kwaliteit van de delen in dit werk, gecomponeerd verspreid over een aantal jaren, is wisselend, maar we hebben nu wel nog steeds een van zijn meest populaire en vaak uitgevoerde composities: het communielied “Panis angelicus”.

Nog opmerkelijker is de set van “Six Pièces” voor orgel, geschreven van 1860 tot 1862 (hoewel pas in 1868 gepubliceerd). Deze composities (opgedragen aan collega-organisten en pianisten, aan zijn oude meester Benoist en aan Cavaillé-Coll) maken nog steeds deel uit van het moderne orgelrepertoire en waren, volgens Rollin Smith, de eerste grote bijdrage aan de Franse orgelliteratuur in meer dan een eeuw, en “de belangrijkste orgelmuziek die is geschreven sinds die van Mendelssohn.” De groep omvat twee van zijn bekendste orgelwerken, de “Prélude, Fugue et Variation”, op. 18 en het “Grande Pièce Symphonique”, op. 17.

Door zijn toenemende reputatie als zowel uitvoerder als improvisator bleef Franck veel gevraagd voor inaugurele of inwijdingsrecitals van nieuwe of verbouwde Cavaillé-Coll-orgels zoals het nieuwe instrument in de kerk “Saint-Sulpice” (1862) en later voor orgels in de “Notre -Dame”, de “Saint-Étienne-du-Mont” of het orgel in de “La Trinité”; voor sommige van deze instrumenten had Franck (alleen of met Camille Saint-Saëns) als adviseur opgetreden. In zijn eigen kerk begonnen steeds meer mensen de improvisaties tijdens de mis bij te wonen. Bovendien begon Franck aparte orgelconcerten te geven in de “Sainte-Clotilde”, concerten met eigen werk en dat van andere componisten. Misschien wel zijn meest opmerkelijke concert was tijdens een zondagsmis in april 1866 waar Franz Liszt ook aanwezig was om naar de improvisaties van Franck te luisteren. Hij zei na afloop: ‘Hoe zou ik ooit de man kunnen vergeten die ooit jaren geleden die pianotrio’s schreef?’ Waarop Franck een beetje treurig zou hebben gemompeld: ‘Ik denk dat ik sindsdien betere dingen heb gemaakt’. Liszt organiseerde later die maand een concert in de “Sainte-Clotilde” om de orgelwerken van Franck te promoten, een concert dat goed werd ontvangen door de luisteraars en positieve recensies ontving in de muziekbladen. Ondanks zijn opmerking over de trio’s, was Franck verheugd te horen dat niet alleen Liszt maar ook Hans von Bülow stukken van hem regelmatig bij concerten in Duitsland programmeerde. Franck vergrootte intussen zijn kennis van de Duitse orgelmuziek en hoe die gespeeld moest worden door een concert bij te wonen dat gegeven werd door Anton Bruckner in de “Notre-Dame” in 1869. Inmiddels ontstond er een vaste kring van leerlingen, die bij hem zogenaamd voor orgelstudie kwamen, maar die vooral steeds meer belangstelling toonden voor de compositietechnieken van Franck.

In 1869 begon hij aan een belangrijk koorwerk, “Les Béatitudes”, dat hem meer dan tien jaar zou bezighouden. De vertraging was deels te wijten was aan de Frans-Pruisische oorlog. De oorlog had, net als de revolutie van 1848, ertoe geleid dat veel van zijn leerlingen waren verdwenen, ofwel omdat ze Parijs hadden verlaten of waren omgekomen of gehandicapt tijdens de gevechten. Hij en zijn familie ondervonden economische tegenspoed toen zijn inkomen daalde en voedsel en brandstof schaars werden. Het conservatorium was gesloten voor het academiejaar 1870-1871. Maar er kwam een ​​verandering in de manier waarop Franse muzikanten hun eigen muziek beschouwden; vooral na de oorlog waren ze op zoek naar een “Ars Gallica” die duidelijk Frans zou zijn. De term werd het motto van de nieuw opgerichte “Société Nationale de Musique”, waarvan Franck het oudste lid werd; zijn muziek verscheen op zijn eerste programma in november 1871.

Franck’s reputatie was nu wijdverbreid genoeg, door zijn faam als artiest, zijn lidmaatschap van de Société en zijn kleinere maar toegewijde groep studenten, dat toen Benoist met pensioen ging als professor orgel bij de heropening van het Conservatorium van Parijs in 1872, Franck werd voorgesteld als opvolger. Het bleek dat hij nog steeds geen Frans staatsburger was, dat moest eerst geregeld worden. Franck heeft het naturalisatieproces in één keer doorlopen; zijn voorlopige benoeming op 1 februari 1872 werd in 1873 officieel.

Tot de meest opvallende van zijn studenten op latere leeftijd behoorden Vincent d’Indy, Ernest Chausson, Louis Vierne en Henri Duparc. Zij bewonderden zijn persoonlijke post-romantische stijl met zijn rijke, verrassende harmonieën en ingenieuze contrapunt. Vanwege zijn zachtaardige karakter noemden de leerlingen hun meester “le maître angélique” of “le père Franck”. De bijnaam engelachtige meester kreeg hij doordat hij er als een engel uitzag achter het orgel, door zijn lange witte haar, en zijn zachtaardige karakter zal er ook wel toe hebben bijgedragen.

Franck achter het orgel van de Ste, Clotilde. Zijn lange witte haar gaf hem de bijnaam “le maître angélique”

Franck ervoer vanaf 1873 al snel enkele spanningen in zijn faculteitsleven: hij doceerde net zo vaak compositie als dat hij echte orgellessen gaf. Dit terwijl hij slechts een aanstelling had als orgeldocent; men vond hem te weinig methodisch in zijn onderwijstechnieken (‘Franck heeft nooit onderwezen door middel van harde en snelle regels of droge, kant-en-klare theorieën’), met een nonchalante houding ten opzichte van de officiële boeken die door het conservatorium waren goedgekeurd; en zijn populariteit onder sommige studenten wekte enige jaloezie bij zijn collega-professoren en enkele tegenclaims van vooringenomenheid van de kant van die professoren bij het beoordelen van Francks leerlingen voor de verschillende prijzen, waaronder de Prix de Rome. Vallas zegt dat Franck, ‘met zijn eenvoudige en vertrouwde karakter niet in staat was te begrijpen hoeveel achterbaksheid van het gemenere soort er zelfs in een conservatorium zou kunnen zijn.’

Intussen had Franck allerlei ideeën, hij schreef oratoria, symfonische gedichten en de “Trois Pièces pour orgue” (1878), met als laatste deel het beroemde “Pièce Heroïque”. Met name de oratoria vielen bij veel mensen, ook bij zijn leerlingen, niet in goede aarde. Franck ontdekte in de jaren 1880 dat hij gevangen zat tussen twee stilistische voorstanders: zijn vrouw Félicité, die niet gaf om de veranderingen in Francks stijl waaraan ze gewend was geraakt; en zijn leerlingen, die misschien net zo’n verrassende invloed op hun leraar hadden als hij op hen. Ook waren er enkele meningsverschillen binnen de Société Nationale, waar Saint-Saëns steeds meer op gespannen voet kwam te staan met Franck en zijn leerlingen. Hoe al deze beroering zich precies in de geest van de componist heeft afgespeeld, is onzeker.

In 1886 componeerde Franck de Vioolsonate als huwelijksgeschenk voor de Belgische violist Eugène Ysaÿe. Dit werd een doorslaand succes; Ysaÿe speelde het in Brussel, in Parijs, en ging ermee op tournee, vaak met zijn broer Théo Ysaÿe aan de piano. Zijn laatste uitvoering van het stuk vond plaats in Parijs in 1926, met als pianist Yves Nat. Vallas schrijft in het midden van de twintigste eeuw dat de Sonate ‘Francks populairste werk was geworden, en, in ieder geval in Frankrijk, het meest algemeen aanvaarde werk in het hele repertoire van zijn kamermuziek.’

Op 4 augustus 1885 werd Franck benoemd tot “Chevalier” van het Franse “Légion d’honneur”. d’Indy was verontwaardigd dat hij die onderscheiding slechts kreeg vanwege zijn docentschap orgel aan het conservatorium: Vallas zei: ‘De publieke opinie zag gelukkig beter de waarde van Franck’ en hij citeerde een tijdschrift dat gewoonlijk tegen Franck was en zei dat de prijs ‘boven alles een daad van eer was die terecht, zij het een beetje laat, werd betuigd aan de vooraanstaande componist van “Rédemption” en “Les Béatitudes”.’

De onenigheid tussen de familie van Franck en zijn kring van studenten bereikte een nieuw dieptepunt toen Franck “Psyché” publiceerde (geschreven in 1886-1888), een symfonisch gedicht gebaseerd op een Griekse mythe. De controverse ging niet over de muziek, maar over de filosofische en religieuze implicaties van de tekst. De vrouw en zoon van Franck vonden het werk te sensueel en wilden dat Franck zich zou concentreren op muziek die breder en meer commercieel was. d’Indy, aan de andere kant, sprak over de mystieke betekenis ervan en zei dat het ‘niets van een heidense geest in zich had maar integendeel juist doordrongen was van de christelijke genade.’

Een volgende controverse ontstond met de publicatie van Francks enige symfonie, die in D mineur (1888). Het werk werd slecht ontvangen: het Conservatorium-orkest wilde het eigenlijk niet spelen, het publiek bleef “ijskoud”, de critici waren verbijsterd (de reacties varieerden van het hebben van een onvoorwaardelijk enthousiasme tot het uiten van een diepe minachting), en veel van Francks collega-componisten waren totaal uit het veld geslagen. Een werk waarin met bijvoorbeeld het gebruik van een Engelse hoorn alle formalistische regels en gewoonten van zowel professionals als amateurs werden gelogenstraft. Franck zelf, op de vraag of de symfonie gebaseerd was op een poëtisch idee, antwoordde: ‘nee, het is gewoon muziek, niets anders dan pure muziek.’ Volgens Vallas kan veel van zijn stijl en techniek direct worden herleid tot de centrale plaats van het orgel in Francks denken en artistieke leven. Hij vertrouwde zijn leerlingen toe dat hij vanaf het moment dat hij organist was heel anders is gaan componeren.

In juli 1890 (niet mei 1890, zoals eerder werd gedacht), zat Franck in een cab, een soort taxi die werd aangereden door een zogenaamde “omnibus”, waarbij hij zijn hoofd verwondde en korte tijd bewegingloos op de grond bleef liggen.

Cab, een soort taxi zoals die gebruikelijk was eind negentiende eeuw
Omnibus, grote koets voor veel passagiers, foto Parijs rond 1890

Er leken geen onmiddellijke nawerkingen te zijn; hij voltooide zijn tocht – hij was op weg naar een collega pianist – en vond het zelf van geen belang. Het lopen werd echter pijnlijk en hij voelde zich steeds meer genoodzaakt om af te zeggen bij concerten en repetities, en uiteindelijk besloot hij ook om zijn lessen aan het conservatorium tijdelijk te stoppen. Hij nam zo snel mogelijk vakantie in Nemours, waar hij hoopte te kunnen werken aan enkele orgelstukken en enkele werken in opdracht te maken voor harmonium. Hoewel Franck deze geplande grote verzameling met stukken voor harmonium niet kon voltooien, (ongeveer de helft kwam klaar) werden wel nog de geplande orgelstukken in augustus en september 1890 voltooid. Het zijn de “Trois Chorals”, die tot de grootste schatten van de orgelliteratuur behoren en die tegenwoordig een vast onderdeel van het repertoire vormen. Vallas schreef: ‘Hun schoonheid en belangrijkheid zijn van dien aard dat ze kunnen worden beschouwd als een soort muzikaal testament.’ Een recentere biograaf, RJ Stove, heeft in soortgelijke bewoordingen geschreven: ‘Het gevoel dat Franck een langdurig afscheid neemt, is overal duidelijk. Het is moeilijk, het is bijna onmogelijk te geloven dat de componist van de Chorals nog enige illusies over zijn kansen op volledige fysieke genezing behield.’ Franck begon in oktober aan het nieuwe semester aan het Conservatorium, maar kreeg steeds meer last van zijn eerdere wond. Dit veranderde in de ontstekingsziekte pleuritis, gecompliceerd door pericarditis. Daarna verslechterde zijn toestand snel en hij stierf op 8 november, temidden van zijn familie. Franck’s zware werklast had waarschijnlijk zijn lichamelijke veerkracht aangetast.

De uitvaartmis voor Franck werd gehouden in de “Sainte-Clotilde”, bijgewoond door veel collega’s onder wie Léo Delibes (die het Conservatorium officieel vertegenwoordigde), Camille Saint-Saëns, Eugène Gigout, Gabriel Fauré, Alexandre Guilmant, Charles-Marie Widor (die Franck opvolgde als professor orgel aan het Conservatorium) en Édouard Lalo. Emmanuel Chabrier sprak op het oorspronkelijke graf in “Montrouge”. Later werd het lichaam van Franck verplaatst naar de huidige locatie op de begraafplaats “Montparnasse” in Parijs, in een graf dat ontworpen was door zijn vriend, architect Gaston Redon. Een aantal leerlingen van Franck was erbij toen zijn buste, gemaakt door Auguste Rodin, in 1893 op de zijkant van het grafmonument werd geplaatst.

Grafmonument op de begraafplaats van Montparnasse met een driekwart buste van Franck, gemaakt door Rodin

In 1904 werd er nog een een monument ter ere van Franck geplaatst op het plein “Samuel-Rousseau” aan de overkant van zijn geliefde kerk “Sainte-Clotilde”. Het is een door beeldhouwer Alfred Lenoir gemaakt beeldhouwwerk. We zien César Franck aan het orgel, er wordt hem door een engel inspiratie ingefluisterd. Bij de onthulling was er een toespraak van Vincent d’Indy.

Wat valt er te zeggen over de muziek van César Franck? Veel van zijn werken maken gebruik van het “cyclische vormprincipe”, een techniek die streeft naar eenheid over meerdere delen. Dit kan worden bereikt door het in herinnering brengen van eerder thematisch materiaal in een later deel, of zoals ook heel vaak, dat alle hoofdthema’s van het werk worden gegenereerd vanuit een kiemcel. De belangrijkste melodische onderwerpen, dus met elkaar verbonden, worden vervolgens in het laatste deel samengevat. Franck’s gebruik van het “cyclische vormprincipe” wordt het best geïllustreerd in zijn Symfonie in D mineur (1888). Een van de eersten die ook al met een vergelijkbaar principe werkten was Beethoven. We horen het bij hem bijvoorbeeld in de negende symfonie, in de Grosse Fuge en in nog veel meer van vooral zijn late werken. Bij Franck gaat het niet helemaal op dezelfde manier. Soms is het slechts een herinnering aan eerdere momenten, zonder dat de motieven zelf letterlijk terug komen.

Zijn muziek is verder vaak contrapuntisch complex en hij gebruikt een harmonische taal die typisch laatromantisch is, met veel invloeden van Franz Liszt. In zijn composities toonde Franck een talent en een voorliefde voor frequente, sierlijke modulaties. Studenten zeggen dat zijn meest frequente vermaning was: ‘blijf moduleren, moduleren’. Francks modulerende stijl en zijn idiomatische methode om melodische frases te verbuigen, behoren tot zijn meest herkenbare eigenschappen. Heel kenmerkend voor Franck voor zijn modulatietechnieken zijn bijvoorbeeld onderstaande harmonische wendingen, in een fragment genomen uit het orgelstuk “Pièce Héroïque”. Het stuk staat in B mineur. In dit fragment zijn we in maat 30 aangeland in de paralleltoonsoort D en daarna wordt er weer terug gemoduleerd naar de hoofdtoonsoort. Daar is eigenlijk bijna niets voor nodig, de toonsoorten liggen dicht bij elkaart. Maar Franck doet het op zijn typische “Franck-manier”: met reële sequensen, enharmoniek en veel chromatiek.

De eerste akkoorden van 30, 31 en 32 staan telkens een toon hoger: D, Eb en E. Maat 31 is zelfs in zijn geheel een reële sequens van 30, alle akkoorden zijn een halve toon opgeschoven. Ook zien we enharmoniek: de laatste akkoorden van maat 30 en 31 zijn verminderde septiemakkoorden, maar door enharmonische veranderingen lossen zij anders op dan verwacht. (E#dim7 wil eigenlijk naar F#, maar door het te beschouwen als Ddim7 kan het ook oplossen naar Eb zoals hier ook gebeurt.) Hetzelfde zien we een maat later: F#dim7 kan naar G, maar als D#dim7 ook naar E. Heel kenmerkend zijn ook de wringende dissonanten op de tweede tel van maat 30 en 31. Terwijl de hoge D in maat 30 blijft liggen klinkt daaronder op de tweede tel een C# akkoord. Een maat later hetzelfde: De hoge toon Eb botst met een D akkoord op de tweede tel. De hele toplijn van lange noten is drie maten lang chromatisch: D-Eb-E-E#-F#. Toch is er uiteindelijk een duidelijke toonsoort, in maat 32 klinkt de cadens IV-tussendominant-V-I. Waarbij IV een majeur akkoord is in plaats van een mineur akkoord (een zogenaamd dur-moll, dm, akkoord). De tussendominant in die maat is een verminderd septiemakkoord dat oplost naar de vijfde trap F#. Ik stel me zo voor dat Franck dit ook door zijn leerlingen liet analyseren en er commentaar bij leverde, wellicht opdrachten gaf om iets dergelijks te componeren.

Franck had enorme handen (zoals blijkt uit de foto van hem achter het St. Clotilde-orgel). Hij was in staat om het interval van een octaaf + kwart op het klavier te overbruggen. Dit gaf hem een ​​ongebruikelijke flexibiliteit in stemvoering tussen interne partijen in fugatische composities, en in de brede akkoorden en stukken die in veel van zijn klaviermuziek voorkomen (bijvoorbeeld zijn Prière en Troisième Choral voor orgel). Over het werk van de Vioolsonate is gezegd: “Franck, die geneigd was te vergeten dat niet elke muzikant zulke grote handen had, bezaaide de pianopartij (met name het laatste deel) met majeur-decime-akkoorden… Pianisten zijn sindsdien verplicht ze te breken om ze überhaupt te kunnen spelen.”

Maar de sleutel tot zijn muziek ligt in zijn persoonlijkheid. Zijn vrienden schrijven dat hij “een man van uiterste nederigheid, eenvoud, eerbied en ijver” was. Louis Vierne, een leerling en later organist titulaire van de Notre-Dame, schreef in zijn memoires dat Franck een “voortdurende zorg toonde voor de waardigheid van zijn kunst en voor de adel van zijn missie. Vreugdevol of melancholisch, plechtig of mystiek, krachtig of etherisch: Franck was het allemaal in de Sainte-Clotilde.”

Ongebruikelijk voor een componist van zo’n belang en reputatie, berust de faam van Franck grotendeels op een klein aantal composities die hij in zijn latere jaren schreef, met name zijn Symfonie in d klein (1886-1888), de symfonische variaties voor piano en orkest (1885), de Prelude, koraal en fuga voor piano solo (1884), de Sonate voor viool en piano in A majeur (1886), het pianokwintet in f klein (1879), en het symfonisch gedicht “Le Chasseur maudit” (1883). De symfonie werd vooral bewonderd en invloedrijk onder de jongere generatie Franse componisten en leidde tot een hernieuwde Franse symfonische traditie na de eerdere jaren van verval. Een van zijn bekendste kortere werken is de motetzetting “Panis Angelicus”, oorspronkelijk geschreven voor tenorsolo met orgel- en strijkersbegeleiding, maar ook gearrangeerd voor andere stemmen en instrumentale combinaties.

Als organist stond hij vooral bekend om zijn vaardigheid in improvisatie, en op basis van slechts twaalf grote orgelwerken wordt Franck door velen beschouwd als de grootste componist van orgelmuziek na Bach. Zijn werken behoren tot de mooiste orgelstukken die in meer dan een eeuw uit Frankrijk kwamen en legden de basis voor de Franse symfonische orgelstijl. Met name zijn vroege “Grande Pièce Symphonique”, een werk van vijfentwintig minuten, maakte de weg vrij voor de orgelsymfonieën van Charles-Marie Widor, Louis Vierne en Marcel Dupré, en zijn late Trois Chorals vormen een hoeksteen van het orgelrepertoire.
Hieronder speelt Olivier Latry in de Notre Dame van Parijs op het grote orgel van Cavaillé-Coll zijn allerlaatste compositie, “Choral nr.3”. Hij gebruikt slechts de onderste drie manualen, immers het orgel van Franck had ook slechts drie manualen. Verder kun je hier ook mooi zien hoe makkelijk je met zo’n “Cavaillé-Coll orgel” kunt registreren, dat gebeurt vrijwel uitsluitend met de voeten. Daardoor heb je de handen vrij om steeds door te kunnen spelen. Er zijn geen behulpzame registranten nodig.

Er is onlangs een prachtige documentaire gemaakt (1 uur en 22 minuten!) door Tijmen Wehlburg, in opdracht van de Philharmonie Zuidnederland en Theater aan het Vrijthof Maastricht, over het leven van César Franck. Alle belangrijke plaatsen uit zijn leven worden bezocht, ook het Cavaillé-Coll orgel van de St. Clothilde in Parijs, waar je onder meer fragmenten van “Pièce Héroïque” kunt horen, gespeeld dus op het orgel waar ook César Franck op speelde. De huidige organist Olivier Penin wil op dat orgel alle orgelwerken van Franck integraal gaan opnemen. Maar er worden door Tijmen ook mooie analyses gemaakt waaruit de invloed van Liszt op Franck maar vooral ook de invloed van Franck op Debussy en Ravel blijkt.

Overigens: Het klaviatuur waar Franck op speelde staat nu in Museum het Vleeshuis in Antwerpen. Er zijn na de dood van Franck nog vier grote aanpassingen aan het orgel geweest. Zo zijn de drie manualen uitgebreid van 54 naar 61 noten, het pedaal van 27 naar 32 noten en zijn er bij de derde aanpassing 13 registers toegevoegd. Uiteindelijk is alles elektrisch gemaakt en zijn er ook chamades bijgekomen. Bij de laatste aanpassing is er nog een tweede, extra, verrijdbaar klaviatuur toegevoegd, en wel eentje met vier manualen: een extra manuaal voor de chamades. Dat klaviatuur kan midden in de kerk worden geplaatst en wordt nu voor concerten gebruikt. De huidige organist Olivier Penin heeft veel muziek van Franck hierop gespeeld en opgenomen.

Hieronder het Pièce Héroïque door hem gespeeld op dit orgel in de St. Clothilde van Parijs

Een belangrijk deel van bovenstaande tekst is afkomstig van een Engelstalige wikipedia-pagina., door mij vertaald, aangepast en op diverse plaatsen ingekort. De analyses zijn van mezelf. Dit artikel zal waarschijnlijk de komende tijd nog worden uitgebreid.

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , | 1 reactie

Beveiligd: Pièce Héroïque van César Franck

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Een majestueuze volle Maan

Komende nacht (9 minuten voor 1) is het exact volle maan. Maar een dag ervoor of erna lijkt de maan ook al helemaal vol. Afgelopen nacht was het helder, de maan stond de hele nacht te schitteren en het licht van de sterren werd er danig door getemperd. Nu is het al weer bewolkt aan het worden, en de echte volle maannacht, komende nacht is waarschijnlijk niet zo mooi als die we net gehad hebben. Het is op dit moment ook geen supermaan, de maan staat in zijn baan om de aarde juist relatief ver weg. Zo ver dat ik, wanneer ik de uiterste telestand van mijn camera gebruik, de maan precies in zijn geheel in de lens kan vangen. Bij supermaan (komende juni en juli) zie ik dan slechts een deel van de maan. Mijn camera geeft zo een indicatie van de afstand van de maan, als ik het opzoek dan blijkt dat te kloppen.

De volle maan weerspiegelt niet alleen het licht van de zon, ook de baan van de maan weerspiegelt die van de zon. En wel de baan zoals de zon die zes maanden later maakt. Midden in de zomer komt de zon in het NO op en gaat in het NW onder. Midden op de dag staat de zon dan heel hoog aan de hemel, bijna in het zenith. Zo was het ook met de volle maan nu: hij kwam op in het NO en ging vanochtend in het NW onder, een grote machtige baan via het zuiden. Het zilvergrijze licht maakte er een nacht van met mooie, lage schaduwen. Over zes maanden is het precies andersom. Dit alles maakt dat de volle maan vooral midden in de winter majestueus is.

Hieronder staan foto’s van rond half acht vanochtend, de zon moest nog opkomen. In het ZO zag je nog sterren, zoals de superreus Antares. De maan in het NW werd ook nog van sterren voorzien: Pollux, Castor en meer naar het noorden twee sterren van de voerman: Menkalinan en Capella. De laatste foto maakte ik toen de zon net op was om vijf voor negen.

Vrij laag rechts staat de ster Antares. Venus, Mars en Mercurius zijn al op maar ze zijn niet te zien door de wolken
Aan de kraterrand links kun je zien dat de maan nog net niet helemaal vol is
Geplaatst in Astronomie, natuur | Tags: | 2 reacties

Het magneetveld van een planeet en de zon in een lege bel

Mijn kleinzoon vraagt me herhaaldelijk: – ‘zijn er nu al plekken gevonden in het heelal waar leven is?’ -’Nee’, is dan steeds mijn stellige antwoord. –‘Zelfs in de buurt van de aarde op de maan of op Mars, er is nog nergens een teken van leven gevonden. Laat staan op een exoplaneet.’

Wat zijn de voorwaarden om leven mogelijk te maken? Meestal dachten de meeste  wetenschappers tot nu toe: er moet vloeibaar water aanwezig zijn. Het is duidelijk dat op aarde water vrij essentieel is en de meeste levensvormen die er nu op aarde zijn hebben een evolutionaire oorsprong vanuit water. Toch is dat niet helemaal zo. Er blijken bacteriën in het binnenste van vulkanen te zijn die leven in een wereld die voor vrijwel alle andere leven dodelijk is: een wereld met zwavelverbindingen waar geen druppeltje water aan te pas komt. En deze leefomstandigheden zijn ooit in een zeer ver verleden de standaard geweest op aarde, er was toen helemaal geen water. Alleen, we proberen ons bij leven toch ook al gauw vormen van leven voor te stellen die meer richting de planten en dieren van nu gaan, en daar is water toch wel erg belangrijk bij, zo lijkt het. Maar het leven op aarde is waarschijnlijk ook te danken aan het magneetveld van de aarde. Magneetvelden beschermen planeten tegen kosmische straling. Kosmische straling bestaat uit geladen deeltjes die de atmosfeer beschadigen. Mars heeft nauwelijks een magneetveld en misschien is dat wel de voornaamste reden waarom er daar tot nu toe geen leven is gevonden. Want Mars bevindt zich op een afstand van de zon dat vloeibaar water gedurende bepaalde periodes op bepaalde plekken aanwezig kan zijn, of ooit aanwezig geweest zou kunnen zijn. Maar het zou best wel eens kunnen zijn dat die voorwaarden niet genoeg zijn.

Bij de zoektocht naar exoplaneten kijken de wetenschappers naar planeten allereerst naar de afstand van een planeet tot de ster waar hij om heen draait.  Vooral wil men weten of de temperatuur op het oppervlak enigszins vergelijkbaar met die op aarde is. We weten dat supergrote planeten een metalen kern hebben en dat er vanuit de omliggende lagen een enorme druk en warmte op dat metaal wordt uitgeoefend.  Door met zeer sterke lasers op metaal te schieten bleek dat zowel de temperatuur als de druk sterk opliepen. Zo kon het smeltpunt van ijzer bij deze druk worden bepaald en men zag hoe er kristallen ontstonden vergelijkbaar met hoe koolstof onder hoge druk verandert in diamant. En die details spelen een grote rol bij de vorming van een magneetveld. In hoeverre dit allemaal echt belangrijk is bij het vraagstuk van de leefbaarheid van zo’n exoplaneet, daarover zijn de wetenschappers het nog niet eens. Maar toch kan deze ontdekking tot gevolg hebben dat de zoektocht naar leven weer een extra dimensie gaat krijgen.

Meer over dit onderzoek staat in een artikel in de Volkskrant van zaterdag 15 januari 2022. Het artikel met de naam “een magneetveld, dus kans op leven” is geschreven door Georges van Hal.

Eerder deze week (donderdag 13 januari) was er nog een interessant artikel, ook van Georges van Hal, te lezen: “we leven in een enorme kosmische bubbel”. Astronomen  ontdekten waarom de aarde en zon min of meer precies in het midden van een reusachtige kosmische bel zitten, eentje met een doorsnede van een grove duizend lichtjaar, zo’n 10 biljard kilometer.

(afbeelding van wikipedia)

Binnen in die duizelingwekkend grote bubbel is het naar kosmische maatstaven behoorlijk leeg: er is weinig ronddwarrelend stof, er zijn weinig sterren. Terwijl aan de rand van die bubbel plots duizenden jonge sterren opduiken. Dat mag je gerust raar noemen. Kenners wisten al decennia dat deze kosmische bel bestaat: de Lokale Bel. In een artikel dat woensdag verscheen, beschrijven onderzoekers aan de hand van een geavanceerde computeranimatie voor het eerst hoe die mysterieuze bel ooit is ontstaan. Zo’n 14 miljoen jaar geleden ontploften, verdeeld over een langere periode, 15 sterren in een zogeheten supernova, een explosie waarbij sterren sterven en hun inhoud de ruimte inslingeren. Het gas dat voorheen in de omliggende ruimte hing, werd door de kracht van die explosies naar buiten geduwd. Toen de eerste supernova-explosie plaatsvond, stonden de aarde en de zon daarbij niet in de buurt. Sterren bewegen door de Melkweg, en op die manier vlogen we vijf miljoen jaar geleden plots deze bel in, die op dat moment al miljoenen jaren bestond. Daarbij kwamen we toevallig in het midden terecht. De zon zal in de loop van enkele miljoenen jaren het gebied weer verlaten en in een deel van de Melkweg komen waar weer meer “gruis” aanwezig is.

Ik vraag me dan gelijk af: wat voor invloed heeft dat op de zon en hoe waren de omstandigheden van ons zonnestelsel voordat het deze leegtebubbel betrad? Dat moet toch iets doen met de zon, zijn planeten en dus ook met de aarde? Mijn tweede vraag zou zijn: dit is een macro-kosmische gebeurtenis, is er ook een micro-kosmische equivalent? Hier ga ik nog een nachtje over slapen…

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Beveiligd: Muziek en kleuren

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Arno Landmann

Een aantal jaren geleden was ik in Weimar en Leipzig, allebei steden in het voormalige Oost-Duitsland. Maar wat een culturele erfenis is daar nog aanwezig! Het zijn de steden van Bach, Mendelssohn, Liszt, Goethe en Schiller. In Leipzig is het beroemde Gewandhausorchester gevestigd en daar stichtte Mendelssohn het eerste Conservatorium van Europa. Het is ook de stad van de vele uitgeverijen, zoals die van Peters.

Mendelssohn wilde degelijk muziekonderwijs. Iedereen die op zijn conservatorium een instrument leerde bespelen kreeg ook les in allerlei algemene muzikale vakken: solfège, gehoortraining, muzikale analyse, maar vooral ook moesten de studenten zich bekwamen in het componeren in de stijl van Bach. Dat zou voor iedereen een goede basis moeten vormen. In deze stad ontstond zo bijvoorbeeld de befaamde “schoolfuga”. Dit concept werd in heel Europa nagevolgd, vooral ook in Parijs.

In Leipzig kreeg de Litouwse componist Ciurlionis nog les op dat conservatorium, onder meer van Jadassohn, die allerlei boeken over harmonieleer en contrapunt schreef. Alles in een degelijke, maar vooral ook ouderwetse stijl. Hij was er achteraf niet zo over te spreken. Zijn tijdgenoot Schönberg, de beroemde componist maar vooral ook beroemde pedagoog, gaf privéles in onder meer harmonieleer. Hij vond zijn collega’s in Leipzig hopeloos ouderwets en schreef zelf daarom een aantal alternatieve leerboeken.

Arno Landmann

Het conservatorium van Leipzig bleef de hele twintigste eeuw behoudend en leverde mensen als Max Reger af, maar ook leerlingen van hem zoals Arno Landmann. Landmann (1887-1966) werd geboren in Jena en kreeg zijn eerste professionele opleiding in Weimar, aan de Groothertogelijke Muziekschool aldaar. Hier studeerde hij naast zijn hoofdvak orgel ook nog fagot, piano en cello. In 1908 werd hij benoemd tot organist in de Stadtkirche van Weimar en in 1909 als orgelleraar op dezelfde muziekschool waar hij eerst zelf les had gehad. Maar hij wilde hoger op, dus toog hij naar Leipzig. Daar kreeg hij opnieuw orgelles, nu van Karl Straube en van Max Reger. Straube beschreef hem als “een onovertroffen orgelvirtuoos”. Na twee jaar studie vertrok hij weer omdat hij een aanstelling had gekregen in Mannheim. Hij werd daar de organist van het net klaar gekomen grote Steinmeyer-orgel van de “Christuskirche”, een functie die hij tot 1943 bekleedde. Naast zijn werk als dirigent van kerkmuziek, trad Landmann in veel Duitse steden op als organist. Ook schreef hij een aantal composities, vooral voor orgel.

Afgelopen zaterdag tijdens het Nieuwjaarsconcert van organist Gerben Budding in de St. Jan van Gouda werd een van de orgelcomposities van Landmann gespeeld. Een thema van Händel met daarop een aantal variaties, dat alles heel traditioneel uitgewerkt. Luister naar zijn uitwerking van het thema en variatie 2.

Thema
Variatie 2

Het lijkt wel of de vernieuwingen van Strawinsky, Schönberg of Debussy niet tot deze componist zijn doorgedrongen, hij schrijft muziek in een helder maar ouderwets harmonisch jargon. Tegelijk is dit wel een monumentaal stuk, enigszins vergelijkbaar met de Diabelli variaties van Beethoven. Harmonisch gaat Beethoven soms nog verder dan Landmann, zoals in een enkele variatie waar Beethoven al vooruitwijst naar de late Liszt. Luister hier maar eens naar variatie 20 van de Diabelli-variaties van Beethoven, iets dergelijks zul je niet horen bij Landmann:

Diabelli variaties Beethoven variatie 20, Arhur Schnabel piano

In zijn variatietechniek doet Landmann me daarentegen wel aan Beethoven denken, vergelijk de opzet van variatie 22 van de Diabelli-variaties van Beethoven met een van de variaties op dat thema van Händel van Arno Landmann.

Diabelli variaties Beethoven variatie 22, Arhur Schnabel piano
Variatie Landmann

Het orgelstuk heeft architectonisch gezien een mooie opbouw, met veel contrasten. Waar in het begin de variaties nog afzonderlijk te onderscheiden zijn, is dat later minder het geval, waardoor je bijvoorbeeld halverwege het stuk het gevoel van een soort langer contrasterend middendeel krijgt.

Net zoals Beethoven uitbundig met een hoogtepunt eindigt, zo doet Landmann dat ook. Nu hoor je dat hij inderdaad een zeer begaafd en virtuoos organist was. Eigenlijk zou je in de Sint Jan moeten zijn om de opbouw naar dat hoogtepunt echt goed te beleven!

Het muziekstuk is door organist Gerben Budding mooi geregistreerd en de beide registranten wisten alles goed voor elkaar te krijgen. Het is een compositie die meer geschikt lijkt te zijn voor een laatromantisch Duits orgel zoals het Steinmeyer orgel waar hij het oorspronkelijk voor geschreven heeft, maar op het Moreau-orgel kun je ook een heel eind komen! Voor mij waren de componist en de compositie compleet nieuw, en ondanks de ouderwetse stijl bleef ik geboeid. Het hele concert valt nog terug te beluisteren, maar het duurt maar liefst twee uur en tien minuten. Vlak voor de korte pauze waarin een CD-presentatie plaats vond, werd het stuk van Landmann gespeeld. De afspeelknop hieronder staat afgesteld op het moment van de aankondiging van dat stuk, het stuk zelf duurt 17 minuten.

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , , , , , | 2 reacties

Beveiligd: De monumentale muziek van Widor

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Beveiligd: Orgelgroet

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Geen kracht meer om te leven

Nu het alweer Kerstmis is geweest is ook de adventstijd weer voorbij, de tijd dat er reikhalzend wordt uitgekeken naar de geboorte van Jezus. Dat wachten op betere tijden heeft in de loop van de tijd veel dichters en componisten geïnspireerd. Het viel zowel mij als mijn vrouw op dat de cantates die Bach schreef voor de adventstijd eigenlijk veel mooier en inspirerender zijn dan die voor 1e of 2e kerstdag. De donkere tijd van hoop leent zich eerder tot het componeren van mooie muziek dan de lichte tijd van feesten. Ja, je hebt dan natuurlijk op Kerstmis ook nog het Weihnachts-oratorium van Bach, of de Messiah van Händel. Te zijner tijd wil ik een keer meer over een van die mooie adventscantates van Bach vertellen, die mij meer raken dan de feestelijke muziek van de tijd na de advent. Maar nu wil ik me richten op een lied van Johann Crüger uit 1653, met een tekst uit de twintigste eeuw van Willem Barnard. Het staat als lied 129 in het liedboek der kerken. Het is een tekst die een hopeloze aarde (de stad van onze vrede) maar vooral ook een hopeloze mens verbeeldt, iemand die geen kracht meer heeft om te leven. Oorspronkelijk was er een vergelijkbare tekst van Paul Gerhardt, die ook op dezelfde melodie als die van Crüger is gezet. Deze tekst is gemaakt in de tijd van de verschrikkingen van de dertigjarige oorlog. Zowel de Duitse tekst van Gerhardt als ook de Nederlandse van Barnhard zouden geplakt kunnen worden op een tijd van oorlog, op de tijd van ziektes als de pest, op de tijd van hongersnood of op een andere ellendige tijd, waar ter wereld dan ook. De mens kijkt in dit lied reikhalzend uit naar betere tijden. De hoop en het geloof in die betere tijd wordt gesymboliseerd door de geboorte van de verlosser met Kerstmis. Het is zo een universele tekst die altijd en overal zijn kracht zal behouden. Ziehier de tekst van de eerste en de zesde (laatste) strofe van Barnard:

Geen kracht meer om te leven,
geen licht om op te staan;
de stad van onze vrede,
de stad van Gods bestaan,
is kinderloos alleen,
berooid, beroofd, verlaten,
de wanhoop in haar straten,
de winter om haar heen.

Gij hemel vastbesloten,
gij wolken zwaar en grijs,
geeft heden uit den hoge
uw volk rechtvaardigheid
als dauw die na de nacht
omlaag daalt allerwege,
als hemelhoge regen
die alles vruchtbaar maakt!

Als het lied gezongen wordt op de melodie van Crüger klinkt het heel neutraal, het zijn de woorden die het moeten doen. Maar je kunt deze tekst ook muzikaal verbeelden. Organist Gerben Budding heeft bij zijn adventsconcert van afgelopen vrijdag in de Sint Janskerk van Gouda besloten om als slot van het concert een improvisatie te spelen, geïnspireerd op deze tekst, met als neutrale drager bovenstaande melodie van Crüger.

Naast deze melodie maakte hij ook nog gebruik van lied 154 uit het Liedboek. Ook hier gaat het om een dramatische tekst, een die gaat over de kindermoord. De tekst is van Vondel, de melodie is van Jan van Biezen. Ook hier weer laat ik uitsluitend het eerste en vijfde (laatste) couplet zien. Na ongeveer 5 minuten hoor je elementen van dit gezang in de improvisatie verschijnen.

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Beveiligd: Orgelspel

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Beveiligd: De mimiek van Daniël Roth en de dramatiek van Julius Reubke.

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

James Webb telescoop

Voor iedereen die zich met astronomie bezig houdt is de Hubble telescoop een begrip. Dankzij die ruimtetelescoop hebben we prachtige foto’s van allerlei ruimte-objecten gekregen, en vooral ook van objecten ver voorbij ons eigen Melkwegstelsel. De structuur van het heelal is door de Hubble veel verder dan ooit voor mogelijk werd gehouden ontrafeld. Maar we zouden nog meer terug willen gaan in de tijd. Hoe zag het heelal er vlak na de oerknal uit? Dat kan de Hubble niet zien. Dus hebben wetenschappers van de Nasa en Esa zich al vanaf ongeveer 2004 bezig gehouden met het ontwikkelen van een opvolger van de Hubble, een ruimtetelescoop die dit wel zou moeten kunnen. Op 25 december wordt daarom naar verwachting de ruimtetelescoop James Webb gelanceerd. James Webb was tot 7 oktober 1968 directeur van ruimtevaartorganisatie NASA, tot net voordat de eerste Apollo vluchten richting de maan gingen. Zijn naam is nu vereeuwigd in die van de nieuwe telescoop.

De James Webb telescoop kan dus veel verder de kosmos inkijken dan de Hubble dat kon en als alles gaat werken kan hij belangrijke informatie ontdekken over het moment van de vorming van de eerste sterren. Die informatie komt er in de vorm van infrarood licht dat op te vangen valt als een minimale warmtebron. Maar dan mag geen enkele andere bron dit verstoren. Met name niet de warmte die de aarde, de maan, de zon en zelfs de ruimtetelescoop zelf uitstralen. De telescoop wordt allereerst genavigeerd naar een zogenaamd “Lagrangepunt”, dat is een plek waarbij de aantrekkingskracht van aarde en zon elkaar opheffen. Er zijn 5 van dergelijke punten. Punt L2 is in principe het meest gunstig omdat zon, aarde en maan zich dan allemaal achter de telescoop bevinden.

Een schild moet alle warmte die naar de ruimtetelescoop gaat tegenhouden. Aan de kant van de telescoop richting de eindeloze ruimte is het ijzig koud. In 2015 werd de telescoop James Webb bij Nasa in Washington voor het eerst in elkaar gezet. Ook werd de telescoop toen voor het eerst gekoeld tot 233 graden onder nul, de temperatuur die hij ook straks in de ruimte heeft. Dat afkoelen gaat heel langzaam en voorzichtig om ijsvorming of barstende instrumenten te voorkomen. Een rondje testen kostte op die manier al snel een maand of vier.

Er kan nog veel mis gaan. Met name als de telescoop op het juiste punt is aangeland, dan moet het schild heel voorzichtig worden uitgeklapt en dat is een uiterst precair werkje. Daarna moeten twee spiegels worden uitgeklapt. Ook dat kan theoretisch mislukken. De hoofdspiegel “spiegelt” informatie naar een tweede spiegel die in contact staat met allerlei meet apparatuur. George van Hall schrijft in de Volkskrant:  zou de telescoop op de aarde staan, dan zou hij gevoelig genoeg zijn om de warmtestraling van een hommel te meten op het oppervlak van de maan. En dat is genoeg om ook die paar lichtstralen van het vroegste heelal te vangen. Het schild is gemaakt van flinterdun plastic. Gaat bij het uitrollen van dat schild in de ruimte straks ook maar iets mis, dan is de peperdure ruimtetelescoop – totale kosten: 10,4 miljard euro – misschien direct waardeloos.

Hopelijk wordt over een half jaar “James Web” net zo’n begrip als dat “Hubble” dat nu is. Honderden wetenschappers, ingenieurs en technici hebben zich er tot nu toe al mee bezig gehouden. Bij succes kunnen er spectaculaire nieuwe ontdekkingen worden gedaan, bewust of als bijvangst van de beoogde onderzoeken. Het resultaat van het werk van bijna 20 jaar kan dan eindelijk worden geoogst. Heel spannend dus. Om te beginnen is natuurlijk spannend de lancering over zes dagen, maar vooral ook wat er daarna nog moet gebeuren: het uitklappen van het scherm, van de spiegels en het testen van de apparatuur. Over zes maanden weten we hopelijk meer!

Het Volkskrant-artikel is te lezen in de digitale versie van zaterdag 18 december 2021. Heel aardig is dat daar ook in een mooie animatie te zien is hoe de telescoop binnen het Lagrangepunt om de aarde heen gaat bewegen.

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Morgenrood

Geplaatst in natuur | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Beveiligd: Een sneeuwwit vogeltje

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

De baan van de planeten

Heliocentrisch en geocentrisch
Het planetarium van Eise Eisinga wordt waarschijnlijk op de lijst van wereld-erfgoed geplaatst. Als je dit planetarium bekijkt dan zie je als het ware van buitenaf hoe ons zonnestelsel is opgebouwd. Alle planeten, inclusief de aarde, draaien in een baan die overeenkomt met hoe het op dat moment ook in het echt is. Ga er omheen staan en probeer je voor te stellen wat je ziet als je ergens op dat nietige bolletje, de aarde bent. Kijk je vanuit de aarde naar Mercurius, dan merk je dat je eigenlijk ook enigszins richting de zon kijkt, immers Mercurius staat vanuit de aarde gezien dichtbij de zon. Als je kijkt vanuit de aarde naar Venus dan geldt hetzelfde, de zon staat er ook in de buurt. Maar tegelijk zie je in de loop van een lange tijd Venus om de zon heen draaien, soms lijkt hij dan vanuit de aarde gezien naar links te gaan, soms naar rechts. (Het duurt te lang om dat in het planetarium zelf te kunnen zien..) Het planetarium is heliocentrisch, de zon staat centraal, maar kijkende vanuit de aarde maak je het in gedachten geocentrisch: dan zie je alles vanuit de aarde. Eise Eisinga wist nog niets van het bestaan van Uranus en Neptunus. Die draaien dus nog niet mee in zijn planetarium. Kijk voor meer info over dit prachtige planetarium op deze site.

Het ontstaan van het zonnestelsel
Vlak na de geboorte van ons zonnestelsel waren er veel meer planeten. De eerste miljard jaar waren er geregeld ongelukken. Deze planeten hadden allemaal hun eigen beweging, maar de grootste planeten slokten kleinere op of dwongen hen door hun aantrekkingskracht in een andere baan te gaan draaien. Inmiddels is dat proces zo ver gevorderd dat alle planeten vrijwel in hetzelfde vlak draaien, er is een soort evenwicht bereikt. Maar nog steeds gebeuren er kleine ongelukjes. Zo weten we dat de maantjes Deimos en Phobos van Mars oorspronkelijk een soort miniplaneetjes waren, die ingevangen zijn door Mars en over enkele miljoenen jaren op Mars te pletter zullen slaan. Binnen een mensenleven maken we dat soort ongelukken niet mee, daarvoor gebeurt het nu veel te zeldzaam. Het lijkt wel of alles inmiddels een vaste plaats heeft. Er zijn zo acht planeten, die allemaal in hetzelfde vlak draaien, het vlak waarin we ook de zon en de maan zien bewegen. Dat geprojecteerde vlak noemen we de dierenriem. ’s Nachts staan deze objecten dus allemaal ergens in de dierenriem.

Afstand van de planeten tot de zon
Waar we deze planeten kunnen zien aan de nachtelijke hemel is van een aantal factoren afhankelijk. Ze hebben allemaal hun eigen afstand tot de zon en hun eigen omloopsnelheid. Met het blote oog zou je ze allemaal in principe moeten kunnen zien, behalve Uranus en Neptunus, die staan te ver weg. Daar heb je een telescoop voor nodig, bij Uranus kan een goede verrekijker onder goede omstandigheden trouwens wel al volstaan. Hoe verder weg een planeet staat, hoe meer zijn baan lijkt op die van gewone sterren: we zien deze planeet dan per dag nauwelijks van positie veranderen. Logisch, Neptunus doet er 165 jaar over om een keer om de zon te draaien, waar de aarde daar 1 jaar voor nodig heeft. De verst af gelegen planeet die je nog goed met het blote oog kunt zien is Saturnus. Maar ook deze planeet lijkt weinig van plek te veranderen, hij doet er bijna 30 jaar over om een keer helemaal om de zon te draaien. Hoe dichter je bij de zon komt, hoe korter de omloopsnelheid. Mercurius die het dichtst bij de zon staat draait zijn rondjes in slechts 88 dagen.

Binnen- en buitenplaneten.
Mercurius en Venus staan tussen de aarde en de zon in. Het betekent dat we ergens in de richting van de zon moeten kijken om ze te kunnen zien. Het betekent ook dat we ze dus heel vaak niet kunnen zien, met name om Mercurius te kunnen zien worden we voor een groot deel van het jaar verblind door het zonlicht. Maar als die binnenplaneten vanuit de aarde gezien in hun baan wat verder van de zon af lijken te staan kunnen we ze allebei wel goed zien. Dat zal dus in die gevallen altijd niet zo lang ná zonsondergang of niet zo lang vóór zonsopgang moeten zijn, en je moet kijken op het punt oftewel waar de zon onder is gegaan oftewel in andere gevallen waar hij iets later gaat opkomen. Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus staan verder dan de aarde van de zon. Het zijn de buitenplaneten. In theorie zou je die ooit een keer op elk moment van de nacht moeten kunnen zien. Zie je midden in de nacht een planeet, dan weet je zeker dat het om een buitenplaneet gaat.

Complicerende factoren: de baan van de aarde
De aarde draait ook om de zon. Als je naar een planeet kijkt zie je dus feitelijk een positie die is afgeleid van de beweging van die planeet zelf en die van de aarde. Het kan zelfs zijn dat daardoor gedurende een of meer dagen de betreffende planeet opeens de andere kant op lijkt te gaan. We noemen dan dat deze planeet op dat moment retrograde is. Bij de binnenplaneten is dat zo wie zo zoals ik eerder uitlegde schering en inslag. Maar ook de buitenplaneten kunnen door deze eigenbeweging van de aarde retrogade zijn.

Nog meer complicerende factoren: rond of elliptisch
Venus is de enige planeet die een bijna perfecte ronde baan om de zon maakt. Al de andere planeten hebben een meer of minder sterk elliptische baan. Mercurius en Mars zijn daarin het meest excentriek. Door zijn elliptische baan staat Mercurius zelfs heel vaak dichter bij de aarde dan Venus! Dan heb je nog het feit dat bijvoorbeeld Mars aan dezelfde kant van de Zon kan staan als de aarde. Hij is dan relatief dichtbij en opeens veel helderder. Hij kan juist ook aan de andere kant van de zon staan gezien vanuit de aarde. Dan is hij gelijk een stuk minder beter zichtbaar. Dat verschil is bij de andere planeten minder sterk.

Wat kun je vandaag zien op 12 december 2021?

Al voor zonsondergang zie je prachtig de maan in het zuiden staan, maar zogauw de zon weg is verschijnt al heel snel Venus in het Zuid-Westen. En je hoeft daarna niet lang te wachten om een eind links van Venus Jupiter te zien, en als het nog wat donkerder is, rechts van Jupiter, staat dan Saturnus. Met een telescoop kun je een groot deel van de nacht Uranus zien. En met heel veel geluk zie je vlak voordat de zon weer opkomt in het Zuid-Oosten Mars. Mercurius zal je de komende nacht niet zien, hij staat dan vanuit de aarde gezien te dicht bij de zon. En ook om Neptunus met een sterke telescoop te kunnen zien moet je een tijdje wachten, hij staat nu vanuit de aarde gezien eveneens in dezelfde blik-richting als de zon.

Vaak kijken helpt. Ik herken nu altijd feilloos alle planeten, waar en wanneer ik ook naar de hemel kijk. Op dit moment kijk ik er vooral naar uit om Mars weer een keer te kunnen zien. Dat is alweer een hele tijd geleden. En het zien van Mercurius blijft voor mij altijd een speciale gebeurtenis. Daar moet je niet alleen de juiste dag voor hebben, maar je zult vooral ook op het juiste moment moeten kijken. Meestal is deze planeet niet langer dan hooguit een kwartiertje te zien.

Christiaen Huygens keek met zijn eigengemaakte telescoop al in het midden van de zeventiende eeuw regelmatig naar alle planeten, “dwaalstarre” werden ze toen vaak genoemd. En alle eigenaardigheden zoals hier nu door mij beschreven waren voor hem gesneden koek. Maar hij fantaseerde er wel op los, over mogelijk leven bijvoorbeeld. De dwaalstarre bleven magisch. Voor mij zijn ze het eigenlijk ook nog steeds. Elk bezoek aan een planetarium is een feest. Net als elke heldere nacht een feest is, een feest van verwondering. De planeten leiden en begeleiden ons geheimzinnig, elke nacht weer.

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , | Een reactie plaatsen

De dierenriem

Wat is de dierenriem?
De aarde draait om de zon. Het vlak waarin dat gebeurt kun je projecteren tegen de sterrenhemel. Zo ontstaat er dan in gedachten een soort cirkel aan de hemel. In de nacht zie je in die cirkel bepaalde sterren. Maar in de loop van het jaar zie je dat die sterren door deze draaiing van de aarde een beetje opschuiven. Na een jaar ben je weer bij het begin. Als je nu die cirkel in 12 gelijke segmenten verdeelt, dan kun je aan de sterren in dat segment zien in welk deel van het jaar je bent. Het zijn de sterren van de zogenaamde dierenriem. Tweeduizend jaar geleden waren die segmenten een beetje anders dan nu. Dat komt omdat niet alleen de aarde om de zon draait, maar ook de zon en al zijn planeten een beweging maken binnen ons melkwegstelsel. Feitelijk zijn alle segmenten na 2000 jaar een sterrenbeeld opgeschoven . Waar in het jaar 0 de zon in Ram stond van 21 maart tot ongeveer 21 april zien we nu in dat tijdsbestek op die plek sterren die horen bij het sterrenbeeld Vissen.

Astronomie en astrologie.
Astrologisch zijn er kenmerken gekoppeld aan al deze tekens. Het begin van de lente, het moment waarop de zon in ram kwam te staan, stond voor het onstuimige optimisme van zowel het dier “ram” als het gevoel van het begin van de lente: de dagen zijn weer langer dan de nachten! Zo is er aan elk dierenriemteken een kenmerk toegekend. De astrologie hanteert deze kenmerken nog steeds, maar koppelt die niet aan de sterren die je op dat moment ziet, maar puur alleen aan het segment aan de hemel dat hoort bij bijvoorbeeld het begin van de lente, het begin van de zomer enzovoort.

Het beeld.
Zie je nu ook echt iets van een ram aan de hemel? Welnee. Je hebt er veel fantasie voor nodig. Dat geldt voor elk dierenriemteken, met uitzondering misschien van het teken Tweelingen: daar zie je twee bijna even heldere sterren die je samen als een tweeling zou kunnen beschouwen. De namen van de dierenriemtekens lijken eerder gebaseerd op hoe de mensen tweeduizend jaar geleden de maanden van het jaar ervoeren en hoe ze hier symbolen bij hebben verzonnen die dat enigszins uitdrukten. Vandaar dat het ook terecht is dat de astrologie nog steeds niet uitgaat van wat je werkelijk aan de hemel ziet, maar in welk deel van het seizoen je bent.

Waar staan de tekens van de dierenriem?
Heb je deze tekens van de dierenriem zoals ze nog steeds in de astronomie (niet astrologie) gehanteerd worden wel eens in het echt gezien? Dan moet je uiteraard ‘s nachts kijken. En in elk jaargetijde zie je weer andere tekens. Als je dat een jaar volhoudt heb je ze allemaal wel een keer gezien. Waar moet je dan kijken? Feitelijk moet je kijken naar de geprojecteerde baan van de aarde om de zon. of eigenlijk naar de baan van de zon, want het lijkt alsof die beweegt: ‘s ochtends komt hij op, ‘s avonds gaat hij onder. aan het begin van de zomer komt de zon in het NO op en gaat hij in het NW onder, aan het begin van de winter komt hij in het ZO op en gaat in het ZW onder. De baan is korter en de zon staat dan ook veel dichter bij de horizon. Maar nu komt het: in de nacht gebeurt precies het tegenovergestelde: Terwijl de zon op 21 december in het ZW ondergaat komt op dat moment een dierenriemteken in het NO op, alsof het midden in de zomer is. Dat dierenriemteken maakt dan ook een grote boog over de hemel en terwijl de volgende ochtend de zon in het ZO opkomt zal het betreffende dierenriemteken in het NW ondergaan, alsof het midden in de zomer is. Het mooiste is dat te zien bij volle maan. De maan staat dan in een bepaald dierenriemteken. Hij komt bij zonsondergang in het NO op, maakt vervolgens een heel hoge boog over de hemel (de maan staat bijna recht boven je!) en gaat bij zonsopkomst in het NW onder! Hij doet in de winter wat de zon in de zomer doet, en andersom. Je ziet dus hoe je niet alleen andere dierenriemtekens in de winter ziet als in de zomer, maar ook dat de baan van die tekens in beide jaargetijden anders is. Er zijn natuurlijk ook dierenriemtekens die pas halverwege de nacht opkomen. Dat punt is in de loop van de nacht geleidelijk verschoven van NO naar O. En tegen de ochtend zie je de nieuw opkomende dierenriemtekens, net als even later de zon, in het ZO opkomen.

Al deze kennis heb je dus nodig om te weten waar je moet kijken om de tekens van de dierenriem te kunnen zien. De tekens die je op dit moment (11 december) ziet bij een heldere nacht zijn vanaf zonsondergang: ram, stier, tweelingen, kreeft, leeuw, maagd en nog net een stukje van weegschaal als de sterren tenminste tot aan de horizon te zien zijn.

De dierenriem vanuit het zuid-oosten en oosten in december.
Ik heb deze beweging nu diverse keren heel goed kunnen zien, omdat we al twee weken beneden slapen in de serre vanwege een verbouwing. Daar zijn geen gordijnen en heb je vanuit het bed een perfect uitzicht op de sterrenhemel. Al snel zie je boven je Aldebaran en de Pleiaden die allebei in de Stier staan, dan verschijnen overduidelijk Castor en Pollux (Tweelingen), in het sterrenbeeld kreeft staan geen duidelijke sterren dus daarvan is de oriëntatie moeilijk. Maar Regulus van de Leeuw is weer heel duidelijk herkenbaar, evenals nog wat later Spica van de Maagd.
Ik heb via Stellarium een animatie gemaakt van wat ik nu elke wolkeloze nacht zie. In minder dan een minuut zie je de sterrenhemel gezien vanuit het ZO voorbij trekken. Dat is het deel van de hemel dat wij vanuit de serre het beste kunnen zien. En je ziet met wat geluk dan ongeveer zes tekens van de dierenriem.

In de volgende animatie zie je het vanuit een iets ruimer perspectief. Je ziet hoe de dierenriemtekens aan het begin van de nacht in het NO opkomen, aan het einde van de nacht in het ZO

Wat zie je nog meer kijkend naar het Zuid-Oosten?
Overigens zie je bij beide animaties ook nog andere sterren en sterrenbeelden, sommige zijn nog veel opvallender dan die van de dierenriem, maar het vlak waarin ze bewegen is net wat anders. In deze sterrenbeelden zal je nooit bijvoorbeeld de maan zien staan, wel is dat mogelijk in alle sterrenbeelden van de dierenriem! Heel opvallend zijn natuurlijk de sterren van de jager Orion, en zijn honden “Procyon” en “Sirius.” En tegen de ochtend maakt de zeer heldere ster Arcturus ons wakker. Allemaal opvallende sterren en sterrenbeelden die net niet bij de dierenriem horen.

Samenvatting.
De zon maakt een boog over de hemel met het hoogste punt in het zuiden. Dat is altijd zo, zomer en winter. Dus ook alle dierenriemtekens bewegen via het zuiden. Kijk je de andere kant uit, naar het noorden, dan zie je ook mooie sterrenbeelden, zoals dat van de grote beer, Cassiopeia, Andromeda, de Adelaar en ga zo maar door. Sterrenbeelden die om de poolster lijken te draaien. Maar kijk voor de dierenriem dus altijd vooral naar het zuiden, volg in gedachten de baan van de zon.

Geplaatst in Astronomie | Tags: , | Een reactie plaatsen

Beveiligd: Het orgel is een machtig instrument

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Beveiligd: Een echte organist

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Tijd als kunst: de inventies van Bach

Het thema dat de school had verzonnen rond Sinterklaas was “Tijd”. Mijn vrouw, leerkracht in een bovenbouw (groep 6,7,8) van een Montessori basisschool, zou vandaag nog een half uur tijd over hebben vlak voordat de gymles zou beginnen. Of ik misschien een ideetje had om dan nog iets te doen rond het Sinterklaasthema? Natuurlijk, dat vind ik altijd leuk om over na te denken en iets te verzinnen. Sinterklaas blijkt volgens Wikipedia geboren te zijn in 270 na Christus. Hoe oud is deze Goedheiligman dan nu? In wat voor een tijd is hij geboren? Als hij terugdenkt aan zijn lange leven, welke beroemde mensen heeft hij dan tijdens zijn leven zoal meegemaakt? Of je zou er een rekenlesje van kunnen maken. Als zijn paard gemiddeld 10 km per uur loopt tijdens een nacht van 10 uur ’s avonds tot 6 uur ’s ochtends, hoeveel km heeft hij dan gelopen? (10 km per uur, vooral over daken, is nog best snel trouwens…) Of pak er een landkaart bij. Tot welke plaats zou hij dan kunnen komen als hij in een rechte lijn loopt vanaf het Pietenhuis in Soestdijk naar het zuiden? En zo sloeg mijn fantasie op hol. Er waren teveel mogelijkheden om in een verloren halfuurtje te kunnen doen.

Maar bij het begrip “tijd” moet ik zelf ook al snel aan muziek denken. Een muziekstuk is voor mij een soort gestolde tijdsbeleving. Anders dan bij beeldende kunst heeft een muziekstuk een bepaalde lengte, een duur. Althans, zo kun je het beleven. Net als bij een bioscoopfilm kun je je daar dan volledig aan overgeven, de muziek beleven van begin tot einde. In een concertzaal, of thuis op de bank met liefst de ogen dicht. Beeld leidt dan maar af. Zo werkt het in ieder geval bij mij. Sommige componisten zijn in staat een compositie zo evenwichtig te maken dat alles lijkt te kloppen. En de ervaring van dat volmaakte esthetische geheel kan heel intens zijn. De instrumentale muziek van Bach is daarvan misschien wel het beste voorbeeld. De tijd dat het stuk duurt wordt niet vier minuten, het is opeens een moment. Bach voelt altijd exact hoe lang iets moet duren, op welke punten de muziek een opbouw of afbouw moet maken. Er zijn boeken geschreven over deze volmaaktheid, waarbij soms ook begrippen als “guldensnede – verhoudingen” gekoppeld worden aan een dergelijke compositie. Als je je als luisteraar daaraan overgeeft kan dat tot een soort mystieke ervaring van gelukzaligheid leiden, de muziek is opeens tijdloos.

Wat ik nu ga doen klopt eigenlijk niet. Ik ga een muziekstuk analyseren en vertellen waarom het zo volmaakt is. Dat is helemaal niet nodig voor de beleving. Maar het begrip van een muziekstuk staat voor mij de beleving ook niet in de weg. Sommige mensen denken dat je niet meer van muziek kunt genieten als je een muziekstuk analyseert. Voor mij is het eerder andersom. Ik vind een stuk geweldig en raak nieuwsgierig: hoe komt het toch dat dit stuk zo goed in elkaar lijkt te zitten. Na analyse begrijp ik dat wat beter. En het blijft nog steeds net zo’n mooi stuk..

De inventies van Bach zijn voorbeelden van voor mij volmaakte composities. Bach zelf schrijft hierover dat de stukken bedoeld zijn voor de liefhebbers van het klavierspel om jezelf met twee stemmen een goede en cantabile manier van spelen aan te leren, maar tegelijk om door middel van die stukken een goede smaak met betrekking tot componeren te ontwikkelen. Hij schreef ze in de tijd dat hij hofkapelmeester was in Köthen (Gotha). Daar is veel van zijn instrumentale muziek ontstaan. Opvallend is dus dat hij ze zowel schreef als oefenmateriaal voor de klavecinist, maar ook als oefenmateriaal voor de componist. In elk stuk gebruikte hij net weer iets andere compositietechnieken. De inventie in Bes (BWV 785) is zo’n volmaakte compositie.

Glenn Gould, piano

Door middel van sterretjes, lijnen (rood en geel), akkoordsymbolen (groen) en functies (paars) probeer ik duidelijk te maken hoe het stuk in elkaar zit.

Structuur, functies en akkoorden
De inventie bestaat uit drie delen, ik heb 2 sterretjes maar ook een blauwe verticale streep gezet waar de nieuwe delen beginnen (maat 9 en halverwege maat 16). Zowel het eerste als het tweede deel bevat acht maten, en die acht maten hebben in allebei de gevallen een structuur van telkens 3 + 2 +3 maten. (telkens een sterretje waar de kleinere deeltjes beginnen). Het laatste deel wijkt enigszins af.

  • 1-8. Het eerste deel werkt eigenlijk als een soort expositie: 3 maten in de hoofdtoonsoort Bb, 2 maten vormen een overgang, de daarop volgende 3 maten staan in de dominanttoonsoort F. De maten 1-3 zijn eigenlijk hetzelfde als de maten 6-8. alleen de stemmen zijn verwisseld (de motieven a en b zitten de tweede keer in de onderstem). We zien in deze maten steeds de functies I-IV-V (tonica, subdominant en dominant). Dat is een zogenaamde cadens, het zijn hoofdfuncties. Maar omdat de laagste toon in de eerste drie maten steeds een Bb is werken deze maten niet afsluitend zoals bij een echte cadens, maar eerder openend.
  • 9-16. Het middendeel van maat 9 tot halverwege maat 16 werkt als een soort doorwerking: in plaats van slechts één akkoord per maat zijn er nu opeens twee akkoorden en later zelfs vier akkoorden per maat: er ontstaat daardoor een harmonische stuwing naar het einde van dat deel toe. De akkoorden zelf zijn ook nog eens spannender, er zijn veel tussendominanten (akkoorden die willen oplossen en die niet bij de toonsoort horen). In dit stuk heb ik akkoordsymbolen geplaatst, zie de groene kleur. We zien achtereenvolgens de toonsoorten F, Cm, Eb en Bb.
  • 16-20. Het derde deel is een soort reprise, maar dan veel korter (slechts 4 maten) met alleen de toonsoort Bb. Weer horen we net als bij de eerste vier maten de hoofdfuncties I-IV-V-I.

De motieven
Het geniale van het stuk zit hem verder vooral ook in de motivische structuur. Het geheel is gebaseerd op slechts 1 motief! Wat, één motief? Jazeker, slechts één motief! Dat motief dat dan wel omgekeerd kan worden (a wordt b), ingekort kan worden (a wordt a‘) of vereenvoudigd kan worden (de gele lijnen). Er zijn nog wat details die veranderen maar ik beperk me in bovenstaand schema met kleuren en lijntjes tot de globale motivische opbouw. Ik heb verder de globale richting van die motieven aangegeven door de lijntjes schuin naar boven of naar beneden te richten.

  • In deel 1 zien we in maat 1 en 2 de motieven a en b achter elkaar, maar in de derde maat treedt er een verdichting op: a wordt enigszins gewijzigd herhaald waardoor we, na hiervoor twee keer ab, nu aa krijgen. De onderstem (gele lijntjes) loopt in achtsten en is in de kern een afkorting van het stijgende motief a. De maten 4 en 5 klinken als een tussenstukje waar je in een voortdurende vraag-antwoordspel de verkorte motiefjes a‘ en b‘ hoort.
  • In de doorwerking, maat 9 tot halverwege maat 16, zien we hoe het motief in achtsten nu steeds dalend is in plaats van stijgend. a en b lijken vergelijkbaar met hoe ze ook in het begin van de expositie klonken, het verschil zit hem vooral in de akkoorden en in de akkoordtiming, wat ik eerder al besprak. Maar vanaf 14 gaan beide partijen met nu de a‘ en b‘ motiefjes in parallellen. Tegelijk volgen de akkoordwisselingen elkaar nog sneller op. Dan nog iets. Bij deze uitvoering van Glenn Gould hoor je hoe hij er nog een extra hoogtepunt aan toevoegt. Dat is halverwege maat 13, bij de hoge Bb, een eenzaam hoogtepunt aldaar. In het schema zie je daar een paarse ellips. Daarna beginnen de lijntjes naar beneden. Het is zo’n gulden snede moment in de hele compositie, waar iemand als Glenn Gould heel gevoelig voor blijkt te zijn. Ik vind het prachtig!
  • De reprise heeft weer vergelijkbare akkoorden als de eerste maten, maar de motivische dichtheid wordt groot doordat er een soort stretto optreedt: de motieven imiteren elkaar, de imitatie komt al als het eerste motief nog bezig is. Deze canon werkt toe naar een hoogtepunt: waar hiervoor motieven omhoog en omlaag elkaar in gelijke richting afwisselden horen we bij het laatste motief tegenbeweging: de bovenstem daalt, waar de onderstem stijgt (vanaf de laatste helft van maat 18). Het allerlaatste motief springt er nog meer uit: nu niet meer in canon maar exact gelijk in tegenbeweging. (Ik heb het motief paars omcirkeld). Dat werkt in al zijn eenvoud als een waardig slot. Het geheel is zo wie zo voor mij perfect in balans. Dit is Bach op zijn best. De tijd is hier tot kunst verheven, ga op in dit gestolde moment.

Enkele verwante artikelen vind je hier:
Over een fragment uit een strijkkwartet van Mozart
Over een aria uit een opera van Monteverdi

Geplaatst in filosofie, muziek | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Beveiligd: Thuis leren met Sinterklaasmuziek en met muziek uit het heelal

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Beveiligd: Babbeliebabbelie

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

De Vluchteling

Midden op het podium staat een geblutste auto. Achter op het podium staat
een groot scherm. Je ziet beelden van de woestijn, de auto staat in de
woestijn. Het podium wordt donker. Je ziet een tomatenboer. Een tijd later zie
je de stad Tripoli. Vooraan op het podium staat de kunstenaar, hij is op zoek
naar de vluchteling, of “de vreemdeling” zo je wilt. Dat is namelijk de titel
van de voorstelling. Een vluchteling is voor de meesten van ons een
vreemdeling. Deze vreemdeling heeft enkele jaren in zijn atelier mogen wonen
maar is opeens verdwenen. In die jaren werd de vluchteling van vreemdeling tot
vriend. Hij lijkt in Algiers te zijn dus gaat de kunstenaar naar Algiers. Uiteindelijk
komt hij in de woestijn terecht. Hij is nog steeds op zoek naar zijn vriend. In
de woestijn verongelukt hij met zijn auto. Daar zit hij dan, buiten bewustzijn,
bebloed achter het stuur, met nog twee passagiers.

In het begin van de voorstelling wordt er weinig toneel gespeeld, je hoort
alleen de kunstenaar die zijn verhaal vertelt. Hij vertelt over dingen die hij
heeft meegemaakt. Maar hij doet dat zo aanstekelijk en inspirerend dat de zaal
ademloos aan zijn lippen hangt. Op het eind van de muziektheatervoorstelling,
blijft de toeschouwer achter met een gevoel van woede en onmacht. Het verhaal
van vluchtelingen, die op hun zoektocht naar een betere wereld als beesten
moeten leven, is zo tastbaar geworden, is opeens zo dichtbij gekomen, dat je er
niet meer om heen kunt. Ik stoorde me onwillekeurig aan de mensen die na afloop
in de foyer bij een drankje stonden te lachen.

We waren dus bij “de Vreemdeling”, een muziektheater voorstelling van
Orkater in de Goudse schouwburg. Het beleven van de letterlijke maar ook de zielenpijn
van de vluchteling was die avond intens, doordat de personages tot leven
kwamen, ze werden mensen van leven en bloed, ze waren bijna een direct
familielid. De vluchteling was geen “vreemdeling”  meer, hij hoorde bij ons. Zijn ellende was
opeens niet meer een ver-van-je-bed show. Ik lees de krantenberichten sinds
afgelopen vrijdagavond iets anders. Ik licht enkele stukjes uit artikelen die
ik vandaag las in de Volkskrant:

“De door Turken gesteunde rebellen hebben drie aarden dammen opgeworpen
in de rivier Khabur, en zetten daarmee water in als oorlogswapen. Hierdoor
worden Koerdische  boeren ernstig in hun bestaan bedreigd”.

“Op videobeelden valt te zien hoe Koerdische migranten door
zwaarbewapende Belarussische militairen op weg naar de grens met Polen van de
weg af het bos in worden gestuurd. Ze proberen de grens over te steken, de
Poolse grenswacht reageert met pepperspray. Er is ook geen weg terug, de
Belarussische grenswacht stuurt ze steeds weer terug naar de grens. Volgens
gegevens van de Poolse grenswacht zijn er tot nu toe tien mensen overleden in
het grensgebied. Zij stierven van uitputting en onderkoeling. Gevreesd wordt
wat er met al deze mensen gaat gebeuren als de winter zijn intrede doet.”

“Overal in de Sahel liggen zakjes Nederlands melkpoeder. Het is het
grote verdriet van de herders: spotgoedkoop melkpoeder van westerse
multinationals dat hun markt overspoelt. Er tegenop concurreren kunnen ze niet,
dus stoppen velen met boeren.”

We hebben het niet over natuurrampen als droogte. Ook niet over door mensen
veroorzaakte ontbossing. Ook daar komen grote migrantenstromen door op gang. We
hebben het over de gevolgen van de macht van het kapitaal. In grote door gas
gestookte kassen in Nederland worden er heel veel tomaten gekweekt. Die worden
naar de hele wereld gestuurd. Zelfs naar landen als Libië. Daar gaan de
plaatselijke tomatentelers failliet, ze kunnen daar niet tegenop concurreren.
De kinderen van de boeren moeten stoppen met hun studie, hun ouders kunnen die
niet meer betalen.  Of zoals we vandaag lazen, wat zijn de gevolgen van
het dumpen van goedkoop melkpoeder uit de EU in Afrika? Grote werkloosheid
ontstaat er bij de boeren van de Sahel. Ze proberen elders een beter bestaan op
te bouwen. Na het betalen van grote bedragen aan criminelen worden ze op een
gammel bootje gezet. Maar als ze op zee worden onderschept worden ze terug
gestuurd naar Libië. Om ze op te vangen krijgt Libië geld van de EU. Maar wat
gebeurt er: daar aangekomen worden ze gevangen gezet en na een tijdje worden
ze, zonder enige vorm van overlevingskans, gedwongen de woestijn in te trekken.
Dat is de harde realiteit.

Het Westen veroorzaakt een belangrijk deel van het vluchtelingenprobleem.
Ook oorlogen zijn vaak door het Westen aangewakkerd. Door partij te kiezen in
een lokaal conflict ben je medeplichtig aan de gevolgen. Partij kiezen gaat
zelden op humanitaire gronden. Het gaat meestal om macht en geld. Die steun
koop je met wapens. En daarna loopt alles uit de hand…

Er zijn nog zeven voorstellingen van “De Vreemdeling” deze maand te zien.
Morgen 10 november wordt de voorstelling gespeeld in Amsterdam, daarna op 11
november in Nijmegen, 12 november in den Haag, 23 november in Groningen, 24
november in Leeuwarden, 25 november in Rotterdam en de laatste voorstelling is
op 1 december in Eindhoven. Van harte aanbevolen dus! O ja, er wordt ook erg
goed gezongen.

 

Geplaatst in maatschappij, recensie, theater | Tags: , , , | 3 reacties

Beveiligd: Mariska

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Beveiligd: Van Simons Orgel tot Meeuws nevel

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Beveiligd: Vijf kerstballen en twee kerststerren. Het wordt een mooie tijd.

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , , , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Die arme koningin Cassiopeia

Dit stukje gaat over een aantal sterrenbeelden die je nu heel goed aan de hemel kunt zien, maar met name gaat het over het sterrenbeeld Cassiopeia. Het beeld is gebaseerd op een Griekse mythe over het leven van de Ethiopische koningin Cassiopeia. Ik las het verhaal en moest onmiddellijk denken aan het verhaal van de boze stiefmoeder van Sneeuwwitje. Sneeuwwitje op haar beurt zou je kunnen vereenzelvigen met Andromeda, de dochter van Cassiopeia. Dit soort verbanden dacht ik misschien terug te kunnen vinden op internet, maar ik heb ze niet gevonden. Ik vroeg me al fantaserende af of ook de zeven dwergen niet een link zouden kunnen hebben met weer een ander sterrenbeeld, het Zevengesternte, dat nu ook al weer aan de avondhemel staat. Enfin. Eerst iets meer over deze koningin Cassiopeia.

Bij Griekenland bevindt zich de Aegeïsche zee. Diep in deze zee woonden de Nereïden. Zij zijn in de Griekse mythologie de dochters van de zeegod Nereus en Doris. Deze zeenimfen worden verondersteld blauwe haren te hebben. Ze vergezellen de zeegod Poseidon en een van deze nymfen was zelfs een van zijn bijvrouwen. Poseidon, de oppergod van de zee moet je niet kwaad maken. Dat deed de koningin van Ethiopië, Cassiopeia wel. Zij was een heel aantrekkelijke en ijdele koningin, die het liefst haar haren kamde op een stoel voor een spiegel. (Daar hebben we de eerste associatie met de boze stiefmoeder!) Op een dag beledigde zij de Nereïden. Zij zei dat haar eigen dochter Andromeda veel mooier was dan dat zij waren. Poseidon die het te weten kwam besloot om Cassiopeia te straffen. Hij stuurde het zeemonster Cetus naar het rijk van koning Cepheus en zijn vrouw Cassiopeia om dit aan te vallen en te vernietigen. De kust was al getroffen en om een eind te maken aan al de vernielingen, vroeg Cepheus het orakel van Delphi om raad. Hij en Cassiopeia moesten hun dochter, de beeldschone maagd Andromeda aan het zeemonster offeren. (Sneeuwwitje wordt naar het bos gestuurd…) Daarom werd ze aan de rotsen vastgeketend, wachtend op haar noodlottige einde. Toen kwam de held Perseus langs. In zijn hand had hij het hoofd van een Gorgoon die hij net had gedood. Hij vroeg aan het mooie meisje wie ze was en hoe ze daar was terechtgekomen. Perseus redde de arme Andromeda door het monster bang te maken: hij liet het hoofd van de Gorgoon aan hem zien. Het monster liet zich angstig ver weg in het water zinken. Maar Poseidon was nog niet klaar met het gezin. Hij besloot vader, Cepheus en moeder Cassiopeia te straffen door ze aan de hemel te plaatsen. Cassiopeia werd gedwongen om de noordelijke hemelpool op haar troon voortdurend te laten draaien, waarbij ze zich de helft van haar tijd eraan moest vastklampen om er niet van af te vallen. Er naast plaatste hij haar man, koning Cepheus.

Zo zien we elke heldere nacht het sterrenbeeld Cassiopeia, welk bestaat uit vijf sterren. Het beeld staat zo dicht bij de poolster dat het circumpolair is. Deze vijf sterren vormen samen de letter W aan de hemel, maar doordat het beeld, net zoals alle andere sterrenbeelden, door de draaiïng van de aarde schijnbaar om de poolster heen draait kan die W ook op zijn kant of op zijn kop staan. (In het laatste geval lijkt de W meer op een M). Je moet altijd naar het NW, N of NO kijken, soms hoog, soms laag aan de hemel. Op dit moment, oktober, staat Cassiopeia in de vroege avond hoog aan de hemel in het NO. De vijf sterren van Cassiopeia zijn allemaal lichaamsdelen van deze koningin. Zo is Alpha Cassiopeiae de borst (Schedar in het Arabisch), Beta is de hand, Gamma de buik, Delta de knie en Epsilon de voet.

Niet voor iedereen is Cassiopeia een ijdele koningin. Voor de Sámi vormt de W van Cassiopeia een elandgewei. De Chukchi van Siberië zien de vijf hoofdsterren als vijf rendierherten. Er zijn bij diverse culturen nog meer associaties, zoals het beeld van een kudde bruinvissen, of van een kameel met twee bulten.

Als je nu de nachtelijke hemel afreist vanuit Cassiopeia, dan kom je in een gebied, iets verder weg, dat je eigenlijk vooral in de herfst en wintermaanden kunt zien. Dichtbij de dierenriem, in de buurt van het sterrenbeeld Stier, staat het Zevengesternte. Zeven kleine stipjes, heel dicht bij elkaar. Dat moeten wel de zeven dwergen zijn bedacht ik me! Sneeuwwitje (alias Andromeda) werd door een ander sterrenbeeld dat er niet zo ver vanaf staat, de jager Orion, weggeleid, diep het bos in. Daar werd ze achtergelaten en ze kwam bij de zeven dwergen terecht. De reddende prins was natuurlijk Perseus! Perseus trouwde met Andromeda, ze zijn als stel naast elkaar vereeuwigd aan de hemel, waarbij we vooral worden herinnerd aan het moment vlak voor de redding.

Hoe komen Cassiopeia en ook Andromeda aan hun mooie haren? Ook dat kun je zien aan de hemel. Cassiopeia is een sterrenbeeld waar de “melkweg” door heen loopt. Op een plek met weinig licht en luchtvervuiling, weinig vocht in de lucht en geen wolken kun je dit prachtig zien. Cassiopeia bevindt zich in die band die van horizon tot horizon over de hemel reikt en waar de hoeveelheid sterren veel groter is dan op andere plekken. Feitelijk kijk je dan naar de kern van ons eigen melkwegstelsel, traditioneel zeggen we vanwege die ijle band: we zien “de melkweg”. Maar deze witte sliert die zo dwars over het sterrenbeeld heen loopt, en nog verder naar beneden, dat zijn natuurlijk de mooie haarlokken van de ijdele koningin! En Andromeda, haar dochter, die was toch ook zo mooi? Natuurlijk! Wat denk je van de Andromedanevel, het wazige pluisje dat je ziet in het sterrenbeeld Andromeda? Dit kostbare pluisje is als een schoonheidsvlekje op het gezicht van de lieftallige prinses! Hoe zie je dat schoonheidspluisje? Door het maken van enkele denkbeeldige lijnen, beginnende vanuit Beta en Alpha Cassiopeia, kun je namelijk deze Andromedanevel vinden, dat is ons meest nabije andere melkwegstelsel. Onder goede omstandigheden is dit stelsel dus waarneembaar als een vaag neveltje, in de oudheid zal het veel beter te zien zijn geweest. Geen kwalijke uitstoten en geen lichtvervuiling om te beginnen… Maar desondanks, ik heb het gisteren ook op de foto gezet, hier onder. Links zie je mijn foto, rechts ter vergelijking hoe het er in mijn programma Stellarium uit ziet. Zie je het schoonheidsvlekje? Heel subtiel, maar het is er!

Als je nu in de nacht weer een keer naar Cassiopeia kijkt, denk dan aan deze mooie ijdele koningin die daar staat te zwoegen om de sterrenhemel te laten draaien. Staat de W op zijn kant? Dan moet ze zich goed vasthouden om niet naar beneden te vallen. Als je elke nacht rond middernacht zou kijken dan zie je haar in de herfst heel hoog aan de hemel staan als een W, in de lente heel laag als een M, in de andere jaargetijden zie je haar op zijn kant. En gedurende elke nacht blijft ze ook nog eens tollen… Ach ach, die arme koningin Cassiopeia…

Nu voor de liefhebbers nog een aantal astronomische gegevens over de vijf hoofdsterren van het sterrenbeeld Cassiopeia

  • Alpha Cassiopeiae, traditioneel Schedar genoemd (van het Arabische Al Sadr, “de borst”), is een viersterrenstelsel. De primaire ster is een oranje-getinte reus van magnitude 2,2 welke staat op 228 lichtjaar van de aarde. Met een helderheid van ongeveer 771 keer die van de zon, is hij inmiddels enorm uitgedijd en afgekoeld nadat hij zijn kernwaterstof gedurende zijn 100 tot 200 miljoen jaar durende levensduur heeft uitgeput. De tweede ster uit het viertallige stelsel is een gele dwerg met magnitude 8,9, die relatief ver van de hoofdster is verwijderd. De andere twee metgezellen (C en D) staan dichterbij en hebben respectievelijk magnitude 13 en 14.
  • Beta Cassiopeiae, of Caph (wat “hand” betekent), is een wit getinte ster van magnitude 2,3 welke staat op 54,7 lichtjaar van de aarde. Hij is ongeveer 1,2 miljard jaar oud en heeft zijn kernwaterstof opgebruikt en is inmiddels begonnen met steeds groter te worden en af te koelen. De ster is ongeveer 1,9 keer zo zwaar als de zon en ongeveer 21,3 keer zo lichtgevend. Caph draait met ongeveer 92% van zijn kritische snelheid en voltooit elke 1,12 dagen een volledige rotatie. Dit geeft de ster een afgeplatte bolvorm met een equatoriale uitstulping die 24% groter is dan de polaire straal.
  • Gamma Cassiopeiae is een veranderlijke ster, met een veranderlijke schijf van materiaal die wordt weggeslingerd door de hoge rotatiesnelheid van de ster. Gamma Cassiopeiae heeft een minimale magnitude van 3,0 en een maximale magnitude van 1,6, maar ligt over het algemeen in de buurt van magnitude 2,2, met onvoorspelbare vervagingen en ophelderingen. Deze ster is 550 lichtjaar van de aarde verwijderd. Hij heeft een omlooptijd van 203,59 dagen en hij heeft een begeleider met een berekende massa die ongeveer gelijk is aan die van onze zon.
  • Delta Cassiopeiae, ook bekend als Ruchbah of Rukbat, wat ‘knie’ betekent, is een mogelijke verduisterende dubbelster van het Algol-type met een maximale helderheid van magnitude 2,7. Er is gemeld dat het verduisteringen van minder dan 0,1 magnitudes vertoont met een periode van 2 jaar en 1 maand., maar dit is nooit bevestigd. De ster is 99,4 lichtjaar van de aarde verwijderd.
  • Epsilon Cassiopeiae heeft een schijnbare magnitude van 3,3. Gelegen op 410 lichtjaar van de aarde is het een hete blauwwitte ster met een oppervlaktetemperatuur van 15.680 K. Hij is 6,5 keer zo massief en 4,2 keer zo breed als de zon, en behoort tot een klasse van sterren die bekend staat als Be-sterren – snel draaiende sterren die een ring of schil van materie afwerpen.

Op de foto die ik gisteren maakte (hier boven) zie je dat alleen de ster Alpha geel is, de rest heeft meer een blauwachtige kleur. Zoals we hierboven bij de beschrijving van de vijf sterren zien is de ster Alpha Cassiopeiae een oranje reus die veel groter is dan al die andere sterren, maar tegelijk ook veel minder heet. Vandaar het verschil in kleur. Waar wij deze vijf sterren als een soort eenheid zien, hebben ze in werkelijkheid niet veel met elkaar te maken. De ster Beta staat op “slechts” 54,7 lichtjaar afstand van onze zon, Delta op 99,4 lichtjaar, Alpha op 228 lichtjaar, Epsilon op 410 lichtjaar en Gamma op maar liefst 550 lichtjaar afstand.

Geplaatst in Astronomie | Een reactie plaatsen

De kastelen van Gouda en Schoonhoven

Zowel Gouda als Schoonhoven hebben twee kastelen gehad binnen de stad, bij allebei de steden zijn deze ook weer verdwenen. Gedeeltelijk hebben deze kastelen ook met elkaar te maken. Er waren heren die zowel in het tweede kasteel van Gouda als in het eerste kasteel van Schoonhoven hebben gewoond. Summier staat in dit artikel ook enige geschiedkundige informatie. Het gaat globaal over de periode 1250 tot 1577. Een tijd waarin het soms roerig was, het was bijvoorbeeld de tijd van de Hoekse en Kabeljauwse twisten die ook deze steden niet onberoerd liet. Op het einde van deze periode zitten we al in de tijd van de Spaanse opstand.

Gouda, het eerste kasteel

De ontginning van de stad Gouda begon zo rond het jaar 1100. Pas in 1272 kreeg de stad stadsrechten. In de tussentijd tijd gebeurde er van alles. De waterhuishouding bij Rotterdam veranderde behoorlijk. De Hollandse IJssel was eerst een tak van de Rijn maar na de afdamming aan de bovenmond werd het een buitenwater waar eb en vloed een rol gingen spelen. De Gouwe was oorspronkelijk niet meer dan een klein veenriviertje dat bij Boskoop ontsproot en naar de Hollandse IJssel stroomde. Tien km ten noorden van Gouda stroomde de Oude Rijn die bij Katwijk in de zee uitkwam. Ze had slechts een functie om het overtollige veenwater af te voeren. Deze monding verzandde en er werd een doorvoer gegraven naar de Haarlemmermeer en naar het IJ in Amsterdam. Zo ontstond geleidelijk een belangrijk binnenvaartnetwerk van Amsterdam naar Rotterdam via Gouda. De heer van der Goude, oorspronkelijk waarschijnlijk leenman van de bisschop van Utrecht, werd zo heel belangrijk. Hij stichtte een hof in Gouda met een beschermende Motte en een hofkapel. Alleen die hofkapel is er nu (waarschijnlijk) nog in de vorm van het meest oostelijke deel van de huidige St. Janskerk. De contouren van de Motte zijn nog zichtbaar op de plaats van wat nu Molenwerf heet, maar de heuvel zelf is afgegraven. (Zie ook de afbeelding iets verder).

De van der Goudes waren tot 1296 heer en meester in Gouda. De laatste Van der Goude stierf kinderloos en werd opgevolgd door Jan van Renesse, de nieuwe heer van Gouda. Hij zou deelgenoot zijn geweest bij het complot rond de moord op Floris V en werd verbannen naar Vlaanderen. Hij verloor zijn bezittingen aan Witte van Haamstede, bastaardzoon van graaf Floris V van Holland. Hij zal het zijn die de motte van Gouda heeft laten afbreken. 

De Vlamingen wonnen de Guldensporenslag tegen Frankrijk en overmoedig veroverden ze samen met de Hollandse ballingen onder wie Jan van Renesse in 1303 ook Holland en Zeeland. Maar er kwam hulp uit Henegouwen en er ontstond een algemene opstand tegen de Vlamingen. Jan van Renesse moest vluchten en verdronk bij het oversteken van de Lek. de heerlijkheid Gouda kwam in 1308 met nog meer bezittingen in handen van Jan van Henegouwen, ook heer van Beaumont en daarom meestal Jan van Beaumont genoemd. Nu werd ook de rest van het kasteel en de bijbehorende molen afgebroken. Daarmee was er weinig meer dat herinnerde aan dit eerste kasteel van Gouda.

De plek kun je wel terugzien, het is het gebied van de Molenwerf, vlakbij de St. Jan. De contouren van het terrein zijn op de kaart van Blaeu uit de 17e eeuw goed te zien, ik heb het met geel omcirkeld. Daar liep de voormalige slotgracht. Aan de molenwerf werd in 1555 een oudemannenhuis gesticht, dat ook op deze kaart staat, het nog steeds bestaande Willem Vroesenhuis.

Het huis bevindt zich op de hoek van de Molenwerf en de Spieringstraat in de Goudse binnenstad. Willem Vroesen besloot in 1555 om zijn huis en erf beschikbaar te stellen voor opvang van oude arme mannen in de stad Gouda. Zo heeft dit huis eeuwenlang de functie als “oudemannenhuis” vervuld. Pas in 1977 verliet de laatste oudemannenhuis bewoner het monumentale pand. Nu bestaat het complex uit 13 woningen en 5 wooneenheden rond een schilderachtige binnenplaats. Het fries boven de toegangsdeur werd in 1614 vervaardigd door de stadsbeeldhouwer Gregorius Cool. Op de afbeelding zijn drie regenten te zien, die zich bekommeren om het lot van vijf oude mannen. De spreuken “Spartam-Nacti” en “tempora-labuntur” betekenen resp. “Sparta bereikt of verworven” en “de tijd verglijdt”.

Gouda, het tweede kasteel

In 1361 kocht graaf Jan van Blois een stuk grond aan de oever van de IJssel, waar hij begon met de bouw van een kasteel tegen de stadsmuur aan. In een eerste bouwfase (1360-1364) werd de IJsseltoren, toren van de stadsverdediging, in gebruik genomen als woontoren. Dit zou de zuidoostelijke hoektoren worden van het latere kasteel. Steeds werden er delen bijgebouwd, vooral in de laatste bouwfase tussen 1380 en 1385. Het kasteel had nu een oppervlakte van 30 bij 70 meter. Ook een rondeel van de stadsmuur werd bij het complex gevoegd zodat er nu maar liefst zes torens waren. Er is slechts één afbeelding bekend, gemaakt toen het kasteel nog niet was afgebroken, namelijk een kleine afbeelding op een kaart van van Deventer. Alle latere, vooral romantisch aandoende schilderijen van het kasteel, zijn pas lang na de afbraak gemaakt. Maar van Deventer staat bekend als een betrouwbaar tekenaar, dus we hebben toch een aardig globaal beeld.

Het kasteel bleek erg oncomfortabel te zijn, de eigenaren woonden uiteindelijk liever in Schoonhoven, in den Haag of op nog andere plekken waar ze een kasteel bezaten. Alleen Jacoba van Beieren verbleef er in de periode 1425 tot 1428 regelmatig. In 1577 werd daarom besloten tot sloop. Het kasteel was op dat moment eigendom van de Staten van Holland. Toch besloot de stad tot sloop met het argument dat de Spanjaarden het anders als steunpunt in hun verdediging zouden kunnen gebruiken. Er verrees op de plek van het kasteel een standerdmolen, de voorganger van de huidige Molen ‘t Slot. Alle verdere bebouwing, ook die van het nabijgelegen Minderbroedersklooster, is verdwenen en op die plaats is nu het Houtmansplantsoen. Op een kaart van Blaeu wordt met cijfer 2 naar de plek van het voormalige kasteel verwezen.

Schoonhoven, het eerste kasteel

Schoonhoven heeft twee kastelen op haar grondgebied gehad; het kasteel aan de Zevender en het kasteel aan de Lek. Het eerstgenoemde, aan de rivier de Zevender, een riviertje dat vanuit de Lopikerwaard richting de Lek stroomt, lag aan de noordoostzijde van de stad. Over dit kasteel is weinig bekend; afbeeldingen ontbreken. Wel kunnen we op een kaart van Pieter Sluyter zien waar het kasteel gestaan moet hebben. (Bij letter K: Dat oude slot). De kaart geeft een zij-aanzicht van de stad, beneden is het noorden en links het oosten. Op de achtergrond, boven stroomt in het zuiden de Lek.

Op alle latere kaarten is het niet aangegeven omdat het kasteel rond 1540 gesloopt is en die kaarten van later datum zijn. Waarschijnlijk is het kasteel gesticht door Jan van Lede  Deze verwierf in de eerste helft van de 13de eeuw een omvangrijk gebied tussen de Lek en de Hollandse IJssel. Het gebied waar het riviertje de Zevender in de Lek uitmondde zal, uit strategisch oogpunt, een goede plek zijn geweest om een kasteel te bouwen. Van hieruit kon het gehele gebied beheerst worden.

Het is mogelijk dat de naam Schoonhoven is terug te voeren op de aanwezigheid van dit ‘hof’ in deze stad. Rond 1312 wordt het kasteel door Jan van Henegouwen herbouwd en waarschijnlijk uitgebreid; het bevond zich in vervallen staat na de belegeringen van 1300 en 1304. In die jaren werden veel Hollandse steden door Vlaamse ridders ingenomen. Het belangrijkste deel van het kasteel was het ‘huis’; een gebouw dat door vier torens werd geflankeerd. Hierin bevonden zich o.a. de kapel, de ‘harnasch kamer’ en ‘mijns joncheren camer’. Ook was er een voorburcht met stallen, bakkerij, slachterij en melkerij. Zowel de voorburcht als het huis waren door water omgeven. Buiten dit gebied stonden nog een duifhuis en een valkhuis. De hoofdtoegang lag aan de stadszijde, namelijk aan het marktveld; een tweede toegang bereikte men via een brug over de Zevender. De laatste staat aangegeven op de kaart van Guicciardini. Vanaf de noordzijde kon men ook op de voorburcht komen, in 1364 wordt althans de valbrug ‘an die poerte te Hoflande’ vermeld. Op deze kaart van Blaeu (het noorden is nu wel boven) heb ik aangegeven waar het kasteel geweest moet zijn. Bij de boomgaard links onder op dit kaartje is het tegenwoordige doelenplein.

In de zomer van 1518 branden zowel de stad als het kasteel grotendeels af. Tot 1532 worden er hier en daar wat reparaties aan het slot uitgevoerd ten behoeve van een huisbewaarder. In 1522 wordt er echter al gesloopt om stenen te verzamelen voor het nieuw te bouwen kasteel. De ruïne wordt in 1540 op verzoek van het stadsbestuur in opdracht van Karel V geheel afgebroken.

Schoonhoven, het tweede kasteel

Nadat het kasteel aan de Zevender door brand grotendeels verwoest was, gaf Karel V opdracht om een nieuw kasteel te ontwerpen. Dit ontwerp werd uitgevoerd door Rombout Keldermans die het nieuwe kasteel situeerde in de zuidoosthoek van de stad, aan de rivier de Lek. In dit bouwwerk zou de Langerakkerpoort worden opgenomen. Van dit ontwerp is een schets bewaard gebleven, gedateerd 11 juni 1524 

Vanaf drie april beginnen gravers uit o.a. Schoonhoven, Nieuwpoort en Lopik met het graven van de funderingsput. Dit graafwerk duurt voort tot ongeveer half augustus. De grond wordt al snel erg ‘slijckich’, zodat men een schuit met zand laat komen, welk zand men strooit op de looproute waarover men de uitgegraven aarde wegbrengt. Een van de twee kuilen die voor de buitenste torens worden gegraven, stort in door de druk van het water en stroomt vervolgens vol. De arbeiders die deze kuil gegraven hebben worden ontslagen. Een hele week wordt besteed aan het maken van een aanvoerroute voor steen, afkomstig uit het oude huis. De ondergrond was zo drassig dat zware wagens met steen niet zonder meer konden passeren.

Ondertussen wordt er gegraven in de kuil die alsmaar meer modderig wordt. Wanneer de wateroverlast te erg wordt koopt men twee nieuwe pompen in Rotterdam. Om de uitgegraven aarde te vervoeren gebruikt men naast kruiwagens ook ‘botten’, een soort manden. Vanaf de twaalfde week krijgt men te kampen met geldgebrek. Regelmatig wordt er een gezworen bode op bevel van de heer van Moerkerken naar de graaf van Hoogstraten gestuurd om geld te vragen waarmee de arbeiders uitbetaald kunnen worden. De overlast van het water wordt mettertijd steeds erger. Op 10 oktober beginnen de metselaars met het opmetselen van het fundament. De hiervoor benodigde baksteen is afkomstig van het oude huis. De stenen zijn daar ter plaatse schoon gebikt en geteld, men komt op een totaal van 361.000 stenen. Ze worden met wagens naar het nieuwe werk gebracht. Uit Gorinchem komt een vracht van 125 tonnen ‘terras’. De ‘terras’ (tras), gemalen tufsteen, wordt aan de mortel toegevoegd, omdat deze tijdens de binding het overtollige water aan de specie onttrekt. Het loopt nu tegen eind oktober. De belangrijkste activiteit op de bouwplaats is het opmetselen van de fundamenten waartoe Rombout Keldermans enkele metingen verricht. Toch moet men zich zo langzamerhand gaan voorbereiden op de komende winter. Het werk zal dan stil komen te liggen, omdat het niet mogelijk is te metselen wanneer er kans is op vorst. De nog niet verharde specie zou kapot vriezen. Het metselwerk wordt waarschijnlijk afgedekt, misschien met het riet dat, zoals in de rekening vermeld staat, van het oude huis wordt gehaald en gebonden. Hout en planken worden afgevoerd. Een van de laatste uitbetalingen betreft Claes Peters zn, opperman, ‘van dat hij den calc, terras ende zavel met zijnen cruywaghen op eenen hoop heeft gevoerd naar het vuytscheyden van den mettsselaers vuyten voirnoemde wercke omme te bet den voirnoemde calc terras ende zavel te moghen bewaren jegens den toecomende saisoen’.

Er is geen bouwrekening van later datum bekend. Men is daarna blijkbaar gestopt…

Volgens de rekening was de bouwput erg ‘slijkich’, er moest continu gepompt worden. Het klinkt dan aannemelijk om te veronderstellen dat de bevolking, toen het kasteel niet afgebouwd werd. het enige stukje dat er stond schertsend “Nieuw Slijkenborch” heeft genoemd.

De meeste informatie over de kastelen van Schoonhoven is afkomstig van: http://www.tacohermans.nl/schoonhoven.htm. Hier zijn nog veel meer details te vinden.

De meeste informatie over de kastelen van Gouda komt uit het boek “Gouda” van Wim Denslagen, in de hoofdstukken “De Motte” en “het Kasteel’ van HenkJan Sprokholt.

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Corona Regels

-’Wanneer zijn we nu een keer van die vervelende corona regels af?’ vroeg mijn oudste kleinzoon. Ik antwoordde met een wedervraag:
‘Heb je er last van?’
Hier moest hij even over nadenken en hij antwoordde toen met een eerlijk ‘Nee’.
Toen ging ik hem vertellen wat we allemaal al jaren gewoon vinden. Als je ‘s avonds bij een bos komt mag je er niet in. Er staan overal bordjes dat je er hooguit tot zonsondergang mag verblijven. Ook niet op mooie open stukken waar je heel veel sterren zou kunnen zien. Officieel mag je daar dan niet komen.

Dat is al jaren zo. Je mag trouwens ook geen bramen plukken. Niet vanwege het feit dat honden er misschien op gepist hebben maar omdat het als voedsel voor de natuur zou dienen. De logica is ver te zoeken want met grote machines worden die zelfde braamstruiken vervolgens massaal uit de grond getrokken omdat het niet netjes zou zijn. Dat mag dan weer wel. Als je een weg oversteekt moet je gebruik maken van een zebrapad. Je mag niet door rood licht rijden. En zo zijn er tientallen verkeersregels die er vroeger niet waren. Als kind liep ik in het pikkedonker door het bos en stoplichten waren er niet in mijn dorp. De mensen zijn voortdurend bezig met alles te regelen. Elk paadje krijgt een bordje. Waarom staat er een bordje met daarop “graspad”? Kinderen gaan spelen in een “speelbos”. Daar is het geoorloofd om op een tak te klimmen. Op andere plaatsen mag dat niet. Hoe drukker het ergens is hoe meer regels er zijn. We willen het allemaal zelf en de meeste mensen weten niet beter alsof dat altijd al zo geweest is. Wat vind je van de term “avonturenbos”? Dat zou uitdagend en spannend moeten zijn. Maar het is juist avontuurlijk als er geen enkel bordje staat en als je zelf bepaalt wat je mag en wat je niet mag. Een avontuur is bij uitstek iets dat niet gereguleerd kan worden. Ik leg mijn kleinzoon uit dat het goed is dat er regels zijn. Vooral omdat de mensen zo dicht bij elkaar wonen en er veel gevaarlijke dingen zijn zoals auto’s. Niemand wil onder een auto komen dus moeten we afspraken maken om het zo veilig mogelijk te laten zijn. Maar er zijn ook heel veel bordjes en regels die maar heel weinig met veiligheid te maken hebben. In Nederland zijn er veel te veel dingen die geregeld worden. Daarom willen ook zoveel Nederlanders op vakantie. Liefst naar een plek met wat minder regels. En er zijn veel mensen die om die reden in een ander land willen wonen. Ze vinden dat er hier te veel dingen zijn geregeld, ze worden er een beetje benauwd van. Maar wat zeuren we nog over die paar corona regels! Mondkapje in de bus, een QR-code laten zien bij een museum, concert of bij een restaurant. Kleine moeite, toch? Eigenlijk zijn het maar kleine ongemakken. Weet je, binnenkort ga ik op avontuur. Ik ga stiekem naar een plek waar ik ‘s nachts niet mag komen. Lekker puh! Stiekem kijk ik dan naar plekken waar er geen enkele door mensen gemaakte regel lijkt te zijn. Weet je waar ik dan heel stiekem naar kijk? Niet verder vertellen! Ik gun me een blik op het heelal…. Alleen, ik ben bang dat dat een beetje gaat tegenvallen. Daarom zou ik er graag een extra regel bij willen hebben: ‘s avonds geen lantaarnpalen aan. En elke vorm van fijnstof uitstoot zou per onmiddellijke ingang verboden moeten zijn. Helaas, dat soort regels gaat de meeste mensen te ver. Ze willen wel zeuren over mondkapjes, maar ze accepteren het als zoete koek dat de lucht zo vervuild is. En dat het nergens meer echt donker wordt. Als dat allemaal voor mij beter geregeld kan worden draag ik met liefde op heel veel plekken een mondkapje en laat ik bij elke instantie een QR-code zien. Corona Regels? Als dat het enige zou zijn….

We gingen met de bus naar de speeltuin, en mijn vrouw en ik zetten welgemoed een mondkapje op.
-‘Die vervelende coronaregels toch’ zei mijn kleinzoon. Ik keek hem aan. Hij lachte naar me. We begrepen elkaar.

Geplaatst in maatschappij | Tags: , | 1 reactie

Beveiligd: Het Moreau orgel, een orgel van M Audio en nog meer orgelklanken

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

De Goudse Glazen

In Gouda staat de langste kerk van Nederland, de Sint Jan, omgeven door smalle straatjes. De kerk is enigszins ingeklemd tussen de omringende bebouwing. Dat in tegenstelling tot het stadhuis dat midden op de Markt staat, daar kun je omheen lopen en alle details goed bekijken. Dat is bij de Sint Jan heel lastig.

Tot rond het jaar 1278 was er alleen een hofkerk bij de grafelijke burcht met toren, een motte. Daarachter was er stedelijke bebouwing. Er was wel al een parochiekerk in de polder Bloemendaal, maar toen Gouda stadsrechten kreeg en het grafelijke kasteel werd verplaatst werd de hofkerk vergroot en werd het tegelijk de parochiekerk van Gouda. Dat vergroten kon alleen door stedelijke percelen op te kopen. Alles ging in fases. De eerste nog bescheiden fase was tot 1413, de tweede fase begon daarna, toen werd de kerk vergroot tot de huidige omvang. De kerk lag op een binnenterrein van de stad. Je kunt om de hele kerk heenlopen, In stevige pas doe je daar zeven minuten over.

Waarom kreeg Gouda zo’n uitzonderlijk grote kerk? Het was de zesde stad van Holland en ten tijde van de grote uitbreidingsbouw begin vijftiende eeuw was de stad zeer welvarend. Het was een belangrijke havenstad waar allerlei waren werden verhandeld, zowel voor het buitenland als voor het binnenland bestemd. Het was een havenstad die een directe zeeverbinding had via de Hollandse IJssel en Rotterdam. Daarnaast waren er nog twee binnenvaart rivieren: enerzijds voeren er schepen naar Amsterdam (over de gekanaliseerde Gouwe), anderzijds naar Utrecht (over de Hollandse IJssel.)

Toen in  januari 1552 een grote brand de toren en het schip verwoestte werd onmiddellijk begonnen met restauratiewerkzaamheden en tegelijk werd besloten om de hele kerk van een groot glazenplan te voorzien. En het werden door de grootte van deze vijfbeukige kerk heel wat glazen. Net zoals er ook maar liefst 22 altaren waren in de kerk (vooral bestemd voor de leden van de diverse gilden), kwamen er uiteindelijk zo’n 65 glazen, na de reformatie aangevuld met nog 7 glazen uit het regulierenklooster. Wat je nu ziet dateert niet allemaal uit dezelfde tijd. Er zijn zelfs nog glazen die dateren van  voor de grote brand, en ook de zeven regulieren-glazen dateren uit die tijd. Maar de meeste glazen werden in de periode net voor of net na de hervorming gemaakt, veel van de hand van de gebroeders Crabeth, die zich baseerden op renaissance technieken afkomstig uit Italië. En ook nog later, tot in de twintigste eeuw kwamen er glazen bij.

De kerk wordt gebruikt voor diensten van de hervormde kerk, er zijn concerten (de kerk heeft vier orgels), er worden orgel- en pianolessen gegeven, maar tegelijk is het vooral ook een museum. De bouw op zich is al prachtig, een blik op het hoofdorgel is een genot voor het oog en er zijn op veel plaatsen allerlei interessante dingen te zien. Het meest bijzonder zijn de 72 glazen. Zonder toelichting kun je er maar weinig van volgen, maar als je weet wat je ziet krijg je een aardig beeld van een aantal geschiedkundige aspecten. Kijk maar eens naar de kleding van de mensen die er zijn afgebeeld of kijk naar de soort opdrachtgevers. Je krijgt een idee over hoe er tegen de wereld werd aangekeken en door vergelijking van meerdere glazen zie je ook kunsthistorische ontwikkelingen. En soms zie je hoe verhalen van de bijbel werden uitgebeeld zoals bij de glazen die gaan over het leven van Johannes de Doper, de patroonheilige van de kerk.

Grappig is het dat er nog zoveel katholieke aspecten te zien zijn. Johannes de Doper, een heilige, als centrale figuur in een protestantse kerk, dat zou toch eigenlijk niet moeten kunnen? Het kon. De glazen mochten blijven. Behalve bij een glas waar God was afgebeeld. Dat mocht niet. Maar omdat de oorspronkelijke cartons van de glazen bewaard zijn gebleven kon dat onderdeel van een van de glazen weer worden hersteld in de twintigste eeuw toen men hier in protestantse kringen wat vrijzinniger mee  omging. Ik laat enkele van de oudste glazen zien en geef bij elke voorstelling een toelichting.

Bileam op de ezel

Balak, de koning van de Moabieten, was bang voor de oprukkende Israëlieten na hun uittocht uit Egypte en stuurde daarom gezanten met geschenken naar de waarzegger Bileam om hem over te halen de Israëlieten te vervloeken en zo hun opmars te stoppen. Toen Bileam op zijn ezelin naar de Moabieten ging, versperde Gods engel hem driemaal de weg, met getrokken zwaard in de hand. De ezelin zag de engel en ontweek deze drie keer. Bileam sloeg de ezel: doorlopen jij! Na de derde keer liet God de ezelin spreken en vroeg zij Bileam waarom hij haar sloeg. Hierna zag Bileam pas de engel die de ezelin al steeds gezien had. De engel zei dat hij mocht doorgaan, op voorwaarde dat Bileam alleen zou doen wat de engel hem zou opdragen. Het volk mocht niet worden vervloekt.


Deze voorstelling zag ik trouwens al vaker, zoals in Autun, of zoals hierboven, op een van de Romaanse kapitelen in de O.L.V. basiliek van Maastricht.

De voetwassing van Christus

Interessant zijn vaak ook de opdrachtgevers die bijna overal in het onderste deel van de voorstellingen te zien zijn. Zo zien we bij deze voorstelling, die nog dateert van voor de reformatie, de opdrachtgever Margaretha van Parma. Zij was de Spaanse landvoogdes, de vertegenwoordiger van de Spaanse koning (Philips II). Margaretha zit geknield, achter haar zien we de heilige Margaretha, haar patroonheilige. Hoe ging het verhaal van de heilige Margaretha? Haar vader minachtte haar om haar christelijk geloof. Margaretha leefde op het land als herderin. Toen de stadsprefect Olybrius haar een huwelijksaanzoek deed, op voorwaarde dat ze haar geloof zou afzweren, weigerde ze. Daarop werd ze gevangengezet en gemarteld. Dan volgen een aantal wonderbaarlijke gebeurtenissen. De bekendste is dat satan, in de gedaante van een draak, haar opslokte. Margaretha ontsnapte levend doordat de draak haar uitspuwde, vanwege het kruis dat ze droeg wat zijn ingewanden irriteerde. Uiteindelijk werd ze toch omwille van haar geloof ter dood gebracht. We zien op de afbeelding Margaretha met in een hand een kruis, achter haar op de grond zie je de draak. Dat de landvoogdes koos voor deze afbeelding, de voetwassing, zegt iets over haar zelf: de voetwassing tijdens het laatste avondmaal was een voorbeeld van de dienende liefde. Ook Margaretha wilde bekend staan als iemand die haar onderdanen diende. Omdat ze dat in de loop van de tijd teveel deed volgens haar baas Filips II werd de hertog van Alva gestuurd om orde op zaken te stellen, met kwalijke gevolgen volgens de geschiedenisboekjes…

Johannes de Doper doopt

Dit is de bovenste helft van eveneens een glas van nog voor de reformatie. Johannes de doper doopt een soldaat, hij zegt als het ware met geopende armen: ‘kom maar, ik zal je dopen’. Er om heen zie je allerlei mensen. In de kerk zul je niet alle details kunnen zien, maar kijk eens naar het bovenste gedeelte waar  nog zoveel meer is te zien: het lijkt of grote groepen mensen, onder wie veel soldaten, op weg zijn naar de plek waar Johannes de Doper bezig is. Rechts zie je het water van de Jordaan. Johannes had duidelijk een hele schare volgelingen.

De Luikse bisschop bidt

Dit is het onderste deel van hetzelfde glas. De man die je ziet zitten op zijn knieën is de Luikse bisschop, die tevens kapittelheer was in Utrecht. De beheerders van de St. Jan probeerden op veel plaatsen sponsors voor de glazen te vinden. Ze hadden goede contacten met Utrecht. En ze vonden een goede sponsor: de Luikse bisschop. Hij laat zichzelf biddend afbeelden, achter hem staat de heilige Benedictus. Dat was blijkbaar zijn patroonheilige. Hij richt zijn blik op God de Vader, die omgeven is door de symbolen van de vier evangelisten: Lucas (de stier), Johannes (de adelaar), Marcus (de Leeuw) en Mattheüs (de engel).

Jezus wordt gedoopt door Johannes de Doper

Dit glas was het meest centrale glas van allemaal: vlak achter het hoofdaltaar. Uitgebeeld wordt het ultieme moment in het leven van deze patroonheilige van de St. Janskerk: de doop van Jezus. De voorstelling krijgt extra luister door de vurige stralen die God de Vader vanuit de hoogte vanaf een wolk doet neerkomen op zijn zoon. Tegelijk zien we een duif in een van de stralen, de Heilige Geest geeft de zegen aan de doopactie van Johannes de Doper.

Niet besproken zijn een aantal wat meer wereldlijke glazen, zoals die van het ontzet van Leiden. Of een glas gemaakt in 1947 waarbij de verschrikkingen van de tweede wereldoorlog worden weergegeven. Je kunt met een boekje of met een koptelefoon door de kerk lopen. Ik zou een keuze maken wat je gaat bekijken. Het is allemaal te veel voor een keer. Zoals ook ik hier nu een keuze heb gemaakt. Misschien wordt er net op dat moment orgelles gegeven. Je kunt het orgel dan niet alleen horen maar ook zien wat er achter de toetsenborden gebeurt, er is meestal een scherm op een bepaalde plek waar je de les kunt volgen. Wie weet hoor je dan mijn oudste kleinzoon spelen….

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Beveiligd: De beroemde organist Olivier Latry

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , , , , , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Deneb Algedi

Jupiter staat deze herfst steeds mooi aan de avondhemel. Nu in de vroege avond in het zuiden, begin januari staat hij laag in het westen om in het voorjaar een tijdlang te verdwijnen. Aardig om met een kijker ook steeds weer naar zijn Galileïsche manen te kijken, de manen die Galileo Galilei ontdekte. De grootste, Ganymedes, was gisteravond niet te zien, tenzij je met een telescoop zou kijken. Dan zou je zijn schaduw op Jupiter kunnen zien, hij draaide bij zijn regelmatige rondje voor de moederplaneet langs. De andere drie manen zag je goed, links stond Io, rechts Callisto en daarnaast weer Europa.

Maar mijn blik ging ook nog naar iets anders. Ik zag hem al eerder, die heldere ster links onder Jupiter. Het gaat om de ster Deneb Algedi, de ster Delta van het sterrenbeeld Steenbok. Bijna alle sterren hebben wel iets bijzonders. Deze ster staat om te beginnen dichtbij onze zon, slechts op 38,7 lichtjaar afstand. Het is een witte reus die 200 keer zo groot is als onze zon. Maar er is ook iets vreemds mee aan de hand. Als je regelmatig naar deze ster kijkt zal opvallen dat hij soms veel minder helder is dan anders. Normaal heeft deze witte reus een magnitude van 2.84 maar periodiek verandert dat, soms neemt de helderheid behoorlijk af. Het gaat in dit geval niet om een zogenaamde variabele ster, die van zich zelf niet altijd even veel licht afgeeft. De oorzaak zit hem in twee sterren die samen met deze grote witte reus een eenheid vormen. Je kunt ze met het blote oog niet zien. Een van die sterren is twee keer zo groot als onze zon. Hij schuift er soms voor waardoor de helderheid van Deneb Algedi afneemt. Zo ontstaan de geregelde lichtsterkte-schommelingen. De tweede begeleider is iets kleiner dan onze zon. Op de corona van de grootste begeleidende ster vindt buitengewoon veel activiteit plaats. Er komt veel ultraviolet licht vandaan, dat in eerste instantie van Deneb Algedi zelf lijkt te komen. En nog een leuk weetje: onlangs hebben wetenschappers ontdekt dat nog twee heel erg kleine sterren (magnitude 15) deel uitmaken van het systeem. Een van die twee sterretjes lijkt zich geleidelijk te gaan afzonderen, hij zoekt de “ruimte”. Feitelijk gaat het dus om een vijfvoudig systeem.

Hoe komt deze ster aan zijn naam, Deneb Algedi? Zoals we zagen staat de ster in het sterrenbeeld steenbok, een zeegeit. (Op traditionele afbeeldingen zie je vaak een soort slang met de kop van een gehoornde geit). De staart van deze geit heet in het Arabisch Deneb Algedi. Op dit moment staan Jupiter en Saturnus ook in dit beeld. Het is een van de helderste sterren, nu aan de avondhemel laag in het zuiden. De ster staat in Steenbok, dus in een dierenriemteken, dat is het deel van de hemel waar ook zon, maan en planeten doorheen trekken. Zo kan een enkele keer deze ster bedekt worden door de maan, zeer zelden ook door een planeet. Jupiter trekt er al snel boven langs. Saturnus nadert de komende twee jaren Deneb Algedi, maar tot een bedekking zal het niet komen. Over twee jaar trekt deze er onder langs.

Verder werd ik deze avond blij. Hoe komt het dat ik altijd zo blij wordt door het zien van Venus? Ik kan er niets aan doen, het gebeurt gewoon. Venus, de lieflijke avond- of morgenster. Maria wordt ook wel de lieflijke morgenster genoemd. Maria als Venus. En Venus is natuurlijk de godin van de schoonheid. Ik denk dat ik ook blij wordt omdat Venus zo weinig te zien is geweest het laatste jaar. Gisteravond dus wel. Eerst nog verstopt achter een donkere wolk. Maar daar straalt hij opeens tevoorschijn!

Even later verdween hij weer achter een wolk, daarna onder de horizon. De staart van de zeegeit was wel nog lang te zien. Pas na middernacht, samen met Saturnus en Jupiter, dook ook de zeegeit in het diepe. Zijn staart was nog als laatste te zien…

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Beveiligd: Beethovendag

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Beveiligd: Franck op een orgel met vijf manualen

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Mare Imbrium

Hoe komt het dat er op de maan grote zwarte vlekken zijn en daarnaast lichtere gebieden met veel kraters? Zo’n grote zwarte vlek wordt ook wel mare genoemd. Vroeger dacht men dat dit misschien een zee was, mare is namelijk Latijn voor zee. Dat is niet zo, weten we inmiddels, er is geen spoor van water op de maan, laat staan een zee. We weten dat deze maria ontstaan zijn na reusachtige inslagen, niet inslagen van gewone grote meteorieten, maar kolossaal grote objecten botsten met de maan. Het ging dus om botsingen met planetoïden of misschien komeetkernen. Wat gebeurde er dan? De inslag was zo overweldigend diep, dat weker gesteente in het binnenste van de maan ging bewegen en geleidelijk de grote krater voor een belangrijk deel weer opvulde met zijn massa. Door deze bewegingen werd het hardere gesteente daaromheen opgestuwd en vormde een kring van rotsen en berghellingen om de voormalige krater heen.

Een mare die je vaak goed kunt zien is de Mare Imbrium, de “zee der regens”. Die naam heeft hij te danken aan de omliggende bergen, die hun water lijken te geven aan deze zee. Vandaag, gewoon overdag om 12 uur, maakte ik bovenstaande foto van de maan (hij stond bijna recht boven mijn hoofd) en omdat deze mare nu precies op het punt zit waar het zonlicht tegen de rand schijnt, kon je de kleinere kraters en ook de omringende bergen van deze Mare erg goed zien. Sommige van die bergen zijn wel zeven km hoog. Het diepste deel van de “moederkrater” is nu slechts 5 km. Oorspronkelijk drong het hemelobject tot wel honderd km diepte door. De zwarte kleur wordt dus veroorzaakt door het omhooggestuwde “vulsel”.  Als dit soort inslagen erg lang geleden heeft plaats gevonden (zo’n miljard jaar geleden of zo), dan zijn er nadien weer zoveel nieuwe kraters gevormd door gewone meteorieten, dat de mare er pokdalig gaat uitzien. Deze mare is nog relatief jong, de hoeveelheid nieuwe inslagen is gering, behalve in het noordelijk deel.

Net ten zuiden van Mare Imbrium zien we een van de meest indrukwekkende kraters van de maan, de krater Copernicus. Ik heb het detail waar hij op de eerste foto staat uitvergroot. Deze krater heeft geen eigen mare opgeleverd, daarvoor ging hij niet diep genoeg, maar er is wel veel materiaal te zien dat in zijn omgeving is uitgestrooid. Veel betere foto’s kun je op internet vinden. Maar je ziet, zelfs overdag kun je als je dat wil en een goede camera of verrekijker hebt ook het een en ander zien.

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , | Een reactie plaatsen

De maan boven de Lek

Voor mooie, soms zelfs overweldigende beelden in de natuur hoef je niet altijd ver te reizen. Natuurlijk, La Palma biedt op dit moment unieke verschijnselen. Duizenden mensen vergapen zich aan het vuur en de lava van de ontketende vulkaan. Ik was gisteravond niet verder dan vlak bij mijn huis. En ik was de enige die stond te kijken naar het machtige schouwspel van de opkomende maan boven de Lek. Ook Jupiter en Saturnus keken met me mee. Jupiter paste intussen op zijn eigen manen. Ik bleef kijken totdat onze maan zijn rode mantel weer had uitgetrokken.

Jupiter kijkt mee
Links Jupiter, op bijna dezelfde lijn rechts ervan Saturnus. De meeste sterren die je er om heen ziet zijn sterren van het sterrenbeeld Steenbok
Links van Jupiter zien we zijn maan Europa, rechts de manen Ganymedes en Callisto. Io, zijn vulkaanmaan, staat net rechts van de planeet maar is door het overweldigende licht ervan niet zichtbaar. Helemaal links boven zien we een ster van het sterrenbeeld Steenbok.
Geplaatst in Astronomie | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Evenwicht

Het is volle maan. De herfst is begonnen. Net als de oude natuurvolkeren ben ook ik gevoelig voor symboliek. En probeer ik iets te voelen wat bepaalde dingen voor mij zouden kunnen betekenen. Vrijwel gelijktijdig is het vandaag volle maan en begint ook de astronomische herfst. Bij volle maan staan vanuit de aarde gezien de zon en de maan recht tegenover elkaar. De maan komt dan precies op als de zon ondergaat. Behalve bij een maansverduistering zien we bij volle maan hoe het zonlicht het gehele maanoppervlak verlicht, of liever: we zien op de maan over zijn hele oppervlakte de weerkaatsing van het zonlicht. Dat is eens per maand zo, bij een wolkeloze hemel zie je dan de hele nacht, als er tenminste geen kunstmatige verlichting in de buurt is, de zachte gloed van dit indirecte licht en de mooie geheimzinnige schaduwen die het opwerpt. Dit was vannacht het geval. Het levert een prachtige sfeer op. Zowel in de avond als vroege ochtend heb ik er van genoten. Doordat er veel vocht in de lucht zat was het maanlicht ietwat diffuus.

Het begin van de astronomische herfst (en ook van de lente trouwens) kan je zien als een kort precair moment waarbij overal op aarde de dag even lang is als de nacht. Er is even een soort evenwicht, de balans slaat nog niet uit. Precies op dat moment laten de astrologen het teken weegschaal beginnen, de balans bij uitstek. Deze balans zien we bij veel volkeren en godsdiensten. Bij oude voorstellingen van de Egyptenaren zien we deze weegschaal vaak afgebeeld. Op onderstaande afbeelding zien we een fragment uit de papyrus van Hunefer met een voorstelling van het wegen van het hart.

Op wikipedia lezen we hierover:

Het wegen van het hart was in de Egyptische mythologie de benaming voor de ceremonie waarvan werd gedacht dat een overledene die direct na zijn overlijden moest afleggen in de Hal van de Twee Waarheden. In het midden van de hal stond een grote weegschaal. Aan de ene kant van de weegschaal lag de Veer van de Waarheid. Aan de andere kant moest de dode zijn hart neerleggen. Anubis, de God van de doden, zat bij de weegschaal. Thoth, de god van de wijsheid, schreef de uitkomst van de test op en Osiris, de god van de onderwereld, de vruchtbaarheid en de wederopstanding overzag het geheel. Als het hart even zwaar was als de veer, mocht de dode door naar de poorten van Yaru, het hiernamaals. Als het hart zwaarder was, sloeg de weegschaal door en kon het monster Ammit bij het hart en zij at het op. Een ander monster at het huis van de ziel op en de ziel alleen moest eeuwig over de aarde zwerven.

Ook bij de Christenen worden de zieltjes gewogen, wie te licht bevonden wordt komt in de hel. In 2017 maakte ik onderstaande foto in Vézelay. De mens wordt gewogen, aan de ene kant door de aartsengel Michael, aan de andere kant door de duivel. Allebei krijgen ze hun deel in de hoeveelheid mensenzieltjes.

De weegschaal als dierenriemteken, het begin van de herfst, is ook vaak afgebeeld zoals hier buiten aan de kerk van Autun. Deze foto is eveneens gemaakt door mij in 2017

Vanochtend zag ik drie koolmeesjes. Ze sprongen op, vlogen een kort stukje en streken weer neer. Zoals je dat vooral in de winter zo vaak ziet. Net alsof ook zij aangaven: de winter komt er aan, de nachten worden weer langer dan de dagen. Even later op bijna dezelfde plek verscheen een winterkoninkje, ook al zo brutaal olijk!

Het is dus herfst. De combinatie met de volle maan maakt het gevoel van een keerpunt extra sterk. Onwillekeurig denk ik aan de vele wereldproblemen die je steeds meer het gevoel geven dat de aarde op een soort keerpunt is aangekomen. Voorbij dat evenwichtspunt gaat het de andere kant uit. Alsof ook de volle maan ons waarschuwt: let op, deze herfst is anders dan anders, het is erop of eronder. Maar ik weet ook: alles is cyclisch. Er komt weer een volle maan, er komt weer een lente. Ik geef me over aan de weegschaal, die langzaam doorslaat naar de kortste dag. Die doorslaat naar de nieuwe maan. De ene cyclus duurt een jaar, de andere een maand.  En ik denk aan de jolige zangvogeltjes in onze tuin, zij lijken alleen maar blij te zijn.  En ik denk aan de prachtige sfeer van afgelopen nacht. En ik kijk uit naar de mooie sterrehemels die de winter ons weer gaat laten zien.  Jupiter en Saturnus begeleiden ons nu al, de hele herfst staan ze aan de avondhemel.  Het is volle maan. De herfst is begonnen.

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Beveiligd: Het orgel van Lekkerkerk

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Satellieten van de zon, aarde en Jupiter

Satellieten zijn objecten die om een ander object heen draaien. Er zijn vanuit die definitie veel soorten satellieten. Komende avond als het helder is kun je aan de zuidoostelijke hemel veel satellieten zien. Je ziet dan bijvoorbeeld de planeten Jupiter en Saturnus. Dat zijn dus satellieten van de zon, net als de aarde. Deze twee planeten staan al een tijd aan de avondhemel en blijven daar ook nog een tijd staan. Je ziet ook de maan, een natuurlijke satelliet van de aarde. De wassende maan nadert zijn grootste omvang en staat vanavond  in conjunctie met Jupiter en Saturnus. Hij staat tussen deze twee “dwaalsterren” in, heel gebroederlijk, wat lager bij de horizon. Maar als je op het juiste moment kijkt kun je niet alleen de “natuurlijke” satelliet van de aarde zien, maar ook een kunstmaan, het ISS, met daarin een aantal astronauten. Kijk om vier over acht naar de maan. Het is dan nog niet helemaal donker maar als het helder genoeg is zou je het moeten kunnen zien. Rechts van de maan zie je opeens iets bewegen, van rechts naar links. Het object schuift om 20:06:02 voor de maan langs en gaat dan verder. Dat is dus het ISS. Als je met een telelens op die tijd een foto zou maken van de maan dan zou je het ISS op het bovenste gedeelte van die foto terug moeten kunnen zien, ik vermoed als een afstekend helder bolletje. Zo zou het er uit kunnen zien, net iets eerder. Rechts van de maan komt het ISS er aan en beweegt richting maan:

Het feest hoeft nog niet helemaal afgelopen te zijn. Blijf vanavond nog lekker een half uurtje langer kijken naar het zuidoosten zou ik zeggen. Je kunt in dat half uur namelijk nog twee andere kunstmatige satellieten zien, eentje van China en eentje van Japan. Ze zijn allebei als het echt superhelder is te zien, hoewel lang niet zo goed als het ISS. Om 20:14 uur zie je vrij laag aan de zuidoostelijke horizon een lichtpuntje bewegen, dat is de Norad 29507, gelanceerd 23 oktober 2006 vanuit China. Hij beweegt heel langzaam bijna pijlrecht omhoog richting het Zenith, het hoogste punt van de hemel. Een kwartiertje later is het weer raak. Richt je blik nog steeds naar het zuidoosten en kijk dan heel hoog naar de hemel. Daar zie je de heldere ster Vega, een van de drie sterren van de zomerdriehoek. Om 20:36 zie je dan links daarvan de Norad 38341, een Japanse satelliet, gelanceerd 17 maart 2012. Hij beweegt langzaam richting de zuidelijke horizon, dus feitelijk net de andere kant uit als dat de vorige satelliet bewoog.

Teveel wolken? Blijf de komende dagen kijken.  De maan staat 18 december ter hoogte van Jupiter en wordt steeds voller. Volle maan is het dinsdag 21 september, net een dag voordat de herfst op woensdag 22 september begint, de dag is dan even lang als de nacht. Na 24 september heb je enkele weken geen last van het maanlicht aan de avondhemel, de maan is dan nog niet op. Een mooie tijd om ook naar de sterren te kijken. Jupiter en Saturnus kun je de hele herfst nog zien, steeds iets meer richting zuiden en uiteindelijk staan ze in december aan de westelijke avondhemel.

Onderstaande foto’s maakte ik gisteravond. Ze zijn tien voor negen gemaakt. Op de eerste foto zie je Jupiter, Saturnus, de maan en nog wat sterren. Op de tweede foto staat de wassende maan met daarop heel veel goed zichtbare kraters. En op de derde foto zie je in het midden Jupiter met er omheen drie van de galileïsche manen van deze planeet. Van Links naar rechts zie je Callisto, Europa en rechts van Jupiter staat IO. Ganymedes, de grootste satelliet van Jupiter staat zo dicht bij deze planeet dat hij net niet te zien is. Elke dag staan deze maantjes iets anders rond Jupiter. Vanavond kun je ze allemaal zien met een goede kijker. Het is dan één groot satellietenfeest!

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Beveiligd: Mixtuurtje

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , , , , , , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Geheimzinnige dwergen

Op onderstaande foto zien we de grote Magelhaense wolk, die op het zuidelijk halfrond te zien is, zelfs met het blote oog. Het is een dwergsterrenselsel dat qua gravitatie waarschijnlijk onafhankelijk is van onze eigen Melkweg, het is een min of meer toevallige passant en het bevindt zich op gemiddeld 157000 lichtjaar afstand.

De meeste andere nabijgelegen dwergstellenstelsels daarentegen draaien om onze eigen Melkweg heen. Deze dwergsterrenstelsels blijken veel onopgeloste geheimen te verbergen. Wetenschappers onderzoeken ze en snappen van veel dingen niets. Ik probeer er op mijn manier ook een beetje naar te kijken. De microkosmos weerspiegelt toch de macrokosmos? Geheimen die ver weg zijn blijken misschien minder geheimzinnig te zijn als je ze wat dichterbij plaatst. Maar om welke geheimzinnige dingen gaat het eigenlijk?

Laten we eerst eens kijken hoe melkwegstelsels zijn ontstaan. De gangbare theorie luidt als volgt: kort na de oerknal begint onzichtbare donkere materie samen te klonteren in kleine, min of meer bolvormige wolkjes. Die donkere ‘halo’s’ trekken met hun zwaartekracht ook gewone, zichtbare gasatomen aan. Uit dat gas ontstaan sterren en zo worden talloze kleine stelsels van sterren gevormd: dwergstelsels. Al vrij snel voegen die zich samen tot weer grotere sterrenstelsels, zoals de Melkweg en onze buur, het Andromeda melkwegstelsel.. Die blijven vervolgens tot op de dag van vandaag groeien door steeds weer nieuwe dwergstelsels te verorberen.

Maar wetenschappers in Groningen vermoeden dat de werkelijkheid wel eens behoorlijk anders zou kunnen zijn.  Om te beginnen zijn er te weinig dwergstelsels. Vanuit simulaties zouden er al honderden rond onze eigen Melkweg gevonden moeten zijn, maar het zijn er slechts enkele dozijnen. Zijn die er toch en bestaan ze misschien uit louter donkere materie? Die zouden ook zwaartekrachtwerking moeten hebben maar die is niet gevonden. Ook klopt de snelheidsverdeling binnen een dwergstelsel niet. Vlakbij het centrum zouden de sterren veel sneller moeten bewegen dan daarbuiten en dat blijkt niet zo te zijn. En waar bevinden de dwergstelsels zich? Volgens de gangbare theorie zou elk groot Melkwegstelsel  overal in de rondte omgeven moeten zijn door dwergstelsels, maar het blijkt dat ze zich bevinden in een vast vlak, dat blijkt ook bij andere melkwegstelsels zo te zijn. Ook de samenstelling van de elementen is vreemd, er komen vrij veel zware elementen als Europium in voor, iets dat je niet zou verwachten. Op de aarde zijn een aantal verschillende wetenschappelijke teams met deze vraagstukken bezig, ze zijn het in veel opzichten niet met elkaar eens, wat aangeeft hoe moeilijk dit soort onderzoeken zijn.

In het artikel in de Volkskrant van zaterdag 4 september van de hand van Govert Schilling dat hierover ging worden nog veel meer aspecten aangesneden. Graag verwijs ik naar dat artikel. Ik vind het leuk om er op mijn eigen manier ook een beetje over te filosoferen. Om te beginnen het laatst vermelde probleem: alle dwergmelkwegstelsels bevinden zich in een plat vlak rond het moeder Melkwegstelsel. Dat doet me denken aan de planeten om een zonnestelsel, die zich ook in een vast plat vlak bevinden. En dat heeft weer te maken met de ontstaansgeschiedenis van het zonnestelsel: voordat alle planeten in een vrijwel platte schijf gingen draaien waren er heel erg veel kleine rotsen en planeten die alle kanten op gingen. Door de tijd heen zijn deze objecten tegen elkaar aan gekomen en zijn ze op een nieuw pad gestuurd. De grotere planeten ”aten” de kleine op als deze elkaar ontmoeten en zo werd het zonnestelsel opgeruimd. Toen er alleen nog grote planeten over waren die nog steeds verschillende kanten opgingen, was het gewoon wachten tot er een botsing kwam. Na een lange tijd gebeurde dit, en dan werd het pad van beide planeten aangepast. Doordat er in één bepaalde richting meer planeten draaiden, werden de planeten die niet in die ene richting draaiden op een gegeven moment geëlimineerd door planeten van de sterkste groep. Dat zijn de huidige planeten van ons zonnestelsel. En die bewegen nu zodanig dat botsingen slechts uiterst zeldzaam zijn geworden.
Het lijkt me geen onlogische gedachte dat zoiets ook aan de hand is met de dwergstelsels. Het zijn er ooit veel meer geweest, die op verschillende manieren om onze Melkweg draaiden. Maar ze raakten met elkaar in botsing en versmolten. Het werden er minder en de dominante richting van die nieuwe, grotere dwergstelsels ging overheersen.

Alles lijkt zich van groot naar klein te herhalen, de microkosmos weerspiegelt de macrokosmos. Bij dit alles is er een proces in de tijd gaande waarbij elke onstabiele situatie geleidelijk overgaat in een meer stabiele. Een tijdlang lijkt er niets aan de hand. Als twee dwergstelsels elkaar uiteindelijk elkaar toch weer te veel naderen dan is er een nieuwe instabiliteit ontstaan die tot gevolg heeft dat de baan van alle sterren in die stelsels gaat veranderen totdat er uiteindelijk weer een nieuwe stabiliteit ontstaat. Ons eigen melkwegstelsel heeft een spiraalvorm, net als dat van onze buur, het andromedastelsel. Berekeningen laten zien dat beide stelsels elkaar in de verre  toekomst (over vier miljard jaar) te dicht zullen naderen. Ze versmelten en uiteindelijk krijgt het nieuw ontstane stelsel een nieuwe vorm: het wordt een groter, ellipsvormig melkwegstelsel, zoals er overigens al veel zijn in het heelal. Elke ster in dat stelsel, dus ook onze zon, krijgt een andere baan. De hemel zal er vanaf de aarde gezien behoorlijk veel anders uit gaan zien. Maar vier miljard jaar, dat is erg lang. Dat is net zo lang als dat de aarde op dit moment bestaat. En in die vier miljard jaar zijn er in het verleden zoveel dingen gebeurd die allemaal veel ingrijpender waren voor al het leven op aarde, dat filosoferen over deze gebeurtenis in de verre toekomst nauwelijks relevant lijkt te zijn voor in ieder geval de huidige aardse bewoners.

In het verleden waren er talloze volkeren op aarde. De volkeren in Amerika hadden geen benul van de volkeren in Europa of Afrika. Deze volkeren raakten op drift: de grootste en sterkste volkeren palmden de kleinere in. Dat proces is blijven doorgaan totdat er nu nog maar een paar volkeren over zijn. Hun neuzen staan nog niet dezelfde kant op. Maar door de globalisering begint het er wel al sterk op te lijken. Over een tijd zijn er nog steeds een aantal machtige volkeren. Ze zijn anders, maar ze botsen niet meer, hun neuzen zijn gericht naar dezelfde kant, in hetzelfde platte vlak. Daarnaast zijn er nog een aantal kleinere dwergvolkeren, die we niet goed begrijpen. Ze laten zich niet gemakkelijk inpalmen. We snappen niet veel van hen, hun cultuur is heel anders. Eigenlijk willen we ze verorberen.

Tot voor kort was Europa redelijk overzichtelijk als je keek naar de religieuze achtergrond. In het noorden was men protestant, in het zuiden katholiek. Maar nu is het veel diffuser. Er zijn veel moslims bij gekomen. En alles heeft zich vermengd. En er is een al langer bestaande sekte dominant geworden, de sekte van atheïsten. Kun je je daar tegen wapenen, als tegen een coronavirus? Zullen de spiraalvormige godsdiensten overgaan in een elliptisch atheïsme? Dat niets snapt van de nog steeds vreemde dwerggodsdiensten?

Microkosmos als weerspiegeling van de macrokosmos. Als je er midden in zit zie je het veel minder goed. Maar het hele leven is denk ik een weerspiegeling in kortere tijd van de grootse dingen die zich op lichtjaren afstand afspelen. Een eeuw aards bestaan is als miljoen jaren eeuwigheid. Als we die geheimzinnige dwergsterrenstelsels beter begrijpen dan snappen we misschien ook wat meer van onze buren.

Geplaatst in Astronomie, filosofie | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Sequentia, muziek van de vroege middeleeuwen

Een ensemble dat zich al vroeg intensief ging bezig houden met met het interpreteren van heel oude Middeleeuwse muziek is “Sequentia”. Dit ensemble werd in 1977 opgericht door Benjamin Bagby en Barbara Thornton. De laatste overleed helaas al in 1998, maar Benjamin Bagby is nog steeds de bezielende leider. Dat hij dat doet met veel overtuigingskracht zagen we gisteren bij een concert in het kader van het festival Oude Muziek. We zaten in Cloud nine, een zaaltje in de nok van Tivoli Vredenburg. Dat het ensemble na bijna 35 jaar nog steeds bestaat is vast en zeker te danken aan deze Benjamin Bagby. Hij schijnt ook veel cursussen te geven.

Maar ook de andere muzikanten mochten er wezen, waarbij met name zangeres Hanna Marti (rechts op de foto), die ook harp speelde, me erg aansprak. Wat een prachtige en natuurlijke stem, en wat een vanzelfsprekendheid waarmee ze alles overbracht!

Het was erg fijn dat de vertaling van de gezongen teksten op de achtergond werd geprojecteerd, je kon zo alles moeiteloos in de verder verduisterde ruimte volgen. Afgezien van de muziek, die los van de tekst al prachtig was, voelde je vooral ook door deze tekst de geschiedenis een stukje dichterbij komen. De tijd van de vroege middeleeuwen, een tijd die me al jaren fascineert. Bezweringen, toverformules, slavernij, vrouwen die proberen onder het juk van de mannenmaatschappij uit te komen. Ik had associaties met allerlei dingen. Met de waarschuwende kapitelen in Romaanse kerken, met de visioenen van Hildegard von Bingen, met een beeldje van de god Bes dat ik op een tentoonstelling enkele jaren geleden zag, een god die je huis moest beschermen.  En met een artikel dat ik schreef over remedies tegen ziekten en andere medische aandoeningen. We waren die middag even in een heel andere wereld. Het was een heerlijk en inspirerend concert.

Dit was het programma:

Oudhoogduitse ‘Merseburger toverspreuken’ 10de eeuw

  • Eiris sazun Idisi, sazun hera duoder
  • Phol ende Wuodan vuorum zi holza
  • Angelsaksisch raadse: Biþ foldan dæl

Angelsaksische elegie

  • Welund him be wurman wræces cunnade (‘Deor’)

Bezweringen om een huis te zegenen en een zwerm bijen te beheersen

  • Wola, wiht, taz tu weist (Oudhoogduitse ‘Züricher huiszegen’)
  • Fo ic under fot, funde ic hit (Angelsaksische bezwering ‘voor een zwerm bijen’)
  • Kirst, imbi ist hucze! (Oudhoogduitse ‘Lorscher Bienensegen’)

Instrumentaal.

  • In modo Magni (gebaseerd op ‘Saint Magnus hymn’, Orkney)

Angelsaksische raadsels voor geleerden

  • Ic seah wrætlice
  • Moððe word fræt

Angelsaksische elegie:

  • Ic þis giedd wrece bi me ful geomorre (‘The wife’s lament’) (uit: Exeter Book, 10de eeuw)

Bezweringen om van wormen en stekende pijn te genezen

  • Gang uz, nesso (Oudhoogduitse bezwering tegen wormen)
  • Hlude wæren hy, la, hlude (Angelsaksische bezwering tegen stekende pijn)

Instrumentaal 9de eeuw:

  • Stans a longe

Angelsaksische raadsels in de keuken en slaapkamer

  • Ic on wincle gefrægn
  • Ic eom wunderlicu with
  • Hyse cwom gangan

Angelsaksische elegie

  • Leodum is minum swylce him mon lac gife (‘Wulf and Eadwacer’)

Bezweringen om het bloeden te stoppen en ter bescherming tegen vergiftiging

  • Tumbo saz in berke (‘Straatsburgse Tumbo-bezwering tegen het bloeden’)
  • Christ unde Johan giengon zuo der Jordan (‘De Jordanese bloedneusbezwering’)
  • Wyrm com snican (Angelsaksische ‘negenkruidenbezwering’ tegen vergiftigingen)
  • Genzan unde Jordan keikan sament sozzen (‘Straatsburgse bloedbezwering’)

Twee elegieën

  • Old Icelandic Grottasöngr
  • Nú erum komnar til konungs húsa (‘Het molenlied van Frodi’s slavinnen’)

Hanna Marti zang, harp, Stef Conner zang, Norbert Rodenkirchen fluiten, harp.Benjamin Bagby zang, Angelsaksische harp en muzikale leiding

Ook op Youtube kun je muziek van hen terug horen:

Geplaatst in Geschiedenis, muziek, recensie | Tags: , , , | 3 reacties

Behandeling van zieken op het platteland in de zeventiende en achttiende eeuw

Over het verzorgen van zieken en over het vak van chirurgijn in de steden, in de periode voor 1800, weten we vrij veel. Veel minder bekend is hoe het er op het platteland aan toe ging. Ik heb wat dingen achterhaald van Swalmen, een dorp net ten noorden van Roermond en inmiddels onderdeel van die stad. In 1636 woonden daar een aantal melaatsen (lepralijders), die gingen bedelen in Roermond. De magistraat van Roermond verordonneerde dat elk dorp zijn eigen melaatsen diende te onderhouden. Pestlijders en melaatsen werden zo snel mogelijk geïsoleerd. In de stad waren ze dan aangewezen op de verzorging door kloosterlingen. Vooral de Capucijners in Maastricht waren altijd erg welwillend, zelfs zo, dat op een gegeven moment alle Capucijner paters en broeders van het klooster van Maastricht zelf aan de ziekte waren bezweken. Op het Antoniuseiland in de Maas bij Maastricht verzorgden de Antonieten zieken die leden aan het zogenaamde antoniusvuur, ook een besmettelijke ziekte. In Roermond was er een verordening dat aan de huizen waar pestlijders woonden, een blik moest worden vastgespijkerd en verder werden er pestdrankjes gemaakt en kaarsen aangestoken bij de kerk van de Jezuïeten ter ere van de H. Ignatius, die bekend stond als pestheilige. Een andere veel voorkomende, besmettelijke ziekte was dysenterie, die geregeld de kop op stak. Men dacht dat deze ziekte veroorzaakt werd door het eten van bepaalde groenten en fruit, vooral door het eten van witte kool, witte duiven en witte pruimen. Als de ziekte de kop op stak kwam er onmiddellijk een verbod in de handel van deze levensmiddelen. Wanneer er in de 18e eeuw in een jaar meer mensen stierven dan normaal, kwam dat vaak doordat er weer een epidemie was uitgebroken. In Swalmen zien we dat in het najaar van 1702, toen veel mensen stierven aan dysenterie

Maar begrafenisregisters blijven slechts kleine en beperkte informatiebronnen. Soms kom je bij je speurtocht door archieven toch nog onverwachte dingen tegen. In de Kroniek voor Beesel, Belfeld en Swalmen van Loe Giesen kun je een rekening vinden van een dokter uit Roermond die in 1795 een aantal zieken in Swalmen had bezocht en medicijnen had voorgeschreven of aderlatingen had toegepast. Dat laatste was een veel voorkomende methode om iemand beter te maken: Er werd een snee gemaakt en men liet bij de patiënt een deel van het bloed weglopen. In dat bloed zou de basis van de ziekte zitten. Dat was heel normaal in die tijd. In Wenen had de componist Ludwig van Beethoven in dezelfde tijd ook regelmatig doktersbezoek en kreeg daarbij dan een aderlating. Op 20 maart werd in Swalmen “op de Heid” Reiner Börskens behandeld vanwege een bevroren voet, de dag er na werd hij opnieuw verbonden. De dokter kwam dus een dag later terug vanuit Roermond en waarschijnlijk onder barre omstandigheden (zijn patiënt had immers een bevroren voet…) Op 14, 15 en 16 mei werd de weduwe van Joan Crin (Joannes Crijns) bezocht. De betreffende dokter was Jo Wildt, chirurgijn te Roermond, afkomstig uit Erkelenz.* Swalmen werd door hem gemiddeld drie keer per week bezocht en dan ging het meestal om het bezoek aan een of slechts enkele zieken. In de betreffende periode (tussen 17 maart en 21 mei 1795) kwam hij in totaal 18 keer in Swalmen. Een aderlating door hem gedaan kostte toen 4 stuiver. De totale kosten, inclusief behandelingen en recepten over deze hele periode, bedroegen 8 pattacon, 7 schelling, 8 stuiver, ongeveer 20 gulden. Waarom maakte chirurgijn Wildt een dergelijke totaalrekening over twee maanden van patiënten in Swalmen? Werden deze patiënten wellicht op kosten van de armenkas betaald en ging de rekening naar “de gemeente”? Er was al eeuwenlang een armenkas. Het zou heel interessant zijn om een verantwoording van de uitgaven te zien om een nog beter beeld te krijgen van bijvoorbeeld de ziekenzorg. Behalve verbinden en aderlaten staat op de rekening: “vanwege het verstrekken van medicijnen”. Welke medicijnen dat zijn staat er jammer genoeg niet bij.

Op internet is in Google books een prachtige uitgave te vinden van “d’n nieuwen Herbarius van Leonhardt Fuchs” **, oorspronkelijk in het Latijn geschreven, maar daarna al snel in het Frans, Duits en ook Nederlands vertaald. (1543.) Honderden kruiden zijn getekend en uitgebreid beschreven, ook wat je er mee kunt doen. Waren dokters in Roermond en omgeving ook bekend met dergelijke boeken?

In 2006 bezocht ik het Regionaal Historisch Centrum Limburg in Maastricht en vond in een oud archiefstuk op enkele blaadjes opeens heel andere, dan de gebruikelijke dingen. Er stonden daar enkele recepten, of liever gezegd: Remedies tegen allerlei kwaaltjes. Nieuwsgierig geworden maakte ik foto’s van deze archiefstukken, zonder op te schrijven in welk archiefstuk de “remedies” stonden. Onlangs probeerde ik de bron terug te vinden. Ik had wel als aantekening gemaakt dat het om 1698 ging. Veel archiefstukken die ik indertijd bestudeerde kunnen inmiddels niet meer bekeken worden omdat ze te kwetsbaar zijn. De exacte bron is dus op dit moment bij mij niet bekend, maar omdat ik indertijd vooral met diverse schepenarchiefstukken van Swalmen bezig was, vermoed ik dat het daar ergens te vinden moet zijn. Maar nu m.b.t. de stukken zelf: had Swalmen zo zijn eigen kruidenwijsheid? Wie zou dat opgeschreven hebben? Het handschrift is vluchtig, hanepoterig, vaak nauwelijks of zelfs niet te ontcijferen, soms ook weer wat netter. Maar de inhoud is interessant. Bijvoorbeeld nierstenen werden behandeld met een mengsel van vlierbessenzaad en jeneverbessenpuree, gemengd met azijn. In het boek van Fuchs was het eten van vijgen het recept voor nierstenen. Met vlierbessensap kan men volgens hem het haar zwart verven en vlierbessenwijn is goed voor het hart, de wortels zijn waterafdrijvend. Maar het zaad wordt niet beschreven. In Swalmen kon je daar dus ook nog wat mee doen. Zo hadden ze hier ook nog de methode om een duif te martelen en daarmee kinderstuipen te verhelpen, dat soort dingen staat uiteraard niet in het herbarium van Fuchs. Natuurlijk werkte het, want kinderstuipen gaan meestal vanzelf na enkele minuten weer over… Hieronder een transcriptie van het handschrift met de “remedies”

Remedie voor een Catharre te genesen ofte beghingen vom (?)den kancker

Kook het mengsel van een kom azijn, oude boter en oud bier en klein gesneden rode kool. Dik het in tot een pap en leg de pap tussen twee doeken. Leg dit warm op de buik van de zieke en hij zal genezen.

Remedie om de stuippen ofte boysinghen (?) der kinderen te gheneesen.

Neem een levende duif en ontdoe hem bij de stuit van zijn veren, steek de stuit in de kont (achterwerk), de duif zal zwart worden en sterven. Als het nog niet geholpen heeft, herhaal dit en het kind zal snel genezen.

Remedie voor het graneel.

Neem een vingerhoedje van het zaad van de witte vlier en vermeng het met enkele jeneverbessen. Het zaad moet geoogst worden tussen Kerstmis (25 december) en Maria Lichtmis (2 februari) en in een vijzel gestampt worden op de juiste manier.
(Graneel: nier- of galstenen)

Remedie voor de Sinnecortsen.

Kook gedurende 24 uur een pot wijn met Amelis en Caerbenedictus bladeren, laat stevig indikken. Neem zowel ’s ochtends, ’s middags als ’s avonds een klein kopje hiervan.

Met sinnecortsen worden opvliegers bedoeld. In het recept staan enkele ingrediënten waarvan niet gelijk duidelijk is wat daar mee wordt bedoeld. Amelisbladeren zijn waarschijnlijk bladeren van het krentenboompje (amelanchier). Dit boompje komt vaak verwilderd voor, het is inheems in Midden-Europa. Caerbenedictus bladeren zijn waarschijnlijk de bladeren van de gezegende distel, ook wel benedictuskruid (Cnicus Benedictus) genoemd. In de flora van Heimans en Thijsse staat dat het in de geneeskunde werd gebruikt en is ingevoerd vanuit Zuid-Europa. De bladeren hebben fijne stekels, het omwindsel heeft zeer lange bruine stekels en is met fijne haren bezet. De plant lijkt op de melkdistel. Caer Benedictus: Caer doet me denken aan kaarden, zoals dat gebeurde met de kaardenbol. Je kon dus waarschijnlijk met de stekels van deze plant ook wol kaarden, vandaar: Caer Benedictus!

Remedie voor de pleuris.

Meng een handvol ijs, eiwit en voor twee stuiver kamille-olie door elkaar, leg het tussen twee doeken die je op je zijde legt en je zult snel genezen.

Wikipedia: Pleuritis (in de volksmond ook wel pleuris) is een ontsteking aan het borstvlies rondom de longen en aan de binnenkant van de thorax, de pleura. Dit kan door een virus of een bacteriële infectie komen of door directe irritatie van de pleura.

Remedie voor tandpijn.

Week in wat water een bos bladeren en een ons kleine “witte wasche bollekens”. Kook het goedje en voer het via een hete tang door een trechter, die gericht is op de pijnlijke tand. De patiënt dient zijn adem in te houden zo lang als hij dat kan. Dit blijven herhalen tot de tand genezen is en alle rottigheid uit de tand is verdwenen.

Toelichting: Witte wasche bollekens zijn waarschijnlijk de bessen van de sneeuwbes, een struik die tot de kamperfoeliefamilie behoort. Het is een stinzeplant. De bessen bevatten saponine. Wanneer saponinen worden geïnjecteerd in de bloedbaan zijn ze giftig. Ze lossen dan lecithine in het membraan van rode bloedcellen op, waardoor de rode bloedcel uit elkaar valt en de inhoud ervan (o.a. hemoglobine) oplost in de omringende vloeistof (wikipedia). Omdat het een zeepachtige structuur heeft zal het goed toegediend kunnen worden. Het woord “wasche” slaat waarschijnlijk op het feit dat deze bolletjes vanwege hun mogelijkheid tot zeepvorming ook als wasmiddel werden gebruikt. Het is niet onwaarschijnlijk dat op een goede manier gebruikt de patiënt inderdaad baat had bij de behandeling vanwege het reinigen en toxisch behandelen van het ontstoken deel van de mond.

Voor de loop

Neemt een vers eije ende een ejer schale vol water ende dat onder een geklopt en inghenoomen.

Een eenvoudig middel tegen buikloop of diarree dus

Een bonte verzameling van remedies, van duidelijk kwakzalverij (het martelen van een duif) tot middelen die eigenlijk wel eens geholpen zouden kunnen hebben. Een klein tipje van de sluier van het gewone leven van onze voorouders wordt zo opgelicht.

* De betreffende rekening is in het Hoogduits opgesteld. In het trouwregister van pastoor Vandensteenwegh van Roermond lezen we dat Josephus Wildt op 24 april 1781 in Roermond komt wonen met als beroep chirurgijn: Roermond 1781 aprilis, die 24ta præviæ dispensatione in bannis matrimonium coram me infra scipto in ecclesia nostracontraxerunt Josephus Wildt origine et domicilio Ercliniensis chirurgus de consensu pastoris sui et Antonetta Hermans origine Sittardiensis et domicilio parochiana mea sui juris testes fuerunt Sibertus op de Graef cælebs scriniarius, Elisabeth Lemmens, Corneliæ Green, Christina Wildt omnes cælibes et parochiani quod attestor A. Van den steenwegh pastor Ruræmund[en]sis(De meesten van onze lezers kennen geen Latijn)
Pas 8 augustus 1793 wordt hij als burger opgenomen in het burgerboek, wederom met als beroep chirurgijn.

** Leonhart Fuchs of Fuchsius (1501-1566) was een Duitse plantkundige en arts. Hij leefde in dezelfde tijd als Luther, door wie hij van geloof veranderde. Op twaalfjarige leeftijd ging hij al naar de universiteit en op zijn zeventiende gaf hij les op een privé-school in Grieks en Latijn, medicijnen en plantkunde. Toen hij 25 jaar was, werd hij professor aan de universiteit van Ingolstadt. Het kruidboek van Fuchs bevat bijzonder fraaie afbeeldingen. De eerste uitgave is in het Latijn. In 1542 verscheen ook nog een Franse vertaling, een jaar later kwamen de Duitse vertaling, New kreütterbuch, en een Nederlandse vertaling, Den nieuwen Herbarius, uit. Het boek bestaat uit 556 bladzijden en bevat 517 afbeeldingen. Het heeft drie registers, een met de naam van de plant in de plaatselijke taal, en met de naam in het Grieks of Latijn, en een met de namen van de te behandelen kwalen. Het plantengeslacht Fuchsia is vernoemd naar Fuchs. ). De Nederlandse vertaling is gedrukt in Basel. (books.google.nl/books?id=fQNBAAAAcAAJ).

Bovenstaand artikel van mijn hand is eerder geplaatst in een jaarboek van de heemkundevereniging van Swalmen Reuver en Belfeld.

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Orgelfeest

Vier jaar geleden schreef ik voor het eerst een stukje over mijn oudste kleinzoon. Ik heb besloten dat het stukje dat ik nu schrijf in ieder geval voorlopig mijn laatste stukje zal zijn. Hij is inmiddels acht jaar en ik lees samen met hem als hij er is altijd de krant. Zo wil ik niet meer iets óver hem schrijven, hooguit samen mét hem.

Vandaag is zijn school weer begonnen en zo meteen ga ik hem afhalen en hem vanmiddag weer een keer helpen met de opgaven van zijn orgeldocent. Het lezen van het notenschrift is nog steeds een grote ramp. Net als indertijd toen we hem tijdens de twee lockdowns hielpen met rekenen slaakt hij ook nu meestal diepe zuchten en gaapt luidruchtig als hij zich over dat notenbeeld buigt. Zijn docent geeft hem veel minder op dan dat hij in het begin deed en doet tijdens de les allerlei leuke dingen met hem. Zo geeft hij hem tips hoe hij kan improviseren vanuit een enkel motiefje, door het voor te doen. Ook doet hij vraag- en antwoordspelletjes. Of hij laat hem zingen.
-‘Zing eens een kleine terts?’
Dat doet hij moeiteloos.
-‘En een kleine terts daarboven op?’
Even nadenken en ook dat gaat goed. De docent speelt het nu ontstane akkoord.
-‘Dat is een verminderde drieklank’, zegt mijn kleinzoon.
Er worden nog drie tertsen een voor een door hem er boven opgestapeld. Ook dat gaat moeiteloos. Terzijde herkent hij er een verminderd septiemakkoord in. Dan vraagt de docent of hij het ook achterste voren kan zingen. Dat lukt, bij de een na laatste terts blijft hij steken en weet het even niet meer. Uit mijn eigen ervaring weet ik dat de gemiddelde conservatoriumstudent dit pas lukt na intensief oefenen…
Maar we gaan desondanks ook door met van blad spelen.

De fascinatie voor orgels en organisten is een tijdlang helemaal weg geweest. Enkele weken lang waren het treinen, toen brandweerauto’s, vervolgens ambulances en nog iets later ziekenhuizen. Ons hele huis was één groot ziekenhuis met overal pijltjes naar de eerste hulp, de OK, de fysio. Bij de balie zat een pop die je als je binnen kwam je wegwijs maakte. Tegenwoordig maakt hij voortdurend vlogs met mijn telefoon of met die van zijn moeder. Zo heeft hij meerdere vlogs gemaakt over dat ziekenhuis. Enkele weken geleden zag hij filmpjes van de stuntman Jacky Chan. Dat ging hij naspelen, met poppen en knuffelbeesten die de meest rare toeren uithaalden. Als hij in de speeltuin was rende hij zich suf van het ene toestel naar het andere en was intussen Jacky Chan. Zijn moeder verwachtte afgelopen zomer dat hij met orgelles zou gaan stoppen, want hij speelde er nooit meer op.

Maar hij mocht een concert verzorgen van een half uur in de Laurenskerk van Rotterdam. Daar staat het grootste orgel van Nederland! Hij maakte een programma bestaande uit drie stukken en een vrije improvisatie. Na een kwartier was hij klaar. De registrant vertelde dat hij nog tijd over had. Toen speelde hij nog een stuk van Louis Vierne dat hij enkele dagen eerder op Youtube gezien en gehoord had, gespeeld door zijn docent. Natuurlijk speelt hij niet de noten van Louis Vierne. Het is een moeilijk stuk. Hij heeft het stuk van A tot Z in zijn hoofd en speelt het, hij reduceert het tot dat wat hij kan spelen. En er klinkt muziek! Er was nog steeds tijd. Hij besloot om nog een vrije improvisatie te doen, maar nu opgebouwd van zacht tot hard. Uiteraard met alle manualen en met het pedaal. De professionele registrant dacht mee en registreerde mee en samen maakten ze het tot een feest, bij het slotakkoord klonk in het pedaal een zware 32-voet. “Waw!” Mijn kleinzoon was helemaal in zijn nopjes.

Sindsdien is hij weer met orgels, kerken maar ook carillons bezig. Toen we naar de orgelles liepen afgelopen woensdag liepen we over de markt van Gouda, waar net het carillon van het stadhuis sloeg en hij zag ook weer de poppetjes tevoorschijn komen en weer verdwijnen. Samen bleven we staan kijken. Gisteren heeft hij een aantal vlogs gemaakt in zijn eigen huis. Op eentje liet hij vanuit zijn kamer op de vensterbank een boek langzaam opengaan, dat daar rechtop stond. Vervolgens speelde hij op zijn keyboard het deuntje van het carillon van het stadhuis van Gouda, Daarna liep hij weer naar de vensterbank en liet hij het boek langzaam dicht gaan: de poppetjes waren weer verdwenen. Zijn moeder stond buiten en heeft het gefilmd.

In een ander vlog speelde hij dat hij de carillonspeler Boudewijn Zwart was. Die heeft een baard, dus mijn kleinzoon mat zich ook een baard aan door middel van een rode lap. Hij speelde met zijn vuisten op het keyboard het eerste deel van de vijfde symfonie van Beethoven. Het was nog niet afgelopen (na 11 minuten) toen blijkbaar de camera uitviel.

En zo hoorde hij slechts één keer (misschien twee of drie keer, ik weet het niet, maar vaker zeker niet) de organist van de Notre Dame van Parijs improviseren op de Marseillaise. Dat ging hij dus ook doen.

Ik kan zo nog een tijdje doorgaan. Bij dit alles staat voortdurend centraal dat hij niet muziek maakt, maar dat hij in een rol zit. Zo ís hij organist van de Notre Dame, zo ís hij Boudewijn Zwart, zo ís hij Jacky Chan. Hij speelt alles na  maar betrekt zijn hele omgeving in dat spel. Hij ziet iets en dat krijgt een functie daarin. En echte orgels, ach, je kunt ook met blokken een orgel maken en dan je organistenrol spelen en de orgelmuziek die erbij hoort intussen zingen. Elke blok is een manuaal, zo heb je al snel een groot orgel. Je kunt de afstandsbediening van de TV er naast leggen. Het blijkt dat je vanuit het orgel een scherm kunt bedienen. (In de St. Jan is ook een scherm waarop je de organist vanuit de kerk kunt zien..)

Mijn oudste kleinzoon is een unieke persoonlijkheid die tegelijk boordevol talenten zit, op meerdere terreinen. Hij is daarnaast zeer innemend en meestal vrolijk. Zijn kwalen, die vooral te maken hebben met zijn autisme, maken dat hij daarnaast ook heel bang, en zelfs agressief kan zijn. Hij is een jongen om van te houden. Maar tegelijk is hij nog steeds o zo kwetsbaar. Ik ben dankbaar dat ik deel uitmaak van zijn leven en hoop dat nog jaren te kunnen blijven doen.

Geplaatst in autisme | Tags: , , | 2 reacties

De Kampina

Een dag wandelen in het natuurreservaat de Kampina is zeer aangenaam in deze tijd van het jaar. Natuurlijk zie je veel bloeiende struikheide, hier en daar ook dopheide en samen met deze plant zie je dan altijd ook Tormentil, een lid van de rozenfamilie maar die anders dan bijvoorbeeld Zilverschoon of Vijfvingerkruid slechts vier kroonblaadjes heeft. Maar daarnaast zagen we ook Zonnedauw en tot mijn grote verrassing op meerdere plaatsen Klokjesgentianen, soms zelfs in groten getale. Als achtergrondmuziek hoor je een fragment van het eerste deel van het vioolconcert van Alban Berg.

Op een site van Natuurmonumenten lezen we nog de volgende informatie:

De Kampina in Brabant is terug gebracht tot zoals het ooit was. Je vindt hier nog natte heide met vennen, geurende gagelstruwelen, beemden, loofbossen en blauwgraslanden. We veranderen de monotone dennenbossen langzaam maar zeker in een veel gevarieerder leefgebied voor dieren, planten en paddenstoelen. Een mooi succes is de terugkeer van de das. Sinds 2016 voelt die zich hier weer helemaal thuis.

De Kampina telt tientallen vennen, net als de nabijgelegen Oisterwijkse Bossen en Vennen. De meeste vennen ontstonden in de laatste ijstijd. De poolwind blies het zand tot heuveltjes en in de uitgestoven laagtes die zo ontstonden bleef het regenwater staan. Door de onderliggende leemlaag liep dat water niet weg. Het Belversven en het Winkelsven zijn weer op een andere manier ontstaan. Dit zijn restanten van het smeltwaterdal van de Beerze, een beek die nu veel meer naar het oosten loopt.

Omstreeks 1400 was de Kampina een grote zandverstuiving, te vergelijken met de Loonse en Drunense Duinen. De mensen hadden alle bomen gekapt, waardoor de onderliggende zandlaag ging stuiven. Dat groeide in de loop van de tijd weer dicht met heide, waarop de boeren uit de omgeving eeuwenlang hun schapen en ander vee lieten grazen. Om die heide te behouden, laten we er nu kuddes runderen en paarden grazen. Die zorgen ervoor dat jonge boompjes en grassen geen kans krijgen om de heide te verdringen.

Er is nog een derde soort ven: de Huisvennen. Deze vennen ontstonden op plekken waar vroeger turf werd gestoken. Dat was de brandstof om huizen te verwarmen. Vanaf 1379 werd de turf al gewonnen en via boten over de Kleine Aa naar Boxtel en Den Bosch gebracht. Begin twintigste eeuw verstookten ze in de Boxtelse elektriciteitscentrale nog steeds turf uit de Huisvennen.

Balsvoort
Omgeven door woeste heide, bewerkten boerenfamilies eeuwenlang hun akkertjes op Balsvoort. Van deze middeleeuwse boerenenclave was tot 2015 nog maar weinig over. Natuurmonumenten heeft het oude landschap weer nieuw leven ingeblazen door akkers, poelen, weilanden en houtwallen te herstellen. De contouren van de boerderijen zijn weer zichtbaar en in de nazomer kun je tijdens je wandeling een appel of pruim plukken in de boomgaard.

Dal van de Beerze
De Kampina telt meerdere prachtige wandelroutes. De groene route voert je door het Dal van de Beerze. Op de overstromingsvlakte kun je veel vogels spotten, zoals de grote zilverreiger, de smient, de karekiet en heel soms zelfs de zwarte ooievaar. Via de kronkelende loop van de Beerze kom je bij de Spoordonkse watermolen, die dateert uit 1453. Net voor de molen ligt een vistrap met veertien treden. Die zorgt ervoor dat vissen zoals de kopvoorn en stekelbaars tegen de stroming in terug kunnen zwemmen naar hun paaigebied.

Het Dal van de Beerze wordt nog mooier. De komende jaren gaat Natuurmonumenten, samen met het waterschap De Dommel, het beekdal verder herstellen. Het beekwater mag dan weer buiten zijn oevers treden en de beemden, graslandjes naast de beek, overstromen. De natuur zal floreren in dit natuurlijke beeksysteem.

Geplaatst in natuur | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Dorpjes in de Gers in Frankrijk

Kaartje met de beschreven dorpen

Een week bij familie in Zuid-Frankrijk met niet al te warm weer leende zich voor het bezoeken van een aantal dorpen en steden, in sommige waren we nog niet eerder geweest. De streek was in de Middeleeuwen belangrijk vanwege twee van de belangrijkste pelgrimsroutes naar het graf van de heilige Jacobus in Compostella. Dat er nog steeds een aantal pelgrims gebruik maken van die routes zagen we in Fleurance, maar verder merk je daar weinig van. De steden Fleurance en Lectoure laat ik in dit blog voor wat ze zijn, alleen de dorpjes komen aan bod. Op het kaartje kun je zien waar we allemaal geweest zijn. Ik zal van elk van de plaatsen 1-9  enkele foto’s laten zien en er iets meer over vertellen.

1 Grenade

Op de heenweg kwamen we door Grenade, dat overigens nog net bij het departement Haut-Garonne hoort. Een mooi plaatsje met een oude kerk gewijd aan Notre-Dame-de-l’Assomption. De kerk heeft een achthoekige klokkentoren, kenmerkend voor de stijl van de omgeving van Toulouse. Deze kerk die geclassificeerd is als historisch monument, biedt een prachtig voorbeeld van de gotische architectuur van het zuidwesten van Frankrijk. Het werd in de 13e eeuw gebouwd in opdracht van de cisterciënzerabdij van Grandselve en herbergt een collectie schilderijen gemaakt door grote meesters van Toulouse uit de 17e en 18e eeuw. Ook het altaar dateert nog uit de baroktijd. Heel opmerkelijk is het orgel van Cavaillé-Coll, dat dateert uit 1861. Ik heb een kleine opname kunnen maken, een organist was toen wij de kerk binnen kwamen net aan het oefenen.

2 Lombez

Over dit stadje schreef ik al eerder een meer uitgebreid artikel
Lombez hoorde bij een van de pelgrimroutes.  Het zal er toen relatief druk zijn geweest, maar ook nu is de doorgaande weg die aan de rand van het oude stadje loopt nog vrij druk. Maar in het historische centrum merk je daar niks van. In de veertiende eeuw werd er een nieuwe kerk gebouwd en werd Lombez een bisschopsstad. De Italiaanse dichter Petrarca, bevriend met de nieuw benoemde bisschop, verbleef er een hele zomer en had er een heerlijke tijd. Er zijn nog 50 koorbanken die gemaakt zijn tussen 1661 en 1665. Van een groep stenen beelden uit de vijftiende eeuw resteert alleen een Christusbeeld. Er zijn ook nog een aantal glas-in-lood-ramen van rond 1500, gemaakt door Arnaud de Moles, die ook de beroemde glazen in de kathedraal van Auch vervaardigde. Op de bijgevoegde afbeelding van een van de vensters zien we de vlucht naar Egypte. Er staat ook een gerestaureerd barokorgel.  Het is gebouwd tussen 1653 en 1656 door Jacques Trenolieres en is ruim een eeuw later vergroot door Guillaume Montarus.

3 Saint Élix d’Astarac

Enkele  kilometers buiten dit dorp woont mijn zwager. Eens per uur komt er misschien een auto langs. Een heerlijk plekje!

4 Simorre

Over Simorre schreef ik al eerder een meer uitgebreid artikel.
Ook Simorre werd door pelgrims bezocht. Als gevolg van een grote brand in het jaar 1141 werd de nederzetting, die eerst vlak bij de rivier de Gimone lag,  volledig verwoest. In de nabijheid stond al sinds de zesde eeuw een abdij. Rondom deze abdij werd Simorre na de brand weer opgebouwd, waarna het in het jaar 1268 stadsrechten kreeg. De huidige versterkte kerk, gewijd aan Maria, herinnert nog aan deze oude abdij, hij werd namelijk op dezelfde plaats gebouwd in 1298. Hij ziet er indrukwekkend uit, maar dat is vooral te danken aan de restauratie door Violet-Le-Duc, die in de negentiende eeuw de kerk het huidige uiterlijk heeft gegeven. Door de vele verbouwingen door de eeuwen heen zien we vier soorten steen. Opmerkelijk zijn de vele duivengaten in de muren.  Heel hoog (de kerk is vooral hoog!) kun je vier uit steen gehouwen dieren zien, die staan voor de vier evangelisten.  Ze zijn overigens behoorlijk toegetakeld. Het dorp is heel pittoresk door de vele vakwerkhuisjes.

5 Mondilhan

Mondilhan ligt heel hoog en je hebt er een mooi uitzicht. Op dat hoge punt is er een “Table d’Orientation.” Naast de kerk is een kerkhof met een enorm hoog kruis en een vuilnisbelt van opgeruimde grafmonumenten.

6 Boulogne-sur-Gesse

Een wat grotere plaats in het zuiden van de Gers. Op wikipedia lezen we: Boulogne-sur-Gesse is, zoals de naam al zegt, gelegen aan de rivier de Gesse. Ook stroomt de Gimone, die even ten noorden van het dorp over gaat in het stuwmeer Lac de la Gimone, langs het dorp. Opvallende plek in het dorp is de acht eeuwen oude met gietijzeren spanten overdekte markt. Ook de uit de 14e eeuw stammende, uit gele zandsteen gebouwde, kerk van Onze lieve vrouwe van Assumptie, met een carillon van 18 klokken is bezienswaardig.

6a Mont d’Astarac

Rond 920 maakte de graaf van Artagnac van deze plaats de hoofdstad van het gebied. Een oude stadspoort herinnert hier nog aan. Maar er was meer, eigenlijk was het hele dorp, maar vooral ook de kerk, de Église Saint Laurent,  voor ons een complete verrassing. Het koor maar ook enkele zijkapellen hadden vijftiende eeuwse muurschilderingen. Gerestaureerd en nog steeds erg beschadigd, maar toch: heel bijzonder. In het midden van het koor kon je zien hoe bij het laatste oordeel Petrus bij de hemelpoort staat om alle overledenen, die rechts uit de graven opstaan, te ontvangen. Opvallend is ook de vorm van het koor, bijna pentagonaal. Dat schijnt typisch te zijn voor de gotiek in deze streek. In dezelfde tijd dat de kerk werd gebouwd werden er ook opvallende beeldhouwwerken gemaakt. De kerk en ook het dorp waren helemaal uitgestorven, In de kerk was er ook iets van een WC…

8 Montaut-les-Creneaux

Kleine plaats met een stadspoort,  een kerk en een galerie. De hele plaats is mooi gerestaureerd en er zijn heel veel tuinen en parkachtige stukjes. Op enkele plaatsen zijn er mooie uitzichtpunten over de omgeving. Het was er bijna uitgestorven, er heerste een serene rust. Een restaurant, café of winkel was er niet, maar er waren overal bankjes waar je in de schaduw je boterhammetje op kon eten. Jammer genoeg was de Romaanse kerk gesloten. Achter bomen en een hek was een oud kasteel te ontwaren.

9 Lavardens

Een mooie hooggelegen plaats, waar het grote kasteel, dat je al vanaf de verte kon zien liggen, het centrale punt was. Dit kasteel was tegelijk een museum en dat trok deze dag veel bezoekers. Beneden waren er twee grote parkeerplaatsen en boven bij de ingang van het kasteel was er nog eentje. In deze kleine plaats zag ik drie restaurants en een kapper. De aartsengel Michael bewaakte de stad. Er bleek een Nederlandstalig boekje te zijn dat je bij de entrée mee kreeg dat handelde over de geschiedenis van het kasteel. Opvallend waren de mooie tegelvloeren op de eerste verdieping. Maar de tentoonstelling met vooral Japanse kunst (schilderijen, gravures, kimono’s en meer) besloegen alle zaaltjes en gangen van het kasteel. Heel onderhoudend, alhoewel daardoor de historische sfeer van het kasteel niet meer zo goed tot zijn recht kwam. Het kasteel was oorspronkelijk van de heren van Astarac maar werd later door de Franse koning geannexeerd. Na de revolutie is het steeds meer verwaarloosd, het was op een gegeven moment opgedeeld in twaalf appartementen, maar de eigenaars vertrokken omdat alles lekte. De verwaarlozing ging door tot men eind twintigste eeuw besloot om het kasteel te restaureren en de oude luister te herstellen.

Zie ook:

De kathedraal van Auch
Auch en Maastricht
Toulouse en de kerk van Saint Sernin
De sterrenhemel in Zuid-Frankrijk

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Muziek van Ciurlionis voor de natuur in de Alpen

Wat betekent een week in de Alpen voor mij? De Alpen hebben een aparte sfeer, een aparte geur, en er zijn zoveel prachtige bloemen. Hoe hoger je komt, hoe imposanter alles wordt, maar vooral ook hoe aantrekkelijker daar dan de begroeiing is. Er zijn daar zoveel verschillende soorten kruiden waar ook vlinders en andere insecten van genieten. En niet te vergeten de vogels of de bergmarmotten. Al deze dieren hebben hun eigen roep. Lekker stil op je rug liggen en al die geuren en geluiden over je heen laten komen, dat is wat mijn vrouw en ik weer een keer wilden. We bleven zoveel dagen als mogelijk, totdat het hoog in de Alpen te gevaarlijk werd. Er kwamen steeds meer regen- en onweersbuien. Toen de voorspellingen dusdanig slecht werden besloten we om onze tent af te breken. Maar het was weer even ouderwets genieten. Ik nam veel foto’s en maakte daar een diavoorstelling van, begeleid door muziek van de Litouwse componist Nicolaus Ҫiurlionis. Het lijkt op filmmuziek maar zo rond 1900 was het verschijnsel film nog niet uitgevonden. Ҫiurlionis dacht in kleuren en beelden, hij was immers ook schilder, en dat hoor je terug in de muziek. Ik vind deze beeldende klanken heel goed passen bij vooral ook de geuren van het Alpenlandschap.

De laatste keer in de bergen waren we in de Pyreneeën en dat is al weer drie jaar geleden. Ook toen maakte ik een diapresentatie met muziek erbij.

En meer over de muziek en de schilderijen van Ҫiurlionis vind je hier. In het stuk staan nog meer links naar andere aspecten van deze kunstenaar.

Geplaatst in muziek, natuur | Tags: , , , , | 2 reacties

Mondkapje

Zonder smartphone kom je nergens meer. Toen in het voorjaar evenementen werden georganiseerd kon je daar aan deel nemen mits je je eerst liet testen en mits er drie bijbehorende apps op je smartphone stonden. (DIGID, evenementen-app CLOSE en een mail-app waar de uitslag naar toe wordt gemaild die je dan via een link weer kunt plaatsen in CLOSE (met tussenkomst van de DIGID-app). Tegenwoordig heb je dan ook nog de coronacheck app. Om die te laten werken moet je de benodigde handelingen verrichten maar dan heb je ook wat.

Veel Nederlanders gaan traditiegetrouw in Duitsland op vakantie of gebruiken Duitsland als een tussenstop. Dat mag met een zeer recente negatieve test op zak of met een bewijs van volledige vaccinatie. Geen probleem dacht ik, ik ben geen digibeet dus mijn coronacheck app is in orde. Immers ik ben al vanaf half mei volledig gevaccineerd en dat staat daarin. Nee, nee, ho maar! Je moet je ook nog aanmelden bij het Robert Koch-Institut voor een verblijf in Duitsland. Namelijk omdat je Nederlander bent met code donkerrood. Je kunt kiezen uit wel twintig talen, ze hebben de formulieren in maten en soorten, van Turks, Japans, Spaans, Engels enz. Helaas, er is geen formulier in het Nederlands.

Wat heb je bij het invullen van dit Duitstalige formulier zoal nodig? Al je persoonsgegevens. Die weet ik uit mijn hoofd. Het exacte adres waar je heen gaat, inclusief Postleitzahl. Helaas, bij het adres dat ik heb gekregen via booking.com staat geen Postleitzahl. Dat kan ik opzoeken maar dan moet ik in mijn browser eerst een nieuw tabblad openen. Googelen naar het bewuste Postleitzahl. Hebbes. Dan de verdere gegevens. Op welke datum kom je aan? Even goed nadenken want daar vergis ik me vaak in. Gebeurd! Maar dan! Er moet een upload-baar bewijs komen dat je dan wel Nederlander bent maar desondanks redelijk ongevaarlijk bent. Heb je een coronacheck app? Helaas, de gegevens die daar in staan kunnen niet worden geüpload. Via google kun je uitzoeken hoe je toch aan iets uploadbaars kunt komen. Er kan wel iets worden uitgeprint, maar iets uploadbaars maken vanuit de coronacheck-app, dat kan om veiligheidsredenen niet. Maar ze vragen er om! In Nederland vinden ze dat blijkbaar onveilig maar in Duitsland móet het! Tja, ik ben niet zo makkelijk onder een hoedje te vangen. Ik print het bewijs uit, maak daar een scan van die ik vervolgens opsla als PDF: voilá! Alles is gereed. Ik vergat nog te vertellen dat er om veiligheidsredenen tot twee keer toe halverwege alle activiteiten een zes-cijferige code wordt gestuurd naar je mail die je, als er om wordt gevraagd, op de juiste plek moet invullen. Twee keer een andere wel te verstaan, dus niet per ongeluk de tweede keer die van de eerste keer invullen (wat ik dus deed…) PFFF. De formulieren vliegen door de cloud naar het Koch-Institut. Gelukt!

Vanuit je Duitse adres reis je vervolgens door naar Oostenrijk. Oostenrijk is niet gevaarlijk, je moet alleen als men er om vraagt je coronacheck-uitdraai laten zien. (Nee, niet je Coronacheck-app. In Oostenrijk kun je vrijwel nergens pinnen dus een QR-code lezen ho maar, dat al helemaal niet.) Maar vragen naar je schriftelijke vaccinatie-bewijs, dat doen ze daar graag, vooral ook bij horeca-gelegenheden.

Je gaat vanuit Oostenrijk terug naar Nederland, weer via een tussenstop in Duitsland. Mag dat? Hoe lang is het geleden dat je in dat uiterst gevaarlijke Nederland bent geweest? Tien dagen of minder? Dan ben je wellicht besmet net voordat je op vakantie ging. Je moet je reis aanmelden, engerd! En dat moet je nu doen vanuit Oostenrijk. Of je wacht nog enkele dagen, dan hoeft het niet, immers Oostenrijk zelf is niet gevaarlijk. Maar in mijn geval moest het wel, negen dagen vakantie is net een dag te kort. De hele procedure dus opnieuw. Shit, thuis deed ik het via mijn PC! Maar die heb ik niet bij me. Was iets te groot om mee te nemen en bovendien kampeerden we in Oostenrijk, zonder stroom. Op die PC thuis, daar staat dat klote up-loadbare bestand. Wat nu? Niet getreurd. Ik heb een inmiddels enigszins verfomfaaide schriftelijke uitdraai. Die ga ik fotograferen! Met mijn smartphone. Zo, dat is gelukt. Het ziet er wel niet uit. Het is niet alleen verfomfaaid maar naast het document zie je op de afbeelding ook nog wat plukjes gras van de camping. Ook daar weten we wat op. Op mijn smartphone (wat een handig ding is dat toch!) heb ik nog een foto-edit programma staan. En daar zit een functie “bijknippen” bij. Ik knip de foto bij zodat je alleen nog het document ziet staan, zonder gras. Ja, dat verfomfaaide, dat moeten ze maar voor lief nemen. Ik sla het op. Het vaccinatiebewijs staat nu als een foto op mijn smartphone en die foto die kan ik dus wel uploaden. Ik zie dat JPG als format gelukkig wordt geaccepteerd! Ik moet natuurlijk wel weer allerlei cijfercodes invullen die ik na diverse handelingen via mijn mail krijg toegestuurd. En natuurlijk had ik ook weer de DIGID-app op mijn smartphone nodig, ook zo handig joh! Wat heb ik daar al veel plezier van gehad. Klaar!

O nee, mijn vrouw moet ook nog. De hele procedure dus nog een keer…. En dan kunnen we met een gerust gevoel Duitsland in. Op de site wordt gezegd dat als je je hier niet aan houdt dat er dan er strenge boetes kunnen volgen.

Afgelopen maart, bij de musea, toegankelijk na het installeren van een batterij apps en na het ondergaan van een test, was het daar uitzonderlijk rustig. Het was ze tegen gevallen hoeveel mensen van die mogelijkheid gebruik hadden gemaakt. Op de Duitse snelweg zag je de laatste week veel en veel minder Nederlanders dan normaal tijdens een vakantieperiode.

Ik ben terug in Nederland. Bij de supermarkt waren alle winkelwagentjes weer beschikbaar, gewoon, als vanouds, met een muntje kon je er eentje loskoppelen. Er was ook een hele groep Duitsers aan het winkelen. Ze schuifelden op 20 cm afstand van al die besmettelijke Nederlanders. Hun reis was vast niet van te voren geüpload. Het ergste was: ze droegen niet eens een mondkapje.

Geplaatst in maatschappij | Tags: , , | 2 reacties

De berm langs de Lekdijk in juli

Het bermbeheer in de gemeente Krimpenerwaard waar ik woon is erg goed. Er wordt pas laat gemaaid en meestal wordt er ook een deel van de Lekdijk, het wat lagere deel, niet gemaaid. Dat levert elk jaar weer een kleurrijke en geurende bloemenpracht op. En er zijn veel insecten die hier van profiteren. Er zal binnenkort wel weer een keer gemaaid worden, maar in september is het er weer opnieuw mooi is mijn ervaring. Ik maakte afgelopen zondag vlakbij ons huis wat foto’s en zette er muziek van Ciurlionis bij.

Geplaatst in natuur | Tags: , , , | 1 reactie

Een verborgen Maastrichtse schat

Twee Byzantijnse kruisrelieken van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Maastricht

Het dubbelkruis van de OLV-kerk van Maastricht, nu in het bezit van het kapittel van Sint Pieter in Rome. Foto genomen in 1913

Hoe zijn twee uitzonderlijk kostbare relieken terecht gekomen in de OLV-kerk van Maastricht en daar uiteindelijk ook weer uit verdwenen? In 1939 heeft M. Thewissen er een proefschrift over geschreven. Veel was onduidelijk maar hij heeft zich als een terriër in het onderzoek gebeten en is nauwgezet blijven speuren. Het was een onderzoek dat zich richtte op de beschrijving van de objecten, hoe ze in Maastricht zijn gekomen en hoe ze uiteindelijk in Rome terecht kwamen. Veel archiefonderzoek en vergelijkende studies waren nodig. Er zijn enkele historische figuren die bij dit onderzoek in het verhaal een rol spelen. Zo hebben we Boudewijn van Vlaanderen die er indirect voor verantwoordelijk was dat zoveel Byzantijnse schatten in West-Europa terecht kwamen. En zo is er de Rooms-koning Filips van Zwaben die getrouwd was met een Byzantijnse prinses en die de adel voor zich probeerde te winnen door middel van schenkingen. Ik ga iets over beide heren vertellen en ik begin bij Filips van Zwaben.

Filips van Zwaben

Bij een relieklijst van de OLV-kerk van Maastricht uit 1582 staat op pagina LXXXII: “Den grootweerdich stuk van dat H. Cruys ons Heer Jezus met Arabisck gout ende dese Grieexse letteren overdect van den Keyser Philippus van Constantinopelen hier tot onser seer oude kercke gesonden.” Na uitvoerig onderzoek blijkt dat met de schenker bedoeld wordt Filips van Zwaben, die zowel Rooms-Duits keizer wilde worden maar zich ook al Byzantijns keizer noemde in zijn streven de twee Christelijke machtscentra weer bij elkaar te brengen. Ook in de in het Latijn opgestelde schenkingsbrief van 1204 noemt hij zich zelf “Philippus Constantinopolitanus Grecorum Imperator”. Wat was dit voor een man?

In 1197 stortte de heerschappij van de Hohenstaufen, die tot aan Sicilië reikte, in elkaar en creëerde een machtsvacuüm in het rijk ten noorden van de Alpen. In een rijk zonder geschreven grondwet en een minderjarige zoon Friedrich leidde dat tot twee koninklijke verkiezingen in 1198, wat resulteerde in de “Duitse” controverse om de troon: de twee gekozen koningen Filips van Zwaben uit de familie van de Staufen en de Welf (aanhanger van de paus) Otto van Braunschweig. In de jaren die volgden probeerden beide tegenstanders het conflict te winnen door middel van Europese en pauselijke steun, met behulp van geld en giften, door demonstratieve publieke optredens en rituelen, of met militaire en diplomatieke maatregelen. Filips kon steeds meer zijn rechten op het koningschap laten gelden. Maar op het hoogtepunt van zijn macht, niet lang voor hij naar alle waarschijnlijkheid tot Rooms-Duits keizer zou zijn gekroond, werd hij in 1208 vermoord.

Filips van Zwaben met de rijksinsignes, Miniatuur in de kroniek van Stift Weißenau, omstreeks 1250. Kantonsbibliotheek St. Gallen

Filips werd geboren als de jongste zoon van keizer Friedrich I (“Barbarossa”). Als kind was hij voorbestemd voor een godsdienstige carrière. Hij leerde lezen en leerde ook Latijn. Soms kreeg Filips ook les in het Premonstratenzer klooster van Adelberg. Van april 1189 tot juli 1193 was hij zelfs proost van het Akener Marienstift. Ondertussen ging Filip’s vader op kruistocht in 1189, maar verdronk in 1190 in de Saleph-rivier in het zuidoosten van Anatolië. Hij werd opgevolgd door Filips’ broer Heinrich VI. Om de betrekkingen met Byzantium te verbeteren, besloot deze keizer dat zijn jongste broer Filips moest trouwen met de Byzantijnse prinses Irene. Na de dood van zijn broer Konrad werd Filips in augustus/september 1196 beleend met het hertogdom Zwaben, vandaar dat hij sindsdien Filips van Zwaben wordt genoemd. Ook zijn grootouders waren trouwens al beleend met dat hertogdom en noemden zich dus eveneens van Zwaben. Het huwelijk met Irene vond waarschijnlijk plaats op Pinksteren 1197.

Kort daarna begon de Europese ellende. Niet veel later namelijk stierf zijn broer, de Rooms-Duitse keizer Hendrik VI. Dat was op 28 september 1197 in Messina.  
(In mijn artikel over Sybilla van Ancerra speelt deze keizer een niet zo fraaie rol. Ook bij de levensbeschrijving van Franciscus van Assisi in het boek van Adrian Dole komt hij er niet al te best vanaf.)
Er ontstond een machtsvacuüm. De aartsbisschop van Keulen, Adolf, begon medestanders rond zijn eigen koningskandidaat te verzamelen. Dat was Otto van Poitou (ook wel Otto van Braunschweig genoemd), de zoon van Hendrik de Leeuw en neef van de Engelse koning Richard Leeuwenhart. Dat maakte dat ook Filips zich officieel kandidaat stelde om de dynastie van de Staufen voort te kunnen zetten. Het zoontje van de vorige keizer Hendrik VI was pas 4 jaar oud. Op 8 maart 1198 werd Filips verkozen in aanwezigheid van veel adel in Mühlhausen. Maar alle drie de Rijnlandse aartsbisschoppen, die traditioneel een belangrijke ceremoniële installatie-handeling verrichtten, ontbraken bij de verkiezing. Daarentegen waren de insignes (keizerskroon, keizerlijk zwaard en keizerlijke bol)  in zijn bezit. De tegenstrever Otto werd pas op 9 juni 1198 in Keulen gekozen door de plaatselijke aartsbisschop, die de stemmen van de afwezige aartsbisschoppen had gekocht. Slechts twee andere bisschoppen en drie abten namen deel aan deze verkiezing. En deze Otto liet er geen gras over groeien. Al op 12 juli 1198 werd hij in de traditionele koningsstad Aken gekroond door bisschop Adolf van Keulen. Wat nu?

Het was gebruikelijk dat de aartsbisschop van Keulen de koning kroonde, dus Filips moest iemand anders zoeken. In de kathedraal van Mainz was het op 8 september 1198 de aartsbisschop van Bourgondië, Aimo von Tarentaise, die Filips eveneens tot koning kroonde. (De moeder van Philips was een dochter van de hertog van Bourgondie). Zo waren er nu twee koningen. Beide partijen verwachtten dat paus Innocentius III binnen afzienbare tijd een van hen zou erkennen. Rond de jaarwisseling 1200/01 onderwierp de paus de kandidaten voor de pauselijke keizerskroning aan een kritisch onderzoek. In de Deliberatio domni pape Innocentii super facto imperii de tribus electis zette de paus de redenen voor en tegen de geschiktheid van de respectievelijke kandidaten uiteen. In de ogen van Innocentius was Filips een zoon van een ras van vervolgers. Zijn vader Friedrich Barbarossa had jarenlang tegen de paus gevochten. De voorouders van Otto waren daarentegen altijd trouwe volgelingen van de kerk geweest. Dus besloot de paus in het voordeel van de welf Otto. Maar deze pauselijke keuze had geen grote invloed. Filips die nog steeds het grootste deel van de adel achter zich wist gaf zich niet zomaar gewonnen. Dus gingen beide heersers aan de slag om twijfelaars of tegenstanders voor zich te winnen. Dit gebeurde door ze te begunstigen met geschenken of door de overdracht van keizerlijke eigendommen.

In tegenstelling tot Otto kon Filips de prestaties van zijn trouwe volgelingen meestal goed honoreren. Zo wist hij ook een aantal welfen door middel van geschenken en beloningen aan zijn zijde te krijgen. Filips beloonde graaf Wilhelm von Jülich met waardevolle geschenken voor zijn uitgesproken wil om alle belangrijke aanhangers van Otto voor de Hohenstaufen te winnen. Otto daarentegen weigerde in het voorjaar van 1204 zijn broer, paltsgraaf Heinrich, de rechten van de stad Braunschweig te geven. Heinrich liep toen over naar de Staufer. Voor zijn wisselgeld werd de Palts door Filips aan hem teruggegeven. In november 1204 stapten ook de aartsbisschop van Keulen Adolf en Hendrik I van Brabant over naar de zijde van Filips in Koblenz. Hendrik van Brabant ontving als tegenprestatie de rechten van Maastricht en Duisburg. De aartsbisschop werd financieel rijkelijk beloond. De curie in Rome merkte ook de neergang van Otto in het rijk op. De koninklijke dagen van Otto leken geteld. In 1207/08 benaderde de paus Filips en waren de onderhandelingen over de kroning van hem als toekomstige keizer al aan de gang. 

Filips besloot om zijn tegenstrever fysiek uit te schakelen en bereidde een veldtocht voor. Maar eerst wilde hij nog het huwelijk van zijn nicht Beatrix van Bourgondië en hertog Otto VII van Merania op 21 juni in Bamberg bij wonen. Na de huwelijksplechtigheden trok hij zich even terug in zijn privé-appartementen. Daar werd hij opgewacht door Otto VIII von Wittelsbach en een aantal andere edelen. Ze vermoordden Filips koelbloedig en sloegen zelf daarna op de vlucht.

In Bamberg zien we als ornament van de kathedraal de zogenaamde Bambergse ruiter. Niemand weet met zekerheid wie hij voorstelt. Het zou hier heel goed kunnen gaan om Filips van Zwaben. Filips heeft omdat hij in 1208 in deze stad werd vermoord een buitengewoon dramatische band met Bamberg. Hij werd eerst begraven in deze kathedraal, die toen nog in opbouw was. Het graf bevond zich niet ver van de koorpilaar aan de westzijde waaraan later deze Bambergse ruiter werd bevestigd. Filips’ neef, de latere Rooms-Duitse keizer Friedrich II liet zijn oom in 1213 herbegraven in de kathedraal van Speyer. Sindsdien is er geen zichtbare herinnering meer aan Filips en de eerste moord op een Romeins-Duitse koning in de kathedraal van Bamberg – behalve dan misschien deze kathedraalruiter, die ongewapend op een paard troont. Ook het nieuwe graf in Speyer zier er net zo vreedzaam uit, zonder toevoeging van wapens. Hij ligt daar als de enige en jongste van de acht zonen naast zijn moeder, Beatrix van Bourgondië, en de plaats die is voorzien voor zijn vader, Friedrich I Barbarossa. De positionering van de ruiter van Bamberg tussen het portaal en het gewezen keizerlijke graf maakt het extra waarschijnlijk dat met de ruiter Filips bedoeld werd. De ruiter staat in dit portaal van de prins. In dit portaal lezen we de volgende psalmtekst, de zogenaamde poortliturgie (Ps 24), die staat voor de bedevaart naar Jeruzalem, maar in het Christendom ook aan het begin van het kerkelijk jaar (advent) zijn beslag kreeg:

Wie mag de berg van de Heer beklimmen,
wie mag op zijn heilige plaats staan?
Wie heeft zuivere handen en een zuiver hart…
Jullie poorten, sta op, sta op, jullie oude poorten;
want de Koning der heerlijkheid komt eraan

De ruiter zou daarom kunnen verwijzen naar hem als een deugdzaam koningsmodel. Verschillende omstandigheden komen overeen met het buitengewone karakter van de Bamberg-ruiter: de naam van Filips (wat in het Grieks “paardenvriend” betekent), zijn vroegtijdige dood (de moord gepleegd tijdens een bruiloft veroorzaakte een schandaal in de Reichstag in Frankfurt in 1208), zijn liefde voor vrede (hij bood de In 1206 verslagen tegenstander Otto IV zijn dochter Beatrix von Schwaben aan als bruid) evenals de in Bamberg (na eerder die van Konrad III) herhaalde tragedie dat een koning van de dynastie Hohenstaufen de keizerlijke kroning niet kon krijgen door zijn vroegtijdige dood.

Onder de aanhangers van Filips ontstond na diens dood verwarring en koning Otto IV kreeg al snel daarna veel voormalige aanhangers van Filips aan zijn zijde. Maar ook hij liep uiteindelijk spaak. Zijn poging om het koninkrijk Sicilië te veroveren leidde tot zijn excommunicatie door paus Innocentius III in 1210. Sommige van de groten gaven toen hun gehoorzaamheid aan Otto op en dat was het juiste moment voor de laatste Staufer, de nu niet meer minderjarige zoon Friedrich van de vorige keizer Heinrich VI, om zich ook te laten gelden als troonpretendent. In 1212 trok deze Friedrich naar het noordelijke deel van het rijk. Hij wist al snel veel edelen en hoge clerici aan zich te binden. Hoe het nu verder ging, vooral ook met concurrent Otto kunnen we lezen in een artikel dat ik eerder schreef: een koninklijk huwelijk in Maastricht. Zo werd deze Friedrich en niet Otto uiteindelijk tot keizer gekroond en daarmee was de strijd voorbij.

We zagen dus dat Filips voordat hij werd vermoord steeds machtiger was geworden, vooral door schenkingen aan de adel. Zo schonk hij de stad Maastricht aan Brabant. Maar Luik, de medeheer van Maastricht, kreeg enige genoegdoening doordat Filips in een document de relieken die meegenomen waren uit Constantinopel officieel aan het kapittel van de OLV-kerk toekende. Dat is de beroemde schenkingsbrief die de aanleiding vormde voor dit deel van het onderzoek in het proefschrift van Thewissen. Deze kerk viel immers onder Luik, evenals een deel van de bevolking.

Boudewijn van Vlaanderen.

Keizerlijk zegel van Boudewijn I van Constantinopel

Nu komen we bij de tweede figuur die een rol heeft gespeeld bij het bemachtigen van die reliekschat. Dat was de eerder genoemde Boudewijn IX, van 1194 tot 1205 graaf van Vlaanderen. In november 1199 werden een aantal edelen onder wie Boudewijn gegrepen door een vlaag van vroomheid. Men besloot aan een kruistocht te beginnen en het Heilige Land te gaan heroveren. De kruisridders vonden de Venetiaanse vloot bereid om hen over te zetten en proviand te verschaffen in ruil voor de helft van de buit die ze zouden maken. Maar deze vierde kruistocht was in de greep van de economische belangen van de Republiek Venetië. De kruisvaarders togen naar Constantinopel om in 1203 de pro-Venetiaanse Alexios IV Angelos te helpen om keizer te worden. Dat lukte, maar toen Alexios in 1204 door een binnenlandse staatsgreep werd afgezet en verdreven werd was dat voor de kruisvaarders aanleiding om de stad te bestormen en te plunderen. Niets ontziend werden kerken ontheiligd en kastelen gesloopt. Iedereen wilde zoveel mogelijk buit hebben. Een commissie bestaande uit zes kruisvaarders en zes Venetianen verkoos vervolgens Boudewijn als opvolger van de verdreven Alexios. Zo werd deze Vlaamse graaf nu ook keizer Boudewijn I van Constantinopel. De meeste kruisvaarders, bedwelmd door de enorme rijkdom, bleven nog lang in Constantinopel. Het doel Jeruzalem werd nooit gehaald… Maar het besturen van zo’n rijk was niet gemakkelijk. Een onderlinge oorlog tussen de kruisvaarders kon slechts met veel moeite worden voorkomen. En er waren ook op andere plaatsen opstanden. Zo werd al niet veel later, in 1205, de kersverse keizer Boudewijn I bij het bedwingen van onlusten in het grote rijk, in Bulgarije gedood.

Maar daarvoor, toen Boudewijn net tot Byzantijns keizer was gekozen riep hij adellijke landgenoten op om zijn bewind te komen ondersteunen. Hij zou iedereen rijkelijk belonen. En daar werd grif gehoor aan gegeven. Aldus lezen we in de jaarboeken door Reinerus Monachus van de Sint Jacob te Luik, waar ook vermeld wordt hoe enkele van de rijke bezittingen in Maastricht terecht kwamen. Zo lezen we:

Quidam clericus Traiectensis, qui per septem annos in civitate Constantini manserat, hoc anno rediit, portionemque magnitam vivifice crucis, quam multo tempore affectaverat, cum aliis pretiosis reliquiis sanctorum secum attulit, et ecclesiae beate Marie in Traiecta cum summa devotione praesentavit.Een priester uit Maastricht, die zeven jaar in de stad Constantinopel verbleef, en dit jaar terugkeerde, heeft een groot stuk van het echte kruis dat hem veel moeite heeft gekost en andere kostbare relieken van heiligen meegebracht, en heeft deze aan de kerk van de heilige Maria te Maastricht ter hare ere aangeboden.

De kapittelkerk van Onze Lieve Vrouw hoorde bij het diocees Luik. De relieken waren dus via een priester die in Constantinopel was geweest in Maastricht bij het kapittel van Onze Lieve Vrouw terecht gekomen. Filips van Zwaben die toen nog leefde wilde iedereen te vriend houden in zijn pogingen enig koning en uiteindelijk keizer te worden. Zo beloonde hij de hertog van Brabant door hem de rechten van Maastricht toe te kennen. Maar een deel van Maastricht, met name alles wat met het kapittel van Onze Lieve Vrouw te maken had, was Luiks. Dus ook Luik moest te vriend worden gehouden. Filips schreef een schenkingsbrief met zijn naam en handtekening. Zijn vrouw was Byzantijns en hij wilde behalve Rooms-Duits keizer ook Byzantijns keizer worden, in zijn streven de beide kerkgemeenschappen weer bij elkaar te brengen. Er zijn meer schenkingsbrieven van relieken van hem bekend. Hij beschouwde zich blijkbaar al als de rechtmatige eigenaar van al deze Byzantijnse schatten! Het kapittel was zo trots als een pauw en hoopte er veel pelgrims mee te gaan lokken. Dat lukte en zo werd het kapittel een echte concurrent van het kapittel van Servaas. De jaloerse kanunniken van de Servaaskerk lieten enkele eeuwen later ook een prachtige kruisreliekhouder maken en stopten daar een (wellicht vervalst) stukje “echt kruis” in. Deze reliekhouder kun je overigens nog steeds zien in de schatkamer van Servaas.

Het borstkruis van keizer Constantijn

Er was zoals al eerder gezegd nog een belangrijke reliekschrijn met een kruisreliek in de OLV-kerk, het zogenaamde borstkruis van keizer Constantijn. Deze schat is door Dr. Bock in 1864 uitgebreid beschreven, in 1896 deed hij deze beschrijving nog eens dunnetjes over. Ook dit borstkruis is in 1913 in Rome gefotografeerd (zie foto hierboven) en de schrijver van het proefschrift heeft het object in 1936 zelf van nabij mogen bewonderen. Het bestaat uit het eigenlijke borstkruis met daarin een splinter kruishout en het kastje waarin het is opgehangen. Dit kastje kan als een drieluik worden geopend en is van zuiver goud gemaakt, het is slechts 12 cm hoog en 8 cm breed. Er zijn paarlen en edelstenen omheen bevestigd. Op de deurtjes zien we in totaal acht afbeeldingen van onder meer Christus, Maria en apostelen. In het borstkruis is een splinter van het “echte kruis” geplaatst. We zien in het Grieks de tekst: “Zie welk een nieuw wonderwerk, welk een zeldzame genade, van buiten ziet ge goud, van binnen echter Christus.”

Beide kruisrelieken zijn waarschijnlijk al in 1204 in de OLV-kerk terecht gekomen. Het borstkruis zelf is wellicht ouder dan het Byzantijnse kastje waar het in hangt, maar hoe oud het is blijft behoorlijk speculatief. Kunsthistorici hebben het kastje wel proberen te dateren aan de hand van met name de afbeeldingen die er op staan. Zij komen tot de conclusie dat het op stilistische gronden waarschijnlijk gemaakt is in de elfde of twaalfde eeuw. Op de achterkant moet ook een tekst staan. Deze achterkant is achter het verzegelde glas niet te zien, maar er is in de achttiende eeuw in Maastricht een afschrift van gemaakt. Hierop staat onder andere: “Hetwelk vervaardigd heeft, met nederig gemoed, Johannes, biddend om vergeving zijner zonden.” Deze Johannes is niet de goudsmid maar de opdrachtgever, en dat was altijd de Byzantijnse keizer. De schrijver van het proefschrift denkt dat het bijna zeker Johannes II Comnemos  moet zijn geweest, die van 1118 – 1143 regeerde. Waarmee de datering van kunsthistorici wordt bevestigd.

Van de OLV-kerk is geen volledige reliekenlijst van voor de Franse tijd meer beschikbaar. Wel zijn er nog incomplete lijsten, onder meer een lijst die gemaakt is in 1580 ten tijde van de godsdiensttwisten. Voor de zekerheid werden de belangrijkste schatten toen ondergebracht in het huis van proost Arnold de Meroda. Op de lijst die toen werd gemaakt staat onder meer: “S. Crucis minor pars ab Imperatore Constantino gestari solita, gemnis pretiosis adornato et capsula argentea deaurata inclusa”. (Een kleiner deel van het Heilige kruis van keizer Constantijn, versierd met edelstenen in een verguld zilveren doosje.) In die zelfde eeuw is er ook nog een kopergravure gemaakt met daarop een afbeelding van het reliek en de toevoeging: “een kruis D Den Keyser Consta op syn borst placht t drage als hij strijde tegenden heydenen”. Het zou dus gaan om het borstkruis van keizer Constantijn! Dan zou het uit de vierde eeuw na Christus dateren. Dat is natuurlijk te mooi om waar te zijn. Desalniettemin kan het goed zijn dat het kruisje zelf zonder het doosje er omheen veel ouder is dan de twaalfde eeuw, maar hoe oud valt moeilijk te achterhalen.

Maastricht en Rome

Tot aan de Franse tijd bleven alle relieken zorgvuldig bewaard, dus bijna zeshonderd jaar achter elkaar. Toen kwamen de Fransen en in 1797 werden de kapittels opgeheven. De kerk van Onze Lieve Vrouw kreeg toen een profane functie als resp. militair magazijn, kanonnensmederij en paardenstal. Daardoor bleef het kerkgebouw wel behouden maar raakte tegelijk zeer in verval. Een deel van het kerkmeubilair vond een onderkomen in de Sint-Nicolaaskerk, die als parochiekerk open mocht blijven. De kanunniken hadden in 1797 alle relieken onderling verdeeld, voordat de Fransen ze in beslag zouden nemen. In 1817, na de Franse tijd, werd besloten dat ze gegeven moesten worden aan de Nicolaaskerk. Vijf kanunniken ondertekenden dat document onder wie kanunnik Lysens, inmiddels pastoor van de Mattiaskerk. Maar waar waren de twee kostbare kruisrelieken gebleven? Niemand wist het. Twee dagen later werd er weer een stuk opgesteld waarin stond dat deze twee zoekgeraakte kruisrelieken toebehoorden aan de Nicolaasparochie en dat ze, als ze gevonden zouden worden, aan de Nicolaasparochie overhandigd moesten worden. Dit stuk werd niet door Lysens ondertekend, wel door de vier andere kanunniken! De kruisrelieken bleven intussen zoek. Twintig jaar later blijkt deze Lysens ze in zijn eigen bezit te hebben. Zonder het iemand te laten weten besluit hij om ze aan de Paus te schenken! We zitten in de periode dat heel Limburg met uitzondering van Maastricht bij België hoort. In dat jaar, 1837, wordt besloten dat de Nicolaaskerk wordt gesloopt en dat de OLV-kerk weer zal worden gerestaureerd en de parochiefunctie van de Nicolaaskerk zal overnemen. Daar is veel geld voor nodig. Misschien is hij bang dat de relieken dan verkocht worden? Hoe het ook zij, hij beschouwt zich zelf als enige rechtmatige eigenaar. Inmiddels waren de meeste andere kanunniken overleden, maar nog niet allemaal. Desalniettemin deed hij het voorkomen of hij de enige nog levende was, wat dus niet klopte.

Lysens kende notaris Paul van der Vrecken. Deze heeft hem waarschijnlijk overgehaald om de relieken te schenken aan de Paus. Van der Vrecken was in de Napoleontische tijd pauselijk gezant en nog steeds adviseerde hij ook de huidige paus met betrekking tot belangrijke dingen. Zo schreef hij hem stukken over het beleid van koning Willem I en II dat behoorlijk anti-Rooms was. Nog datzelfde jaar is hij de relieken in hoogst eigen persoon in Rome gaan overhandigen. We lezen in zijn memoires een verslag van zijn audiëntie op 9 juli 1837:

Toen ik het vertrek binnen trad, verhief paus Gregorius XVI zich van zijn zetel, omhelsde mij en zeide: ‘heden, dierbare graaf, heb ik het genoegen kennis te maken met een man, die mij door zijn reputatie al lang bekend was, en van wie een stapel papieren mij zo nuttig geweest zijn bij het behandelen der godsdienstzaken in België’. Hij leidde mij naar de tafel onder de pauselijke troon. Toen ik tegenover de paus wilde plaats nemen riep hij: ‘Neen, kom hier naast mij zitten’. Hij nam mijn hand in de zijne en informeerde naar mijn gezondheid, mijn familie, de toestand in België en ik bedankte hem voor de benoeming tot ridder in de orde van den H. Gregorius, welke hij mij drie maanden geleden gestuurd had. Hij antwoordde mij: ‘wacht even, het is nog te vroeg om mij te bedanken’. Hij nam een rood foudraal, haalde er het lint en het commandeurskruis van dezelfde orde uit, stond op, hing het mij zelf om den hals en zei: ‘nu gaat gij dit dragen zolang als gij bij mij zijt. Ik zie het gaarne, waar het zoo goed staat’. Men kan zich mijn verwondering en verwarring voorstellen. Op mijn beurt zeide ik: ‘veroorloof Heilige Vader, dat ik u eveneens iets aanbied’. Ik pakte mijn schat uit en bood hem de Heilige Relieken aan, zorgvuldig opgeborgen, welke ik had meegebracht. Zijn verrassing was groot toen hij dit voorwerp zag. dat wil zeggen de groote reliek van het Heilig Kruis, waarvan hij het bestaan niet scheen te kennen, kuste meerdere malen de heilige reliquie en drukte mij dankend zeer hartelijk de hand. ‘Waar zullen wij haar plaatsen’, zeide hij. ‘In St. Jan van Lateranen, de eerste kerk van de wereld, in de St. Pieter van het Vaticaan of in de kerk van het H. Kruis in Jerusalem, die door de reguliere kanunniken van St. Sauveur bediend wordt’...”

Uiteindelijk schonk de paus de relieken op zijn beurt weer aan de kanunniken van Sint Pieter in Rome. Intussen wist in Maastricht niemand iets van deze overdracht af, het heeft nog dertig jaar geduurd voordat men er achter kwam. Men vond toen namelijk de overdrachtsstukken in de pastorie van de parochie van de Mattiaskerk! (Waar Lysens pastoor was geweest). De twee relieken die van der Vrecken meebracht naar Rome, het Byzantijnse dubbelkruis en het zogenaamde borstkruis zijn nu nog steeds in Rome, veilig opgeborgen. Het grote kruisreliek wordt als zo uniek en kostbaar beschouwd, dat niemand het ooit te zien krijgt. In 1903 is het eenmalig gelukt om de schat  te mogen fotograferen (zie de eerdere foto’s). Van dit grote dubbelkruis is er alleen een foto van de achterkant gemaakt. Het stond toen achter verzegeld glas en er kon slechts van een kant een foto gemaakt worden. Daarmee moeten we het doen. Ook latere pogingen tot teruggave aan Maastricht of tot het uitlenen voor een tentoonstelling zijn op niets uitgelopen. Het doet me toch ook een beetje denken aan het stelen van de Mosasaurus uit Maastricht door Napoleon…

Epiloog

Wat deed men met deze relieken voor de Franse tijd in Maastricht? Het dubbelkruis liet men regelmatig zien aan pelgrims. De kanunniken van Onze Lieve Vrouw hadden aan de koorzijde van de kerk uitziende op de Stokstraat een poortje gemaakt van waaruit de relieken getoond konden worden. Deze praktijk werd overigens al in de zestiende eeuw door Karel V op aandringen van het jaloerse kapittel van Servaas verboden.. Maar ook werd het in processies mee gedragen. Er was een officiële volgorde bij het tonen van de relieken en het dubbelkruis werd als belangrijkste reliek gezien en dus als laatste getoond. Het borstkruis daarentegen werd ook gebruikt in de liturgie en met name bij de plechtigheden van de Goede Week. Na de dienst begaven de officiant die dit borstkruisje droeg en de diaken en subdiaken, die elk een kristallen reliekhouder droegen waarin een doorn zat (een doorn van de doornenkroon van Christus!), zich naar de doopkapel waar de drie relieken in het nieuw gewijde water werden ondergedompeld. Een mooi ritueel. Waarschijnlijk gebeurde dat in doodse stilte, want in de Goede week mocht er niet worden gezongen. Of hoorde je slechts een angstaanjagende klepper, die de tocht naar de doopvont vergezelde. Ik ben zelf vroeger ook misdienaar geweest. De rituelen in de Goede week vormden het hoogtepunt van het kerkelijk jaar.

Zo hebben deze kruisrelieken aardig wat meegemaakt. Christus stierf aan het kruis, enkele eeuwen later vond Helena dit kruis in Jeruzalem en een deel van het kruishout kwam in Constantinopel terecht. Rijke Byzantijnse keizers hadden er veel geld voor over om de meest mooie reliekhouders te laten vervaardigen waarin dit echte kruishout, in stukjes, geplaatst kon worden. Plunderende kruisvaarders namen deze schatten mee en een priester uit Maastricht die zeven jaar in Constantinopel had gewoond gaf twee of meer van deze schatten aan de kapittelkerk van Onze Lieve Vrouw. Concurrerende heersers probeerden steun te kopen bij clerus en adel door schenkingsbrieven te schrijven. Zo werden de twee imposante kruisrelieken officieel bezit van dit OLV-kapittel. Trotse kanunniken lieten de schatten aan pelgrims zien en verrijkten hun eredienst door deze kostbare schatten daarin een plaats te geven. Een kanunnik in Maastricht wantrouwde zijn collega’s en verstopte de kruisrelieken maar liet zich uiteindelijk door een vrome rechtsgeleerde over halen om ze aan de paus te schenken. En nu is deze schat nog steeds in Rome, al meer dan een eeuw. Wat zal er in de toekomst nog met deze inmiddels ver weggestopte, verborgen Maastrichtse schat gaan gebeuren?

  • Twee Byzantijnsche H. Kruisrelieken uit den schat der voormalige kapittelkerk van Onze Lieve Vrouw te Maastricht. A.A.F.CH. Thewissen. Academisch proefschrift 1939. Uitgevers-mij Gebrs. Van Aelst, Maastricht.
  • Filips van Zwaben, schrijver van de schenkingsbrief van het kruisreliek van Maastricht
  • Boudewijn I van Constantinopel, verantwoordelijk voor de grote verspreiding van Byzantijnse objecten in Europa
  • Paulus van der Vrecken, pauselijk gezant van Maastricht
  • Keizerin Galla Placidia en haar verering van het heilige kruis

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen