Die arme koningin Cassiopeia

Dit stukje gaat over een aantal sterrenbeelden die je nu heel goed aan de hemel kunt zien, maar met name gaat het over het sterrenbeeld Cassiopeia. Het beeld is gebaseerd op een Griekse mythe over het leven van de Ethiopische koningin Cassiopeia. Ik las het verhaal en moest onmiddellijk denken aan het verhaal van de boze stiefmoeder van Sneeuwwitje. Sneeuwwitje op haar beurt zou je kunnen vereenzelvigen met Andromeda, de dochter van Cassiopeia. Dit soort verbanden dacht ik misschien terug te kunnen vinden op internet, maar ik heb ze niet gevonden. Ik vroeg me al fantaserende af of ook de zeven dwergen niet een link zouden kunnen hebben met weer een ander sterrenbeeld, het Zevengesternte, dat nu ook al weer aan de avondhemel staat. Enfin. Eerst iets meer over deze koningin Cassiopeia.

Bij Griekenland bevindt zich de Aegeïsche zee. Diep in deze zee woonden de Nereïden. Zij zijn in de Griekse mythologie de dochters van de zeegod Nereus en Doris. Deze zeenimfen worden verondersteld blauwe haren te hebben. Ze vergezellen de zeegod Poseidon en een van deze nymfen was zelfs een van zijn bijvrouwen. Poseidon, de oppergod van de zee moet je niet kwaad maken. Dat deed de koningin van Ethiopië, Cassiopeia wel. Zij was een heel aantrekkelijke en ijdele koningin, die het liefst haar haren kamde op een stoel voor een spiegel. (Daar hebben we de eerste associatie met de boze stiefmoeder!) Op een dag beledigde zij de Nereïden. Zij zei dat haar eigen dochter Andromeda veel mooier was dan dat zij waren. Poseidon die het te weten kwam besloot om Cassiopeia te straffen. Hij stuurde het zeemonster Cetus naar het rijk van koning Cepheus en zijn vrouw Cassiopeia om dit aan te vallen en te vernietigen. De kust was al getroffen en om een eind te maken aan al de vernielingen, vroeg Cepheus het orakel van Delphi om raad. Hij en Cassiopeia moesten hun dochter, de beeldschone maagd Andromeda aan het zeemonster offeren. (Sneeuwwitje wordt naar het bos gestuurd…) Daarom werd ze aan de rotsen vastgeketend, wachtend op haar noodlottige einde. Toen kwam de held Perseus langs. In zijn hand had hij het hoofd van een Gorgoon die hij net had gedood. Hij vroeg aan het mooie meisje wie ze was en hoe ze daar was terechtgekomen. Perseus redde de arme Andromeda door het monster bang te maken: hij liet het hoofd van de Gorgoon aan hem zien. Het monster liet zich angstig ver weg in het water zinken. Maar Poseidon was nog niet klaar met het gezin. Hij besloot vader, Cepheus en moeder Cassiopeia te straffen door ze aan de hemel te plaatsen. Cassiopeia werd gedwongen om de noordelijke hemelpool op haar troon voortdurend te laten draaien, waarbij ze zich de helft van haar tijd eraan moest vastklampen om er niet van af te vallen. Er naast plaatste hij haar man, koning Cepheus.

Zo zien we elke heldere nacht het sterrenbeeld Cassiopeia, welk bestaat uit vijf sterren. Het beeld staat zo dicht bij de poolster dat het circumpolair is. Deze vijf sterren vormen samen de letter W aan de hemel, maar doordat het beeld, net zoals alle andere sterrenbeelden, door de draaiïng van de aarde schijnbaar om de poolster heen draait kan die W ook op zijn kant of op zijn kop staan. (In het laatste geval lijkt de W meer op een M). Je moet altijd naar het NW, N of NO kijken, soms hoog, soms laag aan de hemel. Op dit moment, oktober, staat Cassiopeia in de vroege avond hoog aan de hemel in het NO. De vijf sterren van Cassiopeia zijn allemaal lichaamsdelen van deze koningin. Zo is Alpha Cassiopeiae de borst (Schedar in het Arabisch), Beta is de hand, Gamma de buik, Delta de knie en Epsilon de voet.

Niet voor iedereen is Cassiopeia een ijdele koningin. Voor de Sámi vormt de W van Cassiopeia een elandgewei. De Chukchi van Siberië zien de vijf hoofdsterren als vijf rendierherten. Er zijn bij diverse culturen nog meer associaties, zoals het beeld van een kudde bruinvissen, of van een kameel met twee bulten.

Als je nu de nachtelijke hemel afreist vanuit Cassiopeia, dan kom je in een gebied, iets verder weg, dat je eigenlijk vooral in de herfst en wintermaanden kunt zien. Dichtbij de dierenriem, in de buurt van het sterrenbeeld Stier, staat het Zevengesternte. Zeven kleine stipjes, heel dicht bij elkaar. Dat moeten wel de zeven dwergen zijn bedacht ik me! Sneeuwwitje (alias Andromeda) werd door een ander sterrenbeeld dat er niet zo ver vanaf staat, de jager Orion, weggeleid, diep het bos in. Daar werd ze achtergelaten en ze kwam bij de zeven dwergen terecht. De reddende prins was natuurlijk Perseus! Perseus trouwde met Andromeda, ze zijn als stel naast elkaar vereeuwigd aan de hemel, waarbij we vooral worden herinnerd aan het moment vlak voor de redding.

Hoe komen Cassiopeia en ook Andromeda aan hun mooie haren? Ook dat kun je zien aan de hemel. Cassiopeia is een sterrenbeeld waar de “melkweg” door heen loopt. Op een plek met weinig licht en luchtvervuiling, weinig vocht in de lucht en geen wolken kun je dit prachtig zien. Cassiopeia bevindt zich in die band die van horizon tot horizon over de hemel reikt en waar de hoeveelheid sterren veel groter is dan op andere plekken. Feitelijk kijk je dan naar de kern van ons eigen melkwegstelsel, traditioneel zeggen we vanwege die ijle band: we zien “de melkweg”. Maar deze witte sliert die zo dwars over het sterrenbeeld heen loopt, en nog verder naar beneden, dat zijn natuurlijk de mooie haarlokken van de ijdele koningin! En Andromeda, haar dochter, die was toch ook zo mooi? Natuurlijk! Wat denk je van de Andromedanevel, het wazige pluisje dat je ziet in het sterrenbeeld Andromeda? Dit kostbare pluisje is als een schoonheidsvlekje op het gezicht van de lieftallige prinses! Hoe zie je dat schoonheidspluisje? Door het maken van enkele denkbeeldige lijnen, beginnende vanuit Beta en Alpha Cassiopeia, kun je namelijk deze Andromedanevel vinden, dat is ons meest nabije andere melkwegstelsel. Onder goede omstandigheden is dit stelsel dus waarneembaar als een vaag neveltje, in de oudheid zal het veel beter te zien zijn geweest. Geen kwalijke uitstoten en geen lichtvervuiling om te beginnen… Maar desondanks, ik heb het gisteren ook op de foto gezet, hier onder. Links zie je mijn foto, rechts ter vergelijking hoe het er in mijn programma Stellarium uit ziet. Zie je het schoonheidsvlekje? Heel subtiel, maar het is er!

Als je nu in de nacht weer een keer naar Cassiopeia kijkt, denk dan aan deze mooie ijdele koningin die daar staat te zwoegen om de sterrenhemel te laten draaien. Staat de W op zijn kant? Dan moet ze zich goed vasthouden om niet naar beneden te vallen. Als je elke nacht rond middernacht zou kijken dan zie je haar in de herfst heel hoog aan de hemel staan als een W, in de lente heel laag als een M, in de andere jaargetijden zie je haar op zijn kant. En gedurende elke nacht blijft ze ook nog eens tollen… Ach ach, die arme koningin Cassiopeia…

Nu voor de liefhebbers nog een aantal astronomische gegevens over de vijf hoofdsterren van het sterrenbeeld Cassiopeia

  • Alpha Cassiopeiae, traditioneel Schedar genoemd (van het Arabische Al Sadr, “de borst”), is een viersterrenstelsel. De primaire ster is een oranje-getinte reus van magnitude 2,2 welke staat op 228 lichtjaar van de aarde. Met een helderheid van ongeveer 771 keer die van de zon, is hij inmiddels enorm uitgedijd en afgekoeld nadat hij zijn kernwaterstof gedurende zijn 100 tot 200 miljoen jaar durende levensduur heeft uitgeput. De tweede ster uit het viertallige stelsel is een gele dwerg met magnitude 8,9, die relatief ver van de hoofdster is verwijderd. De andere twee metgezellen (C en D) staan dichterbij en hebben respectievelijk magnitude 13 en 14.
  • Beta Cassiopeiae, of Caph (wat “hand” betekent), is een wit getinte ster van magnitude 2,3 welke staat op 54,7 lichtjaar van de aarde. Hij is ongeveer 1,2 miljard jaar oud en heeft zijn kernwaterstof opgebruikt en is inmiddels begonnen met steeds groter te worden en af te koelen. De ster is ongeveer 1,9 keer zo zwaar als de zon en ongeveer 21,3 keer zo lichtgevend. Caph draait met ongeveer 92% van zijn kritische snelheid en voltooit elke 1,12 dagen een volledige rotatie. Dit geeft de ster een afgeplatte bolvorm met een equatoriale uitstulping die 24% groter is dan de polaire straal.
  • Gamma Cassiopeiae is een veranderlijke ster, met een veranderlijke schijf van materiaal die wordt weggeslingerd door de hoge rotatiesnelheid van de ster. Gamma Cassiopeiae heeft een minimale magnitude van 3,0 en een maximale magnitude van 1,6, maar ligt over het algemeen in de buurt van magnitude 2,2, met onvoorspelbare vervagingen en ophelderingen. Deze ster is 550 lichtjaar van de aarde verwijderd. Hij heeft een omlooptijd van 203,59 dagen en hij heeft een begeleider met een berekende massa die ongeveer gelijk is aan die van onze zon.
  • Delta Cassiopeiae, ook bekend als Ruchbah of Rukbat, wat ‘knie’ betekent, is een mogelijke verduisterende dubbelster van het Algol-type met een maximale helderheid van magnitude 2,7. Er is gemeld dat het verduisteringen van minder dan 0,1 magnitudes vertoont met een periode van 2 jaar en 1 maand., maar dit is nooit bevestigd. De ster is 99,4 lichtjaar van de aarde verwijderd.
  • Epsilon Cassiopeiae heeft een schijnbare magnitude van 3,3. Gelegen op 410 lichtjaar van de aarde is het een hete blauwwitte ster met een oppervlaktetemperatuur van 15.680 K. Hij is 6,5 keer zo massief en 4,2 keer zo breed als de zon, en behoort tot een klasse van sterren die bekend staat als Be-sterren – snel draaiende sterren die een ring of schil van materie afwerpen.

Op de foto die ik gisteren maakte (hier boven) zie je dat alleen de ster Alpha geel is, de rest heeft meer een blauwachtige kleur. Zoals we hierboven bij de beschrijving van de vijf sterren zien is de ster Alpha Cassiopeiae een oranje reus die veel groter is dan al die andere sterren, maar tegelijk ook veel minder heet. Vandaar het verschil in kleur. Waar wij deze vijf sterren als een soort eenheid zien, hebben ze in werkelijkheid niet veel met elkaar te maken. De ster Beta staat op “slechts” 54,7 lichtjaar afstand van onze zon, Delta op 99,4 lichtjaar, Alpha op 228 lichtjaar, Epsilon op 410 lichtjaar en Gamma op maar liefst 550 lichtjaar afstand.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

De kastelen van Gouda en Schoonhoven

Zowel Gouda als Schoonhoven hebben twee kastelen gehad binnen de stad, bij allebei de steden zijn deze ook weer verdwenen. Gedeeltelijk hebben deze kastelen ook met elkaar te maken. Er waren heren die zowel in het tweede kasteel van Gouda als in het eerste kasteel van Schoonhoven hebben gewoond. Summier staat in dit artikel ook enige geschiedkundige informatie. Het gaat globaal over de periode 1250 tot 1577. Een tijd waarin het soms roerig was, het was bijvoorbeeld de tijd van de Hoekse en Kabeljauwse twisten die ook deze steden niet onberoerd liet. Op het einde van deze periode zitten we al in de tijd van de Spaanse opstand.

Gouda, het eerste kasteel

De ontginning van de stad Gouda begon zo rond het jaar 1100. Pas in 1272 kreeg de stad stadsrechten. In de tussentijd tijd gebeurde er van alles. De waterhuishouding bij Rotterdam veranderde behoorlijk. De Hollandse IJssel was eerst een tak van de Rijn maar na de afdamming aan de bovenmond werd het een buitenwater waar eb en vloed een rol gingen spelen. De Gouwe was oorspronkelijk niet meer dan een klein veenriviertje dat bij Boskoop ontsproot en naar de Hollandse IJssel stroomde. Tien km ten noorden van Gouda stroomde de Oude Rijn die bij Katwijk in de zee uitkwam. Ze had slechts een functie om het overtollige veenwater af te voeren. Deze monding verzandde en er werd een doorvoer gegraven naar de Haarlemmermeer en naar het IJ in Amsterdam. Zo ontstond geleidelijk een belangrijk binnenvaartnetwerk van Amsterdam naar Rotterdam via Gouda. De heer van der Goude, oorspronkelijk waarschijnlijk leenman van de bisschop van Utrecht, werd zo heel belangrijk. Hij stichtte een hof in Gouda met een beschermende Motte en een hofkapel. Alleen die hofkapel is er nu (waarschijnlijk) nog in de vorm van het meest oostelijke deel van de huidige St. Janskerk. De contouren van de Motte zijn nog zichtbaar op de plaats van wat nu Molenwerf heet, maar de heuvel zelf is afgegraven. (Zie ook de afbeelding iets verder).

De van der Goudes waren tot 1296 heer en meester in Gouda. De laatste Van der Goude stierf kinderloos en werd opgevolgd door Jan van Renesse, de nieuwe heer van Gouda. Hij zou deelgenoot zijn geweest bij het complot rond de moord op Floris V en werd verbannen naar Vlaanderen. Hij verloor zijn bezittingen aan Witte van Haamstede, bastaardzoon van graaf Floris V van Holland. Hij zal het zijn die de motte van Gouda heeft laten afbreken. 

De Vlamingen wonnen de Guldensporenslag tegen Frankrijk en overmoedig veroverden ze samen met de Hollandse ballingen onder wie Jan van Renesse in 1303 ook Holland en Zeeland. Maar er kwam hulp uit Henegouwen en er ontstond een algemene opstand tegen de Vlamingen. Jan van Renesse moest vluchten en verdronk bij het oversteken van de Lek. de heerlijkheid Gouda kwam in 1308 met nog meer bezittingen in handen van Jan van Henegouwen, ook heer van Beaumont en daarom meestal Jan van Beaumont genoemd. Nu werd ook de rest van het kasteel en de bijbehorende molen afgebroken. Daarmee was er weinig meer dat herinnerde aan dit eerste kasteel van Gouda.

De plek kun je wel terugzien, het is het gebied van de Molenwerf, vlakbij de St. Jan. De contouren van het terrein zijn op de kaart van Blaeu uit de 17e eeuw goed te zien, ik heb het met geel omcirkeld. Daar liep de voormalige slotgracht. Aan de molenwerf werd in 1555 een oudemannenhuis gesticht, dat ook op deze kaart staat, het nog steeds bestaande Willem Vroesenhuis.

Het huis bevindt zich op de hoek van de Molenwerf en de Spieringstraat in de Goudse binnenstad. Willem Vroesen besloot in 1555 om zijn huis en erf beschikbaar te stellen voor opvang van oude arme mannen in de stad Gouda. Zo heeft dit huis eeuwenlang de functie als “oudemannenhuis” vervuld. Pas in 1977 verliet de laatste oudemannenhuis bewoner het monumentale pand. Nu bestaat het complex uit 13 woningen en 5 wooneenheden rond een schilderachtige binnenplaats. Het fries boven de toegangsdeur werd in 1614 vervaardigd door de stadsbeeldhouwer Gregorius Cool. Op de afbeelding zijn drie regenten te zien, die zich bekommeren om het lot van vijf oude mannen. De spreuken “Spartam-Nacti” en “tempora-labuntur” betekenen resp. “Sparta bereikt of verworven” en “de tijd verglijdt”.

Gouda, het tweede kasteel

In 1361 kocht graaf Jan van Blois een stuk grond aan de oever van de IJssel, waar hij begon met de bouw van een kasteel tegen de stadsmuur aan. In een eerste bouwfase (1360-1364) werd de IJsseltoren, toren van de stadsverdediging, in gebruik genomen als woontoren. Dit zou de zuidoostelijke hoektoren worden van het latere kasteel. Steeds werden er delen bijgebouwd, vooral in de laatste bouwfase tussen 1380 en 1385. Het kasteel had nu een oppervlakte van 30 bij 70 meter. Ook een rondeel van de stadsmuur werd bij het complex gevoegd zodat er nu maar liefst zes torens waren. Er is slechts één afbeelding bekend, gemaakt toen het kasteel nog niet was afgebroken, namelijk een kleine afbeelding op een kaart van van Deventer. Alle latere, vooral romantisch aandoende schilderijen van het kasteel, zijn pas lang na de afbraak gemaakt. Maar van Deventer staat bekend als een betrouwbaar tekenaar, dus we hebben toch een aardig globaal beeld.

Het kasteel bleek erg oncomfortabel te zijn, de eigenaren woonden uiteindelijk liever in Schoonhoven, in den Haag of op nog andere plekken waar ze een kasteel bezaten. Alleen Jacoba van Beieren verbleef er in de periode 1425 tot 1428 regelmatig. In 1577 werd daarom besloten tot sloop. Het kasteel was op dat moment eigendom van de Staten van Holland. Toch besloot de stad tot sloop met het argument dat de Spanjaarden het anders als steunpunt in hun verdediging zouden kunnen gebruiken. Er verrees op de plek van het kasteel een standerdmolen, de voorganger van de huidige Molen ‘t Slot. Alle verdere bebouwing, ook die van het nabijgelegen Minderbroedersklooster, is verdwenen en op die plaats is nu het Houtmansplantsoen. Op een kaart van Blaeu wordt met cijfer 2 naar de plek van het voormalige kasteel verwezen.

Schoonhoven, het eerste kasteel

Schoonhoven heeft twee kastelen op haar grondgebied gehad; het kasteel aan de Zevender en het kasteel aan de Lek. Het eerstgenoemde, aan de rivier de Zevender, een riviertje dat vanuit de Lopikerwaard richting de Lek stroomt, lag aan de noordoostzijde van de stad. Over dit kasteel is weinig bekend; afbeeldingen ontbreken. Wel kunnen we op een kaart van Pieter Sluyter zien waar het kasteel gestaan moet hebben. (Bij letter K: Dat oude slot). De kaart geeft een zij-aanzicht van de stad, beneden is het noorden en links het oosten. Op de achtergrond, boven stroomt in het zuiden de Lek.

Op alle latere kaarten is het niet aangegeven omdat het kasteel rond 1540 gesloopt is en die kaarten van later datum zijn. Waarschijnlijk is het kasteel gesticht door Jan van Lede  Deze verwierf in de eerste helft van de 13de eeuw een omvangrijk gebied tussen de Lek en de Hollandse IJssel. Het gebied waar het riviertje de Zevender in de Lek uitmondde zal, uit strategisch oogpunt, een goede plek zijn geweest om een kasteel te bouwen. Van hieruit kon het gehele gebied beheerst worden.

Het is mogelijk dat de naam Schoonhoven is terug te voeren op de aanwezigheid van dit ‘hof’ in deze stad. Rond 1312 wordt het kasteel door Jan van Henegouwen herbouwd en waarschijnlijk uitgebreid; het bevond zich in vervallen staat na de belegeringen van 1300 en 1304. In die jaren werden veel Hollandse steden door Vlaamse ridders ingenomen. Het belangrijkste deel van het kasteel was het ‘huis’; een gebouw dat door vier torens werd geflankeerd. Hierin bevonden zich o.a. de kapel, de ‘harnasch kamer’ en ‘mijns joncheren camer’. Ook was er een voorburcht met stallen, bakkerij, slachterij en melkerij. Zowel de voorburcht als het huis waren door water omgeven. Buiten dit gebied stonden nog een duifhuis en een valkhuis. De hoofdtoegang lag aan de stadszijde, namelijk aan het marktveld; een tweede toegang bereikte men via een brug over de Zevender. De laatste staat aangegeven op de kaart van Guicciardini. Vanaf de noordzijde kon men ook op de voorburcht komen, in 1364 wordt althans de valbrug ‘an die poerte te Hoflande’ vermeld. Op deze kaart van Blaeu (het noorden is nu wel boven) heb ik aangegeven waar het kasteel geweest moet zijn. Bij de boomgaard links onder op dit kaartje is het tegenwoordige doelenplein.

In de zomer van 1518 branden zowel de stad als het kasteel grotendeels af. Tot 1532 worden er hier en daar wat reparaties aan het slot uitgevoerd ten behoeve van een huisbewaarder. In 1522 wordt er echter al gesloopt om stenen te verzamelen voor het nieuw te bouwen kasteel. De ruïne wordt in 1540 op verzoek van het stadsbestuur in opdracht van Karel V geheel afgebroken.

Schoonhoven, het tweede kasteel

Nadat het kasteel aan de Zevender door brand grotendeels verwoest was, gaf Karel V opdracht om een nieuw kasteel te ontwerpen. Dit ontwerp werd uitgevoerd door Rombout Keldermans die het nieuwe kasteel situeerde in de zuidoosthoek van de stad, aan de rivier de Lek. In dit bouwwerk zou de Langerakkerpoort worden opgenomen. Van dit ontwerp is een schets bewaard gebleven, gedateerd 11 juni 1524 

Vanaf drie april beginnen gravers uit o.a. Schoonhoven, Nieuwpoort en Lopik met het graven van de funderingsput. Dit graafwerk duurt voort tot ongeveer half augustus. De grond wordt al snel erg ‘slijckich’, zodat men een schuit met zand laat komen, welk zand men strooit op de looproute waarover men de uitgegraven aarde wegbrengt. Een van de twee kuilen die voor de buitenste torens worden gegraven, stort in door de druk van het water en stroomt vervolgens vol. De arbeiders die deze kuil gegraven hebben worden ontslagen. Een hele week wordt besteed aan het maken van een aanvoerroute voor steen, afkomstig uit het oude huis. De ondergrond was zo drassig dat zware wagens met steen niet zonder meer konden passeren.

Ondertussen wordt er gegraven in de kuil die alsmaar meer modderig wordt. Wanneer de wateroverlast te erg wordt koopt men twee nieuwe pompen in Rotterdam. Om de uitgegraven aarde te vervoeren gebruikt men naast kruiwagens ook ‘botten’, een soort manden. Vanaf de twaalfde week krijgt men te kampen met geldgebrek. Regelmatig wordt er een gezworen bode op bevel van de heer van Moerkerken naar de graaf van Hoogstraten gestuurd om geld te vragen waarmee de arbeiders uitbetaald kunnen worden. De overlast van het water wordt mettertijd steeds erger. Op 10 oktober beginnen de metselaars met het opmetselen van het fundament. De hiervoor benodigde baksteen is afkomstig van het oude huis. De stenen zijn daar ter plaatse schoon gebikt en geteld, men komt op een totaal van 361.000 stenen. Ze worden met wagens naar het nieuwe werk gebracht. Uit Gorinchem komt een vracht van 125 tonnen ‘terras’. De ‘terras’ (tras), gemalen tufsteen, wordt aan de mortel toegevoegd, omdat deze tijdens de binding het overtollige water aan de specie onttrekt. Het loopt nu tegen eind oktober. De belangrijkste activiteit op de bouwplaats is het opmetselen van de fundamenten waartoe Rombout Keldermans enkele metingen verricht. Toch moet men zich zo langzamerhand gaan voorbereiden op de komende winter. Het werk zal dan stil komen te liggen, omdat het niet mogelijk is te metselen wanneer er kans is op vorst. De nog niet verharde specie zou kapot vriezen. Het metselwerk wordt waarschijnlijk afgedekt, misschien met het riet dat, zoals in de rekening vermeld staat, van het oude huis wordt gehaald en gebonden. Hout en planken worden afgevoerd. Een van de laatste uitbetalingen betreft Claes Peters zn, opperman, ‘van dat hij den calc, terras ende zavel met zijnen cruywaghen op eenen hoop heeft gevoerd naar het vuytscheyden van den mettsselaers vuyten voirnoemde wercke omme te bet den voirnoemde calc terras ende zavel te moghen bewaren jegens den toecomende saisoen’.

Er is geen bouwrekening van later datum bekend. Men is daarna blijkbaar gestopt…

Volgens de rekening was de bouwput erg ‘slijkich’, er moest continu gepompt worden. Het klinkt dan aannemelijk om te veronderstellen dat de bevolking, toen het kasteel niet afgebouwd werd. het enige stukje dat er stond schertsend “Nieuw Slijkenborch” heeft genoemd.

De meeste informatie over de kastelen van Schoonhoven is afkomstig van: http://www.tacohermans.nl/schoonhoven.htm. Hier zijn nog veel meer details te vinden.

De meeste informatie over de kastelen van Gouda komt uit het boek “Gouda” van Wim Denslagen, in de hoofdstukken “De Motte” en “het Kasteel’ van HenkJan Sprokholt.

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Corona Regels

-’Wanneer zijn we nu een keer van die vervelende corona regels af?’ vroeg mijn oudste kleinzoon. Ik antwoordde met een wedervraag:
‘Heb je er last van?’
Hier moest hij even over nadenken en hij antwoordde toen met een eerlijk ‘Nee’.
Toen ging ik hem vertellen wat we allemaal al jaren gewoon vinden. Als je ‘s avonds bij een bos komt mag je er niet in. Er staan overal bordjes dat je er hooguit tot zonsondergang mag verblijven. Ook niet op mooie open stukken waar je heel veel sterren zou kunnen zien. Officieel mag je daar dan niet komen.

Dat is al jaren zo. Je mag trouwens ook geen bramen plukken. Niet vanwege het feit dat honden er misschien op gepist hebben maar omdat het als voedsel voor de natuur zou dienen. De logica is ver te zoeken want met grote machines worden die zelfde braamstruiken vervolgens massaal uit de grond getrokken omdat het niet netjes zou zijn. Dat mag dan weer wel. Als je een weg oversteekt moet je gebruik maken van een zebrapad. Je mag niet door rood licht rijden. En zo zijn er tientallen verkeersregels die er vroeger niet waren. Als kind liep ik in het pikkedonker door het bos en stoplichten waren er niet in mijn dorp. De mensen zijn voortdurend bezig met alles te regelen. Elk paadje krijgt een bordje. Waarom staat er een bordje met daarop “graspad”? Kinderen gaan spelen in een “speelbos”. Daar is het geoorloofd om op een tak te klimmen. Op andere plaatsen mag dat niet. Hoe drukker het ergens is hoe meer regels er zijn. We willen het allemaal zelf en de meeste mensen weten niet beter alsof dat altijd al zo geweest is. Wat vind je van de term “avonturenbos”? Dat zou uitdagend en spannend moeten zijn. Maar het is juist avontuurlijk als er geen enkel bordje staat en als je zelf bepaalt wat je mag en wat je niet mag. Een avontuur is bij uitstek iets dat niet gereguleerd kan worden. Ik leg mijn kleinzoon uit dat het goed is dat er regels zijn. Vooral omdat de mensen zo dicht bij elkaar wonen en er veel gevaarlijke dingen zijn zoals auto’s. Niemand wil onder een auto komen dus moeten we afspraken maken om het zo veilig mogelijk te laten zijn. Maar er zijn ook heel veel bordjes en regels die maar heel weinig met veiligheid te maken hebben. In Nederland zijn er veel te veel dingen die geregeld worden. Daarom willen ook zoveel Nederlanders op vakantie. Liefst naar een plek met wat minder regels. En er zijn veel mensen die om die reden in een ander land willen wonen. Ze vinden dat er hier te veel dingen zijn geregeld, ze worden er een beetje benauwd van. Maar wat zeuren we nog over die paar corona regels! Mondkapje in de bus, een QR-code laten zien bij een museum, concert of bij een restaurant. Kleine moeite, toch? Eigenlijk zijn het maar kleine ongemakken. Weet je, binnenkort ga ik op avontuur. Ik ga stiekem naar een plek waar ik ‘s nachts niet mag komen. Lekker puh! Stiekem kijk ik dan naar plekken waar er geen enkele door mensen gemaakte regel lijkt te zijn. Weet je waar ik dan heel stiekem naar kijk? Niet verder vertellen! Ik gun me een blik op het heelal…. Alleen, ik ben bang dat dat een beetje gaat tegenvallen. Daarom zou ik er graag een extra regel bij willen hebben: ‘s avonds geen lantaarnpalen aan. En elke vorm van fijnstof uitstoot zou per onmiddellijke ingang verboden moeten zijn. Helaas, dat soort regels gaat de meeste mensen te ver. Ze willen wel zeuren over mondkapjes, maar ze accepteren het als zoete koek dat de lucht zo vervuild is. En dat het nergens meer echt donker wordt. Als dat allemaal voor mij beter geregeld kan worden draag ik met liefde op heel veel plekken een mondkapje en laat ik bij elke instantie een QR-code zien. Corona Regels? Als dat het enige zou zijn….

We gingen met de bus naar de speeltuin, en mijn vrouw en ik zetten welgemoed een mondkapje op.
-‘Die vervelende coronaregels toch’ zei mijn kleinzoon. Ik keek hem aan. Hij lachte naar me. We begrepen elkaar.

Geplaatst in maatschappij | Tags: , | 1 reactie

Beveiligd: Het Moreau orgel, een orgel van M Audio en nog meer orgelklanken

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme, muziek | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

De Goudse Glazen

In Gouda staat de langste kerk van Nederland, de Sint Jan, omgeven door smalle straatjes. De kerk is enigszins ingeklemd tussen de omringende bebouwing. Dat in tegenstelling tot het stadhuis dat midden op de Markt staat, daar kun je omheen lopen en alle details goed bekijken. Dat is bij de Sint Jan heel lastig.

Tot rond het jaar 1278 was er alleen een hofkerk bij de grafelijke burcht met toren, een motte. Daarachter was er stedelijke bebouwing. Er was wel al een parochiekerk in de polder Bloemendaal, maar toen Gouda stadsrechten kreeg en het grafelijke kasteel werd verplaatst werd de hofkerk vergroot en werd het tegelijk de parochiekerk van Gouda. Dat vergroten kon alleen door stedelijke percelen op te kopen. Alles ging in fases. De eerste nog bescheiden fase was tot 1413, de tweede fase begon daarna, toen werd de kerk vergroot tot de huidige omvang. De kerk lag op een binnenterrein van de stad. Je kunt om de hele kerk heenlopen, In stevige pas doe je daar zeven minuten over.

Waarom kreeg Gouda zo’n uitzonderlijk grote kerk? Het was de zesde stad van Holland en ten tijde van de grote uitbreidingsbouw begin vijftiende eeuw was de stad zeer welvarend. Het was een belangrijke havenstad waar allerlei waren werden verhandeld, zowel voor het buitenland als voor het binnenland bestemd. Het was een havenstad die een directe zeeverbinding had via de Hollandse IJssel en Rotterdam. Daarnaast waren er nog twee binnenvaart rivieren: enerzijds voeren er schepen naar Amsterdam (over de gekanaliseerde Gouwe), anderzijds naar Utrecht (over de Hollandse IJssel.)

Toen in  januari 1552 een grote brand de toren en het schip verwoestte werd onmiddellijk begonnen met restauratiewerkzaamheden en tegelijk werd besloten om de hele kerk van een groot glazenplan te voorzien. En het werden door de grootte van deze vijfbeukige kerk heel wat glazen. Net zoals er ook maar liefst 22 altaren waren in de kerk (vooral bestemd voor de leden van de diverse gilden), kwamen er uiteindelijk zo’n 65 glazen, na de reformatie aangevuld met nog 7 glazen uit het regulierenklooster. Wat je nu ziet dateert niet allemaal uit dezelfde tijd. Er zijn zelfs nog glazen die dateren van  voor de grote brand, en ook de zeven regulieren-glazen dateren uit die tijd. Maar de meeste glazen werden in de periode net voor of net na de hervorming gemaakt, veel van de hand van de gebroeders Crabeth, die zich baseerden op renaissance technieken afkomstig uit Italië. En ook nog later, tot in de twintigste eeuw kwamen er glazen bij.

De kerk wordt gebruikt voor diensten van de hervormde kerk, er zijn concerten (de kerk heeft vier orgels), er worden orgel- en pianolessen gegeven, maar tegelijk is het vooral ook een museum. De bouw op zich is al prachtig, een blik op het hoofdorgel is een genot voor het oog en er zijn op veel plaatsen allerlei interessante dingen te zien. Het meest bijzonder zijn de 72 glazen. Zonder toelichting kun je er maar weinig van volgen, maar als je weet wat je ziet krijg je een aardig beeld van een aantal geschiedkundige aspecten. Kijk maar eens naar de kleding van de mensen die er zijn afgebeeld of kijk naar de soort opdrachtgevers. Je krijgt een idee over hoe er tegen de wereld werd aangekeken en door vergelijking van meerdere glazen zie je ook kunsthistorische ontwikkelingen. En soms zie je hoe verhalen van de bijbel werden uitgebeeld zoals bij de glazen die gaan over het leven van Johannes de Doper, de patroonheilige van de kerk.

Grappig is het dat er nog zoveel katholieke aspecten te zien zijn. Johannes de Doper, een heilige, als centrale figuur in een protestantse kerk, dat zou toch eigenlijk niet moeten kunnen? Het kon. De glazen mochten blijven. Behalve bij een glas waar God was afgebeeld. Dat mocht niet. Maar omdat de oorspronkelijke cartons van de glazen bewaard zijn gebleven kon dat onderdeel van een van de glazen weer worden hersteld in de twintigste eeuw toen men hier in protestantse kringen wat vrijzinniger mee  omging. Ik laat enkele van de oudste glazen zien en geef bij elke voorstelling een toelichting.

Bileam op de ezel

Balak, de koning van de Moabieten, was bang voor de oprukkende Israëlieten na hun uittocht uit Egypte en stuurde daarom gezanten met geschenken naar de waarzegger Bileam om hem over te halen de Israëlieten te vervloeken en zo hun opmars te stoppen. Toen Bileam op zijn ezelin naar de Moabieten ging, versperde Gods engel hem driemaal de weg, met getrokken zwaard in de hand. De ezelin zag de engel en ontweek deze drie keer. Bileam sloeg de ezel: doorlopen jij! Na de derde keer liet God de ezelin spreken en vroeg zij Bileam waarom hij haar sloeg. Hierna zag Bileam pas de engel die de ezelin al steeds gezien had. De engel zei dat hij mocht doorgaan, op voorwaarde dat Bileam alleen zou doen wat de engel hem zou opdragen. Het volk mocht niet worden vervloekt.


Deze voorstelling zag ik trouwens al vaker, zoals in Autun, of zoals hierboven, op een van de Romaanse kapitelen in de O.L.V. basiliek van Maastricht.

De voetwassing van Christus

Interessant zijn vaak ook de opdrachtgevers die bijna overal in het onderste deel van de voorstellingen te zien zijn. Zo zien we bij deze voorstelling, die nog dateert van voor de reformatie, de opdrachtgever Margaretha van Parma. Zij was de Spaanse landvoogdes, de vertegenwoordiger van de Spaanse koning (Philips II). Margaretha zit geknield, achter haar zien we de heilige Margaretha, haar patroonheilige. Hoe ging het verhaal van de heilige Margaretha? Haar vader minachtte haar om haar christelijk geloof. Margaretha leefde op het land als herderin. Toen de stadsprefect Olybrius haar een huwelijksaanzoek deed, op voorwaarde dat ze haar geloof zou afzweren, weigerde ze. Daarop werd ze gevangengezet en gemarteld. Dan volgen een aantal wonderbaarlijke gebeurtenissen. De bekendste is dat satan, in de gedaante van een draak, haar opslokte. Margaretha ontsnapte levend doordat de draak haar uitspuwde, vanwege het kruis dat ze droeg wat zijn ingewanden irriteerde. Uiteindelijk werd ze toch omwille van haar geloof ter dood gebracht. We zien op de afbeelding Margaretha met in een hand een kruis, achter haar op de grond zie je de draak. Dat de landvoogdes koos voor deze afbeelding, de voetwassing, zegt iets over haar zelf: de voetwassing tijdens het laatste avondmaal was een voorbeeld van de dienende liefde. Ook Margaretha wilde bekend staan als iemand die haar onderdanen diende. Omdat ze dat in de loop van de tijd teveel deed volgens haar baas Filips II werd de hertog van Alva gestuurd om orde op zaken te stellen, met kwalijke gevolgen volgens de geschiedenisboekjes…

Johannes de Doper doopt

Dit is de bovenste helft van eveneens een glas van nog voor de reformatie. Johannes de doper doopt een soldaat, hij zegt als het ware met geopende armen: ‘kom maar, ik zal je dopen’. Er om heen zie je allerlei mensen. In de kerk zul je niet alle details kunnen zien, maar kijk eens naar het bovenste gedeelte waar  nog zoveel meer is te zien: het lijkt of grote groepen mensen, onder wie veel soldaten, op weg zijn naar de plek waar Johannes de Doper bezig is. Rechts zie je het water van de Jordaan. Johannes had duidelijk een hele schare volgelingen.

De Luikse bisschop bidt

Dit is het onderste deel van hetzelfde glas. De man die je ziet zitten op zijn knieën is de Luikse bisschop, die tevens kapittelheer was in Utrecht. De beheerders van de St. Jan probeerden op veel plaatsen sponsors voor de glazen te vinden. Ze hadden goede contacten met Utrecht. En ze vonden een goede sponsor: de Luikse bisschop. Hij laat zichzelf biddend afbeelden, achter hem staat de heilige Benedictus. Dat was blijkbaar zijn patroonheilige. Hij richt zijn blik op God de Vader, die omgeven is door de symbolen van de vier evangelisten: Lucas (de stier), Johannes (de adelaar), Marcus (de Leeuw) en Mattheüs (de engel).

Jezus wordt gedoopt door Johannes de Doper

Dit glas was het meest centrale glas van allemaal: vlak achter het hoofdaltaar. Uitgebeeld wordt het ultieme moment in het leven van deze patroonheilige van de St. Janskerk: de doop van Jezus. De voorstelling krijgt extra luister door de vurige stralen die God de Vader vanuit de hoogte vanaf een wolk doet neerkomen op zijn zoon. Tegelijk zien we een duif in een van de stralen, de Heilige Geest geeft de zegen aan de doopactie van Johannes de Doper.

Niet besproken zijn een aantal wat meer wereldlijke glazen, zoals die van het ontzet van Leiden. Of een glas gemaakt in 1947 waarbij de verschrikkingen van de tweede wereldoorlog worden weergegeven. Je kunt met een boekje of met een koptelefoon door de kerk lopen. Ik zou een keuze maken wat je gaat bekijken. Het is allemaal te veel voor een keer. Zoals ook ik hier nu een keuze heb gemaakt. Misschien wordt er net op dat moment orgelles gegeven. Je kunt het orgel dan niet alleen horen maar ook zien wat er achter de toetsenborden gebeurt, er is meestal een scherm op een bepaalde plek waar je de les kunt volgen. Wie weet hoor je dan mijn oudste kleinzoon spelen….

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Beveiligd: De beroemde organist Olivier Latry

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: , , , , , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Deneb Algedi

Jupiter staat deze herfst steeds mooi aan de avondhemel. Nu in de vroege avond in het zuiden, begin januari staat hij laag in het westen om in het voorjaar een tijdlang te verdwijnen. Aardig om met een kijker ook steeds weer naar zijn Galileïsche manen te kijken, de manen die Galileo Galilei ontdekte. De grootste, Ganymedes, was gisteravond niet te zien, tenzij je met een telescoop zou kijken. Dan zou je zijn schaduw op Jupiter kunnen zien, hij draaide bij zijn regelmatige rondje voor de moederplaneet langs. De andere drie manen zag je goed, links stond Io, rechts Callisto en daarnaast weer Europa.

Maar mijn blik ging ook nog naar iets anders. Ik zag hem al eerder, die heldere ster links onder Jupiter. Het gaat om de ster Deneb Algedi, de ster Delta van het sterrenbeeld Steenbok. Bijna alle sterren hebben wel iets bijzonders. Deze ster staat om te beginnen dichtbij onze zon, slechts op 38,7 lichtjaar afstand. Het is een witte reus die 200 keer zo groot is als onze zon. Maar er is ook iets vreemds mee aan de hand. Als je regelmatig naar deze ster kijkt zal opvallen dat hij soms veel minder helder is dan anders. Normaal heeft deze witte reus een magnitude van 2.84 maar periodiek verandert dat, soms neemt de helderheid behoorlijk af. Het gaat in dit geval niet om een zogenaamde variabele ster, die van zich zelf niet altijd even veel licht afgeeft. De oorzaak zit hem in twee sterren die samen met deze grote witte reus een eenheid vormen. Je kunt ze met het blote oog niet zien. Een van die sterren is twee keer zo groot als onze zon. Hij schuift er soms voor waardoor de helderheid van Deneb Algedi afneemt. Zo ontstaan de geregelde lichtsterkte-schommelingen. De tweede begeleider is iets kleiner dan onze zon. Op de corona van de grootste begeleidende ster vindt buitengewoon veel activiteit plaats. Er komt veel ultraviolet licht vandaan, dat in eerste instantie van Deneb Algedi zelf lijkt te komen. En nog een leuk weetje: onlangs hebben wetenschappers ontdekt dat nog twee heel erg kleine sterren (magnitude 15) deel uitmaken van het systeem. Een van die twee sterretjes lijkt zich geleidelijk te gaan afzonderen, hij zoekt de “ruimte”. Feitelijk gaat het dus om een vijfvoudig systeem.

Hoe komt deze ster aan zijn naam, Deneb Algedi? Zoals we zagen staat de ster in het sterrenbeeld steenbok, een zeegeit. (Op traditionele afbeeldingen zie je vaak een soort slang met de kop van een gehoornde geit). De staart van deze geit heet in het Arabisch Deneb Algedi. Op dit moment staan Jupiter en Saturnus ook in dit beeld. Het is een van de helderste sterren, nu aan de avondhemel laag in het zuiden. De ster staat in Steenbok, dus in een dierenriemteken, dat is het deel van de hemel waar ook zon, maan en planeten doorheen trekken. Zo kan een enkele keer deze ster bedekt worden door de maan, zeer zelden ook door een planeet. Jupiter trekt er al snel boven langs. Saturnus nadert de komende twee jaren Deneb Algedi, maar tot een bedekking zal het niet komen. Over twee jaar trekt deze er onder langs.

Verder werd ik deze avond blij. Hoe komt het dat ik altijd zo blij wordt door het zien van Venus? Ik kan er niets aan doen, het gebeurt gewoon. Venus, de lieflijke avond- of morgenster. Maria wordt ook wel de lieflijke morgenster genoemd. Maria als Venus. En Venus is natuurlijk de godin van de schoonheid. Ik denk dat ik ook blij wordt omdat Venus zo weinig te zien is geweest het laatste jaar. Gisteravond dus wel. Eerst nog verstopt achter een donkere wolk. Maar daar straalt hij opeens tevoorschijn!

Even later verdween hij weer achter een wolk, daarna onder de horizon. De staart van de zeegeit was wel nog lang te zien. Pas na middernacht, samen met Saturnus en Jupiter, dook ook de zeegeit in het diepe. Zijn staart was nog als laatste te zien…

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Beveiligd: Beethovendag

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Beveiligd: Franck op een orgel met vijf manualen

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Mare Imbrium

Hoe komt het dat er op de maan grote zwarte vlekken zijn en daarnaast lichtere gebieden met veel kraters? Zo’n grote zwarte vlek wordt ook wel mare genoemd. Vroeger dacht men dat dit misschien een zee was, mare is namelijk Latijn voor zee. Dat is niet zo, weten we inmiddels, er is geen spoor van water op de maan, laat staan een zee. We weten dat deze maria ontstaan zijn na reusachtige inslagen, niet inslagen van gewone grote meteorieten, maar kolossaal grote objecten botsten met de maan. Het ging dus om botsingen met planetoïden of misschien komeetkernen. Wat gebeurde er dan? De inslag was zo overweldigend diep, dat weker gesteente in het binnenste van de maan ging bewegen en geleidelijk de grote krater voor een belangrijk deel weer opvulde met zijn massa. Door deze bewegingen werd het hardere gesteente daaromheen opgestuwd en vormde een kring van rotsen en berghellingen om de voormalige krater heen.

Een mare die je vaak goed kunt zien is de Mare Imbrium, de “zee der regens”. Die naam heeft hij te danken aan de omliggende bergen, die hun water lijken te geven aan deze zee. Vandaag, gewoon overdag om 12 uur, maakte ik bovenstaande foto van de maan (hij stond bijna recht boven mijn hoofd) en omdat deze mare nu precies op het punt zit waar het zonlicht tegen de rand schijnt, kon je de kleinere kraters en ook de omringende bergen van deze Mare erg goed zien. Sommige van die bergen zijn wel zeven km hoog. Het diepste deel van de “moederkrater” is nu slechts 5 km. Oorspronkelijk drong het hemelobject tot wel honderd km diepte door. De zwarte kleur wordt dus veroorzaakt door het omhooggestuwde “vulsel”.  Als dit soort inslagen erg lang geleden heeft plaats gevonden (zo’n miljard jaar geleden of zo), dan zijn er nadien weer zoveel nieuwe kraters gevormd door gewone meteorieten, dat de mare er pokdalig gaat uitzien. Deze mare is nog relatief jong, de hoeveelheid nieuwe inslagen is gering, behalve in het noordelijk deel.

Net ten zuiden van Mare Imbrium zien we een van de meest indrukwekkende kraters van de maan, de krater Copernicus. Ik heb het detail waar hij op de eerste foto staat uitvergroot. Deze krater heeft geen eigen mare opgeleverd, daarvoor ging hij niet diep genoeg, maar er is wel veel materiaal te zien dat in zijn omgeving is uitgestrooid. Veel betere foto’s kun je op internet vinden. Maar je ziet, zelfs overdag kun je als je dat wil en een goede camera of verrekijker hebt ook het een en ander zien.

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , | Een reactie plaatsen

De maan boven de Lek

Voor mooie, soms zelfs overweldigende beelden in de natuur hoef je niet altijd ver te reizen. Natuurlijk, La Palma biedt op dit moment unieke verschijnselen. Duizenden mensen vergapen zich aan het vuur en de lava van de ontketende vulkaan. Ik was gisteravond niet verder dan vlak bij mijn huis. En ik was de enige die stond te kijken naar het machtige schouwspel van de opkomende maan boven de Lek. Ook Jupiter en Saturnus keken met me mee. Jupiter paste intussen op zijn eigen manen. Ik bleef kijken totdat onze maan zijn rode mantel weer had uitgetrokken.

Jupiter kijkt mee
Links Jupiter, op bijna dezelfde lijn rechts ervan Saturnus. De meeste sterren die je er om heen ziet zijn sterren van het sterrenbeeld Steenbok
Links van Jupiter zien we zijn maan Europa, rechts de manen Ganymedes en Callisto. Io, zijn vulkaanmaan, staat net rechts van de planeet maar is door het overweldigende licht ervan niet zichtbaar. Helemaal links boven zien we een ster van het sterrenbeeld Steenbok.
Geplaatst in Astronomie | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Evenwicht

Het is volle maan. De herfst is begonnen. Net als de oude natuurvolkeren ben ook ik gevoelig voor symboliek. En probeer ik iets te voelen wat bepaalde dingen voor mij zouden kunnen betekenen. Vrijwel gelijktijdig is het vandaag volle maan en begint ook de astronomische herfst. Bij volle maan staan vanuit de aarde gezien de zon en de maan recht tegenover elkaar. De maan komt dan precies op als de zon ondergaat. Behalve bij een maansverduistering zien we bij volle maan hoe het zonlicht het gehele maanoppervlak verlicht, of liever: we zien op de maan over zijn hele oppervlakte de weerkaatsing van het zonlicht. Dat is eens per maand zo, bij een wolkeloze hemel zie je dan de hele nacht, als er tenminste geen kunstmatige verlichting in de buurt is, de zachte gloed van dit indirecte licht en de mooie geheimzinnige schaduwen die het opwerpt. Dit was vannacht het geval. Het levert een prachtige sfeer op. Zowel in de avond als vroege ochtend heb ik er van genoten. Doordat er veel vocht in de lucht zat was het maanlicht ietwat diffuus.

Het begin van de astronomische herfst (en ook van de lente trouwens) kan je zien als een kort precair moment waarbij overal op aarde de dag even lang is als de nacht. Er is even een soort evenwicht, de balans slaat nog niet uit. Precies op dat moment laten de astrologen het teken weegschaal beginnen, de balans bij uitstek. Deze balans zien we bij veel volkeren en godsdiensten. Bij oude voorstellingen van de Egyptenaren zien we deze weegschaal vaak afgebeeld. Op onderstaande afbeelding zien we een fragment uit de papyrus van Hunefer met een voorstelling van het wegen van het hart.

Op wikipedia lezen we hierover:

Het wegen van het hart was in de Egyptische mythologie de benaming voor de ceremonie waarvan werd gedacht dat een overledene die direct na zijn overlijden moest afleggen in de Hal van de Twee Waarheden. In het midden van de hal stond een grote weegschaal. Aan de ene kant van de weegschaal lag de Veer van de Waarheid. Aan de andere kant moest de dode zijn hart neerleggen. Anubis, de God van de doden, zat bij de weegschaal. Thoth, de god van de wijsheid, schreef de uitkomst van de test op en Osiris, de god van de onderwereld, de vruchtbaarheid en de wederopstanding overzag het geheel. Als het hart even zwaar was als de veer, mocht de dode door naar de poorten van Yaru, het hiernamaals. Als het hart zwaarder was, sloeg de weegschaal door en kon het monster Ammit bij het hart en zij at het op. Een ander monster at het huis van de ziel op en de ziel alleen moest eeuwig over de aarde zwerven.

Ook bij de Christenen worden de zieltjes gewogen, wie te licht bevonden wordt komt in de hel. In 2017 maakte ik onderstaande foto in Vézelay. De mens wordt gewogen, aan de ene kant door de aartsengel Michael, aan de andere kant door de duivel. Allebei krijgen ze hun deel in de hoeveelheid mensenzieltjes.

De weegschaal als dierenriemteken, het begin van de herfst, is ook vaak afgebeeld zoals hier buiten aan de kerk van Autun. Deze foto is eveneens gemaakt door mij in 2017

Vanochtend zag ik drie koolmeesjes. Ze sprongen op, vlogen een kort stukje en streken weer neer. Zoals je dat vooral in de winter zo vaak ziet. Net alsof ook zij aangaven: de winter komt er aan, de nachten worden weer langer dan de dagen. Even later op bijna dezelfde plek verscheen een winterkoninkje, ook al zo brutaal olijk!

Het is dus herfst. De combinatie met de volle maan maakt het gevoel van een keerpunt extra sterk. Onwillekeurig denk ik aan de vele wereldproblemen die je steeds meer het gevoel geven dat de aarde op een soort keerpunt is aangekomen. Voorbij dat evenwichtspunt gaat het de andere kant uit. Alsof ook de volle maan ons waarschuwt: let op, deze herfst is anders dan anders, het is erop of eronder. Maar ik weet ook: alles is cyclisch. Er komt weer een volle maan, er komt weer een lente. Ik geef me over aan de weegschaal, die langzaam doorslaat naar de kortste dag. Die doorslaat naar de nieuwe maan. De ene cyclus duurt een jaar, de andere een maand.  En ik denk aan de jolige zangvogeltjes in onze tuin, zij lijken alleen maar blij te zijn.  En ik denk aan de prachtige sfeer van afgelopen nacht. En ik kijk uit naar de mooie sterrehemels die de winter ons weer gaat laten zien.  Jupiter en Saturnus begeleiden ons nu al, de hele herfst staan ze aan de avondhemel.  Het is volle maan. De herfst is begonnen.

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Beveiligd: Het orgel van Lekkerkerk

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Satellieten van de zon, aarde en Jupiter

Satellieten zijn objecten die om een ander object heen draaien. Er zijn vanuit die definitie veel soorten satellieten. Komende avond als het helder is kun je aan de zuidoostelijke hemel veel satellieten zien. Je ziet dan bijvoorbeeld de planeten Jupiter en Saturnus. Dat zijn dus satellieten van de zon, net als de aarde. Deze twee planeten staan al een tijd aan de avondhemel en blijven daar ook nog een tijd staan. Je ziet ook de maan, een natuurlijke satelliet van de aarde. De wassende maan nadert zijn grootste omvang en staat vanavond  in conjunctie met Jupiter en Saturnus. Hij staat tussen deze twee “dwaalsterren” in, heel gebroederlijk, wat lager bij de horizon. Maar als je op het juiste moment kijkt kun je niet alleen de “natuurlijke” satelliet van de aarde zien, maar ook een kunstmaan, het ISS, met daarin een aantal astronauten. Kijk om vier over acht naar de maan. Het is dan nog niet helemaal donker maar als het helder genoeg is zou je het moeten kunnen zien. Rechts van de maan zie je opeens iets bewegen, van rechts naar links. Het object schuift om 20:06:02 voor de maan langs en gaat dan verder. Dat is dus het ISS. Als je met een telelens op die tijd een foto zou maken van de maan dan zou je het ISS op het bovenste gedeelte van die foto terug moeten kunnen zien, ik vermoed als een afstekend helder bolletje. Zo zou het er uit kunnen zien, net iets eerder. Rechts van de maan komt het ISS er aan en beweegt richting maan:

Het feest hoeft nog niet helemaal afgelopen te zijn. Blijf vanavond nog lekker een half uurtje langer kijken naar het zuidoosten zou ik zeggen. Je kunt in dat half uur namelijk nog twee andere kunstmatige satellieten zien, eentje van China en eentje van Japan. Ze zijn allebei als het echt superhelder is te zien, hoewel lang niet zo goed als het ISS. Om 20:14 uur zie je vrij laag aan de zuidoostelijke horizon een lichtpuntje bewegen, dat is de Norad 29507, gelanceerd 23 oktober 2006 vanuit China. Hij beweegt heel langzaam bijna pijlrecht omhoog richting het Zenith, het hoogste punt van de hemel. Een kwartiertje later is het weer raak. Richt je blik nog steeds naar het zuidoosten en kijk dan heel hoog naar de hemel. Daar zie je de heldere ster Vega, een van de drie sterren van de zomerdriehoek. Om 20:36 zie je dan links daarvan de Norad 38341, een Japanse satelliet, gelanceerd 17 maart 2012. Hij beweegt langzaam richting de zuidelijke horizon, dus feitelijk net de andere kant uit als dat de vorige satelliet bewoog.

Teveel wolken? Blijf de komende dagen kijken.  De maan staat 18 december ter hoogte van Jupiter en wordt steeds voller. Volle maan is het dinsdag 21 september, net een dag voordat de herfst op woensdag 22 september begint, de dag is dan even lang als de nacht. Na 24 september heb je enkele weken geen last van het maanlicht aan de avondhemel, de maan is dan nog niet op. Een mooie tijd om ook naar de sterren te kijken. Jupiter en Saturnus kun je de hele herfst nog zien, steeds iets meer richting zuiden en uiteindelijk staan ze in december aan de westelijke avondhemel.

Onderstaande foto’s maakte ik gisteravond. Ze zijn tien voor negen gemaakt. Op de eerste foto zie je Jupiter, Saturnus, de maan en nog wat sterren. Op de tweede foto staat de wassende maan met daarop heel veel goed zichtbare kraters. En op de derde foto zie je in het midden Jupiter met er omheen drie van de galileïsche manen van deze planeet. Van Links naar rechts zie je Callisto, Europa en rechts van Jupiter staat IO. Ganymedes, de grootste satelliet van Jupiter staat zo dicht bij deze planeet dat hij net niet te zien is. Elke dag staan deze maantjes iets anders rond Jupiter. Vanavond kun je ze allemaal zien met een goede kijker. Het is dan één groot satellietenfeest!

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Beveiligd: Mixtuurtje

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , , , , , , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Geheimzinnige dwergen

Op onderstaande foto zien we de grote Magelhaense wolk, die op het zuidelijk halfrond te zien is, zelfs met het blote oog. Het is een dwergsterrenselsel dat qua gravitatie waarschijnlijk onafhankelijk is van onze eigen Melkweg, het is een min of meer toevallige passant en het bevindt zich op gemiddeld 157000 lichtjaar afstand.

De meeste andere nabijgelegen dwergstellenstelsels daarentegen draaien om onze eigen Melkweg heen. Deze dwergsterrenstelsels blijken veel onopgeloste geheimen te verbergen. Wetenschappers onderzoeken ze en snappen van veel dingen niets. Ik probeer er op mijn manier ook een beetje naar te kijken. De microkosmos weerspiegelt toch de macrokosmos? Geheimen die ver weg zijn blijken misschien minder geheimzinnig te zijn als je ze wat dichterbij plaatst. Maar om welke geheimzinnige dingen gaat het eigenlijk?

Laten we eerst eens kijken hoe melkwegstelsels zijn ontstaan. De gangbare theorie luidt als volgt: kort na de oerknal begint onzichtbare donkere materie samen te klonteren in kleine, min of meer bolvormige wolkjes. Die donkere ‘halo’s’ trekken met hun zwaartekracht ook gewone, zichtbare gasatomen aan. Uit dat gas ontstaan sterren en zo worden talloze kleine stelsels van sterren gevormd: dwergstelsels. Al vrij snel voegen die zich samen tot weer grotere sterrenstelsels, zoals de Melkweg en onze buur, het Andromeda melkwegstelsel.. Die blijven vervolgens tot op de dag van vandaag groeien door steeds weer nieuwe dwergstelsels te verorberen.

Maar wetenschappers in Groningen vermoeden dat de werkelijkheid wel eens behoorlijk anders zou kunnen zijn.  Om te beginnen zijn er te weinig dwergstelsels. Vanuit simulaties zouden er al honderden rond onze eigen Melkweg gevonden moeten zijn, maar het zijn er slechts enkele dozijnen. Zijn die er toch en bestaan ze misschien uit louter donkere materie? Die zouden ook zwaartekrachtwerking moeten hebben maar die is niet gevonden. Ook klopt de snelheidsverdeling binnen een dwergstelsel niet. Vlakbij het centrum zouden de sterren veel sneller moeten bewegen dan daarbuiten en dat blijkt niet zo te zijn. En waar bevinden de dwergstelsels zich? Volgens de gangbare theorie zou elk groot Melkwegstelsel  overal in de rondte omgeven moeten zijn door dwergstelsels, maar het blijkt dat ze zich bevinden in een vast vlak, dat blijkt ook bij andere melkwegstelsels zo te zijn. Ook de samenstelling van de elementen is vreemd, er komen vrij veel zware elementen als Europium in voor, iets dat je niet zou verwachten. Op de aarde zijn een aantal verschillende wetenschappelijke teams met deze vraagstukken bezig, ze zijn het in veel opzichten niet met elkaar eens, wat aangeeft hoe moeilijk dit soort onderzoeken zijn.

In het artikel in de Volkskrant van zaterdag 4 september van de hand van Govert Schilling dat hierover ging worden nog veel meer aspecten aangesneden. Graag verwijs ik naar dat artikel. Ik vind het leuk om er op mijn eigen manier ook een beetje over te filosoferen. Om te beginnen het laatst vermelde probleem: alle dwergmelkwegstelsels bevinden zich in een plat vlak rond het moeder Melkwegstelsel. Dat doet me denken aan de planeten om een zonnestelsel, die zich ook in een vast plat vlak bevinden. En dat heeft weer te maken met de ontstaansgeschiedenis van het zonnestelsel: voordat alle planeten in een vrijwel platte schijf gingen draaien waren er heel erg veel kleine rotsen en planeten die alle kanten op gingen. Door de tijd heen zijn deze objecten tegen elkaar aan gekomen en zijn ze op een nieuw pad gestuurd. De grotere planeten ”aten” de kleine op als deze elkaar ontmoeten en zo werd het zonnestelsel opgeruimd. Toen er alleen nog grote planeten over waren die nog steeds verschillende kanten opgingen, was het gewoon wachten tot er een botsing kwam. Na een lange tijd gebeurde dit, en dan werd het pad van beide planeten aangepast. Doordat er in één bepaalde richting meer planeten draaiden, werden de planeten die niet in die ene richting draaiden op een gegeven moment geëlimineerd door planeten van de sterkste groep. Dat zijn de huidige planeten van ons zonnestelsel. En die bewegen nu zodanig dat botsingen slechts uiterst zeldzaam zijn geworden.
Het lijkt me geen onlogische gedachte dat zoiets ook aan de hand is met de dwergstelsels. Het zijn er ooit veel meer geweest, die op verschillende manieren om onze Melkweg draaiden. Maar ze raakten met elkaar in botsing en versmolten. Het werden er minder en de dominante richting van die nieuwe, grotere dwergstelsels ging overheersen.

Alles lijkt zich van groot naar klein te herhalen, de microkosmos weerspiegelt de macrokosmos. Bij dit alles is er een proces in de tijd gaande waarbij elke onstabiele situatie geleidelijk overgaat in een meer stabiele. Een tijdlang lijkt er niets aan de hand. Als twee dwergstelsels elkaar uiteindelijk elkaar toch weer te veel naderen dan is er een nieuwe instabiliteit ontstaan die tot gevolg heeft dat de baan van alle sterren in die stelsels gaat veranderen totdat er uiteindelijk weer een nieuwe stabiliteit ontstaat. Ons eigen melkwegstelsel heeft een spiraalvorm, net als dat van onze buur, het andromedastelsel. Berekeningen laten zien dat beide stelsels elkaar in de verre  toekomst (over vier miljard jaar) te dicht zullen naderen. Ze versmelten en uiteindelijk krijgt het nieuw ontstane stelsel een nieuwe vorm: het wordt een groter, ellipsvormig melkwegstelsel, zoals er overigens al veel zijn in het heelal. Elke ster in dat stelsel, dus ook onze zon, krijgt een andere baan. De hemel zal er vanaf de aarde gezien behoorlijk veel anders uit gaan zien. Maar vier miljard jaar, dat is erg lang. Dat is net zo lang als dat de aarde op dit moment bestaat. En in die vier miljard jaar zijn er in het verleden zoveel dingen gebeurd die allemaal veel ingrijpender waren voor al het leven op aarde, dat filosoferen over deze gebeurtenis in de verre toekomst nauwelijks relevant lijkt te zijn voor in ieder geval de huidige aardse bewoners.

In het verleden waren er talloze volkeren op aarde. De volkeren in Amerika hadden geen benul van de volkeren in Europa of Afrika. Deze volkeren raakten op drift: de grootste en sterkste volkeren palmden de kleinere in. Dat proces is blijven doorgaan totdat er nu nog maar een paar volkeren over zijn. Hun neuzen staan nog niet dezelfde kant op. Maar door de globalisering begint het er wel al sterk op te lijken. Over een tijd zijn er nog steeds een aantal machtige volkeren. Ze zijn anders, maar ze botsen niet meer, hun neuzen zijn gericht naar dezelfde kant, in hetzelfde platte vlak. Daarnaast zijn er nog een aantal kleinere dwergvolkeren, die we niet goed begrijpen. Ze laten zich niet gemakkelijk inpalmen. We snappen niet veel van hen, hun cultuur is heel anders. Eigenlijk willen we ze verorberen.

Tot voor kort was Europa redelijk overzichtelijk als je keek naar de religieuze achtergrond. In het noorden was men protestant, in het zuiden katholiek. Maar nu is het veel diffuser. Er zijn veel moslims bij gekomen. En alles heeft zich vermengd. En er is een al langer bestaande sekte dominant geworden, de sekte van atheïsten. Kun je je daar tegen wapenen, als tegen een coronavirus? Zullen de spiraalvormige godsdiensten overgaan in een elliptisch atheïsme? Dat niets snapt van de nog steeds vreemde dwerggodsdiensten?

Microkosmos als weerspiegeling van de macrokosmos. Als je er midden in zit zie je het veel minder goed. Maar het hele leven is denk ik een weerspiegeling in kortere tijd van de grootse dingen die zich op lichtjaren afstand afspelen. Een eeuw aards bestaan is als miljoen jaren eeuwigheid. Als we die geheimzinnige dwergsterrenstelsels beter begrijpen dan snappen we misschien ook wat meer van onze buren.

Geplaatst in Astronomie, filosofie | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Sequentia, muziek van de vroege middeleeuwen

Een ensemble dat zich al vroeg intensief ging bezig houden met met het interpreteren van heel oude Middeleeuwse muziek is “Sequentia”. Dit ensemble werd in 1977 opgericht door Benjamin Bagby en Barbara Thornton. De laatste overleed helaas al in 1998, maar Benjamin Bagby is nog steeds de bezielende leider. Dat hij dat doet met veel overtuigingskracht zagen we gisteren bij een concert in het kader van het festival Oude Muziek. We zaten in Cloud nine, een zaaltje in de nok van Tivoli Vredenburg. Dat het ensemble na bijna 35 jaar nog steeds bestaat is vast en zeker te danken aan deze Benjamin Bagby. Hij schijnt ook veel cursussen te geven.

Maar ook de andere muzikanten mochten er wezen, waarbij met name zangeres Hanna Marti (rechts op de foto), die ook harp speelde, me erg aansprak. Wat een prachtige en natuurlijke stem, en wat een vanzelfsprekendheid waarmee ze alles overbracht!

Het was erg fijn dat de vertaling van de gezongen teksten op de achtergond werd geprojecteerd, je kon zo alles moeiteloos in de verder verduisterde ruimte volgen. Afgezien van de muziek, die los van de tekst al prachtig was, voelde je vooral ook door deze tekst de geschiedenis een stukje dichterbij komen. De tijd van de vroege middeleeuwen, een tijd die me al jaren fascineert. Bezweringen, toverformules, slavernij, vrouwen die proberen onder het juk van de mannenmaatschappij uit te komen. Ik had associaties met allerlei dingen. Met de waarschuwende kapitelen in Romaanse kerken, met de visioenen van Hildegard von Bingen, met een beeldje van de god Bes dat ik op een tentoonstelling enkele jaren geleden zag, een god die je huis moest beschermen.  En met een artikel dat ik schreef over remedies tegen ziekten en andere medische aandoeningen. We waren die middag even in een heel andere wereld. Het was een heerlijk en inspirerend concert.

Dit was het programma:

Oudhoogduitse ‘Merseburger toverspreuken’ 10de eeuw

  • Eiris sazun Idisi, sazun hera duoder
  • Phol ende Wuodan vuorum zi holza
  • Angelsaksisch raadse: Biþ foldan dæl

Angelsaksische elegie

  • Welund him be wurman wræces cunnade (‘Deor’)

Bezweringen om een huis te zegenen en een zwerm bijen te beheersen

  • Wola, wiht, taz tu weist (Oudhoogduitse ‘Züricher huiszegen’)
  • Fo ic under fot, funde ic hit (Angelsaksische bezwering ‘voor een zwerm bijen’)
  • Kirst, imbi ist hucze! (Oudhoogduitse ‘Lorscher Bienensegen’)

Instrumentaal.

  • In modo Magni (gebaseerd op ‘Saint Magnus hymn’, Orkney)

Angelsaksische raadsels voor geleerden

  • Ic seah wrætlice
  • Moððe word fræt

Angelsaksische elegie:

  • Ic þis giedd wrece bi me ful geomorre (‘The wife’s lament’) (uit: Exeter Book, 10de eeuw)

Bezweringen om van wormen en stekende pijn te genezen

  • Gang uz, nesso (Oudhoogduitse bezwering tegen wormen)
  • Hlude wæren hy, la, hlude (Angelsaksische bezwering tegen stekende pijn)

Instrumentaal 9de eeuw:

  • Stans a longe

Angelsaksische raadsels in de keuken en slaapkamer

  • Ic on wincle gefrægn
  • Ic eom wunderlicu with
  • Hyse cwom gangan

Angelsaksische elegie

  • Leodum is minum swylce him mon lac gife (‘Wulf and Eadwacer’)

Bezweringen om het bloeden te stoppen en ter bescherming tegen vergiftiging

  • Tumbo saz in berke (‘Straatsburgse Tumbo-bezwering tegen het bloeden’)
  • Christ unde Johan giengon zuo der Jordan (‘De Jordanese bloedneusbezwering’)
  • Wyrm com snican (Angelsaksische ‘negenkruidenbezwering’ tegen vergiftigingen)
  • Genzan unde Jordan keikan sament sozzen (‘Straatsburgse bloedbezwering’)

Twee elegieën

  • Old Icelandic Grottasöngr
  • Nú erum komnar til konungs húsa (‘Het molenlied van Frodi’s slavinnen’)

Hanna Marti zang, harp, Stef Conner zang, Norbert Rodenkirchen fluiten, harp.Benjamin Bagby zang, Angelsaksische harp en muzikale leiding

Ook op Youtube kun je muziek van hen terug horen:

Geplaatst in Geschiedenis, muziek, recensie | Tags: , , , | 1 reactie

Behandeling van zieken op het platteland in de zeventiende en achttiende eeuw

Over het verzorgen van zieken en over het vak van chirurgijn in de steden, in de periode voor 1800, weten we vrij veel. Veel minder bekend is hoe het er op het platteland aan toe ging. Ik heb wat dingen achterhaald van Swalmen, een dorp net ten noorden van Roermond en inmiddels onderdeel van die stad. In 1636 woonden daar een aantal melaatsen (lepralijders), die gingen bedelen in Roermond. De magistraat van Roermond verordonneerde dat elk dorp zijn eigen melaatsen diende te onderhouden. Pestlijders en melaatsen werden zo snel mogelijk geïsoleerd. In de stad waren ze dan aangewezen op de verzorging door kloosterlingen. Vooral de Capucijners in Maastricht waren altijd erg welwillend, zelfs zo, dat op een gegeven moment alle Capucijner paters en broeders van het klooster van Maastricht zelf aan de ziekte waren bezweken. Op het Antoniuseiland in de Maas bij Maastricht verzorgden de Antonieten zieken die leden aan het zogenaamde antoniusvuur, ook een besmettelijke ziekte. In Roermond was er een verordening dat aan de huizen waar pestlijders woonden, een blik moest worden vastgespijkerd en verder werden er pestdrankjes gemaakt en kaarsen aangestoken bij de kerk van de Jezuïeten ter ere van de H. Ignatius, die bekend stond als pestheilige. Een andere veel voorkomende, besmettelijke ziekte was dysenterie, die geregeld de kop op stak. Men dacht dat deze ziekte veroorzaakt werd door het eten van bepaalde groenten en fruit, vooral door het eten van witte kool, witte duiven en witte pruimen. Als de ziekte de kop op stak kwam er onmiddellijk een verbod in de handel van deze levensmiddelen. Wanneer er in de 18e eeuw in een jaar meer mensen stierven dan normaal, kwam dat vaak doordat er weer een epidemie was uitgebroken. In Swalmen zien we dat in het najaar van 1702, toen veel mensen stierven aan dysenterie

Maar begrafenisregisters blijven slechts kleine en beperkte informatiebronnen. Soms kom je bij je speurtocht door archieven toch nog onverwachte dingen tegen. In de Kroniek voor Beesel, Belfeld en Swalmen van Loe Giesen kun je een rekening vinden van een dokter uit Roermond die in 1795 een aantal zieken in Swalmen had bezocht en medicijnen had voorgeschreven of aderlatingen had toegepast. Dat laatste was een veel voorkomende methode om iemand beter te maken: Er werd een snee gemaakt en men liet bij de patiënt een deel van het bloed weglopen. In dat bloed zou de basis van de ziekte zitten. Dat was heel normaal in die tijd. In Wenen had de componist Ludwig van Beethoven in dezelfde tijd ook regelmatig doktersbezoek en kreeg daarbij dan een aderlating. Op 20 maart werd in Swalmen “op de Heid” Reiner Börskens behandeld vanwege een bevroren voet, de dag er na werd hij opnieuw verbonden. De dokter kwam dus een dag later terug vanuit Roermond en waarschijnlijk onder barre omstandigheden (zijn patiënt had immers een bevroren voet…) Op 14, 15 en 16 mei werd de weduwe van Joan Crin (Joannes Crijns) bezocht. De betreffende dokter was Jo Wildt, chirurgijn te Roermond, afkomstig uit Erkelenz.* Swalmen werd door hem gemiddeld drie keer per week bezocht en dan ging het meestal om het bezoek aan een of slechts enkele zieken. In de betreffende periode (tussen 17 maart en 21 mei 1795) kwam hij in totaal 18 keer in Swalmen. Een aderlating door hem gedaan kostte toen 4 stuiver. De totale kosten, inclusief behandelingen en recepten over deze hele periode, bedroegen 8 pattacon, 7 schelling, 8 stuiver, ongeveer 20 gulden. Waarom maakte chirurgijn Wildt een dergelijke totaalrekening over twee maanden van patiënten in Swalmen? Werden deze patiënten wellicht op kosten van de armenkas betaald en ging de rekening naar “de gemeente”? Er was al eeuwenlang een armenkas. Het zou heel interessant zijn om een verantwoording van de uitgaven te zien om een nog beter beeld te krijgen van bijvoorbeeld de ziekenzorg. Behalve verbinden en aderlaten staat op de rekening: “vanwege het verstrekken van medicijnen”. Welke medicijnen dat zijn staat er jammer genoeg niet bij.

Op internet is in Google books een prachtige uitgave te vinden van “d’n nieuwen Herbarius van Leonhardt Fuchs” **, oorspronkelijk in het Latijn geschreven, maar daarna al snel in het Frans, Duits en ook Nederlands vertaald. (1543.) Honderden kruiden zijn getekend en uitgebreid beschreven, ook wat je er mee kunt doen. Waren dokters in Roermond en omgeving ook bekend met dergelijke boeken?

In 2006 bezocht ik het Regionaal Historisch Centrum Limburg in Maastricht en vond in een oud archiefstuk op enkele blaadjes opeens heel andere, dan de gebruikelijke dingen. Er stonden daar enkele recepten, of liever gezegd: Remedies tegen allerlei kwaaltjes. Nieuwsgierig geworden maakte ik foto’s van deze archiefstukken, zonder op te schrijven in welk archiefstuk de “remedies” stonden. Onlangs probeerde ik de bron terug te vinden. Ik had wel als aantekening gemaakt dat het om 1698 ging. Veel archiefstukken die ik indertijd bestudeerde kunnen inmiddels niet meer bekeken worden omdat ze te kwetsbaar zijn. De exacte bron is dus op dit moment bij mij niet bekend, maar omdat ik indertijd vooral met diverse schepenarchiefstukken van Swalmen bezig was, vermoed ik dat het daar ergens te vinden moet zijn. Maar nu m.b.t. de stukken zelf: had Swalmen zo zijn eigen kruidenwijsheid? Wie zou dat opgeschreven hebben? Het handschrift is vluchtig, hanepoterig, vaak nauwelijks of zelfs niet te ontcijferen, soms ook weer wat netter. Maar de inhoud is interessant. Bijvoorbeeld nierstenen werden behandeld met een mengsel van vlierbessenzaad en jeneverbessenpuree, gemengd met azijn. In het boek van Fuchs was het eten van vijgen het recept voor nierstenen. Met vlierbessensap kan men volgens hem het haar zwart verven en vlierbessenwijn is goed voor het hart, de wortels zijn waterafdrijvend. Maar het zaad wordt niet beschreven. In Swalmen kon je daar dus ook nog wat mee doen. Zo hadden ze hier ook nog de methode om een duif te martelen en daarmee kinderstuipen te verhelpen, dat soort dingen staat uiteraard niet in het herbarium van Fuchs. Natuurlijk werkte het, want kinderstuipen gaan meestal vanzelf na enkele minuten weer over… Hieronder een transcriptie van het handschrift met de “remedies”

Remedie voor een Catharre te genesen ofte beghingen vom (?)den kancker

Kook het mengsel van een kom azijn, oude boter en oud bier en klein gesneden rode kool. Dik het in tot een pap en leg de pap tussen twee doeken. Leg dit warm op de buik van de zieke en hij zal genezen.

Remedie om de stuippen ofte boysinghen (?) der kinderen te gheneesen.

Neem een levende duif en ontdoe hem bij de stuit van zijn veren, steek de stuit in de kont (achterwerk), de duif zal zwart worden en sterven. Als het nog niet geholpen heeft, herhaal dit en het kind zal snel genezen.

Remedie voor het graneel.

Neem een vingerhoedje van het zaad van de witte vlier en vermeng het met enkele jeneverbessen. Het zaad moet geoogst worden tussen Kerstmis (25 december) en Maria Lichtmis (2 februari) en in een vijzel gestampt worden op de juiste manier.
(Graneel: nier- of galstenen)

Remedie voor de Sinnecortsen.

Kook gedurende 24 uur een pot wijn met Amelis en Caerbenedictus bladeren, laat stevig indikken. Neem zowel ’s ochtends, ’s middags als ’s avonds een klein kopje hiervan.

Met sinnecortsen worden opvliegers bedoeld. In het recept staan enkele ingrediënten waarvan niet gelijk duidelijk is wat daar mee wordt bedoeld. Amelisbladeren zijn waarschijnlijk bladeren van het krentenboompje (amelanchier). Dit boompje komt vaak verwilderd voor, het is inheems in Midden-Europa. Caerbenedictus bladeren zijn waarschijnlijk de bladeren van de gezegende distel, ook wel benedictuskruid (Cnicus Benedictus) genoemd. In de flora van Heimans en Thijsse staat dat het in de geneeskunde werd gebruikt en is ingevoerd vanuit Zuid-Europa. De bladeren hebben fijne stekels, het omwindsel heeft zeer lange bruine stekels en is met fijne haren bezet. De plant lijkt op de melkdistel. Caer Benedictus: Caer doet me denken aan kaarden, zoals dat gebeurde met de kaardenbol. Je kon dus waarschijnlijk met de stekels van deze plant ook wol kaarden, vandaar: Caer Benedictus!

Remedie voor de pleuris.

Meng een handvol ijs, eiwit en voor twee stuiver kamille-olie door elkaar, leg het tussen twee doeken die je op je zijde legt en je zult snel genezen.

Wikipedia: Pleuritis (in de volksmond ook wel pleuris) is een ontsteking aan het borstvlies rondom de longen en aan de binnenkant van de thorax, de pleura. Dit kan door een virus of een bacteriële infectie komen of door directe irritatie van de pleura.

Remedie voor tandpijn.

Week in wat water een bos bladeren en een ons kleine “witte wasche bollekens”. Kook het goedje en voer het via een hete tang door een trechter, die gericht is op de pijnlijke tand. De patiënt dient zijn adem in te houden zo lang als hij dat kan. Dit blijven herhalen tot de tand genezen is en alle rottigheid uit de tand is verdwenen.

Toelichting: Witte wasche bollekens zijn waarschijnlijk de bessen van de sneeuwbes, een struik die tot de kamperfoeliefamilie behoort. Het is een stinzeplant. De bessen bevatten saponine. Wanneer saponinen worden geïnjecteerd in de bloedbaan zijn ze giftig. Ze lossen dan lecithine in het membraan van rode bloedcellen op, waardoor de rode bloedcel uit elkaar valt en de inhoud ervan (o.a. hemoglobine) oplost in de omringende vloeistof (wikipedia). Omdat het een zeepachtige structuur heeft zal het goed toegediend kunnen worden. Het woord “wasche” slaat waarschijnlijk op het feit dat deze bolletjes vanwege hun mogelijkheid tot zeepvorming ook als wasmiddel werden gebruikt. Het is niet onwaarschijnlijk dat op een goede manier gebruikt de patiënt inderdaad baat had bij de behandeling vanwege het reinigen en toxisch behandelen van het ontstoken deel van de mond.

Voor de loop

Neemt een vers eije ende een ejer schale vol water ende dat onder een geklopt en inghenoomen.

Een eenvoudig middel tegen buikloop of diarree dus

Een bonte verzameling van remedies, van duidelijk kwakzalverij (het martelen van een duif) tot middelen die eigenlijk wel eens geholpen zouden kunnen hebben. Een klein tipje van de sluier van het gewone leven van onze voorouders wordt zo opgelicht.

* De betreffende rekening is in het Hoogduits opgesteld. In het trouwregister van pastoor Vandensteenwegh van Roermond lezen we dat Josephus Wildt op 24 april 1781 in Roermond komt wonen met als beroep chirurgijn: Roermond 1781 aprilis, die 24ta præviæ dispensatione in bannis matrimonium coram me infra scipto in ecclesia nostracontraxerunt Josephus Wildt origine et domicilio Ercliniensis chirurgus de consensu pastoris sui et Antonetta Hermans origine Sittardiensis et domicilio parochiana mea sui juris testes fuerunt Sibertus op de Graef cælebs scriniarius, Elisabeth Lemmens, Corneliæ Green, Christina Wildt omnes cælibes et parochiani quod attestor A. Van den steenwegh pastor Ruræmund[en]sis(De meesten van onze lezers kennen geen Latijn)
Pas 8 augustus 1793 wordt hij als burger opgenomen in het burgerboek, wederom met als beroep chirurgijn.

** Leonhart Fuchs of Fuchsius (1501-1566) was een Duitse plantkundige en arts. Hij leefde in dezelfde tijd als Luther, door wie hij van geloof veranderde. Op twaalfjarige leeftijd ging hij al naar de universiteit en op zijn zeventiende gaf hij les op een privé-school in Grieks en Latijn, medicijnen en plantkunde. Toen hij 25 jaar was, werd hij professor aan de universiteit van Ingolstadt. Het kruidboek van Fuchs bevat bijzonder fraaie afbeeldingen. De eerste uitgave is in het Latijn. In 1542 verscheen ook nog een Franse vertaling, een jaar later kwamen de Duitse vertaling, New kreütterbuch, en een Nederlandse vertaling, Den nieuwen Herbarius, uit. Het boek bestaat uit 556 bladzijden en bevat 517 afbeeldingen. Het heeft drie registers, een met de naam van de plant in de plaatselijke taal, en met de naam in het Grieks of Latijn, en een met de namen van de te behandelen kwalen. Het plantengeslacht Fuchsia is vernoemd naar Fuchs. ). De Nederlandse vertaling is gedrukt in Basel. (books.google.nl/books?id=fQNBAAAAcAAJ).

Bovenstaand artikel van mijn hand is eerder geplaatst in een jaarboek van de heemkundevereniging van Swalmen Reuver en Belfeld.

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Orgelfeest

Vier jaar geleden schreef ik voor het eerst een stukje over mijn oudste kleinzoon. Ik heb besloten dat het stukje dat ik nu schrijf in ieder geval voorlopig mijn laatste stukje zal zijn. Hij is inmiddels acht jaar en ik lees samen met hem als hij er is altijd de krant. Zo wil ik niet meer iets óver hem schrijven, hooguit samen mét hem.

Vandaag is zijn school weer begonnen en zo meteen ga ik hem afhalen en hem vanmiddag weer een keer helpen met de opgaven van zijn orgeldocent. Het lezen van het notenschrift is nog steeds een grote ramp. Net als indertijd toen we hem tijdens de twee lockdowns hielpen met rekenen slaakt hij ook nu meestal diepe zuchten en gaapt luidruchtig als hij zich over dat notenbeeld buigt. Zijn docent geeft hem veel minder op dan dat hij in het begin deed en doet tijdens de les allerlei leuke dingen met hem. Zo geeft hij hem tips hoe hij kan improviseren vanuit een enkel motiefje, door het voor te doen. Ook doet hij vraag- en antwoordspelletjes. Of hij laat hem zingen.
-‘Zing eens een kleine terts?’
Dat doet hij moeiteloos.
-‘En een kleine terts daarboven op?’
Even nadenken en ook dat gaat goed. De docent speelt het nu ontstane akkoord.
-‘Dat is een verminderde drieklank’, zegt mijn kleinzoon.
Er worden nog drie tertsen een voor een door hem er boven opgestapeld. Ook dat gaat moeiteloos. Terzijde herkent hij er een verminderd septiemakkoord in. Dan vraagt de docent of hij het ook achterste voren kan zingen. Dat lukt, bij de een na laatste terts blijft hij steken en weet het even niet meer. Uit mijn eigen ervaring weet ik dat de gemiddelde conservatoriumstudent dit pas lukt na intensief oefenen…
Maar we gaan desondanks ook door met van blad spelen.

De fascinatie voor orgels en organisten is een tijdlang helemaal weg geweest. Enkele weken lang waren het treinen, toen brandweerauto’s, vervolgens ambulances en nog iets later ziekenhuizen. Ons hele huis was één groot ziekenhuis met overal pijltjes naar de eerste hulp, de OK, de fysio. Bij de balie zat een pop die je als je binnen kwam je wegwijs maakte. Tegenwoordig maakt hij voortdurend vlogs met mijn telefoon of met die van zijn moeder. Zo heeft hij meerdere vlogs gemaakt over dat ziekenhuis. Enkele weken geleden zag hij filmpjes van de stuntman Jacky Chan. Dat ging hij naspelen, met poppen en knuffelbeesten die de meest rare toeren uithaalden. Als hij in de speeltuin was rende hij zich suf van het ene toestel naar het andere en was intussen Jacky Chan. Zijn moeder verwachtte afgelopen zomer dat hij met orgelles zou gaan stoppen, want hij speelde er nooit meer op.

Maar hij mocht een concert verzorgen van een half uur in de Laurenskerk van Rotterdam. Daar staat het grootste orgel van Nederland! Hij maakte een programma bestaande uit drie stukken en een vrije improvisatie. Na een kwartier was hij klaar. De registrant vertelde dat hij nog tijd over had. Toen speelde hij nog een stuk van Louis Vierne dat hij enkele dagen eerder op Youtube gezien en gehoord had, gespeeld door zijn docent. Natuurlijk speelt hij niet de noten van Louis Vierne. Het is een moeilijk stuk. Hij heeft het stuk van A tot Z in zijn hoofd en speelt het, hij reduceert het tot dat wat hij kan spelen. En er klinkt muziek! Er was nog steeds tijd. Hij besloot om nog een vrije improvisatie te doen, maar nu opgebouwd van zacht tot hard. Uiteraard met alle manualen en met het pedaal. De professionele registrant dacht mee en registreerde mee en samen maakten ze het tot een feest, bij het slotakkoord klonk in het pedaal een zware 32-voet. “Waw!” Mijn kleinzoon was helemaal in zijn nopjes.

Sindsdien is hij weer met orgels, kerken maar ook carillons bezig. Toen we naar de orgelles liepen afgelopen woensdag liepen we over de markt van Gouda, waar net het carillon van het stadhuis sloeg en hij zag ook weer de poppetjes tevoorschijn komen en weer verdwijnen. Samen bleven we staan kijken. Gisteren heeft hij een aantal vlogs gemaakt in zijn eigen huis. Op eentje liet hij vanuit zijn kamer op de vensterbank een boek langzaam opengaan, dat daar rechtop stond. Vervolgens speelde hij op zijn keyboard het deuntje van het carillon van het stadhuis van Gouda, Daarna liep hij weer naar de vensterbank en liet hij het boek langzaam dicht gaan: de poppetjes waren weer verdwenen. Zijn moeder stond buiten en heeft het gefilmd.

In een ander vlog speelde hij dat hij de carillonspeler Boudewijn Zwart was. Die heeft een baard, dus mijn kleinzoon mat zich ook een baard aan door middel van een rode lap. Hij speelde met zijn vuisten op het keyboard het eerste deel van de vijfde symfonie van Beethoven. Het was nog niet afgelopen (na 11 minuten) toen blijkbaar de camera uitviel.

En zo hoorde hij slechts één keer (misschien twee of drie keer, ik weet het niet, maar vaker zeker niet) de organist van de Notre Dame van Parijs improviseren op de Marseillaise. Dat ging hij dus ook doen.

Ik kan zo nog een tijdje doorgaan. Bij dit alles staat voortdurend centraal dat hij niet muziek maakt, maar dat hij in een rol zit. Zo ís hij organist van de Notre Dame, zo ís hij Boudewijn Zwart, zo ís hij Jacky Chan. Hij speelt alles na  maar betrekt zijn hele omgeving in dat spel. Hij ziet iets en dat krijgt een functie daarin. En echte orgels, ach, je kunt ook met blokken een orgel maken en dan je organistenrol spelen en de orgelmuziek die erbij hoort intussen zingen. Elke blok is een manuaal, zo heb je al snel een groot orgel. Je kunt de afstandsbediening van de TV er naast leggen. Het blijkt dat je vanuit het orgel een scherm kunt bedienen. (In de St. Jan is ook een scherm waarop je de organist vanuit de kerk kunt zien..)

Mijn oudste kleinzoon is een unieke persoonlijkheid die tegelijk boordevol talenten zit, op meerdere terreinen. Hij is daarnaast zeer innemend en meestal vrolijk. Zijn kwalen, die vooral te maken hebben met zijn autisme, maken dat hij daarnaast ook heel bang, en zelfs agressief kan zijn. Hij is een jongen om van te houden. Maar tegelijk is hij nog steeds o zo kwetsbaar. Ik ben dankbaar dat ik deel uitmaak van zijn leven en hoop dat nog jaren te kunnen blijven doen.

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: , , | 2 reacties

De Kampina

Een dag wandelen in het natuurreservaat de Kampina is zeer aangenaam in deze tijd van het jaar. Natuurlijk zie je veel bloeiende struikheide, hier en daar ook dopheide en samen met deze plant zie je dan altijd ook Tormentil, een lid van de rozenfamilie maar die anders dan bijvoorbeeld Zilverschoon of Vijfvingerkruid slechts vier kroonblaadjes heeft. Maar daarnaast zagen we ook Zonnedauw en tot mijn grote verrassing op meerdere plaatsen Klokjesgentianen, soms zelfs in groten getale. Als achtergrondmuziek hoor je een fragment van het eerste deel van het vioolconcert van Alban Berg.

Op een site van Natuurmonumenten lezen we nog de volgende informatie:

De Kampina in Brabant is terug gebracht tot zoals het ooit was. Je vindt hier nog natte heide met vennen, geurende gagelstruwelen, beemden, loofbossen en blauwgraslanden. We veranderen de monotone dennenbossen langzaam maar zeker in een veel gevarieerder leefgebied voor dieren, planten en paddenstoelen. Een mooi succes is de terugkeer van de das. Sinds 2016 voelt die zich hier weer helemaal thuis.

De Kampina telt tientallen vennen, net als de nabijgelegen Oisterwijkse Bossen en Vennen. De meeste vennen ontstonden in de laatste ijstijd. De poolwind blies het zand tot heuveltjes en in de uitgestoven laagtes die zo ontstonden bleef het regenwater staan. Door de onderliggende leemlaag liep dat water niet weg. Het Belversven en het Winkelsven zijn weer op een andere manier ontstaan. Dit zijn restanten van het smeltwaterdal van de Beerze, een beek die nu veel meer naar het oosten loopt.

Omstreeks 1400 was de Kampina een grote zandverstuiving, te vergelijken met de Loonse en Drunense Duinen. De mensen hadden alle bomen gekapt, waardoor de onderliggende zandlaag ging stuiven. Dat groeide in de loop van de tijd weer dicht met heide, waarop de boeren uit de omgeving eeuwenlang hun schapen en ander vee lieten grazen. Om die heide te behouden, laten we er nu kuddes runderen en paarden grazen. Die zorgen ervoor dat jonge boompjes en grassen geen kans krijgen om de heide te verdringen.

Er is nog een derde soort ven: de Huisvennen. Deze vennen ontstonden op plekken waar vroeger turf werd gestoken. Dat was de brandstof om huizen te verwarmen. Vanaf 1379 werd de turf al gewonnen en via boten over de Kleine Aa naar Boxtel en Den Bosch gebracht. Begin twintigste eeuw verstookten ze in de Boxtelse elektriciteitscentrale nog steeds turf uit de Huisvennen.

Balsvoort
Omgeven door woeste heide, bewerkten boerenfamilies eeuwenlang hun akkertjes op Balsvoort. Van deze middeleeuwse boerenenclave was tot 2015 nog maar weinig over. Natuurmonumenten heeft het oude landschap weer nieuw leven ingeblazen door akkers, poelen, weilanden en houtwallen te herstellen. De contouren van de boerderijen zijn weer zichtbaar en in de nazomer kun je tijdens je wandeling een appel of pruim plukken in de boomgaard.

Dal van de Beerze
De Kampina telt meerdere prachtige wandelroutes. De groene route voert je door het Dal van de Beerze. Op de overstromingsvlakte kun je veel vogels spotten, zoals de grote zilverreiger, de smient, de karekiet en heel soms zelfs de zwarte ooievaar. Via de kronkelende loop van de Beerze kom je bij de Spoordonkse watermolen, die dateert uit 1453. Net voor de molen ligt een vistrap met veertien treden. Die zorgt ervoor dat vissen zoals de kopvoorn en stekelbaars tegen de stroming in terug kunnen zwemmen naar hun paaigebied.

Het Dal van de Beerze wordt nog mooier. De komende jaren gaat Natuurmonumenten, samen met het waterschap De Dommel, het beekdal verder herstellen. Het beekwater mag dan weer buiten zijn oevers treden en de beemden, graslandjes naast de beek, overstromen. De natuur zal floreren in dit natuurlijke beeksysteem.

Geplaatst in natuur | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Dorpjes in de Gers in Frankrijk

Kaartje met de beschreven dorpen

Een week bij familie in Zuid-Frankrijk met niet al te warm weer leende zich voor het bezoeken van een aantal dorpen en steden, in sommige waren we nog niet eerder geweest. De streek was in de Middeleeuwen belangrijk vanwege twee van de belangrijkste pelgrimsroutes naar het graf van de heilige Jacobus in Compostella. Dat er nog steeds een aantal pelgrims gebruik maken van die routes zagen we in Fleurance, maar verder merk je daar weinig van. De steden Fleurance en Lectoure laat ik in dit blog voor wat ze zijn, alleen de dorpjes komen aan bod. Op het kaartje kun je zien waar we allemaal geweest zijn. Ik zal van elk van de plaatsen 1-9  enkele foto’s laten zien en er iets meer over vertellen.

1 Grenade

Op de heenweg kwamen we door Grenade, dat overigens nog net bij het departement Haut-Garonne hoort. Een mooi plaatsje met een oude kerk gewijd aan Notre-Dame-de-l’Assomption. De kerk heeft een achthoekige klokkentoren, kenmerkend voor de stijl van de omgeving van Toulouse. Deze kerk die geclassificeerd is als historisch monument, biedt een prachtig voorbeeld van de gotische architectuur van het zuidwesten van Frankrijk. Het werd in de 13e eeuw gebouwd in opdracht van de cisterciënzerabdij van Grandselve en herbergt een collectie schilderijen gemaakt door grote meesters van Toulouse uit de 17e en 18e eeuw. Ook het altaar dateert nog uit de baroktijd. Heel opmerkelijk is het orgel van Cavaillé-Coll, dat dateert uit 1861. Ik heb een kleine opname kunnen maken, een organist was toen wij de kerk binnen kwamen net aan het oefenen.

2 Lombez

Over dit stadje schreef ik al eerder een meer uitgebreid artikel
Lombez hoorde bij een van de pelgrimroutes.  Het zal er toen relatief druk zijn geweest, maar ook nu is de doorgaande weg die aan de rand van het oude stadje loopt nog vrij druk. Maar in het historische centrum merk je daar niks van. In de veertiende eeuw werd er een nieuwe kerk gebouwd en werd Lombez een bisschopsstad. De Italiaanse dichter Petrarca, bevriend met de nieuw benoemde bisschop, verbleef er een hele zomer en had er een heerlijke tijd. Er zijn nog 50 koorbanken die gemaakt zijn tussen 1661 en 1665. Van een groep stenen beelden uit de vijftiende eeuw resteert alleen een Christusbeeld. Er zijn ook nog een aantal glas-in-lood-ramen van rond 1500, gemaakt door Arnaud de Moles, die ook de beroemde glazen in de kathedraal van Auch vervaardigde. Op de bijgevoegde afbeelding van een van de vensters zien we de vlucht naar Egypte. Er staat ook een gerestaureerd barokorgel.  Het is gebouwd tussen 1653 en 1656 door Jacques Trenolieres en is ruim een eeuw later vergroot door Guillaume Montarus.

3 Saint Élix d’Astarac

Enkele  kilometers buiten dit dorp woont mijn zwager. Eens per uur komt er misschien een auto langs. Een heerlijk plekje!

4 Simorre

Over Simorre schreef ik al eerder een meer uitgebreid artikel.
Ook Simorre werd door pelgrims bezocht. Als gevolg van een grote brand in het jaar 1141 werd de nederzetting, die eerst vlak bij de rivier de Gimone lag,  volledig verwoest. In de nabijheid stond al sinds de zesde eeuw een abdij. Rondom deze abdij werd Simorre na de brand weer opgebouwd, waarna het in het jaar 1268 stadsrechten kreeg. De huidige versterkte kerk, gewijd aan Maria, herinnert nog aan deze oude abdij, hij werd namelijk op dezelfde plaats gebouwd in 1298. Hij ziet er indrukwekkend uit, maar dat is vooral te danken aan de restauratie door Violet-Le-Duc, die in de negentiende eeuw de kerk het huidige uiterlijk heeft gegeven. Door de vele verbouwingen door de eeuwen heen zien we vier soorten steen. Opmerkelijk zijn de vele duivengaten in de muren.  Heel hoog (de kerk is vooral hoog!) kun je vier uit steen gehouwen dieren zien, die staan voor de vier evangelisten.  Ze zijn overigens behoorlijk toegetakeld. Het dorp is heel pittoresk door de vele vakwerkhuisjes.

5 Mondilhan

Mondilhan ligt heel hoog en je hebt er een mooi uitzicht. Op dat hoge punt is er een “Table d’Orientation.” Naast de kerk is een kerkhof met een enorm hoog kruis en een vuilnisbelt van opgeruimde grafmonumenten.

6 Boulogne-sur-Gesse

Een wat grotere plaats in het zuiden van de Gers. Op wikipedia lezen we: Boulogne-sur-Gesse is, zoals de naam al zegt, gelegen aan de rivier de Gesse. Ook stroomt de Gimone, die even ten noorden van het dorp over gaat in het stuwmeer Lac de la Gimone, langs het dorp. Opvallende plek in het dorp is de acht eeuwen oude met gietijzeren spanten overdekte markt. Ook de uit de 14e eeuw stammende, uit gele zandsteen gebouwde, kerk van Onze lieve vrouwe van Assumptie, met een carillon van 18 klokken is bezienswaardig.

6a Mont d’Astarac

Rond 920 maakte de graaf van Artagnac van deze plaats de hoofdstad van het gebied. Een oude stadspoort herinnert hier nog aan. Maar er was meer, eigenlijk was het hele dorp, maar vooral ook de kerk, de Église Saint Laurent,  voor ons een complete verrassing. Het koor maar ook enkele zijkapellen hadden vijftiende eeuwse muurschilderingen. Gerestaureerd en nog steeds erg beschadigd, maar toch: heel bijzonder. In het midden van het koor kon je zien hoe bij het laatste oordeel Petrus bij de hemelpoort staat om alle overledenen, die rechts uit de graven opstaan, te ontvangen. Opvallend is ook de vorm van het koor, bijna pentagonaal. Dat schijnt typisch te zijn voor de gotiek in deze streek. In dezelfde tijd dat de kerk werd gebouwd werden er ook opvallende beeldhouwwerken gemaakt. De kerk en ook het dorp waren helemaal uitgestorven, In de kerk was er ook iets van een WC…

8 Montaut-les-Creneaux

Kleine plaats met een stadspoort,  een kerk en een galerie. De hele plaats is mooi gerestaureerd en er zijn heel veel tuinen en parkachtige stukjes. Op enkele plaatsen zijn er mooie uitzichtpunten over de omgeving. Het was er bijna uitgestorven, er heerste een serene rust. Een restaurant, café of winkel was er niet, maar er waren overal bankjes waar je in de schaduw je boterhammetje op kon eten. Jammer genoeg was de Romaanse kerk gesloten. Achter bomen en een hek was een oud kasteel te ontwaren.

9 Lavardens

Een mooie hooggelegen plaats, waar het grote kasteel, dat je al vanaf de verte kon zien liggen, het centrale punt was. Dit kasteel was tegelijk een museum en dat trok deze dag veel bezoekers. Beneden waren er twee grote parkeerplaatsen en boven bij de ingang van het kasteel was er nog eentje. In deze kleine plaats zag ik drie restaurants en een kapper. De aartsengel Michael bewaakte de stad. Er bleek een Nederlandstalig boekje te zijn dat je bij de entrée mee kreeg dat handelde over de geschiedenis van het kasteel. Opvallend waren de mooie tegelvloeren op de eerste verdieping. Maar de tentoonstelling met vooral Japanse kunst (schilderijen, gravures, kimono’s en meer) besloegen alle zaaltjes en gangen van het kasteel. Heel onderhoudend, alhoewel daardoor de historische sfeer van het kasteel niet meer zo goed tot zijn recht kwam. Het kasteel was oorspronkelijk van de heren van Astarac maar werd later door de Franse koning geannexeerd. Na de revolutie is het steeds meer verwaarloosd, het was op een gegeven moment opgedeeld in twaalf appartementen, maar de eigenaars vertrokken omdat alles lekte. De verwaarlozing ging door tot men eind twintigste eeuw besloot om het kasteel te restaureren en de oude luister te herstellen.

Zie ook:

De kathedraal van Auch
Auch en Maastricht
Toulouse en de kerk van Saint Sernin
De sterrenhemel in Zuid-Frankrijk

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Muziek van Ciurlionis voor de natuur in de Alpen

Wat betekent een week in de Alpen voor mij? De Alpen hebben een aparte sfeer, een aparte geur, en er zijn zoveel prachtige bloemen. Hoe hoger je komt, hoe imposanter alles wordt, maar vooral ook hoe aantrekkelijker daar dan de begroeiing is. Er zijn daar zoveel verschillende soorten kruiden waar ook vlinders en andere insecten van genieten. En niet te vergeten de vogels of de bergmarmotten. Al deze dieren hebben hun eigen roep. Lekker stil op je rug liggen en al die geuren en geluiden over je heen laten komen, dat is wat mijn vrouw en ik weer een keer wilden. We bleven zoveel dagen als mogelijk, totdat het hoog in de Alpen te gevaarlijk werd. Er kwamen steeds meer regen- en onweersbuien. Toen de voorspellingen dusdanig slecht werden besloten we om onze tent af te breken. Maar het was weer even ouderwets genieten. Ik nam veel foto’s en maakte daar een diavoorstelling van, begeleid door muziek van de Litouwse componist Nicolaus Ҫiurlionis. Het lijkt op filmmuziek maar zo rond 1900 was het verschijnsel film nog niet uitgevonden. Ҫiurlionis dacht in kleuren en beelden, hij was immers ook schilder, en dat hoor je terug in de muziek. Ik vind deze beeldende klanken heel goed passen bij vooral ook de geuren van het Alpenlandschap.

De laatste keer in de bergen waren we in de Pyreneeën en dat is al weer drie jaar geleden. Ook toen maakte ik een diapresentatie met muziek erbij.

En meer over de muziek en de schilderijen van Ҫiurlionis vind je hier. In het stuk staan nog meer links naar andere aspecten van deze kunstenaar.

Geplaatst in muziek, natuur | Tags: , , , , | 2 reacties

Mondkapje

Zonder smartphone kom je nergens meer. Toen in het voorjaar evenementen werden georganiseerd kon je daar aan deel nemen mits je je eerst liet testen en mits er drie bijbehorende apps op je smartphone stonden. (DIGID, evenementen-app CLOSE en een mail-app waar de uitslag naar toe wordt gemaild die je dan via een link weer kunt plaatsen in CLOSE (met tussenkomst van de DIGID-app). Tegenwoordig heb je dan ook nog de coronacheck app. Om die te laten werken moet je de benodigde handelingen verrichten maar dan heb je ook wat.

Veel Nederlanders gaan traditiegetrouw in Duitsland op vakantie of gebruiken Duitsland als een tussenstop. Dat mag met een zeer recente negatieve test op zak of met een bewijs van volledige vaccinatie. Geen probleem dacht ik, ik ben geen digibeet dus mijn coronacheck app is in orde. Immers ik ben al vanaf half mei volledig gevaccineerd en dat staat daarin. Nee, nee, ho maar! Je moet je ook nog aanmelden bij het Robert Koch-Institut voor een verblijf in Duitsland. Namelijk omdat je Nederlander bent met code donkerrood. Je kunt kiezen uit wel twintig talen, ze hebben de formulieren in maten en soorten, van Turks, Japans, Spaans, Engels enz. Helaas, er is geen formulier in het Nederlands.

Wat heb je bij het invullen van dit Duitstalige formulier zoal nodig? Al je persoonsgegevens. Die weet ik uit mijn hoofd. Het exacte adres waar je heen gaat, inclusief Postleitzahl. Helaas, bij het adres dat ik heb gekregen via booking.com staat geen Postleitzahl. Dat kan ik opzoeken maar dan moet ik in mijn browser eerst een nieuw tabblad openen. Googelen naar het bewuste Postleitzahl. Hebbes. Dan de verdere gegevens. Op welke datum kom je aan? Even goed nadenken want daar vergis ik me vaak in. Gebeurd! Maar dan! Er moet een upload-baar bewijs komen dat je dan wel Nederlander bent maar desondanks redelijk ongevaarlijk bent. Heb je een coronacheck app? Helaas, de gegevens die daar in staan kunnen niet worden geüpload. Via google kun je uitzoeken hoe je toch aan iets uploadbaars kunt komen. Er kan wel iets worden uitgeprint, maar iets uploadbaars maken vanuit de coronacheck-app, dat kan om veiligheidsredenen niet. Maar ze vragen er om! In Nederland vinden ze dat blijkbaar onveilig maar in Duitsland móet het! Tja, ik ben niet zo makkelijk onder een hoedje te vangen. Ik print het bewijs uit, maak daar een scan van die ik vervolgens opsla als PDF: voilá! Alles is gereed. Ik vergat nog te vertellen dat er om veiligheidsredenen tot twee keer toe halverwege alle activiteiten een zes-cijferige code wordt gestuurd naar je mail die je, als er om wordt gevraagd, op de juiste plek moet invullen. Twee keer een andere wel te verstaan, dus niet per ongeluk de tweede keer die van de eerste keer invullen (wat ik dus deed…) PFFF. De formulieren vliegen door de cloud naar het Koch-Institut. Gelukt!

Vanuit je Duitse adres reis je vervolgens door naar Oostenrijk. Oostenrijk is niet gevaarlijk, je moet alleen als men er om vraagt je coronacheck-uitdraai laten zien. (Nee, niet je Coronacheck-app. In Oostenrijk kun je vrijwel nergens pinnen dus een QR-code lezen ho maar, dat al helemaal niet.) Maar vragen naar je schriftelijke vaccinatie-bewijs, dat doen ze daar graag, vooral ook bij horeca-gelegenheden.

Je gaat vanuit Oostenrijk terug naar Nederland, weer via een tussenstop in Duitsland. Mag dat? Hoe lang is het geleden dat je in dat uiterst gevaarlijke Nederland bent geweest? Tien dagen of minder? Dan ben je wellicht besmet net voordat je op vakantie ging. Je moet je reis aanmelden, engerd! En dat moet je nu doen vanuit Oostenrijk. Of je wacht nog enkele dagen, dan hoeft het niet, immers Oostenrijk zelf is niet gevaarlijk. Maar in mijn geval moest het wel, negen dagen vakantie is net een dag te kort. De hele procedure dus opnieuw. Shit, thuis deed ik het via mijn PC! Maar die heb ik niet bij me. Was iets te groot om mee te nemen en bovendien kampeerden we in Oostenrijk, zonder stroom. Op die PC thuis, daar staat dat klote up-loadbare bestand. Wat nu? Niet getreurd. Ik heb een inmiddels enigszins verfomfaaide schriftelijke uitdraai. Die ga ik fotograferen! Met mijn smartphone. Zo, dat is gelukt. Het ziet er wel niet uit. Het is niet alleen verfomfaaid maar naast het document zie je op de afbeelding ook nog wat plukjes gras van de camping. Ook daar weten we wat op. Op mijn smartphone (wat een handig ding is dat toch!) heb ik nog een foto-edit programma staan. En daar zit een functie “bijknippen” bij. Ik knip de foto bij zodat je alleen nog het document ziet staan, zonder gras. Ja, dat verfomfaaide, dat moeten ze maar voor lief nemen. Ik sla het op. Het vaccinatiebewijs staat nu als een foto op mijn smartphone en die foto die kan ik dus wel uploaden. Ik zie dat JPG als format gelukkig wordt geaccepteerd! Ik moet natuurlijk wel weer allerlei cijfercodes invullen die ik na diverse handelingen via mijn mail krijg toegestuurd. En natuurlijk had ik ook weer de DIGID-app op mijn smartphone nodig, ook zo handig joh! Wat heb ik daar al veel plezier van gehad. Klaar!

O nee, mijn vrouw moet ook nog. De hele procedure dus nog een keer…. En dan kunnen we met een gerust gevoel Duitsland in. Op de site wordt gezegd dat als je je hier niet aan houdt dat er dan er strenge boetes kunnen volgen.

Afgelopen maart, bij de musea, toegankelijk na het installeren van een batterij apps en na het ondergaan van een test, was het daar uitzonderlijk rustig. Het was ze tegen gevallen hoeveel mensen van die mogelijkheid gebruik hadden gemaakt. Op de Duitse snelweg zag je de laatste week veel en veel minder Nederlanders dan normaal tijdens een vakantieperiode.

Ik ben terug in Nederland. Bij de supermarkt waren alle winkelwagentjes weer beschikbaar, gewoon, als vanouds, met een muntje kon je er eentje loskoppelen. Er was ook een hele groep Duitsers aan het winkelen. Ze schuifelden op 20 cm afstand van al die besmettelijke Nederlanders. Hun reis was vast niet van te voren geüpload. Het ergste was: ze droegen niet eens een mondkapje.

Geplaatst in maatschappij | Tags: , , | 2 reacties

De berm langs de Lekdijk in juli

Het bermbeheer in de gemeente Krimpenerwaard waar ik woon is erg goed. Er wordt pas laat gemaaid en meestal wordt er ook een deel van de Lekdijk, het wat lagere deel, niet gemaaid. Dat levert elk jaar weer een kleurrijke en geurende bloemenpracht op. En er zijn veel insecten die hier van profiteren. Er zal binnenkort wel weer een keer gemaaid worden, maar in september is het er weer opnieuw mooi is mijn ervaring. Ik maakte afgelopen zondag vlakbij ons huis wat foto’s en zette er muziek van Ciurlionis bij.

Geplaatst in natuur | Tags: , , , | 1 reactie

Een verborgen Maastrichtse schat

Twee Byzantijnse kruisrelieken van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Maastricht

Het dubbelkruis van de OLV-kerk van Maastricht, nu in het bezit van het kapittel van Sint Pieter in Rome. Foto genomen in 1913

Hoe zijn twee uitzonderlijk kostbare relieken terecht gekomen in de OLV-kerk van Maastricht en daar uiteindelijk ook weer uit verdwenen? In 1939 heeft M. Thewissen er een proefschrift over geschreven. Veel was onduidelijk maar hij heeft zich als een terriër in het onderzoek gebeten en is nauwgezet blijven speuren. Het was een onderzoek dat zich richtte op de beschrijving van de objecten, hoe ze in Maastricht zijn gekomen en hoe ze uiteindelijk in Rome terecht kwamen. Veel archiefonderzoek en vergelijkende studies waren nodig. Er zijn enkele historische figuren die bij dit onderzoek in het verhaal een rol spelen. Zo hebben we Boudewijn van Vlaanderen die er indirect voor verantwoordelijk was dat zoveel Byzantijnse schatten in West-Europa terecht kwamen. En zo is er de Rooms-koning Filips van Zwaben die getrouwd was met een Byzantijnse prinses en die de adel voor zich probeerde te winnen door middel van schenkingen. Ik ga iets over beide heren vertellen en ik begin bij Filips van Zwaben.

Filips van Zwaben

Bij een relieklijst van de OLV-kerk van Maastricht uit 1582 staat op pagina LXXXII: “Den grootweerdich stuk van dat H. Cruys ons Heer Jezus met Arabisck gout ende dese Grieexse letteren overdect van den Keyser Philippus van Constantinopelen hier tot onser seer oude kercke gesonden.” Na uitvoerig onderzoek blijkt dat met de schenker bedoeld wordt Filips van Zwaben, die zowel Rooms-Duits keizer wilde worden maar zich ook al Byzantijns keizer noemde in zijn streven de twee Christelijke machtscentra weer bij elkaar te brengen. Ook in de in het Latijn opgestelde schenkingsbrief van 1204 noemt hij zich zelf “Philippus Constantinopolitanus Grecorum Imperator”. Wat was dit voor een man?

In 1197 stortte de heerschappij van de Hohenstaufen, die tot aan Sicilië reikte, in elkaar en creëerde een machtsvacuüm in het rijk ten noorden van de Alpen. In een rijk zonder geschreven grondwet en een minderjarige zoon Friedrich leidde dat tot twee koninklijke verkiezingen in 1198, wat resulteerde in de “Duitse” controverse om de troon: de twee gekozen koningen Filips van Zwaben uit de familie van de Staufen en de Welf (aanhanger van de paus) Otto van Braunschweig. In de jaren die volgden probeerden beide tegenstanders het conflict te winnen door middel van Europese en pauselijke steun, met behulp van geld en giften, door demonstratieve publieke optredens en rituelen, of met militaire en diplomatieke maatregelen. Filips kon steeds meer zijn rechten op het koningschap laten gelden. Maar op het hoogtepunt van zijn macht, niet lang voor hij naar alle waarschijnlijkheid tot Rooms-Duits keizer zou zijn gekroond, werd hij in 1208 vermoord.

Filips van Zwaben met de rijksinsignes, Miniatuur in de kroniek van Stift Weißenau, omstreeks 1250. Kantonsbibliotheek St. Gallen

Filips werd geboren als de jongste zoon van keizer Friedrich I (“Barbarossa”). Als kind was hij voorbestemd voor een godsdienstige carrière. Hij leerde lezen en leerde ook Latijn. Soms kreeg Filips ook les in het Premonstratenzer klooster van Adelberg. Van april 1189 tot juli 1193 was hij zelfs proost van het Akener Marienstift. Ondertussen ging Filip’s vader op kruistocht in 1189, maar verdronk in 1190 in de Saleph-rivier in het zuidoosten van Anatolië. Hij werd opgevolgd door Filips’ broer Heinrich VI. Om de betrekkingen met Byzantium te verbeteren, besloot deze keizer dat zijn jongste broer Filips moest trouwen met de Byzantijnse prinses Irene. Na de dood van zijn broer Konrad werd Filips in augustus/september 1196 beleend met het hertogdom Zwaben, vandaar dat hij sindsdien Filips van Zwaben wordt genoemd. Ook zijn grootouders waren trouwens al beleend met dat hertogdom en noemden zich dus eveneens van Zwaben. Het huwelijk met Irene vond waarschijnlijk plaats op Pinksteren 1197.

Kort daarna begon de Europese ellende. Niet veel later namelijk stierf zijn broer, de Rooms-Duitse keizer Hendrik VI. Dat was op 28 september 1197 in Messina.  
(In mijn artikel over Sybilla van Ancerra speelt deze keizer een niet zo fraaie rol. Ook bij de levensbeschrijving van Franciscus van Assisi in het boek van Adrian Dole komt hij er niet al te best vanaf.)
Er ontstond een machtsvacuüm. De aartsbisschop van Keulen, Adolf, begon medestanders rond zijn eigen koningskandidaat te verzamelen. Dat was Otto van Poitou (ook wel Otto van Braunschweig genoemd), de zoon van Hendrik de Leeuw en neef van de Engelse koning Richard Leeuwenhart. Dat maakte dat ook Filips zich officieel kandidaat stelde om de dynastie van de Staufen voort te kunnen zetten. Het zoontje van de vorige keizer Hendrik VI was pas 4 jaar oud. Op 8 maart 1198 werd Filips verkozen in aanwezigheid van veel adel in Mühlhausen. Maar alle drie de Rijnlandse aartsbisschoppen, die traditioneel een belangrijke ceremoniële installatie-handeling verrichtten, ontbraken bij de verkiezing. Daarentegen waren de insignes (keizerskroon, keizerlijk zwaard en keizerlijke bol)  in zijn bezit. De tegenstrever Otto werd pas op 9 juni 1198 in Keulen gekozen door de plaatselijke aartsbisschop, die de stemmen van de afwezige aartsbisschoppen had gekocht. Slechts twee andere bisschoppen en drie abten namen deel aan deze verkiezing. En deze Otto liet er geen gras over groeien. Al op 12 juli 1198 werd hij in de traditionele koningsstad Aken gekroond door bisschop Adolf van Keulen. Wat nu?

Het was gebruikelijk dat de aartsbisschop van Keulen de koning kroonde, dus Filips moest iemand anders zoeken. In de kathedraal van Mainz was het op 8 september 1198 de aartsbisschop van Bourgondië, Aimo von Tarentaise, die Filips eveneens tot koning kroonde. (De moeder van Philips was een dochter van de hertog van Bourgondie). Zo waren er nu twee koningen. Beide partijen verwachtten dat paus Innocentius III binnen afzienbare tijd een van hen zou erkennen. Rond de jaarwisseling 1200/01 onderwierp de paus de kandidaten voor de pauselijke keizerskroning aan een kritisch onderzoek. In de Deliberatio domni pape Innocentii super facto imperii de tribus electis zette de paus de redenen voor en tegen de geschiktheid van de respectievelijke kandidaten uiteen. In de ogen van Innocentius was Filips een zoon van een ras van vervolgers. Zijn vader Friedrich Barbarossa had jarenlang tegen de paus gevochten. De voorouders van Otto waren daarentegen altijd trouwe volgelingen van de kerk geweest. Dus besloot de paus in het voordeel van de welf Otto. Maar deze pauselijke keuze had geen grote invloed. Filips die nog steeds het grootste deel van de adel achter zich wist gaf zich niet zomaar gewonnen. Dus gingen beide heersers aan de slag om twijfelaars of tegenstanders voor zich te winnen. Dit gebeurde door ze te begunstigen met geschenken of door de overdracht van keizerlijke eigendommen.

In tegenstelling tot Otto kon Filips de prestaties van zijn trouwe volgelingen meestal goed honoreren. Zo wist hij ook een aantal welfen door middel van geschenken en beloningen aan zijn zijde te krijgen. Filips beloonde graaf Wilhelm von Jülich met waardevolle geschenken voor zijn uitgesproken wil om alle belangrijke aanhangers van Otto voor de Hohenstaufen te winnen. Otto daarentegen weigerde in het voorjaar van 1204 zijn broer, paltsgraaf Heinrich, de rechten van de stad Braunschweig te geven. Heinrich liep toen over naar de Staufer. Voor zijn wisselgeld werd de Palts door Filips aan hem teruggegeven. In november 1204 stapten ook de aartsbisschop van Keulen Adolf en Hendrik I van Brabant over naar de zijde van Filips in Koblenz. Hendrik van Brabant ontving als tegenprestatie de rechten van Maastricht en Duisburg. De aartsbisschop werd financieel rijkelijk beloond. De curie in Rome merkte ook de neergang van Otto in het rijk op. De koninklijke dagen van Otto leken geteld. In 1207/08 benaderde de paus Filips en waren de onderhandelingen over de kroning van hem als toekomstige keizer al aan de gang. 

Filips besloot om zijn tegenstrever fysiek uit te schakelen en bereidde een veldtocht voor. Maar eerst wilde hij nog het huwelijk van zijn nicht Beatrix van Bourgondië en hertog Otto VII van Merania op 21 juni in Bamberg bij wonen. Na de huwelijksplechtigheden trok hij zich even terug in zijn privé-appartementen. Daar werd hij opgewacht door Otto VIII von Wittelsbach en een aantal andere edelen. Ze vermoordden Filips koelbloedig en sloegen zelf daarna op de vlucht.

In Bamberg zien we als ornament van de kathedraal de zogenaamde Bambergse ruiter. Niemand weet met zekerheid wie hij voorstelt. Het zou hier heel goed kunnen gaan om Filips van Zwaben. Filips heeft omdat hij in 1208 in deze stad werd vermoord een buitengewoon dramatische band met Bamberg. Hij werd eerst begraven in deze kathedraal, die toen nog in opbouw was. Het graf bevond zich niet ver van de koorpilaar aan de westzijde waaraan later deze Bambergse ruiter werd bevestigd. Filips’ neef, de latere Rooms-Duitse keizer Friedrich II liet zijn oom in 1213 herbegraven in de kathedraal van Speyer. Sindsdien is er geen zichtbare herinnering meer aan Filips en de eerste moord op een Romeins-Duitse koning in de kathedraal van Bamberg – behalve dan misschien deze kathedraalruiter, die ongewapend op een paard troont. Ook het nieuwe graf in Speyer zier er net zo vreedzaam uit, zonder toevoeging van wapens. Hij ligt daar als de enige en jongste van de acht zonen naast zijn moeder, Beatrix van Bourgondië, en de plaats die is voorzien voor zijn vader, Friedrich I Barbarossa. De positionering van de ruiter van Bamberg tussen het portaal en het gewezen keizerlijke graf maakt het extra waarschijnlijk dat met de ruiter Filips bedoeld werd. De ruiter staat in dit portaal van de prins. In dit portaal lezen we de volgende psalmtekst, de zogenaamde poortliturgie (Ps 24), die staat voor de bedevaart naar Jeruzalem, maar in het Christendom ook aan het begin van het kerkelijk jaar (advent) zijn beslag kreeg:

Wie mag de berg van de Heer beklimmen,
wie mag op zijn heilige plaats staan?
Wie heeft zuivere handen en een zuiver hart…
Jullie poorten, sta op, sta op, jullie oude poorten;
want de Koning der heerlijkheid komt eraan

De ruiter zou daarom kunnen verwijzen naar hem als een deugdzaam koningsmodel. Verschillende omstandigheden komen overeen met het buitengewone karakter van de Bamberg-ruiter: de naam van Filips (wat in het Grieks “paardenvriend” betekent), zijn vroegtijdige dood (de moord gepleegd tijdens een bruiloft veroorzaakte een schandaal in de Reichstag in Frankfurt in 1208), zijn liefde voor vrede (hij bood de In 1206 verslagen tegenstander Otto IV zijn dochter Beatrix von Schwaben aan als bruid) evenals de in Bamberg (na eerder die van Konrad III) herhaalde tragedie dat een koning van de dynastie Hohenstaufen de keizerlijke kroning niet kon krijgen door zijn vroegtijdige dood.

Onder de aanhangers van Filips ontstond na diens dood verwarring en koning Otto IV kreeg al snel daarna veel voormalige aanhangers van Filips aan zijn zijde. Maar ook hij liep uiteindelijk spaak. Zijn poging om het koninkrijk Sicilië te veroveren leidde tot zijn excommunicatie door paus Innocentius III in 1210. Sommige van de groten gaven toen hun gehoorzaamheid aan Otto op en dat was het juiste moment voor de laatste Staufer, de nu niet meer minderjarige zoon Friedrich van de vorige keizer Heinrich VI, om zich ook te laten gelden als troonpretendent. In 1212 trok deze Friedrich naar het noordelijke deel van het rijk. Hij wist al snel veel edelen en hoge clerici aan zich te binden. Hoe het nu verder ging, vooral ook met concurrent Otto kunnen we lezen in een artikel dat ik eerder schreef: een koninklijk huwelijk in Maastricht. Zo werd deze Friedrich en niet Otto uiteindelijk tot keizer gekroond en daarmee was de strijd voorbij.

We zagen dus dat Filips voordat hij werd vermoord steeds machtiger was geworden, vooral door schenkingen aan de adel. Zo schonk hij de stad Maastricht aan Brabant. Maar Luik, de medeheer van Maastricht, kreeg enige genoegdoening doordat Filips in een document de relieken die meegenomen waren uit Constantinopel officieel aan het kapittel van de OLV-kerk toekende. Dat is de beroemde schenkingsbrief die de aanleiding vormde voor dit deel van het onderzoek in het proefschrift van Thewissen. Deze kerk viel immers onder Luik, evenals een deel van de bevolking.

Boudewijn van Vlaanderen.

Keizerlijk zegel van Boudewijn I van Constantinopel

Nu komen we bij de tweede figuur die een rol heeft gespeeld bij het bemachtigen van die reliekschat. Dat was de eerder genoemde Boudewijn IX, van 1194 tot 1205 graaf van Vlaanderen. In november 1199 werden een aantal edelen onder wie Boudewijn gegrepen door een vlaag van vroomheid. Men besloot aan een kruistocht te beginnen en het Heilige Land te gaan heroveren. De kruisridders vonden de Venetiaanse vloot bereid om hen over te zetten en proviand te verschaffen in ruil voor de helft van de buit die ze zouden maken. Maar deze vierde kruistocht was in de greep van de economische belangen van de Republiek Venetië. De kruisvaarders togen naar Constantinopel om in 1203 de pro-Venetiaanse Alexios IV Angelos te helpen om keizer te worden. Dat lukte, maar toen Alexios in 1204 door een binnenlandse staatsgreep werd afgezet en verdreven werd was dat voor de kruisvaarders aanleiding om de stad te bestormen en te plunderen. Niets ontziend werden kerken ontheiligd en kastelen gesloopt. Iedereen wilde zoveel mogelijk buit hebben. Een commissie bestaande uit zes kruisvaarders en zes Venetianen verkoos vervolgens Boudewijn als opvolger van de verdreven Alexios. Zo werd deze Vlaamse graaf nu ook keizer Boudewijn I van Constantinopel. De meeste kruisvaarders, bedwelmd door de enorme rijkdom, bleven nog lang in Constantinopel. Het doel Jeruzalem werd nooit gehaald… Maar het besturen van zo’n rijk was niet gemakkelijk. Een onderlinge oorlog tussen de kruisvaarders kon slechts met veel moeite worden voorkomen. En er waren ook op andere plaatsen opstanden. Zo werd al niet veel later, in 1205, de kersverse keizer Boudewijn I bij het bedwingen van onlusten in het grote rijk, in Bulgarije gedood.

Maar daarvoor, toen Boudewijn net tot Byzantijns keizer was gekozen riep hij adellijke landgenoten op om zijn bewind te komen ondersteunen. Hij zou iedereen rijkelijk belonen. En daar werd grif gehoor aan gegeven. Aldus lezen we in de jaarboeken door Reinerus Monachus van de Sint Jacob te Luik, waar ook vermeld wordt hoe enkele van de rijke bezittingen in Maastricht terecht kwamen. Zo lezen we:

Quidam clericus Traiectensis, qui per septem annos in civitate Constantini manserat, hoc anno rediit, portionemque magnitam vivifice crucis, quam multo tempore affectaverat, cum aliis pretiosis reliquiis sanctorum secum attulit, et ecclesiae beate Marie in Traiecta cum summa devotione praesentavit.Een priester uit Maastricht, die zeven jaar in de stad Constantinopel verbleef, en dit jaar terugkeerde, heeft een groot stuk van het echte kruis dat hem veel moeite heeft gekost en andere kostbare relieken van heiligen meegebracht, en heeft deze aan de kerk van de heilige Maria te Maastricht ter hare ere aangeboden.

De kapittelkerk van Onze Lieve Vrouw hoorde bij het diocees Luik. De relieken waren dus via een priester die in Constantinopel was geweest in Maastricht bij het kapittel van Onze Lieve Vrouw terecht gekomen. Filips van Zwaben die toen nog leefde wilde iedereen te vriend houden in zijn pogingen enig koning en uiteindelijk keizer te worden. Zo beloonde hij de hertog van Brabant door hem de rechten van Maastricht toe te kennen. Maar een deel van Maastricht, met name alles wat met het kapittel van Onze Lieve Vrouw te maken had, was Luiks. Dus ook Luik moest te vriend worden gehouden. Filips schreef een schenkingsbrief met zijn naam en handtekening. Zijn vrouw was Byzantijns en hij wilde behalve Rooms-Duits keizer ook Byzantijns keizer worden, in zijn streven de beide kerkgemeenschappen weer bij elkaar te brengen. Er zijn meer schenkingsbrieven van relieken van hem bekend. Hij beschouwde zich blijkbaar al als de rechtmatige eigenaar van al deze Byzantijnse schatten! Het kapittel was zo trots als een pauw en hoopte er veel pelgrims mee te gaan lokken. Dat lukte en zo werd het kapittel een echte concurrent van het kapittel van Servaas. De jaloerse kanunniken van de Servaaskerk lieten enkele eeuwen later ook een prachtige kruisreliekhouder maken en stopten daar een (wellicht vervalst) stukje “echt kruis” in. Deze reliekhouder kun je overigens nog steeds zien in de schatkamer van Servaas.

Het borstkruis van keizer Constantijn

Er was zoals al eerder gezegd nog een belangrijke reliekschrijn met een kruisreliek in de OLV-kerk, het zogenaamde borstkruis van keizer Constantijn. Deze schat is door Dr. Bock in 1864 uitgebreid beschreven, in 1896 deed hij deze beschrijving nog eens dunnetjes over. Ook dit borstkruis is in 1913 in Rome gefotografeerd (zie foto hierboven) en de schrijver van het proefschrift heeft het object in 1936 zelf van nabij mogen bewonderen. Het bestaat uit het eigenlijke borstkruis met daarin een splinter kruishout en het kastje waarin het is opgehangen. Dit kastje kan als een drieluik worden geopend en is van zuiver goud gemaakt, het is slechts 12 cm hoog en 8 cm breed. Er zijn paarlen en edelstenen omheen bevestigd. Op de deurtjes zien we in totaal acht afbeeldingen van onder meer Christus, Maria en apostelen. In het borstkruis is een splinter van het “echte kruis” geplaatst. We zien in het Grieks de tekst: “Zie welk een nieuw wonderwerk, welk een zeldzame genade, van buiten ziet ge goud, van binnen echter Christus.”

Beide kruisrelieken zijn waarschijnlijk al in 1204 in de OLV-kerk terecht gekomen. Het borstkruis zelf is wellicht ouder dan het Byzantijnse kastje waar het in hangt, maar hoe oud het is blijft behoorlijk speculatief. Kunsthistorici hebben het kastje wel proberen te dateren aan de hand van met name de afbeeldingen die er op staan. Zij komen tot de conclusie dat het op stilistische gronden waarschijnlijk gemaakt is in de elfde of twaalfde eeuw. Op de achterkant moet ook een tekst staan. Deze achterkant is achter het verzegelde glas niet te zien, maar er is in de achttiende eeuw in Maastricht een afschrift van gemaakt. Hierop staat onder andere: “Hetwelk vervaardigd heeft, met nederig gemoed, Johannes, biddend om vergeving zijner zonden.” Deze Johannes is niet de goudsmid maar de opdrachtgever, en dat was altijd de Byzantijnse keizer. De schrijver van het proefschrift denkt dat het bijna zeker Johannes II Comnemos  moet zijn geweest, die van 1118 – 1143 regeerde. Waarmee de datering van kunsthistorici wordt bevestigd.

Van de OLV-kerk is geen volledige reliekenlijst van voor de Franse tijd meer beschikbaar. Wel zijn er nog incomplete lijsten, onder meer een lijst die gemaakt is in 1580 ten tijde van de godsdiensttwisten. Voor de zekerheid werden de belangrijkste schatten toen ondergebracht in het huis van proost Arnold de Meroda. Op de lijst die toen werd gemaakt staat onder meer: “S. Crucis minor pars ab Imperatore Constantino gestari solita, gemnis pretiosis adornato et capsula argentea deaurata inclusa”. (Een kleiner deel van het Heilige kruis van keizer Constantijn, versierd met edelstenen in een verguld zilveren doosje.) In die zelfde eeuw is er ook nog een kopergravure gemaakt met daarop een afbeelding van het reliek en de toevoeging: “een kruis D Den Keyser Consta op syn borst placht t drage als hij strijde tegenden heydenen”. Het zou dus gaan om het borstkruis van keizer Constantijn! Dan zou het uit de vierde eeuw na Christus dateren. Dat is natuurlijk te mooi om waar te zijn. Desalniettemin kan het goed zijn dat het kruisje zelf zonder het doosje er omheen veel ouder is dan de twaalfde eeuw, maar hoe oud valt moeilijk te achterhalen.

Maastricht en Rome

Tot aan de Franse tijd bleven alle relieken zorgvuldig bewaard, dus bijna zeshonderd jaar achter elkaar. Toen kwamen de Fransen en in 1797 werden de kapittels opgeheven. De kerk van Onze Lieve Vrouw kreeg toen een profane functie als resp. militair magazijn, kanonnensmederij en paardenstal. Daardoor bleef het kerkgebouw wel behouden maar raakte tegelijk zeer in verval. Een deel van het kerkmeubilair vond een onderkomen in de Sint-Nicolaaskerk, die als parochiekerk open mocht blijven. De kanunniken hadden in 1797 alle relieken onderling verdeeld, voordat de Fransen ze in beslag zouden nemen. In 1817, na de Franse tijd, werd besloten dat ze gegeven moesten worden aan de Nicolaaskerk. Vijf kanunniken ondertekenden dat document onder wie kanunnik Lysens, inmiddels pastoor van de Mattiaskerk. Maar waar waren de twee kostbare kruisrelieken gebleven? Niemand wist het. Twee dagen later werd er weer een stuk opgesteld waarin stond dat deze twee zoekgeraakte kruisrelieken toebehoorden aan de Nicolaasparochie en dat ze, als ze gevonden zouden worden, aan de Nicolaasparochie overhandigd moesten worden. Dit stuk werd niet door Lysens ondertekend, wel door de vier andere kanunniken! De kruisrelieken bleven intussen zoek. Twintig jaar later blijkt deze Lysens ze in zijn eigen bezit te hebben. Zonder het iemand te laten weten besluit hij om ze aan de Paus te schenken! We zitten in de periode dat heel Limburg met uitzondering van Maastricht bij België hoort. In dat jaar, 1837, wordt besloten dat de Nicolaaskerk wordt gesloopt en dat de OLV-kerk weer zal worden gerestaureerd en de parochiefunctie van de Nicolaaskerk zal overnemen. Daar is veel geld voor nodig. Misschien is hij bang dat de relieken dan verkocht worden? Hoe het ook zij, hij beschouwt zich zelf als enige rechtmatige eigenaar. Inmiddels waren de meeste andere kanunniken overleden, maar nog niet allemaal. Desalniettemin deed hij het voorkomen of hij de enige nog levende was, wat dus niet klopte.

Lysens kende notaris Paul van der Vrecken. Deze heeft hem waarschijnlijk overgehaald om de relieken te schenken aan de Paus. Van der Vrecken was in de Napoleontische tijd pauselijk gezant en nog steeds adviseerde hij ook de huidige paus met betrekking tot belangrijke dingen. Zo schreef hij hem stukken over het beleid van koning Willem I en II dat behoorlijk anti-Rooms was. Nog datzelfde jaar is hij de relieken in hoogst eigen persoon in Rome gaan overhandigen. We lezen in zijn memoires een verslag van zijn audiëntie op 9 juli 1837:

Toen ik het vertrek binnen trad, verhief paus Gregorius XVI zich van zijn zetel, omhelsde mij en zeide: ‘heden, dierbare graaf, heb ik het genoegen kennis te maken met een man, die mij door zijn reputatie al lang bekend was, en van wie een stapel papieren mij zo nuttig geweest zijn bij het behandelen der godsdienstzaken in België’. Hij leidde mij naar de tafel onder de pauselijke troon. Toen ik tegenover de paus wilde plaats nemen riep hij: ‘Neen, kom hier naast mij zitten’. Hij nam mijn hand in de zijne en informeerde naar mijn gezondheid, mijn familie, de toestand in België en ik bedankte hem voor de benoeming tot ridder in de orde van den H. Gregorius, welke hij mij drie maanden geleden gestuurd had. Hij antwoordde mij: ‘wacht even, het is nog te vroeg om mij te bedanken’. Hij nam een rood foudraal, haalde er het lint en het commandeurskruis van dezelfde orde uit, stond op, hing het mij zelf om den hals en zei: ‘nu gaat gij dit dragen zolang als gij bij mij zijt. Ik zie het gaarne, waar het zoo goed staat’. Men kan zich mijn verwondering en verwarring voorstellen. Op mijn beurt zeide ik: ‘veroorloof Heilige Vader, dat ik u eveneens iets aanbied’. Ik pakte mijn schat uit en bood hem de Heilige Relieken aan, zorgvuldig opgeborgen, welke ik had meegebracht. Zijn verrassing was groot toen hij dit voorwerp zag. dat wil zeggen de groote reliek van het Heilig Kruis, waarvan hij het bestaan niet scheen te kennen, kuste meerdere malen de heilige reliquie en drukte mij dankend zeer hartelijk de hand. ‘Waar zullen wij haar plaatsen’, zeide hij. ‘In St. Jan van Lateranen, de eerste kerk van de wereld, in de St. Pieter van het Vaticaan of in de kerk van het H. Kruis in Jerusalem, die door de reguliere kanunniken van St. Sauveur bediend wordt’...”

Uiteindelijk schonk de paus de relieken op zijn beurt weer aan de kanunniken van Sint Pieter in Rome. Intussen wist in Maastricht niemand iets van deze overdracht af, het heeft nog dertig jaar geduurd voordat men er achter kwam. Men vond toen namelijk de overdrachtsstukken in de pastorie van de parochie van de Mattiaskerk! (Waar Lysens pastoor was geweest). De twee relieken die van der Vrecken meebracht naar Rome, het Byzantijnse dubbelkruis en het zogenaamde borstkruis zijn nu nog steeds in Rome, veilig opgeborgen. Het grote kruisreliek wordt als zo uniek en kostbaar beschouwd, dat niemand het ooit te zien krijgt. In 1903 is het eenmalig gelukt om de schat  te mogen fotograferen (zie de eerdere foto’s). Van dit grote dubbelkruis is er alleen een foto van de achterkant gemaakt. Het stond toen achter verzegeld glas en er kon slechts van een kant een foto gemaakt worden. Daarmee moeten we het doen. Ook latere pogingen tot teruggave aan Maastricht of tot het uitlenen voor een tentoonstelling zijn op niets uitgelopen. Het doet me toch ook een beetje denken aan het stelen van de Mosasaurus uit Maastricht door Napoleon…

Epiloog

Wat deed men met deze relieken voor de Franse tijd in Maastricht? Het dubbelkruis liet men regelmatig zien aan pelgrims. De kanunniken van Onze Lieve Vrouw hadden aan de koorzijde van de kerk uitziende op de Stokstraat een poortje gemaakt van waaruit de relieken getoond konden worden. Deze praktijk werd overigens al in de zestiende eeuw door Karel V op aandringen van het jaloerse kapittel van Servaas verboden.. Maar ook werd het in processies mee gedragen. Er was een officiële volgorde bij het tonen van de relieken en het dubbelkruis werd als belangrijkste reliek gezien en dus als laatste getoond. Het borstkruis daarentegen werd ook gebruikt in de liturgie en met name bij de plechtigheden van de Goede Week. Na de dienst begaven de officiant die dit borstkruisje droeg en de diaken en subdiaken, die elk een kristallen reliekhouder droegen waarin een doorn zat (een doorn van de doornenkroon van Christus!), zich naar de doopkapel waar de drie relieken in het nieuw gewijde water werden ondergedompeld. Een mooi ritueel. Waarschijnlijk gebeurde dat in doodse stilte, want in de Goede week mocht er niet worden gezongen. Of hoorde je slechts een angstaanjagende klepper, die de tocht naar de doopvont vergezelde. Ik ben zelf vroeger ook misdienaar geweest. De rituelen in de Goede week vormden het hoogtepunt van het kerkelijk jaar.

Zo hebben deze kruisrelieken aardig wat meegemaakt. Christus stierf aan het kruis, enkele eeuwen later vond Helena dit kruis in Jeruzalem en een deel van het kruishout kwam in Constantinopel terecht. Rijke Byzantijnse keizers hadden er veel geld voor over om de meest mooie reliekhouders te laten vervaardigen waarin dit echte kruishout, in stukjes, geplaatst kon worden. Plunderende kruisvaarders namen deze schatten mee en een priester uit Maastricht die zeven jaar in Constantinopel had gewoond gaf twee of meer van deze schatten aan de kapittelkerk van Onze Lieve Vrouw. Concurrerende heersers probeerden steun te kopen bij clerus en adel door schenkingsbrieven te schrijven. Zo werden de twee imposante kruisrelieken officieel bezit van dit OLV-kapittel. Trotse kanunniken lieten de schatten aan pelgrims zien en verrijkten hun eredienst door deze kostbare schatten daarin een plaats te geven. Een kanunnik in Maastricht wantrouwde zijn collega’s en verstopte de kruisrelieken maar liet zich uiteindelijk door een vrome rechtsgeleerde over halen om ze aan de paus te schenken. En nu is deze schat nog steeds in Rome, al meer dan een eeuw. Wat zal er in de toekomst nog met deze inmiddels ver weggestopte, verborgen Maastrichtse schat gaan gebeuren?

  • Twee Byzantijnsche H. Kruisrelieken uit den schat der voormalige kapittelkerk van Onze Lieve Vrouw te Maastricht. A.A.F.CH. Thewissen. Academisch proefschrift 1939. Uitgevers-mij Gebrs. Van Aelst, Maastricht.
  • Filips van Zwaben, schrijver van de schenkingsbrief van het kruisreliek van Maastricht
  • Boudewijn I van Constantinopel, verantwoordelijk voor de grote verspreiding van Byzantijnse objecten in Europa
  • Paulus van der Vrecken, pauselijk gezant van Maastricht
  • Keizerin Galla Placidia en haar verering van het heilige kruis

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Begrijpend lezen

Mijn oudste twee kleinkinderen hebben hun rapport gekregen, van groep 4 en van groep 2. Allebei hadden ze een rapport dat voor zover ik dat kan zien aardig overeenkomt met hoe de kinderen zijn en wat ze kunnen. Bij de oudste viel er toch iets op dat naar mijn gevoel niet klopte. Dat is goed te verklaren vanuit zijn autisme. Zijn “begrijpend lezen” was zwak. Begrijpt hij niet wat hij leest? Hij leest niet graag over dingen die hem niet zo interesseren. Dat is een ding. Maar tegelijk is hij enorm nieuwsgierig. Elke maandag en vaak ook de woensdag en donderdag lezen we samen een kwartiertje de krant. Omdat hij dat wil. En uiteraard zijn de meeste artikelen veel te moeilijk voor hem, hij is pas net acht jaar. Maar hij wil het weten. En over dingen die zijn interesse hebben leest hij makkelijk. Bij zijn bed liggen op dit moment vooral boeken over treinen, orgels en componisten. Hij kijkt plaatjes maar leest ook wat er bij staat. En het meeste snapt hij. Hij weet ook erg veel over heel veel verschillende dingen. Over orgels, over treinen, over het heelal, over topografie. Daarover kan hij zo uit zijn hoofd ingewikkelde spreekbeurten houden, met alle er bij behorende moeilijke termen. Toch blijkt dit niet terug te komen bij de toetsen die er zijn met betrekking tot het vak “begrijpend lezen”. Elk kind krijgt dezelfde toets met dezelfde tekst. En op school krijgen ze training hoe ze kernwoorden uit zo’n tekst moeten halen die dan weer bij zo’n toets gevraagd worden. Daar is hij helemaal niet mee bezig. Hij heeft geen zin om “begrijpend lezen” te trainen. Binnen de kortste keren is hij afgeleid en met andere dingen bezig. Dus scoort hij slecht. Wat is er volgens mij getoetst? Kan een kind zich bij een tekst, interessant of niet, desondanks concentreren en snapt hij de ”trucjes” die gebruikelijk zijn bij het analyseren van een tekst. Het doet me denken aan zijn eerste IQ-test die vanuit het ziekenhuis plaats vond. De uitkomst was: “zwak begaafd”. Opmerkingen van zijn moeder hoe het volgens haar kwam dat hij zo slecht scoorde werden niet ontvankelijk verklaard. De toets moest wel valide zijn! Dus ze gingen hem echt niet anders afnemen.

Het hele toetssysteem blijkt toegespitst op de gemiddelde leerling. Maar de buitenbeentjes die anders denken of anders in elkaar zitten kunnen eigenlijk niet op die manier getoetst worden. En daar wordt op de scholen nog steeds nauwelijks rekening mee gehouden. Ook de toetsen van het Cito-volgsysteem moeten immers “valide” zijn…

Enfin, persoonlijk til ik hier niet aan. Veel belangrijker is dat hij op de school waar hij zit zich in het algemeen prettig voelt, door de andere kinderen en de leerkracht geaccepteerd wordt zoals hij is. En dat gebeurt nog steeds. Het moet niet makkelijk zijn voor de leerkracht. Maar het is nu al drie jaar achter elkaar op deze school gelukt, petje af! En op het rapport stond dat hij op sociaal gebied was geklommen naar ruim voldoende! Als dat echt zo is dan is dat ronduit geweldig, dat is een groot  compliment voor mijn kleinzoon, maar zeker ook voor de door de leerkrachten gecreëerde veilige, sociale omgeving.

Hoe leert een kind, en met name mijn oudste kleinzoon? Vanuit zijn spel. Hij speelt al zijn hele leven allerlei situaties zo echt mogelijk na en gaat daar volledig in op. Hij observeert goed en ziet hoe zo’n situatie is, de taal die erbij hoort, de houdingen die erbij horen, de techniek, alles. Zo perfect mogelijk. En daar kan hij geen genoeg van krijgen. Op dit moment zijn dat twee dingen. Hij zit als passagier of als machinist in een TGV, in een Thalys, in een ICE. Die hebben allemaal hun eigen snelheid, hun eigen geluiden, zien er allemaal anders uit, rijden op hun eigen traject langs allerlei steden. Zo rijdt hij met de ICE naar Köln Hauptbahnhof en stopt vanuit Amsterdam in Utrecht, Arnhem, Oberhausen, Dortmund, Wuppertal (bij de Ibachfabriek), Düsseldorf enz. Af en toe als hij stopt roept hij om dat de mensen niet moeten vergeten uit te checken en moeten denken aan hun persoonlijke eigendommen. Op het perron hoor je soms ook omroepberichten over andere treinen. Dit spel speelt hij thuis met zijn fiets (nu loopfiets omdat hij vanwege zijn blessure niet mag fietsen), hij speelt het in de huiskamer met treintjes, blokken en duplo en hij speelt het als hij in de auto gehaald wordt. Onze auto is dan een TGV. Gisteren besloot hij toen ik hem naar huis bracht “boven in de TGV” te gaan zitten. Hij ging niet naast me zitten maar op de achterbank, nee, niet óp de achterbank: hij heeft de hele reis voor de achterbank, met wel zijn gordel om,  gestaan. Hij zat immers boven! Intussen keek hij naar buiten en alles wat hij zag werd vertaald naar iets wat je ook onderweg naar Frankrijk zou kunnen zien. Af en toe gaf hij aan me door hoe hard we nu reden. Als ik echt de maximaal toegestane snelheid reed dan reden we 300 km per uur. Al spelende maakt hij zich alle dingen die er bij zo’n reis komen kijken eigen. Het andere spel dat hij nu bij ons speelt is “Laurenskerk.” Het kamertje waar het virtuele Hauptwerkorgel staat is voor hem deze kerk. Gisteren woonde hij er eerst een concert bij. Je zag op een filmpje van Youtube op het scherm de Laurenskerk en je zag daar hoe een van zijn populaire organisten de Toccata van Grison speelde. (Al die stukken, al die organisten en al die componisten kent hij ook..) Maar hij was publiek en het concert klonk van boven af. Wat doe je dan? Je moet naar boven kijken als je iets van dat orgel wil zien. Dus ging hij in een hoekje van de kamer zo laag mogelijk op zijn knieën zitten en keek omhoog naar het scherm. En als hij door de kerk liep dan schuifelde hij op zijn knieën door de kamer. Een tijdje later kwam ik nog weer een keer boven. Nu was hij de organist. Ondanks zijn blessure begeleidde hij daar in die kerk een dienst. Op het scherm zag je weer een afbeelding van de Laurenskerk. Intussen zat hij als een echte organist op de orgelbank en improviseerde op basis van ’n stemmig kerkelijk gezang. Zo goed en zo kwaad mogelijk mocht ook zijn linkerarm een beetje meedoen. Hij was helemaal gelukkig.

In de zomer zijn er in de echte Laurenskerk op de vrijdagavond “orgel amateur” avonden. Veel orgel amateurs willen een keer op dat orgel spelen. Daar is men vanuit de Laurenskerk op ingesprongen. De orgel amateur betaalt hiervoor en ook de mensen die het “concert” willen bijwonen betalen er voor. Ik heb hem aangemeld en ik hoop dat het gehonoreerd wordt. Hij ziet er nu al naar uit. En hij zal in dat geval fanatiek aan een eigen programma gaan werken denk ik! Alles wat hij ook daar weer van leert zal niet terug te vinden zijn op een rapport. Daar valt immers geen valide toets op los te laten. Het valt ook niet aan te leren. Dat doet hij gewoon zelf, begrijp je.

Geplaatst in autisme, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , , , | 4 reacties

Braziliaans feest

De kinderen van de school van mijn kleinkinderen keken hun ogen uit: wat was dat? Bij het uitgaan stonden niet alleen zoals gebruikelijk veel papa’s, mama’s, opa’s en oma’s de kinderen op te wachten maar er kwam een optocht langs met zingende en muziek makende kinderen. Er was een Braziliaans feest op de nabijgelegen andere basisschool en dat vierden ze daar uitbundig. Een exotisch muziekje dat vanuit speakers het stadje in galmde begeleidde de vrolijke groep.

Daar kwam mijn kleinzoon naar buiten.
-‘Ophouden, ophouden!’ schreeuwde en huilde hij tegelijk. Maar zijn gejammer kon het nog veel hardere geluid van de groep niet deren. Mijn auto stond vlakbij de school waar de feestgangers naar toe liepen dus we achtervolgden de optocht. Mijn kleinzoon rende naar de groep tot hij er vlakbij was en herhaalde zijn protesten. Nu werd hij door een van de begeleidende volwassenen naar achteren verwijderd, nog voor ik er bij was. Ik nam hem zo snel mogelijk mee naar de auto. Zo, die was dicht. Maar je hoorde nog steeds een salsa. En we konden nog niet gelijk vertrekken want zijn broertje en zusje raakten maar niet uitgekeken. Nieuwsgierig bleven ze bij de groep kinderen staan. Ik snelde dus maar weer de auto uit en haalde hen daar zo vlug mogelijk weg. Voor hen ging daarmee de Braziliaanse feestmuziek over in het gehuil van hun broertje. Ik had met hen te doen. Eindelijk reden we dan weg maar hij hoorde de muziek nog steeds.
 -‘Ophouden!’ Pas honderden meters verderop hoorde je niks meer. Hij bleef protesteren.
-‘Het tuut nog steeds in mijn oren, dat mag toch niet!’

Hoe ik ook probeerde uit te leggen dat het een feestje was en dat daar muziek bij hoorde, hij kon er niet bij. Het was vreselijke muziek en hij wilde dat niet. Ik vroeg me af of er niet ook autistische kinderen waren op die school. Zouden ze daar dan rekening mee houden? Dat moest verschrikkelijk zijn voor zo’n kind. Al die onverwachte dingen, maar vooral ook al die visuele en auditieve prikkels. Nee, waarschijnlijk waren ze daar niet. Want toen zijn ouders hem daar indertijd aanmeldden werd hij geweigerd vanwege zijn autisme. Wat heeft hij toch geboft met de school waar hij nu op zit! Als er iets is waar hij niet tegen kan mag hij naar een andere ruimte of desnoods gaat hij een keertje niet naar school.

Vijf dagen eerder was hij bij een wedstrijdje met zijn broertje recht voorover gevallen op het harde asfalt van een fietspad. En daarbij was zijn linker sleutelbeen geblesseerd, naar later bleek was er een scheurtje ontstaan. Dat doet heftig pijn lazen we op internet. Zijn vader was niet thuis en zijn moeder lag met een gebroken enkel op de bank. Dus besloten mijn vrouw en ik om met hem naar de huisartsenpost van Gouda te gaan, een klein half uurtje rijden met de auto. Wat was hij zielig. Niet alleen door de pijn, want je mocht hem niet eens aanraken. Een klein huilend vogeltje was er van hem over:
-‘ik wil niet naar het ziekenhuis.’
Behalve de pijn bleken vooral twee angsten de oorzaak te zijn van zijn paniek. De eerste was “alcohol”. De geur van alcohol is voor hem net zo erg als het gezoem van een mug of het geluid van een brakend kind. Hij raakt er dus net zo door van slag als van het geluid van een Braziliaanse optocht die opeens voorbij komt. We wisten hem te overtuigen dat het bij de huisartsenpost vrijwel zeker niet naar alcohol zou ruiken maar voor de zekerheid kreeg hij toch een mondkapje op. Dat stelde hem al een beetje gerust. Maar er was nog iets. Zijn moeder was daar ook geweest. Tien dagen eerder was haar enkel, ook bij een valpartij, gebroken en die gecompliceerde breuk was enkele dagen later geopereerd. Dat wilde hij niet.
–‘Ik wil niet geopereerd.’

De dokters waren allemaal super aardig. Eentje had zelfs een duidelijk Brabants accent en dat vond hij grappig. Brabants en Limburgs, vooral die zachte G vindt hij mooi, net als Vlaams. Hij kan perfect Vlaams imiteren inclusief de erbij behorende Vlaamse uitdrukkingen. –‘Even wachten, ik kom seffens’. Uiteindelijk bleek dat alles bij zijn sleutelbeen nog goed op zijn plaats zat maar de foto liet wel een breuk, (of was het een scheurtje?) zien. De arm moest drie weken in een kleine mitella, een zogenaamde “sling.” Hij moest nu uiteraard wel voorzichtig zijn.

Het ergste was dat hij niet kon fietsen. Dat was zijn favoriete bezigheid thuis. De fiets was zijn trein en daarmee reed hij langs allerlei stations. En orgel spelen? Met alleen de rechterhand? Was dat wel leuk?

Ja dat bleek best wel leuk. Ik speelde van de orgelstukken die hij moest oefenen de linkerhand en zo maakten we samen muziek. En bij mijn virtuele hauptwerk-orgel, dat nog geen pedaal heeft, kon je het pedaal wel bedienen via het scherm. Dat bleek een nieuwe uitdaging te zijn. En de linkerhand in de sling kon best nog wel akkoorden spelen als hij zijn arm maar stil hield. Zo speelde hij akkoorden bij pedaaltonen die hij aanklikte op het scherm en daar kon hij een tijd lang geen genoeg van krijgen. Uiteraard hoorde je de basklanken van het Thomassen-orgel van de Laurenskerk met een stevige nagalm. Het kamertje werd na afloop van zijn concert gebombardeerd tot de Laurenskerk.

Waarschijnlijk zou een andere autist van deze orgelklanken net zo gek worden als dat hij gek werd van de Braziliaanse klanken van de optocht eerder op die dag. Maar als hij het geluid zelf maakt is het prima. Zo zingt hij ook voortdurend het geluid van treinen na. Inclusief de eng piepende remmen. Ik kan me zo voorstellen dat niet alleen autisten maar heel veel andere mensen er ook op den duur gek van worden. Hij is zich van geen kwaad bewust. Voor hem klinkt een gierend piepende rem van een dubbeldekker (denk aan het leeg schrapen met een lepel van een bord) net zo mooi als de feestelijke geluiden van een Braziliaans feest voor een ander.

Geplaatst in autisme | Tags: , | 3 reacties

Nun komm, der Heiden Heiland

Vroeger luisterden we naar hoorspelen, tegenwoordig luister je naar een podcast. Ik doe het nog niet zo vaak, maar ik vind het heerlijk, meestal vind ik dat fijner als het kijken naar een documentaire. Zo hoorde ik drie afleveringen van een podcast van de EO over organisten, hun orgel en orgelmuziek. Ik moet toegeven dat mijn interesse deels voortkomt uit het feit dat mijn kleinzoon fanatiek orgel speelt en door het feit dat ik enkele organisten die aan bod komen ken. Ik was nieuwsgierig naar hun muzikale achtergrond: hoe zijn ze met muziek begonnen, wanneer gingen ze orgel spelen en dat soort zaken. Drie van de (tot nu toe) tien podcasts heb ik volledig beluisterd, die met Geert Bierling, die met Gerben Budding en die met Ton Koopman. Bij de laatste twee organisten kwam het orgelkoraal ‘Nun komm, der Heiden Heiland’ BWV 659 aan de orde. En allebei vertelden ze er ook iets over. Later zag ik op Youtube een kleine documentaire met Leo van Doeselaar die op zijn beurt weer iets vertelde over de tweede versie van dat orgelkoraal, BWV 660. En dat prikkelde me om zelf ook meer te weten te komen over de achtergrond van die orgelkoralen, maar ook over het verschil van de drie Bachversies en ook over het verschil in interpretatie, in dit geval het verschil tussen de interpretatie van Gerben Budding en die van Ton Koopman.

De tekst van ‘Nun komm der Heiden Heiland’, ‘Kom, Heiland der volkeren’ is in 1524 geschreven door Maarten Luther. Het koraal is een vertaling van de hymne “Veni redemptor gentium”, welke in 397 geschreven was door Ambrosius van Milaan, een van de zogenaamde kerkvaders. (Op het einde van dit blog staat een link waar je uitgebreide informatie hierover kunt vinden). Het koraal is geschreven voor eerste Adventzondag (de eerste zondag van het kerkelijk jaar) en was daardoor het eerste lied in het Lutherse koraalboek. Qua timing slaat dit blog zo midden in de zomer dus nergens op. Maar zoals Ton Koopman vanuit zijn katholieke achtergrond met de Lutherse Bach bezig is en Geert Bierling vindt dat het niet het geloof maar de kwaliteit van de muziek is die mensen raakt, zo bespreek ik een lied dat kerstmis aankondigt op de dag van het feest van Petrus en Paulus. Lees het zo rond 1 december nog een keer zou ik zeggen!

Het koraal telt in totaal acht strofen van elk vier verzen, een kwatrijn vormend. De melodie is gecomponeerd door Johann Gottfried Walther. In deze melodie zijn de eerste en de laatste regel van een couplet identiek en zijn de tweede en derde enigszins elkaars spiegelbeeld.

Bach gebruikte deze melodie als basis van drie orgelkoralen maar ook van drie cantates. De eerste keer zien we de melodie als basis van de cantate BWV 61 die in 1714 in Weimar ontstond. Hoe deed Bach dat? In de advent kijk je reikhalzend uit naar de geboorte van Christus. BWV 61 begint met een soort Franse Ouvertüre, langzaam snel langzaam. In de langzame delen hoor je voortdurend gepuncteerde figuurtjes die zo kenmerkend zijn voor Franse dansmuziek. Der „Heiden Heiland“ is immers een vorst, er wordt straks een koning geboren, we zijn als het ware aan het hof van Lodewijk XIV! De tekst die wordt gezongen bevat in het eerste deel de vier regels van het eerste couplet, zoals je hierboven ziet. De basismelodie die bij de eerste regel hoort zit meteen al in de bas, nog voor er gezongen wordt. Daarna horen we hem steeds terugkomen in telkens andere zangstemmen. De tweede regel van het koraal is ook nog steeds langzaam, nu wordt de tekst door alle stemmen tegelijk gezongen. De toonsoort is G mineur (in sommige uitvoeringen A mineur), immers de melodie staat in mineur. Maar tegelijk ervaar je daarin al een vooraankondiging van het lijden. Hij wordt geboren, maar o jee, hem staat nog iets te wachten. Datzelfde beeld zie je ook vaak op schilderijen uit die tijd. Maria is daar vaak niet de blijde moeder, maar de bezorgde, bedroefde moeder.

Bartholomeus Bruyn laat Melchior met de handen gevouwen naar Jezus kijken en Jezus kijkt terug. Maria is bedroefd

Sterker nog, hij zal sterven aan het kruis. De eerste vier noten van de koraal melodie symboliseren een kruisteken: midden – midden – laag – hoog. (Bij het orgelkoraal BWV 660 zien we in de begeleidingsfiguurtjes ook een kruisteken, maar nu is de stijgende noot nog smartelijker in de vorm van een verminderde septiem). Terug naar het begindeel van Cantate BWV 61: na die twee langzame stukjes komt het snelle deel van de ouvertüre. Bach heeft het geniale idee om, nu in majeur, een fugato te schrijven. Je hoort een wirwar van stemmen, je hoort heel veel mensen als het ware door elkaar heen praten: de hele wereld verwondert zich over zijn geboorte. (‘Dass sich wundre alle Welt’), De laatste regel wordt weer langzaam gezongen met ook weer de gepuncteerde figuurtjes als in de eerste twee regels: de tekst ‘Gott solch’Geburt ihm bestellt’, ‘god heeft zijn geboorte besteld’ sluit dit deel waardig af.

Nun komm der Heiden Heiland,
der Jungfrauen Kind erkannt;
deβ sich wundert alle Welt,
Gott solch Geburt ihm bestellt.

Luister naar dit fragment van BWV 61 in een uitvoering van het Monteverdi koor en orkest o.l.v. John Eliot Gardiner.

Dan nu de drie orgelkoralen van Bach die gebruik maken van deze melodie. Er zijn zoals gezegd drie versies, BWV 659, 660 en 661, alle drie als onderdeel van de Leipziger koralen. Gerben Budding en Ton Koopman speelden in de podcast de eerste versie. Gerben liet ook nog een stukje van de tweede en derde versie horen. Waar BWV 659 laat horen hoe ‘der Heiden Heiland’ waardig aan komt schrijden (kerst nadert) vond Elsbeth Gruteke, die het interview deed, de tweede versie meer alsof hij aan kwam galopperen en de derde versie was zelfs ronduit feestelijk. Gerben Budding wil ze in de advent het liefst altijd alle drie achter elkaar spelen, omdat ze alle drie op een andere manier de geboorte van Christus aankondigen en toewerken naar een climax: de geboorte.

Nu iets over de vorm van het orgelkoraal. Een orgelkoraal is in de kern simpelweg een orgelwerk dat gebaseerd is op de melodie van een kerklied of koraal. En een koraal is een strofisch gezang uit de Lutherse kerk. Tegen het eind van de 16e eeuw speelden organisten op basis van die koralen, zowel geïmproviseerd als vanuit genoteerde muziek. Toen Bach geboren werd waren er duizenden van die koralen. Bach zelf schreef ca. 200 orgelkoralen, waarvan een vijftigtal al voor 1707 (het jaar dat hij organist in Mühlhausen werd). Orgelkoralen zijn in de volgende categorieën te verdelen:

koraalmotet

De melodie van het koraal wordt duidelijk geïntroduceerd en vervolgens wordt van hieruit het orgelkoraal uitgewerkt met gebruikmaking van hetzelfde basisritme voor elke imitatie.

koraalpartita of koraalvariaties

Een koraalpartita is een reeks variaties gegeven over de koraalmelodie. Typisch voor de koraalpartita is dat elke variatie de volledige koraalmelodie bevat en de variaties als zelfstandige delen optreden. (Losse stukjes)

koraalfantasie

In een koraalfantasie wordt de volledige melodie van het lied in één stem, meestal de sopraan, met uitgebreide voor het grootste deel uitgeschreven versieringen gespeeld. ‘Nun komm, der Heiden Heiland‘ BWV 659 is in deze vorm geschreven.

cantus firmuskoraal

In een cantus firmus koraal wordt de basismelodie gespeeld in lange noten (zoals in de Frans-Vlaamse polyfone missen uit de late Middeleeuwen). Het koraallied is doorgaans genoteerd in halve noten, terwijl de begeleidende figuratie in achtste en zestiende noten is genoteerd. Een beetje het omgekeerde idee van de koraalfantasie: daar sobere tegenstemmen tegenover een weelderige melodie, hier andersom. De derde zetting van ‘Nun komm, der Heiden Heiland‘ BWV 661 is in deze vorm geschreven.

koraaltrio

Een koraaltrio is een driestemmige zetting van het lied, waarbij de twee bovenstemmen elk op een manuaal worden gespeeld en de lage stem op de pedalen. ‘Nun komm, der Heiden Heiland‘ BWV 660 is in deze vorm geschreven.

Luister hier naar de versie van BWV 659 van Gerben Budding, zoals gespeeld in de podcast

Luister hier naar de versie van Ton Koopman, zoals gespeeld in de podcast.

Opvallend is de toonsoort bij Ton Koopman: een halve toon hoger, waarschijnlijk komt dit door de stemming van het Müllerorgel van de Waalse kerk. Ook speelt hij iets meer versieringen. Gerben houdt zich aan de relatief sobere aanwijzingen zoals ze in de partituur staan. En natuurlijk is de registratie ietwat anders. Bij Ton Koopman komt de toplijn er vrij pregnant uit, bij Gerben Budding heeft die een meer ingetogen kleur.

Wat vind ik daar nu van? Ik vind ze allebei goed. Maar stel dat je BWV 659, 660 en 661 alle drie achter elkaar speelt, dan denk ik dat de iets meer ingehouden versie bij BWV 659 van Gerben Budding beter werkt, omdat daardoor de twee andere versies sterker kunnen uitkomen. Dit komt dus door de keuze van het registergebruik en doordat Gerben Budding minder kwistig eigen versieringen toevoegt. Maar smaken verschillen uiteraard. Ik heb nog meer versies gehoord. Zowel Gerben Budding als Ton Koopman hebben een langzaam tempo. Dat vind ik retorisch maar ook stilistisch mooi: het past het beste bij het karakter van het stuk. Wat me verder bij Ton Koopman opvalt is dat hij op het einde lijkt te versnellen en dat vind ik gewoon niet mooi. Het schijnt dat in dit stuk in het Duitse taalgebied voor het eerst in de geschiedenis een soort “walking bass” is toegepast. En die moet gestaag doorgaan. Het is de schrijdende Christus, die er vastberaden, maar zonder zich te haasten, waardig aan komt lopen. Zoals de held in het Beethovenfries van Klimt, en in de muziek in het slotdeel van de negende van Beethoven. Het is “Der Heiden Heiland.”

Hier een link naar de volledige tekst van het koraal.

Hieronder een link naar de uitleg van Leo van Doeselaar over BWV 660

Hier een link naar de betreffende podcastserie

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Brussel-West

Op zaterdag is het druk in Rotterdam, zeker bij Blaak want daar is dan markt. Maar daar is ook de Centrale bibliotheek waar we al zo’n dertig jaar lid van zijn en mijn vrouw ging er met onze oudste twee kleinkinderen naar toe.

-‘Zullen we proberen om met de metro naar de stad te gaan?’
Een spannende vraag want we proberen het al jaren, maar na enkele traumatische ervaringen wil onze oudste kleinzoon dat niet meer. Hij is bang voor wat je ziet als je onder de grond bent. Vooral als je dan opzij kijkt. Het is donker maar je ziet toch nog snel voorbijschietende schaduwen. In den Haag gaat vlakbij Spui tramlijn 3 een stukje onder de grond. Een kwestie van enkele minuten je ogen dicht doen en dan ben je weer boven de grond. De laatste keer dat we dat deden deed hij niet zijn ogen dicht maar keek hij op het schermpje van een mobieltje, en dan natuurlijk niet opzij. Dat bleek ook te werken. Dus, vooruit dan maar. Hij durfde hij het nu ook aan, mits hij een telefoon zou krijgen om wanneer ze onder de grond waren naar een filmpje te kunnen kijken! Waw, wat een overwinning!

In de bibliotheek was iedereen snel uitgekeken want door de coronamaatregelen werd er door veel mensen behoorlijk schichtig gedaan en ook waren de jongetjes voor veel mensen te luidruchtig. Dus ging oma met hen vrij snel al weer naar buiten. Op naar de Laurenskerk! Daar staat immers het grootste orgel van Nederland!

Na deze professionele uitleg aan de omstanders over rug- hoofd- bovenwerk en de chamade van dit orgel testte mijn oudste kleinzoon nog even de akoestiek van de kerk. Ik was er zelf dus niet bij. Maar ik snap waarom hij dat wilde, bij ons thuis staat een soort “Hauptwerk-orgel” met daarop een demoversie van dit zelfde Thomassen-orgel van de Laurenskerk. En als je daar op speelt hoor je door de speakers de enorme nagalm van de kerk. Dus hij moest nu natuurlijk wel deze akoestiek even in het echt testen.  Ja hoor. De kerk galmt net zo als bij ons thuis!


-‘Kom, nu gaan we treinen kijken’. Er stond bij station Blaak een dubbeldekker intercity bij het perron. Het leukste zijn de geluiden, zo gauw de trein gaat rijden. Deze worden steeds hoger. Mijn oudste kleinzoon bleef maar kijken tot hij helemaal weg was. Daar verdween hij, ver weg, in de tunnel.. Want ook treinen rijden daar onder de grond.

In de tuin, in de huiskamer, overal worden treinen gebouwd met blokken, stoelen en alles wat je maar kunt verzinnen. Bij het dashboard van de machinist liggen allerlei dingen om het een en ander te bedienen. Een schaar die open en dicht gaat laat de deuren van de treinen open of dicht gaan. En gisteren, toen hij alleen bij mij was, filmde hij in de huiskamer met mijn mobieltje alsof hij in Brussel was. Daar reed hij in zijn fantasie in de metro van Brussel Zuid naar Brussel West. De omroeper had uiteraard een Vlaams accent.

De metro vertrekt nog bij een verlicht perron. ‘Het volgende station is Brussel West.’ Dan gaat hij rijden, dat hoor je aan de hoogte van het motorgeluid. Hoe hoger het geluid hoe harder hij rijdt. De schaduwen van de tunnel zie je snel voorbij schieten. Zoef, zoef, zoef.. Het geluid gaat nu naar een lagere toon, de metro gaat dus langzamer rijden. En, ja hoor, het wordt weer licht. We zijn weer bij een station: inderdaad het aangekondigde Brussel West. Nu moeten uiteraard de deuren open, en daarna weer dicht gaan.

Door dit zo intensief in zijn spel te beleven verwerkt hij zijn eerdere angst voor tunnels. En dat is prachtig. Hij geniet van zijn spel maar maakt intussen ook weer een emotionele groeisprong. De volgende keer moet hij wat mij betreft de omroeper eens de teksten in twee talen laten omroepen. Want hij is met name bij zijn ouders nog steeds bang voor de Franse taal. Dat komt door enkele vervelende ervaringen op vakanties in Frankrijk. Maar inmiddels is hij als ik met hem babbel nieuwsgierig genoeg naar deze taal. Ik heb hem uitgelegd hoe het werkt met de Franse uitspraak. En door zijn enorme taalgevoeligheid gaat hij dat waarschijnlijk feilloos imiteren. Met de juiste klemtoon, altijd op de laatste lettergreep.

-‘ Het volgende station is Brussel West.   La prochaine station est Bruxelles Ouést‘

Geplaatst in autisme | Tags: , , | 2 reacties

Normandisch Paasspel

Wat is dat alweer een tijd geleden! Ik heb het over de tijd van het begin van de geleidelijke teloorgang van het Rijke Roomse leven. Na het Tweede Vaticaanse concilie veranderde er van alles. Wat eerder een doodzonde was mocht opeens. De liturgische praktijk ging op de schop. Binnen de katholieke kerkgemeenschap in Nederland werd er fel gediscussieerd. Maar toch was er nog een bijna hemelse nawee van dit rijke verleden. Het Gregoriaans, de eeuwenlange drager van de liturgische gezangen werd nog eenmaal grootschalig toegepast en zowel in België als Nederland kon men zich laten onderdompelen in de vertrouwde klanken. Dit alles werd uitgezonden, je kon luisteren en kijken naar de uitvoering van een Middeleeuws Paasspel.

Van 16 tot en met 24 oktober 1971 waren er in de basiliek van Tongeren repetities en opnames van dit bijzondere muziek- en toneelstuk. Het originele stuk was geschreven rond 1150. Het was een van de vele Paasspelen die in de middeleeuwen werden gespeeld. Vaak ging het bij die Paasspelen om stukken waarbij het hele lijdensverhaal vanaf Palmpasen werd nagespeeld, maar er waren ook Paasspelen, zoals dit, die zich juist richtten op bijbelteksten over de periode vlak na de dood van Christus. De Latijnse teksten van zo’n spel waren voorzien van neumen, dat wil zeggen tekentjes die nog voorafgaan aan wat wij kennen als de meer moderne notatie van het Gregoriaans. Neumen geven het toonhoogteverloop weer maar kunnen ook beschouwd worden als aanwijzingen met betrekking tot de ritmische interpretatie daarvan. Er is geen wetenschappelijke eenduidigheid over deze uitvoeringspraktijk. Meestal wordt gezocht naar een manier van zingen zoals die ook tegenwoordig nog bij de uitvoering van Gregoriaanse gezangen gebruikelijk is. Die kent vooral een zekere ingetogenheid. Hieronder een voorbeeld van dergelijke neumen zoals afkomstig uit het klooster van Sankt Gallen.

Met het instuderen en ook met de research hebben veel mensen zich bezig gehouden. Het stuk zelf is samengesteld uit meerdere bronnen, en voor de samenstelling van die bronnen heeft Professor Jos Smits van Waesberghe gezorgd. De muzikale leiding, het interpreteren van de neumen maar ook het instuderen van alles viel onder de verantwoordelijkheid van Dr. Fons Kurris, die aan het Conservatorium van Maastricht de lessen Gregoriaans verzorgde. Ook was er een werkgroep onder zijn leiding waarin studenten leerden hoe je van middeleeuwse neumen een meer bekende notatie kon maken, maar ook hoe een en ander uitgevoerd zou kunnen worden. Ik zat zelf in die werkgroep.  De dramaturgie en regie was in handen van Ben Mettrop. Het geheel werd in de basiliek van Tongeren opgenomen en met Pasen 1972 uitgezonden als coproductie van de KRO en de BRT. De KRO herhaalde de uitzending nog een keer zeven jaar later in 1979. De bandopnamen lijken te zijn vernietigd, althans ze staan niet in de database van het Instituut voor Beeld en Geluid. De BRT (VRT) daarentegen had ze nog in haar archief bewaard. Een select gezelschap van oud-deelnemers mag ze voor privégebruik na betaling van een vrij geringe bijdrage downloaden en bekijken.

Wie was de inmiddels overleden professor Jos. Smits van Waesberghe, die dit spel heeft weten te reconstrueren? Hij is geboren in 1901 in Breda als zoon van de directeur van bierbrouwerij De Drie Hoefijzers. Na zijn gymnasiumopleiding aan het jezuïeteninternaat Sint-Willibrordus in Katwijk aan de Rijn, trad hij in 1920 in bij de jezuïeten. Na zijn studie in de filosofie studeerde hij muziek bij onder meer Marius Monnikendam. In 1928 werd hij leraar aan het Rotterdams Conservatorium, in 1943 aan het Amsterdams Conservatorium en in 1944 professor in de muziekwetenschap aan de filosofische opleiding van de Jezuïeten in het Berchmanianum te Nijmegen. Van 1947 tot 1957 was hij privaatdocent Muziek in de oudheid en middeleeuwen aan de Universiteit van Amsterdam en vanaf 1957 was hij gewoon hoogleraar aan dezelfde universiteit. Op 9 oktober 1986 overleed hij en Chris Maas schreef in het tijdschrift voor Nederlandse Muziekgeschiedenis een “in Memoriam”, waarvan ik hier het eerste stukje weergeef:

Hij was de laatste hoogleraar van wat men zou kunnen noemen de eerste generatie Nederlandse musicologen. Anders dan de grondleggers van de muziekwetenschap aan de Nederlandse universiteiten, Smijers te Utrecht en Bernet Kempers te Amsterdam, volgde Smits van Waesberghe niet een musicologische opleiding aan een buitenlandse universiteit, maar had hij zich, na zijn intrede in de Jezuïten-orde als autodidact gespecialiseerd in de muziek en de muziektheorie van de middeleeuwen. Met groot enthousiasme had hij zich geworpen op dit moeilijk toegankelijke en ook in het buitenland weinig bestudeerde gebied. Om zijn materiaal te verzamelen reisde hij langs honderden universiteits- en kloosterbibliotheken; het door hem privatim aangelegde microfilmarchief mag ook heden nog als uniek worden gekwalificeerd. Het getuigt van Smits’ grote begaafdheid èn van zijn grote werkkracht dat hij in 1936 het eerste deel kon publiceren van een groots opgezette “Muziekgeschiedenis der Middeleeuwen”. Na de oorlogsjaren is dit enorme project, waarvoor de grenzen van het Nederlandse taalgebied te beperkt waren, niet voortgezet, maar vervangen door een groot aantal deelstudies. Overziet men de honderden publicaties van zijn hand dan ligt het zwaartepunt op de Middeleeuwse muziek en muziektheorie, met als een van zijn belangrijkste studies de in het Latijn gepubliceerde monografie over het leven en de werken van Guido van Arezzo.

Zoals ik eerder aangaf is het niet duidelijk hoe er indertijd werd gezongen en gespeeld. Professor Smits van Waesberghe heeft er toch een zeker idee van, zoals blijkt uit wat hij zegt bij zijn afscheidsrede in 1971, bij de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft het daar over “de muzische mens”. Volgens hem moet bij zowel de uitvoeringswijze van het Gregoriaans, maar ook bij muziek van troubadours de beweging en de motoriek centraal staan. Deze manifesteert zich in praten, zingen en dansen. Hierbij wordt de mens onbewust geleid door een biologische “secondeklok”. Ik zou hem eigenlijk willen vragen: ‘Doe eens voor’, maar helaas: de man is dood.  Herman Hofhuizen, redacteur bij het toen nog dagelijks verschijnende blad de Tijd, interviewde hem naar aanleiding van dat afscheid. Door dat interview krijg je wel een beter beeld van de persoon Smits van Waesberghe, maar zijn visie op de uitvoeringspraktijk van middeleeuwse muziek wordt daarin ook niet echt duidelijk. (Daarover zo meteen meer bij het Rijnburgs Paasspel.)
Terug kijkende naar onze eigen uitvoering vind ik deze achteraf wat stijfjes en braafjes. Ik denk dat het spannender had gekund. Het zou me ook niet verwonderen als de uitvoeringspraktijk van een dergelijk spel in de loop der jaren steeds weer behoorlijk veranderde. Het zal vast een eeuw of nog langer op enkele plekken gespeeld zijn.
Voor ik verder in ga op het Normandische Paasspel eerst iets over twee andere Paasspelen uit de Middeleeuwen die in dit geval in het Nederlandse taalgebied zijn geschreven.

Maastrichts Paasspel. Dit Paasspel stamt uit het bezit van het tertiarissenklooster Maagdendries te Maastricht, in 1797 door de Fransen opgeheven. In 1801 werden de handschriften en boeken uit de opgeheven Limburgse kloosters te Maastricht geveild, behalve 120 handschriften en 352 oude drukken, die in 1839 in een donker vertrekje op de derde verdieping van het gouvernementsgebouw te Maastricht werden gevonden en naar Den Haag werden gestuurd: het bleek de basis van het onvolledige, maar toch nog omvangrijke Maastrichtse Paasspel. Dit Paasspel werd op basis van een bewerking door professor Jos van Waesberghe in 1969 in de OLV basiliek door studenten van het conservatorium uitgevoerd. Dit spel werd in zwart-wit door KRO-BRT opgenomen en eveneens met Pasen op TV vertoond.

foto uit Maastrichts jaarboek 1969

Hoe zou dat in de dertiende eeuw zijn uitgevoerd? In de Publications van 1871 (jaarboek LGOG) schreef H. Eversen hier iets over maar zijn bevindingen lijken me erg speculatief. Hij vermoedt dat het stuk buiten de kerk werd gespeeld.

Rijnburgs Paasspel. Later bleek het Maastrichtse Paasspel identiek te zijn aan een, nu wel compleet (!), handschrift dat in de abdij van Egmond werd gevonden, dat echter geen regie-aanwijzingen bevatte. Later bleek dat manuscript uit de tweede helft van de vijftiende eeuw bedoeld te zijn geweest voor het nonnenklooster van Rijnsburg.  Peter van de Coolwijk schrijft er in 2010 dit over naar aanleiding van een uitvoering door het Gregoriaans koor Utrecht:

Het spel werd in de tweede helft van de 15e  eeuw opgeschreven in het schrijfatelier van de abdij van Egmond en werd eeuwen later in de koninklijke bibliotheek te Den Haag teruggevonden. Het werd eerst aan de abdij van Egmond toegeschreven, maar bleek bestemd te zijn geweest voor het vrouwenklooster in Rijnsburg. Inmiddels zijn talloze Paasspelen opgedoken en bestudeerd. Opvallend aan de versie uit Rijnsburg is de beginscène waarin de vrouwen balsem gaan kopen. Verder is het vrijwel identiek aan het Paasspel zoals dat rond 1200 in de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Maastricht gespeeld werd. In het Rijnsburgse manuscript zijn enkel de tekst en muziek opgeschreven. Het Maastrichtse handschrift geeft ook aanwijzingen voor de uitvoering van het spel. De oorsprong van de spelen ligt in de liturgie van de Goede Week. Op vrijdag werd Christus symbolisch begraven door een kruis te leggen in een nis, kast of soms een aparte kapel in de kerk, die het heilig graf genoemd werd. Op Paasmorgen vóór de mis trok de priester naar dat heilig graf en werd dan door een diaken toegezongen : “Wie zoekt ge?”. Het antwoord was : “Jezus, de Nazarener.” De diaken weer : “Die is verrezen!”. Daarop werd het kruis aan de aanwezigen getoond en was in de stijl van de vrouwen uit Galilea de verrijzenis van Christus aangekondigd. Vanaf de 10e eeuw werd dit ritueel verder uitgebreid, waarbij de evangeliën teksten leverden maar ook de fantasie van de auteur meespeelde. In kloosters en kapittelkerken werd het spel gespeeld na het tweede responsorium van de (korte) metten van Pasen als een bijna onontkoombare remplaçant van de derde lezing; het respons daarop was het Te Deum laudamus.

Ook het ensemble “Quem Quaeritus” voerde het Rijnburgse Paasspel in 2016 uit. Een fragment daarvan staat op youtube:

Marcel Zijlstra, onder wiens leiding dit Paasspel toen werd uitgevoerd, voerde veel eerder ook al eens met zijn ensemble het zogenaamde Daniëlspel uit. Over dat spel en liturgische spelen in het algemeen, ook hun mogelijke plek in de liturgie, schreef hij in 2003 een interessant stuk in het blad Madoc. In 1996 voerde hij dat spel uit op enkele plekken in de verenigde staten. Hiervan werd ook een geluidsopname gemaakt, voorafgegaan door een interview met hem. Dat interview en een klein stukje van het spel kun je hier beluisteren.

De regie-aanwijzingen van het spel van Maastricht waren verder zodanig dat het vrijwel zeker is dat het voor een hoogaltaar werd uitgevoerd. Volgens Dom J. Hof van de abdij van Egmond (1954, archief voor kerkhistorie) is het aannemelijk dat het stuk uit Egmond het oudste is en daar geïntroduceerd werd toen er een abt uit Gent in Egmond werd aangesteld. Zijn uitgebreide artikel over Paasspelen in het Nederlandstalig gebied geeft interessante informatie hierover. In dat artikel wordt ook een link gelegd naar het handschrift van Tours. (Archief voor kerkgeschiedenis XL, pagina 145). Het afschrift voor het nonnenklooster van Rijnsburg zou dan weer gebaseerd kunnen zijn op een veel ouder, inmiddels verloren gegaan origineel.

Het Normandische Paasspel

Dan nu terug naar het Normandische Paasspel zoals in 1971 uitgevoerd. Jos Smits van Waesberghe schreef zelf het volgende ten geleide:

Met passen en meten – wat veel tijd heeft gevergd – is dit paasspel tot stand gekomen. Het grootste deel ervan – onze hoofdbron – is bewaard gebleven in een handschrift uit de stadsbibliotheek van Tours (Handschrift 927). Doch dit is een onvolledig afschrift; de oorspronkelijke volledige optekening ging – voor zover bekend – voorgoed verloren.
In dit in Tours bewaarde afschrift ontbreken enige belangrijke scenes, zowel aan het begin, in het midden en aan het slot. Door vergelijkingsstudie met andere Paasspelen konden begin en slot zonder veel moeite gereconstrueerd worden. Het begin haalde ik uit de “Carmina Burana”, het slot uit het zogenaamde Nederlandse Paasspel, voorheen het Maastrichts Paasspel genoemd.
Erger is het ontbreken van enige bladzijden in het afschrift van Tours midden in het spel. De lange rouwklacht, door Maria Magdalena gezongen, wanneer zij op Paasmorgen in de Graftuin vergeefs naar het lichaam van Christus zoekt, wordt plotseling afgebroken bij NR. 60. Wat na deze onderbreking volgt, nr, 71, is het einde van een geheel andere scene: Maria Magdalena wijst Petrus de weg naar het graf. Tussen deze twee teksten in moet eerst de Magdalenascene gespeeld zijn: het weerzien van Maria Magdalena met de als tuinman verklede Christus. Deze scene hebben we kunnen aanvullen uit het Nederlands paasspel (61-67).
Hierna verplaatste zich het spel naar Petrus: in een monoloog verhaalde hij eerst wat hem in de nacht na het verloochenen van de Heer is overkomen; vervolgens moet hij bericht hebben ontvangen van de verrijzenis en van de verschijning aan Maria Magdalena.. En hier gaat dan het handschrift van Tours verder (nr. 71).
Ondanks vele onderzoekingen zijn wij er niet in geslaagd deze Petrusscene te vinden. Wel konden wij – zij het veel beknopter dan in het verloren origineel – de scene aanvullen uit een fragment in handschrift 201 van de stadsbibliotheek van Orléans (nr. 68-70).
Waar komt dit Paasspel vandaan? Wij hebben het – misschien wat te voorzichtig – “Normandisch Paasspel” genoemd, daarmede doelend op het gebied van de Normandische cultuur na de verovering van Engeland door Willem de Veroveraar (1066-1071). Westelijk wordt dit begrensd door Zuid-Engeland; noordelijk door het graafschap Vlaanderen (Gent); oostelijk door de beginloop van de Seine-Oise (Orléans, Fleury) en zuidelijk door de Loire (Tours). Het kan dus best zijn dat we met een Vlaams Paasspel te doen hebben. Maar bewijzen kunnen we dat niet. In zijn oorspronkelijke opvoering gaat het terug tot het midden van de twaalfde eeuw.

De oorspronkelijke versie van het Normandische Paasspel dateert volgens professor van Waesberghe zo van rond 1150. Dat was een bijzondere tijd. Ik heb er al vaker over geschreven. Het is de tijd van de enorme uitbreidingen en versieringen van de Servaaskerk en de OLV-basiliek in Maastricht. Het was de tijd van Hildegard von Bingen. Het was de tijd van keizer Frederik Barbarossa en zijn opvolger Hendrik. Het was de tijd van kerkelijke vernieuwingen maar ook van de investituurstrijd. Vlaanderen en Noord-Frankrijk waren economisch welvarend en daar begonnen handelssteden als Brugge en Gent zich enorm te ontwikkelen. Het Normandische rijk strekte zich ver uit, delen van Engeland maar ook Sicilië en Zuid-Italië werden onderdeel. Wat kregen de kloosters van die veranderingen allemaal mee? En dan hebben we ook nog de kruistochten. Er was een fanatiek en op veel plaatsen onverdraagzaam Christendom ontstaan. Met die achtergrond werd ook het Normandische Paasspel geschreven. Natuurlijk waren de farizeeërs, joden, in de ogen van de toenmalige Christenen niet te vertrouwen. Dat zal vast ook uitgespeeld zijn bij de eerste scene. Ik denk dat ze in hun spel een valse blik moeten hebben en dat ook de muziek irritant moet worden gezongen. De raadgevers van Pilatus gingen met hun denken mee, alleen de vrouw van Pilatus probeerde wat tegenwicht te bieden. Die psychologische achtergrond zou denk ik een sterkere rol hebben kunnen spelen bij onze uitvoering. De scenes waarbij de drie Maria’s bij het graf komen met engelen zou nog meer niet alleen de droefheid, maar vooral ook de verwarring van deze vrouwen moeten uitbeelden. De ellende van Maria Magdalena zou voor mij veel meer uitgespeeld mogen worden. Het tot drie keer toe “Heu”, “ach ik”, zou als een klacht bij de klaagmuur moeten klinken, of als “huilvrouwen” bij de wake bij het dode lichaam van een voornaam iemand. Toch, ik heb het spel inmiddels enkele keren terug gekeken, zie ik de liefdevolle en knappe regie van Ben Mettrop, met het bijbehorende mooie camerawerk. En kun je met wat inlevingsvermogen het drama zoals dat zich afspeelde na de dood van Christus meebeleven. En het Gregoriaans klinkt goed. Eigenlijk is het ongelooflijk dat de Nederlandse Omroep zo’n prachtig document waarschijnlijk zo maar heeft weggegooid.

Ik heb gehoord dat L1, de regionale omroep van Limburg, overweegt om het stuk opnieuw uit te zenden. In de versie van 1972 uiteraard. Dat zou fantastisch zijn. Ik zal als dat gebeurt tegen die tijd nog een keer iets meer over de tekst schrijven. Nu volsta ik met het toelichten en plaatsen van twee geluidfragmenten en met wat afbeeldingen uit die scenes.

Scene I

In scene I zien we eerst hoe hogepriesters proberen om Pilatus te beïnvloeden om het graf te gaan bewaken. “Straks gaan ze nog zeggen dat er een wonder is gebeurd!” Pilatus aarzelt en vraagt zich af of dat bewaken strafrechtelijk wel kan. De vrouw van Pilatus vindt het in ieder geval onzin en de eer van Pilatus zou er door worden geschonden, zoals ze in een nachtelijke droom zag. Maar ook de raadgevers van Pilatus staan achter de ideeën van de joden en vinden eveneens dat hij het graf moet laten bewaken door soldaten. Pilatus gaat overstag, roept zijn soldaten en geeft hen de opdracht om het graf te gaan bewaken.

1. HOGEPRIESTERS
O domine, recte meminimus, Heer, wij herinneren ons heel goed,
quod a turba, saepe audivimus, onder ’t volk hebben wij het vaak horen zeggen
seductorem consuetum dicere: dat die bedrieger herhaaldelijk beweerde:
Post tres dies volo resurgere. “Na drie dagen zal ik verrijzen.”

2. PILATUS
Sicut mihi dictat discretio Als ik uw listigheden goed begrijp
et astuta vestra cognitio, en uw sluwe gedachten raad,
mihi crimen vultis imponere, dan wilt ge mij een misdaad doen begaan
de Jesu, quem fecistis perdere. met Jezus, die gij hebt laten doden.

3. HOGEPRIESTERS
Vestra virtus et sapientia. Wij kunnen uw moedig, wijs
nobis valde est necessaria beleid niet missen
seductores namque discipuli want zijn leerlingen, die bedriegers
machinantur ruinam populi bewerkstelligen de ondergang van het volk.

4. VROUW VAN PILATUS
Versutia horum non faciat, Laat het door hun listen niet zover komen,
ut sepulchrum praeses custodiat: dat gij als landvoogd het graf laat bewaken;
ventra namque perpendat gloria, want uw eer zou ervan afhangen,
quanta passa fui per somnia. zoals ik in mijn nachtelijke dromen heb gezien.

5. RAADGEVERS
Militibus ergo praecipias Geeft gij nu al vast soldaten de opdracht
Custodire noctis vigilias, de nachtwake op zich te nemen,
ne furentur illum discipuli, opdat zijn leerlingen hem niet weghalen,
et dicant plebi: Surrexit a mortuis. en tegen het volk zeggen: Hij is uit de doden verrezen.

6. PILATUS
Venite ad me, milites Komt bij mij, sterke
fortes atque incolumes; en geoefende soldaten;
diligenter pergite voert nauwgezet uit
Quod vobis dico, facite: wat ik u opdraag:
tres dies cum noctibus houdt drie dagen en nachten
vigilate cum studio, met toeleg de wacht,
ne furentur discipuli opdat zijn leerlingen hem niet weghalen
et dicant plebi: en tegen het volk zeggen:
Surrexit a mortuis. Hij is uit de doden verrezen.
Ite, vos milites, sollerti cura Gaat nu, soldaten een goede wacht
vobis commissa sit sepultura. over het graf zij aan u opgedragen.

Hieronder zie je de hogepriesters, Pilatus, de vrouw van Pilatus en zijn raadgevers

Scene VII

Zoals professor van Waesberghe al vertelde is scene VII gehaald uit het Nederlandse, voorheen bekend als het zogenaamde Maastrichtse Paasspel. Als je goed luistert kun je dat ook horen, de muziek is iets uitbundiger als de muziek van de eerdere delen. Het laatste fragment van scene VII hoort eigenlijk al bij de erop volgende Petrusscene, en die komt dus uit het handschrift van Orléans. De muziek breekt af als Maria Magdalena nog “Alleluia” wil zingen, maar precies op dat moment is er een storing in het beeld en het geluid van de band, dat heb ik dus weggelaten.

In deze scene zien we hoe Maria Magdalena Christus ontmoet, maar eerst heeft ze nog niet door dat hij het is. Opeens komt ze er achter als hij haar naam noemt, maar hij vraagt haar om hem niet aan te raken. Ze realiseert zich dat ze een verschijning heeft gehad en opgetogen wil ze dat gaan vertellen.

61. CHRISTUS
Mulier, quid ploras? Vrouw, waarom weent ge?

62. MARIA MAGDALENA
Quia tulerunt Dominum meum Omdat ze mijn Heer hebben weggehaald,
et nescio ubi posuerunt Eum. en ik niet weet, waar ze Hem hebben neergelegd.

63. CHRISTUS
Mulier, quid ploras, quem quaeris? Vrouw, waarom weent ge, wie zoekt ge?

64. MARIA MAGDALENA
Domine, si tu sustulisti Eum, Heer, indien Gij Hem hebt weggenomen,
dicite mihi ut ego Eum tollam. zegt het mij opdat ik Hem meeneme.

65. CHRISTUS
Maria!

66. MARIA MAGDALENA Rabboni! (quod dicitur: Magister) Rabboni! (dat betekent: meester)

 67. CHRISTUS
Noli me tangere. Raak me niet aan.
nondum enim ascendi ad Patrem meum, nog niet ben Ik bij mijn Vader,
Deum meum et Deum vestrum. bij mijn God en Uw God.
Alleluia

68. MARIA MAGDALENA
Congratulamine mihi omnes Verheugt U nu met mij, gij allen,
qui diligitis dominum! die de Heer bemint.
quia quem quaerebam, want Hij die ik zocht,
aparuit mihi, is aan Mij verschenen,
et dum flerem ad monumentum toen ik treurde bij zijn graf  
vidi dominum meum. zag ik Hem, mijn Meester.

Hieronder zie je Christus en Maria Magdalena

In dit Paasspel waren er drie bescheiden rolletjes voor mij, zo was ik een van de raadgevers van Pilatus, maar ook liep ik op de markt als een van de figuranten. Tot slot mocht ik ook nog wat zingen als een van de 12 apostelen bij een van de laatste scenes. Het terugzien van de opnames haalde ook allerlei andere herinneringen boven. Ik moest denken aan mijn tijd aan het Conservatorium. Net pas 21 jaar. Pas een half jaar woonde ik toen op kamers in Maastricht. Mijn gedachten gingen naar al die medestudenten en de spannende dingen die je toen met elkaar mee maakte. Sommigen van hen, die je ook in de opname ziet, zijn inmiddels overleden. Weemoed overvalt me…

Het was zoals gezegd de tijd dat het Rijke Roomse leven ten einde liep. In die tijd ging ik net als mijn ouders, broer en zussen al niet meer naar de kerk. Mijn moeder vond het een poppenkast, terwijl ze eerder, in mijn kinderjaren zeer vroom was. De ontwikkelingen waren te snel gegaan, doorgeschoten. Maar me echt afzetten tegen de kerk heb ik nooit gedaan. Alleen al door de liefde voor muziek die ik ook door de kerk had mee gekregen. En het meedoen aan dit Paasspel was heerlijk.

Geplaatst in Geschiedenis, muziek, theater | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Orgels en treinen

-‘Je kleinzoon gaat vandaag naar Antwerpen?’
-‘Naar Antwerpen?’
We keken de leidster van de buitenschoolse opvang verwonderd aan. Wat was hij nu weer aan het fantaseren? Mijn vrouw en ik haalden hem op want hij zou twee nachtjes komen logeren. In de auto legde hij uit dat hij naar het “Simons-orgel” in Antwerpen ging. Hij had het over zijn met blokken en duplo gemaakte orgel bij ons in de huiskamer. Dat orgel had vijf klavieren, dus dat was natuurlijk het orgel met vijf klavieren dat hij via youtube kende, en dat stond dus in Antwerpen. Alleen het had inmiddels een nieuwe naam: het “Simons-orgel”. Hij verheugde er zich de hele dag al op dat hij daar op kon gaan spelen. Op zijn mooie Simonsorgel verzorgde hij voor ons een Pinksterconcert. Het programma bestond uit drie stukken: eerst speelde hij de kleine orgelfantasie (uit deel drie van zijn orgelmethode, mijn vrouw moest omslaan.) Daarna volgde een orgelstuk van Feike Asma. Het klapstuk was een orgelbewerking van een cantate van Bach. Na een korte toelichting ging hij achter de speeltafel zitten. Zeer geconcentreerd. Zijn handen gingen omhoog en bleven stil boven een van de vijf manualen hangen. Hij haalde adem, en toen betastten zijn handen behendig de toetsen (houten blokken) en de registratieknoppen (duplo). Zijn voeten gingen over het pedaal (losse duplo-stenen). Achter het orgel zag je indrukwekkende orgelpijpen (duplo). Het geluid schalmde door de concertzaal van Antwerpen (uit zijn mond). Het was een prachtig concert dat met twee camera’s werd vastgelegd. Ik denk dat de leidster van de BSO haar ogen en oren niet zou hebben kunnen geloven.

Maar intussen bleef hij nog veel meer spelen, nu op andere orgels. Uit het Thomassenorgel van de Laurenskerk klonk de beroemde toccata van Bach als ware het een indrukwekkend “Te Deum”.

De laatste middag van de logeerpartij gingen we met de trein naar Den Haag, naar de zus van mijn vrouw. Op de terugweg mocht hij met mijn telefoon foto’s maken. Bij Den Haag CS was onze trein net weg. Tijd zat dus. Hij rende van hot naar her over alle perrons om alle treinen en andere dingen die hij bijzonder vond vast te leggen. Het herinnerde hem aan een eerdere hobby waar hij al bijna een jaar lang niets meer mee gedaan had: treinen!

Op mijn Hauptwerkorgel speelde hij bij bovenstaande film zijn eigen achtergrondmuziek.

Maar het Simonsorgel moest worden afgebroken. De logeerpartij was voorbij en enkele dagen later, als ook zijn broer en zusje weer zouden komen, moesten die ook kunnen spelen. Huilen! Ik nam de doos met duplo en de blokken mee naar mijn werkkamer waar hij ook op het hauptwerkorgel mag spelen. Zullen we hem daar woensdag weer opnieuw opbouwen, dan heeft niemand er last van? Met enige tegenzin ging hij akkoord. Ook in zijn eigen huis neemt de kerk die hij daar gebouwd heeft het halve huis in beslag. In de gang moet je stil zijn (het is een kerk!) Poppen fungeren als heiligenbeeldjes en halverwege de trap zijn twee manualen van het orgel. Iedereen loopt er omzichtig om heen, tenzij hij er over struikelt.. Ook die manualen bleken opzij gezet te zijn in de dagen dat hij bij ons was, opnieuw was hij boos!

Nu, opeens hoeven de orgels niet meer. Voor zijn verjaardag wil hij iets met treinen. Iedereen had al cadeautjes verzonnen met orgels. Dat wordt nog wat.. Ik liep met hem mee naar zijn huis. Onderweg liet hij me diverse spoorstations zien. Schoonhoven Alexander, Schoonhoven Lombardijen en bij Schoonhoven Blaak was er een tunnel. Thuisgekomen pakte hij zijn fiets en reed er op als in een trein, langs allerlei stations.. Helemaal in zijn eigen spel. Hij was de machinist en hij zag onderweg allerlei SLT-tjes en dubbeldekkers..

Hoe gaat het nu met het orgel? Enkele dagen later in de Sint Jan van Gouda waar hij orgelles heeft improviseerde hij toen zijn docent een beetje te laat was op het echte Moreau orgel. Eindelijk kon hij weer eens met pedalen spelen, niemand die het hem verbood! Jeeh! Dat is misschien toch wel het leukste speelgoed dat er is.

Hij vindt uit zijn hoofd spelen gelukkig nog steeds erg leuk en blijft dat doen. Maar in zijn fantasiespelletjes is hij op dit moment niet meer een organist maar is hij een machinist. Zo is dat vaker gegaan. Zoals toen hij rond Sinterklaas weer helemaal in de ban was van sterren en planeten. Hij wilde alleen maar cadeautjes met sterren en planeten.. Dat is nu alweer een hele tijd voorbij. Alles wat hem ooit fascineerde blijft gelukkig  terug keren. Zolang het maar niet in een verkeerd hokje in zijn hersens terecht komt. Dan wil hij er opeens helemaal niets meer van weten. Maar in zijn rollenspel is er maar één plaats tegelijk mogelijk. En nu is die plaats gereserveerd voor een machinist.

-‘Opa, wanneer gaan we nog eens met de trein naar Tilburg? Ik wil nog eens in zo’n nieuwe sprinter zitten.’

Nu we weer snel een keer naar het buitenland mogen wil ik niet zo zeer naar Tilburg maar een keer met hem naar Antwerpen met de trein. Naar die mooie concertzaal. Met een orgel met maar liefst vijf klavieren!

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: | 4 reacties

Postromantiek in Franse orgelmuziek

Van de Franse organist Léon Boëlmann wordt tegenwoordig vooral de Suite Gotique nog gespeeld. Op Wikipedia lees je dat Boëlmann een vertegenwoordig is van Franse postromantiek. Wat is dat, Franse postromantiek?

Ik probeer dat een beetje te ontrafelen aan de hand van het derde deel van de Suite Gotique: Priëre à Notre Dame, gebed tot Maria. Ik denk dat we het vooral moeten zoeken in de manier waarop Boëlmann akkoorden gebruikt. De vorm van het stuk, de metriek en ook de ritmiek is erg traditioneel. We zien symmetrische voor-nazinnen in een driekwartsmaat. Maar de melodieën zijn in een kleurrijk akkoordenpalet gedompeld waar het stuk zijn grootste charme aan ontleend. Zo begint het met eerst een terts, dan een groot septiem en daarna een sext in de melodie boven een grote drieklank, prachtig! Maar we horen niet alleen mooie harmonische toevoegingen, het kleurenpalet maakt vooral ook gebruik van aparte akkoordwendingen. Ik probeer hier iets van uit te leggen.

Over het middendeel van deze Priëre zeg ik verder niets, maar ik laat hieronder wel zien wat er harmonisch gebeurt.:

Als je naar de muziek luistert, en vooral ook als je hem uitvoert moet je je voorstellen dat je in een kerk of in een kapel bent en je in gebed tot Maria richt. Je vraagt haar om hulp, maar het is geen indringende smeekbede. Iedere keer als de melodie omhoog gaat richt je je tot haar, en als de melodie daalt (dat gebeurt veel meer) denk je stil na over wat je haar vraagt. Vooral door de rijke akkoorden kun je je goed overgeven aan de serene stemming die bij dit gebed past.

Op youtube staan veel uitvoeringen van het stuk. De uitvoering van Cameron Carpenter is de meest romantische met veel afwisseling in de registraties maar met vooral ook veel vertragingen en versnellingen. Heel interessant en apart, maar voor mij is dit toch te veel van het goede. Ik vind van de uitvoeringen die ik beluisterd heb die van Gerben Budding op het Moreau orgel in de Sint Jan van Gouda de mooiste. De tempi zijn wat mij betreft precies goed, maar ook het registergebruik is erg mooi. Het stuk bestaat uit drie delen, je zou het ABA’ C AD kunnen noemen. ABA’ werkt als een soort expositie, C is een soort doorwerking, AD de reprise. Van C zie je hierboven de noten. Het eerste AB deel heb ik in het filmpje hierboven geanalyseerd. Gerben gebruikt bij de eerste AB dezelfde registratie als bij het A deel na de doorwerking. Het einde van de expositie, A’, geeft hij de zelfde registratie als Coda D. Je ervaart zo een vergelijkbare afronding bij de expositie ABA’ als bij de reprise AD. Ook C, de doorwerking, krijgt een aparte registratie en hier voegt hij af en toe kleine extra registraties in de loop van het deel toe om de spanningsopbouw die er door vooral de akkoorden ontstaat te ondersteunen. Niet alleen functioneel maar ook heel mooi.

Geplaatst in muziek | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Lente in de duinen

Het is al meer dan een maand veel te koud. In de natuur is alles daardoor aan de late kant. De laatste dagen is er ook nog eens veel regen gevallen. Het is groeizaam weer.

In de duinen van Oostvoorne is het in deze tijd prachtig. Juist door die regen, maar ook door de talrijke bloemen, de bloeiende bomen en struiken ruikt het overal Zo lekker. Ik wandelde er met mijn vrouw en maakte foto’s van veel bloeiende planten: van de bosaardbei, brem, daslook, driekleurig viooltje, ereprijs, hoornbloem, robertskruid, kleine klaproos, kleinste vergeet-mij-nietje, klokje, koekoeksbloem, lelietje-der-dalen, longkruid, look-zonder-look, verschillende orchideeën, paardenbloem, rolklaver, tormentil, vleugeltjesbloem, waterranonkel, wikke, witte dovenetel en van het zenegroen. Daarnaast fotografeerde ik enkele bloemen die ik nog niet heb kunnen determineren. Langs een bepaald pad staan sinds enkele jaren enkele verwilderde kruisbesstruiken en er stonden al wat bessen aan. Ik nam op een plaats in de duinen wat vogelgeluiden op en die opname kon ik als achtergrond bij een film op basis van de foto’s gebruiken. Moe en voldaan, na een heel stuk nog langs het strand, kwamen we aan bij een favoriet restaurant met uitzicht op duinen en Maasvlakte. Het terras was weer open. Heerlijk!

Geplaatst in natuur | Tags: , | 1 reactie

De Suite Gothique vanuit St. Anne’s Mosely

Léon Boëllmann werd in 1862 geboren in Ensisheim in de Elzas als zoon van een apotheker. In 1871 ging hij op negenjarige leeftijd naar de “École de Musique Classique et Religieuse” in Parijs, waar hij studeerde bij de directeur, Gustave Lefèvre, en bij Eugène Gigout. Daar won hij eerste prijzen voor onder meer piano, orgel, contrapunt en compositie. Na zijn afstuderen in 1881 werd Boëllmann aangenomen als “organiste de choeur” in de kerk van St. Vincent de Paul in het 10e arrondissement van Parijs, en zes jaar later werd hij daar cantor en “Organiste Titulaire”. In 1885 trouwde hij met Louise, de dochter van Gustave Lefèvre en de nicht van Eugène Gigout. Bij de laatste ging het jonge echtpaar inwonen. Als favoriete leerling van Gigout kwam Boëllmann in de beste kringen van de Franse muziekwereld, en zo kon hij zowel in Parijs als in de provincies concerten geven. Hij stierf in 1897, slechts 35 jaar oud, waarschijnlijk aan tuberculose. Na de dood van zijn vrouw het jaar daarop voedde Gigout hun drie wezen op .

Gedurende de zestien jaar van zijn professionele leven componeerde Boëllmann ongeveer 160 stukken in allerlei genres. Hij lijkt op zoek naar een postromantische esthetiek zoals die gangbaar was in sommige kringen zo rond de eeuwwisseling . Zijn bekendste compositie is de “Suite Gothique” voor orgel uit 1895.  In dit vierdelige stuk experimenteert hij met name in het derde deel met allerlei bijzondere, harmonische klankkleuren. Het vierde deel is een briljante toccata die nog steeds erg populair is.

Mijn oudste kleinzoon luistert elke avond voor het slapen gaan naar muziek. Dat is tegenwoordig vooral vaak orgelmuziek. Laatst speelde hij een stuk en ik dacht: ‘hè, wat is dat, ik ken het.’ Het was een deel uit de Walküre van Wagner. Zijn vader wijst hem vaak op dat soort stukken en vertelt hem er dan wat meer over, want hij wil alles weten. Ook wil hij altijd weten hoe de componisten er uit zagen. Ik denk dat je inmiddels met hem een quiz kunt doen met afbeeldingen van beroemde componisten en ik denk dat hij ze bijna allemaal inmiddels herkent.

Maar hij heeft niet alleen een fabuleus visueel geheugen, nog meer verwonder ik me over zijn muzikaliteit en zijn muzikale geheugen. Toen ik nog les gaf op het conservatorium moesten studenten vaak muziek “afschrijven”, dat wil zeggen een muziek(fragment) eindeloos beluisteren en dan een aantal aspecten als akkoorden, de baslijn en de melodie van dat stuk in noten opschrijven. Dat werkt als een goede gehoortraining en uiteindelijk is het ook een goede oefening om de vormgeving van het notenbeeld te trainen. En spelenderwijs leer je het stuk goed kennen.
Over een maand wordt mijn kleinzoon acht jaar en inmiddels heeft hij acht maanden orgelles. Het noten spelen gaat wel beter maar hij heeft er eigenlijk nog steeds een broertje dood aan. Maar met zijn muzikaliteit en zijn muzikale geheugen is helemaal niets mis. Hij speelde voor mij de complete Suite Gothique van Boëlmann uit z’n hoofd, naar aanleiding van wat hij een aantal keren op youtube beluisterd had. Het eerste deel is op zich vrij eenvoudig maar staat wel in een toonsoort met drie mollen. Afgelopen les heeft hij net pas de toonsoort G, een toonsoort met een kruis geleerd. Stukken met drie mollen, dat duurt dus nog een tijdje. Hij is qua noten lezen “net uit de luiers” zoals je de stukken met witte toetsen zou kunnen noemen. Ik ken het stuk niet zo goed, dus ik heb de partituur van internet geplukt. Tot mijn verbazing speelt hij de melodie helemaal goed, ook de baslijn is goed en vrijwel alle akkoorden klinken zoals het hoort. (Een keer speelt hij een akkoord als majeur in plaats van als mineur, op een plek waar trouwens allebei goed zou kunnen). Tegen het einde zit hij metrisch wat te klungelen en af en toe moet hij ook een zwarte toets “zoeken”. Hij hoort dan dat de A fout is en maakt er onmiddellijk een As van. Maar zelfs het totale aantal maten klopt. Het stuk zit dus van A tot Z in zijn hoofd, met alles er op en er aan. Ik vind dit griezelig goed. Het doet me een beetje denken aan de verhalen van de jonge Mozart die een stuk onthield na het slechts een keer gehoord te hebben…

De andere delen van de Suite Gothique zijn langer en ze zijn ook een stuk moeilijker. Het tweede deel, een menuet,  daar komt hij nog voor een groot deel uit. In het derde deel worden vier mollen gebruikt (het staat in As majeur), maar er wordt ook voortdurend in gemoduleerd en er gebeuren harmonisch veel aparte dingen. Dit is typisch een voorbeeld van postromantische Franse romantiek. Hier komt hij (nog) niet uit. Het behoorlijk virtuoze laatste deel, de toccata, gaat dan eigenlijk weer een stuk beter. Maar ook hier moet nog veel gebeuren. Desondanks: wat hij zo alles bij elkaar laat horen is heel opmerkelijk. Het tweede deel liet hij afgelopen woensdag aan zijn orgeldocent horen. Midden in het stuk ging hij opeens de baslijn op het pedaal spelen. Thuis en ook bij mij heeft hij geen pedaal. Al gauw liep hij nu uiteraard een beetje vast, in ieder geval qua tempo. ‘Nee zei zijn leraar, nu je begonnen bent met pedaal wil ik dat je daar ook mee door gaat.’ Dat deed hij dus vervolgens. Het was een uitdaging waar hij aardig ver mee kwam. In een onderonsje merkte zijn docent op dat hem opviel hoe hij de dingen die hem niet helemaal lukten op een muzikale manier oploste en er een eigen draai aan gaf.

Hieronder een opname die ik maakte toen hij het eerste deel speelde, waar ik de noten van de partituur bij heb geplakt. Zo kunnen de kenners zien wat hij allemaal met zijn oren van het stuk opgepikt heeft. De pedaalpartij speelt hij in de linkerhand en de akkoorden van de linkerhand zitten soms in de bas maar meestal pikt hij die met de melodie mee. Hij maakt er op zijn gehoor feitelijk een prachtige reductie van, je kunt het dus ook zonder pedaal spelen zonder dat je iets wezenlijks mist. De opname is gemaakt als hij net voor de eerste keer op het gratis virtuele orgel van het software pakket “Hauptwerk” speelt. Je hoort de geluiden van het orgel van St. Anne’s Mosely, vlakbij Birmingham.

Op dat moment had hij nog niet het virtuele registreren ontdekt. Dat heeft hij inmiddels ook al aardig door, afgelopen donderdag gaf hij een “Hemelvaart Concert” op het virtuele Thomassen orgel van de Laurenskerk van Rotterdam. Daar is hij helemaal weg van, door de akoestische nagalm in de kerk.

Maar hier hoor je dus “Introduction – Choral”  uit de “Suite Gothique” van Léon Boëllmann vanuit de kerk van St. Anne’s Mosely.

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Ootmarsum en het Springendal

In november 2020 waren we al een keer een weekend in een hotel in Ootmarsum. Dat smaakte naar meer. Nu waren we een midweek in een appartement midden in de stad. Het was bitterkoud, het waaide veel en soms ook nog eens erg hard en tot overmaat van ramp regende en hagelde het regelmatig. Maar met de winterjas aan, een keer zelfs met wanten (!) en daaroverheen een pas gekochte poncho traden we de elementen tegemoet. Bij tijd en wijle was het trouwens ook weer best mooi weer!

We zagen nu iets meer van Ootmarsum dan een half jaar geleden. Het is een heel oud stadje dat er nog uitziet alsof er in eeuwen niets is veranderd. Ootmarsum, in het Nedersaksisch zeggen ze  “Oatmöske”, kreeg zijn eerste kerk in 770 en dat was tegelijk de eerste kerk in Twente. Daar begon de kerstening van de omgeving. In 917 bezocht Radboud, bisschop van Utrecht, Ootmarsum en kwam er op 29 november te overlijden.

In de middeleeuwen floreerde de handel in Ootmarsum, vanwege de gunstige ligging met doorgaande routes van oost naar west en van zuid naar noord. Rond 1300 kreeg de stad stadsrechten en met de aanleg van een dubbele rij grachten en aarden wallen werd het al snel een vestingstad. In de Tachtigjarige Oorlog veroverden de Spanjaarden Ootmarsum. Zij werden in 1597 door legers van Prins Maurits weer uit de stad verdreven, waarna de vesting werd ontmanteld. Aan de zuidzijde van de kerk is een kanonskogel ingemetseld met daaronder het jaar 1597 die hier aan herinnert. Het merendeel van de bevolking bleef na de reformatie rooms-katholiek, toch werd de kerk door de gereformeerden in beslag genomen. Maar in 1809 werd het kerkgebouw door koning Lodewijk weer aan de rooms-katholieken terug gegeven, omdat de protestantse gemeente veel kleiner was. De protestanten bouwden vervolgens een kleinere neoclassicistische kerk aan de Ganzenmarkt. Uit de oude kerk namen ze onder andere het orgel en een preekstoel uit 1674 mee. Nadat de romaanse kerktoren van Rijssen in 1826 grotendeels was ingestort liet het gemeentebestuur de toren van de Simon en Judaskerk uit voorzorg afbreken. De toren werd vervangen door een daktorentje boven de westgevel.

De opkomst van de industrie in Twente ging aan Ootmarsum voorbij; het bleef een akkerbouwstadje. Hierdoor stokte de ontwikkeling van de stad, wat in de tweede helft van de 20e eeuw een gunstig effect had op de toeristenindustrie: het nostalgische stadscentrum doet oude tijden herleven. Het wemelt er van de galerietjes en leuke modezaken. En door de hele stad heen staan overal mooie beeldjes.

Ootmarsum wordt ook wel siepelstad genoemd. De siepel (ui) wordt in overdrachtelijke zin ook als toeristische trekpleister gebruikt. Drie keer per jaar tijdens de bouwvakvakantie is er een siepelmarkt, die bezoekers trekt uit de wijde omgeving. In Ootmarsum zijn ook nog talloze vakwerkhuizen te vinden.

In het centrum van Ootmarsum bevindt zich de katholieke H.H. Simon en Judaskerk. Het is een erg oud gebouw opgetrokken uit Bentheimer zandsteen. Het gebouw dateert uit de dertiende eeuw en het is een opmerkelijk kerkgebouw omdat het kenmerken van een hallenkerk en een pseudobasiliek combineert. Typisch voor de pseudobasiliek zijn de muren van de zijbeuken die lager zijn dan die van de middenbeuk en de lessenaarsdaken boven de zijbeuken. De gewelfribben van hoofd- en zijbeuken ontspringen echter op dezelfde hoogte; dit is typisch voor een hallenkerk. De kerk is in verschillende periodes gebouwd. Het oudste zijn het schip en het westelijk transept uit de dertiende eeuw. De kerk is in 1969 gerestaureerd.

Zoals gezegd werd het orgel van de kerk door de protestanten meegenomen. Er werd daarom een nieuw orgel besteld met twee manualen en een pedaal. Dit kwam klaar in 1814 en is gebouwd door Franz Friedrich Epmann uit Essen. Epmann gebruikte deels oud pijpwerk. Het is bij diverse ingrepen in zowel de negentiende als twintigste eeuw gewijzigd. In 2006 is het schoongemaakt door Flentrop en toen zijn ook de windladen gerestaureerd. In 2017 heeft orgelbouwer van Vulpen nog verdere restauraties uitgevoerd. Alleen het tongwerk wacht nog op gelden voor de broodnodige restauratie.  

Het Springendal

Ten noorden van Ootmarsum is er een groot natuurgebied van ongeveer 355 hectare, het Springendal. Dat is een erosiedal in de stuwwal van Ootmarsum dat dateert uit het Saalien (De voorlaatste ijstijd, 150.000 jaar geleden). Tegenwoordig zijn dit soort stuwwallen lager dan toen ze net gevormd waren. Dat komt doordat het ijs er, na de vorming, in een later stadium overheen gegleden is en ze heeft afgeslepen. Het gebied staat bekend om zijn bronnen, beken, heuvels en grafheuvels.

In het natuurgebied ontspringt bronwater op drie plaatsen. Deze plaatsen zijn te herkennen aan de bosmeertjes die in het Springendal te vinden zijn. Het gebied was eigendom van de Enschedese textielfabrikant Jannink maar is nu in handen van Staatsbosbeheer en het Overijssels Landschap. Het is een heerlijk gebied om er te wandelen wat heel makkelijk kan via een knooppuntennetwerk.

Ik maakte een film op basis van filmmateriaal en foto’s die ik er genomen heb. Pianomuziek van Ciurlionis, maar ook de originele opnamen van vogelgeluiden ter plaatse, vormen samen de achtergrondmuziek.

Geplaatst in Geschiedenis, natuur | Tags: , , , , | 5 reacties

Nog 20 dagen

-‘Kan ik u ergens mee helpen?’
We zaten in de zon beschut tegen de wind op een terras. Heerlijk, met een biertje en even later ook nog met een bittergarnituur. Het was het eerste weekend na de opening van de terrassen en winkels. Ons terras zat vol met gezinnetjes, jongeren maar ook ouderen als wij. En de huidskleur van de gemiddelde bezoeker van het terras kwam overeen met die van de gemiddelde bezoeker van de binnenstad van Rotterdam: Je zag meer donker- dan licht-getinte mensen. Zo ook bij het jonge personeel dat uiterst aardig was tegen iedereen. Een echtpaar dat langs kwam vroeg of ze even naar de WC mochten. Zonder enige aarzeling werd hen de weg naar het toilet gewezen. Een onhandig dienstertje liet een bakje met mayonaise van haar dienblad glijden. Een ander meisje zag het en ging onmiddellijk wat servetjes pakken om de knoeiboel op te ruimen. Iedereen bleef vriendelijk en gemoedelijk om zich heen kijken. Naast ons zat een echtpaar met een zoontje van een jaar of negen. Elk lid van het gezinnetje had wat veel kilo’s aan zijn lijf maar er werd desondanks heerlijk gebunkerd en gesmuld van de patat en de gyrosbroodjes.
‘Wat heerlijk dat dat nu weer kan’.
Er liep veel personeel rond, dus iedereen had tijd zat. Ook voor een praatje met de gasten. Met een opgewekt en blij gezicht werden alle cliché’s over de coronacrisis herhaald en beaamd. Maar iedereen bleef blij kijken, lachen en grapjes maken. Wat zouden de meisjes van de bediening de afgelopen maanden gedaan hebben? Zouden ze hier voor de sluiting van de horeca ook al gewerkt hebben? Zouden ze opgetrommeld zijn via een uitzendbureau? Het maakte niet uit. Iedereen was blij.

Iets eerder liepen we door de stad op zoek naar een poncho. We gaan er op uit en de voorspellingen zijn dat het de komende week heel veel gaat regenen. We vonden er een bij de ANWB-winkel. Maar wat was het druk overal! Omdat er nog beperkingen zijn met het aantal klanten moest er bij veel winkels gewacht worden. Er stonden overal wachtrijen. Soms zelfs ongelooflijk lange wachtrijen. Op een plaats stond net als bij de Efteling een bordje met hoe lang de wachtrij was vanaf dat punt: een uur! Maar de mensen stonden er geduldig. Zonder afspraak konden ze schoenen gaan kopen! Daar hadden ze wel een uur wachttijd voor over. De binnenstad was een pretpark vol met blije, geduldig wachtende mensen.

Nog iets eerder waren we in het Museumpark. We wilden nu eindelijk wel eens de “Badkuip” zien, de nieuwste architectonische attractie van Rotterdam. Het gaat om het spiegelende museumdepot van Boijmans van Beuningen dat in het najaar geopend gaat worden. Het enorme gevaarte lijkt helemaal klaar te zijn maar er omheen zijn nog allerlei infrastructurele werkzaamheden bezig. Ook het architectuurmuseum ligt net als Boijmans zelf op de schop. Zo kennen we Rotterdam. Altijd wordt er overal weer gebroken en gebouwd. Jarenlang is het dan een enorme puinhoop. Maar dan is er weer iets klaar, zoals ook de Coolsingel nu eindelijk min of meer “klaar” is. Hij oogt veel rustiger met mooie fietspaden. Er worden prachtige dingen gemaakt in Rotterdam.

We liepen rond de badkuip. Rotterdam heeft nu een Kuip en een Badkuip. Ook de Badkuip lijkt een lieveling te worden van de inwoners. Vlak voor de Badkuip is er een skatebaan aangelegd. Er wordt gerolschaatst, gestept, geskateboard. En je kunt er koffie krijgen. Het was niet veel warmer dan tien graden. Maar de mensen liepen met open jas, zelfs met T-shirt en een man zat met ontbloot bovenlijf op een bankje. En we zagen dat er afgeteld werd tot het Eurovisie Songfestival, dit jaar in Rotterdam, gaat beginnen. Nog 20 dagen! Dan krijg ik trouwens ook mijn tweede vaccinatie. En intussen tellen we ook af naar de verdere versoepelingen. 20 dagen. puh! Peanuts.

Geplaatst in maatschappij | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Bezoek aan het Bonnefanten Museum in Corona-tijd

Afgelopen week was het “museumweek” en mensen met een museumjaarkaart konden naar 17 musea in Nederland gaan. Daar moest je dan wel wat voor over hebben. Voordat je aan dat avontuur ging beginnen moest je je realiseren dat je niet alleen een Museumjaarkaart nodig had maar ook dat je maar liefst twee apps op je telefoon moest installeren. Dus ook een smartphone was een vereiste. De apps heetten Close en CoronaCheck. Close is een evenementen app. Op de website waar alles werd uitgelegd stond onder meer:

Bezoeken tijdens deze pilot kan alleen met een Museumkaart. Kinderen zonder Museumkaart kunnen dus niet mee. Om mee te doen met deze pilot is een smartphone noodzakelijk. Alle communicatie na de reservering verloopt via de Close-app. Het negatieve testbewijs krijg je via de CoronaCheck-app. Zodra je de reservering hebt gemaakt krijg je automatisch uitleg over het gebruik van deze apps.

Sommige musea waren voor deze pilot geopend van maandag tot en met woensdag, andere van donderdag tot en met zaterdag. Ik wilde graag de tentoonstelling rond Pieter Brueghel bezoeken in het Bonnefanten museum in Maastricht. Dat was dan tegelijk een mooi smoesje om weer een keer naar Maastricht te gaan. Dus ik reserveerde een tijdslot op vrijdag 23 april om 14 uur. Dat lukte, er was nog plek. Nu moest je dit invullen in de inmiddels geïnstalleerde close-app. Die verwees je dan naar een site waar je een evenementen sneltest kon regelen. Deze test moest op dezelfde of voorafgaande dag plaatsvinden. In mijn geval kon ik kiezen voor een locatie in Rotterdam of eentje in Gorinchem. Ik koos voor de laatste, omdat Gorinchem min of meer op de route ligt naar Maastricht. Toen moest je daar een tijdstip voor de test regelen. Ik zou getest worden op vrijdag 23 april om 10 uur. De uitslag van de test zou je per mail binnen een half uur gestuurd worden met daarbij een unieke code, die via SMS bevestigd moest worden. Onderweg ter hoogte van Den Bosch bleek ik negatief getest. Wat is negatief de laatste tijd een heerlijk positief woord! Mijn vrouw die op de valreep ook mee wilde had ook op die tijd een test geregeld en zij was ook negatief. Als ze ergens over zeurde zei ik de hele dag: ‘je bent negatief’ en dan was ze weer blij. De unieke code die we gekregen hadden moest nu weer ingevuld worden in de CoronaCheck-app. Die maakte daar weer een QR-code van, en als je dan bij het museum kwam moest je die code, de reserveringscode van Close en de museumjaarkaart laten zien. Ik realiseerde me steeds meer hoeveel geld dit niet allemaal gekost moest hebben. Voor de bezoeker was het allemaal gratis. Het feit dat alles een beetje een soort evenemententest was en dat ik een bijdrage daar aan leverde voelde toch een beetje ongemakkelijk, het was voor mij eerder een smoesje. Maar: we mochten naar binnen!

Gedurende een kleine twee uur bezochten we de tentoonstelling “Brueghel en tijdgenoten, kunst als verborgen verzet?” en de tentoonstelling “Huid”, met bijdragen van meerdere kunstenaars over dingen die met het begrip “huid” te maken hebben. Om met die laatste tentoonstelling te beginnen, die was misschien nog het meest interessant. 16 kunstenaars namen hier aan deel.

De onderwerpen liepen uiteen van hoe dingen voelen (je mocht soms ook voelen met je handen of ook met je blote voeten over verschillende dingen lopen). Ferdi Tajiri, op 42-jarige leeftijd in 1969 overleden, maakte van schuimplastic, overtrokken met bont, allerlei objecten. Nog steeds imponerend.

Sommige objecten hadden als onderwerp “hoe verschillend de kleur van huid kan zijn” en je zag ook kledingstukken met een huidskleur. Over de sociale gevolgen van je huidskleur en een bijbehorende film die bestond uit een TED-Talk. Aangrijpend vond ik “Sneeuwwitje in het verkeerde verhaal”. Je ziet sneeuwwitje in een kist liggen, met angstige, opengesperde ogen terwijl ze door dwergen wordt bespied. Marlene Dumas weet je altijd weer te raken. Ook fascinerend was de robot “Annelies” van de tweeling Raeven.  Voorovergebogen op haar billen zit een oude vrouw met een getekend gezicht. Ze lijkt heel veel gehuild te hebben. Je kunt de huid tot op de poriën zien. Af en toe beweegt ze een beetje of maakt ze licht hoestende geluiden. Omdat ze dat zo weinig doet trekt ze extra de aandacht en blijf je er lang naar kijken. Heel levensecht, prachtig gemaakt maar ook de plaatsing in de zaal werkte erg goed.

De tentoonstelling had ook een educatieve component. In een aparte ruimte konden groepjes kinderen tekenen, er waren ook allerlei voel-opdrachten en meer. Maar deze dag dus niet.

De tentoonstelling over Brueghel was de voornaamste aanleiding van mijn bezoek. Ik was nieuwsgierig naar de historische context van zijn schilderijen. Veel verder dan het laten zien van het embleem van de Habsburgers op de vaandels van de soldaten die op weg waren met Jezus naar Golgotha kwam het eigenlijk niet. Op zich is dat natuurlijk wel opmerkelijk, men wist natuurlijk heel goed dat in de tijd van Christus de Romeinse soldaten niets met de Duitse adelaar van doen hadden, waarom dat dan toch laten zien? Maar als je kijkt naar de vele schilderijen met deze scene vanaf ongeveer 1550 tot 1650: je ziet het steeds weer. Niet alleen Pieter Breughel de Jonge liet het zien, ook tijdgenoten schilderden deze emblemen op de vaandels. Was het een algemeen stil verzet tegen de machthebbers? Het zou kunnen, maar veel verder dan dit kwam het verhaal over de historische context niet.

Een bepaald schilderij kwam iets van vijf keer langs, telkens gemaakt met tussenliggende jaren. Het was duidelijk een soort duplicaat. Er werd blijkbaar weer ergens in een kerk of klooster “een lijdensweg” gevraagd en men kwam uit bij het atelier van Brueghel. Dat schilderij werd dan weer geleverd op basis van eerder gemaakte versies. Je ziet dat de hele compositie steeds hetzelfde is, maar toch zijn er telkens weer wat dingen veranderd. Het intrigeert me dan: wat zou de reden van die veranderingen kunnen zijn? Vond de kunstenaar het gewoon leuk om wat dingen een beetje anders te tonen? Of beviel hem dat eerdere detail niet meer? De tentoonstelling was verder vooral de moeite waard doordat ook een aantal andere werken van Brueghel, en ook van tijdgenoten getoond werden. Mooi was ook om in deze context te zien hoe iets latere kunstenaars als Rubens de lijdensweg naar Golgotha op een echt Italiaans-barokke manier schilderden, hoe dus de aanpak opeens helemaal veranderde.

Voordeel van de formule van dit museumbezoek was dat het super rustig was en dat je de tijd kon nemen om alle werken tot in detail te bekijken. Als de musea weer opengaan: de tentoonstelling rond Brueghel is nog tot 4 juli te zien. De tentoonstelling “Huid” nog tot 5 september.

Geplaatst in kunst, maatschappij, recensie | Tags: , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Ontroerende orgelmuziek

Mijn oudste kleinzoon heeft nu zeven maanden les op een kerkorgel. Heel makkelijk leert hij van zijn leraar dingen over vingerzetting, houding, articulatie. Maar het lezen van de noten gaat nog steeds heel moeizaam. Ik help hem elke week meestal twee keer met zijn huiswerk. Steeds moet hij korte fragmenten spelen, met eerst allebei de handen apart, in een langzaam tempo. Maar vertwijfeld zegt hij zelfs dan nog vaak: ‘opa, ik kan dat niet’. Ik speel het stuk dan een keer in zijn geheel voor. Vervolgens kan hij het. Voor het grootste deel zit het stuk namelijk na het een keer gehoord te hebben in zijn hoofd en met behulp van het globale notenbeeld kan hij het vervolgens redelijk spelen. Maar ik moet al snel weer stoppen, je merkt dat zijn concentratie zo slecht wordt dat hij bijna niets meer oppikt. Na die eerste keer huiswerkhulp heeft hij dan een deel van de liedjes nog niet gedaan. Ik hamer er op dat hij die andere stukken thuis op dezelfde manier probeert aan te pakken: speel steeds korte fragmenten, met allebei de handen apart, in een langzaam tempo. Een halve week later zie ik hem weer. Wat we samen enkele dagen daarvoor gedaan hebben gaat nu redelijk. Dan komen we bij de stukken die hij zelfstandig zou moeten studeren: ‘opa, ik kan het niet’. Ik weet al hoe het waarschijnlijk thuis gegaan is: hij wil alles gelijk met twee handen in een goed tempo spelen, overziet het dus niet en haakt dan af. Dus dan ga ik het maar weer samen met hem doen. Uiteindelijk op de les heeft hij dat wat hem opgedragen was meestal redelijk voor elkaar en krijgt hij voor de week erna weer nieuwe stukken op. Nu ben ik langzaamaan mijn tactiek een beetje aan het verbreden. Het grootste probleem is het noten lezen. Ik laat hem de notennamen zetten bij alle noten van een of meer liedjes. Notennamen zeggen hem wel iets, hij heeft namelijk een absoluut gehoor en bij elke naam ziet hij dan inwendig een klaviertoets en hoort hij het bijbehorende geluid. Dat moet dus uiteindelijk ook bij het zien van de noten gaan gebeuren. Helaas, ook dat noteren doet hij dan wel als ik erbij ben, maar hij maakt het thuis niet af. ‘Opa, ik ben het vergeten.’ Ik begin steeds strenger te worden maar ik ben huiverig om hem er een hekel aan te laten krijgen, wat is de juiste middenweg?

Desondanks wil hij organist of beiaardier worden. Op dit moment gaat hij nog het meeste voor organist. Hij heeft een heilig ontzag voor zijn docent die een engelengeduld met hem heeft. Zo gauw hij achter het Moreau-orgel in Gouda zit begint hij onmiddellijk aan diverse registerknoppen te trekken en leunt hij voorover om bij het pedaal te kunnen komen. Alles wat zijn docent vervolgens tegen hem zegt dringt niet tot hem door. Dan zit hij eindelijk met de orgelmethode voor zijn neus. En de orgeldocent geeft hem vooral aanwijzingen die met houding, articulatie en vingerzetting te maken hebben. Ook als hij op les zit is zijn concentratie snel voorbij en zijn docent laat hem dan een gerichte improvisatie doen of hij geeft hem een luisteropdracht of doet een gehoortestje. Door zijn grote muzikaliteit en zijn goede muzikale gehoor gaat dat allemaal moeiteloos.

Maar bij nieuwe stukken, waar ik hem voor de eerste keer mee help, kan hij zich nog moeilijker concentreren als bij het echte orgel. Hij ziet bijvoorbeeld op het einde van de oefening bij het notenbeeld terloops dat daar “een octaaf in één hand” is genoteerd. Bij hem is de vingerspreiding eigenlijk nog net te klein om zo’n octaaf te kunnen spelen, maar hij krijgt het desondanks voor elkaar. Hij speelt midden in de oefening ogenschijnlijk zonder enige aanleiding het bewuste octaaf en gaat vervolgens meer octaven spelen, al kijkende naar zijn eigen  gespannen vingers. Verder gaan met de oefening op het punt waar we gebleven waren heeft dan even geen zin, hij is helemaal alleen maar met dat octaaf bezig. ‘Kijk opa, zo klinkt dat bij Mozart’ en hij speelt het stukje van de Turkse mars waar allemaal octaven zitten in een hand. Ik laat hem even begaan en dan gaan we weer verder waar we gebleven waren. Als er ergens midden in het stuk een wending komt die hij mooi vindt of die hij ergens mee associeert dan gaat hij die afmaken of er op improviseren en let even helemaal niet meer op de noten in het boekje. En zo gaat dat voortdurend.  Soms ben ik het zat en word ik heel streng. Dan probeer ik om hem een moeilijke wending vier keer achter elkaar zonder pauze te laten spelen, ik wijs met mijn hand de noten mee of speel samen met hem het zelfde fragment een octaaf hoger en dwing hem min of meer dóór te blijven spelen. Dat laatste werkt dan eigenlijk weer averechts want ik zie hoe hij naar mijn vingers kijkt in plaats van naar de noten, dus daar stop ik dan ook maar snel weer mee….

Vlak bij zijn school in Schoonhoven staat de Oud-Katholieke kerk. Hij is gefascineerd door kerken en al zeker sinds twee jaar geleden ga ik met hem af en toe naar binnen. De kerk is overdag vrijwel altijd open voor gebed, waar zie je dat nog? Toen mijn dochter met hem de vorige week ook een keer naar binnen ging troffen ze de pastoor aan. ‘Mag hij een keer op het orgel spelen?’ ‘Maar natuurlijk!’ in de richting van het koor voorbij de biechtstoel staat een mooi Content-huisorgel met drie manualen en met meer dan twee octaven pedaal. Hij mocht er op spelen. En hij mag er zelfs regelmatig op komen studeren! Afgelopen vrijdag met mijn dochter speelde hij daar een mooie improvisatie. Ze stuurde de opname die ze ervan maakte op. Hij gaf zelf eerst nog een inleiding op zijn “improvisatie-concert”. Ik was verrast door vooral de gewaagde akkoorden die hij uit het instrument wist te toveren!

De jongen weet me ondanks alles vooral ook te ontroeren, hij blijft zo puur en vrolijk. Gisteren was hij samen met mij alweer in de Oud-Katholieke kerk. Ik heb hem daar op de gebruikelijk moeizame manier geholpen met zijn huiswerk. Maar daarna speelde hij een gevoelige improvisatie, waar een vrouw die kwam om er te bidden net als ik ontroerd door raakte.

Geplaatst in autisme, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , , | 4 reacties

Eindeloos bewustzijn

Onlangs kreeg ik als geschenk de zes en twintigste druk van het boek van cardioloog Pim van Lommel, “Eindeloos Bewustzijn”. De schrijver ontpopt zich in dit boek als een wetenschapper die nauwgezet probeert te achterhalen hoe het komt dat er zoveel mensen zijn die “Bijna-Dood ervaringen” (BDE’s) hebben en wat de oorzaak van dit verschijnsel zou kunnen zijn. Na al deze onderzoeken komt hij zelf tot een soort visie, waarbij het begrip “eindeloos bewustzijn”, tevens de titel van het boek, centraal staat. Pim van Lommel kwam met het verschijnsel BDE in aanraking in zijn praktijk en toen ging het balletje rollen. Ik heb een samenvatting van het boek gemaakt die ik hierna weergeef. Het hele boek door is doorspekt met de verslagen van mensen die iets zeggen over wat ze hebben meegemaakt en alleen al daarom is het boek boeiend om te lezen. Maar het bevat ook pittige kost. In de tweede helft van het boek worden veel technische zaken diepgravend beschreven, zoals de werking van hersenen, het verschijnsel kwantummechanica of kenmerken en werking van het DNA.

Na een lang voorwoord en inleiding begint het boek pas echt in hoofdstuk 3 met het beschrijven van de kenmerken van een BDE. Het gaat om twaalf kenmerken, die niet altijd allemaal aanwezig zijn.

  1. Onuitsprekelijkheid
  2. Gevoel van vrede en rust; er wordt geen pijn meer ervaren
  3. Het besef dood te zijn
  4. Een uittredingservaring of buitenlichamelijke ervaring
  5. Donkere ruimte gevolgd door tunnelervaring
  6. Waarnemen van niet wereldse omgeving
  7. Ontmoeting en communicatie met overleden personen
  8. Ontmoeting met een stralend licht of wezen van licht
  9. Levensschouw of terugblik
  10. Vooruitblik of voorschouw
  11. Het waarnemen van een grens
  12. De bewuste terugkeer in het lichaam

In hoofdstuk 4 wordt een beschrijving gegeven hoe mensen veranderen nadat ze een BDE hebben meegemaakt. Mensen hebben een betere zelfaanvaarding, hebben meer compassie met anderen, ze waarderen het leven meer, ze hebben geen angst meer voor de dood, ze zijn minder kerkelijk , er is sprake van een toegenomen spiritualiteit, hun intuïtie is sterker geworden, ze hebben vaak problemen met de buitenwereld doordat ze niet begrepen of geloofd worden.

In hoofdstuk 5 wordt gekeken hoe dit bij kinderen is. Behalve veel positieve veranderingen zien we helaas ook dat  kinderen die een BDE hebben gehad regelmatig problemen krijgen in de puberteit. Ze zijn vaak ook meer gevoelig voor alcohol en drugs.

Hoofdstuk 6 gaat over het onderzoek naar BDE’s. Er zijn verklaringen gezocht door te kijken naar het gevolg van zuurstoftekort, naar de gevolgen van een teveel van koolstofdioxide, narcosemiddelen als ketamine, een teveel aan endorfine door stress, stoffen die in klieren worden aangemaakt die de waterhuishouding, het waak-slaapritme en de ontwikkeling van de geslachtsklieren regelen (DMT) (Tijdens het stervensproces komt DMT waarschijnlijk in grote hoeveelheden vrij door het afsterven van cellen in de epifyse). Ook een verhoogde activiteit van de hersenen als bij epilepsie zou een rol kunnen spelen. De schrijver weet aannemelijk te maken dat al deze dingen waarschijnlijk geen rol spelen bij een BDE. Al de opgesomde mogelijke oorzaken zijn nog nooit wetenschappelijk in verband gebracht met een BDE. Daarna wordt nog gekeken of het niet te maken kan hebben met de persoonlijkheidskenmerken van de persoon die een BDE heeft gehad. Of gaat het niet om een hallucinatie? Hallucinaties zijn nooit positief, ze veroorzaken alleen maar angst. Mensen die hallucinaties krijgen zijn altijd mensen met schizofrenie of een psychose, en daar is bij mensen met een BDE geen sprake van. Er lijkt geen enkel steekhoudend verband te zijn van BDE met dergelijke zaken. Naar al de in dit hoofdstuk beschreven mogelijke oorzaken is vooral ook in het buitenland uitgebreid onderzoek gedaan.

Hoofdstuk 7 gaat over het eigen onderzoek van dokter Pim van Lommel. Hij is namelijk als cardioloog in 1988 en eigen studie begonnen bij een aantal ziekenhuizen. Er was wereldwijd toen nog nergens studie gedaan naar BDE bij personen die ook al vóór hun BDE gecheckt waren op veel medische zaken. Iedereen die in een van de meewerkende ziekenhuizen belandde en bij de hartbewaking terecht kwam werd tussen 1988 en 1992 uitgebreid gevolgd. Maar ook werden mensen die gereanimeerd waren en daarna in een van die ziekenhuizen belandden gevolgd. Een aantal van deze mensen kreeg een Bijna-Dood ervaring en een groot deel van deze mensen werkte daarna mee aan het onderzoek. Er werden na twee jaar en ook nog eens na acht jaar interviews bij deze mensen afgenomen. Bij iedereen keek men naar de leeftijd, het geslacht, diens opleiding, religie, voorkennis over BDE en of men al eerder een BDE had ervaren. Ook werd aan de betroffen mensen gevraagd of ze angstig waren geweest vlak voor het moment van de hartstilstand. En alle medische gegevens als EEG en medicijngebruik werden nauwgezet geregistreerd.  In een van de Arnhemse ziekenhuizen werd een verborgen teken aangebracht in de reanimatiekamer dat de patiënt niet zou kunnen zien. Zelfs de artsen of verpleegkundigen wisten het niet. Zou iemand die een BDE krijgt het doordat hij buiten zijn lichaam treedt het wel kunnen zien? Dat was de bedoeling van dat teken. Dat is niet gelukt, wel bleek een patiënt gezien te hebben waar men zijn kunstgebit had neergelegd, iets wat onmogelijk zou moeten zijn geweest. Bij het onderzoek was er in de betreffende periode sprake van 509 succesvolle reanimaties van patiënten die al klinisch dood waren. 104 van die mensen waren langer dan een uur bewusteloos geweest. 18% had een BDE gemeld. Deze was bij 18 patiënten sterk en bij 6 patiënten zeer sterk. De sterkste Bijna-Dood ervaringen zag men met name bij mensen die buiten het ziekenhuis waren gereanimeerd. In deze studie werden mogelijke fysiologische, psychologische of farmaceutische oorzaken na onderzoek uitgesloten. De conclusie was dat alle genoemde elementen van een BDE ervaren werden tijdens de periode van hartstilstand, tijdens de totale uitval van de doorbloeding van de hersenen.

De volgende hoofdstukken proberen een antwoord te geven op wat er allemaal gebeurt in ons lichaam en wat misschien wel iets met een BDE te maken kan hebben. Hoofdstuk 8 onderzoekt wat er gebeurt in de hersenen wanneer het hart plotseling stopt. Samenvattend luidt de conclusie dat er ondanks dat er geen enkele meetbare activiteit in de hersenschors en de hersenstam is er juist gedurende die periode een ongekend helder bewustzijn kan worden ervaren. Uitgesloten kon ook worden dat de BDE veroorzaakt werd door zuurstoftekort, omdat bij zuurstoftekort bijna nooit een BDE wordt gemeld en er juist wel enkele BDE’s plaats vonden waarbij er geen sprake van zuurstoftekort was.

In hoofdstuk 9 wordt de functie van de hersenen in het dagelijkse leven in relatie tot gedachten en gevoelens onderzocht. Het is een erg technisch hoofdstuk.  Er blijkt geen vaste plek in de hersenen te zijn waar gedachten en gevoelens zetelen. Het vereist een functionerend netwerk met veel centra. Verder blijkt dat bewustzijn in staat is om de anatomie en de functie van de hersenen te veranderen. Bij een BDE is aangetoond dat bewustzijn onafhankelijk van processen in de hersenen plaats vindt.

Kan het verschijnsel bewustzijn misschien op kwantumfysisch niveau verklaard worden? Daarover gaat hoofdstuk 10. Volgens de klassieke fysica komt de objectieve wekelijkheid volgens bepaald vaste regels tot stand. De waargenomen wekelijkheid is in de fysieke wereld ook objectief werkelijk. Maar de kwantumfysica heeft dit beeld op zijn kop gezet. Er zijn nieuwe begrippen ontstaan als complementariteit, het onzekerheidsprincipe, het meetprobleem en de non-lokaliteit. Een foton is een deeltje maar ook een golf. We weten nooit waar het deeltje zich bevindt (onzekerheidsprincipe). Zo gauw je er naar kijkt is het al anders. Verder kunnen twee deeltjes elkaar op grote afstand onmiddellijk beïnvloeden, ze verstrengelen als het ware, dit noemen we non-lokaliteit. De plaats en afstand doen er niet toe. Er is sprake van een meerdimensionale non-lokale ruimte waarin niets vastligt, er is slechts sprake van mogelijkheden. We spreken ook wel van waarschijnlijkheidsgolven. In die ruimte zijn feitelijk metingen onmogelijk. Maar toch wordt er vanuit deze verborgen ruimte op kwantumniveau voortdurend invloed uitgeoefend op onze fysieke wereld, die het complement is van de non-lokale ruimte. De non-lokale ruimte wordt soms ook wel het absolute vacuüm genoemd: zij heeft geen structuur, is perfect symmetrisch, bevat geen tijd en is leeg: quarks, elektronen, zwaartekracht en elektriciteit zijn tot een geheel versmolten en bestaan als zodanig niet meer. Deze non-lokale ruimte bevat een oneindige hoeveelheid energie, de nulpuntenergie. Wellicht is deze ruimte de basis voor het bewustzijn. De toepasbaarheid van de kwantumfysica is voortdurend onderwerp van discussie in wetenschappelijke kringen. Begrippen als zwarte materie en zwarte energie komen voort uit deze discussies. Kan oorsprong van het leven beantwoord worden door de kwantumfysica? De begrippen complementariteit, het onzekerheidsprincipe, het meetprobleem en de non-lokaliteit  die door wetenschappers als vaststaand worden beschouwd kunnen misschien wel een idee geven over wat bewustzijn nu eigenlijk is.

Hoofdstuk 11 gaat over de hersenen en bewustzijn. Elektromagnetische velden in de hersenen worden na uitgebreid onderzoek niet als oorzaak, maar als gevolg van bewustzijn beschouwd. Daarvoor is er echter een overgang nodig van de non-lokale ruimte naar de fysieke ruimte. Kunnen we deze interface vinden? Pim van Lommel beschrijft enkele hypotheses. Een van die hypotheses heeft zijn voorkeur. Deze hypothese is te vergelijken met wat er gebeurt als materie en licht een non-lokale kwantumverstrengeling ondergaan. Deze vorm van informatieoverdracht tussen materie en licht is te vergelijken met het idee van wederzijdse informatieoverdracht tussen non-lokaal bewustzijn en de hersenen via het model van kernspincorrelatie. Een spin is een fundamentele eigenschap van de natuur, net als elektrische lading of massa. Alle deeltjes van een atoom bezitten een spin die positief of negatief kan zijn en altijd een meervoud is van ½. In een magnetisch veld kan een deeltje met een spin een foton absorberen. Deze verstrengeling zou dus vergeleken kunnen worden met wat er gebeurt bij gegevensoverdracht vanuit het bewustzijn naar de hersenen.

Er is een constante samenwerking tussen non-lokaal bewustzijn en wat er gebeurt in de hersenen. Maar de interface, zoals in hoofdstuk 11 beschreven, verandert voortdurend van samenstelling. Hoe dat kan wordt in hoofdstuk 12 onderzocht. Waarschijnlijk komt dat door het DNA.  DNA zit in elke cel. Het menselijke DNA is een molecuul dat bestaat uit 23 paar chromosomen en dat ongeveer 30000 genen bevat die zijn opgebouwd uit ruim 3 miljard basenparen. 5% van het DNA programmeert eiwit. De functie van de rest is nog onbekend, het wordt ook wel junk-DNA genoemd. Het blijkt dat de meest complexe organismen de meeste hoeveelheid junk-DNA hebben wat er op zou kunnen wijzen dat de functie erg belangrijk is. Levende cellen stralen coherent licht uit in de vorm van biofotonen, een pulserende stroom van enkele tienduizenden fotonen per seconde per cm2.  Dat is ongeveer honderd miljoen keer zwakker dan daglicht. De bron van dit licht blijkt DNA te zijn. Het licht heeft een functie bij celgroei, celdifferentiatie en celdeling. Maar wat het DNA moet gaan doen, die informatie ontvangt het uit de non-lokale ruimte. In ons lichaam worden alle cellen voortdurend vervangen maar toch blijft er een geheugen aanwezig zoals immuniteit. Dat geheugen bevindt zich in de non-lokale ruimte. Het DNA is slechts de interface. Waarschijnlijk is het junk-DNA verantwoordelijk voor de communicatie met de non-lokale ruimte.

Het boek heet eindeloos bewustzijn, en dat is ook de titel van hoofdstuk 13. Iemand die wakker is ervaart waak-bewustzijn. Maar elke ervaring van bewustzijn is subjectief en ook niet wetenschappelijk aan te tonen. De schrijver maakt nu ook vergelijkingen met wat Indiase wijsgeren zeggen over “samadhi”, het licht. Door meditatie heb je dan alles losgelaten en er ontstaat een bewustzijn zonder inhoud, de hoogste vorm van bewustzijn. Misschien is de ervaring van een BDE, met name de ervaring van “het licht”, vergelijkbaar met het ervaren van een allesomvattend bewustzijn, een soort samadhi.

Hoofdstuk 14 probeert iets te vertellen over ervaringen die vergelijkbaar zijn met die van een BDE. Het gaat over allerlei mystieke ervaringen, zoals de hele geschiedenis door al gedocumenteerd. In alle wereldgodsdiensten komt het voor. Het hoofdstuk staat vol met voorbeelden.

Hoofdstuk 15 gaat in op een aantal vragen van mensen zoals gesteld aan de auteur tijdens zijn lezingen over het onderwerp BDE. Contact met overledenen, reïncarnatie en meer dingen komen ter sprake. De uiteindelijke conclusie is dat alles uiteindelijk draait om “eindeloos bewustzijn”, een soort bewustzijn dat niet gebonden is aan plaats en tijd en zich bevindt in een non-lokale ruimte. Vanuit dat besef kan alles enigszins begrepen worden.

Tot zover de samenvatting. Het kernidee, eindeloos bewustzijn, spreekt me erg aan. Het sluit aan op dingen die ik al lang denk en intuïtief zelfs denk te weten. Het is een bijzonder boeiende en fascinerende gedachte. Zo is afstand niet belangrijk en kan er verstrengeling zijn die fysisch niet verklaarbaar is. Op kwantumniveau is plaats niet belangrijk. Je denkt aan iets en iemand anders die een soort verstrengeling heeft denkt het ook. Gebeurtenissen in je eigen leven, op aarde, of nog verder hebben allemaal een relatie met elkaar in de non-lokale wereld en via een diep bewustzijn kun je dingen begrijpen. Er is in het boek geen relatie gelegd met kunst. Die is er volgens mij ook. Kunst is volgens mij ook een soort interface tussen de fysieke werkelijkheid en het diepere, eindeloze bewustzijn. Ik wil in een eigen artikel proberen om hier later nog eens op in te gaan.

Eindeloos bewustzijn
Pim van Lommel
Uitgeverij ten Have
ISBN 978 90 259 0617 1 e-book: ISBN 978 90 259 0618 4

Geplaatst in filosofie, maatschappij, recensie | Tags: , , , , , , , , | 2 reacties

Atoomtijd

We hebben een prachtige scheurkalender waarop elke dag een krantenberichtje staat uit een krant van 100 tot 150 jaar geleden. De meeste berichten betreffen ingezonden stukjes. Zo stond er vandaag een berichtje over een klok bij het station van Arnhem die nooit goed liep. Dat was in 1900. Ik moest denken aan de goede oude tijd bij mijn grootouders. Mijn oma was altijd bang dat ze niet op tijd was. De enige klok in huis moest dan ook zorgen dat ze altijd op tijd zou zijn. Ze zette hem dus voor de zekerheid maar een kwartier naar voren. Mijn opa ergerde zich daar gruwelijk aan, hij wilde gewoon weten hoe laat het was, dus liep hij een eindje naar buiten totdat hij de kerkklok kon zien.

Lambertuskerk Swalmen

Daarna rende hij weer snel naar binnen en zette de klok goed. Maar wie had nu het laatst aan die klok gezeten? Want je raadt het: als oma er achter kwam zette ze hem weer een kwartier, soms 10 minuten (dat zou toch ook genoeg moeten zijn) naar voren. Ze werden allebei gek van elkaar maar niemand gaf ook maar een krimp. De tijd was daar altijd zoek. Gelukkig had je ook nog de radio, die ouderwets met een echte bim-bam de uren liet horen. Ik was een jaar of twee, misschien drie en het is een van mijn oudste herinneringen: gebiologeerd bij de radio gezeten luisterde ik naar: “bim-bam”. Mijn vader keek naar mij en zong mee: “bim-bam-bim-bam-bim-bam”. Ik zie hem in gedachten weer liefdevol naar mij kijken. Op de ultieme momenten hoorde ik twaalf keer een bim of een bam. Mijn ouders wisten daardoor altijd hoe laat het was, maar ik vond vooral de klank mooi en kon er geen genoeg van krijgen.

Maar ook door de tijd werd ik geboeid. In de negentiger jaren van de twintigste eeuw was er vrijwel nergens nog internet. De PC had een ingebouwde klok, maar ook die kon achter of voor gaan lopen. Dus af en toe stelde je hem bij de instellingen weer bij. Totdat er een programmaatje kwam: atomic sync. Daar moest je dan wel internet eventjes voor activeren via je telefoonverbinding. En als je dan op enter drukte (mijn computer was muisloos) werd de interne computerklok automatisch gesynchroniseerd met de wereldklok, je kreeg atoomtijd! Preciezer kon het niet. Ook was ik in die tijd aan het programmeren geslagen. Ik maakte ergens in de zomer van 1999 een fraai ogend programma dat een klok liet zien die terugtelde naar 0 uur ‘s nachts 1 januari 2000. Je zag de klok telkens een iets kleiner getal aangeven. Als hij op 0 stond dan was het nieuwe millennium aangebroken. Waarschijnlijk zou vanwege de millenniumbug daarna de computer op tilt slaan, ontploffen, of het gewoon niet meer doen. Maar tot die tijd kon je de tijd zien verstrijken. Het laatste oordeel naderde, en je wist precies wanneer de ramp zich zou gaan voltrekken. Met een bliep-bliep als een soort tik-tak erbij naderde angstaanjagend het onheilsmoment. Je kon in die tijd toen een computer lang niet altijd een geluidkaart had deze als programmeur toch geluid laten maken, je kon zelfs kiezen voor toonhoogtes. Alles dan wel eenstemmig, alhoewel er heel aparte Philipscomputers schenen te bestaan die in staat waren om zelfs drie tonen tegelijk te laten horen. Die bliepjes kon je trouwens al een hele tijd eerder overal horen omdat ze ook op de draagbare computerspelletjes zaten die alle kinderen voortdurend zaten te spelen. Die spelletjes waren verborgen in doosjes zo groot als de tegenwoordige mobieltjes waar net zo verzot naar werd gekeken als nu iedereen tuurt naar zijn whatsappjes. Ik heb nog filmpjes uit 1989 waar mijn kinderen met zo’n ding op schoot op zitten te spelen en de tijd vergeten.

Sommige dingen zijn dus tijdloos. Zo zijn er stationsklokken en kerkklokken die het lekker ouderwets gezellig niet doen. Maar of stationsklokken het wel of niet doen maakt niet uit, de treinen komen toch wel te laat. De klacht van de klok van Arnhem is omgevormd: we maken ons niet meer druk om de tijd van de stationsklok, maar we maken ons druk om de aankomsttijd van de trein zelf. En waar maken we ons nog meer niet al druk om. De tijd heeft bezit genomen van onze geest. We moeten weer leren te laat te komen. Lekker de trein te missen. Voor de atoomtijd maakt dat immers niet uit.

Geplaatst in maatschappij | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Verjaardag in de duinen

Het was koud, nog een beetje winderig, maar er was ook veel zon in de duinen van Oostvoorne. Nog steeds zag ik Maartse viooltjes maar ook was er de kruipende Ooievaarsbek, het klein Kruiskruid, de kleinste Vergeetmijniet, de Pinksterbloem en er waren nog veel meer lentebloeiers. Ook was er veel te horen, ik geniet vooral ook altijd zo van de geluiden van de eerste insecten. Al die natuurgeluiden veroorzaken een weldadige rust. Lekker in de zon tegen een helling aan lunchen, wat wil je nog meer op je verjaardag! Ik heb als achtergrond bij onderstaand filmpje de muziek van een eigen compositie geplaatst.

Geplaatst in natuur | Tags: , | Een reactie plaatsen

Het paaslam

Leven is een bijproduct bij het in evenwicht brengen van de waterstof-koolzuur-huishouding. Deze stelling las ik een tijd geleden en ik schreef er een blog over. Leven zorgt dus voor evenwicht. En wat gebeurt er met het leven als een systeem uit zijn evenwicht komt? Dat gebeurt voortdurend en is ook in het verleden al heel vaak gebeurd. Sommige onevenwichtigheden zijn van korte duur en de balans is snel hersteld. Als ik iets heb gegeten dat mijn maag en darmen niet goed aan kunnen krijg ik daar last van. Het lichaam probeert het naar buiten te werken of op zijn minst de schadelijke elementen te neutraliseren. Ik voel me weer beter. Het systeem is weer in evenwicht. Een groot verschil in luchtdruk maakt dat het gaat waaien. Stormen herstellen het evenwicht. Waarom trokken veel volkeren die in onze streken woonden rond het jaar 400 weg? Het klimaat werd zo slecht dat er te weinig voedsel was. Na zo’n tweehonderd jaar werd het weer beter en kwamen er weer mensen hier wonen. Zo ging het ook in de ijstijd, alleen toen gebeurde dat op nog veel grotere schaal en duurde het veel langer voordat bepaalde gebieden weer bewoonbaar waren. Er zijn tijden geweest dat vrijwel al het leven uitgestorven was doordat de omstandigheden veranderd waren. Miljoenen jaren was er dan nauwelijks leven. Maar er kwam steeds weer een nieuw evenwicht.

Was dat niet de beste tijd voor de aarde? Leven was soms blijkbaar niet echt nodig. Het bijproduct van de waterstof-koolzuur-huishouding, “leven”, was dan niet relevant. De aarde kon heel goed zonder. Maar sinds het eerste leven is leven toch onderdeel van dat grote systeem gebleven, hoe latent ook. En bij dat systeem hoort ook de dood.  Als onderdeel van dat evenwicht is het leven eindig om ruimte maken voor nieuw leven.

We bezien alles vanuit ons beperkte gezichtsveld. We denken en redeneren vanuit de mens. Als je enigszins probeert om wat ruimer te kijken dan moet je wel zien dat de mens slechts een kleine onbeduidende schakel is in deze evenwichtshuishouding. We weten nu hoe virussen, die al bijna net zo lang bestaan als de aarde zelf, misschien wel veel belangrijker zijn en een veel groter aandeel in die huishouding hebben dan zoogdieren of mensen. Maar we kunnen ons nauwelijks verplaatsen op het niveau van een virus. Ik denk dat virussen een van de belangrijkste onderdelen van de levensader van de aarde zijn. Heel veel processen in ons lichaam kunnen niet zonder. Eigenlijk heeft elk wat complexere vorm van leven virussen nodig. En daarbij horen denk ik ook virussen waar we ziek van worden. Voor het individu is dat vervelend (zoals een kikker die wordt opgegeten door een reiger), maar voor het systeem is het van belang.

Dit kunnen wij alleen maar accepteren als we de dood accepteren als iets dat er bij hoort. Maar dat kunnen wij moeilijk. In de tijd van Bach draaide het in de teksten die in de kerk werden gezongen of gesproken voornamelijk over het accepteren van de dood, maar ook over het verlangen naar een leven na de dood. Door deze aanname konden we de dood accepteren, ja er zelfs naar uit zien. Dat leven na de dood kon men niet beschrijven. Het was een metafysische aanname van een hogere werkelijkheid.

Die mogelijke werkelijkheid ervaren we soms. Door middel van kunst. Vooral door muziek. Het opgaan in en ervaren van muziek maakt dat sommige mensen voelen dat er net iets meer is. Misschien zijn we op dat moment voorbij de primitieve menselijke waarneming gestapt, ja zijn we wellicht dichtbij het begrijpen van het leven zelf.

Bij de cantate „Christ lag im Todesbanden, BWV 4“ van Bach gaat het volgens John Eliot Gardiner om de overwinning op de dood. Dit kun je veralgemeniseren, bij het Christendom is het Christus die dat doet door met Pasen uit de dood op te staan. Het hele proces wordt in deze cantate in 7 strofen geschilderd, als een verhaal. In strofe 5 horen we de volgende tekst:

Hier ist das rechte Osterlamm, davon Gott hat geboten, das ist hoch an des Kreuzes Stamm in heißer Lieb gebraten, das Blut zeichnet unsre Tür, das hält der Glaub dem Tode für, der Würger kann uns nicht mehr schaden. Halleluja!

Hier zie je het ware Paaslam, aan wie God de opdracht heeft gegeven, om zich hoog aan het kruis te laten braden, het bloed wijst ons de deur, die het geloof de dood een halt toe roept, de wurger kan ons niets meer aandoen. Alleluia!

Er is ons een weg gewezen om beter met de dood te kunnen omgaan. Het paaslam wordt ons tot voorbeeld van de verlossing gemaakt.

Dit deel van de cantate begint met een chromatische lijn in de bas die onmiddellijk doet denken aan de beroemde lamento van Purcell in Dido en Aeneas. Daar ging het om het verdriet van Dido, hier gaat het om het drama van de kruisiging.  De tekst legt een mystiek verband tussen het offer van een lam en de dood van Christus aan het kruis. Het symbool van het kruis wordt het symbool van de overwinning op de dood. In de tekst staat dan “Das Blut zeichnet”, letterlijk “het bloed tekent”. Bach laat deze tekst drie keer zeggen, God de vader, de Zoon en de Heilige Geest, intussen wordt er muzikaal door sprongen een kruisteken “getekend”.

Het kruisteken dat de dood (de duivel) overwint wordt ook daarna nog op een iets andere manier weer een aantal keren uitgebeeld. We horen het kruisteken eerst in de bassen, dan in de violen. (Zie bij het fragment van de partituur hieronder de noten in het rood) Met vervolgens een enorme sprong (octaaf+verminderde kwint) naar beneden, gevolgd door een zeer lang aangehouden uiterst lage toon wordt de te overwinnen dood muzikaal nadrukkelijk uitgebeeld. Luister eerst even naar dat stukje:

Dan volgt de tekst waarin de duivel (de wurger) is overwonnen en het hallelujah klinkt. Luister hier onder naar de volledige strofe 5 van deze cantate, die zoals gezegd begint met de chromatische baslijn die aan Purcell doet denken.

De hele cantate is bijzonder de moeite van het beluisteren waard. Het is een van de vroegste werken van Bach, maar deze cantate heeft misschien nog meer diepgang dan zijn beroemde passiemuziek. Als ik er tijdens het luisteren helemaal in op ga denk ik iets te ervaren dat verder gaat dan de zichtbare werkelijkheid, iets dat misschien wel voorbij de dood reikt. Luister hier naar de volledige cantate met zijn zeven strofen, die stuk voor stuk op een andere manier zijn uitgewerkt, maar wel op basis van dezelfde koraalmelodie.

John Eliot Gardiner , het Monteverdi choir en The English Baroque Solists
1. Sinfonia
2. (Coro) Christ lag in Todesbande 1:24
3. (Sopran, Alt) Den Tod niemand zwingen kunnt 5:21
4. (Tenor) Jesus Christus, Gottes Sohn 10:57
5. (Coro) Es war ein wunderlicher Krieg 12:41
6. (Bass) Hier ist das rechte Osterlamm 14:28
7. (Sopran, Tenor) So feiern wir das hohe fest 18:51
8. (Choral) Wir essen und leben wohl 20:31​

Geplaatst in filosofie, muziek | Tags: , , , , | 1 reactie

Paasconcert

Al weken leefde hij er naar toe. Aan zijn orgeldocent vroeg hij:
-‘Ga jij ook een paasconcert geven?’
-‘Ja zeker. En jij dus ook. Wordt dat gestreamd?
Mijn kleinzoon keek me vragend aan.
-‘Nee, het wordt niet live uitgezonden, maar ik neem het wel op. Ik zal je een link sturen’ zei ik tot zijn docent.
-‘Wat gaan we vanavond eten opa?’

Alles moest echt zijn. Samen met zijn moeder maakte hij een uitnodiging die per post werd verzonden:

Uiteindelijk wist zijn moeder het een en ander tot drie stukken terug te brengen. Wel echte paasnummers, zoals het Hallelujah van Händel. Maar het moest nog steeds zo echt mogelijk lijken. Zijn moeder zou het concert aankondigen dus kon ze niet tegelijk ook filmen, dat was een heel andere rol. Dat deed ik dus. En dan was er nog de registrant, zijn zusje waar hij dat vaker mee doet. Zo waren de rollen verdeeld. Het orgel stond zoals in een kerk boven en de mensen zaten beneden in de kerk. In de hal beneden werd een rij stoelen voor het publiek geplaatst. Als je omhoog keek zag je wel de orgelpijpen maar niet de organist, alles was zoals het hoort.

De registrant had er eigenlijk al niet veel zin meer in en een deel van het publiek, broertje, vond het te lang duren. Hij liep midden in het concert naar de organist. Een boze uitval “sjjjt, sjjjt!” en een nog bozere blik, allebei van de organist, en daarnaast een vermanende hand van de opnametechnicus wisten de indringer tegen te houden. De registrant had aan het begin van het concert de handen vol aan haar stoel waar ze op moest zitten want die was kapot. Tijdens het eerste muziekstuk werd het meubelstuk door haar vakkundig gerepareerd waardoor ze wel helaas een registratiemoment moest missen. Dat loste de organist gelukkig zelf goed op. Het was Pasen en het laatste stuk, het Hallelujah werkte erg aanstekelijk. De registrant ging playbackend meezingen! Ze vond de muziek prachtig, dat kon je goed aan haar blik zien. En op het einde ging ze zelfs meespelen, niet op het echte orgel natuurlijk, maar ze speelde in de lucht virtuoos alle passages mee. En toen het concert was afgelopen liepen de organist en registrant naar de voorkant van het orgel waar het publiek hen kon zien. Er volgde een daverend applaus en beiden maakten een buiging.

Omdat alles uiteindelijk toch redelijk was gelopen zoals de organist het van te voren in zijn hoofd had gehad was het ook voor hem een goed concert geweest. Dat had zomaar compleet anders kunnen zijn. Het blijft spitsroeden lopen. De registrant vertelde trouwens ook nog iets over het concert:

Er werden die middag drie stukken gespeeld: de Toccata in F en de Toccata en fuga in D mineur van Bach en het Hallelujah uit de Messiah van Händel. In onderstaande opname hoor je alleen de Toccata in D mineur. En het moet gezegd: wat we allemaal muzikaal te horen kregen was soms behoorlijk spectaculair! Het originele concert duurde 18 minuten. Veel luisterplezier!

Geplaatst in autisme | Tags: , | 1 reactie

Gerendal

Het Gerendal in Zuid-Limburg is bekend vanwege de veel soorten orchideeën in mei en juni. Daarvoor was het nu nog te vroeg. Ik wandelde van Oud-Valkenburg naar Gulpen en langs een iets andere route weer terug. Het was bijzonder warm. Het werd in de loop van de middag 24 graden. Ik zag een dassenhol, veel vogels en insecten en allerlei voorjaarsbloemen zoals de bosanemoon en het maarts viooltje. En er waren veel lammetjes bij de boerderij van Natuurmonumenten. Ik genoot vooral ook van de rust en de vogelgeluiden. En ik wist een koolmeesje boven op een holle boom te betrappen met mijn camera.

Geplaatst in natuur | Tags: , , , | 4 reacties

Torquato Tasso en Claudio Monteverdi in 1590

Wat lijkt het alweer lang geleden dat we wandelden in de bergen. Genietend van het geluid van beekjes en de geuren in de frisse alpenlucht. Oostenrijk en Noord-Italië waren in het verleden favoriet. Vooral omdat je van daaruit ook nog eens mooie uitstapjes kunt maken naar cultureel gezien interessante plaatsen.

Meer dan twaalf jaar geleden was ik in de zomer met mijn vrouw in Mantua. Eerst waren we ook toen in de Alpen, maar toen we doorzakten naar het zuiden was er van die heerlijke atmosfeer in een klap niets meer over. Het was er snikheet en het stikte er van de muggen. Desondanks hebben we ook in Mantua toch nog van veel dingen kunnen genieten. Maar in eerste instantie was het balen. We namen een hotelkamer in het centrum en we hebben er nauwelijks een oog dicht gedaan.

Mantua was hier rond 1600 al berucht om. Het ligt in een moerassig gebied. Het grootste deel van de stad is een soort eiland tussen meestal traag stromende brede rivierarmen die op weg zijn naar de rivier de Po. De atmosfeer is er ook volgens Monteverdi, die lange tijd verbonden was aan dat hof, niet gezond. Toen hij in 1612 na de dood van zowel zijn vrouw en daarna zijn baas, de hertog, werd ontslagen, was hij daar niet rouwig om. Een jaar later had hij een veel betere baan in een stad met een gezond klimaat: Venetië.

Maar toch heeft hij het 22 jaar uitgehouden in Mantua en toen hij er net was aangekomen als jonge man ontmoette hij daar de dichter Torquato Tasso. Deze dichter was in zijn tijd al beroemd en inmiddels was hij 46 jaar oud. Hij zou trouwens nog maar vijf jaar te leven hebben, en dat leven bleef tot het einde zeer onrustig. Hij heeft zijn hele leven aan veel verschillende hoven vertoefd zoals aan dat van Urbino en Ferrara, maar ook heeft hij zeven jaar in een krankzinnigengesticht gewoond en toen hij dat eindelijk verliet ging hij naar Mantua. Daar bleef hij van 1586 tot de herfst van 1587, zijn eeuwige onrust dreef hem weer naar andere plekken. In 1590 keerde hij nog even terug naar deze stad. Toen zal hij er ook Monteverdi die er net pas werkte hebben ontmoet.

Heeft deze korte ontmoeting geleid tot het madrigaal “Ecco mormorar l’onde”? Het zal niet de enige uitwerking van gedichten van Tasso blijven die Monteverdi maakte. Hij zette ook een deel van diens meest beroemde werk Gerusalemmo Liberata op muziek in “il Combattimento di Tancredi  e Clorinda”. Maar ik wil het nu hebben over een madrigaal uit de bundel die Monteverdi in 1590, het jaar waarin hij Tasso ontmoette, schreef. Het madrigaal “Ecco mormorar l’onde” staat bol van allerlei natuurbeschrijvingen, maar die indirect, net als bij Petrarca, ook weer slaan op zieleroerselen. Het gedicht stamt uit een groep gedichten die gewijd zijn aan Laura Peperara, een rijke koopmansdochter op wie Tasso verliefd was.

Ecco mormorar l’ondeHoor hoe de golven kabbelen
E tremolar le frondeen het beven van de bladeren
A l’aura mattutina e gli arborscellien de struiken in de morgenwind
E sovra i verdi rami i vaghi augellien hoe op groene takjes de lieflijke vogels
Cantar soavementebetoverend zingen
E rider l’oriente:en het oosten lacht:
Ecco gia l’alba apparekijk, het morgenlicht komt al tevoorschijn
E si specchia nel mare,en spiegelt zich in de zee
E rassenera il cieloen licht de hemel op,
E le campagne imperla il dolce geloen de zoete morgendauw strooit parels over het veld
e gli alti monti indora.en verguldt de hoge bergen.
O bella e vaga aurora,O mooie, lieflijke dageraad,
L’aura e tua messaggera, e tu de l’aurade wind is jouw bode, en jij bent de wind
Ch’ogni arso cor ristaura.die elk brandend hart verkwikt.

Het gedicht is prachtig in zijn eenvoud. Na het eerste “ecco” zien we vier werkwoordsvormen in de infinitivus: mormorar, tremorar, cantar en rider. Na het tweede ecco komen uitsluitend werkwoordsvormen in de tegenwoordige tijd: appare, indora. Het derde deel van het gedicht richt zich via “o bella aurora” indirect op de naam Laura, de geliefde van Tasso, via twee maal het woord “l’aura” (de wind). Maar subtiel werd “l’aura” al geïntroduceerd in het begin (regel 3). De woorden met vooral de prachtige alliteraties en consonanties zijn op zich zelf al dragers van poëzie. (mormorar-tremolar, l’onde-fronde, arborscelli-verdi-rami-vaghi-augelli enz.) Er is van het begin tot aan het einde sprake van eindrijm; aa, bb, cc enz. maar er is geen vaste versvoet. Ook symmetrie in zinsbouw wordt vermeden: het werkwoord staat soms vooraan in een zin, soms achteraan.

De muzikale uitwerking van Monteverdi (je hoort hier als uitvoerenden de leden van Concerto Italiano in een opname uit 1994) sluit prachtig aan op het gedicht. Heel subtiel begint het madrigaal eenstemmig in een laag register: het gekabbel van de golven. Het lied wordt opgebouwd naar een hoger register, er komen meer stemmen bij. Bij het woord l’aura (tevens de geliefde van Tasso) schiet de muziek nadrukkelijk met lange tonen de hoogte in. Monteverdi maakt een opvallende scheiding in zijn madrigaal: na de derde regel van het gedicht. In dit volgende tweede deel wordt bij “cantar” het zingen van de vogels uitgebeeld. Een iets kleinere maar vanuit de tekst meer verklaarbare scheiding zien we voor het tweede “ecco”. In dit deel zien we hoe bijv. het woord “cielo” (hemel) wordt uitgebeeld met een stijgende lijn en het woord “monte” letterlijk met een piek (langzaam stijgen en dalen). Het laatste deel “o bella” overlapt het vorige deel, maar scheidt zich wel af door de zetting, beginnend met een koraalzetting: drie stemmen met dezelfde tekst in hetzelfde ritme. Het woord “l’aura”, de woordspeling, wordt weer zeer nadrukkelijk neergezet. De laatste zin, feitelijk de apotheose van het gedicht, het “verkwikken van het hart”, wordt in een vijfstemmige koraalzetting als imposant slot neergezet.

Terug naar ons bezoek aan Mantua in 2008. De tweede dag van ons verblijf bezochten we het Palazzo Te, ontworpen door de beroemde renaissance architect Romano.

En dat was tegelijk een hoogtepunt. Een prachtig gebouw met schilderingen van de architect zelf, en wat voor schilderingen! Federico II Gonzaga besloot om van  Palazzo Te een oord van vermaak en plezier te maken, waar hij kon ontsnappen aan zijn officiële taken en waar hij heel wat tijd kon doorbrengen met zijn minnares, Isabella Boschetti, een adellijke dame van Mantua. We keken ons de ogen uit in al die zalen waar vooral allerlei godentaferelen waren te zien. En goden mogen bloot zijn.

Ik zal het eerlijk zeggen, toen ik deze bewuste zaal in liep voelde ik me gegeneerd. Je staat te kijken naar een grote penis gericht op een blote vrouw. (Hier heb ik hem kuis weggelaten.) De afbeeldingen waren levensgroot. En dat in het tegenwoordig zo preutse Italië. Maar ook toen zal het een feest zijn geweest voor iedereen die stiekem houdt van wat porno, en dat waren er in de hogere kringen heel wat. (Later zag ik ook een veel minder imposante maar wel vergelijkbare ruimte in het klooster van Melk, het was de slaapkamer van de de Oostenrijkse koning die hij had laten inrichten voor als hij rond Pasen in het klooster verbleef..)

Palazzo Te was natuurlijk voor de hertog zelf en zijn meest naaste hovelingen. Zouden Torquato Tasso en Monteverdi ook deze schilderingen hebben gezien? Ik denk het wel. Het paleis was immers ook de plek waar de meeste uitvoeringen van zijn muziekstukken en opera’s plaats vonden, daar en in de tuinen werd er regelmatig gefeest. In die tuinen moesten de decormakers de meest vernuftige installaties ontwerpen om bijvoorbeeld een deo ex machina te kunnen toveren. Maar in 1590 bleef het nog even bij het murmelen van de golfjes en de bladeren als Laura er aan kwam.

Wij gingen pas laat weer terug naar ons hotel. De stad was doodstil. Het Castello Giorgio, vlakbij de plaats waar we verbleven, was mooi verlicht. En zag er uit als in 1590. Het waaide niet. Waar was l’Aura?

Die vonden we toen we naar het oosten reden. Net als Monteverdi dat deed in 1613. In Venetië.

Geplaatst in Geschiedenis, kunst, muziek | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Aldebaran

Al enkele maanden staan ze aan de avondhemel en ze zijn niet te missen: de rode reus Aldebaran met vlak daarbij de rode planeet Mars. Twee opvallend enigszins rood gekleurde objecten. Mars dankt zijn rode kleur aan grote delen van het oppervlak, die bedekt zijn met stof en rood ijzeroxide. Maar hoe komt de ster Aldebaran aan zijn rode kleur?

Dat heeft met de oppervlaktetemperatuur te maken. De heetste sterren lijken blauw, de meer normale wit en de minst hete zien we als rode sterren. Een beetje zoals je ook kunt zien bij de verbranding van hout in een haard. Bij goede verbranding is de temperatuur veel hoger en de kleur van de vlammen wit of zelfs blauw, bij slechte verbranding is de kleur meer rood.

Waarom zijn sommige sterren minder warm? Wikipedia heeft er een mooi verhaal over. Een ster geeft tijdens de normale levensperiode energie af door de fusie van waterstof tot helium in de kern. Dit is de bron van warmte, energie en uiteindelijk ook van het leven op aarde. In de loop der tijd raakt het waterstof in de kern steeds meer opgebrand, waardoor het fusieproces in de loop der tijd minder wordt. Daardoor koelt de ster wat af en neemt de stralingsdruk in de kern af. Hierdoor trekt de kern onder invloed van haar eigen gewicht wat meer samen waardoor de temperatuur stijgt. Deze temperatuurstijging heeft tot gevolg dat er een waterstoffusie in een schil buiten de kern op gang komt. Een ster waar buiten de kern een fusieproces plaatsvindt, produceert meer energie dan daarvoor en zwelt enorm op: hij wordt een reus. Maar doordat door het opzwellen de oppervlaktetemperatuur daalt, wordt de ster tegelijk rood. Aldebaran is een dergelijke rode reus, dat wil zeggen: hij is aan het eind van zijn leven en daarbij is hij zowel aan het opbranden als aan het uitdijen. Dat proces duurt overigens miljoenen jaren. Hij is maar een klein beetje zwaarder dan onze zon maar hij is 45 keer zo groot.

Wordt onze zon ook een rode reus? Ja zeker. En net als bij Aldebaran is dat slechts een voorstadium van wat er na miljoenen jaren nog meer staat aan te komen. Ook bij onze zon zal zich over 5 miljard jaar steeds meer helium in de kern ophopen, die daardoor nog meer samentrekt en waardoor de dichtheid van de kern steeds hoger wordt. Als de kern een temperatuur bereikt van 100 miljoen kelvin gaat het helium in de kern fuseren tot koolstof. Het begin van deze fusie wordt heliumflits genoemd. De buitenste gaswolken drijven steeds verder weg en vormen een planetaire nevel. De rest (dus het inwendige) van de ster stort in elkaar en eindigt als een witte dwerg.

Bij veel zwaardere sterren vindt er op een gegeven moment een supernova-explosie plaats, en eindigt de ster uiteindelijk als neutronenster (pulsar) of als een zwart gat. Sterren met een massa groter dan 8 maal de massa van de zon worden superreuzen en de nog veel grotere sterren veranderen in een zwart gat.

Kijkende naar de hemel zien we dus een ster in een voorstadium van zijn eigen einde: zijn omvorming tot witte dwerg. In dat eindstadium zal Aldebaran waarschijnlijk niet eens meer met het blote oog te zien zijn. Nu is hij nog een van de meest heldere sterren aan de hemel.

Hij staat in het sterrenbeeld stier en in de oudheid werd deze ster gezien als het rode oog van de stier. Bij tekeningen van dit dierenriemteken zien we dan meestal een wilde stier met een gemene blik. Zoals hier in het astronomische programma Stellarium waarop naast de altijd aanwezige Aldebaran en het Zevengesternte (Pleïaden) nu ook Mars te zien is:

Gisteravond, en op onderstaande foto, was heel mooi te zien hoe niet alleen Mars dicht bij Aldebaran stond, maar ook de maan een conjunctie vormde met beide hemellichamen: met zowel Mars (rechts) als met Aldebaran (links). De maan had zich tussen de beide rode objecten in genesteld. Het rode oog van de stier, de zachte gloed van de weer groeiende maan en tegelijk de energieke blik van de rode Mars keken naar de aarde.

Even was alles nog heel helder, maar toen kwamen er zachte wolkenslierten. Het felle rood werd omgetoverd tot een mooie milde kleur, zoals hoort bij het einde van het leven. De Arabische naam Aldebaran betekent: “hij die volgt”. Bij het opkomen van de Stier zien we eerst de Pleïaden, dan volgt Aldebaran. Maar door de maan was Aldebaran voor mij nu meer een mooie grijsaard. En in het Nederlands klinkt de naam Aldebaran een beetje zoals hij er deze avond uit zag, iets van: “Alde Baran”, “Oude Baron”.

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , , | 3 reacties

Een beroemde organist

Mijn 7-jarige kleinzoon snelt met zijn vingertjes over de toetsen van zijn keyboard met daarop de klank van een kerkorgel. Hij speelt niet orgel, nee, hij speelt ook geen orgelmuziek, nee, hij speelt organist. Het stuk dat hij speelt is van Händel, de aankomst van de koningin van Sheba. Op de opname met Gert van Hoef die hij op Youtube beluistert duurt het stuk 4:06 minuten. Bij mijn kleinzoon duurt zijn uitvoering 4:19 minuten. Hij speelt het zonder bladmuziek. Maar hij voelt zich al spelende een groot organist, en daarom doet hij ook als een groot organist.  Hij leunt af en toe naar achteren, naar voren, hij knikt een beetje mee met de muziek en kijkt alsof de koningin elk moment kan arriveren.

Ik moest denken aan mijzelf toen ik op het conservatorium zat en aan mijn leraar vroeg: ‘denkt u dat ik een goede leraar ben?’ Ik studeerde Theorie der muziek en tegelijk ook Schoolmuziek en had ernstige twijfels over mezelf. Ik leerde fuga’s en motetten schrijven, alle mogelijke muziek analyseren, muziek componeren, uitsluitend dingen die ik heerlijk vond om te doen en die ik ook nog eens goed kon. Maar kon ik ook goed lesgeven? Hij kwam een keer bij me kijken toen ik les gaf op een basisschool.  Hij gaf me enkele nuttige tips. Maar toen ik hem vroeg:
-‘Denkt u dat ik een goede leraar ben?’ bleef hij even stil. Hij keek me nadenkend en peinzend aan en antwoordde na een tijdje:
-‘Ik denk dat je een goede leraar wordt.’ Ik was heel erg blij met zijn antwoord. Natuurlijk was ik geen goede leraar, nog niet. Ik moest nog veel leren. Maar hij zag blijkbaar potentie in me en omdat ik wist dat hij altijd eerlijk was, was ik zeer in de nopjes met zijn antwoord. Het stimuleerde me om nog meer mijn best te gaan doen om van alles te leren.

Zo vraagt mijn kleinzoon nu al af en toe aan mij:
-‘Opa, vind je mij een goede organist?’ Ik antwoord hem dan: ‘Ik denk dat je een heel goede organist zult worden.’ En dat meen ik. Feitelijk zijn de meeste stukken die hij speelt veel te moeilijk en te snel voor hem, maar daar trekt hij zich niets van aan, hij blijft in zijn rol. En intussen sta ik opnieuw verbaasd over zijn vingervlugheid en van het feit dat hij dat stuk van Händel compleet in zijn hoofd heeft zitten en op zijn gehoor speelt. Verder geniet ik van zijn creativiteit. Het stuk wordt op Youtube gespeeld op twee, soms nog meer manualen. Hij heeft tegenwoordig ook een tweede manuaal. Een klein speelgoeddingetje met twee octaven, met een vreselijk geluid. Het kreng is vals, maar vooral ook staat het ongeveer een kwarttoon hoger dan het manuaal van zijn echte keyboard. Maar het deert hem niet. Hij is organist en weet dat hij moet roeien met de riemen die hij heeft. En dit stuk hoort op minstens twee manualen gespeeld te worden. Hij is wat mij betreft en ook wat zijn leraar betreft echt toe aan een heus huisorgel. Omdat dit vanuit de orgelmethode een must is, maar ook: dan pas ben je een echte organist. Een organist is iemand die op twee manualen en ook nog eens virtuoos met twee voeten op  een pedaal speelt.

We stonden bij de Sint Jan van Gouda.
-‘Ik krijg hier orgelles.’ Twee toeristen, onder wie een Amerikaanse mevrouw gingen op hem in. Op het einde vroeg de meneer:
-‘Hoe is je naam? ‘ Hij noemde zijn naam.
-’Die zal ik onthouden. Als jij straks een beroemde organist bent dan weet ik dat ik je toen al een keer gesproken heb.’
De organist snelde naar binnen en begon onmiddellijk op het al gereed staande orgel te improviseren. En wat voor een orgel! Het Moreau orgel! Dan word je vanzelf wel een beroemde organist.

Geplaatst in autisme | Tags: , , , , , | 2 reacties

Weerribben

Afgelopen weekend waren we in delen van Drenthe en Overijssel. Bij Frederiksoord volgden we de monumentenroute. Aan de hand van allerlei nog bestaande gebouwen uit de negentiende en twintigste eeuw kregen we een beeld van wat er in die tijd werd gedaan met armen en bedelaars uit de grote steden van het westen van het land. Ze kregen een heropvoeding in een kolonie, gesticht door de Maatschappij van Weldadigheid. Er werd een grote nederzetting, een zogenaamde proefkolonie, uit de grond gestampt: Frederiksoord. Zij die er geplaatst werden moesten verplicht elke zondag naar de kerk, mochten de “kolonie” niet uit zonder toestemming, er werd een eigen munt geslagen die alleen geldig was binnen de kolonie en er moest hard gewerkt worden. Woeste heidegronden werden ontgonnen en er werd gewerkt in dienst van de kolonie op een boerderij. Het was nog net geen gevangenis maar dat veel mensen het wel zo ervoeren wordt duidelijk als je ook leest dat mensen soms “ontsnapten” en dan buiten de kolonie ergens op de hei binnen een nacht een plaggenhut bouwden en er een vuur in maakten. Als ze dat voor elkaar kregen en er rook uit de schoorsteen kwam dan waren ze vrij man. Zo leerden we vroeger op school dat mensen in Drenthe in plaggenhutten woonden en het was deels nog eens waar ook.

Iets meer naar het oosten, waar nu de Weerribben zijn, in de kop van Overijssel, was in die tijd laagveen. Daar werd turf gestoken. Aan het begin van de twintigste eeuw was al dat turf op en was het hele gebied verworden tot een nat moeras. Als je dat zo zou laten zou het vrij snel eerst een broekbos worden, daarna steeds droger worden en uiteindelijk zou het helemaal verbossen. Dat vonden veel mensen zonde, want juiste dat natte gebied vond men mooi en werd als aantrekkelijke natuur gezien. Dus nu wordt het beheerd door Staatsbosbeheer die er wandel- en fietspaden in heeft laten aanleggen. Er wordt regelmatig water in gepompt om het nat te houden. Er staan op veel plaatsen borden met uitleg. Turf steken was zwaar werk, dat wordt je al snel duidelijk. Maar nu, in 2021, eind februari op een mistige ochtend is het er heerlijk. De eerste zangvogels lieten al van zich horen, naast natuurlijk watervogels als ganzen.

Geplaatst in Geschiedenis, natuur | Tags: , , | 1 reactie

Mijn KPN

Pff. Het internet is nu toch wel supertraag. Er bestaat gelukkig een KPN speedtest. Ik ga een meting doen.
“0,2 upload, 10,1 download.” Dat is behoorlijk laag.
Geen nood. De KPN heeft een servicetool om het probleem op te lossen. Ik volg de online aanwijzingen en intussen wordt er in mijn huis op afstand van alles gedaan. Na 5 minuten zie ik de volgende tekst op het scherm: “het signaal naar binnen is goed, maar in uw huis heeft u een blokkade. U heeft waarschijnlijk een betalingsachterstand. Zet de computer uit, betaal via Ideal en na twee uur heeft u weer een prima werkend internet.”

Dat kan toch niet waar zijn! Mijn abonnementskosten worden altijd automatisch afgeschreven. Toch maar controleren. Ja hoor. Alles is keurig betaald. Dan nog maar een keer de tool gestart. De uitkomst is hetzelfde. Er wordt nogmaals aan mij verzocht om te betalen. Wat een servicetool! Ik ga hen maar eens opbellen.

Waar vind je in godsnaam het telefoonnummer van de klantenservice van de KPN? “Mijn KPN” heeft een onderdeel “contact”. Klik. “Over welk onderwerp wil u een vraag stellen?” Uiteraard krijg ik nu een submenu. En een submenu van een submenu. Kortom, je moet door een woud van vragen heen maar je krijgt op geen enkele manier een telefonisch contactnummer.  Dat kan blijkbaar niet via “Mijn Kpn” en het menu-onderdeel “contact”. Door de lockdown is ook de KPN blijkbaar compleet contactloos. Maar, wacht eens even! Ik heb toch al eens contact gehad met deze firma, jaren geleden? Ik pak mijn telefoon erbij. Warempel, het nummer van KPN staat gewoon in mijn telefoon!

Ik bel enthousiast het bewuste contactnummer. Het bestaat nog! De telefoon gaat over. Maar helaas, mijn enthousiasme wordt al snel weer gedempt. Het online-verhaal lijkt zich te herhalen. Eerst willen ze weten waarover je belt, “wat is het probleem?” Het probleem heeft te maken met internet. Duidelijk. Je krijgt een volgend menu. Ik toets een 2 bij “niet goed functionerend internet”. Er volgen nog een aantal submenu’s. Druk op… enzovoort. Uiteindelijk wordt het probleem opgelost: “er wordt nu een SMS-je met een link naar je gestuurd hoe je het probleem kunt oplossen.” De verbinding wordt vervolgens verbroken. Sjjj. Ik kijk op mijn telefoon naar de link en vrees het ergste. Ik tik deze link in op mijn PC. Ja hoor! Ik wordt verwezen naar de servicetool die ik al eerder gebruikt heb en die toen opleverde dat ik moest betalen vanwege een betalingsachterstand! Ik overweeg om in contact te treden met Kassa of een ander consumentenprogramma. Maar koppig ga ik het nog anders aanpakken En slimmer. Ik ga ze domweg beduvelen. Ik veins dat ik iets ga kopen, bij KPN. Ik bel ze dus weer, maar nu niet met een klacht! Ik wil iets waar ze wellicht geld aan kunnen verdienen. Ik laat hun een nieuw klant ruiken. Ja hoor. Ze trappen er in, de lijn gaat over.  Maar je bent er nog niet. Er is een wachttijd. Je kunt zelfs kiezen: wel of geen wachtmuziekje. O wat fijn. Géén muzak! Dat is het allereerste goede bericht van vandaag.

  • Goedemiddag, met de KPN, waarmee kan ik u van dienst zijn?
  • Ik heb uiterst traag internet, ik heb daarom de servicetool van KPN geactiveerd en ik kreeg te horen dat het signaal is geblokkeerd omdat ik niet heb betaald.  Dat klopt niet.
  • Naam, adres, geboortedatum? Momentje.
  • Duim duim duim.
  • Nee, er is inderdaad geen betalingsachterstand. Ik zal ook nog eens kijken naar uw signaal. Momentje.
  • Duim duim duim.
  • Nee, het signaal is inderdaad niet bijzonder sterk.
  • Ja weet u, ik woon in een buitengebied en ik heb daarom enkele jaren geleden een 4g-modem gekregen om het signaal te versterken. Dat werkte heel lang uitstekend, maar nu is de verbindingssnelheid weer belabberd. Eerst dacht ik, ach ja. Iedereen is door de lockdown in deze tijd online. Dat zal het wel zijn. Maar ik ben het inmiddels goed zat. Het is gewoon geen doen meer. Ook het TV-signaal valt trouwens herhaaldelijk uit.
  • U zei dat u een 4-g-modem had. Branden de lampjes van dat modem?
  • Ja ze branden, ik zal eens wat wiebelen. Oef nu gaan ze uit. Ja, ja.. nu gaat hij geloof ik weer herstarten. Ja hoor, de lampjes fikkeren weer, Ik zal even kijken of de kabeltjes goed vastzitten. Mmm, dat lijkt me allemaal goed. Ik ben bang dat er in het kastje zelf wellicht iets niet goed is.
  • Het lijkt inderdaad op een dergelijk probleem. Ik zal kijken wat ik voor u kan doen.
  • Momentje.
  • Duim duim duim.
  • Nee, ik heb gekeken of een dergelijk kastje opgestuurd kan worden. Dat kan helaas niet. Ze worden altijd door een monteur geplaatst. Zal ik dan maar een monteur voor u regelen?

Dat klonk allemaal goed. Een monteur! Graag natuurlijk! Dan moest het wel goed komen. Monteurs lijken gewone mensen. Maar dat zijn ze niet. Het zijn mensen met twee rechterhanden. Mensen die meten en weten en sleutelen en daarna “voor mekaar” zeggen.

De monteur kwam enkele dagen later en controleerde eerst het basissignaal van de vaste lijn. Dat bleek enigszins instabiel te zijn. Om verder te gaan moest hij in een verbindingskast verderop in de straat zijn. Na een tijdje kwam hij terug. Hij kon er niet bij. De deur van het kastje was dicht. Daar moest eerst iets voor geregeld worden. Hij maakte dus een vervolgafspraak.

Het duurde dan wel een halve week maar daar was de vervolgafspraak dan. In mijn e-mail las ik: Herinnering: morgen tussen 8 en 10 komt er een monteur bij u langs. Zorg dat u thuis bent en dat u ook telefonisch bereikbaar bent. De monteur draagt een mondmasker en verwacht van u dat u dat ook zult doen.

Om acht uur zit ik in de startblokken. Een schoon mondkapje ligt naast me. Ik zit vlakbij het raam en kijk naar de voordeur. Het is 9 uur. Het is 10 uur. Hij is te laat. Kan gebeuren. Het is 11 uur, 12 uur, 13 uur, 14 uur….

Ik bel weer het telefoonnummer van de KPN dat ik inmiddels vlekkeloos weet te vinden.

  • Is de monteur niet geweest? Heeft u een momentje?

Nu krijg ik ongevraagd toch het muzakmuziekje. Nou vooruit dan maar. Ik duim op de maat van het muziekje.

  • Bent u er nog? Ja, de monteur blijkt uit de planning gehaald te zijn. Ik weet niet waarom. Waar gaat trouwens het probleem over?
  • Ik heb traag internet. De monteur was er al eerder en had geconstateerd dat er een instabiele verbinding was en wilde dat vandaag komen oplossen.
  • Heeft u al een wifi-test gedaan?
  • Het gaat niet over wifi. Ik wil dat die monteur weer komt.
  • Dat kan ik eventueel wel regelen maar dan moet u 60 euro voorrijkosten betalen.
  • Wat zegt u? De monteur is uit de planning gehaald en nu moet ik opeens voorrijkosten betalen?
  • Ja als u niet eerst een wifitest hebt gedaan waaruit blijkt dat u slecht internet hebt komt u niet in aanmerking voor een gratis monteur.
  • Het gaat niet om de wifi, het gaat om de vaste lijn. En om een 4-g-modem die het volgens mij niet of niet goed doet.
  • Nee, u zult toch eerst de wifi-test moeten doen.
  • Mevrouw mag ik asjebliéf heel snel een monteur? Voor mijn part betaal ik voorrijkosten maar ik ga dan wel zo wie zo een klacht indienen.
  • Momentje, ik zal eens kijken.

Ik krijg alweer een muzak wachtmuziekje. Ik besluit om nu niet te gaan duimen maar als tijdverdrijf een online wifitest te doen. Met wat zoekwerk op mijn PC vind ik waar dat kan. Er volgt een test. De robot vraagt me: “hoe is de Wifi nu? Welk rapportcijfer geeft u het?” Ik geef de wifi een 2. Dan wordt er actie ondernomen. Het kpn-modem wordt op afstand gereset. De robot vraagt me ten tweede male: “welk rapportcijfer geeft u de Wifi nu?” Ik geef zonder nadenken nogmaals het rapportcijfer 2 (wat niet zo is maar wat maakt het mij uit). De robot is onder de indruk. Ja hoor! “U komt in aanmerking voor een gratis monteur!”

Net als ik die wil gaan regelen is de mevrouw van zo even na het ietwat eindeloze o zo irritante wacht-muzakje weer aan de lijn. Maar ik wil al niet meer horen wat ze te zeggen heeft, ik kan gewoonweg haar stem niet eens meer horen. Ze klinkt me als muzak in de oren. Ik vertel zo vriendelijk als me nog enigszins mogelijk is dat ik online al een monteur heb geregeld. Verbaasd wenst ze me een goede middag toe.

Ik regel vervolgens inderdaad online de monteur voor de volgende dag. Maar wat moet ik nu tegen die monteur morgen vertellen? De TV doet het sinds de keer dat de eerste monteur er naar gekeken heeft opeens weer uitstekend, zelfs “NPO-plus”,  dat voorheen vaker niet dan wel werkte. Deze monteur had de kabeltjes van de buitenverbinding opnieuw aan elkaar verbonden. Volgens mij was de storing die hij eerder gemeten had daarmee eigenlijk al opgelost. Maar mijn internet was nog steeds net zo traag: 0,2 upload en 10,1 download. Ik besluit om mijn 4-g-kastje los te koppelen en nog eens een keer een speedtest te doen, nu met alleen de vaste kabel naar mijn PC. Uitslag: precies hetzelfde! Het 4-g-modem doet dus helemaal niets. Daar zit dus inderdaad het probleem.

Op het 4-g-kastje stond een merk en een serienummer. Dat tikte ik in bij Google. Ik kwam onmiddellijk op een forum terecht. Dat puilde uit van de lotgenoten. En een slimme lotgenoot had inmiddels weten uit te zoeken wat er aan de hand was. Er is enkele maanden geleden een online upgrade geweest van de firmware van het betreffende 4-g-modem. Daarbij was bij iedereen het wachtwoord gewist en zonder wachtwoord deed het modem niets. Hij wist haarfijn uit te leggen hoe het probleem opgelost kon worden. Dat was niet supersimpel maar voor mij te doen. En wat belangrijker is: het werkte! Mijn snelheid verbeterde gigantisch. Met name de upload snelheid. Die was van 0,2 opeens gestegen naar maar liefst 15 MGb per seconde (45 keer zo snel) en de downloadsnelheid was zes keer zo snel, van 10 naar 60 Mgb per seconde!!

Ik heb opgetogen online mijn monteursafspraak weer afgezegd. Er werd niet om de reden van afzegging gevraagd. Die had ik hen graag gegeven. Ook kreeg ik geen tevredenheidsvraag naar aanleiding van bijvoorbeeld het telefonische contact. Ook kon ik nergens een klachtenformulier vinden. Vinden ze dat daar niet nodig? Volgens mij is de KPN streng calvinistisch. Als je recht in de leer bent dan kun je geen fouten maken. Waarom zou trouwens mijn monteur uit de planning zijn gehaald? Ik vermoed dat die niet bij de KPN paste. Hij was vast niet zo recht in de leer. Hij had bijvoorbeeld goddeloos geen mondkapje op toen hij kwam. Maar mijn goddeloze TV doet het dankzij deze atheïst weer. En dankzij een anonieme techneut heb ik nu weer snel internet. Ik zou de oplossing die mij hielp willen doorgeven aan de monteursbrigade van KPN. Maar dat kan nergens. Ook daarvoor is er geen formulier, niks.

O ja. Mijn telefoonnummer bleek ook nog eens het verkeerde te zijn. Ik had een bericht gekregen met de vraag of onderstaand telefoonnummer goed was. Zo nee, of ik dat dan op “Mijn Kpn” wilde verbeteren. In het berichtje stond mijn telefoonnummer, maar het bleek een telefoonnummer te zijn dat al jaren niet meer bestond. Dus ik naar “Mijn Kpn” om dat te herstellen. Maar wat stond daar tot mijn grote verbazing. Gewoonweg het goede telefoonnummer. Aanpassen leek me dus zinloos. Iets dat goed is pas je immers niet aan. Zal ik dit dan maar doorgeven? Telefonisch of zo? Wat vinden jullie?

Geplaatst in maatschappij | Tags: , , | 1 reactie

Pure en vrolijke tutti-tonen

Een en al blijdschap, of een en al verdriet. Bij mijn oudste kleinzoon is er nauwelijks een middenweg. Alles is extreem maar tegelijk zo puur. Het verdriet beperkte zich tot het moment van het afscheid na het logeerpartijtje, de blijdschap was er vrijwel steeds, twee lange dagen achter elkaar. Alleen werd deze onderbroken als hij in de verte een hond zag. Dan verstarde hij helemaal en werd hij een klein bang nietig hoopje. Ook die angst is dan zeer intensief. Praten helpt niet. Het is ook voor ons eng, hij heeft de neiging om zonder ook maar naar iets van het verkeer te kijken zomaar een straat over te steken. Dus gaan we maar zoveel mogelijk met hem mee in zijn denken.

  • ‘Kijk, hij is aan de lijn.’
  • ‘Maar kan hij dan niet komen snuffelen?’
  • ‘Als we wat dichterbij zijn kunnen we zo nodig even wat uitwijken.’
  • ‘Komt hij dan echt niet snuffelen?’
  • ‘Nee, hij komt dan echt niet snuffelen.’

En zo lopen we dan voorbij “man met hond.” Soms besluit ik ook al iets eerder samen met hem over te steken. En als het er naar uitziet dat bijvoorbeeld een loslopende hond echt niet ontweken kan worden dan til ik hem hoog op mijn schoot en hij klampt zich, zijn gezicht boven mijn hoofd, tegen mij aan. De hond ziet ons zoals gewoonlijk niet eens. Wij zijn voor honden totaal niet interessant. We ruiken niet naar hond. Honden zijn meestal alleen geïnteresseerd in andere honden.

Een ander gevaar is de tunnel. Bij station Spui en Grote Markt gaat lijn 3 van de HTM onder de grond.

  • ‘Waarschuw je me als de tunnel komt?’
  • ‘Ja hoor.’

Vlak voor de tram naar beneden gaat doet hij zijn ogen dicht en houdt ook nog zijn handen voor zijn ogen.

  • ‘Waarschuw je me als we weer uit de tunnel zijn?’
  • ‘Natuurlijk.’

Het zijn maar enkele minuten, ook dit stukje ellende is voorbij en het was gelukkig voor hem goed te overzien.

Maar het is een feest als hij in een toneelrol zit. De afgelopen jaren had hij vaak allerlei rollen. De rol van priester of bisschop, die van koning, die van astronaut, die van carillon-bespeler. Nu is hij meestal een professionele organist. En hij bespeelt dan het orgel in diverse kerken. Al die kerken hebben hun eigen pijp-orgel, met allerlei pijpen, orgelkasten, pedalen. Alleen: behalve op orgelles komt hij geen echt pijp-orgel tegen. Geen nood. Hij maakt zelf zijn orgel of fantaseert dat bestaande dingen bij zijn orgel horen. Zoals een wasrek en vooral klerenkasten met openslaande deuren. En om het nog wat echter te maken maakt hij van duplo dan nog aanvullingen. Thuis heeft hij de beschikking over maar liefst drie manualen. Een daarvan doet het echt, de andere twee staan er boven en laten het orgel er vooral wat meer echt uitzien. Het bespelen van zo’n orgel is één grote show. Hij imiteert vooral graag de grootse gebaren van organisten die hij op youtube heeft gezien. En vooral als hij tutti speelt voelt hij zich helemaal in zijn element. Hoe ziet dat uit? Wel, zoals op deze tekening. Waarbij naast de organist ook nog registranten staan

We waren zaterdag en zondag in drie verschillende speeltuinen. In de speeltuin van Kinderdijk staat de grootste kathedraal van Kinderdijk. Mijn kleinzoon bespeelde uiteraard het orgel en legde me en passant nog wat dingetjes uit.

In een andere kerk, nu in Den Haag, zaten toen hij er speelde enkele andere kinderen, iets ouder, erg dicht bij hem. Zijn spel werd steeds luidruchtiger, er kwam bij mijn kleinzoon een triomfantelijk tutti.

  • ‘Kop houden!’

De jongens hadden last van hem. Hij speelde door maar matigde het volume enigszins. Tot mijn grote opluchting werd hij door hen gedoogd. Net daarvoor zat hij met diezelfde jongens in een soort draaimolen. Hij ging in het midden zitten en wees aan elke jongen aan wie hij was:

  • ‘Jij bent de Aarde, jij Venus, jij Mars, jij Jupiter, jij Uranus. Ik ben de zon.

Het levende planetarium draaide rond. De planeten keken ietwat bevreemd naar deze centrale zon. Ik hoorde Mars tegen Uranus zeggen:

  • Hij weet veel van planeten, jij weet toch ook veel van Dinosauriërs?’

Blijkbaar moest het dus kunnen. Wat leuk, dacht ik bij mezelf. Maar toen hij een luidruchtige organist was moest hij alsnog zijn kop houden. Later hoorde ik hoe enkele van die kinderen zijn geluiden aan het nadoen waren en intussen grinnikten ze naar elkaar. Ik geloof dat mijn kleinzoon het niet gezien of gehoord heeft. Hij zat teveel in zijn spel.

Zoals gezegd: het waren twee topdagen voor hem maar ook voor mijn vrouw en mij. We hebben veel samen gelachen en gekletst. Sinds hij enkele weken geleden op bezoek is geweest in het atelier van een orgelrestaurateur is alles wat met orgelrestauratie te maken heeft een favoriet onderwerp. Op youtube staat een prachtige documentaire over de restauratie van het Broederen-orgel in Deventer. Je ziet allerlei vakmensen aan het werk maar een en ander is in een jasje gegoten waarin scenes nagespeeld worden. Zo wordt ook de scene gespeeld dat het Ibach-orgel in 1868 wordt ingewijd in de Broederenkerk. Terwijl er nog wat gekletst wordt over dat orgel in de kerk, vlak voor de Hoogmis, zegt een oudere kerkgangster:

  • ‘Meneer, wilt u stil zijn! De Heilige Mis gaat zo beginnen!’

Dat zinnetje heeft hij de twee logeerdagen wel tien of meer keren herhaald, dat vindt hij zo komisch. En hij spreekt het uit met hetzelfde accent als hoe de bewuste oude vrouw in dat filmpje het zegt. En dan die grijns op zijn gezicht! Heerlijk aanstekelijk. Daar wordt iedereen blij van.

Verder is het toch ook weer opvallend dat hij eigenlijk totaal niet vermaakt hoeft te worden. Het grootste deel van de tijd speelt hij in zijn eentje. Ja, af en toe dan komt hij enthousiast iets vertellen en vraagt aan ons of we komen kijken of luisteren. Maar als dat even niet uitkomt is dat geen probleem.

En dan heeft hij natuurlijk ook echt orgel (keyboard) gespeeld, of heeft hij gespeeld op de piano. Hij speelt graag bestaande stukken na zoals “Für Elise”, sinds kort ook het thema uit een van de impromptu’s van Schubert. Maar ik geniet vooral als hij gaat improviseren. Bij onderstaande piano-improvisatie zei hij van te voren dat hij ging improviseren met drieklanken.

  • ‘Wat vond je er van opa?’
  • Ik vind het mooi, maar misschien was het nog mooier geweest als je ook wat zwarte toetsen had gebruikt.’
  • ‘Ik héb zwarte toetsen gebruikt!’
  • ‘O ja? Zullen we de opname die ik maakte dan even terug luisteren?’

Samen luisterden we nog een keer naar zijn improvisatie. Er zat inderdaad op twee plekken een zwarte toets in. Precies op die plekken keek hij me aan: ‘hoor je?’ Ik hoorde het en het klopte. Weer opvallend hoe hij dit allemaal bewust hoort. Ik denk dat aardig wat conservatorium-studenten hem dat niet na zouden doen, auditief herkennen op welke plek er even een zwarte toets wordt gebruikt.

Onderstaande orgel-improvisatie speelde hij bij zijn ouders op het keyboard, of liever gezegd op zijn “huisorgel”. Volgens mij op basis van een stuk dat hij op youtube gehoord had. Met in het pedaal lang doorklinkende orgeltonen. En verder was de improvisatie behoorlijk heftig. Maar het waren pure en vrolijke tutti-tonen.

Geplaatst in autisme | Tags: , , , | 1 reactie