Normandisch Paasspel

Wat is dat alweer een tijd geleden! Ik heb het over de tijd van het begin van de geleidelijke teloorgang van het Rijke Roomse leven. Na het Tweede Vaticaanse concilie veranderde er van alles. Wat eerder een doodzonde was mocht opeens. De liturgische praktijk ging op de schop. Binnen de katholieke kerkgemeenschap in Nederland werd er fel gediscussieerd. Maar toch was er nog een bijna hemelse nawee van dit rijke verleden. Het Gregoriaans, de eeuwenlange drager van de liturgische gezangen werd nog eenmaal grootschalig toegepast en zowel in België als Nederland kon men zich laten onderdompelen in de vertrouwde klanken. Dit alles werd uitgezonden, je kon luisteren en kijken naar de uitvoering van een Middeleeuws Paasspel.

Van 16 tot en met 24 oktober 1971 waren er in de basiliek van Tongeren repetities en opnames van dit bijzondere muziek- en toneelstuk. Het originele stuk was geschreven rond 1150. Het was een van de vele Paasspelen die in de middeleeuwen werden gespeeld. Vaak ging het bij die Paasspelen om stukken waarbij het hele lijdensverhaal vanaf Palmpasen werd nagespeeld, maar er waren ook Paasspelen, zoals dit, die zich juist richtten op bijbelteksten over de periode vlak na de dood van Christus. De Latijnse teksten van zo’n spel waren voorzien van neumen, dat wil zeggen tekentjes die nog voorafgaan aan wat wij kennen als de meer moderne notatie van het Gregoriaans. Neumen geven het toonhoogteverloop weer maar kunnen ook beschouwd worden als aanwijzingen met betrekking tot de ritmische interpretatie daarvan. Er is geen wetenschappelijke eenduidigheid over deze uitvoeringspraktijk. Meestal wordt gezocht naar een manier van zingen zoals die ook tegenwoordig nog bij de uitvoering van Gregoriaanse gezangen gebruikelijk is. Die kent vooral een zekere ingetogenheid. Hieronder een voorbeeld van dergelijke neumen zoals afkomstig uit het klooster van Sankt Gallen.

Met het instuderen en ook met de research hebben veel mensen zich bezig gehouden. Het stuk zelf is samengesteld uit meerdere bronnen, en voor de samenstelling van die bronnen heeft Professor Jos Smits van Waesberghe gezorgd. De muzikale leiding, het interpreteren van de neumen maar ook het instuderen van alles viel onder de verantwoordelijkheid van Dr. Fons Kurris, die aan het Conservatorium van Maastricht de lessen Gregoriaans verzorgde. Ook was er een werkgroep onder zijn leiding waarin studenten leerden hoe je van middeleeuwse neumen een meer bekende notatie kon maken, maar ook hoe een en ander uitgevoerd zou kunnen worden. Ik zat zelf in die werkgroep.  De dramaturgie en regie was in handen van Ben Mettrop. Het geheel werd in de basiliek van Tongeren opgenomen en met Pasen 1972 uitgezonden als coproductie van de KRO en de BRT. De KRO herhaalde de uitzending nog een keer zeven jaar later in 1979. De bandopnamen lijken te zijn vernietigd, althans ze staan niet in de database van het Instituut voor Beeld en Geluid. De BRT (VRT) daarentegen had ze nog in haar archief bewaard. Een select gezelschap van oud-deelnemers mag ze voor privégebruik na betaling van een vrij geringe bijdrage downloaden en bekijken.

Wie was de inmiddels overleden professor Jos. Smits van Waesberghe, die dit spel heeft weten te reconstrueren? Hij is geboren in 1901 in Breda als zoon van de directeur van bierbrouwerij De Drie Hoefijzers. Na zijn gymnasiumopleiding aan het jezuïeteninternaat Sint-Willibrordus in Katwijk aan de Rijn, trad hij in 1920 in bij de jezuïeten. Na zijn studie in de filosofie studeerde hij muziek bij onder meer Marius Monnikendam. In 1928 werd hij leraar aan het Rotterdams Conservatorium, in 1943 aan het Amsterdams Conservatorium en in 1944 professor in de muziekwetenschap aan de filosofische opleiding van de Jezuïeten in het Berchmanianum te Nijmegen. Van 1947 tot 1957 was hij privaatdocent Muziek in de oudheid en middeleeuwen aan de Universiteit van Amsterdam en vanaf 1957 was hij gewoon hoogleraar aan dezelfde universiteit. Op 9 oktober 1986 overleed hij en Chris Maas schreef in het tijdschrift voor Nederlandse Muziekgeschiedenis een “in Memoriam”, waarvan ik hier het eerste stukje weergeef:

Hij was de laatste hoogleraar van wat men zou kunnen noemen de eerste generatie Nederlandse musicologen. Anders dan de grondleggers van de muziekwetenschap aan de Nederlandse universiteiten, Smijers te Utrecht en Bernet Kempers te Amsterdam, volgde Smits van Waesberghe niet een musicologische opleiding aan een buitenlandse universiteit, maar had hij zich, na zijn intrede in de Jezuïten-orde als autodidact gespecialiseerd in de muziek en de muziektheorie van de middeleeuwen. Met groot enthousiasme had hij zich geworpen op dit moeilijk toegankelijke en ook in het buitenland weinig bestudeerde gebied. Om zijn materiaal te verzamelen reisde hij langs honderden universiteits- en kloosterbibliotheken; het door hem privatim aangelegde microfilmarchief mag ook heden nog als uniek worden gekwalificeerd. Het getuigt van Smits’ grote begaafdheid èn van zijn grote werkkracht dat hij in 1936 het eerste deel kon publiceren van een groots opgezette “Muziekgeschiedenis der Middeleeuwen”. Na de oorlogsjaren is dit enorme project, waarvoor de grenzen van het Nederlandse taalgebied te beperkt waren, niet voortgezet, maar vervangen door een groot aantal deelstudies. Overziet men de honderden publicaties van zijn hand dan ligt het zwaartepunt op de Middeleeuwse muziek en muziektheorie, met als een van zijn belangrijkste studies de in het Latijn gepubliceerde monografie over het leven en de werken van Guido van Arezzo.

Zoals ik eerder aangaf is het niet duidelijk hoe er indertijd werd gezongen en gespeeld. Professor Smits van Waesberghe heeft er toch een zeker idee van, zoals blijkt uit wat hij zegt bij zijn afscheidsrede in 1971, bij de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft het daar over “de muzische mens”. Volgens hem moet bij zowel de uitvoeringswijze van het Gregoriaans, maar ook bij muziek van troubadours de beweging en de motoriek centraal staan. Deze manifesteert zich in praten, zingen en dansen. Hierbij wordt de mens onbewust geleid door een biologische “secondeklok”. Ik zou hem eigenlijk willen vragen: ‘Doe eens voor’, maar helaas: de man is dood.  Herman Hofhuizen, redacteur bij het toen nog dagelijks verschijnende blad de Tijd, interviewde hem naar aanleiding van dat afscheid. Door dat interview krijg je wel een beter beeld van de persoon Smits van Waesberghe, maar zijn visie op de uitvoeringspraktijk van middeleeuwse muziek wordt daarin ook niet echt duidelijk. (Daarover zo meteen meer bij het Rijnburgs Paasspel.)
Terug kijkende naar onze eigen uitvoering vind ik deze achteraf wat stijfjes en braafjes. Ik denk dat het spannender had gekund. Het zou me ook niet verwonderen als de uitvoeringspraktijk van een dergelijk spel in de loop der jaren steeds weer behoorlijk veranderde. Het zal vast een eeuw of nog langer op enkele plekken gespeeld zijn.
Voor ik verder in ga op het Normandische Paasspel eerst iets over twee andere Paasspelen uit de Middeleeuwen die in dit geval in het Nederlandse taalgebied zijn geschreven.

Maastrichts Paasspel. Dit Paasspel stamt uit het bezit van het tertiarissenklooster Maagdendries te Maastricht, in 1797 door de Fransen opgeheven. In 1801 werden de handschriften en boeken uit de opgeheven Limburgse kloosters te Maastricht geveild, behalve 120 handschriften en 352 oude drukken, die in 1839 in een donker vertrekje op de derde verdieping van het gouvernementsgebouw te Maastricht werden gevonden en naar Den Haag werden gestuurd: het bleek de basis van het onvolledige, maar toch nog omvangrijke Maastrichtse Paasspel. Dit Paasspel werd in 1970, ook in Maastricht, uitgevoerd. In 1871 schreef H. Eversen iets over de uitvoeringspraktijk van het Maastrichtse paasspel maar zijn bevindingen lijken me erg speculatief. Hij vermoedt dat het buiten de kerk werd opgevoerd.

Rijnburgs Paasspel. Later bleek het Maastrichtse Paasspel identiek te zijn aan een, nu wel compleet (!), handschrift dat in de abdij van Egmond werd gevonden, dat echter geen regie-aanwijzingen bevatte. Later bleek dat manuscript uit de tweede helft van de vijftiende eeuw bedoeld te zijn geweest voor het nonnenklooster van Rijnsburg.  Peter van de Coolwijk schrijft er in 2010 dit over naar aanleiding van een uitvoering door het Gregoriaans koor Utrecht:

Het spel werd in de tweede helft van de 15e  eeuw opgeschreven in het schrijfatelier van de abdij van Egmond en werd eeuwen later in de koninklijke bibliotheek te Den Haag teruggevonden. Het werd eerst aan de abdij van Egmond toegeschreven, maar bleek bestemd te zijn geweest voor het vrouwenklooster in Rijnsburg. Inmiddels zijn talloze Paasspelen opgedoken en bestudeerd. Opvallend aan de versie uit Rijnsburg is de beginscène waarin de vrouwen balsem gaan kopen. Verder is het vrijwel identiek aan het Paasspel zoals dat rond 1200 in de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Maastricht gespeeld werd. In het Rijnsburgse manuscript zijn enkel de tekst en muziek opgeschreven. Het Maastrichtse handschrift geeft ook aanwijzingen voor de uitvoering van het spel. De oorsprong van de spelen ligt in de liturgie van de Goede Week. Op vrijdag werd Christus symbolisch begraven door een kruis te leggen in een nis, kast of soms een aparte kapel in de kerk, die het heilig graf genoemd werd. Op Paasmorgen vóór de mis trok de priester naar dat heilig graf en werd dan door een diaken toegezongen : “Wie zoekt ge?”. Het antwoord was : “Jezus, de Nazarener.” De diaken weer : “Die is verrezen!”. Daarop werd het kruis aan de aanwezigen getoond en was in de stijl van de vrouwen uit Galilea de verrijzenis van Christus aangekondigd. Vanaf de 10e eeuw werd dit ritueel verder uitgebreid, waarbij de evangeliën teksten leverden maar ook de fantasie van de auteur meespeelde. In kloosters en kapittelkerken werd het spel gespeeld na het tweede responsorium van de (korte) metten van Pasen als een bijna onontkoombare remplaçant van de derde lezing; het respons daarop was het Te Deum laudamus.

Ook het ensemble “Quem Quaeritus” voerde het Rijnburgse Paasspel in 2016 uit. Een fragment daarvan staat op youtube:

Marcel Zijlstra, onder wiens leiding dit Paasspel toen werd uitgevoerd, voerde veel eerder ook al eens met zijn ensemble het zogenaamde Daniëlspel uit. Over dat spel en liturgische spelen in het algemeen, ook hun mogelijke plek in de liturgie, schreef hij in 2003 een interessant stuk in het blad Madoc. In 1996 voerde hij dat spel uit op enkele plekken in de verenigde staten. Hiervan werd ook een geluidsopname gemaakt, voorafgegaan door een interview met hem. Dat interview en een klein stukje van het spel kun je hier beluisteren.

De regie-aanwijzingen van het spel van Maastricht waren verder zodanig dat het vrijwel zeker is dat het voor een hoogaltaar werd uitgevoerd. Volgens Dom J. Hof van de abdij van Egmond (1954, archief voor kerkhistorie) is het aannemelijk dat het stuk uit Egmond het oudste is en daar geïntroduceerd werd toen er een abt uit Gent in Egmond werd aangesteld. Zijn uitgebreide artikel over Paasspelen in het Nederlandstalig gebied geeft interessante informatie hierover. In dat artikel wordt ook een link gelegd naar het handschrift van Tours. (Archief voor kerkgeschiedenis XL, pagina 145). Het afschrift voor het nonnenklooster van Rijnsburg zou dan weer gebaseerd kunnen zijn op een veel ouder, inmiddels verloren gegaan origineel.

Het Normandische Paasspel

Dan nu terug naar het Normandische Paasspel zoals in 1971 uitgevoerd. Jos Smits van Waesberghe schreef zelf het volgende ten geleide:

Met passen en meten – wat veel tijd heeft gevergd – is dit paasspel tot stand gekomen. Het grootste deel ervan – onze hoofdbron – is bewaard gebleven in een handschrift uit de stadsbibliotheek van Tours (Handschrift 927). Doch dit is een onvolledig afschrift; de oorspronkelijke volledige optekening ging – voor zover bekend – voorgoed verloren.
In dit in Tours bewaarde afschrift ontbreken enige belangrijke scenes, zowel aan het begin, in het midden en aan het slot. Door vergelijkingsstudie met andere Paasspelen konden begin en slot zonder veel moeite gereconstrueerd worden. Het begin haalde ik uit de “Carmina Burana”, het slot uit het zogenaamde Nederlandse Paasspel, voorheen het Maastrichts Paasspel genoemd.
Erger is het ontbreken van enige bladzijden in het afschrift van Tours midden in het spel. De lange rouwklacht, door Maria Magdalena gezongen, wanneer zij op Paasmorgen in de Graftuin vergeefs naar het lichaam van Christus zoekt, wordt plotseling afgebroken bij NR. 60. Wat na deze onderbreking volgt, nr, 71, is het einde van een geheel andere scene: Maria Magdalena wijst Petrus de weg naar het graf. Tussen deze twee teksten in moet eerst de Magdalenascene gespeeld zijn: het weerzien van Maria Magdalena met de als tuinman verklede Christus. Deze scene hebben we kunnen aanvullen uit het Nederlands paasspel (61-67).
Hierna verplaatste zich het spel naar Petrus: in een monoloog verhaalde hij eerst wat hem in de nacht na het verloochenen van de Heer is overkomen; vervolgens moet hij bericht hebben ontvangen van de verrijzenis en van de verschijning aan Maria Magdalena.. En hier gaat dan het handschrift van Tours verder (nr. 71).
Ondanks vele onderzoekingen zijn wij er niet in geslaagd deze Petrusscene te vinden. Wel konden wij – zij het veel beknopter dan in het verloren origineel – de scene aanvullen uit een fragment in handschrift 201 van de stadsbibliotheek van Orléans (nr. 68-70).
Waar komt dit Paasspel vandaan? Wij hebben het – misschien wat te voorzichtig – “Normandisch Paasspel” genoemd, daarmede doelend op het gebied van de Normandische cultuur na de verovering van Engeland door Willem de Veroveraar (1066-1071). Westelijk wordt dit begrensd door Zuid-Engeland; noordelijk door het graafschap Vlaanderen (Gent); oostelijk door de beginloop van de Seine-Oise (Orléans, Fleury) en zuidelijk door de Loire (Tours). Het kan dus best zijn dat we met een Vlaams Paasspel te doen hebben. Maar bewijzen kunnen we dat niet. In zijn oorspronkelijke opvoering gaat het terug tot het midden van de twaalfde eeuw.

De oorspronkelijke versie van het Normandische Paasspel dateert volgens professor van Waesberghe zo van rond 1150. Dat was een bijzondere tijd. Ik heb er al vaker over geschreven. Het is de tijd van de enorme uitbreidingen en versieringen van de Servaaskerk en de OLV-basiliek in Maastricht. Het was de tijd van Hildegard von Bingen. Het was de tijd van keizer Frederik Barbarossa en zijn opvolger Hendrik. Het was de tijd van kerkelijke vernieuwingen maar ook van de investituurstrijd. Vlaanderen en Noord-Frankrijk waren economisch welvarend en daar begonnen handelssteden als Brugge en Gent zich enorm te ontwikkelen. Het Normandische rijk strekte zich ver uit, delen van Engeland maar ook Sicilië en Zuid-Italië werden onderdeel. Wat kregen de kloosters van die veranderingen allemaal mee? En dan hebben we ook nog de kruistochten. Er was een fanatiek en op veel plaatsen onverdraagzaam Christendom ontstaan. Met die achtergrond werd ook het Normandische Paasspel geschreven. Natuurlijk waren de farizeeërs, joden, in de ogen van de toenmalige Christenen niet te vertrouwen. Dat zal vast ook uitgespeeld zijn bij de eerste scene. Ik denk dat ze in hun spel een valse blik moeten hebben en dat ook de muziek irritant moet worden gezongen. De raadgevers van Pilatus gingen met hun denken mee, alleen de vrouw van Pilatus probeerde wat tegenwicht te bieden. Die psychologische achtergrond zou denk ik een sterkere rol hebben kunnen spelen bij onze uitvoering. De scenes waarbij de drie Maria’s bij het graf komen met engelen zou nog meer niet alleen de droefheid, maar vooral ook de verwarring van deze vrouwen moeten uitbeelden. De ellende van Maria Magdalena zou voor mij veel meer uitgespeeld mogen worden. Het tot drie keer toe “Heu”, “ach ik”, zou als een klacht bij de klaagmuur moeten klinken, of als “huilvrouwen” bij de wake bij het dode lichaam van een voornaam iemand. Toch, ik heb het spel inmiddels enkele keren terug gekeken, zie ik de liefdevolle en knappe regie van Ben Mettrop, met het bijbehorende mooie camerawerk. En kun je met wat inlevingsvermogen het drama zoals dat zich afspeelde na de dood van Christus meebeleven. En het Gregoriaans klinkt goed. Eigenlijk is het ongelooflijk dat de Nederlandse Omroep zo’n prachtig document waarschijnlijk zo maar heeft weggegooid.

Ik heb gehoord dat L1, de regionale omroep van Limburg, overweegt om het stuk opnieuw uit te zenden. In de versie van 1972 uiteraard. Dat zou fantastisch zijn. Ik zal als dat gebeurt tegen die tijd nog een keer iets meer over de tekst schrijven. Nu volsta ik met het toelichten en plaatsen van twee geluidfragmenten en met wat afbeeldingen uit die scenes.

Scene I

In scene I zien we eerst hoe hogepriesters proberen om Pilatus te beïnvloeden om het graf te gaan bewaken. “Straks gaan ze nog zeggen dat er een wonder is gebeurd!” Pilatus aarzelt en vraagt zich af of dat bewaken strafrechtelijk wel kan. De vrouw van Pilatus vindt het in ieder geval onzin en de eer van Pilatus zou er door worden geschonden, zoals ze in een nachtelijke droom zag. Maar ook de raadgevers van Pilatus staan achter de ideeën van de joden en vinden eveneens dat hij het graf moet laten bewaken door soldaten. Pilatus gaat overstag, roept zijn soldaten en geeft hen de opdracht om het graf te gaan bewaken.

1. HOGEPRIESTERS
O domine, recte meminimus, Heer, wij herinneren ons heel goed,
quod a turba, saepe audivimus, onder ’t volk hebben wij het vaak horen zeggen
seductorem consuetum dicere: dat die bedrieger herhaaldelijk beweerde:
Post tres dies volo resurgere. “Na drie dagen zal ik verrijzen.”

2. PILATUS
Sicut mihi dictat discretio Als ik uw listigheden goed begrijp
et astuta vestra cognitio, en uw sluwe gedachten raad,
mihi crimen vultis imponere, dan wilt ge mij een misdaad doen begaan
de Jesu, quem fecistis perdere. met Jezus, die gij hebt laten doden.

3. HOGEPRIESTERS
Vestra virtus et sapientia. Wij kunnen uw moedig, wijs
nobis valde est necessaria beleid niet missen
seductores namque discipuli want zijn leerlingen, die bedriegers
machinantur ruinam populi bewerkstelligen de ondergang van het volk.

4. VROUW VAN PILATUS
Versutia horum non faciat, Laat het door hun listen niet zover komen,
ut sepulchrum praeses custodiat: dat gij als landvoogd het graf laat bewaken;
ventra namque perpendat gloria, want uw eer zou ervan afhangen,
quanta passa fui per somnia. zoals ik in mijn nachtelijke dromen heb gezien.

5. RAADGEVERS
Militibus ergo praecipias Geeft gij nu al vast soldaten de opdracht
Custodire noctis vigilias, de nachtwake op zich te nemen,
ne furentur illum discipuli, opdat zijn leerlingen hem niet weghalen,
et dicant plebi: Surrexit a mortuis. en tegen het volk zeggen: Hij is uit de doden verrezen.

6. PILATUS
Venite ad me, milites Komt bij mij, sterke
fortes atque incolumes; en geoefende soldaten;
diligenter pergite voert nauwgezet uit
Quod vobis dico, facite: wat ik u opdraag:
tres dies cum noctibus houdt drie dagen en nachten
vigilate cum studio, met toeleg de wacht,
ne furentur discipuli opdat zijn leerlingen hem niet weghalen
et dicant plebi: en tegen het volk zeggen:
Surrexit a mortuis. Hij is uit de doden verrezen.
Ite, vos milites, sollerti cura Gaat nu, soldaten een goede wacht
vobis commissa sit sepultura. over het graf zij aan u opgedragen.

Hieronder zie je de hogepriesters, Pilatus, de vrouw van Pilatus en zijn raadgevers

Scene VII

Zoals professor van Waesberghe al vertelde is scene VII gehaald uit het Nederlandse, voorheen bekend als het zogenaamde Maastrichtse Paasspel. Als je goed luistert kun je dat ook horen, de muziek is iets uitbundiger als de muziek van de eerdere delen. Het laatste fragment van scene VII hoort eigenlijk al bij de erop volgende Petrusscene, en die komt dus uit het handschrift van Orléans. De muziek breekt af als Maria Magdalena nog “Alleluia” wil zingen, maar precies op dat moment is er een storing in het beeld en het geluid van de band, dat heb ik dus weggelaten.

In deze scene zien we hoe Maria Magdalena Christus ontmoet, maar eerst heeft ze nog niet door dat hij het is. Opeens komt ze er achter als hij haar naam noemt, maar hij vraagt haar om hem niet aan te raken. Ze realiseert zich dat ze een verschijning heeft gehad en opgetogen wil ze dat gaan vertellen.

61. CHRISTUS
Mulier, quid ploras? Vrouw, waarom weent ge?

62. MARIA MAGDALENA
Quia tulerunt Dominum meum Omdat ze mijn Heer hebben weggehaald,
et nescio ubi posuerunt Eum. en ik niet weet, waar ze Hem hebben neergelegd.

63. CHRISTUS
Mulier, quid ploras, quem quaeris? Vrouw, waarom weent ge, wie zoekt ge?

64. MARIA MAGDALENA
Domine, si tu sustulisti Eum, Heer, indien Gij Hem hebt weggenomen,
dicite mihi ut ego Eum tollam. zegt het mij opdat ik Hem meeneme.

65. CHRISTUS
Maria!

66. MARIA MAGDALENA Rabboni! (quod dicitur: Magister) Rabboni! (dat betekent: meester)

 67. CHRISTUS
Noli me tangere. Raak me niet aan.
nondum enim ascendi ad Patrem meum, nog niet ben Ik bij mijn Vader,
Deum meum et Deum vestrum. bij mijn God en Uw God.
Alleluia

68. MARIA MAGDALENA
Congratulamine mihi omnes Verheugt U nu met mij, gij allen,
qui diligitis dominum! die de Heer bemint.
quia quem quaerebam, want Hij die ik zocht,
aparuit mihi, is aan Mij verschenen,
et dum flerem ad monumentum toen ik treurde bij zijn graf  
vidi dominum meum. zag ik Hem, mijn Meester.

Hieronder zie je Christus en Maria Magdalena

In dit Paasspel waren er drie bescheiden rolletjes voor mij, zo was ik een van de raadgevers van Pilatus, maar ook liep ik op de markt als een van de figuranten. Tot slot mocht ik ook nog wat zingen als een van de 12 apostelen bij een van de laatste scenes. Het terugzien van de opnames haalde ook allerlei andere herinneringen boven. Ik moest denken aan mijn tijd aan het Conservatorium. Net pas 21 jaar. Pas een half jaar woonde ik toen op kamers in Maastricht. Mijn gedachten gingen naar al die medestudenten en de spannende dingen die je toen met elkaar mee maakte. Sommigen van hen, die je ook in de opname ziet, zijn inmiddels overleden. Weemoed overvalt me…

Het was zoals gezegd de tijd dat het Rijke Roomse leven ten einde liep. In die tijd ging ik net als mijn ouders, broer en zussen al niet meer naar de kerk. Mijn moeder vond het een poppenkast, terwijl ze eerder, in mijn kinderjaren zeer vroom was. De ontwikkelingen waren te snel gegaan, doorgeschoten. Maar me echt afzetten tegen de kerk heb ik nooit gedaan. Alleen al door de liefde voor muziek die ik ook door de kerk had mee gekregen. En het meedoen aan dit Paasspel was heerlijk.

Geplaatst in Geschiedenis, muziek, theater | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Orgels en treinen

-‘Je kleinzoon gaat vandaag naar Antwerpen?’
-‘Naar Antwerpen?’
We keken de leidster van de buitenschoolse opvang verwonderd aan. Wat was hij nu weer aan het fantaseren? Mijn vrouw en ik haalden hem op want hij zou twee nachtjes komen logeren. In de auto legde hij uit dat hij naar het “Simons-orgel” in Antwerpen ging. Hij had het over zijn met blokken en duplo gemaakte orgel bij ons in de huiskamer. Dat orgel had vijf klavieren, dus dat was natuurlijk het orgel met vijf klavieren dat hij via youtube kende, en dat stond dus in Antwerpen. Alleen het had inmiddels een nieuwe naam: het “Simons-orgel”. Hij verheugde er zich de hele dag al op dat hij daar op kon gaan spelen. Op zijn mooie Simonsorgel verzorgde hij voor ons een Pinksterconcert. Het programma bestond uit drie stukken: eerst speelde hij de kleine orgelfantasie (uit deel drie van zijn orgelmethode, mijn vrouw moest omslaan.) Daarna volgde een orgelstuk van Feike Asma. Het klapstuk was een orgelbewerking van een cantate van Bach. Na een korte toelichting ging hij achter de speeltafel zitten. Zeer geconcentreerd. Zijn handen gingen omhoog en bleven stil boven een van de vijf manualen hangen. Hij haalde adem, en toen betastten zijn handen behendig de toetsen (houten blokken) en de registratieknoppen (duplo). Zijn voeten gingen over het pedaal (losse duplo-stenen). Achter het orgel zag je indrukwekkende orgelpijpen (duplo). Het geluid schalmde door de concertzaal van Antwerpen (uit zijn mond). Het was een prachtig concert dat met twee camera’s werd vastgelegd. Ik denk dat de leidster van de BSO haar ogen en oren niet zou hebben kunnen geloven.

Maar intussen bleef hij nog veel meer spelen, nu op andere orgels. Uit het Thomassenorgel van de Laurenskerk klonk de beroemde toccata van Bach als ware het een indrukwekkend “Te Deum”.

De laatste middag van de logeerpartij gingen we met de trein naar Den Haag, naar de zus van mijn vrouw. Op de terugweg mocht hij met mijn telefoon foto’s maken. Bij Den Haag CS was onze trein net weg. Tijd zat dus. Hij rende van hot naar her over alle perrons om alle treinen en andere dingen die hij bijzonder vond vast te leggen. Het herinnerde hem aan een eerdere hobby waar hij al bijna een jaar lang niets meer mee gedaan had: treinen!

Op mijn Hauptwerkorgel speelde hij bij bovenstaande film zijn eigen achtergrondmuziek.

Maar het Simonsorgel moest worden afgebroken. De logeerpartij was voorbij en enkele dagen later, als ook zijn broer en zusje weer zouden komen, moesten die ook kunnen spelen. Huilen! Ik nam de doos met duplo en de blokken mee naar mijn werkkamer waar hij ook op het hauptwerkorgel mag spelen. Zullen we hem daar woensdag weer opnieuw opbouwen, dan heeft niemand er last van? Met enige tegenzin ging hij akkoord. Ook in zijn eigen huis neemt de kerk die hij daar gebouwd heeft het halve huis in beslag. In de gang moet je stil zijn (het is een kerk!) Poppen fungeren als heiligenbeeldjes en halverwege de trap zijn twee manualen van het orgel. Iedereen loopt er omzichtig om heen, tenzij hij er over struikelt.. Ook die manualen bleken opzij gezet te zijn in de dagen dat hij bij ons was, opnieuw was hij boos!

Nu, opeens hoeven de orgels niet meer. Voor zijn verjaardag wil hij iets met treinen. Iedereen had al cadeautjes verzonnen met orgels. Dat wordt nog wat.. Ik liep met hem mee naar zijn huis. Onderweg liet hij me diverse spoorstations zien. Schoonhoven Alexander, Schoonhoven Lombardijen en bij Schoonhoven Blaak was er een tunnel. Thuisgekomen pakte hij zijn fiets en reed er op als in een trein, langs allerlei stations.. Helemaal in zijn eigen spel. Hij was de machinist en hij zag onderweg allerlei SLT-tjes en dubbeldekkers..

Hoe gaat het nu met het orgel? Enkele dagen later in de Sint Jan van Gouda waar hij orgelles heeft improviseerde hij toen zijn docent een beetje te laat was op het echte Moreau orgel. Eindelijk kon hij weer eens met pedalen spelen, niemand die het hem verbood! Jeeh! Dat is misschien toch wel het leukste speelgoed dat er is.

Hij vindt uit zijn hoofd spelen gelukkig nog steeds erg leuk en blijft dat doen. Maar in zijn fantasiespelletjes is hij op dit moment niet meer een organist maar is hij een machinist. Zo is dat vaker gegaan. Zoals toen hij rond Sinterklaas weer helemaal in de ban was van sterren en planeten. Hij wilde alleen maar cadeautjes met sterren en planeten.. Dat is nu alweer een hele tijd voorbij. Alles wat hem ooit fascineerde blijft gelukkig  terug keren. Zolang het maar niet in een verkeerd hokje in zijn hersens terecht komt. Dan wil hij er opeens helemaal niets meer van weten. Maar in zijn rollenspel is er maar één plaats tegelijk mogelijk. En nu is die plaats gereserveerd voor een machinist.

-‘Opa, wanneer gaan we nog eens met de trein naar Tilburg? Ik wil nog eens in zo’n nieuwe sprinter zitten.’

Nu we weer snel een keer naar het buitenland mogen wil ik niet zo zeer naar Tilburg maar een keer met hem naar Antwerpen met de trein. Naar die mooie concertzaal. Met een orgel met maar liefst vijf klavieren!

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: | 4 reacties

Postromantiek in Franse orgelmuziek

Van de Franse organist Léon Boëlmann wordt tegenwoordig vooral de Suite Gotique nog gespeeld. Op Wikipedia lees je dat Boëlmann een vertegenwoordig is van Franse postromantiek. Wat is dat, Franse postromantiek?

Ik probeer dat een beetje te ontrafelen aan de hand van het derde deel van de Suite Gotique: Priëre à Notre Dame, gebed tot Maria. Ik denk dat we het vooral moeten zoeken in de manier waarop Boëlmann akkoorden gebruikt. De vorm van het stuk, de metriek en ook de ritmiek is erg traditioneel. We zien symmetrische voor-nazinnen in een driekwartsmaat. Maar de melodieën zijn in een kleurrijk akkoordenpalet gedompeld waar het stuk zijn grootste charme aan ontleend. Zo begint het met eerst een terts, dan een groot septiem en daarna een sext in de melodie boven een grote drieklank, prachtig! Maar we horen niet alleen mooie harmonische toevoegingen, het kleurenpalet maakt vooral ook gebruik van aparte akkoordwendingen. Ik probeer hier iets van uit te leggen.

Over het middendeel van deze Priëre zeg ik verder niets, maar ik laat hieronder wel zien wat er harmonisch gebeurt.:

Als je naar de muziek luistert, en vooral ook als je hem uitvoert moet je je voorstellen dat je in een kerk of in een kapel bent en je in gebed tot Maria richt. Je vraagt haar om hulp, maar het is geen indringende smeekbede. Iedere keer als de melodie omhoog gaat richt je je tot haar, en als de melodie daalt (dat gebeurt veel meer) denk je stil na over wat je haar vraagt. Vooral door de rijke akkoorden kun je je goed overgeven aan de serene stemming die bij dit gebed past.

Op youtube staan veel uitvoeringen van het stuk. De uitvoering van Cameron Carpenter is de meest romantische met veel afwisseling in de registraties maar met vooral ook veel vertragingen en versnellingen. Heel interessant en apart, maar voor mij is dit toch te veel van het goede. Ik vind van de uitvoeringen die ik beluisterd heb die van Gerben Budding op het Moreau orgel in de Sint Jan van Gouda de mooiste. De tempi zijn wat mij betreft precies goed, maar ook het registergebruik is erg mooi. Het stuk bestaat uit drie delen, je zou het ABA’ C AD kunnen noemen. ABA’ werkt als een soort expositie, C is een soort doorwerking, AD de reprise. Van C zie je hierboven de noten. Het eerste AB deel heb ik in het filmpje hierboven geanalyseerd. Gerben gebruikt bij de eerste AB dezelfde registratie als bij het A deel na de doorwerking. Het einde van de expositie, A’, geeft hij de zelfde registratie als Coda D. Je ervaart zo een vergelijkbare afronding bij de expositie ABA’ als bij de reprise AD. Ook C, de doorwerking, krijgt een aparte registratie en hier voegt hij af en toe kleine extra registraties in de loop van het deel toe om de spanningsopbouw die er door vooral de akkoorden ontstaat te ondersteunen. Niet alleen functioneel maar ook heel mooi.

Geplaatst in muziek | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Lente in de duinen

Het is al meer dan een maand veel te koud. In de natuur is alles daardoor aan de late kant. De laatste dagen is er ook nog eens veel regen gevallen. Het is groeizaam weer.

In de duinen van Oostvoorne is het in deze tijd prachtig. Juist door die regen, maar ook door de talrijke bloemen, de bloeiende bomen en struiken ruikt het overal Zo lekker. Ik wandelde er met mijn vrouw en maakte foto’s van veel bloeiende planten: van de bosaardbei, brem, daslook, driekleurig viooltje, ereprijs, hoornbloem, robertskruid, kleine klaproos, kleinste vergeet-mij-nietje, klokje, koekoeksbloem, lelietje-der-dalen, longkruid, look-zonder-look, verschillende orchideeën, paardenbloem, rolklaver, tormentil, vleugeltjesbloem, waterranonkel, wikke, witte dovenetel en van het zenegroen. Daarnaast fotografeerde ik enkele bloemen die ik nog niet heb kunnen determineren. Langs een bepaald pad staan sinds enkele jaren enkele verwilderde kruisbesstruiken en er stonden al wat bessen aan. Ik nam op een plaats in de duinen wat vogelgeluiden op en die opname kon ik als achtergrond bij een film op basis van de foto’s gebruiken. Moe en voldaan, na een heel stuk nog langs het strand, kwamen we aan bij een favoriet restaurant met uitzicht op duinen en Maasvlakte. Het terras was weer open. Heerlijk!

Geplaatst in natuur | Tags: , | 1 reactie

De Suite Gothique vanuit St. Anne’s Mosely

Léon Boëllmann werd in 1862 geboren in Ensisheim in de Elzas als zoon van een apotheker. In 1871 ging hij op negenjarige leeftijd naar de “École de Musique Classique et Religieuse” in Parijs, waar hij studeerde bij de directeur, Gustave Lefèvre, en bij Eugène Gigout. Daar won hij eerste prijzen voor onder meer piano, orgel, contrapunt en compositie. Na zijn afstuderen in 1881 werd Boëllmann aangenomen als “organiste de choeur” in de kerk van St. Vincent de Paul in het 10e arrondissement van Parijs, en zes jaar later werd hij daar cantor en “Organiste Titulaire”. In 1885 trouwde hij met Louise, de dochter van Gustave Lefèvre en de nicht van Eugène Gigout. Bij de laatste ging het jonge echtpaar inwonen. Als favoriete leerling van Gigout kwam Boëllmann in de beste kringen van de Franse muziekwereld, en zo kon hij zowel in Parijs als in de provincies concerten geven. Hij stierf in 1897, slechts 35 jaar oud, waarschijnlijk aan tuberculose. Na de dood van zijn vrouw het jaar daarop voedde Gigout hun drie wezen op .

Gedurende de zestien jaar van zijn professionele leven componeerde Boëllmann ongeveer 160 stukken in allerlei genres. Hij lijkt op zoek naar een postromantische esthetiek zoals die gangbaar was in sommige kringen zo rond de eeuwwisseling . Zijn bekendste compositie is de “Suite Gothique” voor orgel uit 1895.  In dit vierdelige stuk experimenteert hij met name in het derde deel met allerlei bijzondere, harmonische klankkleuren. Het vierde deel is een briljante toccata die nog steeds erg populair is.

Mijn oudste kleinzoon luistert elke avond voor het slapen gaan naar muziek. Dat is tegenwoordig vooral vaak orgelmuziek. Laatst speelde hij een stuk en ik dacht: ‘hè, wat is dat, ik ken het.’ Het was een deel uit de Walküre van Wagner. Zijn vader wijst hem vaak op dat soort stukken en vertelt hem er dan wat meer over, want hij wil alles weten. Ook wil hij altijd weten hoe de componisten er uit zagen. Ik denk dat je inmiddels met hem een quiz kunt doen met afbeeldingen van beroemde componisten en ik denk dat hij ze bijna allemaal inmiddels herkent.

Maar hij heeft niet alleen een fabuleus visueel geheugen, nog meer verwonder ik me over zijn muzikaliteit en zijn muzikale geheugen. Toen ik nog les gaf op het conservatorium moesten studenten vaak muziek “afschrijven”, dat wil zeggen een muziek(fragment) eindeloos beluisteren en dan een aantal aspecten als akkoorden, de baslijn en de melodie van dat stuk in noten opschrijven. Dat werkt als een goede gehoortraining en uiteindelijk is het ook een goede oefening om de vormgeving van het notenbeeld te trainen. En spelenderwijs leer je het stuk goed kennen.
Over een maand wordt mijn kleinzoon acht jaar en inmiddels heeft hij acht maanden orgelles. Het noten spelen gaat wel beter maar hij heeft er eigenlijk nog steeds een broertje dood aan. Maar met zijn muzikaliteit en zijn muzikale geheugen is helemaal niets mis. Hij speelde voor mij de complete Suite Gothique van Boëlmann uit z’n hoofd, naar aanleiding van wat hij een aantal keren op youtube beluisterd had. Het eerste deel is op zich vrij eenvoudig maar staat wel in een toonsoort met drie mollen. Afgelopen les heeft hij net pas de toonsoort G, een toonsoort met een kruis geleerd. Stukken met drie mollen, dat duurt dus nog een tijdje. Hij is qua noten lezen “net uit de luiers” zoals je de stukken met witte toetsen zou kunnen noemen. Ik ken het stuk niet zo goed, dus ik heb de partituur van internet geplukt. Tot mijn verbazing speelt hij de melodie helemaal goed, ook de baslijn is goed en vrijwel alle akkoorden klinken zoals het hoort. (Een keer speelt hij een akkoord als majeur in plaats van als mineur, op een plek waar trouwens allebei goed zou kunnen). Tegen het einde zit hij metrisch wat te klungelen en af en toe moet hij ook een zwarte toets “zoeken”. Hij hoort dan dat de A fout is en maakt er onmiddellijk een As van. Maar zelfs het totale aantal maten klopt. Het stuk zit dus van A tot Z in zijn hoofd, met alles er op en er aan. Ik vind dit griezelig goed. Het doet me een beetje denken aan de verhalen van de jonge Mozart die een stuk onthield na het slechts een keer gehoord te hebben…

De andere delen van de Suite Gothique zijn langer en ze zijn ook een stuk moeilijker. Het tweede deel, een menuet,  daar komt hij nog voor een groot deel uit. In het derde deel worden vier mollen gebruikt (het staat in As majeur), maar er wordt ook voortdurend in gemoduleerd en er gebeuren harmonisch veel aparte dingen. Dit is typisch een voorbeeld van postromantische Franse romantiek. Hier komt hij (nog) niet uit. Het behoorlijk virtuoze laatste deel, de toccata, gaat dan eigenlijk weer een stuk beter. Maar ook hier moet nog veel gebeuren. Desondanks: wat hij zo alles bij elkaar laat horen is heel opmerkelijk. Het tweede deel liet hij afgelopen woensdag aan zijn orgeldocent horen. Midden in het stuk ging hij opeens de baslijn op het pedaal spelen. Thuis en ook bij mij heeft hij geen pedaal. Al gauw liep hij nu uiteraard een beetje vast, in ieder geval qua tempo. ‘Nee zei zijn leraar, nu je begonnen bent met pedaal wil ik dat je daar ook mee door gaat.’ Dat deed hij dus vervolgens. Het was een uitdaging waar hij aardig ver mee kwam. In een onderonsje merkte zijn docent op dat hem opviel hoe hij de dingen die hem niet helemaal lukten op een muzikale manier oploste en er een eigen draai aan gaf.

Hieronder een opname die ik maakte toen hij het eerste deel speelde, waar ik de noten van de partituur bij heb geplakt. Zo kunnen de kenners zien wat hij allemaal met zijn oren van het stuk opgepikt heeft. De pedaalpartij speelt hij in de linkerhand en de akkoorden van de linkerhand zitten soms in de bas maar meestal pikt hij die met de melodie mee. Hij maakt er op zijn gehoor feitelijk een prachtige reductie van, je kunt het dus ook zonder pedaal spelen zonder dat je iets wezenlijks mist. De opname is gemaakt als hij net voor de eerste keer op het gratis virtuele orgel van het software pakket “Hauptwerk” speelt. Je hoort de geluiden van het orgel van St. Anne’s Mosely, vlakbij Birmingham.

Op dat moment had hij nog niet het virtuele registreren ontdekt. Dat heeft hij inmiddels ook al aardig door, afgelopen donderdag gaf hij een “Hemelvaart Concert” op het virtuele Thomassen orgel van de Laurenskerk van Rotterdam. Daar is hij helemaal weg van, door de akoestische nagalm in de kerk.

Maar hier hoor je dus “Introduction – Choral”  uit de “Suite Gothique” van Léon Boëllmann vanuit de kerk van St. Anne’s Mosely.

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Ootmarsum en het Springendal

In november 2020 waren we al een keer een weekend in een hotel in Ootmarsum. Dat smaakte naar meer. Nu waren we een midweek in een appartement midden in de stad. Het was bitterkoud, het waaide veel en soms ook nog eens erg hard en tot overmaat van ramp regende en hagelde het regelmatig. Maar met de winterjas aan, een keer zelfs met wanten (!) en daaroverheen een pas gekochte poncho traden we de elementen tegemoet. Bij tijd en wijle was het trouwens ook weer best mooi weer!

We zagen nu iets meer van Ootmarsum dan een half jaar geleden. Het is een heel oud stadje dat er nog uitziet alsof er in eeuwen niets is veranderd. Ootmarsum, in het Nedersaksisch zeggen ze  “Oatmöske”, kreeg zijn eerste kerk in 770 en dat was tegelijk de eerste kerk in Twente. Daar begon de kerstening van de omgeving. In 917 bezocht Radboud, bisschop van Utrecht, Ootmarsum en kwam er op 29 november te overlijden.

In de middeleeuwen floreerde de handel in Ootmarsum, vanwege de gunstige ligging met doorgaande routes van oost naar west en van zuid naar noord. Rond 1300 kreeg de stad stadsrechten en met de aanleg van een dubbele rij grachten en aarden wallen werd het al snel een vestingstad. In de Tachtigjarige Oorlog veroverden de Spanjaarden Ootmarsum. Zij werden in 1597 door legers van Prins Maurits weer uit de stad verdreven, waarna de vesting werd ontmanteld. Aan de zuidzijde van de kerk is een kanonskogel ingemetseld met daaronder het jaar 1597 die hier aan herinnert. Het merendeel van de bevolking bleef na de reformatie rooms-katholiek, toch werd de kerk door de gereformeerden in beslag genomen. Maar in 1809 werd het kerkgebouw door koning Lodewijk weer aan de rooms-katholieken terug gegeven, omdat de protestantse gemeente veel kleiner was. De protestanten bouwden vervolgens een kleinere neoclassicistische kerk aan de Ganzenmarkt. Uit de oude kerk namen ze onder andere het orgel en een preekstoel uit 1674 mee. Nadat de romaanse kerktoren van Rijssen in 1826 grotendeels was ingestort liet het gemeentebestuur de toren van de Simon en Judaskerk uit voorzorg afbreken. De toren werd vervangen door een daktorentje boven de westgevel.

De opkomst van de industrie in Twente ging aan Ootmarsum voorbij; het bleef een akkerbouwstadje. Hierdoor stokte de ontwikkeling van de stad, wat in de tweede helft van de 20e eeuw een gunstig effect had op de toeristenindustrie: het nostalgische stadscentrum doet oude tijden herleven. Het wemelt er van de galerietjes en leuke modezaken. En door de hele stad heen staan overal mooie beeldjes.

Ootmarsum wordt ook wel siepelstad genoemd. De siepel (ui) wordt in overdrachtelijke zin ook als toeristische trekpleister gebruikt. Drie keer per jaar tijdens de bouwvakvakantie is er een siepelmarkt, die bezoekers trekt uit de wijde omgeving. In Ootmarsum zijn ook nog talloze vakwerkhuizen te vinden.

In het centrum van Ootmarsum bevindt zich de katholieke H.H. Simon en Judaskerk. Het is een erg oud gebouw opgetrokken uit Bentheimer zandsteen. Het gebouw dateert uit de dertiende eeuw en het is een opmerkelijk kerkgebouw omdat het kenmerken van een hallenkerk en een pseudobasiliek combineert. Typisch voor de pseudobasiliek zijn de muren van de zijbeuken die lager zijn dan die van de middenbeuk en de lessenaarsdaken boven de zijbeuken. De gewelfribben van hoofd- en zijbeuken ontspringen echter op dezelfde hoogte; dit is typisch voor een hallenkerk. De kerk is in verschillende periodes gebouwd. Het oudste zijn het schip en het westelijk transept uit de dertiende eeuw. De kerk is in 1969 gerestaureerd.

Zoals gezegd werd het orgel van de kerk door de protestanten meegenomen. Er werd daarom een nieuw orgel besteld met twee manualen en een pedaal. Dit kwam klaar in 1814 en is gebouwd door Franz Friedrich Epmann uit Essen. Epmann gebruikte deels oud pijpwerk. Het is bij diverse ingrepen in zowel de negentiende als twintigste eeuw gewijzigd. In 2006 is het schoongemaakt door Flentrop en toen zijn ook de windladen gerestaureerd. In 2017 heeft orgelbouwer van Vulpen nog verdere restauraties uitgevoerd. Alleen het tongwerk wacht nog op gelden voor de broodnodige restauratie.  

Het Springendal

Ten noorden van Ootmarsum is er een groot natuurgebied van ongeveer 355 hectare, het Springendal. Dat is een erosiedal in de stuwwal van Ootmarsum dat dateert uit het Saalien (De voorlaatste ijstijd, 150.000 jaar geleden). Tegenwoordig zijn dit soort stuwwallen lager dan toen ze net gevormd waren. Dat komt doordat het ijs er, na de vorming, in een later stadium overheen gegleden is en ze heeft afgeslepen. Het gebied staat bekend om zijn bronnen, beken, heuvels en grafheuvels.

In het natuurgebied ontspringt bronwater op drie plaatsen. Deze plaatsen zijn te herkennen aan de bosmeertjes die in het Springendal te vinden zijn. Het gebied was eigendom van de Enschedese textielfabrikant Jannink maar is nu in handen van Staatsbosbeheer en het Overijssels Landschap. Het is een heerlijk gebied om er te wandelen wat heel makkelijk kan via een knooppuntennetwerk.

Ik maakte een film op basis van filmmateriaal en foto’s die ik er genomen heb. Pianomuziek van Ciurlionis, maar ook de originele opnamen van vogelgeluiden ter plaatse, vormen samen de achtergrondmuziek.

Geplaatst in Geschiedenis, natuur | Tags: , , , , | 5 reacties

Nog 20 dagen

-‘Kan ik u ergens mee helpen?’
We zaten in de zon beschut tegen de wind op een terras. Heerlijk, met een biertje en even later ook nog met een bittergarnituur. Het was het eerste weekend na de opening van de terrassen en winkels. Ons terras zat vol met gezinnetjes, jongeren maar ook ouderen als wij. En de huidskleur van de gemiddelde bezoeker van het terras kwam overeen met die van de gemiddelde bezoeker van de binnenstad van Rotterdam: Je zag meer donker- dan licht-getinte mensen. Zo ook bij het jonge personeel dat uiterst aardig was tegen iedereen. Een echtpaar dat langs kwam vroeg of ze even naar de WC mochten. Zonder enige aarzeling werd hen de weg naar het toilet gewezen. Een onhandig dienstertje liet een bakje met mayonaise van haar dienblad glijden. Een ander meisje zag het en ging onmiddellijk wat servetjes pakken om de knoeiboel op te ruimen. Iedereen bleef vriendelijk en gemoedelijk om zich heen kijken. Naast ons zat een echtpaar met een zoontje van een jaar of negen. Elk lid van het gezinnetje had wat veel kilo’s aan zijn lijf maar er werd desondanks heerlijk gebunkerd en gesmuld van de patat en de gyrosbroodjes.
‘Wat heerlijk dat dat nu weer kan’.
Er liep veel personeel rond, dus iedereen had tijd zat. Ook voor een praatje met de gasten. Met een opgewekt en blij gezicht werden alle cliché’s over de coronacrisis herhaald en beaamd. Maar iedereen bleef blij kijken, lachen en grapjes maken. Wat zouden de meisjes van de bediening de afgelopen maanden gedaan hebben? Zouden ze hier voor de sluiting van de horeca ook al gewerkt hebben? Zouden ze opgetrommeld zijn via een uitzendbureau? Het maakte niet uit. Iedereen was blij.

Iets eerder liepen we door de stad op zoek naar een poncho. We gaan er op uit en de voorspellingen zijn dat het de komende week heel veel gaat regenen. We vonden er een bij de ANWB-winkel. Maar wat was het druk overal! Omdat er nog beperkingen zijn met het aantal klanten moest er bij veel winkels gewacht worden. Er stonden overal wachtrijen. Soms zelfs ongelooflijk lange wachtrijen. Op een plaats stond net als bij de Efteling een bordje met hoe lang de wachtrij was vanaf dat punt: een uur! Maar de mensen stonden er geduldig. Zonder afspraak konden ze schoenen gaan kopen! Daar hadden ze wel een uur wachttijd voor over. De binnenstad was een pretpark vol met blije, geduldig wachtende mensen.

Nog iets eerder waren we in het Museumpark. We wilden nu eindelijk wel eens de “Badkuip” zien, de nieuwste architectonische attractie van Rotterdam. Het gaat om het spiegelende museumdepot van Boijmans van Beuningen dat in het najaar geopend gaat worden. Het enorme gevaarte lijkt helemaal klaar te zijn maar er omheen zijn nog allerlei infrastructurele werkzaamheden bezig. Ook het architectuurmuseum ligt net als Boijmans zelf op de schop. Zo kennen we Rotterdam. Altijd wordt er overal weer gebroken en gebouwd. Jarenlang is het dan een enorme puinhoop. Maar dan is er weer iets klaar, zoals ook de Coolsingel nu eindelijk min of meer “klaar” is. Hij oogt veel rustiger met mooie fietspaden. Er worden prachtige dingen gemaakt in Rotterdam.

We liepen rond de badkuip. Rotterdam heeft nu een Kuip en een Badkuip. Ook de Badkuip lijkt een lieveling te worden van de inwoners. Vlak voor de Badkuip is er een skatebaan aangelegd. Er wordt gerolschaatst, gestept, geskateboard. En je kunt er koffie krijgen. Het was niet veel warmer dan tien graden. Maar de mensen liepen met open jas, zelfs met T-shirt en een man zat met ontbloot bovenlijf op een bankje. En we zagen dat er afgeteld werd tot het Eurovisie Songfestival, dit jaar in Rotterdam, gaat beginnen. Nog 20 dagen! Dan krijg ik trouwens ook mijn tweede vaccinatie. En intussen tellen we ook af naar de verdere versoepelingen. 20 dagen. puh! Peanuts.

Geplaatst in maatschappij | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Bezoek aan het Bonnefanten Museum in Corona-tijd

Afgelopen week was het “museumweek” en mensen met een museumjaarkaart konden naar 17 musea in Nederland gaan. Daar moest je dan wel wat voor over hebben. Voordat je aan dat avontuur ging beginnen moest je je realiseren dat je niet alleen een Museumjaarkaart nodig had maar ook dat je maar liefst twee apps op je telefoon moest installeren. Dus ook een smartphone was een vereiste. De apps heetten Close en CoronaCheck. Close is een evenementen app. Op de website waar alles werd uitgelegd stond onder meer:

Bezoeken tijdens deze pilot kan alleen met een Museumkaart. Kinderen zonder Museumkaart kunnen dus niet mee. Om mee te doen met deze pilot is een smartphone noodzakelijk. Alle communicatie na de reservering verloopt via de Close-app. Het negatieve testbewijs krijg je via de CoronaCheck-app. Zodra je de reservering hebt gemaakt krijg je automatisch uitleg over het gebruik van deze apps.

Sommige musea waren voor deze pilot geopend van maandag tot en met woensdag, andere van donderdag tot en met zaterdag. Ik wilde graag de tentoonstelling rond Pieter Brueghel bezoeken in het Bonnefanten museum in Maastricht. Dat was dan tegelijk een mooi smoesje om weer een keer naar Maastricht te gaan. Dus ik reserveerde een tijdslot op vrijdag 23 april om 14 uur. Dat lukte, er was nog plek. Nu moest je dit invullen in de inmiddels geïnstalleerde close-app. Die verwees je dan naar een site waar je een evenementen sneltest kon regelen. Deze test moest op dezelfde of voorafgaande dag plaatsvinden. In mijn geval kon ik kiezen voor een locatie in Rotterdam of eentje in Gorinchem. Ik koos voor de laatste, omdat Gorinchem min of meer op de route ligt naar Maastricht. Toen moest je daar een tijdstip voor de test regelen. Ik zou getest worden op vrijdag 23 april om 10 uur. De uitslag van de test zou je per mail binnen een half uur gestuurd worden met daarbij een unieke code, die via SMS bevestigd moest worden. Onderweg ter hoogte van Den Bosch bleek ik negatief getest. Wat is negatief de laatste tijd een heerlijk positief woord! Mijn vrouw die op de valreep ook mee wilde had ook op die tijd een test geregeld en zij was ook negatief. Als ze ergens over zeurde zei ik de hele dag: ‘je bent negatief’ en dan was ze weer blij. De unieke code die we gekregen hadden moest nu weer ingevuld worden in de CoronaCheck-app. Die maakte daar weer een QR-code van, en als je dan bij het museum kwam moest je die code, de reserveringscode van Close en de museumjaarkaart laten zien. Ik realiseerde me steeds meer hoeveel geld dit niet allemaal gekost moest hebben. Voor de bezoeker was het allemaal gratis. Het feit dat alles een beetje een soort evenemententest was en dat ik een bijdrage daar aan leverde voelde toch een beetje ongemakkelijk, het was voor mij eerder een smoesje. Maar: we mochten naar binnen!

Gedurende een kleine twee uur bezochten we de tentoonstelling “Brueghel en tijdgenoten, kunst als verborgen verzet?” en de tentoonstelling “Huid”, met bijdragen van meerdere kunstenaars over dingen die met het begrip “huid” te maken hebben. Om met die laatste tentoonstelling te beginnen, die was misschien nog het meest interessant. 16 kunstenaars namen hier aan deel.

De onderwerpen liepen uiteen van hoe dingen voelen (je mocht soms ook voelen met je handen of ook met je blote voeten over verschillende dingen lopen). Ferdi Tajiri, op 42-jarige leeftijd in 1969 overleden, maakte van schuimplastic, overtrokken met bont, allerlei objecten. Nog steeds imponerend.

Sommige objecten hadden als onderwerp “hoe verschillend de kleur van huid kan zijn” en je zag ook kledingstukken met een huidskleur. Over de sociale gevolgen van je huidskleur en een bijbehorende film die bestond uit een TED-Talk. Aangrijpend vond ik “Sneeuwwitje in het verkeerde verhaal”. Je ziet sneeuwwitje in een kist liggen, met angstige, opengesperde ogen terwijl ze door dwergen wordt bespied. Marlene Dumas weet je altijd weer te raken. Ook fascinerend was de robot “Annelies” van de tweeling Raeven.  Voorovergebogen op haar billen zit een oude vrouw met een getekend gezicht. Ze lijkt heel veel gehuild te hebben. Je kunt de huid tot op de poriën zien. Af en toe beweegt ze een beetje of maakt ze licht hoestende geluiden. Omdat ze dat zo weinig doet trekt ze extra de aandacht en blijf je er lang naar kijken. Heel levensecht, prachtig gemaakt maar ook de plaatsing in de zaal werkte erg goed.

De tentoonstelling had ook een educatieve component. In een aparte ruimte konden groepjes kinderen tekenen, er waren ook allerlei voel-opdrachten en meer. Maar deze dag dus niet.

De tentoonstelling over Brueghel was de voornaamste aanleiding van mijn bezoek. Ik was nieuwsgierig naar de historische context van zijn schilderijen. Veel verder dan het laten zien van het embleem van de Habsburgers op de vaandels van de soldaten die op weg waren met Jezus naar Golgotha kwam het eigenlijk niet. Op zich is dat natuurlijk wel opmerkelijk, men wist natuurlijk heel goed dat in de tijd van Christus de Romeinse soldaten niets met de Duitse adelaar van doen hadden, waarom dat dan toch laten zien? Maar als je kijkt naar de vele schilderijen met deze scene vanaf ongeveer 1550 tot 1650: je ziet het steeds weer. Niet alleen Pieter Breughel de Jonge liet het zien, ook tijdgenoten schilderden deze emblemen op de vaandels. Was het een algemeen stil verzet tegen de machthebbers? Het zou kunnen, maar veel verder dan dit kwam het verhaal over de historische context niet.

Een bepaald schilderij kwam iets van vijf keer langs, telkens gemaakt met tussenliggende jaren. Het was duidelijk een soort duplicaat. Er werd blijkbaar weer ergens in een kerk of klooster “een lijdensweg” gevraagd en men kwam uit bij het atelier van Brueghel. Dat schilderij werd dan weer geleverd op basis van eerder gemaakte versies. Je ziet dat de hele compositie steeds hetzelfde is, maar toch zijn er telkens weer wat dingen veranderd. Het intrigeert me dan: wat zou de reden van die veranderingen kunnen zijn? Vond de kunstenaar het gewoon leuk om wat dingen een beetje anders te tonen? Of beviel hem dat eerdere detail niet meer? De tentoonstelling was verder vooral de moeite waard doordat ook een aantal andere werken van Brueghel, en ook van tijdgenoten getoond werden. Mooi was ook om in deze context te zien hoe iets latere kunstenaars als Rubens de lijdensweg naar Golgotha op een echt Italiaans-barokke manier schilderden, hoe dus de aanpak opeens helemaal veranderde.

Voordeel van de formule van dit museumbezoek was dat het super rustig was en dat je de tijd kon nemen om alle werken tot in detail te bekijken. Als de musea weer opengaan: de tentoonstelling rond Brueghel is nog tot 4 juli te zien. De tentoonstelling “Huid” nog tot 5 september.

Geplaatst in kunst, maatschappij, recensie | Tags: , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Ontroerende orgelmuziek

Mijn oudste kleinzoon heeft nu zeven maanden les op een kerkorgel. Heel makkelijk leert hij van zijn leraar dingen over vingerzetting, houding, articulatie. Maar het lezen van de noten gaat nog steeds heel moeizaam. Ik help hem elke week meestal twee keer met zijn huiswerk. Steeds moet hij korte fragmenten spelen, met eerst allebei de handen apart, in een langzaam tempo. Maar vertwijfeld zegt hij zelfs dan nog vaak: ‘opa, ik kan dat niet’. Ik speel het stuk dan een keer in zijn geheel voor. Vervolgens kan hij het. Voor het grootste deel zit het stuk namelijk na het een keer gehoord te hebben in zijn hoofd en met behulp van het globale notenbeeld kan hij het vervolgens redelijk spelen. Maar ik moet al snel weer stoppen, je merkt dat zijn concentratie zo slecht wordt dat hij bijna niets meer oppikt. Na die eerste keer huiswerkhulp heeft hij dan een deel van de liedjes nog niet gedaan. Ik hamer er op dat hij die andere stukken thuis op dezelfde manier probeert aan te pakken: speel steeds korte fragmenten, met allebei de handen apart, in een langzaam tempo. Een halve week later zie ik hem weer. Wat we samen enkele dagen daarvoor gedaan hebben gaat nu redelijk. Dan komen we bij de stukken die hij zelfstandig zou moeten studeren: ‘opa, ik kan het niet’. Ik weet al hoe het waarschijnlijk thuis gegaan is: hij wil alles gelijk met twee handen in een goed tempo spelen, overziet het dus niet en haakt dan af. Dus dan ga ik het maar weer samen met hem doen. Uiteindelijk op de les heeft hij dat wat hem opgedragen was meestal redelijk voor elkaar en krijgt hij voor de week erna weer nieuwe stukken op. Nu ben ik langzaamaan mijn tactiek een beetje aan het verbreden. Het grootste probleem is het noten lezen. Ik laat hem de notennamen zetten bij alle noten van een of meer liedjes. Notennamen zeggen hem wel iets, hij heeft namelijk een absoluut gehoor en bij elke naam ziet hij dan inwendig een klaviertoets en hoort hij het bijbehorende geluid. Dat moet dus uiteindelijk ook bij het zien van de noten gaan gebeuren. Helaas, ook dat noteren doet hij dan wel als ik erbij ben, maar hij maakt het thuis niet af. ‘Opa, ik ben het vergeten.’ Ik begin steeds strenger te worden maar ik ben huiverig om hem er een hekel aan te laten krijgen, wat is de juiste middenweg?

Desondanks wil hij organist of beiaardier worden. Op dit moment gaat hij nog het meeste voor organist. Hij heeft een heilig ontzag voor zijn docent die een engelengeduld met hem heeft. Zo gauw hij achter het Moreau-orgel in Gouda zit begint hij onmiddellijk aan diverse registerknoppen te trekken en leunt hij voorover om bij het pedaal te kunnen komen. Alles wat zijn docent vervolgens tegen hem zegt dringt niet tot hem door. Dan zit hij eindelijk met de orgelmethode voor zijn neus. En de orgeldocent geeft hem vooral aanwijzingen die met houding, articulatie en vingerzetting te maken hebben. Ook als hij op les zit is zijn concentratie snel voorbij en zijn docent laat hem dan een gerichte improvisatie doen of hij geeft hem een luisteropdracht of doet een gehoortestje. Door zijn grote muzikaliteit en zijn goede muzikale gehoor gaat dat allemaal moeiteloos.

Maar bij nieuwe stukken, waar ik hem voor de eerste keer mee help, kan hij zich nog moeilijker concentreren als bij het echte orgel. Hij ziet bijvoorbeeld op het einde van de oefening bij het notenbeeld terloops dat daar “een octaaf in één hand” is genoteerd. Bij hem is de vingerspreiding eigenlijk nog net te klein om zo’n octaaf te kunnen spelen, maar hij krijgt het desondanks voor elkaar. Hij speelt midden in de oefening ogenschijnlijk zonder enige aanleiding het bewuste octaaf en gaat vervolgens meer octaven spelen, al kijkende naar zijn eigen  gespannen vingers. Verder gaan met de oefening op het punt waar we gebleven waren heeft dan even geen zin, hij is helemaal alleen maar met dat octaaf bezig. ‘Kijk opa, zo klinkt dat bij Mozart’ en hij speelt het stukje van de Turkse mars waar allemaal octaven zitten in een hand. Ik laat hem even begaan en dan gaan we weer verder waar we gebleven waren. Als er ergens midden in het stuk een wending komt die hij mooi vindt of die hij ergens mee associeert dan gaat hij die afmaken of er op improviseren en let even helemaal niet meer op de noten in het boekje. En zo gaat dat voortdurend.  Soms ben ik het zat en word ik heel streng. Dan probeer ik om hem een moeilijke wending vier keer achter elkaar zonder pauze te laten spelen, ik wijs met mijn hand de noten mee of speel samen met hem het zelfde fragment een octaaf hoger en dwing hem min of meer dóór te blijven spelen. Dat laatste werkt dan eigenlijk weer averechts want ik zie hoe hij naar mijn vingers kijkt in plaats van naar de noten, dus daar stop ik dan ook maar snel weer mee….

Vlak bij zijn school in Schoonhoven staat de Oud-Katholieke kerk. Hij is gefascineerd door kerken en al zeker sinds twee jaar geleden ga ik met hem af en toe naar binnen. De kerk is overdag vrijwel altijd open voor gebed, waar zie je dat nog? Toen mijn dochter met hem de vorige week ook een keer naar binnen ging troffen ze de pastoor aan. ‘Mag hij een keer op het orgel spelen?’ ‘Maar natuurlijk!’ in de richting van het koor voorbij de biechtstoel staat een mooi Content-huisorgel met drie manualen en met meer dan twee octaven pedaal. Hij mocht er op spelen. En hij mag er zelfs regelmatig op komen studeren! Afgelopen vrijdag met mijn dochter speelde hij daar een mooie improvisatie. Ze stuurde de opname die ze ervan maakte op. Hij gaf zelf eerst nog een inleiding op zijn “improvisatie-concert”. Ik was verrast door vooral de gewaagde akkoorden die hij uit het instrument wist te toveren!

De jongen weet me ondanks alles vooral ook te ontroeren, hij blijft zo puur en vrolijk. Gisteren was hij samen met mij alweer in de Oud-Katholieke kerk. Ik heb hem daar op de gebruikelijk moeizame manier geholpen met zijn huiswerk. Maar daarna speelde hij een gevoelige improvisatie, waar een vrouw die kwam om er te bidden net als ik ontroerd door raakte.

Geplaatst in autisme, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , , | 4 reacties

Eindeloos bewustzijn

Onlangs kreeg ik als geschenk de zes en twintigste druk van het boek van cardioloog Pim van Lommel, “Eindeloos Bewustzijn”. De schrijver ontpopt zich in dit boek als een wetenschapper die nauwgezet probeert te achterhalen hoe het komt dat er zoveel mensen zijn die “Bijna-Dood ervaringen” (BDE’s) hebben en wat de oorzaak van dit verschijnsel zou kunnen zijn. Na al deze onderzoeken komt hij zelf tot een soort visie, waarbij het begrip “eindeloos bewustzijn”, tevens de titel van het boek, centraal staat. Pim van Lommel kwam met het verschijnsel BDE in aanraking in zijn praktijk en toen ging het balletje rollen. Ik heb een samenvatting van het boek gemaakt die ik hierna weergeef. Het hele boek door is doorspekt met de verslagen van mensen die iets zeggen over wat ze hebben meegemaakt en alleen al daarom is het boek boeiend om te lezen. Maar het bevat ook pittige kost. In de tweede helft van het boek worden veel technische zaken diepgravend beschreven, zoals de werking van hersenen, het verschijnsel kwantummechanica of kenmerken en werking van het DNA.

Na een lang voorwoord en inleiding begint het boek pas echt in hoofdstuk 3 met het beschrijven van de kenmerken van een BDE. Het gaat om twaalf kenmerken, die niet altijd allemaal aanwezig zijn.

  1. Onuitsprekelijkheid
  2. Gevoel van vrede en rust; er wordt geen pijn meer ervaren
  3. Het besef dood te zijn
  4. Een uittredingservaring of buitenlichamelijke ervaring
  5. Donkere ruimte gevolgd door tunnelervaring
  6. Waarnemen van niet wereldse omgeving
  7. Ontmoeting en communicatie met overleden personen
  8. Ontmoeting met een stralend licht of wezen van licht
  9. Levensschouw of terugblik
  10. Vooruitblik of voorschouw
  11. Het waarnemen van een grens
  12. De bewuste terugkeer in het lichaam

In hoofdstuk 4 wordt een beschrijving gegeven hoe mensen veranderen nadat ze een BDE hebben meegemaakt. Mensen hebben een betere zelfaanvaarding, hebben meer compassie met anderen, ze waarderen het leven meer, ze hebben geen angst meer voor de dood, ze zijn minder kerkelijk , er is sprake van een toegenomen spiritualiteit, hun intuïtie is sterker geworden, ze hebben vaak problemen met de buitenwereld doordat ze niet begrepen of geloofd worden.

In hoofdstuk 5 wordt gekeken hoe dit bij kinderen is. Behalve veel positieve veranderingen zien we helaas ook dat  kinderen die een BDE hebben gehad regelmatig problemen krijgen in de puberteit. Ze zijn vaak ook meer gevoelig voor alcohol en drugs.

Hoofdstuk 6 gaat over het onderzoek naar BDE’s. Er zijn verklaringen gezocht door te kijken naar het gevolg van zuurstoftekort, naar de gevolgen van een teveel van koolstofdioxide, narcosemiddelen als ketamine, een teveel aan endorfine door stress, stoffen die in klieren worden aangemaakt die de waterhuishouding, het waak-slaapritme en de ontwikkeling van de geslachtsklieren regelen (DMT) (Tijdens het stervensproces komt DMT waarschijnlijk in grote hoeveelheden vrij door het afsterven van cellen in de epifyse). Ook een verhoogde activiteit van de hersenen als bij epilepsie zou een rol kunnen spelen. De schrijver weet aannemelijk te maken dat al deze dingen waarschijnlijk geen rol spelen bij een BDE. Al de opgesomde mogelijke oorzaken zijn nog nooit wetenschappelijk in verband gebracht met een BDE. Daarna wordt nog gekeken of het niet te maken kan hebben met de persoonlijkheidskenmerken van de persoon die een BDE heeft gehad. Of gaat het niet om een hallucinatie? Hallucinaties zijn nooit positief, ze veroorzaken alleen maar angst. Mensen die hallucinaties krijgen zijn altijd mensen met schizofrenie of een psychose, en daar is bij mensen met een BDE geen sprake van. Er lijkt geen enkel steekhoudend verband te zijn van BDE met dergelijke zaken. Naar al de in dit hoofdstuk beschreven mogelijke oorzaken is vooral ook in het buitenland uitgebreid onderzoek gedaan.

Hoofdstuk 7 gaat over het eigen onderzoek van dokter Pim van Lommel. Hij is namelijk als cardioloog in 1988 en eigen studie begonnen bij een aantal ziekenhuizen. Er was wereldwijd toen nog nergens studie gedaan naar BDE bij personen die ook al vóór hun BDE gecheckt waren op veel medische zaken. Iedereen die in een van de meewerkende ziekenhuizen belandde en bij de hartbewaking terecht kwam werd tussen 1988 en 1992 uitgebreid gevolgd. Maar ook werden mensen die gereanimeerd waren en daarna in een van die ziekenhuizen belandden gevolgd. Een aantal van deze mensen kreeg een Bijna-Dood ervaring en een groot deel van deze mensen werkte daarna mee aan het onderzoek. Er werden na twee jaar en ook nog eens na acht jaar interviews bij deze mensen afgenomen. Bij iedereen keek men naar de leeftijd, het geslacht, diens opleiding, religie, voorkennis over BDE en of men al eerder een BDE had ervaren. Ook werd aan de betroffen mensen gevraagd of ze angstig waren geweest vlak voor het moment van de hartstilstand. En alle medische gegevens als EEG en medicijngebruik werden nauwgezet geregistreerd.  In een van de Arnhemse ziekenhuizen werd een verborgen teken aangebracht in de reanimatiekamer dat de patiënt niet zou kunnen zien. Zelfs de artsen of verpleegkundigen wisten het niet. Zou iemand die een BDE krijgt het doordat hij buiten zijn lichaam treedt het wel kunnen zien? Dat was de bedoeling van dat teken. Dat is niet gelukt, wel bleek een patiënt gezien te hebben waar men zijn kunstgebit had neergelegd, iets wat onmogelijk zou moeten zijn geweest. Bij het onderzoek was er in de betreffende periode sprake van 509 succesvolle reanimaties van patiënten die al klinisch dood waren. 104 van die mensen waren langer dan een uur bewusteloos geweest. 18% had een BDE gemeld. Deze was bij 18 patiënten sterk en bij 6 patiënten zeer sterk. De sterkste Bijna-Dood ervaringen zag men met name bij mensen die buiten het ziekenhuis waren gereanimeerd. In deze studie werden mogelijke fysiologische, psychologische of farmaceutische oorzaken na onderzoek uitgesloten. De conclusie was dat alle genoemde elementen van een BDE ervaren werden tijdens de periode van hartstilstand, tijdens de totale uitval van de doorbloeding van de hersenen.

De volgende hoofdstukken proberen een antwoord te geven op wat er allemaal gebeurt in ons lichaam en wat misschien wel iets met een BDE te maken kan hebben. Hoofdstuk 8 onderzoekt wat er gebeurt in de hersenen wanneer het hart plotseling stopt. Samenvattend luidt de conclusie dat er ondanks dat er geen enkele meetbare activiteit in de hersenschors en de hersenstam is er juist gedurende die periode een ongekend helder bewustzijn kan worden ervaren. Uitgesloten kon ook worden dat de BDE veroorzaakt werd door zuurstoftekort, omdat bij zuurstoftekort bijna nooit een BDE wordt gemeld en er juist wel enkele BDE’s plaats vonden waarbij er geen sprake van zuurstoftekort was.

In hoofdstuk 9 wordt de functie van de hersenen in het dagelijkse leven in relatie tot gedachten en gevoelens onderzocht. Het is een erg technisch hoofdstuk.  Er blijkt geen vaste plek in de hersenen te zijn waar gedachten en gevoelens zetelen. Het vereist een functionerend netwerk met veel centra. Verder blijkt dat bewustzijn in staat is om de anatomie en de functie van de hersenen te veranderen. Bij een BDE is aangetoond dat bewustzijn onafhankelijk van processen in de hersenen plaats vindt.

Kan het verschijnsel bewustzijn misschien op kwantumfysisch niveau verklaard worden? Daarover gaat hoofdstuk 10. Volgens de klassieke fysica komt de objectieve wekelijkheid volgens bepaald vaste regels tot stand. De waargenomen wekelijkheid is in de fysieke wereld ook objectief werkelijk. Maar de kwantumfysica heeft dit beeld op zijn kop gezet. Er zijn nieuwe begrippen ontstaan als complementariteit, het onzekerheidsprincipe, het meetprobleem en de non-lokaliteit. Een foton is een deeltje maar ook een golf. We weten nooit waar het deeltje zich bevindt (onzekerheidsprincipe). Zo gauw je er naar kijkt is het al anders. Verder kunnen twee deeltjes elkaar op grote afstand onmiddellijk beïnvloeden, ze verstrengelen als het ware, dit noemen we non-lokaliteit. De plaats en afstand doen er niet toe. Er is sprake van een meerdimensionale non-lokale ruimte waarin niets vastligt, er is slechts sprake van mogelijkheden. We spreken ook wel van waarschijnlijkheidsgolven. In die ruimte zijn feitelijk metingen onmogelijk. Maar toch wordt er vanuit deze verborgen ruimte op kwantumniveau voortdurend invloed uitgeoefend op onze fysieke wereld, die het complement is van de non-lokale ruimte. De non-lokale ruimte wordt soms ook wel het absolute vacuüm genoemd: zij heeft geen structuur, is perfect symmetrisch, bevat geen tijd en is leeg: quarks, elektronen, zwaartekracht en elektriciteit zijn tot een geheel versmolten en bestaan als zodanig niet meer. Deze non-lokale ruimte bevat een oneindige hoeveelheid energie, de nulpuntenergie. Wellicht is deze ruimte de basis voor het bewustzijn. De toepasbaarheid van de kwantumfysica is voortdurend onderwerp van discussie in wetenschappelijke kringen. Begrippen als zwarte materie en zwarte energie komen voort uit deze discussies. Kan oorsprong van het leven beantwoord worden door de kwantumfysica? De begrippen complementariteit, het onzekerheidsprincipe, het meetprobleem en de non-lokaliteit  die door wetenschappers als vaststaand worden beschouwd kunnen misschien wel een idee geven over wat bewustzijn nu eigenlijk is.

Hoofdstuk 11 gaat over de hersenen en bewustzijn. Elektromagnetische velden in de hersenen worden na uitgebreid onderzoek niet als oorzaak, maar als gevolg van bewustzijn beschouwd. Daarvoor is er echter een overgang nodig van de non-lokale ruimte naar de fysieke ruimte. Kunnen we deze interface vinden? Pim van Lommel beschrijft enkele hypotheses. Een van die hypotheses heeft zijn voorkeur. Deze hypothese is te vergelijken met wat er gebeurt als materie en licht een non-lokale kwantumverstrengeling ondergaan. Deze vorm van informatieoverdracht tussen materie en licht is te vergelijken met het idee van wederzijdse informatieoverdracht tussen non-lokaal bewustzijn en de hersenen via het model van kernspincorrelatie. Een spin is een fundamentele eigenschap van de natuur, net als elektrische lading of massa. Alle deeltjes van een atoom bezitten een spin die positief of negatief kan zijn en altijd een meervoud is van ½. In een magnetisch veld kan een deeltje met een spin een foton absorberen. Deze verstrengeling zou dus vergeleken kunnen worden met wat er gebeurt bij gegevensoverdracht vanuit het bewustzijn naar de hersenen.

Er is een constante samenwerking tussen non-lokaal bewustzijn en wat er gebeurt in de hersenen. Maar de interface, zoals in hoofdstuk 11 beschreven, verandert voortdurend van samenstelling. Hoe dat kan wordt in hoofdstuk 12 onderzocht. Waarschijnlijk komt dat door het DNA.  DNA zit in elke cel. Het menselijke DNA is een molecuul dat bestaat uit 23 paar chromosomen en dat ongeveer 30000 genen bevat die zijn opgebouwd uit ruim 3 miljard basenparen. 5% van het DNA programmeert eiwit. De functie van de rest is nog onbekend, het wordt ook wel junk-DNA genoemd. Het blijkt dat de meest complexe organismen de meeste hoeveelheid junk-DNA hebben wat er op zou kunnen wijzen dat de functie erg belangrijk is. Levende cellen stralen coherent licht uit in de vorm van biofotonen, een pulserende stroom van enkele tienduizenden fotonen per seconde per cm2.  Dat is ongeveer honderd miljoen keer zwakker dan daglicht. De bron van dit licht blijkt DNA te zijn. Het licht heeft een functie bij celgroei, celdifferentiatie en celdeling. Maar wat het DNA moet gaan doen, die informatie ontvangt het uit de non-lokale ruimte. In ons lichaam worden alle cellen voortdurend vervangen maar toch blijft er een geheugen aanwezig zoals immuniteit. Dat geheugen bevindt zich in de non-lokale ruimte. Het DNA is slechts de interface. Waarschijnlijk is het junk-DNA verantwoordelijk voor de communicatie met de non-lokale ruimte.

Het boek heet eindeloos bewustzijn, en dat is ook de titel van hoofdstuk 13. Iemand die wakker is ervaart waak-bewustzijn. Maar elke ervaring van bewustzijn is subjectief en ook niet wetenschappelijk aan te tonen. De schrijver maakt nu ook vergelijkingen met wat Indiase wijsgeren zeggen over “samadhi”, het licht. Door meditatie heb je dan alles losgelaten en er ontstaat een bewustzijn zonder inhoud, de hoogste vorm van bewustzijn. Misschien is de ervaring van een BDE, met name de ervaring van “het licht”, vergelijkbaar met het ervaren van een allesomvattend bewustzijn, een soort samadhi.

Hoofdstuk 14 probeert iets te vertellen over ervaringen die vergelijkbaar zijn met die van een BDE. Het gaat over allerlei mystieke ervaringen, zoals de hele geschiedenis door al gedocumenteerd. In alle wereldgodsdiensten komt het voor. Het hoofdstuk staat vol met voorbeelden.

Hoofdstuk 15 gaat in op een aantal vragen van mensen zoals gesteld aan de auteur tijdens zijn lezingen over het onderwerp BDE. Contact met overledenen, reïncarnatie en meer dingen komen ter sprake. De uiteindelijke conclusie is dat alles uiteindelijk draait om “eindeloos bewustzijn”, een soort bewustzijn dat niet gebonden is aan plaats en tijd en zich bevindt in een non-lokale ruimte. Vanuit dat besef kan alles enigszins begrepen worden.

Tot zover de samenvatting. Het kernidee, eindeloos bewustzijn, spreekt me erg aan. Het sluit aan op dingen die ik al lang denk en intuïtief zelfs denk te weten. Het is een bijzonder boeiende en fascinerende gedachte. Zo is afstand niet belangrijk en kan er verstrengeling zijn die fysisch niet verklaarbaar is. Op kwantumniveau is plaats niet belangrijk. Je denkt aan iets en iemand anders die een soort verstrengeling heeft denkt het ook. Gebeurtenissen in je eigen leven, op aarde, of nog verder hebben allemaal een relatie met elkaar in de non-lokale wereld en via een diep bewustzijn kun je dingen begrijpen. Er is in het boek geen relatie gelegd met kunst. Die is er volgens mij ook. Kunst is volgens mij ook een soort interface tussen de fysieke werkelijkheid en het diepere, eindeloze bewustzijn. Ik wil in een eigen artikel proberen om hier later nog eens op in te gaan.

Eindeloos bewustzijn
Pim van Lommel
Uitgeverij ten Have
ISBN 978 90 259 0617 1 e-book: ISBN 978 90 259 0618 4

Geplaatst in filosofie, maatschappij, recensie | Tags: , , , , , , , , | 2 reacties

Atoomtijd

We hebben een prachtige scheurkalender waarop elke dag een krantenberichtje staat uit een krant van 100 tot 150 jaar geleden. De meeste berichten betreffen ingezonden stukjes. Zo stond er vandaag een berichtje over een klok bij het station van Arnhem die nooit goed liep. Dat was in 1900. Ik moest denken aan de goede oude tijd bij mijn grootouders. Mijn oma was altijd bang dat ze niet op tijd was. De enige klok in huis moest dan ook zorgen dat ze altijd op tijd zou zijn. Ze zette hem dus voor de zekerheid maar een kwartier naar voren. Mijn opa ergerde zich daar gruwelijk aan, hij wilde gewoon weten hoe laat het was, dus liep hij een eindje naar buiten totdat hij de kerkklok kon zien.

Lambertuskerk Swalmen

Daarna rende hij weer snel naar binnen en zette de klok goed. Maar wie had nu het laatst aan die klok gezeten? Want je raadt het: als oma er achter kwam zette ze hem weer een kwartier, soms 10 minuten (dat zou toch ook genoeg moeten zijn) naar voren. Ze werden allebei gek van elkaar maar niemand gaf ook maar een krimp. De tijd was daar altijd zoek. Gelukkig had je ook nog de radio, die ouderwets met een echte bim-bam de uren liet horen. Ik was een jaar of twee, misschien drie en het is een van mijn oudste herinneringen: gebiologeerd bij de radio gezeten luisterde ik naar: “bim-bam”. Mijn vader keek naar mij en zong mee: “bim-bam-bim-bam-bim-bam”. Ik zie hem in gedachten weer liefdevol naar mij kijken. Op de ultieme momenten hoorde ik twaalf keer een bim of een bam. Mijn ouders wisten daardoor altijd hoe laat het was, maar ik vond vooral de klank mooi en kon er geen genoeg van krijgen.

Maar ook door de tijd werd ik geboeid. In de negentiger jaren van de twintigste eeuw was er vrijwel nergens nog internet. De PC had een ingebouwde klok, maar ook die kon achter of voor gaan lopen. Dus af en toe stelde je hem bij de instellingen weer bij. Totdat er een programmaatje kwam: atomic sync. Daar moest je dan wel internet eventjes voor activeren via je telefoonverbinding. En als je dan op enter drukte (mijn computer was muisloos) werd de interne computerklok automatisch gesynchroniseerd met de wereldklok, je kreeg atoomtijd! Preciezer kon het niet. Ook was ik in die tijd aan het programmeren geslagen. Ik maakte ergens in de zomer van 1999 een fraai ogend programma dat een klok liet zien die terugtelde naar 0 uur ‘s nachts 1 januari 2000. Je zag de klok telkens een iets kleiner getal aangeven. Als hij op 0 stond dan was het nieuwe millennium aangebroken. Waarschijnlijk zou vanwege de millenniumbug daarna de computer op tilt slaan, ontploffen, of het gewoon niet meer doen. Maar tot die tijd kon je de tijd zien verstrijken. Het laatste oordeel naderde, en je wist precies wanneer de ramp zich zou gaan voltrekken. Met een bliep-bliep als een soort tik-tak erbij naderde angstaanjagend het onheilsmoment. Je kon in die tijd toen een computer lang niet altijd een geluidkaart had deze als programmeur toch geluid laten maken, je kon zelfs kiezen voor toonhoogtes. Alles dan wel eenstemmig, alhoewel er heel aparte Philipscomputers schenen te bestaan die in staat waren om zelfs drie tonen tegelijk te laten horen. Die bliepjes kon je trouwens al een hele tijd eerder overal horen omdat ze ook op de draagbare computerspelletjes zaten die alle kinderen voortdurend zaten te spelen. Die spelletjes waren verborgen in doosjes zo groot als de tegenwoordige mobieltjes waar net zo verzot naar werd gekeken als nu iedereen tuurt naar zijn whatsappjes. Ik heb nog filmpjes uit 1989 waar mijn kinderen met zo’n ding op schoot op zitten te spelen en de tijd vergeten.

Sommige dingen zijn dus tijdloos. Zo zijn er stationsklokken en kerkklokken die het lekker ouderwets gezellig niet doen. Maar of stationsklokken het wel of niet doen maakt niet uit, de treinen komen toch wel te laat. De klacht van de klok van Arnhem is omgevormd: we maken ons niet meer druk om de tijd van de stationsklok, maar we maken ons druk om de aankomsttijd van de trein zelf. En waar maken we ons nog meer niet al druk om. De tijd heeft bezit genomen van onze geest. We moeten weer leren te laat te komen. Lekker de trein te missen. Voor de atoomtijd maakt dat immers niet uit.

Geplaatst in maatschappij | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Verjaardag in de duinen

Het was koud, nog een beetje winderig, maar er was ook veel zon in de duinen van Oostvoorne. Nog steeds zag ik Maartse viooltjes maar ook was er de kruipende Ooievaarsbek, het klein Kruiskruid, de kleinste Vergeetmijniet, de Pinksterbloem en er waren nog veel meer lentebloeiers. Ook was er veel te horen, ik geniet vooral ook altijd zo van de geluiden van de eerste insecten. Al die natuurgeluiden veroorzaken een weldadige rust. Lekker in de zon tegen een helling aan lunchen, wat wil je nog meer op je verjaardag! Ik heb als achtergrond bij onderstaand filmpje de muziek van een eigen compositie geplaatst.

Geplaatst in natuur | Tags: , | Een reactie plaatsen

Het paaslam

Leven is een bijproduct bij het in evenwicht brengen van de waterstof-koolzuur-huishouding. Deze stelling las ik een tijd geleden en ik schreef er een blog over. Leven zorgt dus voor evenwicht. En wat gebeurt er met het leven als een systeem uit zijn evenwicht komt? Dat gebeurt voortdurend en is ook in het verleden al heel vaak gebeurd. Sommige onevenwichtigheden zijn van korte duur en de balans is snel hersteld. Als ik iets heb gegeten dat mijn maag en darmen niet goed aan kunnen krijg ik daar last van. Het lichaam probeert het naar buiten te werken of op zijn minst de schadelijke elementen te neutraliseren. Ik voel me weer beter. Het systeem is weer in evenwicht. Een groot verschil in luchtdruk maakt dat het gaat waaien. Stormen herstellen het evenwicht. Waarom trokken veel volkeren die in onze streken woonden rond het jaar 400 weg? Het klimaat werd zo slecht dat er te weinig voedsel was. Na zo’n tweehonderd jaar werd het weer beter en kwamen er weer mensen hier wonen. Zo ging het ook in de ijstijd, alleen toen gebeurde dat op nog veel grotere schaal en duurde het veel langer voordat bepaalde gebieden weer bewoonbaar waren. Er zijn tijden geweest dat vrijwel al het leven uitgestorven was doordat de omstandigheden veranderd waren. Miljoenen jaren was er dan nauwelijks leven. Maar er kwam steeds weer een nieuw evenwicht.

Was dat niet de beste tijd voor de aarde? Leven was soms blijkbaar niet echt nodig. Het bijproduct van de waterstof-koolzuur-huishouding, “leven”, was dan niet relevant. De aarde kon heel goed zonder. Maar sinds het eerste leven is leven toch onderdeel van dat grote systeem gebleven, hoe latent ook. En bij dat systeem hoort ook de dood.  Als onderdeel van dat evenwicht is het leven eindig om ruimte maken voor nieuw leven.

We bezien alles vanuit ons beperkte gezichtsveld. We denken en redeneren vanuit de mens. Als je enigszins probeert om wat ruimer te kijken dan moet je wel zien dat de mens slechts een kleine onbeduidende schakel is in deze evenwichtshuishouding. We weten nu hoe virussen, die al bijna net zo lang bestaan als de aarde zelf, misschien wel veel belangrijker zijn en een veel groter aandeel in die huishouding hebben dan zoogdieren of mensen. Maar we kunnen ons nauwelijks verplaatsen op het niveau van een virus. Ik denk dat virussen een van de belangrijkste onderdelen van de levensader van de aarde zijn. Heel veel processen in ons lichaam kunnen niet zonder. Eigenlijk heeft elk wat complexere vorm van leven virussen nodig. En daarbij horen denk ik ook virussen waar we ziek van worden. Voor het individu is dat vervelend (zoals een kikker die wordt opgegeten door een reiger), maar voor het systeem is het van belang.

Dit kunnen wij alleen maar accepteren als we de dood accepteren als iets dat er bij hoort. Maar dat kunnen wij moeilijk. In de tijd van Bach draaide het in de teksten die in de kerk werden gezongen of gesproken voornamelijk over het accepteren van de dood, maar ook over het verlangen naar een leven na de dood. Door deze aanname konden we de dood accepteren, ja er zelfs naar uit zien. Dat leven na de dood kon men niet beschrijven. Het was een metafysische aanname van een hogere werkelijkheid.

Die mogelijke werkelijkheid ervaren we soms. Door middel van kunst. Vooral door muziek. Het opgaan in en ervaren van muziek maakt dat sommige mensen voelen dat er net iets meer is. Misschien zijn we op dat moment voorbij de primitieve menselijke waarneming gestapt, ja zijn we wellicht dichtbij het begrijpen van het leven zelf.

Bij de cantate „Christ lag im Todesbanden, BWV 4“ van Bach gaat het volgens John Eliot Gardiner om de overwinning op de dood. Dit kun je veralgemeniseren, bij het Christendom is het Christus die dat doet door met Pasen uit de dood op te staan. Het hele proces wordt in deze cantate in 7 strofen geschilderd, als een verhaal. In strofe 5 horen we de volgende tekst:

Hier ist das rechte Osterlamm, davon Gott hat geboten, das ist hoch an des Kreuzes Stamm in heißer Lieb gebraten, das Blut zeichnet unsre Tür, das hält der Glaub dem Tode für, der Würger kann uns nicht mehr schaden. Halleluja!

Hier zie je het ware Paaslam, aan wie God de opdracht heeft gegeven, om zich hoog aan het kruis te laten braden, het bloed wijst ons de deur, die het geloof de dood een halt toe roept, de wurger kan ons niets meer aandoen. Alleluia!

Er is ons een weg gewezen om beter met de dood te kunnen omgaan. Het paaslam wordt ons tot voorbeeld van de verlossing gemaakt.

Dit deel van de cantate begint met een chromatische lijn in de bas die onmiddellijk doet denken aan de beroemde lamento van Purcell in Dido en Aeneas. Daar ging het om het verdriet van Dido, hier gaat het om het drama van de kruisiging.  De tekst legt een mystiek verband tussen het offer van een lam en de dood van Christus aan het kruis. Het symbool van het kruis wordt het symbool van de overwinning op de dood. In de tekst staat dan “Das Blut zeichnet”, letterlijk “het bloed tekent”. Bach laat deze tekst drie keer zeggen, God de vader, de Zoon en de Heilige Geest, intussen wordt er muzikaal door sprongen een kruisteken “getekend”.

Het kruisteken dat de dood (de duivel) overwint wordt ook daarna nog op een iets andere manier weer een aantal keren uitgebeeld. We horen het kruisteken eerst in de bassen, dan in de violen. (Zie bij het fragment van de partituur hieronder de noten in het rood) Met vervolgens een enorme sprong (octaaf+verminderde kwint) naar beneden, gevolgd door een zeer lang aangehouden uiterst lage toon wordt de te overwinnen dood muzikaal nadrukkelijk uitgebeeld. Luister eerst even naar dat stukje:

Dan volgt de tekst waarin de duivel (de wurger) is overwonnen en het hallelujah klinkt. Luister hier onder naar de volledige strofe 5 van deze cantate, die zoals gezegd begint met de chromatische baslijn die aan Purcell doet denken.

De hele cantate is bijzonder de moeite van het beluisteren waard. Het is een van de vroegste werken van Bach, maar deze cantate heeft misschien nog meer diepgang dan zijn beroemde passiemuziek. Als ik er tijdens het luisteren helemaal in op ga denk ik iets te ervaren dat verder gaat dan de zichtbare werkelijkheid, iets dat misschien wel voorbij de dood reikt. Luister hier naar de volledige cantate met zijn zeven strofen, die stuk voor stuk op een andere manier zijn uitgewerkt, maar wel op basis van dezelfde koraalmelodie.

John Eliot Gardiner , het Monteverdi choir en The English Baroque Solists
1. Sinfonia
2. (Coro) Christ lag in Todesbande 1:24
3. (Sopran, Alt) Den Tod niemand zwingen kunnt 5:21
4. (Tenor) Jesus Christus, Gottes Sohn 10:57
5. (Coro) Es war ein wunderlicher Krieg 12:41
6. (Bass) Hier ist das rechte Osterlamm 14:28
7. (Sopran, Tenor) So feiern wir das hohe fest 18:51
8. (Choral) Wir essen und leben wohl 20:31​

Geplaatst in filosofie, muziek | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Paasconcert

Al weken leefde hij er naar toe. Aan zijn orgeldocent vroeg hij:
-‘Ga jij ook een paasconcert geven?’
-‘Ja zeker. En jij dus ook. Wordt dat gestreamd?
Mijn kleinzoon keek me vragend aan.
-‘Nee, het wordt niet live uitgezonden, maar ik neem het wel op. Ik zal je een link sturen’ zei ik tot zijn docent.
-‘Wat gaan we vanavond eten opa?’

Alles moest echt zijn. Samen met zijn moeder maakte hij een uitnodiging die per post werd verzonden:

Uiteindelijk wist zijn moeder het een en ander tot drie stukken terug te brengen. Wel echte paasnummers, zoals het Hallelujah van Händel. Maar het moest nog steeds zo echt mogelijk lijken. Zijn moeder zou het concert aankondigen dus kon ze niet tegelijk ook filmen, dat was een heel andere rol. Dat deed ik dus. En dan was er nog de registrant, zijn zusje waar hij dat vaker mee doet. Zo waren de rollen verdeeld. Het orgel stond zoals in een kerk boven en de mensen zaten beneden in de kerk. In de hal beneden werd een rij stoelen voor het publiek geplaatst. Als je omhoog keek zag je wel de orgelpijpen maar niet de organist, alles was zoals het hoort.

De registrant had er eigenlijk al niet veel zin meer in en een deel van het publiek, broertje, vond het te lang duren. Hij liep midden in het concert naar de organist. Een boze uitval “sjjjt, sjjjt!” en een nog bozere blik, allebei van de organist, en daarnaast een vermanende hand van de opnametechnicus wisten de indringer tegen te houden. De registrant had aan het begin van het concert de handen vol aan haar stoel waar ze op moest zitten want die was kapot. Tijdens het eerste muziekstuk werd het meubelstuk door haar vakkundig gerepareerd waardoor ze wel helaas een registratiemoment moest missen. Dat loste de organist gelukkig zelf goed op. Het was Pasen en het laatste stuk, het Hallelujah werkte erg aanstekelijk. De registrant ging playbackend meezingen! Ze vond de muziek prachtig, dat kon je goed aan haar blik zien. En op het einde ging ze zelfs meespelen, niet op het echte orgel natuurlijk, maar ze speelde in de lucht virtuoos alle passages mee. En toen het concert was afgelopen liepen de organist en registrant naar de voorkant van het orgel waar het publiek hen kon zien. Er volgde een daverend applaus en beiden maakten een buiging.

Omdat alles uiteindelijk toch redelijk was gelopen zoals de organist het van te voren in zijn hoofd had gehad was het ook voor hem een goed concert geweest. Dat had zomaar compleet anders kunnen zijn. Het blijft spitsroeden lopen. De registrant vertelde trouwens ook nog iets over het concert:

Er werden die middag drie stukken gespeeld: de Toccata in F en de Toccata en fuga in D mineur van Bach en het Hallelujah uit de Messiah van Händel. In onderstaande opname hoor je alleen de Toccata in D mineur. En het moet gezegd: wat we allemaal muzikaal te horen kregen was soms behoorlijk spectaculair! Het originele concert duurde 18 minuten. Veel luisterplezier!

Geplaatst in autisme | Tags: , | 1 reactie

Gerendal

Het Gerendal in Zuid-Limburg is bekend vanwege de veel soorten orchideeën in mei en juni. Daarvoor was het nu nog te vroeg. Ik wandelde van Oud-Valkenburg naar Gulpen en langs een iets andere route weer terug. Het was bijzonder warm. Het werd in de loop van de middag 24 graden. Ik zag een dassenhol, veel vogels en insecten en allerlei voorjaarsbloemen zoals de bosanemoon en het maarts viooltje. En er waren veel lammetjes bij de boerderij van Natuurmonumenten. Ik genoot vooral ook van de rust en de vogelgeluiden. En ik wist een koolmeesje boven op een holle boom te betrappen met mijn camera.

Geplaatst in natuur | Tags: , , , | 4 reacties

Torquato Tasso en Claudio Monteverdi in 1590

Wat lijkt het alweer lang geleden dat we wandelden in de bergen. Genietend van het geluid van beekjes en de geuren in de frisse alpenlucht. Oostenrijk en Noord-Italië waren in het verleden favoriet. Vooral omdat je van daaruit ook nog eens mooie uitstapjes kunt maken naar cultureel gezien interessante plaatsen.

Meer dan twaalf jaar geleden was ik in de zomer met mijn vrouw in Mantua. Eerst waren we ook toen in de Alpen, maar toen we doorzakten naar het zuiden was er van die heerlijke atmosfeer in een klap niets meer over. Het was er snikheet en het stikte er van de muggen. Desondanks hebben we ook in Mantua toch nog van veel dingen kunnen genieten. Maar in eerste instantie was het balen. We namen een hotelkamer in het centrum en we hebben er nauwelijks een oog dicht gedaan.

Mantua was hier rond 1600 al berucht om. Het ligt in een moerassig gebied. Het grootste deel van de stad is een soort eiland tussen meestal traag stromende brede rivierarmen die op weg zijn naar de rivier de Po. De atmosfeer is er ook volgens Monteverdi, die lange tijd verbonden was aan dat hof, niet gezond. Toen hij in 1612 na de dood van zowel zijn vrouw en daarna zijn baas, de hertog, werd ontslagen, was hij daar niet rouwig om. Een jaar later had hij een veel betere baan in een stad met een gezond klimaat: Venetië.

Maar toch heeft hij het 22 jaar uitgehouden in Mantua en toen hij er net was aangekomen als jonge man ontmoette hij daar de dichter Torquato Tasso. Deze dichter was in zijn tijd al beroemd en inmiddels was hij 46 jaar oud. Hij zou trouwens nog maar vijf jaar te leven hebben, en dat leven bleef tot het einde zeer onrustig. Hij heeft zijn hele leven aan veel verschillende hoven vertoefd zoals aan dat van Urbino en Ferrara, maar ook heeft hij zeven jaar in een krankzinnigengesticht gewoond en toen hij dat eindelijk verliet ging hij naar Mantua. Daar bleef hij van 1586 tot de herfst van 1587, zijn eeuwige onrust dreef hem weer naar andere plekken. In 1590 keerde hij nog even terug naar deze stad. Toen zal hij er ook Monteverdi die er net pas werkte hebben ontmoet.

Heeft deze korte ontmoeting geleid tot het madrigaal “Ecco mormorar l’onde”? Het zal niet de enige uitwerking van gedichten van Tasso blijven die Monteverdi maakte. Hij zette ook een deel van diens meest beroemde werk Gerusalemmo Liberata op muziek in “il Combattimento di Tancredi  e Clorinda”. Maar ik wil het nu hebben over een madrigaal uit de bundel die Monteverdi in 1590, het jaar waarin hij Tasso ontmoette, schreef. Het madrigaal “Ecco mormorar l’onde” staat bol van allerlei natuurbeschrijvingen, maar die indirect, net als bij Petrarca, ook weer slaan op zieleroerselen. Het gedicht stamt uit een groep gedichten die gewijd zijn aan Laura Peperara, een rijke koopmansdochter op wie Tasso verliefd was.

Ecco mormorar l’ondeHoor hoe de golven kabbelen
E tremolar le frondeen het beven van de bladeren
A l’aura mattutina e gli arborscellien de struiken in de morgenwind
E sovra i verdi rami i vaghi augellien hoe op groene takjes de lieflijke vogels
Cantar soavementebetoverend zingen
E rider l’oriente:en het oosten lacht:
Ecco gia l’alba apparekijk, het morgenlicht komt al tevoorschijn
E si specchia nel mare,en spiegelt zich in de zee
E rassenera il cieloen licht de hemel op,
E le campagne imperla il dolce geloen de zoete morgendauw strooit parels over het veld
e gli alti monti indora.en verguldt de hoge bergen.
O bella e vaga aurora,O mooie, lieflijke dageraad,
L’aura e tua messaggera, e tu de l’aurade wind is jouw bode, en jij bent de wind
Ch’ogni arso cor ristaura.die elk brandend hart verkwikt.

Het gedicht is prachtig in zijn eenvoud. Na het eerste “ecco” zien we vier werkwoordsvormen in de infinitivus: mormorar, tremorar, cantar en rider. Na het tweede ecco komen uitsluitend werkwoordsvormen in de tegenwoordige tijd: appare, indora. Het derde deel van het gedicht richt zich via “o bella aurora” indirect op de naam Laura, de geliefde van Tasso, via twee maal het woord “l’aura” (de wind). Maar subtiel werd “l’aura” al geïntroduceerd in het begin (regel 3). De woorden met vooral de prachtige alliteraties en consonanties zijn op zich zelf al dragers van poëzie. (mormorar-tremolar, l’onde-fronde, arborscelli-verdi-rami-vaghi-augelli enz.) Er is van het begin tot aan het einde sprake van eindrijm; aa, bb, cc enz. maar er is geen vaste versvoet. Ook symmetrie in zinsbouw wordt vermeden: het werkwoord staat soms vooraan in een zin, soms achteraan.

De muzikale uitwerking van Monteverdi (je hoort hier als uitvoerenden de leden van Concerto Italiano in een opname uit 1994) sluit prachtig aan op het gedicht. Heel subtiel begint het madrigaal eenstemmig in een laag register: het gekabbel van de golven. Het lied wordt opgebouwd naar een hoger register, er komen meer stemmen bij. Bij het woord l’aura (tevens de geliefde van Tasso) schiet de muziek nadrukkelijk met lange tonen de hoogte in. Monteverdi maakt een opvallende scheiding in zijn madrigaal: na de derde regel van het gedicht. In dit volgende tweede deel wordt bij “cantar” het zingen van de vogels uitgebeeld. Een iets kleinere maar vanuit de tekst meer verklaarbare scheiding zien we voor het tweede “ecco”. In dit deel zien we hoe bijv. het woord “cielo” (hemel) wordt uitgebeeld met een stijgende lijn en het woord “monte” letterlijk met een piek (langzaam stijgen en dalen). Het laatste deel “o bella” overlapt het vorige deel, maar scheidt zich wel af door de zetting, beginnend met een koraalzetting: drie stemmen met dezelfde tekst in hetzelfde ritme. Het woord “l’aura”, de woordspeling, wordt weer zeer nadrukkelijk neergezet. De laatste zin, feitelijk de apotheose van het gedicht, het “verkwikken van het hart”, wordt in een vijfstemmige koraalzetting als imposant slot neergezet.

Terug naar ons bezoek aan Mantua in 2008. De tweede dag van ons verblijf bezochten we het Palazzo Te, ontworpen door de beroemde renaissance architect Romano.

En dat was tegelijk een hoogtepunt. Een prachtig gebouw met schilderingen van de architect zelf, en wat voor schilderingen! Federico II Gonzaga besloot om van  Palazzo Te een oord van vermaak en plezier te maken, waar hij kon ontsnappen aan zijn officiële taken en waar hij heel wat tijd kon doorbrengen met zijn minnares, Isabella Boschetti, een adellijke dame van Mantua. We keken ons de ogen uit in al die zalen waar vooral allerlei godentaferelen waren te zien. En goden mogen bloot zijn.

Ik zal het eerlijk zeggen, toen ik deze bewuste zaal in liep voelde ik me gegeneerd. Je staat te kijken naar een grote penis gericht op een blote vrouw. (Hier heb ik hem kuis weggelaten.) De afbeeldingen waren levensgroot. En dat in het tegenwoordig zo preutse Italië. Maar ook toen zal het een feest zijn geweest voor iedereen die stiekem houdt van wat porno, en dat waren er in de hogere kringen heel wat. (Later zag ik ook een veel minder imposante maar wel vergelijkbare ruimte in het klooster van Melk, het was de slaapkamer van de de Oostenrijkse koning die hij had laten inrichten voor als hij rond Pasen in het klooster verbleef..)

Palazzo Te was natuurlijk voor de hertog zelf en zijn meest naaste hovelingen. Zouden Torquato Tasso en Monteverdi ook deze schilderingen hebben gezien? Ik denk het wel. Het paleis was immers ook de plek waar de meeste uitvoeringen van zijn muziekstukken en opera’s plaats vonden, daar en in de tuinen werd er regelmatig gefeest. In die tuinen moesten de decormakers de meest vernuftige installaties ontwerpen om bijvoorbeeld een deo ex machina te kunnen toveren. Maar in 1590 bleef het nog even bij het murmelen van de golfjes en de bladeren als Laura er aan kwam.

Wij gingen pas laat weer terug naar ons hotel. De stad was doodstil. Het Castello Giorgio, vlakbij de plaats waar we verbleven, was mooi verlicht. En zag er uit als in 1590. Het waaide niet. Waar was l’Aura?

Die vonden we toen we naar het oosten reden. Net als Monteverdi dat deed in 1613. In Venetië.

Geplaatst in Geschiedenis, kunst, muziek | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Aldebaran

Al enkele maanden staan ze aan de avondhemel en ze zijn niet te missen: de rode reus Aldebaran met vlak daarbij de rode planeet Mars. Twee opvallend enigszins rood gekleurde objecten. Mars dankt zijn rode kleur aan grote delen van het oppervlak, die bedekt zijn met stof en rood ijzeroxide. Maar hoe komt de ster Aldebaran aan zijn rode kleur?

Dat heeft met de oppervlaktetemperatuur te maken. De heetste sterren lijken blauw, de meer normale wit en de minst hete zien we als rode sterren. Een beetje zoals je ook kunt zien bij de verbranding van hout in een haard. Bij goede verbranding is de temperatuur veel hoger en de kleur van de vlammen wit of zelfs blauw, bij slechte verbranding is de kleur meer rood.

Waarom zijn sommige sterren minder warm? Wikipedia heeft er een mooi verhaal over. Een ster geeft tijdens de normale levensperiode energie af door de fusie van waterstof tot helium in de kern. Dit is de bron van warmte, energie en uiteindelijk ook van het leven op aarde. In de loop der tijd raakt het waterstof in de kern steeds meer opgebrand, waardoor het fusieproces in de loop der tijd minder wordt. Daardoor koelt de ster wat af en neemt de stralingsdruk in de kern af. Hierdoor trekt de kern onder invloed van haar eigen gewicht wat meer samen waardoor de temperatuur stijgt. Deze temperatuurstijging heeft tot gevolg dat er een waterstoffusie in een schil buiten de kern op gang komt. Een ster waar buiten de kern een fusieproces plaatsvindt, produceert meer energie dan daarvoor en zwelt enorm op: hij wordt een reus. Maar doordat door het opzwellen de oppervlaktetemperatuur daalt, wordt de ster tegelijk rood. Aldebaran is een dergelijke rode reus, dat wil zeggen: hij is aan het eind van zijn leven en daarbij is hij zowel aan het opbranden als aan het uitdijen. Dat proces duurt overigens miljoenen jaren. Hij is maar een klein beetje zwaarder dan onze zon maar hij is 45 keer zo groot.

Wordt onze zon ook een rode reus? Ja zeker. En net als bij Aldebaran is dat slechts een voorstadium van wat er na miljoenen jaren nog meer staat aan te komen. Ook bij onze zon zal zich over 5 miljard jaar steeds meer helium in de kern ophopen, die daardoor nog meer samentrekt en waardoor de dichtheid van de kern steeds hoger wordt. Als de kern een temperatuur bereikt van 100 miljoen kelvin gaat het helium in de kern fuseren tot koolstof. Het begin van deze fusie wordt heliumflits genoemd. De buitenste gaswolken drijven steeds verder weg en vormen een planetaire nevel. De rest (dus het inwendige) van de ster stort in elkaar en eindigt als een witte dwerg.

Bij veel zwaardere sterren vindt er op een gegeven moment een supernova-explosie plaats, en eindigt de ster uiteindelijk als neutronenster (pulsar) of als een zwart gat. Sterren met een massa groter dan 8 maal de massa van de zon worden superreuzen en de nog veel grotere sterren veranderen in een zwart gat.

Kijkende naar de hemel zien we dus een ster in een voorstadium van zijn eigen einde: zijn omvorming tot witte dwerg. In dat eindstadium zal Aldebaran waarschijnlijk niet eens meer met het blote oog te zien zijn. Nu is hij nog een van de meest heldere sterren aan de hemel.

Hij staat in het sterrenbeeld stier en in de oudheid werd deze ster gezien als het rode oog van de stier. Bij tekeningen van dit dierenriemteken zien we dan meestal een wilde stier met een gemene blik. Zoals hier in het astronomische programma Stellarium waarop naast de altijd aanwezige Aldebaran en het Zevengesternte (Pleïaden) nu ook Mars te zien is:

Gisteravond, en op onderstaande foto, was heel mooi te zien hoe niet alleen Mars dicht bij Aldebaran stond, maar ook de maan een conjunctie vormde met beide hemellichamen: met zowel Mars (rechts) als met Aldebaran (links). De maan had zich tussen de beide rode objecten in genesteld. Het rode oog van de stier, de zachte gloed van de weer groeiende maan en tegelijk de energieke blik van de rode Mars keken naar de aarde.

Even was alles nog heel helder, maar toen kwamen er zachte wolkenslierten. Het felle rood werd omgetoverd tot een mooie milde kleur, zoals hoort bij het einde van het leven. De Arabische naam Aldebaran betekent: “hij die volgt”. Bij het opkomen van de Stier zien we eerst de Pleïaden, dan volgt Aldebaran. Maar door de maan was Aldebaran voor mij nu meer een mooie grijsaard. En in het Nederlands klinkt de naam Aldebaran een beetje zoals hij er deze avond uit zag, iets van: “Alde Baran”, “Oude Baron”.

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , , | 3 reacties

Een beroemde organist

Mijn 7-jarige kleinzoon snelt met zijn vingertjes over de toetsen van zijn keyboard met daarop de klank van een kerkorgel. Hij speelt niet orgel, nee, hij speelt ook geen orgelmuziek, nee, hij speelt organist. Het stuk dat hij speelt is van Händel, de aankomst van de koningin van Sheba. Op de opname met Gert van Hoef die hij op Youtube beluistert duurt het stuk 4:06 minuten. Bij mijn kleinzoon duurt zijn uitvoering 4:19 minuten. Hij speelt het zonder bladmuziek. Maar hij voelt zich al spelende een groot organist, en daarom doet hij ook als een groot organist.  Hij leunt af en toe naar achteren, naar voren, hij knikt een beetje mee met de muziek en kijkt alsof de koningin elk moment kan arriveren.

Ik moest denken aan mijzelf toen ik op het conservatorium zat en aan mijn leraar vroeg: ‘denkt u dat ik een goede leraar ben?’ Ik studeerde Theorie der muziek en tegelijk ook Schoolmuziek en had ernstige twijfels over mezelf. Ik leerde fuga’s en motetten schrijven, alle mogelijke muziek analyseren, muziek componeren, uitsluitend dingen die ik heerlijk vond om te doen en die ik ook nog eens goed kon. Maar kon ik ook goed lesgeven? Hij kwam een keer bij me kijken toen ik les gaf op een basisschool.  Hij gaf me enkele nuttige tips. Maar toen ik hem vroeg:
-‘Denkt u dat ik een goede leraar ben?’ bleef hij even stil. Hij keek me nadenkend en peinzend aan en antwoordde na een tijdje:
-‘Ik denk dat je een goede leraar wordt.’ Ik was heel erg blij met zijn antwoord. Natuurlijk was ik geen goede leraar, nog niet. Ik moest nog veel leren. Maar hij zag blijkbaar potentie in me en omdat ik wist dat hij altijd eerlijk was, was ik zeer in de nopjes met zijn antwoord. Het stimuleerde me om nog meer mijn best te gaan doen om van alles te leren.

Zo vraagt mijn kleinzoon nu al af en toe aan mij:
-‘Opa, vind je mij een goede organist?’ Ik antwoord hem dan: ‘Ik denk dat je een heel goede organist zult worden.’ En dat meen ik. Feitelijk zijn de meeste stukken die hij speelt veel te moeilijk en te snel voor hem, maar daar trekt hij zich niets van aan, hij blijft in zijn rol. En intussen sta ik opnieuw verbaasd over zijn vingervlugheid en van het feit dat hij dat stuk van Händel compleet in zijn hoofd heeft zitten en op zijn gehoor speelt. Verder geniet ik van zijn creativiteit. Het stuk wordt op Youtube gespeeld op twee, soms nog meer manualen. Hij heeft tegenwoordig ook een tweede manuaal. Een klein speelgoeddingetje met twee octaven, met een vreselijk geluid. Het kreng is vals, maar vooral ook staat het ongeveer een kwarttoon hoger dan het manuaal van zijn echte keyboard. Maar het deert hem niet. Hij is organist en weet dat hij moet roeien met de riemen die hij heeft. En dit stuk hoort op minstens twee manualen gespeeld te worden. Hij is wat mij betreft en ook wat zijn leraar betreft echt toe aan een heus huisorgel. Omdat dit vanuit de orgelmethode een must is, maar ook: dan pas ben je een echte organist. Een organist is iemand die op twee manualen en ook nog eens virtuoos met twee voeten op  een pedaal speelt.

We stonden bij de Sint Jan van Gouda.
-‘Ik krijg hier orgelles.’ Twee toeristen, onder wie een Amerikaanse mevrouw gingen op hem in. Op het einde vroeg de meneer:
-‘Hoe is je naam? ‘ Hij noemde zijn naam.
-’Die zal ik onthouden. Als jij straks een beroemde organist bent dan weet ik dat ik je toen al een keer gesproken heb.’
De organist snelde naar binnen en begon onmiddellijk op het al gereed staande orgel te improviseren. En wat voor een orgel! Het Moreau orgel! Dan word je vanzelf wel een beroemde organist.

Geplaatst in autisme | Tags: , , , , , | 2 reacties

Weerribben

Afgelopen weekend waren we in delen van Drenthe en Overijssel. Bij Frederiksoord volgden we de monumentenroute. Aan de hand van allerlei nog bestaande gebouwen uit de negentiende en twintigste eeuw kregen we een beeld van wat er in die tijd werd gedaan met armen en bedelaars uit de grote steden van het westen van het land. Ze kregen een heropvoeding in een kolonie, gesticht door de Maatschappij van Weldadigheid. Er werd een grote nederzetting, een zogenaamde proefkolonie, uit de grond gestampt: Frederiksoord. Zij die er geplaatst werden moesten verplicht elke zondag naar de kerk, mochten de “kolonie” niet uit zonder toestemming, er werd een eigen munt geslagen die alleen geldig was binnen de kolonie en er moest hard gewerkt worden. Woeste heidegronden werden ontgonnen en er werd gewerkt in dienst van de kolonie op een boerderij. Het was nog net geen gevangenis maar dat veel mensen het wel zo ervoeren wordt duidelijk als je ook leest dat mensen soms “ontsnapten” en dan buiten de kolonie ergens op de hei binnen een nacht een plaggenhut bouwden en er een vuur in maakten. Als ze dat voor elkaar kregen en er rook uit de schoorsteen kwam dan waren ze vrij man. Zo leerden we vroeger op school dat mensen in Drenthe in plaggenhutten woonden en het was deels nog eens waar ook.

Iets meer naar het oosten, waar nu de Weerribben zijn, in de kop van Overijssel, was in die tijd laagveen. Daar werd turf gestoken. Aan het begin van de twintigste eeuw was al dat turf op en was het hele gebied verworden tot een nat moeras. Als je dat zo zou laten zou het vrij snel eerst een broekbos worden, daarna steeds droger worden en uiteindelijk zou het helemaal verbossen. Dat vonden veel mensen zonde, want juiste dat natte gebied vond men mooi en werd als aantrekkelijke natuur gezien. Dus nu wordt het beheerd door Staatsbosbeheer die er wandel- en fietspaden in heeft laten aanleggen. Er wordt regelmatig water in gepompt om het nat te houden. Er staan op veel plaatsen borden met uitleg. Turf steken was zwaar werk, dat wordt je al snel duidelijk. Maar nu, in 2021, eind februari op een mistige ochtend is het er heerlijk. De eerste zangvogels lieten al van zich horen, naast natuurlijk watervogels als ganzen.

Geplaatst in Geschiedenis, natuur | Tags: , , | 1 reactie

Mijn KPN

Pff. Het internet is nu toch wel supertraag. Er bestaat gelukkig een KPN speedtest. Ik ga een meting doen.
“0,2 upload, 10,1 download.” Dat is behoorlijk laag.
Geen nood. De KPN heeft een servicetool om het probleem op te lossen. Ik volg de online aanwijzingen en intussen wordt er in mijn huis op afstand van alles gedaan. Na 5 minuten zie ik de volgende tekst op het scherm: “het signaal naar binnen is goed, maar in uw huis heeft u een blokkade. U heeft waarschijnlijk een betalingsachterstand. Zet de computer uit, betaal via Ideal en na twee uur heeft u weer een prima werkend internet.”

Dat kan toch niet waar zijn! Mijn abonnementskosten worden altijd automatisch afgeschreven. Toch maar controleren. Ja hoor. Alles is keurig betaald. Dan nog maar een keer de tool gestart. De uitkomst is hetzelfde. Er wordt nogmaals aan mij verzocht om te betalen. Wat een servicetool! Ik ga hen maar eens opbellen.

Waar vind je in godsnaam het telefoonnummer van de klantenservice van de KPN? “Mijn KPN” heeft een onderdeel “contact”. Klik. “Over welk onderwerp wil u een vraag stellen?” Uiteraard krijg ik nu een submenu. En een submenu van een submenu. Kortom, je moet door een woud van vragen heen maar je krijgt op geen enkele manier een telefonisch contactnummer.  Dat kan blijkbaar niet via “Mijn Kpn” en het menu-onderdeel “contact”. Door de lockdown is ook de KPN blijkbaar compleet contactloos. Maar, wacht eens even! Ik heb toch al eens contact gehad met deze firma, jaren geleden? Ik pak mijn telefoon erbij. Warempel, het nummer van KPN staat gewoon in mijn telefoon!

Ik bel enthousiast het bewuste contactnummer. Het bestaat nog! De telefoon gaat over. Maar helaas, mijn enthousiasme wordt al snel weer gedempt. Het online-verhaal lijkt zich te herhalen. Eerst willen ze weten waarover je belt, “wat is het probleem?” Het probleem heeft te maken met internet. Duidelijk. Je krijgt een volgend menu. Ik toets een 2 bij “niet goed functionerend internet”. Er volgen nog een aantal submenu’s. Druk op… enzovoort. Uiteindelijk wordt het probleem opgelost: “er wordt nu een SMS-je met een link naar je gestuurd hoe je het probleem kunt oplossen.” De verbinding wordt vervolgens verbroken. Sjjj. Ik kijk op mijn telefoon naar de link en vrees het ergste. Ik tik deze link in op mijn PC. Ja hoor! Ik wordt verwezen naar de servicetool die ik al eerder gebruikt heb en die toen opleverde dat ik moest betalen vanwege een betalingsachterstand! Ik overweeg om in contact te treden met Kassa of een ander consumentenprogramma. Maar koppig ga ik het nog anders aanpakken En slimmer. Ik ga ze domweg beduvelen. Ik veins dat ik iets ga kopen, bij KPN. Ik bel ze dus weer, maar nu niet met een klacht! Ik wil iets waar ze wellicht geld aan kunnen verdienen. Ik laat hun een nieuw klant ruiken. Ja hoor. Ze trappen er in, de lijn gaat over.  Maar je bent er nog niet. Er is een wachttijd. Je kunt zelfs kiezen: wel of geen wachtmuziekje. O wat fijn. Géén muzak! Dat is het allereerste goede bericht van vandaag.

  • Goedemiddag, met de KPN, waarmee kan ik u van dienst zijn?
  • Ik heb uiterst traag internet, ik heb daarom de servicetool van KPN geactiveerd en ik kreeg te horen dat het signaal is geblokkeerd omdat ik niet heb betaald.  Dat klopt niet.
  • Naam, adres, geboortedatum? Momentje.
  • Duim duim duim.
  • Nee, er is inderdaad geen betalingsachterstand. Ik zal ook nog eens kijken naar uw signaal. Momentje.
  • Duim duim duim.
  • Nee, het signaal is inderdaad niet bijzonder sterk.
  • Ja weet u, ik woon in een buitengebied en ik heb daarom enkele jaren geleden een 4g-modem gekregen om het signaal te versterken. Dat werkte heel lang uitstekend, maar nu is de verbindingssnelheid weer belabberd. Eerst dacht ik, ach ja. Iedereen is door de lockdown in deze tijd online. Dat zal het wel zijn. Maar ik ben het inmiddels goed zat. Het is gewoon geen doen meer. Ook het TV-signaal valt trouwens herhaaldelijk uit.
  • U zei dat u een 4-g-modem had. Branden de lampjes van dat modem?
  • Ja ze branden, ik zal eens wat wiebelen. Oef nu gaan ze uit. Ja, ja.. nu gaat hij geloof ik weer herstarten. Ja hoor, de lampjes fikkeren weer, Ik zal even kijken of de kabeltjes goed vastzitten. Mmm, dat lijkt me allemaal goed. Ik ben bang dat er in het kastje zelf wellicht iets niet goed is.
  • Het lijkt inderdaad op een dergelijk probleem. Ik zal kijken wat ik voor u kan doen.
  • Momentje.
  • Duim duim duim.
  • Nee, ik heb gekeken of een dergelijk kastje opgestuurd kan worden. Dat kan helaas niet. Ze worden altijd door een monteur geplaatst. Zal ik dan maar een monteur voor u regelen?

Dat klonk allemaal goed. Een monteur! Graag natuurlijk! Dan moest het wel goed komen. Monteurs lijken gewone mensen. Maar dat zijn ze niet. Het zijn mensen met twee rechterhanden. Mensen die meten en weten en sleutelen en daarna “voor mekaar” zeggen.

De monteur kwam enkele dagen later en controleerde eerst het basissignaal van de vaste lijn. Dat bleek enigszins instabiel te zijn. Om verder te gaan moest hij in een verbindingskast verderop in de straat zijn. Na een tijdje kwam hij terug. Hij kon er niet bij. De deur van het kastje was dicht. Daar moest eerst iets voor geregeld worden. Hij maakte dus een vervolgafspraak.

Het duurde dan wel een halve week maar daar was de vervolgafspraak dan. In mijn e-mail las ik: Herinnering: morgen tussen 8 en 10 komt er een monteur bij u langs. Zorg dat u thuis bent en dat u ook telefonisch bereikbaar bent. De monteur draagt een mondmasker en verwacht van u dat u dat ook zult doen.

Om acht uur zit ik in de startblokken. Een schoon mondkapje ligt naast me. Ik zit vlakbij het raam en kijk naar de voordeur. Het is 9 uur. Het is 10 uur. Hij is te laat. Kan gebeuren. Het is 11 uur, 12 uur, 13 uur, 14 uur….

Ik bel weer het telefoonnummer van de KPN dat ik inmiddels vlekkeloos weet te vinden.

  • Is de monteur niet geweest? Heeft u een momentje?

Nu krijg ik ongevraagd toch het muzakmuziekje. Nou vooruit dan maar. Ik duim op de maat van het muziekje.

  • Bent u er nog? Ja, de monteur blijkt uit de planning gehaald te zijn. Ik weet niet waarom. Waar gaat trouwens het probleem over?
  • Ik heb traag internet. De monteur was er al eerder en had geconstateerd dat er een instabiele verbinding was en wilde dat vandaag komen oplossen.
  • Heeft u al een wifi-test gedaan?
  • Het gaat niet over wifi. Ik wil dat die monteur weer komt.
  • Dat kan ik eventueel wel regelen maar dan moet u 60 euro voorrijkosten betalen.
  • Wat zegt u? De monteur is uit de planning gehaald en nu moet ik opeens voorrijkosten betalen?
  • Ja als u niet eerst een wifitest hebt gedaan waaruit blijkt dat u slecht internet hebt komt u niet in aanmerking voor een gratis monteur.
  • Het gaat niet om de wifi, het gaat om de vaste lijn. En om een 4-g-modem die het volgens mij niet of niet goed doet.
  • Nee, u zult toch eerst de wifi-test moeten doen.
  • Mevrouw mag ik asjebliéf heel snel een monteur? Voor mijn part betaal ik voorrijkosten maar ik ga dan wel zo wie zo een klacht indienen.
  • Momentje, ik zal eens kijken.

Ik krijg alweer een muzak wachtmuziekje. Ik besluit om nu niet te gaan duimen maar als tijdverdrijf een online wifitest te doen. Met wat zoekwerk op mijn PC vind ik waar dat kan. Er volgt een test. De robot vraagt me: “hoe is de Wifi nu? Welk rapportcijfer geeft u het?” Ik geef de wifi een 2. Dan wordt er actie ondernomen. Het kpn-modem wordt op afstand gereset. De robot vraagt me ten tweede male: “welk rapportcijfer geeft u de Wifi nu?” Ik geef zonder nadenken nogmaals het rapportcijfer 2 (wat niet zo is maar wat maakt het mij uit). De robot is onder de indruk. Ja hoor! “U komt in aanmerking voor een gratis monteur!”

Net als ik die wil gaan regelen is de mevrouw van zo even na het ietwat eindeloze o zo irritante wacht-muzakje weer aan de lijn. Maar ik wil al niet meer horen wat ze te zeggen heeft, ik kan gewoonweg haar stem niet eens meer horen. Ze klinkt me als muzak in de oren. Ik vertel zo vriendelijk als me nog enigszins mogelijk is dat ik online al een monteur heb geregeld. Verbaasd wenst ze me een goede middag toe.

Ik regel vervolgens inderdaad online de monteur voor de volgende dag. Maar wat moet ik nu tegen die monteur morgen vertellen? De TV doet het sinds de keer dat de eerste monteur er naar gekeken heeft opeens weer uitstekend, zelfs “NPO-plus”,  dat voorheen vaker niet dan wel werkte. Deze monteur had de kabeltjes van de buitenverbinding opnieuw aan elkaar verbonden. Volgens mij was de storing die hij eerder gemeten had daarmee eigenlijk al opgelost. Maar mijn internet was nog steeds net zo traag: 0,2 upload en 10,1 download. Ik besluit om mijn 4-g-kastje los te koppelen en nog eens een keer een speedtest te doen, nu met alleen de vaste kabel naar mijn PC. Uitslag: precies hetzelfde! Het 4-g-modem doet dus helemaal niets. Daar zit dus inderdaad het probleem.

Op het 4-g-kastje stond een merk en een serienummer. Dat tikte ik in bij Google. Ik kwam onmiddellijk op een forum terecht. Dat puilde uit van de lotgenoten. En een slimme lotgenoot had inmiddels weten uit te zoeken wat er aan de hand was. Er is enkele maanden geleden een online upgrade geweest van de firmware van het betreffende 4-g-modem. Daarbij was bij iedereen het wachtwoord gewist en zonder wachtwoord deed het modem niets. Hij wist haarfijn uit te leggen hoe het probleem opgelost kon worden. Dat was niet supersimpel maar voor mij te doen. En wat belangrijker is: het werkte! Mijn snelheid verbeterde gigantisch. Met name de upload snelheid. Die was van 0,2 opeens gestegen naar maar liefst 15 MGb per seconde (45 keer zo snel) en de downloadsnelheid was zes keer zo snel, van 10 naar 60 Mgb per seconde!!

Ik heb opgetogen online mijn monteursafspraak weer afgezegd. Er werd niet om de reden van afzegging gevraagd. Die had ik hen graag gegeven. Ook kreeg ik geen tevredenheidsvraag naar aanleiding van bijvoorbeeld het telefonische contact. Ook kon ik nergens een klachtenformulier vinden. Vinden ze dat daar niet nodig? Volgens mij is de KPN streng calvinistisch. Als je recht in de leer bent dan kun je geen fouten maken. Waarom zou trouwens mijn monteur uit de planning zijn gehaald? Ik vermoed dat die niet bij de KPN paste. Hij was vast niet zo recht in de leer. Hij had bijvoorbeeld goddeloos geen mondkapje op toen hij kwam. Maar mijn goddeloze TV doet het dankzij deze atheïst weer. En dankzij een anonieme techneut heb ik nu weer snel internet. Ik zou de oplossing die mij hielp willen doorgeven aan de monteursbrigade van KPN. Maar dat kan nergens. Ook daarvoor is er geen formulier, niks.

O ja. Mijn telefoonnummer bleek ook nog eens het verkeerde te zijn. Ik had een bericht gekregen met de vraag of onderstaand telefoonnummer goed was. Zo nee, of ik dat dan op “Mijn Kpn” wilde verbeteren. In het berichtje stond mijn telefoonnummer, maar het bleek een telefoonnummer te zijn dat al jaren niet meer bestond. Dus ik naar “Mijn Kpn” om dat te herstellen. Maar wat stond daar tot mijn grote verbazing. Gewoonweg het goede telefoonnummer. Aanpassen leek me dus zinloos. Iets dat goed is pas je immers niet aan. Zal ik dit dan maar doorgeven? Telefonisch of zo? Wat vinden jullie?

Geplaatst in maatschappij | Tags: , , | 1 reactie