Lente

-‘Morgenavond om 10 uur begint de lente!’
Zo sprak ik eergisteren.
-‘Hè opa, dat kán toch niet. De lente is toch niet op ‘n  úúr?’
Ik begreep wat hij bedoelde. Hij is jarig in de lente, het kan toch niet lente zijn om tien uur. Ik vertelde hem dat het heel lang lente is, maar je kunt wel precies zeggen wanneer de lente begint. De lente begint namelijk als de zon precies boven de evenaar staat. Hij hoorde het woord evenaar en pakte de globe.
-‘Dit is toch de evenaar opa?’
Dat had hij goed onthouden. We hadden het er ooit over gehad. Toen hij de globe daar toch zo in zijn handen had ging ik verder over het begrip lente. Ik liet met de globe zien hoe de aarde scheef staat. En toen hield ik in mijn ene hand een denkbeeldige zon vast. Dat vond hij maar niks.
-‘Wacht even opa, ik pak de zon’.
Hij pakte een geel balletje en hield dat op de plaats waar ik eerst de denkbeeldige zon hield.
-‘Let op’, vroeg ik nu, ‘waar schijnt de zon nu het meeste, op welk deel van de aarde?’
Hij bestudeerde de plek waar ik naar wees.
-‘Op Zuid-Amerika’.
-‘OK, dan is het daar nu zomer. En kijk, zie je hoe hier veel minder zon komt? Daar wonen wij. Daar is het nu winter. En, let op!
Heel langzaam bewoog ik de aarde een stukje om het balletje heen en zei intussen, ook heel langzaam ‘januari, februari, maart..’
-’20 maart. Nú schijnt de zon recht op de evenaar. Nú begint de lente. En hij staat er helemaal precies om 10 uur vanavond. De mensen hebben afgesproken zo gauw dat zo is, dán begint de lente.’
Ik bewoog weer een stukje verder.
-‘Kijk, nu komt hier de meeste zon. Zie je, hier wonen wij. Bij ons begint nu de zomer en is het juist in Zuid-Amerika winter.’
Ik maakte het rondje af. Het is moeilijk te snappen, dat realiseerde ik me. Maar even later zei hij:
-‘Dát ga ik tekenen.’

Hij pakte een stuk papier en tekende de aarde met de zon. Ik kon op de tekening nog niet goed zien dat het  lente was. Maar hoe teken je dat? Maakt niet uit, hij verwerkte het op zijn manier. Zoals hij ook de tram gaat tekenen als we daar in gezeten hebben. Leren begint met nieuwsgierigheid. Daarna moet de informatie verwerkt worden. Hij verinnerlijkt dingen door ze te tekenen. Of soms gaat hij ze ook na spelen. Hij loopt dan in gedachten door de kamer, al bewegende met zijn armen. Zijn ogen kijken dan uiterst wazig. Alsof hij in trance is. Vaak ook neuriet of zingt hij erbij. Hij is dan letterlijk in de zevende hemel.

Vanmiddag hoorde ik voor de eerste keer dit jaar een aantal grutto’s. Ook nu in de schemering zingen er veel vogels. Het is lente, zowel op de aarde als in de hemel.

 

Geplaatst in Astronomie, natuur, pedagogiek en onderwijs | Tags: , | 2 reacties

Voetbaltraining

Hoe uit je een frustratie? Wij volwassenen gaan dan soms schelden of zelfs met dingen smijten. Toen ik als kind een blokfluit had gekregen wilde ik er ook op kunnen spélen maar daar moest je toch echt eerst die gaatjes voor dicht zien te krijgen. Als het dan na zoveel keer proberen weer niet lukte smeet ik het ding door de keuken, ik kan het me nog steeds herinneren. En huilen kon ik ook. Mijn moeder was af en toe radeloos. Ook dat weet ik nog. Dus als mijn oudste kleinzoon onbedaarlijk moet huilen kan ik me daar van alles bij voorstellen.

Zijn huilbuien zijn soms vergelijkbaar met hoe het bij mij werkte, maar meestal zijn ze direct terug te voeren op zijn autisme. Afgelopen zondag was ik bij zijn ouders en we zouden buiten gaan voetballen. Eindelijk was dat weer mogelijk, alhoewel: het was stervenskoud door de snerpende wind.
-‘Wie wil er mee voetballen?’
Mijn oudste kleinzoon was gelijk enthousiast. Voetballen vindt hij leuk, vooral sinds mijn vrouw hem beetje bij beetje een aantal spelregels heeft uitgelegd. We spelen dan soms op een echt veldje in een speeltuin, zoals hieronder op de foto. Maar meestal achterom bij ons huis. Aan de ene kant fungeert daar de deur van de garage als doel waar een van de spelers bij gaat staan, aan de andere kant is er nog een doel met een natuurlijke stenen wand waar de andere speler bij gaat staan. Twee doelen, dus, als in het echt en zoals ook in het speeltuintje. En mijn kleinzoon weet al dat je als keeper de bal met de handen mag pakken, en dat je ook kunt proberen elkaar de bal af te pakken, maar dan moet je lopen en mag je de bal alleen met je voeten aanraken. En zo kent hij nog enkele regeltjes. Heerlijk vindt hij het.
voetballen-‘Jááá! Ik wil meedoen!’
Enfin, alle drie de kinderen hadden er wel zin in, papa en ik ook. Papa had een goed idee. We zouden een vierkant vormen. Dan zou iedereen aan de beurt komen, ook de kleintjes van twee en drie. De jongste zou dan bij mij meedoen.
-‘Nee, nee, nee. Zo gáát voetbal niet!’
-‘Maar luister, als we het zo doen dan kunnen de andere twee kinderen ook meedoen.’
-‘Nee, nee, dat gaat niet, dat wil ik niet!’
Papa plaatste de middelste van de drie kinderen op een plek, zocht zelf ook een positie op en zo probeerde hij met iedereen een vierkant te formeren. Hij dacht: laten we het gewoon uitproberen, dan zal hij zien dat het vanzelf leuk wordt. Maar dat moet je bij iemand met autisme dus niet doen. We gingen toch vóetballen? Hij schreeuwde de hele buurt bij elkaar, ging gillend tegen een boom aan staan, en bleef erbarmelijk huilen. Het was ontroerend om te zien hoe de andere twee kindjes hem wilden troosten, zij konden zijn verdriet niet aanzien. Uiteindelijk besloot papa:
‘Wil je niet liever op de skelter, dan gaan wij wel voetballen?’
-‘OK.’
Maar toen wilde de rest ook op de skelter…

Mijn vrouw was er niet bij geweest en ik vertelde later tegen haar het voorval. Wat natuurlijk de oorzaak was: hij was niet van te voren voorbereid op deze situatie. Mijn vrouw deed twee suggesties: van te voren vertellen, niet dat je gaat vóetballen (want die term is beladen, daar heeft hij een vast omschreven voorstelling van), maar dat je met de voetbal een soort voetbaltráining gaat doen. Dat doen ze bij een echte voetbaltraining ook: je gaat dan allemaal apart staan in een vierkant, en probeert de bal zo recht mogelijk naar iemand toe te schoppen. En die doet dan ook weer naar een volgende speler. En dat moet je met zijn allen daarna heel vaak doen, zo oefen je hoe je recht kunt trappen naar een andere speler. En daarna zou je met hem moeten doornemen of hij snapt wat de bedoeling is en dan pas aan de gang gaan. Wat je ook had kunnen doen, gelijk na de eerste driftbui van ”dit wil ik niet”, met hem afspreken: ‘OK, we gaan het precies doen zoals jij het wilt. En na tien minuten stoppen we en gaan we het doen zoals ik het wil. Ik zal dan straks uitleggen hoe dat gaat. Vind je dat goed?’

Vermoedelijk had hij dat goed gevonden. Zo werkt het: dat soort flexibiliteit dat nu van hem gevraagd werd, helaas, dat is net hetgeen dat mensen met autisme niet hebben. Ze raken hun zekerheid kwijt en daar wordt dan zeer heftig op gereageerd. Je zult zo’n situatie dus vóór moeten zijn door een goede voorbereiding, en als het dan toch gebeurt zul je altijd eerst in zijn denken mee moeten gaan om hem zijn zekerheid te geven. In dit geval hadden we dus eerst moeten voetballen zoals hij het gewend was.

Gisteren was hij na school bij mij. Hij wilde buiten voetballen. Gelukkig, hij was nog niet zo gefrustreerd dat hij überhaupt niet meer wilde voetballen. We hebben gevoetbald zoals hij het gewend was. Vandaag komen de andere kindjes ook. We gaan misschien vanmiddag proberen om een voetbaltraining te organiseren..

Geplaatst in pedagogiek en onderwijs | Tags: | 3 reacties

Zonder titel

gijs-station

Afbeelding | Geplaatst op door | Tags: , | 2 reacties

Op de maan

tekening-maan

Ik probeerde om de tekening die mijn oudste kleinzoon had gemaakt te snappen.
-‘Hé, ik zie een ruimtevaarder!’
-‘Ja, dat ben ik.’
-‘OK. Ik zie een ruimtepak en een helm, volgens mij ben je op de máán.’
-‘Ja dat klopt. Kijk maar, ik spring in de lucht. Op de maan kun je heel hoog springen.’
Ik zag dat de bewuste astronaut op de tekening met de voeten van de grond was.
-‘En wat is dat daar?’ Ik wees naar een soort doosje met streepjes rechts beneden op de tekening.
-‘Dat zijn spekkoekies.’
-‘Spekkoekies?’
-‘Ja. Spekkoekies. Die kun je vinden op de maan. Die zijn heel lekker.’
-‘Dat klinkt goed. En rechts boven, dat is de aarde?’
-‘Ja, die kun  je nu zien als een grote bol als je op de maan bent. Hij is dan veel groter als de zon.’
-‘OK, dat snap ik. En ik zie dat je Pluto ook kunt zien?
-‘Ja je kunt hem zien zonder telescoop. Want de maan heeft geen atmosfeer.’
-‘En links zie ik de raket. Maar wacht even, die gaat al vertrekken, toch?’ Ik wees naar het vuur dat uit de uitlaat kwam.
-‘Die is warm aan het draaien, ik ga bijna weg.’
-‘En wat is dat rode dat je in je handen houdt?’
-‘Dat zit op een apparaatje, dat heb ik bij me. Als de wijzer rood wordt dan is er iets mis.
-‘Iets mis? En hoe los je dat dan op?’
-‘Dat doen heel aardige aliens. Die helpen me dan. Kijk (en nu tekent hij ter plekke links boven een grijs vierkant.) Dit is de heenweg, en toen zat ik in de raket. (Hij tekent helemaal links boven een klein raketje). En ik ging toen naar de maan (de maan wordt in twee seconden nog een keer, ook in dat vierkant, geschetst). En toen werd de wijzer rood en ging de raket niet verder. (Hij wijst naar de rode wijzer.) Toen kwam er een heel aardige alien.’
Ik was benieuwd hoe hij aan het verhaal van die aliens kwam, en ook van die spekkoekies natuurlijk.
-‘Van wie heb je van die aliens gehoord? Heb je op school met iemand zo iets gespeeld?’
-‘Nee hoor.’
-‘Hoe weet je dat dan, dat van die aliens.’
-‘Dat weet ik van die ene alien’
-‘Van die ene alien? Maar hoe kan dat dan?’
-‘Kijk opa.’ Heel wijs keek hij me aan. ‘Het zit zo. Die ene alien die weet álles van álle aliens. Dus die kan me gewoon ook álles vertellen.’ Hoewel ik dit heel logisch vond klinken snapte ik het eerlijk gezegd nog steeds niet.

Zijn broertje en zusje waren ook bij ons op bezoek. Opeens wilde hij naar boven en vroeg of zijn broertje ook mee wilde. Dat wilde die wel, maar toen wilde zijn zusje uiteraard ook. Die is pas twee, dus ik ging mee de trap op. Toen ik met mijn kleindochter eindelijk boven was gearriveerd bleken we met zijn allen op de maan te zijn. De drie astronauten gingen spekkoekies eten. En ze gingen “stuiteren”, dat kun je daar goed, ze gingen heel hoog springen, op de grond maar vooral ook op het logeerbed. De kleinste pakte een gordijn en hield het al springende vast: “hop, hop, hop, hop.” Het gordijn was na vier sprongen nog heel en en het zat ook nog vast aan de rails . Mijn oudste kleinzoon werd steeds meer opgewonden en de mede-astronauten ook.  De middelste astronaut had twee knuffels in zijn armen die ook mee omhoog sprongen, het werd een steeds dollere boel daar op de maan. Een eindje verder op verkenning werd een krater in een krater ontdekt. Maar die was nu weg. De jongste astronaut beaamde de bevindingen. ‘Krater geweest.’ Een asteroïde bleek daar te zijn neergestort en die had de eerdere kraters weer laten verdwijnen. Ook keken alle astronauten bewonderend naar dat mooie hemellichaam dat ze aan de hemel zagen: de aarde. ‘Kijk’ zei ook de jongste astronaut.

Toen besloot de gezagvoerder dat ze weer naar de aarde terug zouden gaan. Professioneel werd er in het Engels van achteren naar voren geteld. Het geluid van het aftellen klonk als een echo in de cabine. Maar de jongste astronaut wilde nog niet terug. Dus probeerde ze het aftellen te verstoren. Tja, dat lukte haar niet:
-‘Zero!’ Daar ging de raket. Of, of, of toch niet…? O nee, o nee: de raket was kapot. Wat nu, wat nu! Paniek in de tent. De middelste astronaut zou dat wel even fixen. Hij weet alles van technische oplossingen. Hij werkt immers in zijn vrije tijd bij brandweerman Sam. Maar het was al niet meer nodig: de alienvriendjes waren er ook al gekomen. Uitgelaten van vreugde toen alles weer werkte daalde de raket dan eindelijk af. En iedereen had al snel weer vaste voet aan de grond. Pfff.

Ja, inderdaad. Dat was maar goed ook. Want niet alleen in de ruimte spookte het. Ook op aarde bleek het stevig te stormen…

Luister en huiver bij dit spannende avontuur….

Geplaatst in Astronomie, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , | 3 reacties

Politeia

athene school der wijzen

In dit schilderij van Rafael, de school van Athene, zien we centraal de filosoof Plato lopen en met opgeheven arm naar boven wijzen, naast hem zijn leerling Aristoteles die naar voren wijst. Hoewel beide wijsgeren wiskunde, meetkunde en astronomie belangrijk vonden is het toch vooral Aristoteles die als voorvader van de moderne wetenschap wordt gezien. Hij begon met het nauwkeurig onderzoeken van alle dingen op aarde. Plato geloofde in reïncarnatie en wilde vooral dat de mens op zoek ging naar “de rechtvaardigheid” om later in een nieuw leven makkelijker tot de waarheid te kunnen komen. Hij was zogezegd met meer verheven dingen bezig, Aristoteles juist met aardse dingen. Verder zien we op dit schilderij hoe allerlei leerlingen van deze wijsgeren aan het schrijven, studeren en aan het converseren zijn. De dialoog stond centraal bij Plato, zoals hij dat zelf weer geleerd had van Socrates. Het schilderij bevindt zich in het Vaticaan in Rome.

Gisteren heb ik een studiedag “Politeia” gevolgd. Politeia, in het Nederlands vaak vertaald met “de Staat” is een van de meest invloedrijke boeken uit de oudheid. Het boek is geschreven door Plato, ongeveer 380 voor Christus, in Athene. Fréderique Petit, de verzorger van deze studiedag, beweerde dat veel filosofen van de laatste drie eeuwen zwaar schatplichtig zijn aan dit werk. Voor een aantal onderdelen van dat boek zal dat zeker kunnen gelden, maar de delen waar politici mee aan de haal zouden kunnen gaan zullen vast niet door al die filosofen omarmd zijn geweest. Zoals het deel over de opvoeding, waarin culturele zuiveringen centraal staan? De menselijke geest mag niet verdorven raken dus alles wat ook maar enigszins verderfelijk is moet worden uitgebannen. Plato laat Socrates zo via zijn beroemde techniek van “kennis opdoen” via vragen stellen aan zijn vrienden, letterlijk “kennis baren” (de moeder van Plato was vroedvrouw), en hij laat allerlei maatregelen heel logisch klinken. De volgende dialoog gaat over toonsoorten (modi) in de muziek. Socrates stelt de vragen en manipuleert deze zodanig dat de door hem gewenste antwoorden vanzelf volgen. Deze ingekorte en door mij vrij weergegeven dialoog gaat zo:

  • “Is het zo dat bepaalde toonsoorten hevige emoties kunnen oproepen?”
  • “Ja dat is zo.”
  • “En is het goed dat onze kinderen dergelijke emoties hebben?”
  • “Nee dat lijkt me niet goed.”
  • “Zouden we die toonsoorten dan niet moeten verbieden?”
  • “Ja dat is dan misschien wel het beste.”
  • “Zouden we de instrumenten dan niet zodanig moeten aanpassen dat ze zo gestemd zijn dat die toonsoorten niet meer te spelen vallen?”
  • “Dat zou best wel eens de beste oplossing kunnen zijn.”

Zo worden de modi dorisch en mixo-lydisch uitgebannen en de snaren van harp en vedel in theorie aangepast. De fluit valt moeilijker aan te passen. Fluitmuziek mag daarom dan ook alleen maar door herders op de velden gespeeld worden, niet meer op andere plekken. Naar mijn weten is het gelukkig bij ideeën gebleven. Maar het meest enge onderdeel van de politeia is de selectie die er gemaakt moet worden bij kinderen. Kinderen van “gouden en zilveren” ouders (de mensen van de hoogste elite die ook de leiders voortbrengen en de ouders van soldaten) mogen alleen nog maar opgevoed worden door speciaal daarvoor aangestelde opvoeders. Alleen de ouders met de laagste beroepen (ijzeren en bronzen ouders) mogen hun kinderen nog zelf opvoeden. Kinderen met afwijkingen zullen zo wie zo weg geselecteerd moeten worden. (Wat er met die kinderen moet gebeuren daar heeft Plato het niet over…) En wat vinden we hier van? (in eigen woorden weergegeven)

  • “Mogen kinderen van gouden ouders trouwen met kinderen van ijzeren ouders?”
  • “Ja, dat zou toch moeten kunnen lijkt me.”
  • “Je kruist toch ook niet een terriër met een sint Bernardshond?
  • “Nee, dat is waar”.
  • Of hoe krijg je de beste paarden?
  • Ja, door selectief te fokken.
  • En hoe krijg je dus de beste mens?
  • Door de beste mensen te laten trouwen met de beste mensen?
  • Juist, door selectie. Zo zou het met de mens moeten gebeuren.”

Athene wordt als bakermat van de westerse democratie beschouwd. En daarbij wordt vaak Plato aangehaald als een van de voorvechters van die democratie. Als je Politeia goed leest blijkt dat Plato niet veel moest hebben van democratie. Hij vond dat het land het meest gebaat was bij een vorm van aristocratie. Maar dan wel een heel ander soort aristocratie dan die waar wij meestal aan denken. De aristocratische elite bestaat bij hem uit mensen die sober leven en zich helemaal richten op wat het beste is voor de samenleving. Zij zelf mogen daar nooit iets aan verdienen, persoonlijk bezit is compleet onbelangrijk. Maar zij maken wel de dienst uit. Vanuit een ijzeren regime met soldaten zorgen ze dat het land of de stadstaat veilig is. Essentieel is de opvoeding van de kinderen van de twee hoogste maatschappelijke klassen, die overgelaten moet worden aan mensen met een aristocratische achtergrond. Het zijn de wijzen. In deze heilstaat zijn conflicten min of meer uitgebannen. Plato ziet dat een dergelijke maatschappij waarschijnlijk op een gegeven moment niet stand zal houden. Er komen dan binnen de elite op een gegeven moment toch weer eerzuchtige mensen. Dan zal heel snel ook het bezit weer binnensluipen en de volgende stap is dat de mensen met het meeste bezit de macht in handen nemen en die macht ook willen blijven houden. De rest van de bevolking wordt uitgebuit. Uiteindelijk zal ook dat niet stand houden. Het volk komt in opstand en de machthebbers moeten vluchten of worden gedood. Er ontstaat een democratie. Helaas, dat is het ook niet. Want door de vrijheid en gelijkheid ontstaat er besluiteloosheid en ontstaan er allerlei conflicten. Het is waanzin als je ook de minder geletterden laat meedenken over wat het beste is voor de gemeenschap. Uiteindelijk staat een sterke man op die het heft in handen neemt. Het volk is de chaos zat en zal zonder morren achter deze dictator gaan staan. Hoe lang dat mogelijk duurt, daar laat Plato zich niet over uit. Ook niet over wat er daarna gebeurt.

Plato was een groot denker. Maar ook een manipulator. Hij liet al zijn ideeën door Socrates formuleren. Het klinkt allemaal heel aannemelijk en dat is dan ook zijn bedoeling. Hij richtte er een school mee op die honderden jaren lang bleef bestaan en mensen tot filosoof moest opleiden. Het boek Politeia zal in die school ter sprake zijn gekomen, in ieder geval oefende men om te filosoferen vanuit de dialoogvorm, net als in dit boek. Andere interessante ideeën van Plato waren zijn ideeënleer, en de leer over de ziel: hoofd, hart en buik. In de ideeënleer gaat het over ware kennis. Van alle dingen op aarde is er een prototype aanwezig in de metafysische wereld (het verschijnsel paard, het verschijnsel boom, het verschijnsel tafel enz.). De mens dient goed te leven en goed leven betekent gericht zijn op ware kennis. Iedereen moet datgene doen wat hij het beste kan. Over dingen nadenken kan niet iedereen. Dus niet iedereen kan filosoof worden. Om dingen te bereiken moet je bepaalde deugden cultiveren die passen bij de ziel: matigheid (buik), moed (hart) en wijsheid (hoofd). Als je die dingen goed traint ontstaat vanzelf datgene waar alles om draait: rechtvaardigheid. En Plato denkt dat iedereen al voor zijn geboorte weet wat rechtvaardigheid is. Op het moment dat je incarneert in een lichaam raakt die kennis op de achtergrond en moet je je deze opnieuw eigen maken. Dat is eigenlijk de kern van je bestaan. Mensen die dat opnieuw geleerd hebben zijn bij een volgende reïncarnatie in het voordeel. Zij zullen het zich eerder weer opnieuw eigen maken.

Het boek zelf is meerdere keren vertaald en uitgegeven. Gerard Koolschijn heeft een toegankelijke vertaling geschreven die echter niet volledig is. De onderdelen bijvoorbeeld die gaan over muziek heeft hij weggelaten. In het Engels is de uitgave met als titel “The Republic” vanuit diverse vertalers, met en zonder commentaar, van goedkoop (10 euro) tot duur (150 euro) tweedehands te vinden via boekwinkeltjes.nl. Je kunt het boek ook helemaal gratis en voor niets online lezen, met vóór elk van de tien hoofdstukken een commentaar op het betrokken hoofdstuk van de hand van Marsilio Ficino (1433-1499). Dit commentaar is opgedragen aan en gericht tot Lorenzo de’ Medici, die Ficino’s leerling is geweest. Marcilio Ficino is de eerste geweest die het volledige werk van Plato in een Latijnse vertaling weer toegankelijk heeft gemaakt voor de Westerse denkwereld.

Dit en andere online klassieke boeken vind je op http://www.arsfloreat.nl/
Politeia / Plato ; vertaald uit het Grieks door de School voor Filosofie, Amsterdam : De Driehoek. – (Verzameld werk / Plato ; 10) Uitgegeven in samenwerking met de Stichting Ars Floreat.

Hieronder plaats ik een fragment uit de samenvatting van Marcilio Ficino van hoofdstuk 3, namelijk dat deel dat over muziek gaat. In het boek zelf zul je nog veel meer details over dit onderwerp aantreffen die interessant zijn, maar deze samenvatting geeft aardig weer waar het om gaat. Dit doe ik voor mijn lezers die net als ik in muziektheorie en muziekgeschiedenis zijn geïnteresseerd.

Vervolgens gaat hij van de eerste vorm van muzische kunsten – dat wil zeggen de dichtkunst -over op de volgende muzische kunsten, die hij in drie aspecten verdeelt. In de eerste plaats is er de tong, die de musici de stem noemen en die een algemeen klankbeeld geeft, waarbij de allerlaagste en de allerhoogste tonen buiten beschouwing worden gelaten. In de tweede plaats is er de harmonie die uit de zangstem voortkomt en die bestaat uit het aanhouden van een zuivere samenklank in de klankmodulaties van een hoge, lage en middenstem. Zo zijn er vier soorten stemmen: laag, hoog, half hoog en half laag. Bovendien is er sprake van vier verhoudingen. De dupla is twee staat tot een, de sesquialtera is drie staat tot twee, de sesquitertia is vier staat tot drie en desesquioctava is negen staat tot acht. De samenklank van het octaaf volgt de dupla-verhouding, die van de quint de sesquialtera, die van de kwart de sesquitertia en de gehele toonsafstand de sesquioctava. Maar daarover elders meer. Ten derde is er het ritme, dat een ordening inhoudt van bewegingen tijd, zoals uit het tweede boek van de Wetten blijkt. Wanneer je de zangstemmen in een bepaalde harmonische verhouding hebt gebracht, ontstaat er de behoefte aan ritme, waardoor het mogelijk wordt de beweging en de tijd van hoge, lage en middenstemmen te onderscheiden, zowel afzonderlijk als onder elkaar. Onder beweging vallen zachte, heftige en rustige bewegingen. De tijd onderscheidt zich in lang, kort en neutraal door middel van lange, korte of neutrale accenten. Zie hierbij hoe de basis gevormd wordt door verschillende begrippen, want de behoefte bepaalt de betekenis. Zo krijgen we vanuit een fundament een grondslag, vanuit grondslag gewicht, vanuit gewicht vooruitgang en vanuit vooruitgang een eindpunt. Vervolgens moeten we de vormen van de negen meest voorkomende consonanten en dissonanten beschouwen. Allereerst is er het consonante in de rede dat een voorstelling is die overeenstemt met de waarheid zelf van een ding. De dissonant hiervan is de valse voorstelling, die juist niet overeenstemt met de waarheid. Ten tweede is er het consonante in de verbeeldingskracht dat het gevolg is van de werking van de rede. De dissonant hiervan is het gevolg van invloeden van buiten af. Ten derde is er het consonante in het gevoel als gevolg van de aan maat gebonden rede, terwijl de dissonant een ongebreidelde verbeeldingskracht is. Ten vierde is er het consonante in goed taalgebruik, terwijl de dissonant slecht taalgebruik is, afhankelijk van een goed gebruik van de rede dan wel een chaotische verbeelding. Ten vijfde is er het consonante in de zang, dat bestaat uit het goed weergeven van een tekst, terwijl door de dissonant ervan een tekst slecht wordt weergegeven. Ten zesde zijn er het consonante en de dissonant in de slaap waarin een gezang wordt nagebootst. Ten zevende is er het consonante in de bevallige dans, terwijl de dissonant ervan de onbevalligheid voortbrengt. Ten achtste is er het consonante in de onderlinge samenhang van alle onderdelen van het lichaam, dat mooi is om te zien en alertheid aan den dag legt bij gymnastiek. Ten negende bestaat het consonante in allerlei vormen van kunst; het bestaat uit verhoudingen die in de muziek zijn terug te vinden. Deze negen vormen zijn een verwijzing naar de negen Muzen. Bedenk dat de beste harmonie voortkomt uit een door maat geleide geest. Die harmonie wordt vervolgens nagebootst en door herhaling vermenigvuldigd. Daarom beveelt Plato ons aan ons voortdurend te oefenen in het luisteren en kijken naar het consonante in de dingen, waardoor de geest standvastig wordt in plaats van hoogmoedig of geïrriteerd of behaagziek. Ook wordt de geest door het zoeken naar het consonante vastberaden gemaakt, niet gebroken door pijn of smart noch verward door medelijden of klagend door gebrek. Plato raadt ons dus een serieuze en standvastige levenshouding aan, waarbij hij uitersten afwijst, dat wil zeggen alles wat de geest opjaagt of week maakt. Ook veroordeelt hij een versnippering in verscheidenheid; in plaats daarvan prijst hij bovenal de eenvoud. Hij is van mening dat harmonie bovenal in de ziel aanwezig is. Het is alsof de ziel een bepaalde goddelijke harmonie is, en om het op Platonische manier te zeggen: ze is van nature bekend met de klank van een hemelse harmonie. Het lichaam bestaat evenzo uit een bepaalde harmonie en ook de geest. Bovendien veroorzaakt de fijne en subtiele samenklank van stemmen een beweging die doordringt in de fijnere delen van de geest. Hierdoor wordt de zanger geroerd en ook de ziel wordt meegenomen, waardoor het gemoed van de toehoorder geraakt wordt. Zo raakt de ene ziel de andere en langzamerhand wordt de mens gevuld met een gevoel voor maat. Let ook op hoe Plato vorm geeft aan de gemeenschap, niet alleen met burgerlijke regels, maar ook met godsdienstige regels, en hoe hij altijd een gevoel van maat met moed gepaard laat gaan, zoals hij uitvoerig in de dialoog De Staatsman uitlegt. Besef ook hoezeer hij seksueel genot als een dissonant beschouwt en het volledig loskoppelt van legitieme uitingen van liefde die altijd op schoonheid en harmonie zijn gericht. Hij legt een grote nadruk op het beoefenen van muziek en gymnastiek, want die zijn van doorslaggevende betekenis, omdat iedereen ermee in aanraking komt. Muziek versterkt en geeft vorm aan de ziel en aan de geest, terwijl gymnastiek het lichaam vorm geeft dank zij de kracht van de geest. Een goede ziel komt immers niet voort uit een goed lichaam, maar een goed lichaam komt voort uit een goede ziel. Bovendien zegt hij dat eenvoudige muziek de gezondheid van de ziel zeer ten goede komt, zoals een eenvoudige levenswijze het lichaam gezond maakt. Maar muziek met een ingewikkeld klankbeeld is zowel voor lichaam als voor geest schadelijk. Zolang de mensen sober leven, hebben zij niet de hulp nodig van artsen en van medicijnen. Plato verfoeit alle mogelijke vormen van bijgeloof met betrekking tot de zorg voor het lichaam en ten aanzien van het gebruik van vele verschillende geneesmiddelen. De voortdurende behoefte aan de zorg van artsen en juristen is volgens Plato het bewijs van een slecht functionerende gemeenschap. Hij beschrijft de functie van de arts en van de rechter. Als rechter kiest hij iemand uit die een goed verstand heeft, die bezonnen is en die een zekere leeftijd heeft bereikt. Hij zal bovendien beschikken over een grote dosis menselijke ervaring zowel in goede als in slechte zaken. (enz.)

Geplaatst in filosofie, Geschiedenis, maatschappij, muziek | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

De basis van het Italiaans en het afschaffen van het Nederlands

Waarom spreken de mensen in Italië niet Frans?  Het had zomaar gekund. In de elfde en twaalfde eeuw sprak men aan het hof van Palermo Frans. De andere talen in het koninkrijk Sicilië, dat zich uitstrekte in Zuid-Italië tot voorbij Napels,  waren Arabisch, Grieks en een allegaartje van Italiaanse dialecten.

De afgelopen week werd bekend dat de Vrije Universiteit Amsterdam gaat stoppen met de opleiding Nederlandse taal en letterkunde. Emeritus hoogleraar van de Universiteit van Amsterdam Marita Mathijsen schreef er een verhaal over dat ik van harte kan aanbevelen:

https://maritamathijsen.wordpress.com/2019/02/28/waarom-juist-de-vu-zich-diep-moet-schamen/

Ik probeer me voor te stellen of zo iets in Frankrijk of Duitsland mogelijk zou kunnen zijn. Het vak Duitse taal- en letterkunde afschaffen op de universiteit van Berlijn… Op dit moment lees ik een boek geschreven door Ernst Kantorowicz over Kaiser Friedrich II. (Nee niet de Pruisische koning uit de achttiende eeuw, maar de Rooms-Duitse keizer uit de dertiende eeuw).

kantorowiczKantorowicz studeerde economie in Berlijn, en later Arabisch, Islamitische cultuur, algemene geschiedenis en geografie in Heidelberg. Het boek over keizer Frederik II is geschreven in 1927, in nauwe samenspraak met de toen zeer bekende Duitse schrijver Stefan George over wie ik al een keer eerder schreef.  Het resultaat was een boek met een poëtische taal, en zonder voetnoten. Onmiddellijk werd het boek om die reden door vakgenoten verketterd. Het zou te onwetenschappelijk zijn. Dat liet Kantorowicz zich niet zeggen, hij schreef in 1931 een tweede omvangrijk boek, met uitsluitend citaten en bronnen, als aanvulling op het echte boek. In 1938 is hij als jood gevlucht naar Amerika en daar aangesteld aan de universiteit van Berkeley. In 1949 weigerde hij  de anticommunistische loyaliteits-eed aldaar te tekenen.  Hij had geen enkele communistische sympathie maar was een principieel man en voelde de beklemmende  overeenkomst met de verordeningen die er in Nazi-Duitsland waren geweest.  Naar aanleiding daarvan vertrok hij naar Princeton, waar hij een nieuwe aanstelling kreeg. Vlak voor zijn dood in 1963 wilde men het boek “Kaiser Friedrich der Zweite” een herdruk geven en men vroeg hem om toestemming. Hij heeft daar over getwijfeld omdat er inmiddels nog meer bronnen beschikbaar waren uit die tijd en het boek dus eigenlijk een aanvulling behoefde. Maar ook twijfelde hij of de poëtische stijl van zijn boek, onder invloed van Stefan George, nog wel paste in die tijd. Na enig aandringen stemde hij toch toe. Het boek is in 1964, 1985 en 1991 vrijwel integraal herdrukt. 649 pagina’s, klein lettertype, geschreven in een enigszins archaïsch maar ook poëtisch Duits. Tegelijk getuigende van een grote wetenschappelijk kennis. En eigenlijk moet je ook nog eens een enorme kennis hebben van de wereldliteratuur om alles wat er in dit boek staat op waarde te kunnen schatten. Hij kent duidelijk bijvoorbeeld heel goed meerdere werken van Dante. Maar ook is hij zeer goed op de hoogte van latere renaissance schrijvers, of van schrijvers uit de achttiende en negentiende eeuw. Ik kocht het boek omdat ik meer wilde weten over de tijd van keizer Frederik II. En daar weet ik nu ook veel meer over en ik hoop al verder lezende nog veel meer te weten te komen.  Ik zal er in een later blog zeker op terug komen. Maar ik weet ook meer over de Duitse taal, en vooral over de Duitse taal van begin twintigste eeuw. Gewoon door het boek te lezen. Prachtige volzinnen, bijzinnen, vol met mooie klanken. Wat een rijkdom! In 1990 is er over deze schrijver een biografie verschenen, in het Frans! De schrijver is Alain Boureau.  Gelukkig is deze biografie al snel ook in het Duits vertaald. Dat lees ik veel makkelijker. Die schaf ik misschien ook nog eens aan.

Ik citeer nu een fragment uit het boek van Kantorowicz, waarin verteld wordt hoe een Italiaans dialect door Frederik II tot hoftaal wordt gemaakt. (De eerste helft van pagina 300). Enige kennis vooraf is noodzakelijk: keizer Frederik II was ook koning van Sicilië, dat toen niet alleen het eiland omvatte maar ook zuid-Italië (Apulië), zo’n beetje tot aan de kerkelijke staat. Hij was van vaderskant de kleinzoon van de Rooms-Duitse keizer Barbarossa, en hij was zoon van de Rooms-Duitse keizer Hendrik II (die hij nooit gekend heeft) . Van moederskant stamde hij af van de Normandische Siciliaanse vorsten. Een van zijn maatregelen in die tijd was dat hij in het koninkrijk Sicilië huwelijken met buitenlanders verbood. Nu wilde hij de taal gaan standaardiseren.

Die Frage: wie der Kaiser wohl „auf den Gedanken gekommen sei  für seine Dichtungen provenzalischer Art den heimischen apulisch-sizilischen Dialekt zu verwenden, ist daher gleichfalls müßig: daß er Staats-und Volksgründer war, ist Erklärung genug. Von den staatsmännisch so hoch begabten Normannen wird ja sogar berichtet, sie hätten — obwohl verfrüht und verfehlt — den Versuch gemacht, in Sizilien das Französische einzuführen „gens efficiatur ut uns”, auf daß Ein Volk geschaffen werde. Und das gedachten sie durch die Sprache des Hofs zu erreichen, der sich noch um die Mitte des zwölften Jahrhunderts in der Königsburg von Palermo des Französischen bediente. Es entsprach nun ganz und gar der Art Friedrichs II, daß er, der den Schwerpunkt des Königreichs von der sprachverwirrten Insel nach dem einsprachigen Festland verlegt hatte, nicht von außen eine fremde Sprache für die höfische Dichtung und Festlichkeit hereinholte, sondern daß er wie stets aus dem vorhandenen Rohstoff selbst das Notwendige herausgriff und für seine Zwecke umprägte. Und daß er dies tat, dafür zeugt wiederum der ihn preisende Dante: „Obwohl nämlich die eingeborenen Apulier gemeinhin roh reden, so haben doch einige ihrer Erlauchten geschmeidig gesprochen, indem sie ihren Sängen höfischere Wendungen einfügten.” Durch das Glätten und Höfisch machen der ordinären Sprache hatte Friedrich ll. mit seiner Schule den gemeinen Dialekt des Landes also zu jenem volgare illustre, der festlichen Sprache des Hofs und der Dichtung erhoben, hatte das Volgare dem niederen Bereiche entrissen, die Sprache des Volks als eine selbständige anerkannt und gleichzeitig die Gemeinschaft des Volkes in sich und die mit dem Herrscher „neuer Züchtung” hergestellt. Wieweit Friedrich II. dabei zweckbewußt vorging: aus „Staats-raison” wie die Rassen- so die Spracheinheit des Königreichs herzustellen, das wäre hier gleichgültig angesichts der Tatsache selbst, daß er zwar nicht Sprachschöpfer Italiens wurde — der war Dante — wohl aber Italiens wichtigster Sprachbereiter. Und auch eine solche Wirkung ist in Verbindung mit einem Weltkaisertum vollkommen einzigartig in der abendländischen Geschichte: selbst unter kleineren Monarchen findet sich kaum ein entsprechender Vorgang.

In een vrije vertaling:

Hoe kwam de keizer in godsnaam op het idee om voor zijn provinciaalse gedichten het Apulisch-Siciliaanse dialect te gebruiken: een afdoende verklaring is dat hij de stichter van een staat en van een volk was. Van de op staatsgebied zo begaafde Noormannen wordt  bericht dat ze, hoewel te vroeg en tevergeefs, een poging hadden gedaan om in Sicilië het Frans in te voeren. ‘Gens efficiatur ut uns’, opdat het volk tot een eenheid wordt. En dat dachten ze te bereiken door de taal aan het hof vast te leggen, waar men in het midden van de twaalfde eeuw nog Frans sprak. Geheel volgens zijn aard verlegde de keizer het zwaartepunt van het koninkrijk van het veeltalige eiland naar het meer eentalige vasteland, en ook past het in zijn aard dat hij niet een taal van ver weg ging invoeren maar keek naar wat er al was en dat voor zijn doeleinden ging gebruiken. En dat hij dat inderdaad deed, daarvan getuigt de hem prijzende Dante: ‘hoewel de geboren en getogen Apuliërs in het algemeen een ruwe taal bezigen, zijn er enkele doorluchtigheden die de taal heel soepel spreken door in hun gezangen hoofse wendingen in te lassen.’ Door het glad strijken en hoofs maken van de volkstaal had Frederik II het gangbare dialect van het land omgetoverd tot een “Volgare Illustre”, had het opgetild tot hoftaal en de taal die bij feestelijke gelegenheden werd gebezigd, had de taal verheven uit zijn lage stand, had de spraak van het volk als een zelfstandige taal erkend en daardoor het volk tot een gemeenschap, een “nieuwe kweek” gemaakt. In hoeverre hij daar doelbewust  op uit was, vanuit een soort “Staats-raison”, om te komen tot zowel een soort rassengelijkheid als een taalgelijkheid is eigenlijk niet eens zo belangrijk. Hij werd dan wel niet de schepper van het Italiaans, die eer komt aan Dante toe, maar hij was wel de belangrijkste wegbereider voor het Italiaans als eenheidstaal. Dat is in relatie met een keizerfunctie geheel uniek in de geschiedenis van het westen. Zelfs bij een kleine monarch zal je nauwelijks een dergelijk voorbeeld aantreffen.

Hier lezen we kortweg dat de hoogstaande Normandische voorgangers van de keizer als koningen van Sicilië, van het Frans de hoftaal hadden gemaakt.  En ze hadden eigenlijk gewild dat deze taal ook door iedereen gesproken werd. Maar er waren veel talen op het eiland door de grote populatie Arabieren, Grieken en mensen die verscheidene Italiaanse dialecten spraken. Frederik II deed een nieuwe poging. Hij schafte het Frans aan het hof af en maakte een van de meest voorkomende Italiaanse dialecten niet alleen tot de hoftaal, maar ook tot de taal van de poëzie. Ook hij zelf ging verzen schrijven in deze taal. Hij koos voor het Italiaans van het vasteland  (Apulië) omdat op het eiland de spraak te verschillend was. Hiermee bereidde hij de weg voor renaissancedichters als Dante. (De taal uit Florence van Dante en Petrarca werd zo sterk door velen nagevolgd dat hierdoor onbedoeld “het Italiaans” ontstond.) Even verder op in het boek lezen we overigens dat bij het schrijven van actes, net als in de rest van Europa, nog lang het Latijn in gebruik bleef.

Behalve de inhoud van dit fragment, dat naar mijn idee hoogst belangwekkend is (nog voor de tijd van Petrarca en Dante werd een begin gemaakt met het standaardiseren van de Italiaanse taal), wil ik ook nog enkele dingen zeggen over de Duitse taal van Kantorowicz. Zijn omgang in die tijd met Stefan George, een man die uitsluitend poëzie heeft geschreven en gedichten vanuit het Italiaans (Dante), Engels (Shakespeare), Frans (Baudelaire) en Nederlands (Albert Verwey) in poëtisch Duits wist om te zetten, zal zeker van invloed zijn geweest. Woorden als “sprachverwirrten Insel“, “staatsmännisch“, “verfrüht und verfehlt” hebben niet alleen een bepaalde betekenis, maar ook een mooie klank en assonantie of alliteratie. Het boek is daardoor niet alleen inhoudelijk interessant en erudiet, maar ook in literair opzicht de moeite waard.

Keizer Frederik, die zes talen sprak, ging verzen schrijven in zijn geboortetaal, het Italiaans. In Nederland schrijven popzangers vrijwel uitsluitend in het Engels. Zoals ook de reclamewereld zichzelf overschreeuwt met Engelse termen. Als je je eigen taal veronachtzaamt ben je hip. De universiteiten kunnen niet achterblijven, weg met het Nederlands, ook zij willen hip zijn. En de taal Nederlands studeren? Waanzin, waarom zou je. Wie heeft er nog interesse in een Lodewijk van Deyssel of een Bilderdijk, een Hadewich of een Constantijn Huijgens? Wij houden er van om krakkemikkig Engels te spreken en te schrijven. Om Nederlands te studeren moet je naar Duitsland. Daar wordt dat vak nog gegeven. In Oldenburg (Saksen) bijvoorbeeld kun je Niederlandistik studeren. Of aan de universiteit van Keulen. Of ga eens naar de stadsbibliotheek van Wenen. Daar vind je honderden Nederlandstalige boeken. Literatuur. Echt waar!

boekErnst Kantorowicz. Kaiser Friedrich der zweite. Greif-Bücher.  Klett-Cotta, 1991 ISBN 3-608-95807-X

 

Geplaatst in Geschiedenis, taal | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

De natuurfilm

Terwijl ik dit schrijf luister ik naar het programma “Tussen hemel en aarde” op radio 4. In  dit programma hoor je vooral liturgische muziek. Gregoriaanse muziek en muziek van Bach zijn altijd vaste prik. Terecht naar mijn overtuiging. Wat je ook veel hoort in dat programma, zoals ook deze week, is muziek van Arvo Pärt.  Liturgische muziek dient volgens deze programmamakers niet hard te zijn, of zeker niet moeilijk. Je zult nooit een deel uit de Missa Solemnis van Beethoven horen bijvoorbeeld . Nu hoor ik op dit moment makkelijke, maar “harde” muziek van Poulenc tot mijn verbazing. Ik vind het al luisterende vreselijke muziek, niet omdat hij “hard is” maar omdat de tekst slecht wordt behandeld. Er wordt op geen enkele manier rekening gehouden met de natuurlijke accenten. En de muziek wordt na het harde begin stilaan zoetsappig en kitscherig. Sorry voor de liefhebbers.. Smaken verschillen zullen we maar zeggen. Zoetsappig kan altijd in dit programma. Pärt doet het daarom altijd goed. De vroege werken van deze componist zullen trouwens ook nooit op het programma staan. Dat zijn namelijk veel spannender muziekstukken met tegelijk veel power.

Gisteren keek ik naar een natuurprogramma op Geographic Channel. Ik stoorde me aan de muziek, die op een quasi dramatische manier de beelden moest ondersteunen. Zonder die muziek was het best een aardig programma in mijn ogen.  Maar helaas, mijn oren vonden de combinatie maar niks. Om dezelfde reden heb ik vaak een hekel aan Amerikaanse speelfilms. De gelikte achtergrondmuziek die je dan bijna altijd hoort stoort me mateloos.

Als ik zelf een natuurfilmpje heb opgenomen dan zet ik daar het liefst geen muziek bij maar houd ik het bij de natuurgeluiden. Die spreken voor zich. Soms maak ik een filmpje op basis van foto’s, een soort bewegende diavoorstelling. De bijpassende natuurgeluiden ontbreken dan. Dan toch maar muziek? En welke? Ik heb dit al diverse keren gedaan, onder meer op basis van eigen composities. Die waren er niet voor gecomponeerd maar ik had ze al. Toch bleken modern klassieke stukken vaak wonderwel te werken bij natuuropnames.

Nu heb ik muziek van Boulez gezet bij een diafilmpje dat ik onlangs maakte in Oostvoorne. Boulez componeerde altijd bijna abstract, enigszins emotieloos voor zover dat überhaupt mogelijk is. Als je hiernaar luistert kun je dat op meerdere manieren doen. Je kunt proberen vat te krijgen op vorm en textuur. Dat lukt als je er vaker naar luistert en je je er voor open stelt. Je hersens zijn dan uiterst geconcentreerd en actief bezig. Maar je kunt de muziek ook als een organisch geheel over je heen laten komen en onbewust besef je dan dat de muziek logisch in elkaar zit, maar toch ook onverwacht en grillig is. De muziek is dan als de natuur. Misschien is dat de reden dat ik deze combinatie met mijn natuurfilmpje best geslaagd vind. Het tweede korte filmpje is een echte film met uitsluitend de originele natuurgeluiden, diezelfde dag gemaakt.

 

Geplaatst in Film, muziek, natuur | Tags: , , , , | 6 reacties

Bauhaus

De eerste helft van de twintigste eeuw was een roerige tijd: je had maar liefst twee wereldoorlogen en er was natuurlijk de Russische revolutie en de Spaanse burgeroorlog. Maar ook in de wereld van de kunst was er van alles aan de hand. In Spanje noemen ze de tijd vanaf de wereldtentoonstelling van 1888 in Barcelona de tijd van het  Modernismo. In plaats van historiserende of eclectische stijlen werd er op een nieuwe manier gebouwd en kunst gemaakt. In Frankrijk begint de Art Nouveau, in Wenen de Jugendstil. De mensen willen de wereld verbeteren, zie mijn artikel over het Beethovenfries in Wenen. Tot aan de eerste wereldoorlog zien we een stormachtige beweging van “nog verder willen, de kunst helemaal  willen vernieuwen”. Het is de tijd van de “ismes”. Laten we de lijst van stromingen die dan ontstaat voor het gemak maar beperken tot die van het kubisme en die van het  expressionisme. Dan volgt de koude douche van de eerste wereldoorlog.

Met name in Duitsland wil men daarna de draad weer positief oppakken. Zelfs de staat doet mee. Het Bauhaus, gesteund door een regering van linkse partijen wordt in 1919 opgericht in Weimar. Als opvolger van een school voor kunst en een school voor toegepaste kunst. Grote voorman en idealist is de architect Walter Gropius, op dat moment nog getrouwd met Alma Mahler, weduwe van Gustav Mahler. Hoewel er in de hele opzet linkse, soms zelfs communistische sympathieën doorklinken, wenst Gropius dat alle kunststudenten en docenten zich niet met politiek bemoeien. Het Bauhaus gaat zich daarentegen wel bezig houden met de mens zelf, niet alleen met het vak. Iedereen moet loskomen van conventies.

Onderstaande richtlijn voor het vormonderwijs, zoals die door Piet Zwart in de kunstnijverheidsschool in Amsterdam zo’n 10 jaar later wordt geformuleerd, geeft ook belangrijke aspecten van de filosofie aan het Bauhaus weer:

schema-voor-vormonderwijs

De negatieve pool van vormontwikkeling kan zijn dat ze zich richt op de verbeeldingloze, historiserende en passieve geest, die voortkomt uit een burgerlijke levenshouding. En bij cultuurgeschiedenis kan een analyse van vroegere kunstwerken zin hebben als je daardoor inzicht krijgt in de maatschappelijke verhoudingen van die tijd (lees: de invloed van de kerk, van de adel, van de rijke burgerij).

Johannes  Itten, een van de belangrijkste eerste docenten van het Bauhaus, was vegetariër en liep in witte gewaden rond. De vorming van de mens vond hij belangrijker nog dan het leren van technieken. Op een gegeven moment dreigde hij zo ver af te zweven van de ideeën van Gropius dat het tot een conflict kwam en hij ontslag nam. Daarna werd het onderwijs langzaam aan wat meer technisch en nog iets later ook sterk gericht op de buitenwereld: Bauhaus ging kunst verkopen en huizen bouwen. Er  was een atelier voor schilders, beeldhouwers, houtbewerkers, wevers en textielbewerkers. Ook de wereld van grafische vormgeving voor reclame, fotografie, film kwam er bij. Maar ook muziek en dans kregen aandacht. ’s Avonds werd er regelmatig iets opgevoerd en er werden nieuwe vormen van theater ontwikkeld. Kortom er was een enorme boost van levensenergie en het werken aan een positieve toekomst.

In Nederland was in die tijd de groep van de Stijl geboren. Een van de voornaamste vertegenwoordigers, Theo van Doesburg, vertrok voor twee jaar naar Weimar en had veel invloed op het denken daar. De vormenleer zoals Klee en Kandinsky die gingen geven aan het Bauhaus zijn daar een voorbeeld van.

Als je de tentoonstelling “Nederland-Bauhaus” in Boijmans van Beuningen bezoekt wordt je eerst geconfronteerd met enkele basisideeën zoals ze in de propedeuse van de opleiding werden gegeven. Je mag nadenken over vormen, kleuren en de combinatie daarvan en ook zelf enkele dingen uitproberen. Daarna wordt je meegenomen, al ronddwalende, in alle fases die het Bauhaus doorlopen heeft. Je ziet allerlei kunstobjecten als serviesgoed, meubels, gordijnen maar ook zie je pamfletten, lesroosters of foto’s . Ook kom je van alles te weten over de kunstinstituten die invloed hadden op, of die juist werden beïnvloed door de ideeën van het Bauhaus.  Zoals het instituut voor kunstnijverheid in Amsterdam. Je voelt de energie van die tijd door al die documentatie en objecten op je afkomen.

Ik laat slechts twee dingen van deze tentoonstelling zien.

Gelbe Mitte uit 1926 van Wassily Kandinsky.

kandinsky-gelbe-mitte

Pas in 1927 komt er een afdeling “vrije kunst” aan het Bauhaus Inmiddels gevestigd in Dessau). Dit tot grote opluchting van Klee en Kandinsky, die de formele opleiding te beklemmend vonden. De studenten leerden vooral techniek, maar de expressie was tot die tijd erg gericht, met opdrachten als: “hoe kun je spanning creëren die een somber effect heeft met groen, paars, geel , driehoeken en cirkels.“ Misschien is het kunstobject dat je hier ziet daar een voorbeeld van. Het heet “Gelbe Mitte” en wellicht gaat het hier vooral over de werking van de kleur geel in het midden van een schilderij.  Maar het gericht zijn naar het centrum wordt niet alleen door de kleur veroorzaakt maar ook door de beweging die uitgaat van de rechthoeken en gebogen vormen, met name rechts boven in het schilderij. Ook de kleuren blauw en rood hebben een functie in de compositie. Bruin en zwart springen er uit en geven wat hardere accenten.

Piet Zwart, docent aan de kunstnijverheidsschool van Amsterdam,  maakte in 1932 samen met Dick Elffers papieren poppetjes als basis voor illustraties voor een boek van de PTT. Ik vond ze erg geestig. Poppetjes en kostuums maakten ze ook in het Bauhaus. Oskar Schlemmer was daar onder meer mee bezig.

poppetjes

Naar aanleiding van de tentoonstelling heb ik veel gedachten. Ik moest bijvoorbeeld denken aan Arnold Schönberg die bevriend was met Kandinsky. Ook hij was idealist. Hij leidde zangkoren van arbeiders. Hij wilde muzikale werkingen in essentie doorgronden. Zijn leerlingen liet hij vrij. Hij gaf ze alleen les in klassieke technieken. Ik moest ook denken aan de jaren in Rusland vlak na de revolutie. Pas in 1932 wordt door Stalin avant-garde kunst verboden, tot die tijd is er ook in Rusland korte tijd nog het ideaal dat zelfs abstracte kunst de arbeiders kan optillen tot grotere hoogtes. Ik probeer de tijdgeest te doorvoelen. Maar:  in 1932 de stalen hand van Stalin, in 1933 de opruiende hand van Hitler. Baf. Dat betekent onmiddellijk het einde van het Bauhaus. Hoewel de invloed blijft. In Nederland bijvoorbeeld. En uiteindelijk ook in Amerika, als mensen als Gropius na hun vlucht voor de nazi’s zich daar vestigen en er zelfs een universitaire aanstelling krijgen.

De tentoonstelling “Nederland-Bauhaus” loopt nog tot  en met 26 mei 2019. Daarna gaat het museum voor veel jaren dicht door renovatie en nieuwbouw. Men is al bezig, veel ruimtes zijn al dicht. Maar hoogtepunten van de vaste collectie zijn gelukkig nog steeds in het museum te zien. Het grootste deel van de vaste collectie zal daarna grotendeels te zien blijven, verspreid over een aantal instellingen in Rotterdam.

 

 

Geplaatst in kunst, maatschappij, recensie | Tags: , , , , , | 1 reactie

Jan Huijgen

Naast ons huis hebben we een zandstrandje. Heerlijk om daar dezer dagen met onze kleinkinderen in het zand te spelen. Door de vroeggeboorte van onze inmiddels vijfjarige kleinzoon heeft hij nog steeds enkele problemen, vooral met zijn spierspanning. Zelf graven in het zand met zijn handen is een simpele truc om de handspieren te trainen en het is ook nog eens leuk. Afgelopen dinsdag hebben we grachten gegraven en met stukjes droog riet bruggetjes gemaakt. Woensdag hadden we een emmertje bij ons. Ik begon spontaan daarmee een zandkasteel te maken welk mijn jongste kleinzoon van drie jaar van een poort voorzag die hij er in ging uitgraven. De instorting is ook leuk om te bestuderen en: hoe valt het zaakje daarna nog te renoveren? Hij houdt van dit soort ontdekkingen en uitvindingen.
– ‘Ik heb een idee!’
Hij kijkt om zich heen en verzint dan iets dat al dan niet tot een oplossing leidt.

Dat wilde mijn oudste kleinzoon ook wel, zandkastelen maken met een emmertje. Het bleek dat het met droog zand niet lukte dus wat dieper graven naar nat zand. De triomf dat het toen wel lukte!

– ‘ Hier woont koning Ptolemaeus!’
Ik keek hem verwonderd aan. Dat hij die naam nog kende. In een van zijn favoriete astronomieboeken staat een hoofdstuk over de geschiedenis van de astronomie en het begint bij Ptolemaeus. Hij ziet er zo deftig uit dat ik, toen hij nog geen twee jaar oud was, van deze meneer een koning maakte. Me niet realiserende dat Ptolemaeus ooit voor hem een koning zou worden die uiteraard in een kasteel leeft. Inmiddels heeft hij veel meer astronomieboeken en eigenlijk heeft hij dat oude en ook enigszins verouderde boek uit de tachtiger jaren van de vorige eeuw al lang niet meer onder ogen gehad. Maar hij weet het nog precies. Het volgende zandkasteel was klaar.
– ‘Hier woont Copernicus!’ Hierna volgde:
– ‘Hier woont Galileo Galilei. Is Galileo zijn voornaam en Galilei zijn achternaam opa?’
Het vierde kasteel was klaar.
– ‘Hoe heet die meneer ook al weer die op een mevrouw lijkt?’
Ik moest diep nadenken.
– ‘Ticho Brahé?’
– ‘Ja Ticho Brahé, die bedoel ik.’

kastelen geleerden Het vijfde zandkasteel.
– ‘Hier woont Jan Huijgen.’
– ‘Jan Huijgen?’ vroeg ik verwonderd.
– ‘Ja, die Titan heeft ontdekt.’
– ‘O je bedoelt Christiaen Huijgens.
– ‘ Ja. Christiaen Huijgens.’

Thuis bij zijn ouders ging hij verder fantaseren. Een van zijn lego-poppetjes werd omgedoopt tot Christiaen Huijgens.

hofwijckMaar: gisteren samen met zijn broertje gingen we het echte kasteel van Christiaen Huijgens bezoeken: Hofwijck.  Met de trein kon je daar komen, en vanuit station Voorburg kon je het al zien liggen. Daar zagen we onder meer een van de telescopen van Christiaen Huijgens. Waarmee hij als eerste de ringen van Saturnus en zijn  grootste maan Titan ontdekte.

Zijn jongste zusje van twee zong gisteravond: ‘Jan Huijgen in de ton, met een hoepeltje erom, Jan Huijgen, Jan Huijgen..  ‘ Mijn  oudste kleinzoon vertelde me dat hij weer een keer naar het kasteel van Christiaen Huijgens wilde. En ook weer een keer naar Artis. En nog eens naar Madurodam. En naar tante Nellie.

Geplaatst in Astronomie, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , | 2 reacties

Drie spannende sterren uit het sterrenbeeld schorpioen

Aan de ochtendhemel kun je op dit moment drie heldere sterren zien van het sterrenbeeld schorpioen. Het gaat om de sterren Alpha, Beta en Delta Scorpi. De helderste, Alpha, is de rode reus Antares. Stel dat je Antares op de plek van onze zon zou zetten, dan zou zijn middellijn de baan van de planeet Jupiter omvatten, dus de planeten Mercurius, Venus, Aarde, Mars en Jupiter zouden worden opgeslokt door deze reus. De atmosfeer van Antares is daarentegen zeer ijl, de hete gaswolk is veel dunner in zijn samenstelling dan die van onze zon. Antares vormt samen met een tweede veel kleinere ster een dubbelster.
Antares is eigenlijk een afkorting van Ant-Ares, tegenpool van Ares, de Griekse naam van de oorlogsgod Mars. Antares is zoals gezegd een rode superster, die rode kleur heeft ook de planeet Mars. De beet van de schorpioen is venijnig…

Een andere ster van Schorpioen die je goed kunt zien is Delta Scorpi, met de mooie bijnaam Dschubba. Met deze ster is iets bijzonders aan de hand. Vanaf 2000 is hij  opeens een stuk helderder geworden. Het blijkt dat er in dat jaar plotseling grote gas-uitbarstingen waren op de ster. Bij onderzoek bleek dat hij een van zijn maatjes te dicht genaderd was: de ster is namelijk onderdeel van een viertallig stelsel, vier sterren die op een complexe en daardoor dus best wel gevaarlijke manier om elkaar heen draaien. Deze gas-explosies hebben maar liefst vijf jaar geduurd . Dschubba is inmiddels al weer wat minder helder geworden maar nog steeds beter te zien dan in de jaren voor 2000.

Tot slot hebben we nog Beta scorpi, Graffias, ook een dubbelster, die in slechts zes dagen samen met zijn partner een rondje draait.

Al deze sterren kun je dezer dagen laag aan de ZZO hemel zien zo rond half zeven. Deze foto maakte ik vanochtend om 6:40 uur. Links zie je Jupiter. Onder aan de foto heb ik een afbeelding geplakt die je laat zien waar deze sterren van schorpioen staan. De “partners” van deze twee dubbelsterren of van de vierdubbelster Dschubba kun je overigens alleen met sterke telescopen zien.

ochtendhemel-schorpioen

Verder is op de vroege ochtend ook Venus nog steeds goed te zien, heel laag in het ZO. En wat was er ook een mooie sfeer in het water van de Lek.

venus-lekeenden-lek

Ik maakte ook een close-up opname van de afnemende maan. In deze fase kun je met een verrekijker of telelens prachtig een aantal kraters zien

maan

 

 

Geplaatst in Astronomie, natuur | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen