Romaans beeldhouwwerk in Keulen

Keulen heeft veel Romaanse kerken. Ik ken eigenlijk geen enkele plaats waar er meer te zien zijn. De Romaanse periode loopt globaal van 900 tot 1200, en in sommige steden kun je nog enkele decennia daar bij trekken. In die tijd zijn in Keulen heel wat kerken gebouwd en daarvan zijn er nog veel overgebleven, maar liefst twaalf! Je moet je wel realiseren dat deze stad zwaar te lijden heeft gehad van bombardementen in de Tweede Wereldoorlog. Daarna is men manmoedig begonnen om ook al de getroffen kerken weer te herstellen. Veel pilaren moesten daarbij vervangen worden en heel veel kapitelen dus ook. Dat maakt dat er van het zo vaak geheimzinnige Romaanse beeldhouwwerk veel verloren is gegaan. Sommige objecten zijn in museum Schnütgen terecht gekomen, daar zag ik ze een week geleden. Maar de kerken zelf zijn goeddeels hersteld en je kunt genieten van de prachtige bouwstijl en de intieme atmosfeer die er altijd is in dat soort kerken.  Zo heeft Keulen nu nog twaalf gerestaureerde Romaanse kerken, drie bekeek ik er van binnenuit en van buitenaf: de Sint-Ceciliakerk, de Sint-Gereonskerk en de Sint-Ursulakerk. De kerk “Heilige Maria in het Capitool” bekeek ik alleen aan de buitenkant. En van de Pantaleonkerk, daarvan was alleen de narthex (het voorportaal) open. De rest van de kerk kon je een beetje zien door de tralies. Tien jaar geleden was ik er ook al eens en toen zag ik gelukkig deze kerk wel helemaal. Misschien dat ik aan enkele van deze kerken nog een keer een apart artikel ga wijden. Nu wil ik alleen wat Romaans beeldhouwwerk laten zien en het is interessant om een enkel object te vergelijken met dat van het redelijk nabijgelegen Maastricht.

Leeuw in de Sint Gereonskerk. Leeuwen hoog in de kerk kunnen meerdere functies hebben. In Zuid-Frankrijk zag ik ze in combinatie met bijvoorbeeld stier en adelaar. Dan weet je dat er een evangelist wordt voorgesteld. Hier zag ik twee leeuwen, waarvan een door mij op de foto gezet. Ik denk dat het om wachters gaat, zoals ook zo vaak bij Romeinse poorten het geval was. Ik weet ook niet of deze daar altijd gestaan hebben. Ze zijn van rond 1200. De leeuw hier onder houdt een lam vast, is dat een prooidier of staat het dier voor Christus? Het gaat om verguld beeldhouwwerk, nu vernieuwd, maar er waren nog resten van het origineel aanwezig.

Deel van een van de portalen van de Ceciliakerk waar nu museum Schnütgen in is gevestigd. Cecilia krijgt de martelaarskroon aangereikt door een engel boven haar, samen met haar verloofde Valerianus en diens broer Tiburtius. Wat je hier ziet is een replica, in het museum bevindt zich het origineel.

Fragmenten van een onbekend portaal, misschien van de voormalige Catharinakerk? Eerst twee roofvogels tussen slingerende stengels.

Wat hier niet allemaal tussen die stengels zit! Onder meer een mensenhoofd en de koppen van twee dieren. Heel opvallend: alle koppen erg dicht bij elkaar.

Een man met de poten van een roofvogel (voorkant) en de achterkant lijk wel een bok. Met zijn achterpoten leunt hij als met een soort armen op zijn eigen rug.

Een soort tijger met een veel te grote, vreemde kop

Kapiteel uit de voormalige Catharinakerk van de Duitse orde. Twee grote vogels met de kop van een katachtige

Nog enkele kapitelen van onbekende herkomst. De eerste is een Blemmyes, een man zonder romp, terwijl hij twee vogels vasthoudt. Of afweert? Doet denken aan de Blemmyes die je in de Servaaskerk van Maastricht kunt zien, zie iets lager en het artikel over de kapitelen van de Servaaskerk

Blemmyes Maastricht. Om hem heen staan twee geklede mannen met hondenkoppen, zogenaamde Cynocephali, die de Blemmyes in zijn arm bijten.

Twee vriendelijke leeuwtjes, omgeven door grote vogels, de linker met geopende bek en vervaarlijke tanden

Mannen met wapens, maar ze lijken door grote stengels van planten geen kant uit te kunnen

Hieronder een vedelspeler, eind 12e eeuw. Herkomst onbekend

Afgezien van enkele afbeeldingen van heiligen of van bovenstaande vedelspeler zijn er dus vooral afbeeldingen te zien van mensen, dieren en monsters. Het idee is waarschijnlijk: de wereld is bevolkt door allerlei vreemde wezens en duivels waarvoor je moet oppassen. Als je een kerk binnen gaat kun je beschermd worden tegen deze gevaren.

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

De koning speelt op het carillon

Een paar weken geleden nog speelde mijn oudste kleinzoon op “zijn eigen carillon” in Bergambacht. Dat klonk zo:

Afgelopen zaterdag had hij een dubbelrol. Hij is nog steeds koning. Op de BSO had hij samen met een begeleider een kroon gemaakt. Ja, en een koningsmantel heeft hij al meer dan een half jaar. Samen met zijn vader liep deze koning door de stad, richting carillon. Elke zaterdag geeft Boudewijn Zwart een carillonconcert en er was deze week een mysterie-guest. Dat was dus de koning. De koning was dus nu ook carillonspeler.

Het eerste wat hij mocht doen was een ostinaat spelen met de noten G-D, terwijl Boudewijn daarboven een beetje improviseerde. Die ostinaat deed mijn kleinzoon uitstekend, maar hij kon het niet nalaten na elf maten om er toch ook zelf wat aan toe te voegen. Heel bewust begon hij met het regelmatig vervangen van de lage G door een andere toon. Eerst verving hij deze met een A, dan met een B, daarna met een Bes, drie keer met een As, dan weer met een Bes. En hij luisterde heel goed hoe muziekstukje afgerond zou kunnen worden. Eerst speelde hij C-D, voor de muziekkenners: een afsluiting met subdominant en dominant (IV-V), die bleef aangehouden, dan de oplossing G (I), nogmaals de dominant D (V), en de tonica met twee tonen G en D tegelijk, dit alles precies op tijd. Als toetje speelde hij nog een heel lage G met het pedaal er achter aan natuurlijk. Hé, dat klinkt mooi! Nog een paar keer. Intussen luisterde hij vol aandacht naar het mooie bel-geluid van de lage bas-g. Het leek wel een kerkklok die de uren aangaf! Ik vond het allemaal erg muzikaal, vooral ook door zijn timing, luister maar, en let dan dus op het lagere register. Ik heb in noten genoteerd wat hij in de bas speelde. De noten in rood zijn de eigen nieuwe noten, die hij heel bewust uitprobeerde:

Toen mocht hij ook alleen spelen. Het werd de Toccata in D-mineur van Bach. Normaal speelt hij die op piano of keyboard, met de basnoten en akkoorden in de linkerhand. Maar dat ging natuurlijk niet. Wil je de melodie enigszins kunnen spelen op een carillon, dan zal je dat met twee handen moeten doen. Al doende kreeg hij er enige behendigheid in. Een klein fragment van zijn solo:

Eigenlijk wou hij het stuk helemaal uit spelen maar dat mocht niet van Boudewijn. Wat goed van mijn kleinzoon dat hij dat accepteerde! En hij kreeg nog enkele wijze raadgevingen mee:

De koning ging weer naar huis en luisterde onderweg naar de mooie stukjes van de rest van het concert. Dat kunnen jullie ook doen, mits je facebook hebt.  Dan kun je namelijk via onderstaande link het hele carillonconcert terug zien en beluisteren. Het stuk waar mijn kleinzoon speelt zit al vrij snel in het begin, ongeveer op 3:50.

Carillonconcert

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: , | Een reactie plaatsen

De aanbidding van de Drie Koningen in Keulen

In de katholieke kerk worden nog steeds op veel plaatsen relieken vereerd. Het denken aan een heilige maakt dat gelovigen in een soort trance kunnen raken en zo tot een gebed komen.  Ik kan me van alles voorstellen bij een dergelijke meditatie. Als je iets weet over het leven van een heilige, en deze persoon heeft zodanig geleefd dat hij voor jou een inspiratiebron is, dan kan het denken aan die persoon een goede functie hebben. En het gevoel van zijn aanwezigheid door middel van relieken kan dat gevoel versterken. In de twaalfde eeuw werd het steeds populairder om belangrijke relieken in een kerk te hebben, dat trok pelgrims aan en pelgrims waren goed voor een klooster of stad. Maar als je er redelijkerwijs over nadenkt weet je zeker dat de meeste relieken niet echt zijn. Het begon al met Helena, de moeder van keizer Constantijn.  Een goddelijke ingeving wees haar de weg naar het kruis waaraan Christus gestorven zou zijn in Jerusalem. Ze nam dat kruis mee naar Rome en daar werd er een kerk omheen gebouwd. Ook de plaats waar het lichaam van de apostel Jacobus zou liggen werd door God aangewezen. Deze plek is nu een van de belangrijkste pelgrimsoorden van de wereld: Compostella in Noord-Spanje. Het was ook Helena die omstreeks 325 tijdens een reis door Palestina niet alleen het heilige kruis, maar ook de overblijfselen van de Drie Koningen meende te hebben gevonden, in de vorm van bot- en kledingresten. Deze relikwieën werden volgens de overlevering door keizer Constans I in 344 aan de stad Milaan geschonken.

Pas in 1158 wordt opnieuw melding gemaakt van de relikwieën. De Franse abt Robert van de abdij van Mont Saint-Michel noteerde in dat jaar dat in een kerkje nabij Milaan de lichamen van de Drie Koningen terug waren gevonden. Omdat de stad in deze periode belegerd werd door de Duitse keizer Frederik Barbarossa, werden de relikwieën binnen de stadsmuren van Milaan gebracht en in de klokkentoren van de kerk van San Giorgio al Palazzo bewaard. Na de overwinningen van Frederik Barbarossa in Lombardije, werden de resten van de Drie Koningen in 1164 door de Keulse aartsbisschop Reinald van Dassel, tevens rijkskanselier voor het Italiaanse deel van het keizerrijk en legeraanvoerder, naar Keulen overgebracht. De zeer belangrijk geachte relieken werden door de opvolger van Reinald van Dassel, aartsbisschop Filips I van Heinsberg in een zeer rijk bewerkt, verguld koperen reliekschrijn geplaatst, vervaardigd door de beroemdste edelsmid uit de middeleeuwen, Nicolaas van Verdun. Om dit grootste reliekschrijn ter wereld een waardig huis te bieden werd gestart met de bouw van een nieuwe Keulse Dom.

Zo worden tot op de dag van vandaag in Keulen in de dom deze relieken van de Drie Wijzen uit het oosten vereerd. Je kunt nu helemaal om het reliekschrijn heen lopen, althans: nu even niet vanwege de corona-maatregelen.

Hoe komen we nu op het aantal, drie wijzen, en op hun namen, Melchior, Balthasar en Caspar? De vermelding van de wijzen komt in het Nieuwe Testament alleen voor in Matteüs 2:1-12. Hun herkomst wordt niet vermeld, behalve dat ze uit het oosten kwamen. Hun aantal en hun namen worden ook niet vermeld. Er wordt verteld dat de wijzen “vanuit het oosten” naar Jeruzalem kwamen omdat zij de ster hadden zien opgaan van de pasgeboren “koning der Joden” en zij wilden hem eer bewijzen. Dit kwam koning Herodes I ter ore en hij schrok van het nieuws. Hij riep de schriftgeleerden en priesters samen om te weten te komen waar de messias geboren zou worden. Volgens de profetie was dat in Bethlehem. Daarna ontbood hij de wijzen en gaf hun de opdracht om de pasgeboren Messias in Bethlehem te gaan opzoeken. Hij zei dat hij wilde weten waar het kind was, zodat hij hem zelf ook eer kon gaan bewijzen. Volgens Matteüs zagen de wijzen, terwijl ze in Jeruzalem waren, de ster die zij hadden zien opgaan weer aan het firmament. De ster ging voor hen uit en bleef staan boven de plaats waar het kind verbleef. In dat huis vonden de wijzen Maria en de pasgeboren Jezus. Ze vielen op hun knieën en boden het kind goud, wierook en mirre aan. God waarschuwde in een droom de wijzen ten slotte niet naar Herodes terug te gaan. Ze keerden daarom langs een andere route naar hun land terug. Toen Herodes ontdekte dat hij misleid was, liet hij, afgaande op het tijdstip dat hij van de magiërs had gehoord, alle jongetjes in Bethlehem tot de leeftijd van twee jaar vermoorden (de kindermoord van Bethlehem). Jozef was echter door God gewaarschuwd en was tijdig met Maria en Jezus gevlucht naar Egypte.

Legendevorming heeft het Mattheüsverhaal uitgebreid. In het westers christendom bijvoorbeeld hebben zich een reeks tradities rond de wijzen uit het oosten ontwikkeld die geen basis hebben in het Bijbelse verhaal. Mattheüs noemt het aantal niet, maar volgens de traditie zijn er Drie Wijzen. Dit getal van drie werd wellicht vastgesteld aan de hand van het aantal geschenken dat ze meebrachten. In veel oosterse tradities zijn er niet drie maar twaalf wijzen. De koningen vertegenwoordigen daarmee de drie toen bekende werelddelen en drie leeftijden van de man. Vandaar dat je de opvallende leeftijdsverschillen ziet op de latere afbeeldingen, en ook wordt steeds de donkere Afrikaanse koning afgebeeld. Volgens de legende werden de koningen later gedoopt door Sint-Thomas. Ze zouden daarna bisschoppen zijn geworden in India. Deze legende kan teruggeleid worden tot een schrijver in de 6e eeuw die zich baseerde op apocriefe bronnen. De namen Balthasar, Melchior en Caspar dateren uit de middeleeuwen. Rond de 8e eeuw werden ze in de kroniek Excerpta latina barbari genoemd als Bithisarea, Melichior en Gathasp. In andere christelijke tradities komen weer andere namen voor. Bij de Syrische christenen bijvoorbeeld heten de Drie Wijzen Larvandad, Goesjnasap en Hormisdas. De benaming “Drie Koningen” komt al vanaf de 3e eeuw voor, waarschijnlijk als vervulling van de voorspelling in Psalmen 72:11: “Laten alle koningen zich neerwerpen voor hem”.

Als er pelgrims op bezoek komen gaan ze uiteraard naar de plek in de dom waar de driekoningenschrijn staat, maar je kunt ook in gebed verzinken op andere plekken waar hun afbeeldingen te zien zijn. We kennen de wijzen vooral van hun aanbidding van de pasgeboren Jezus. Zo zijn er in de dom meerdere afbeeldingen van dat tafereel te zien. Een van de vensters laat het zien in glas en lood. De mooiste afbeelding van de aanbidding zien we op het grote schilderij van Stefan Lochner, vooraan in een zijkapel van de kerk. In de huidige tijd zijn er meer plekken in Keulen. Museum Schnütchen heeft een prachtig middenpaneel van Meester Arnt von Kalkar in bezit, normaal te zien in de vaste collectie, nu nog even in een tentoonstelling die aan deze grootmeester is gewijd. Het hele paneel gaat over deze Drie Wijzen, met de aanbidding van Jezus als centraal gegeven. In museum Wallraf-Richartz in Keulen zag ik ook twee schilderijen met dit onderwerp. Allebei uit 1515. Het eerste is van Bartholomeüs Bruyn, het tweede van een anonieme schilder die de naam “meester van Severin” heeft gekregen. Deze vier “aanbiddingen der wijzen” laat ik in de volgorde van de chronologische datum van ontstaan hieronder zien.

Stefan Lochner leefde in dezelfde tijd als bijvoorbeeld Jan van Eijk, bovenstaand schilderij maakte hij rond 1448. Net als deze kunstenaar laat Lochner op de voorgrond gras en bloemetjes zien. Maar de plaatsing van Maria op een troon is ronduit ouderwets. Ook de gouden achtergrond is passé. Toch vind ik het een prachtig schilderij, vooral door de menselijke blik van Jezus en de koning met de gevouwen handen. Hij kijkt naar het kindje en Lochner weet in zijn blik te leggen: “Ja, ik zie het, dit is de verlosser!” Ik zag het door de coronamaatregelen dit jaar slechts vanuit de verte. Toen ik het voor de eerste keer van dichtbij zag werd ik er door ontroerd.

Detail uit een paneel van Meester Arnt von Kalkar uit 1491. Net als bij de vorige afbeelding kijkt Maria een beetje bedroefd, ze lijkt nu al te weten dat haar zoon een moeilijk leven gaat krijgen. En ook hier weer zien we hoe een van de koningen zijn handen vouwt. Een andere koning voelt aan de handen van de toekomstige verlosser, alsof hij nu al een soort relikwie voelt. De derde koning, de jonge Caspar, tilt zijn hoed omhoog als eerbetoon. Jezus lijkt in de verte te staren en aan hogere dingen te denken.

Bartholomeus Bruyn laat Melchior met de handen gevouwen naar Jezus kijken en Jezus kijkt terug. Maria is weer bedroefd, En ook hier weer staat Caspar met zijn hoed in de hand. Bij de eerste voorstelling zat Maria op een troon, het tweede tafereel speelt zich af in een grot, hier in een huis met tegels op de vloer en ja hoor: ook nu zit Maria weer op een troon. Die troon staat voor haar hemelse status maar maakt het tafereel onwerkelijk.

Nu geen gevouwen handen, maar alle drie de wijzen laten hun geschenken zien. Jezus kijkt bijna uitdrukkingsloos naar de oudste van Drie Koningen. Ook Maria kijkt deze wijze aan, weer met een enigszins bedroefde blik. Voor de eerste keer dat ze naar iemand kijkt trouwens. Alles speelt zich af in een huis met een vloer met tegels. Heel opvallend en hopeloos ouderwets: Maria zit alweer op een troon, net als bij Lochner en de Bruyn. Maar de Bruyn en de meester van Severin maakten dit schilderij wel maar liefst 67 jaar later dan Lochner, in een tijd dat alles veel meer naar de werkelijkheid werd geschilderd. Opvallend zijn de vele overeenkomsten met het vorige schilderij dat in hetzelfde jaar is gemaakt. Kijk bijvoorbeeld eens naar de troon. De koningen die contact hebben met Jezus zijn de oude Europese Melchior en de Aziatische Balthasar, ook de plaatsing van de hoofdfiguren in de ruimte is vrijwel identiek. Steeds zien we Caspar, de jonge Afrikaanse koning met de donkere huid, aan de rechterkant, en vaak ook wat verder af dan de anderen. Ik zou haast zeggen dat het om precies dezelfde kunstenaar gaat en dat zou dan in beide gevallen Bartholomeus Bruyn zijn. Op zich is het trouwens interessant om te zien dat vanaf het begin dat deze legende is opgetekend er drie koningen waren uit verschillende landen. Een neger hoefde niet altijd een dienaar of slaaf te zijn. Maar deze renaissancekunstenaars plaatsen hem toch steeds iets meer op de achtergrond waardoor je toch het gevoel van een soort rangorde krijgt. Maar ja, hij was de jongste. Er was natuurlijk ook nog een rangorde in leeftijd.

De dom van Keulen, daar valt een boek over te schrijven en dat is ook vaker al gedaan. Ik heb een tijdje vlak voor deze immens grote gotische kathedraal op een terras gezeten. Ik keek omhoog. Wat zou dat zijn, wat je daar heel hoog zag? En waarom zou dat daar te zien zijn? In de gotische tijd had alles zijn plek, en hoe hoger je kwam, hoe dichter bij God je was. Die dingen zo hoog hoef je niet te zien. Dat het er is, dat is genoeg. Zo dachten de geestelijken en dus ook de opdrachtgevers voor de bouw van de dom in die tijd. Toch wilde ik het weten. Ik zoomde met mijn camera flink in. En toen zag ik opeens onderstaande hemelse figuren: ik zag de gevleugelde aartsengel Michael die met de punt van zijn zwaard de duivel in bedwang houdt en ik zag de apostel Thomas, herkenbaar aan de winkelhaak. De kerk is groot, dus de andere apostelen zullen ook wel ergens in de hoogte zijn afgebeeld. Zij zijn heel hoog, vlak bij God. Misschien zijn de drie koningen daar ook wel.

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Arnt der Bilderschneider

Kijk hier naar een door mij gemaakte film van de tentoonstelling

Een van de beste beeldhouwers van de vijftiende eeuw was volgens mij Arnt von Kalkar, of Arnt van Zwolle zoals hij ook wordt genoemd. Waarschijnlijk opgeleid in Vlaanderen werkte hij lang in Kalkar en in Zwolle. Deze beide woonplaatsen heeft hij enkele keren verwisseld. Hij is overleden in Zwolle terwijl hij bezig was met een grote opdracht uit Kalkar.

Als je nog nooit iets gezien hebt van deze kunstenaar dan moet je nu snel naar Keulen gaan en je daar laten overtuigen van zijn vakmanschap en diepgang. Nog ruim een week is er de tentoonstelling “Arnt der Bilderschneider” te zien. Niet alles wat hij in zijn leven gemaakt heeft is daar opgesteld maar er staat wel erg veel. Hij heeft voornamelijk voor opdrachtgevers gewerkt aan geestelijke beeldhouwwerken. Die staan normaal in kerken of kloosters en ze zijn soms ook nog eens erg groot, zoals het hoogaltaar van de Nicolaikirche in Kalkar. Het retabel is helemaal door Meister Arnt ontworpen maar helaas slechts gedeeltelijk ook door hem uitgewerkt door zijn vroegtijdige overlijden. Alleen de predella, het onderstuk, is naar museum Schnütgen gehaald.

Maar niet getreurd. Het complete Sint Joris-altaar uit diezelfde kerk is naar de tentoonstelling gebracht! En er staat nog veel meer. Het fraaie is dat al de stukken nu zodanig zijn opgesteld dat je er met de neus bovenop kunt gaan staan en er dus veel meer details te zien zijn als wanneer je het op de originele plaatsen zou zien. Wat kun je er nog meer zien? Al zijn mooie beelden die hij maakte voor de kerk van Petrus Banden in Venray bijvoorbeeld. Of je kunt stukken uit Kleef, Nijmegen, of de museumstukken uit Parijs, Antwerpen en Amsterdam bewonderen.

Ik maak een keuze en beperk me tot twee stukken. Om te beginnen het middendeel van het retabel van het Sint Joris-altaar uit de Nicolaikirche dat je hier boven ziet. Deze kerk had tot en met de Franse tijd maar liefst 15 altaarretabels. Na de Franse tijd was het nodig dat ze allemaal gerestaureerd zouden worden, maar daarvoor ontbrak het geld. Men besloot om er slechts zes te behouden en de rest te verkopen. De zes die overbleven zijn inderdaad gerestaureerd en ze zijn er nog steeds te zien.  Het zijn altaarstukken die een tijdsperiode van ongeveer 200 jaar omspannen, van pakweg de tweede helft van de vijftiende tot en met de eerste helft van de zeventiende eeuw. Allemaal zijn ze van grote kwaliteit. In Kalkar kun je zo een les kunstgeschiedenis krijgen, van renaissance tot en met barok, aan de hand van deze retabels. En een van die retabels is bovenstaand Gregorius (Joris) retabel. Het is een drieluik waarbij je in gesloten toestand aan de twee geschilderde zijpanelen aan de ene kant  het gevecht van Joris met de draak kunt zien, aan de andere kant kun je zien hoe de stichter met zijn familie toekijkt. Maar in geopende toestand komt niet alleen het imposante beeldhouwwerk tevoorschijn, maar zie je ook op de zijpanelen vreemd genoeg iets dat er eigenlijk niets mee te maken heeft:  je ziet dan twee scenes uit het leven van de heilige Ursula, geschilderd door een andere kunstenaar. Ik beperk me nu tot alleen het imposante middendeel, het beeldhouwwerk van meester Arnt, over het leven van Sint Joris.

Centraal op de voorgrond zie je het gevecht met de draak. Joris zou de stad Silene bezocht hebben die door een draak werd bedreigd. De draak nam genoegen met het offer van twee schapen, later wilde hij een schaap en een kind. Het lot bepaalde welk kind er aan de beurt was. Toen viel het lot op een koningsdochter. Maar Joris bezocht de koning en hij beloofde met een oplossing te komen.  Hij  wilde de draak met een lans doden en zo de koningsdochter laten leven. Zo geschiedde: je ziet hoe de draak na een lanssteek bloedend zijn kop de hoogte in steekt en de genadeslag met een zwaard lijkt te gaan krijgen.  Rechts naast dit tafereel knielt de koningsdochter. Met gevouwen handen kijkt ze naar de held, terwijl ze nog biddend wacht op de goede afloop, of misschien wel bidt ze berustend in haar droeve lot. Op een rots zit het lam dat ook geofferd zou moeten worden.

Rechts boven zie je hoe als in een stripverhaal de volgende scene wordt uitgebeeld: Joris keert terug in de stad met de prinses, die de getemde draak als een hond aan de lijn meeneemt. De stadsbewoners kunnen hun ogen niet geloven. Maar uiteindelijk loopt het met Joris toch niet goed af.

Chronologisch is het trouwens op het retabel een zooitje. Alle scenes staan min of meer door elkaar gehusseld. We zien een prachtige uitvoering van de stad met stadspoort. Het schijnt dat het naar de omwalling van Kalkar uit die tijd is nagebootst. Joris, weer in deze stad met de prinses, zegt dat hij de getemde draak pas zal doden als iedereen in de stad zich tot het Christendom bekeert. Iedereen gaat akkoord, 15000 mensen bekeren zich, de draak wordt alsnog gedood. Maar dan komen Christenvervolgers onder leiding van keizer Dacianus die Joris gevangen nemen. Deze keizer kun je herkennen aan zijn scepter. Hij is telkens aanwezig als er gepijnigd wordt. Joris staat vanaf dat moment meerdere martelingen te wachten…

Zo zien we hoe er grote metalen spijkers uit zijn romp steken en een man deze met een enorme hamer met ferme meppen in zijn lichaam verder moet slaan. De keizer en twee andere beulen staan er onaangeroerd bij. Een van deze twee beulen zwaait vervaarlijk met een bijl. Wat is hij van plan? Dat belooft niet veel goeds…

Hierboven, en vrij centraal op het paneel, zien we de scene waarbij in een grote ketel olie tot koken wordt gebracht, terwijl Joris biddend in deze ketel de komende pijnen gelaten afwacht.  Het rijshout om te stoken wordt rechts door een helper aangedragen, een ander moet geknield met een blaasbalg het vuur aanwakkeren. Links bij dit tafereel staat iemand alles te bewaken en de bediener van de blaasbalg neemt beleefd zijn hoed voor hem af. Dat hij een belangrijk iemand is kun je zien aan zijn kleding. Naast de keizer staan weer de twee eerdere beulen. Iedere persoon heeft zijn eigen houding en uitdrukking. De meest rechtse van de twee slaat bij de persoon naast hem kameraadschappelijk een arm om de schouder, deze leunt intussen op zijn lans.

Hierboven zie je nog meer martelscenes:  zo zien we hoe de armen van Joris worden afgehakt en hoe hij de gifbeker moet drinken.

Bij bovenstaande martelscenes lijkt de keizer zelf ook een actieve rol te hebben. terwijl rechts Joris vastgebonden is aan een martelpaal reikt de keizer de beul spijkers aan.

Tot slot zien we hoe Joris dan toch nog dood gaat als hij uiteindelijk wordt onthoofd. De genadeslag wordt gegeven door dezelfde man die in een eerdere scene al naast de keizer stond met een bijl in zijn handen.

Niet alleen het beeldhouwwerk is prachtig, maar het geheel is ook heel erg goed en subtiel geschilderd. Dat deed in principe trouwens meestal een andere kunstenaar. Na onderzoek blijkt dat de kleuren zoals je ze nu ziet nog steeds  de originele kleuren zijn. Maar het meest bijzondere vind ik de manier waarop het verhaal met alle figuren is weergegeven. Kijk eens naar de houdingen en gezichtsuitdrukkingen! Arnt maakt echte mensen van hen, het zijn niet zo maar figuranten in een verhaaltje. Alle mensen en alle onderdelen hebben hun plek, over alles is nagedacht en zo kun je als je lang kijkt een verhaal ontwaren met als hoofdrolspelers meerdere mensen van vlees en bloed. Al die dingen maken van hem een buitengewoon goede beeldhouwer. De levendigheid van dit alles doet me al denken aan hoe barokkunstenaars mensen konden weergeven, maar dan zijn we ruim een eeuw verder in de tijd.

Nu beschrijf ik kort nog een voorbeeld, ook te zien op de  tentoonstelling. Het gaat om een scene uit de predella van het hoofdaltaar van alweer de Nicolaikirche. (Hierboven deze predella.)
Ik moest bij het kijken en overpeinzen van de rechter scene, waarover zo meer, denken aan twee componisten en aan een schilder. De eerste componist aan wie ik dacht is Mozart. Mozart maakte zijn requiem niet af, want hij kwam te overlijden. Een complete schets van het hele stuk was er wel al en een leerling van Mozart maakte de grote compositie op basis van de schets af. Alleen het inleidende eerste deel, het “Requiem Aeternam”, en het “Kyrie” zijn feitelijk door Mozart geschreven. En dat kun je horen. De rest van de uitwerking is dus gemaakt door zijn leerling Süsmayer, en het is duidelijk van mindere kwaliteit. De tweede componist aan wie ik moest denken is Bach. Bach schreef “Die Kunst der Fuge.” Het stuk was bijna af, toen kwam hij te overlijden. Nog steeds proberen sommige mensen het stuk af te maken. Elke poging leidt tot iets dat soms aardig is, maar nooit in de buurt van  de kwaliteit van Bach komt. Zowel het requiem van Mozart als “die Kunst der Fuge” van Bach zijn desondanks uitzonderlijke meesterwerken. En dat brengt me op meester Arnt. Meester Arnt had op zijn oude dag de opdracht aangenomen om vanuit Zwolle te werken aan het hoogaltaar van de Nicolaikerk van Kalkar, een enorme opdracht die hem heel erg lang nog interessant werk zou geven. Het geheel maakte hij af in schetsen. Sommige delen maakte hij zelfstandig zelf helemaal af. De rest: je raadt het al. De eerste die een poging waagde om het na zijn dood af te maken was Jan van Halderen, een leerling van meester Arnt. De twee linker scenes van de predella zijn door hem uitgewerkt, terwijl rechts, de voetwassing van Christus, door Arnt nog is gedaan. Jan van Halderen deed het niet slecht maar de opdrachtgevers wilden toch met iemand anders verder. Zo is het complete beeldhouwwerk uiteindelijk door drie verschillende kunstenaars uitgewerkt, de derde die aan de slag mocht was Meister Loedewich, hij werkte uiteindelijk het leeuwendeel uit. Alle kunstkenners van nu geven de voorkeur aan het deel dat de oude Arnt uitwerkte. Dat zijn delen van de kruisigingscene, maar ook het meest rechtse deel van de predella, de scene met de voetwassing. Deze was ook op de tentoonstelling te zien.

Op die predella staat in het midden de scene van het laatste avondmaal, in dit geval prachtig gebeeldhouwd door Jan van Halderen. Mooi gedaan. Maar daarnaast staat bovenstaande sublieme uitwerking van de voetwassing, die de 12 apostelen laat zien naast Jezus, ieder met zijn eigen karakter en uitdrukking. En dat beeld bacht me op het beeld van een schilder, de derde persoon dus aan wie ik moest denken. Waar heb ik dat meer gezien? Ik schreef er over. .
Deze voetwassing is zo een grootse afsluiting van de carrière van deze “Bilderschneider”, het is een waardige zwanenzang.

Tot slot hieronder nog enkele afbeeldingen met details van de apostelen uit deze voetwassingsscene. Uitgebeeld wordt de scene, waarin Jezus de voeten van al zijn discipelen gaat wassen.

We lezen in Johannes 13:09-11: Simon Petrus zei tot Hem: Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd! Jezus zei tot hem: Wie gebaad is, heeft alleen nodig zich de voeten te laten wassen, maar is geheel rein. En u bent rein, maar niet allen. Want Hij wist wie Hem zou overleveren; daarom zei Hij: U bent niet allen rein.

Op de eerste afbeelding zie je centraal Petrus in het voetenbad. Verder zien we aan de linkerkant van de afbeelding de jonge Johannes, herkenbaar aan zijn weelderige haardos en de afwezigheid van een baard. Een oudere apostel achter hem legt vaderlijk een hand over zijn schouder. helemaal rechts een fragment van Jezus, in gesprek met Petrus, die zegt: ‘niet alleen mijn voeten maar ook mijn handen en hoofd’.

Twee van de apostelen hieronder hebben geen baard, en de twee links hebben ook niet veel hoofdhaar. De geheel kale apostel luistert naar alles maar verwerkt het allemaal in zichzelf, de andere twee zijn in gesprek. Let ook op de verschillende handhoudingen.

Op onderstaande afbeelding zien we drie apostelen met elkaar in debat. Jezus had gezegd: ‘niet iedereen is rein? Wie zou dan diegene zijn die niet rein is?’ Judas, de man over wie Jezus het heeft, houdt angstvallig een buidel met geld achter zich, intussen praat hij zogenaamd mee over wat Jezus net zei.

Ook de houdingen van onderstaande twee apostelen zijn weer heel anders, de man met kap legt een hand over de schouder van de apostel met volle baard en wijst met een vinger naar beneden, zo van: ‘jij bent het niet, ik ook niet, wie dan?’

Op onderstaande afbeelding zien we Jezus, geknield voor het voetenbad. Hij spreekt tot Petrus die met zijn voeten in het bad is en intussen de vragen stelt zoals ze in het evangelie van Johannes staan. ‘Alleen de voeten wassen is genoeg, behalve voor hen die niet rein zijn.’

Ik heb een film gemaakt met werk van meister Arnt, zoals nu nog te zien is in museum Schnütgen  in Keulen. Op de overzichtstentoonstelling is trouwens ook werk van tijdgenoten te zien, niet op deze film te zien. Alles is bijzonder mooi in de ruimte geplaatst en goed gedocumenteerd. Een aanrader!
Kijk hier naar deze door mij gemaakte film van de tentoonstelling
Te laat? Ga dan een keer naar de Nocolaikirche in Kalkar. En krijg door te kijken naar de zes altaarretabels en de vele andere schilderijen en beeldhouwwerken gratis een les kunstgeschiedenis.

Zie ook eerdere stukjes die ik schreef:
Meester Arnt
Muzikale ervaringen in Kalkar
Kartuizers

Geplaatst in kunst, recensie | Tags: , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

Dyscalculie?

Afgelopen jaar verwonderde ik me steeds meer over hoe mijn oudste kleinzoon moeite had met een aantal dingen. Zijn tekentalent laat zien dat hij een heel goed ruimtelijk inzicht heeft, maar in een ruimte heeft hij de neiging om over alles te struikelen. En iets zoeken? Hij weet niet waar te beginnen en ziet niet dat het bewuste voorwerp dat hij wil vinden pal voor hem ligt. Als kleuter was hij gefascineerd door hectometer-paaltjes dus ik dacht: rekenen wordt een eitje voor hem. Niets blijkt minder waar: hij blijkt juist heel veel moeite met rekenen te hebben. Gedeeltelijk wijt ik dat dan aan de klassikale aanpak en de methode die er op die school gebruikt wordt, maar ik denk dat het probleem in de kern  in de verwerking van een aantal dingen in zijn hersenen zit.

Ik had een aantal jaren geleden op het conservatorium een buitengewoon begaafde student. Ze leerde in een klasje van mij onder meer om muziekstukken die ze hoorde op de juiste manier op te schrijven in noten. Deze leerling bleek heel veel moeite te hebben met ritmische notatie. Na pas meer dan een jaar vertelde ze mij dat ze dyscalculie had. Ik had toen ik dat hoorde de neiging om haar sommige opdrachten kwijt te schelden maar het pleitte voor haar dat ze dat niet wilde en koppig bleef ze verder oefenen. Uiteindelijk lukte het haar om alles wat ze hoorde correct te noteren. Ik vermoed nu dat er ook zo iets bij mijn kleinzoon aan de hand is. Ik blijf om te beginnen versteld staan van zijn muzikaliteit. Stukjes die hij hoort speelt hij na, in ieder geval altijd de melodie en de bas. Maar ook gebruikt hij het juiste register, en vaak ook speelt hij akkoorden. Hij begint het leuk te vinden om stukken die hij al min of meer kent nu in andere toonsoorten te spelen. Of gewoon wat te improviseren, nu een keer in D, dan weer in Bes, waarom niet. Zonder zich bij dit alles bewust te zijn van de notatie.

Heel kenmerkend is hoe hij omgaat met de stukken in het orgelboek dat hij heeft moeten aanschaffen. De oefeningen die hij zou moeten doen na zijn eerste proefles, nog voor de zomervakantie,  klinken nergens naar. Je speelt soms niet meer dan drie verschillende tonen en ook nog eens in hetzelfde ritme. Oersaai. Dus ik denk: ik ga een basje en akkoorden er onder spelen. Helaas, hij kan zich, zo gauw ik dat ga doen, niet meer concentreren op zijn partij. Niet omdat er nu teveel tegelijk gebeurt, nee: hij hoort opeens muziek! Het probleem is dat hij intussen moet lezen en spelen wat er voor zijn neus staat. Maar dat zegt hem niets. Met veel moeite komen we er desondanks doorheen en dan duwt hij mij snel opzij: hij speelt onmiddellijk vrijwel vlekkeloos met twee handen wat ik zo net als begeleiding speelde, een bas met op de afterbeat een akkoord, en het zijn leuke akkoorden al zeg ik het zelf, niet de meest voor de hand liggende. Maar zijn eigen partij, bestaande uit een stukje met alleen een d, e en f, krijgt hij nauwelijks voor elkaar. Het notenbeeld is voor hem nog steeds een beetje abracadabra. Ik heb nu toevallig deze week drie dagen achter elkaar met hem kunnen werken en ik zie enkele lichtpuntjes. Het ging vandaag opvallend veel beter dan gisteren. Desondanks ben ik nu al bang dat de orgelmethode waar hij nu zijn eerste oefeningen uit haalt waarschijnlijk voor hem niet heel goed zal gaan werken. Maar misschien weet zijn leraar het voor elkaar te krijgen. Over een week heeft hij zijn eerste echte les op een prachtig orgel in een prachtige kerk. Hij verheugt er zich zo wie zo enorm op.

Hieronder een opname die ik vanmiddag maakte toen hij het Hallelujah van Händel zat te spelen. Hij heeft het stuk in de koor-orkestversie een aantal keren op youtube beluisterd. Omdat hij dat leuk vindt. De opname van mij is incompleet, want ik was te laat. Het is in dit stadium bij hem duidelijk nog een beetje zoeken. Hij gaat door tot hij min of meer op de piano terughoort wat in zijn hoofd zit. Het is een behoorlijk lang stuk. Hoe onthoudt hij het om te beginnen in godsnaam allemaal? Bij het fugato aangekomen liet hij meer weg dan eigenlijk wenselijk zou zijn, maar ja: vier melodieën door elkaar heen spelen is nog net iets te veel gevraagd. Het zou me trouwens niet verwonderen als hij dat over niet al te lange tijd ook gewoon speelt. Hoe dan ook, zijn muzikale ontwikkeling is fascinerend!

Geplaatst in autisme, muziek, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Volle maan in het westen, Venus in het Zuid-oosten

Deze ochtend om 7:22 uur was de maan exact vol. Net iets eerder, even na zessen, maakte ik deze foto. Waar je bij de vorige foto van anderhalve dag eerder nog duidelijk aan de linkerkant van de foto kraters zag, zie je nu vrijwel niets meer, wat duidt op exact of bijna exact volle maan.

Ook zag ik voor het eerst sinds tijden weer Venus. Schitterend in al haar glorie. Ik maakte ook een detail-opname waarop je met name bij de oranje vlekken enigszins dezelfde details kunt zien die je ook bij de foto’s van grote telescopen kunt zien als die van de Nasa (onderste foto). Dat soort vlekken en strepen verandert voortdurend en wordt veroorzaakt door enorme stormen van gas in de giftige atmosfeer van deze gloeiend hete planeet. Venus gaat altijd schuil onder een zeer dik wolkendek van fijne druppels zwavelzuur gemengd met aerosolen en zwaveldeeltjes. In de wolken treedt een cyclus van chemische reacties op, zwavelcyclus geheten, die fotochemisch wordt aangedreven. Van bovenaf gezien zorgt dat voor een grote helderheid doordat het wolkendek veel zonlicht weerkaatst. Aan de onderkant zorgt het wolkendek voor een heftig broeikaseffect waardoor de temperatuur op Venus hoog oploopt. De zon en de nachtelijke sterrenhemel zijn dan ook nooit zichtbaar vanaf het oppervlak van deze planeet. Maar wat heb je te zoeken op deze planeet? De gemiddelde temperatuur is er met zo’n 480 °C zelfs hoger dan die op Mercurius. Het geel/oranjekleurige wolkendek draait sneller om de planeet dan zij zelf draait, waarbij er windsnelheden tot 360 km/u kunnen optreden. (Wikipedia)

Geplaatst in Astronomie | Tags: , | 1 reactie

Neowise en Antares

Vanavond (31 augustus 2020) is het vrijwel volle maan, dus ik ging zo rond half 10 met mijn camera naar buiten en maakte enkele foto’s. Maar ik richtte ook mijn camera naar het westen, daar schitterde de rode reuzenster Antares. Ik haalde het geheel met de zoom wat dichter bij. Wat schetst mijn verbazing, daaronder, dat leek wel een komeet! Thuis ging ik het opzoeken. Ja hoor, Precies de goede tijd, precies de goede plek om Neowise nog een keer te kunnen zien. En hij staat op de foto!

De foto is gemaakt om 21:28 uur, vlak voor de beste waarnemingstijd. Mazzel!
Hieronder de volle maan boven de Lek. ook altijd mooi.

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , | 3 reacties

Trier in de middeleeuwen

Aan het einde van de vijfde eeuw was er niets meer over van het ooit zo bruisende stadsleven in Trier en was het aantal inwoners dramatisch gedaald. Maar we zien desondanks nog steeds op lijsten de namen van bisschoppen die zonder onderbreking elkaar blijven opvolgen. Het waren de bisschoppen die het machtsvacuüm vulden en als seculiere heersers verschenen. Als grootstedelijk bisdom was Trier superieur aan de naburige bisdommen Metz, Toul en Verdun. Sinds het einde van de zesde eeuw was Trier ook weer een stad waar munt werd geslagen.

Na Karel de Grote werd het Frankische rijk in drieën gedeeld en Trier viel aanvankelijk onder het Middenrijk Lotharingen, daarna vanaf 869 onder het Oost-Frankische en later het Duitse rijk. Toen kwam de catastrofe van het jaar 882: van Witte Donderdag tot Paaszondag hielden de Noormannen er huis, de stad werd verwoest en plat gebrand.  Veel inwoners kwamen om het leven.

Het duurde een paar decennia voordat Trier van deze klap herstelde. De goede relaties tussen de aartsbisschoppen van Trier en de heersende huizen van de Ottonen en Saliërs waren daarbij behulpzaam. Trier kreeg  veel privileges. Het marktkruis dat in 958 door aartsbisschop Heinrich werd opgericht (erexit Henricus), symboliseerde het herwonnen zelfvertrouwen en markeert tot op de dag van vandaag het centrum van de stad.

Onder de heerschappij van de  Liudolfinger (919 – 1024) was het hof van de aartsbisschoppen van Trier zo een belangrijk politiek en cultureel centrum. De economie profiteerde daarvan. Maar vanaf de twaalfde eeuw  wilde de burgerij zich los maken van de benauwende beknelling van de heerschappij van deze aartsbisschoppen.  In 1301 werd er een stadsraad opgericht. Deze stadsraad streefde naar rijks-onmiddellijkheid.  De stad wilde niet meer onder de bisschop vallen. Korte tijd is dat gelukt maar na enkele tientallen jaren werd deze onafhankelijkheid al weer opgeheven. Het bleef nadien lang gisten en pas in 1583 werd het pleit definitief ten gunste van de aartsbisschop beslecht.

In 1198 ontstond het procédé dat elke nieuwe Duitse koning benoemd moest worden, en niet erfelijk de macht kreeg. Verdeeld over het Duitse rijk kwamen er zeven keurvorsten, drie bisschoppen en vier wereldlijke vorsten. Zij bepaalden samen wie de nieuwe koning zou worden. Een van deze keurvorsten was de aartsbisschop van Trier, wat veel zegt over de status van de stad. (De andere keurvorsten waren de aartsbisschop van Keulen, die van Mainz, de koning van Bohemen, de paltsgraaf van Düsseldorf aan de Rijn, de hertog van Saksen en de Markgraaf van Brandenburg.) In de zelfde tijd werd er een omvangrijke stadsmuur aangelegd, die deels die van de Romeinse muur volgde maar hooguit de helft van de oorspronkelijke oppervlakte besloeg.  In het begin van de veertiende eeuw had Trier weer ongeveer 10.000 inwoners waarmee het alsnog een van de grote steden van die tijd was.  In 1473 werd er een universiteit gesticht.

In Trier zijn er uit de middeleeuwen nog veel gebouwen bewaard gebleven. Zo is er de Romaanse dom uit de elfde/twaalfde eeuw, die gebouwd werd op de fundamenten van een Romeinse basilica.

Keizer Constantijn begon in 326 niet alleen met de bouw van zijn basiliek in Trier, maar ook met de oude Sint-Pietersbasiliek van Rome, de Graf- en Verrijzeniskerk in Jeruzalem en de Geboortekerk van Bethlehem. Waarschijnlijk werd de kerk in Trier gebouwd op de plaats van het paleis van keizerin Helena, de moeder van Constantijn. Sinds archeologische opgravingen in de periode 1992 – 1995 gaat men ervan uit, dat er sprake was van een ingewikkeld gebouwencomplex met meerdere basilieken (waarschijnlijk vier) die met elkaar verbonden waren door zalen en gangen en die tezamen een geweldige omvang hadden. In de tweede helft van de 4e eeuw werd het noordoostelijke deel van de oorspronkelijke kerk afgebroken en werd op de plaats van de huidige dom een vierkant gebouw met een 45 m hoge vieringtoren neergezet. In het midden daarvan stonden 4 bijna 12 meter hoge granietzuilen, elk ca. 65 ton zwaar. Voor het zuidwestelijke portaal van de huidige dom ligt nog een deel van een van die zuilen, die al in de eerste helft van de 5e eeuw neergehaald zijn, in de verwarring van de grote Volksverhuizing.  Met Pasen 882 werden tijdens een inval van de Noormannen de kerken van het domcomplex in brand gestoken. Onder het bewind van bisschop Egbert (977-993) begon men met een renovatie, die niet werd voltooid. Aartsbisschop Poppo van Babenberg (1016-1047) voltooide deze renovatie. Bovendien kreeg de dom toen zijn thans nog bestaande westwerk: een apsis en twee romaanse torens, met op de uiterste hoeken ronde traptorens. Het is de oudste westfaçade met een dwerggalerij. Het westwerk van de dom bestaat uit vijf symmetrische delen, waaronder vier torens. Het dateert grotendeels uit de 11e eeuw (Salische tijd). De apsis van het westkoor was in 1196 het laatste onderdeel dat voltooid werd. De Latijnse inscriptie boven het uurwerk aan de hoogste westwerktoren luidt: NESCITIS QVA HORA DOMINVS VENIET (“Je kent het uur niet waarop de Heer zal komen”). Het oostkoor wordt enigszins aan het zicht onttrokken door de barokke kapel, waar de Heilige Tuniek wordt bewaard. Aan de buitenzijde is het Romeinse metselwerk van de oorspronkelijke rechthoekige basilica uit de vierde eeuw nog goed zichtbaar.

De kerk bezit drie kerkorgels. Het hoofdorgel, een zogenaamd zwaluwnestorgel, lijkt oud maar dateert uit 1974.

De gotische kloostergang ontstond tussen 1245 en 1270 en verbindt de Dom met de Onze-Lieve-Vrouwekerk. In het westelijk deel, waar ooit de kanunniken begraven werden, bevindt zich de wijbisschopskapel.

Aan het einde van de kloostergang bevindt zich een deur die naar de OLV kerk leidt (Liebfraukirche). Boven deze deur is de oudste afbeelding van deze kerk te zien, een timpaan uit 1180. Deze doet me erg denken aan vergelijkbare timpanen in de Servaaskerk van Maastricht. We zien Maria, de patrones van de Liebfraukirche waar de poort naar toe leidt, Christus in het midden en rechts Petrus, de patroonheilige van de Dom.

De Onze- Lieve-vrouwe kerk, Liebfraukirche is gebouwd in de dertiende eeuw. Aartsbisschop Diederik van Wied begon rond 1230 met de bouw van deze kerk. De voorganger van de kerk, een Romeins gebouw uit de tijd van keizer Constantijn de Grote, was zo bouwvallig geworden dat het gesloopt moest worden. Om de reusachtige dubbelkerk met de Dom in stand te houden werd de nieuwe kerk gedeeltelijk op de fundamenten van de oude gebouwd. Rond 1260 was de kerk voltooid. De bouwmeester van de kerk was afkomstig uit de Champagnestreek. Daar werkte aan de hooggotische kathedraal van Reims een zeer groot aantal ambachtslieden samen. De bouwstijl en de stijl van het beeldhouwwerk die deze bouwloods daar toepaste, waren zeer invloedrijk. Veel kerken door heel Europa die in deze periode gebouwd werden namen de stijl van de kathedraal van Reims over. De kerk behoort daarmee tot de oudste Duitse voorbeelden van de Franse Gotiek.

Hierboven zien we de hoofdingang, versierd met enkele beelden en een timpaan. Het sterk verweerde beeldhouwwerk in het timpaan toont episodes uit de jeugd van Christus. In het midden zien we de Maagd Maria. Op haar schoot heeft zij het pasgeboren Jezuskind en onder haar linkervoet vertrapt zij een draak. Links van hen bevinden zich de drie koningen. De voorste van hen is geknield en laat zijn kroon rusten op zijn knie. Achter hem wijst de tweede koning op de ster die hen de weg gewezen heeft. Helemaal links bevindt zich de scène van de verkondiging aan de herders. Rechts van Maria wordt de presentatie van Jezus in de tempel verbeeld. Helemaal rechts is de episode van de kindermoord van Bethlehem te zien. Aan weerszijden van de deuropening bevinden zich op een sokkelzone zes vrijstaande figuren. Van binnen naar buiten zijn dit links Adam en rechts Eva, links Andreas (met net) en rechts Johannes de Evangelist (met een met slangen gevulde gifbeker), links de personificatie van de kerk en rechts van de synagoge (Ecclesia en Synagoge). Deze beelden zijn replica’s, de originelen bevinden zich in musea.

Vlakbij de Dom en Liebfraukirche staat ook de parochiekerk St. Gangolf uit 958 die in de vijftiende eeuw is herbouwd. Deze kerk is de markt- en stadsparochiekerk en is gewijd aan de heilige Gangolf of Gangulfus.

Andere kerken: in de middeleeuwen was heel belangrijk de pelgrimskerk St. Matthias (kloosterkerk van een benedictijner abdij) waar het gebeente van de apostel Matthias als relikwie wordt vereerd . Ook het tussen 1936 en 1939  gereconstrueerde klooster van Simeon bij de Porta Nigra was belangrijk voor pelgrims. Behalve het gebeente van Matthias hadden al in de middeleeuwen veel kerken belangrijke reliquiën.  De dom had de tuniek van Christus, de botten van de arm van sint Anna,  en nog veel meer relikwiën zoals de beenderen van de eerste bisschop van Trier, Maternus.

Ook zijn er nog een aantal wereldlijke gebouwen uit de middeleeuwen bewaard gebleven zoals het oude raadhuis (Steipe), nu restaurant en speelgoedmuseum uit de vijftiende eeuw.

In de stad staan verscheidene oude Patriciërshuizen met een torentje, zoals het door een schepenfamilie bewoonde driekoningenhuis. Oorspronkelijk heette het “Zum Saülchen”. De fassade dateert van 1230 en is in laat Staufische stijl, de laatste Staufische Duitse keizer, Frederik II, stierf in 1250. Ook de gerestaureerde kleuren horen bij die stijl. Het hele huis is in 1938 en 1973 gerestaureerd.

In de Judengasse 2 staat de oudste bewaard gebleven woning van een joodse familie van heel Duitsland, gebouwd in 1311. Trier trok veel joden aan: al in de 11e eeuw was er een joodse gemeenschap in Trier, die in het midden van de 14e eeuw ongeveer 300 leden telde. De Joodse wijk met een synagoge en een ritueel bad (“mikveh”) bevond zich in het stadscentrum in de onmiddellijke nabijheid van de grote markt. In 1349 werd de bloeiende joodse gemeenschap echter plotseling opgeschrikt  door een pogrom in verband met de pestepidemie in Europa. In 1418 werden alle joodse inwoners uit Trier verdreven.

In de stad zijn uiteraard ook allerlei mooie gebouwen uit later tijden te zien. Ik beperk me tot het aartsbisschoppelijk paleis dat staat achter de Romeinse basilica (nu Lutherse kerk). De bisschoppen resideerden eerst in die oude basilica, maar vlak voor de Franse tijd lieten ze een nieuw paleis bouwen in Rococo-stijl.

Zie ook: Trier in de Romeinse tijd

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Onbevangen

Mijn oudste kleinzoon groette met strakke blik in het bos enkele voorbijgangers.
-‘U weet dat u goed afstand moet houden? Wij zijn nu bezig met de appels, maar intussen moet de rest ook goed gaan in Solor.’
Hij was in de rol van burgemeester. Dezelfde blik had hij nu al meer dan een halve dag, binnen, in zijn eentje, buiten naar anderen toe. De voorbijgangers die hij toe sprak keken ietwat bevreemd maar groetten hem vriendelijk terug. Ik groette hen ook en babbelde met hen over de grote hoeveelheid  appels die hier onder de bomen lagen.
-‘Ja, dat komt waarschijnlijk door de storm van gisteren.’
In het Loetbos zijn op diverse plekken fruitbomen geplant in het verleden. Appelbomen, perenbomen.

Ik vroeg mijn kleinzoon even later toen de mensen weer verder waren gelopen:
-‘Denk je dat die mensen weten wat Solor is? En dat jij burgemeester bent?’
Hij keek me aan en ik zag hem nadenken.
-‘Voor jou is dat heel vanzelfsprekend, en ík weet dat ook, maar andere mensen weten dat niet. Dit zijn vriendelijke mensen. Maar er zijn ook mensen, vooral kinderen, die daar niets van snappen en die je dan misschien gaan uitlachen.’
Hij zei niets en nam het voor kennisgeving aan. Even later zat hij weer midden in zijn rol. Zijn twee jaar jongere broertje snapt dat wel. Hij zal nooit zomaar wildvreemde mensen aanschieten. Hij snapt dat die dat niet begrijpen wat ze lopen te fantaseren. Heel soms speelt hij met zijn broer mee, maar meestal niet en is hij het snel zat. Gelukkig vindt hij appels verzamelen leuk. Hij wil wel heel graag samen spelen met zijn broer maar hij wil meestal heel andere dingen dan hij. Zijn zusje van ruim drie jaar jonger speelt wel heel vaak met haar oudste broer mee. Vooral als er verkleedpartijen aan te pas komen.
-‘Stop, stop! Dit is echt genoeg!’
We namen meer appels mee dan ik dragen kon…

In deze laatste vakantieweek is hij drie keer bij ons, grootouders, geweest. De laatste dag was hij er alleen. Hij was ambtenaar van de burgerlijke stand en had een deftig jasje aan. Hij organiseerde in de woonkamer een soort ontvangstruimte van het stadhuis. Met een tafel, aan een kant twee stoelen, een voor de bruid en een voor de bruidegom, aan de andere kant een stoel voor hem zelf. Op de tafel lag op zijn plek een officieel document waar hij van alles op had geschreven. En vlak voor de plaats van bruid en bruidegom lagen twee door hem gemaakte trouwboekjes. Met voor de twee leden van het bruidspaar, keurig ernaast, een pen. Heel lang speelde hij daar in zijn eentje, maar toen oma thuis kwam had hij een compleet toekomstig echtpaar tot zijn beschikking.
-‘Opa en oma, willen jullie trouwen?’
We keken elkaar aan, zo van, waarom niet? Hij ging klaar zitten achter zijn stoel en wij moesten gearmd binnen komen lopen. We zetten snel een hoed en een pet op. Intussen neurieden we de bruiloftsmars en marcheerden richting onze plaats.
-‘Neem plaats’.
Hij had op zijn papier opgeschreven wat hij allemaal moest zeggen. Dat had hij gehoord bij een filmpje van de trouwerij van Willem-Alexander en Maxima in de Beurs van Berlage. Hij las het plechtig voor. Heel knap, met talrijke archaïsche woorden. Uiteindelijk mochten we elkaar de rechterhand geven, elkaar een ring omdoen (hij had twee ringen in een doosje klaar liggen), en mochten we elkaar kussen. Maar het was nog niet afgelopen! We moesten ook nog voor de kerk trouwen. De kerk is in het halletje in ons huis waar een mooie lamp hangt en waar een hoog portaal is. Nu improviseerde hij zijn tekst. Op het moment suprême, toen hij ons ging zegenen, moesten we knielen. En nu waren we dan echt helemaal getrouwd.

’s Middags, een tijd eerder, was hij carillon-speler. Ik was met hem in de speeltuin van Bergambacht, maar dat was nu een groot kerkgebouw, de kerk heette de “Sint Clibberskerk” van Bergambacht, in het land Solar. (Nu met een a, maar je spreekt uit Solor. Dat krijg je met vreemde talen. Zoals je ook de sint Clibberskerk uitspreekt als Sint Clubberskerk).  Allerlei onderdelen van de speeltuin waren onderdeel van de kerk, er was een orgel, er waren grote klokken en er was dus een carillon. Vier schommels hield hij zwaaiende en intussen maakte hij het geluid van diverse samen beierende klokken. Op het orgel klonk de toccata in D mineur van Bach. En: op het carillon klonk de meest wonderlijke muziek, die uitliep op twee coupletten (instrumentaal) van het Wilhelmus. Alle geluiden kwamen uit zijn stem maar intussen sloeg hij als een bezetene op de ringetjes die als carillonbelletjes dienst deden. Het carillon had ook een pedaal dus ook zijn voeten deden driftig mee. En af en toe versterkte hij de galm door op een soort registerknop te drukken. Wat een heerlijke fantasie! In het verleden serveerde zijn zusje hier nog wel eens ijsjes, (‘Wie wil er een ijsje?’) maar nu was het een godsdienstige plek.

En hij was er alleen met zijn opa en dus vond niemand het vreemd. Compleet onbevangen was hij een kerkmuzikant. En de muziek klonk best wel goed..

Op de terugweg hoorden we een sirene. Als burgemeester was hij de baas van de politie. Hij hield zijn personeel nauwgezet in de gaten maar hij zag vanuit de dienstauto dat ze hun werk goed deden.

De volgende week gaat hij weer naar school. Dan is hij geen ambtenaar van de burgerlijke stand meer, dan is hij geen burgemeester meer, en dan is hij ook geen muzikant meer. Het echte leven gaat weer beginnen Met twee nieuwe juffen. Die zijn dan de baas. Hij blijft onbevangen, maar hoe ouder hij wordt, hoe vreemder zijn leeftijdsgenoten het zullen vinden. Ik houd eerlijk gezegd een beetje mijn hart vast. Gelukkig kennen de kinderen in zijn klas hem al. En hopelijk krijgt hij genoeg ruimte om zich zelf te kunnen blijven. Maar het zal hoe dan ook erg wennen zijn.

Geplaatst in autisme | Een reactie plaatsen

Trier in de Romeinse tijd

Korte tijd geleden waren we in Trier. Een stad waar veel over te vertellen valt. In dit artikel beperk ik me voornamelijk tot “Trier in de Romeinse tijd”, wat overigens waarschijnlijk ook de belangrijkste periode was voor de stad. Gedurende een bepaalde tijd was Trier zelfs de hoofdstad van het West-Romeinse rijk. Er zijn nog veel Romeinse sporen terug te vinden. In een volgend artikel zal ik ook de middeleeuwse tijd bespreken. De tekst van dit artikel is grotendeels ontleend aan de Duitstalige wikipedia. De foto’s, met uitzondering die van de Romeinse brug en die van het forum, heb ik zelf gemaakt.

Rivieren zijn belangrijke aders voor de handel en op bepaalde plekken ontstaan dan ook al vroeg steden. Trier ligt in een wijde bocht van de Moezel waardoor zich tussen de rivier en de omliggende hoogte van de heuvels van de Hunsrück een breed gebied bevindt, dat nooit last heeft van hoog water. Het is het grootste nederzettingsgebied in de verre omgeving. De ligging van de rivier is al duizenden jaren vrijwel gelijk gebleven, de condities dus ook. Beken als de Olewiger Bach, de Aulbach en de Aveler Bach zorgen voor direct vers water in Trier. Toen de Romeinen er kwamen stichten zij er rond 20 voor Christus een stad, die ze net als bijvoorbeeld Autun vernoemden naar de Romeinse keizer van die tijd: keizer Augustus. De stad heette toen Augusta Treverorum. Treveri is de naam van de Keltische stam die in die omgeving woonde, met nederzettingen behalve in Trier ook in bijvoorbeeld Luxemburg.

Nog voor het begin van de jaartelling kwamen er omvangrijke bouwwerken tot stand zoals een deel van de ommuring. In 17 voor Christus is er een brug gebouwd over de Moezel. Deze was van hout. Tussen 144 en 155 na Christus is hij op een iets andere plek opnieuw gebouwd: Negen pijlers bestaande uit kalksteenblokken vormden de basis voor een nieuwe houten brug. Er zijn er nog zes van over. In de veertiende eeuw werd het houten gedeelte vervangen door een gemetseld stenen deel. De richels boven de pijlers geven nog aan waar het originele houtwerk zat.

Augustus deelde Gallia op in vier provincies: Belgica met als hoofdstad Reims (later Trier), Lugdunensis met als hoofdstad Lyon, Aquitania met als hoofdstad Bordeaux en Narbonensis met als hoofdstad Narbonne. Trier was vanaf het begin het financiële centrum van de provincie Belgica en later zelfs van heel Gallië. Toen in de vierde eeuw lange tijd meerdere keizers in Trier woonden was de stad de hoofdstad van heel Gallië.

Er ontstonden tal van gebouwen, zoals de thermale baden op de veemarkt rond 80 en het amphitheater rond 100. In het midden van de tweede eeuw waren de thermale baden aan de Veemarkt al te klein geworden, zodat de Barbarathermen over het gebied van verschillende “insulae” werden gebouwd. In hun tijd werden ze beschouwd als een van de grootste thermale baden in het Romeinse rijk. Onder Marcus Aurelius en Commodus werden de stadsversterkingen en daarmee de noordpoort, de Porta Nigra, gebouwd vanaf 170, wat het belang van de stad in de 2e en 3e eeuw onderstreept. De bouwwerkzaamheden kunnen verband houden met de verheffing van de stad tot de provinciehoofdstad van Gallia Belgica. Het jaartal dat Trier Reims opvolgde als hoofstad moet in ieder geval eerder dan 250 zijn. De naam porta nigra (zwarte poort) is overigens pas in de middeleeuwen ontstaan. Door verwering, vuil en stof was de lichte zandsteen bijna zwart geworden.

Al heel snel werd Trier een stad van kooplieden en handwerkslieden. In de stad werden stoffen en vooral ook veel aardewerken producten gemaakt. Ook wijn werd een belangrijk product.

Tussen 193 en 197 was er een burgeroorlog, twee Romeinse legers stonden tegenover elkaar. Trier wist de aanvallende partij buiten de deur te houden en werd daar uitvoerig voor beloond.  In de derde eeuw waren de eerste invallen van Germaanse stammen. Keulen, de hoofdstad van Germania dreigde onder de voet gelopen te worden en toen de situatie hachelijk begon te worden werd deze hoofdstad verplaatst naar het meer veilige Trier. Maar snel na de dood van keizer Aurelius in 275 werd de stad door Germaanse troepen alsnog geplunderd en deels verwoest. Desondanks herstelde de stad zich snel. Tussen 293 en 401 was Trier een van de belangrijkste plaatsen in het westen van het Romeinse rijk. Door de hervormingen van Diocletianus werd de stad zelfs de zetel van de praefectus praetorio Galliarum en daarmee het administratieve centrum van het diocees Gallië, dat het huidige West-Europa en delen van Noord-Afrika omvatte. De provincie Belgica werd opgesplitst en Trier werd de hoofdstad van een deel van Belgica.

Keizerlijke woonplaats

Tijdens de Tetrarchie koos Caesar Constantius Chlorus in 293 voor het eerst voor Trier als zijn woonplaats. Later werd de stad uitgebreid door zijn zoon Constantijn I, die tussen 306 en 324 enkele jaren in de stad verbleef. Om zijn aanspraak op de macht te consolideren liet Constantijn een monumentaal paleis bouwen naar het model van de Palatijn in Rome. Om zijn heerschappij te legitimeren liet hij zijn vader begraven in een mausoleum nabij de huidige kerk van St. Maximin.

De bouw van de Kaiserthermen begon ook in deze tijd.

Constantijns zoon Constantijn II woonde hier van 328 tot aan zijn dood in 340, de usurpator Decentius van 351 tot 353. Treveris was opnieuw de residentie van Romeinse keizers van 367 tot 388 (Valentinianus I, Gratianus, Magnus Maximus); De jonge Valentinianus II woonde hier voor het laatst rond 390. Deze hoogtijdagen kwamen ook tot uiting in de ontwikkeling van de wetenschap in deze tijd. De keizerlijke docenten Lactantius (rond 317) en Ausonius (367-388) werkten in Trier, onder Ausonius bereikte ook de universiteit van Trier haar grootste roem. Het was een van de belangrijkste scholingsinstituten in het westerse rijk, alleen overtroffen door de school in Burdigala (Bordeaux). Hoewel er enkele schriftelijke bronnen over zijn, kan een exact beeld van de school niet worden verkregen. De belangrijkste student in deze stad was Ambrosius van Milaan. Gelokt door het keizerlijk hof vestigden veel mensen zich in de stad, het inwoneraantal is waarschijnlijk al sterk toegenomen. Aangenomen wordt dat er in het midden van de keizerlijke periode ongeveer 20.000 mensen leefden. Het amfitheater, gebouwd in de 4e eeuw, kon overigens minstens 50.000, misschien zelfs 100.000 bezoekers herbergen, maar in beide gevallen kan niet worden gezegd of bij de planning van deze gebouwen rekening is gehouden met de bevolking van de omgeving. Maar ook in deze welvarende 4e eeuw zullen er nauwelijks meer dan 100.000 mensen in Trier hebben gewoond; Anderen gaan er zelfs van uit dat zelfs in de late oudheid een bevolking van meer dan 30.000 mensen in dit gebied nauwelijks zou kunnen worden gevoed. Na het vertrek van het keizerlijk hof en de Praetoriaanse prefectuur in het begin van de 5e eeuw is het inwoner aantal waarschijnlijk snel gedaald tot wellicht niet meer dan 10.000 mensen.

Aan de rand van de stad, voornamelijk in het zuiden en dicht bij de Moezel, waren ambachtelijke bedrijven. Voor vrachtverkeer waren zij afhankelijk van de nabijheid van deze waterweg. Deze bedrijven bestonden uit de al genoemde pottenbakkerijen, maar ook uit textielfabrieken, metaalbewerkingsbedrijven en productiefaciliteiten voor glaswerk. De woongebouwen van de stad bestonden aanvankelijk uit vakwerkhuizen. De vroegste stenen gebouwen werden gevonden in het gebied van de latere keizerlijke baden. Ze hadden in sommige gevallen prachtige meubels, mozaïeken en muurschilderingen. Na 293 n.Chr. werden ze afgebroken voor de bouw van de thermale baden. De opeenvolging van uitbreidingsfasen, aanvankelijk in houtskeletbouw, vanaf het einde van de 1e eeuw kalksteen en uiteindelijk rode zandsteen, is terug te zien in veel particuliere gebouwen, waaronder een wooncomplex bij St.Irminen welk in 1976/1977 is opgegraven. Dit omvatte ook een kleine badgelegenheid, die de typische structuur had van Romeinse baden met een koud bad (frigidarium), een lauw bad (tepidarium) en een warm bad (caldarium). In de loop van de tijd kregen de huizen een steeds meer luxe interieur met muurschilderingen, mozaïeken, opus signinum of geornamenteerde bakstenen tegelvloeren. Voor de dakbedekking werden tegels of leistenen gebruikt.

Forum en basilica

Het forum, waarvan bij opgravingen kleine delen zijn blootgelegd, bevond zich op de kruising van de legioenswegen decumanus maximus en cardo maximus. In de Vespasiaanse periode werd het forum enorm uitgebreid, zodat het zes kwadranten besloeg aan weerszijden van de oost-west-as van de stad met een afmeting van 140 × 278 m. Tijdens de uitbreiding werden enkele privé-woonwijken geëgaliseerd en werden de aangrenzende thermale baden op de veemarkt toegevoegd.

De basilica, de ontvangstruimte van de keizer, doet nu dienst als de Evangelische Kerk van de Verlosser (Konstantinbasilika). Hij werd gebouwd voor de Romeinse keizers die in de vierde eeuw in de stad woonden. Alleen nog de naamgeving “Constantijnse Basilica” herinnert aan deze tijd en aan dit doel. De eerste vroeg-christelijke kerken hadden ook de basilicavorm, een soort hallenkerk (bijvoorbeeld de Apollinaris in Classe in Ravenna). De katholieke eretitel “basiliek” is hier niet van toepassing, aangezien het gebouw nooit een katholieke kerk is geweest.

Wat gebeurde er nadien met deze keizerlijk audiëntieruimte? In de vroege middeleeuwen kwamen de uitgebrande ruïnes in het bezit van de bisschoppen van Trier. Ze hebben het omgebouwd tot een kasteel-achtig pand. In 1614 werden de zuidelijke en oostelijke muren afgebroken en de rest werd geïntegreerd in de residentie van de bisschop, het keurvorstenpaleis. In de jaren 1844 tot 1856 werd het gebouw gerestaureerd, ingehuldigd op 28 september 1856 en “voor altijd” gegeven aan de protestantse parochie, die het sindsdien als kerk heeft gebruikt. Op 14 augustus 1944 werd het gebouw zwaar beschadigd door een Amerikaanse luchtaanval en is toen volledig afgebrand. Het werd in de jaren 50 herbouwd. Het ontwerp werd teruggebracht tot stenen buitenmuren en een houten cassetteplafond.

Sinds 1986 maakt de Constantijn-basilica deel uit van het UNESCO-werelderfgoed  samen met veel andere monumenten in de stad. Het is ook een beschermd cultureel goed onder het Verdrag van Den Haag. De apsis in het noorden, de westelijke muur, overblijfselen van muren van eerdere gebouwen onder de huidige vloer en overblijfselen van Romeinse buitenschilderijen aan de west- en noordgevels zijn bewaard gebleven. De kerk bevindt zich ongeveer halverwege tussen de kathedraal en de Kaiserthermen aan de oostelijke rand. In het westen is de kerk verbonden met het Constantijnplein. In het zuiden ligt de paleistuin, in het oosten het nieuwe keurvorstelijke paleis en in het noorden het gebied van het voormalige benedenpaleis – tegenwoordig Willy-Brandt-Platz – met de rode toren en een fontein. Het is het oudste gebouw in Duitsland dat op dit moment als kerk wordt gebruikt. Het huidige uiterlijk van het bouwwerk is grotendeels het resultaat van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Overblijfselen van eerdere Romeinse gebouwen op die plaats zijn bewaard gebleven onder de huidige bodem.

De stadsmuur

De 6.418 m lange Romeinse stadsmuur omsloot een gebied van 285 hectare. In het verleden werd vaak aangenomen dat deze pas gebouwd was in de 3e eeuw toen burgeroorlogen en plunderende Germanen de steden van Gallië bedreigden. Tegenwoordig is er echter consensus dat de stadsmuur in het laatste kwart van de 2e eeuw is gebouwd. Deze datering is het gevolg van het feit dat hij delen van de plaatselijke begraafplaats bij de Porta Nigra in het noorden doorsnijdt. De laatste graven binnen de muren dateren uit het derde kwart van de 2e eeuw. (De Romeinen begroeven hun doden over het algemeen buiten de stadsmuren, dus de graven moeten ouder zijn dan de muur.) Kleine vondsten in de muur wijzen op het einde van de 2e eeuw. Markeringen op de stenen van de Porta Nigra verwijzen naar keizer Marcus Aurelius (161-180) en zijn zoon Commodus (180-192). Het complex lijkt klaar te zijn geweest toen de troepen van Clodius Albinus de stad in 195 zonder succes aanvielen. De muur is gebouwd als typisch Romeins gietmetselwerk. De kern bestond uit leisteen, kleine stenen en veel mortel, terwijl zand- of kalksteenblokken de buitenste delen vormden. De hoogte van de loopbrug kan worden gereconstrueerd op 6,2 m met behulp van de bewaarde muuruitgangen bij de Porta Nigra. De breedte in het gebied van de fundering was maximaal 4 meter, aan het einde slechts 3 meter.  Regelmatig werden ronde torens toegevoegd, meestal aan de uiteinden van de straatlijnen. De in totaal 48 of 50 torens van de stadsmuur van Trier sprongen aan beide kanten gelijkmatig uit de muur. Latere Romeinse vestingwerken hadden daarentegen meestal torens die ver naar buiten staken, waardoor de zijmuurgebieden beter konden worden beschermd en aanvallers bij het kruisvuur konden worden opgevangen. Ook de vorm van de torens suggereert dat het gebouwd is in de late 2e eeuw.

Modern onderzoek gaat er meestal van uit dat de stadsmuur van Trier – net als die van veel andere Romeinse steden in de overwegend vreedzame 1e en 2e eeuw – niet werd gebouwd om te reageren op een specifieke dreiging; hij had niet zozeer een militaire functie dan wel dat hij diende als prestigeproject, bedoeld om het belang van de plaats te onderstrepen. Alleen in het noorden en langs de Moezel zijn kleinere delen van de muur geïntegreerd in de latere middeleeuwse stadsmuur (schietloopgraaf, bij de vakschool; kelder van het huis aan de Schützenstrasse 20, van buitenaf zichtbaar). In de zuidelijke delen is de muur uitgegraven tot aan de fundering. De stadsmuur had in totaal vijf poortgebouwen, waarvan sommige, zoals de Porta Nigra, zeer uitvoerig waren ontworpen en bij de bouw al anticipeerden op het latere wijdverspreide type poortkasteel. De zuidelijke poort (Porta Media) tegenover de Porta Nigra werd in de middeleeuwen afgebroken en daarom zijn alleen de fundamenten ervan bekend. De westpoort op de Moezelbrug werd in de middeleeuwen nog gebruikt en heette toen Porta Inclyta (“beroemde poort”). Vanuit het oosten kwam men de stad binnen via een poort ten zuiden van het amfitheater, die als zij-ingang werd gebruikt. Aan het einde van de 4e eeuw werd een zuidoostelijke poort toegevoegd, Porta Alba genaamd sinds de middeleeuwen. Bij de bouw waren de royale vestingwerken ontworpen om verder te groeien, zoals blijkt uit de vele open ruimtes in de meer perifere gebieden. Vanuit militair oogpunt had de muur echter weinig nut. Het gebouw hoefde zich in de eerste 200 jaar van zijn bestaan nauwelijks te bewijzen – de enige bekende uitzonderingen zijn de aanval van 195 en de Frankisch-Alemannische aanval rond 275. Bij de laatste kon de muur de aanvallers niet tegenhouden. In de 5e eeuw was het eigenlijk nauwelijks mogelijk om de stad effectief te verdedigen. Tegen de aanval van de vandalen als gevolg van de oversteek van de Rijn in 406, kon de overgebleven bevolking van de stad zich alleen beschermen door zich te verschuilen in het amfitheater.

Porta Nigra

De bouw die onder keizer Marcus Aurelius was begonnen, werd nooit definitief voltooid. Zo zijn de gaten voor de scharnieren van de poorten wel al voor-gemonteerd. Maar de nokken van het onafgewerkte blok steken nog steeds uit in de rotatie-as van de poorten, zodat er nooit een beweegbare poort kon worden geïnstalleerd.

Zelfs voor het ongetrainde oog maakt de porta een onvoltooide indruk, zo zijn de halve kolommen op de gevel aan de landzijde in hun ruwe staat gelaten. De gaten die middeleeuwse metaalrovers achterlieten toen ze de ijzeren beugels en loden gietstukken uit de constructie braken voor hergebruik, versterken deze indruk. Voor de constructie werden in totaal ongeveer 7200 stenen blokken gebruikt, waarvan de grootste tot zes ton weegt.

De Byzantijnse monnik Simeon, afkomstig uit Sicilië, vestigde zich na 1028 als kluizenaar in het gebouw. Naar verluidt had hij zich daar laten inkluizen. Na zijn dood in 1035 werd hij op de begane grond begraven. De aartsbisschop van Trier, Poppo, kreegin hetzelfde jaar zijn heiligverklaring door de paus voor mekaar. Ter ere van de heilige bouwde hij het Simeonklooster en herbouwde de poort naar de dubbelkerk waarin Simeon beneden werd begraven. Sommige van de overgebleven kloostergebouwen dateren uit 1040. Er werden twee kerkkamers boven elkaar aangelegd, waarvan vandaag de dag nog een apsis te zien is. De orgelkamer van de bovenkerk op de westtoren is nog goed zichtbaar. Omdat er maar één toren nodig was om de kerk te gebruiken, werd de tweede torenconstructie van de Porta Nigra afgebroken. De functie van de stadspoort werd overgenomen door de “Simeontor”, die in het oosten direct aansluit op de Porta Nigra. Deze poort, die klein is in vergelijking met de Porta, werd beschermd door de hoge vestingstoren uit 1389, de zogenaamde Ramsdonkturm.

Napoleon liet de kerk en het klooster in 1802 opheffen. Tijdens zijn bezoek aan Trier in oktober 1804 gaf hij opdracht om de kerkuitbreidingen te ontmantelen. Van 1804 tot 1809 werd het middeleeuwse gebouw gestript. De Pruisen voltooiden de sloopwerkzaamheden van alle latere toevoegingen vanaf 1815, zodat de Romeinse poort nu weer te zien is. Alleen het onderste deel van de middeleeuwse apsis bleef staan om redenen van monumentenzorg. Na voltooiing van het werk deed het gebouw dienst als het eerste museum van oudheden in Trier.

In de jaren 1870 werden de stadsmuur en werden bijna alle middeleeuwse stadspoorten afgebroken, inclusief de Simeonpoort. Op 11 september 1979 werd de Porta Nigra symbolisch bezet door tegenstanders van kernenergie. In 1986 werd de poort toegevoegd aan de UNESCO Werelderfgoedlijst, samen met andere Romeinse culturele monumenten in Trier en omgeving.

Amphitheater

Onder de arena bevond zich een soort kelder, die tot op de dag van vandaag bewaard is gebleven. Hier waren liften om de acteurs te laten optreden. Het was daarom niet mogelijk om de arena met water te laten overstromen. Het amphitheater maakte deel uit van de Romeinse stadsmuur en bevindt zich onder de Petrisberg. Een van de redenen waarom het amphitheater op Petrisberg werd gebouwd, was dat vanwege de hellingen van de Petrisberg slechts de helft van de muur hoefde te worden gevuld met aarde voor de tribunes. Het is op het noorden georiënteerd en heeft een noord- en een zuid-uitgang. Dieren of artiesten konden snel worden binnengebracht via een verborgen lift in het midden van de arena. Nadat het theater in de tweede helft van de 2e eeuw na Christus was gebouwd, werd het al snel onderdeel van het dagelijkse leven van veel inwoners van Trier. Daar boden lokale hoogwaardigheidsbekleders, keizerlijke functionarissen en, in de late oudheid, enkele persoonlijk aanwezige keizers de burgers brood en spelen aan: dierenjachten (venationes) en gladiatorengevechten beslisten over leven en dood, executies vonden er plaats en er werden belangrijke aankondigingen gedaan. Het amphitheater had ook nog een andere functie – het diende als oostelijke stadspoort van Trier. Na het einde van het West-Romeinse rijk (5e eeuw) werd het, net als veel andere gebouwen in Trier, in de middeleeuwen als steengroeve gebruikt. Tot in de 19e eeuw noemde de bevolking het complex een Kaskeller (kaaskelder) en schreef het deze naam ook op stadsplattegronden. Pas in de 19e eeuw, toen wetenschappelijk onderzoek en restauratie begon, verdween deze naam, die waarschijnlijk teruggaat tot het gebruik van de ondergrondse kamers van het amphitheater als opslagkelder Het houten plafond boven de arenakelder is in 1992-1993 om bouwkundige redenen vernieuwd. Voor toekomstige culturele evenementen is een infrastructuur voor elektriciteit, water en riolering aangelegd. In de zomer zijn er rondleidingen door het amphitheater, waarbij een acteur in de rol van gladiator Valerius vertelt over zijn carrière als gladiator. Concerten, musicals en andere evenementen worden er zelden gehouden.

Einde Romeinse tijd

Door de aanwezigheid van administratief en militair personeel, de rechtbank en de munt nam het belang van Trier in de 4e eeuw toe. In het gebied rond de stad werden verschillende paleisachtige villacomplexen gebouwd, die worden toegeschreven aan de keizerlijke familie of hoge ambtenaren, zoals het Palatiolum in Trier-Pfalzel.  Waarschijnlijk rond 402, een paar jaar na de overdracht van de rechtbank aan Mediolanum en de dood van Theodosius I (395), werd ook de Gallische Praetoriaanse prefectuur verplaatst van Trier naar Arles (uiterlijk 418). Met de terugtrekking van deze belangrijke economische factoren begon het definitieve verval van de eens zo belangrijke Romeinse stad. Alleen het bisschoppelijk bestuur bleef over, waarmee het christendom de drager werd van de continuïteit van de Romeinse cultuur, gesteund door de nog steeds invloedrijke Gallo-Romeinse bovenlaag. Na meerdere vernielingen en plunderingen viel de stad uiteindelijk rond 480 in handen van de Franken.

Over de genoemde Romeinse objecten maar ook over andere kun je nog veel interessante details lezen op livius.org, een van de sites van Jona Lendering. De daar bijgevoegde stadskaart is ook erg handig om alles precies te lokaliseren. Via onderstaande link zie je centraal op die kaart de basilica. Door rechts een ander object aan te klikken beweegt de kaart naar dat object.

https://www.livius.org/articles/place/augusta-treverorum-trier/trier-photos/trier-basilica/

Zie ook: Trier in de Middeleeuwen

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Gevoel en verstand

Als een kind geboren wordt voelt het van alles en dat wordt ook onmiddellijk hartstochtelijk geuit: heb je pijn, heb je honger, staat de zon in je gezicht: je gaat huilen, huilen of je leven er van af hangt. Als het kindje ouder wordt snapt het steeds beter dat bepaalde gevoelens vervelend zijn maar dat daar weinig aan te doen is. Soms is het gewoon erg warm bijvoorbeeld. En je hebt geen zin in opruimen, dan ga je niet huilen maar je moppert hooguit even of denkt “shit” en gaat het doen in de wetenschap dat dat erbij hoort. Zo gaat het verstand het gevoel steeds meer beïnvloeden.

Bij mensen met autisme werkt dat anders. In ieder geval bij mijn kleinzoon van zeven jaar. Gevoel en verstand blijven hardnekkig een eigen leven leiden. Hij weet dat als je jarig bent dat je dan cadeautjes krijgt. Dat geeft een fijn gevoel. Van de gedachte aan een cadeau wordt hij blij. Zijn broertje werd vijf jaar en kreeg cadeautjes, er werd voor hem gezongen. Wat is dat vreselijk oneerlijk: hij wilde ook cadeautjes! Je probeert het hem uit te leggen, van te voren al: hij luistert aandachtig, lijkt ook alles te begrijpen, maar toen zijn broer van de andere grootouders cadeautjes kreeg was hij boos en moest hij huilen: hij wilde ook cadeautjes. Ook als hij zelf een keer een cadeau krijgt dat hem niet interesseert dan begint hij te gillen en is hij boos. De gevoelens van de gevers doen er niet toe. Hij is dan een en al gevoel en emotie en moet en zal dat uiten. Tot wanhoop van zijn ouders.

Hoe ga je daar als opvoeder het beste mee om? Natuurlijk blijf je het hem ook uitleggen, maar nog belangrijker is het om iets te doen met dat gevoel van hem. Hij mag best even huilen, maar hij moet er niet in blijven hangen, dus al snel afkappen. Beslist zeggen: “stoppen!” Dat helpt en dan onmiddellijk vriendelijk doch beslist de emotie verplaatsen naar een andere positieve emotie, iets dat hij leuk vindt of graag doet. Gisteren bij de picknick nam ik hem mee naar het strandje en ging met hem een kasteel bouwen. Daar had hij het al even eerder over gehad, welnu: dit was dan het moment om dat te gaan doen. En gelukkig: het werkte, hij ging mee en we gingen bouwen, het werd snel weer een uitgebreide fantasie van hem waarin hij zich helemaal kwijt kon. Tot een enorme stortbui met windvlagen roet in het eten gooide. Ik had het nog over de organisatie van het reddingswerk maar toen was de regen al zo hard dat we echt moesten vluchten.

Het was al snel daarna weer mooi weer. We waren naar een gelegenheid toe gereden, er was een springkussen. En er waren meer kinderen. Meer dan een half uur heeft hij lekker uitbundig gesprongen, hij straalde een en al blijdschap uit. Maar ook daar kwam uiteraard een einde aan. De meeste mensen kwamen van ver en wilden weer naar huis. Dus we gingen naar de auto. Dat wilde hij niet. Ik was nog bij het springkussen en kondigde aan: nog vijf minuten. Nog steeds wilde hij niet. Nu was ik onverbiddelijk. ‘Aan alles komt een einde, dat hoort erbij. En nu gaan we naar huis’. Zijn broertje en neefje kwamen onmiddellijk en toen kwam hij dan ook maar. En daarna volgde dan onverbiddelijk het eeuwige afscheid nemen van alle opa’s, oma’s, tantes. ‘Ik ga je missen’. Natuurlijk is dat zo, hij vindt het allemaal nu veel te gezellig. Maar ook dat hoort erbij. Gelukkig bleven de enorme huilpartijen nu uit. Zonder veel discussie en na enkele knuffels werd er vertrokken. Ik denk dat hij na thuiskomst is gaan tekenen of orgel is gaan spelen.

Ik denk op dit moment gelijk al weer een beetje weemoedig aan hem. Hij had net een nachtje bij ons geslapen. Alles is bij hem zo puur. Blijdschap en verdriet. Maar dat verdriet gaat vaak ten koste van anderen, in dit geval ten koste van de blijdschap van zijn jarige broer. Die het trouwens aardig goed snapt. Toen de oudste zei: ‘Mag ik met jouw speelgoed spelen?’ antwoordde hij zonder enige aarzeling: ‘natuurlijk!’ Omgaan met dit alles blijft voor broer, zus, ouders en andere opvoeders lastig. Maar die ochtend nog was hij zijn land Solor gaan inspecteren, als bisschop. Er was een tractor bezig met riet te maaien. Dat gebeurde uiteraard in opdracht van de bisschop en de knecht werd vriendelijk begroet. Er ontstond weer een mooi breed pad, net zoals de bisschop dat wilde. De opdracht werd goed uitgevoerd. En bij de zee waaide het, maar het strand lag er goed bij.

Geplaatst in autisme | Tags: , | 1 reactie

Na regen komt zonneschijn

Vijf en twintig jaar geleden ging ik vaak met de bus naar mijn werk. In die bus kwam je allerlei mensen tegen. Zo was er het filosoofje. Ik stond een keer met haar samen op de bus te wachten en probeerde een gesprekje te openen. Zij was nog jong, nog geen twintig denk ik. Ik merkte gelijk dat er iets met haar aan de hand was, ze was verlegen maar er was meer dan dat. Ze bleek filosofie te studeren en ging nu naar college. Toen ik haar weer tegen kwam ging het gesprek al iets verder: ze vertelde dat ze zich ergerde aan sommige buschauffeurs die veel te hard reden op de dijk. En zo sprak ik haar nog enkele malen. Later hoorde ik van mensen uit de buurt dat ze autistisch was. Ik wist van dat fenomeen nog niet zoveel, maar haar toch wel enigszins vreemde gedrag zou daar wel eens mee te maken kunnen hebben, dacht ik zo.

Vlak bij ons woont nog een autist. Althans dat denk ik. Hij is al bijna tachtig jaar oud schat ik. Ook hij lijkt erg verlegen. Hij woonde tot voor kort in het huis waar hij geboren is en hij schijnt, totdat hij twee jaar geleden verhuisd is nooit in een ander huis gewoond te hebben, nee zelfs nooit ergens anders geslapen te hebben. Nu woont hij vijftig meter verder. Die verhuizing, dat moet dus  een enorme stap zijn geweest. Maar zijn vorige huis staat er nog, inclusief al de spullen. Het staat inmiddels al twee jaar leeg. Het mag blijkbaar niet verkocht worden. Het blijft zo een van zijn houvasten. Af en toe gaat hij op inspectie. Dat doet hij dan met de auto. Het nieuwe huis staat zoals gezegd hooguit vijftig meter verder. Waarom  dan toch met de auto? Ik denk het te weten: te voet kom je vaker mensen tegen. Sommige mensen kent hij. Maar anderen, zoals mij, die kent hij niet. Ik ben niet in die straat geboren dus ben en blijf ik een vreemde, ook al woon ik er inmiddels al vijf en twintig jaar. Dat soort mensen, en die komen er steeds meer, wil hij niet tegen het lijf lopen. Hij heeft een vrouw, een vriend en twee honden. Dat is meer dan genoeg. Al het contact met de buitenwereld loopt via zijn vrouw. Zijn wereld is klein maar hij is er denk ik op zijn manier gelukkig in.

Maar met het filosoofje gaat het niet goed. Op een gegeven moment ging ze het huis uit en zag je haar bijna nooit meer. Wat zou ze doen? Nu is ze regelmatig weer in het huis van haar ouders. Ze gaat nog steeds met de bus. Ze stapt dan uit en loopt over de dijk. Bijna onherkenbaar, ze heeft nu het gezicht van een oude vrouw. Ze is ook nog eens erg dik geworden en ze kan bijna niet meer lopen. Zo strompelt ze dan min of meer richting huis. Ik denk dat ze zwaar onder de medicijnen zit. Mijn inschatting is dat ze het leven, zoals dat geleefd dient te worden in een stad, niet goed aan kon. Inmiddels woont ze weer dicht bij haar ouderlijk huis. Ze lijkt me desondanks nog steeds erg ongelukkig te zijn.

Autisme heb je in allerlei soorten en maten. Maar het schrikbeeld van het filosoofje, dat wens je niemand toe. Wat zou haar gelukkig hebben kunnen maken? Waar zou het fout gegaan zijn? Ik ken haar moeder niet. Haar vader is inmiddels overleden. Ik krijg er een tragisch gevoel bij. Iemand die zo slim is dat ze naar de universiteit kan gaan, maar uiteindelijk nergens kan functioneren.

Mijn oudste kleinzoon  van zeven jaar is ook autistisch. Hij is drie weken op vakantie geweest met zijn ouders, broertje en zusje. Naar  Frankrijk, naar een land dus waar naar zijn gevoel alles totaal anders is. Hij was drie weken lang diep ongelukkig en werd pas weer blij toen hij hoorde dat ze weer terug naar Nederland zouden gaan. Gisteren wilde hij heel graag bij opa en oma zijn. En kijk: hij was de hele dag weer volmaakt  gelukkig. Bij ons achterom ontwierp hij een stad. Die stad kreeg een naam, die naam schreef hij op een bordje en erbij schreef hij nog allemaal dingen die voor buitenlanders onbegrijpelijk moeten zijn. Op het bordje stond de taal van dat land. Het was een stad in Atlantis. Vandaar het internetadres dat eindigt op AT. (Niet te verwarren met Oostenrijk…). Hij kon je wel uitleggen wat er stond, immers hij kwam uit dat land. De stad werd steeds groter,  intussen zong hij van plezier.

Ik zat te lezen en af en toe moest hij me wat kwijt over wat hij weer verzonnen had. Maar ik kon lekker doorlezen, hij ging steeds zijn eigen gang.

– ‘Opa, staan er bramen bij het strandje?’
– ‘Ja zeker, ik denk dat er nog wel wat staat. Zullen we samen zo meteen bramen gaan plukken?’

Dat vond hij een goed plan. Maar ik wilde eerst nog even wat lezen. Hij ging verder met de bouw van de stad.

Toen kwam er een onweersbui. Oma was net terug van de kapper. Er vielen dikke hagelstenen. Voorzichtig verplaatste ik met hem de stad naar een schijnbaar droge plek. En toen vluchtten we snel naar binnen. Het ging steeds meer te keer, het leek wel een wolkbreuk! O jee, de stad liep toch nog helemaal onder water. En dat niet alleen, hij werd zelfs bedolven met modder!

-‘Hoe gaan we dat oplossen?’ opperde mijn vrouw. Hij trok een mooie jas aan en was minister. De minister ging dit oplossen, samen met zijn secretaresse, mijn vrouw. Ze  maakten samen plannen: welke hulpdiensten waren er nodig, wie moest wat doen. Voortdurend liep hij weg om even te telefoneren. Hij regelde bijzonder deskundig en efficiënt wat er allemaal moest gebeuren. Alle dingen werden  tegelijk goed genoteerd en gecontroleerd, hij was voortdurend in de weer met papier. Deze minister was duidelijk iemand op wie je kon rekenen.

Ik zat intussen achter de computer en hoorde alles geamuseerd aan. De secretaresse ging naar boven,  ze moest nog wat anders doen. Dat was allemaal geen probleem voor de minister.  Hij had zoals gezegd alles in de hand.

Het was droog en de zon scheen weer. Het leek me heerlijk om even naar buiten te gaan.

-‘Zullen we bramen gaan plukken?’
-‘Nee hoor, ik moet nog het een en ander regelen. Ik heb het even te druk. Ik vind het wel jammer voor jou opa’.

OK, dan ging ik dus maar alleen. En hij bleef vermoed ik bezig met zijn organisatie. Toen ik terug kwam zat hij piano te spelen. Ik had eerder die dag een inventie van Bach gespeeld . Hij zat hem zo’n beetje na te spelen en er intussen om heen te improviseren. Ik verbaasde me weer over zijn talent.

-‘Opa, hoor je, ik kan ook die inventie van Bach spelen.’

Na het eten ging hij weer naar huis, nu was hij geen minister meer en hij was ook geen pianist. Maar hij was gewoon zichzelf, en hij was nog steeds volmaakt gelukkig. Hij viel zijn moeder om de hals.

De onweersbui was voorbij. Na regen komt steeds weer zonneschijn. Zoals er ook na de vakantie weer dingen komen  waar je blij van wordt. Als mijn kleinzoon niet blij is dan raast hij als een onstuimige onweersbui. Maar als hij wel blij is, dan maakt hij iedereen om zich heen blij, net als de zon.

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: | Een reactie plaatsen

Midzomer aan de Lek

Het is zwoel, het is grijs, het is een dag dat je wacht op een bevrijdende onweersbui. Maar die hebben we al gehad, de afgelopen nacht. Dat gebeurde met eerst een enorme klap, het leek wel of er een inslag was pal naast ons huis. Niet veel later begon het stevig te regenen. Dit na de warmste zomerdag tot nu toe. Ook de natuur is zwoel in deze tijd van het jaar. Veel bramen zijn al overrijp en vallen spontaan van de struik. Het riet is hoog en alles groeit nu overdadig. Bijna elke bloem wordt bezocht door een of meer insecten die je overal om je heen hoort zoemen. Het is midzomer.

Geplaatst in natuur | Tags: , , , | 3 reacties

Neowise

Toen de komeet Neowise het beste te zien was, zo’n tien dagen geleden, heb ik hem gemist. Daar baalde ik ontzettend van. Ik herinner me nog goed Hale-Bopp die in het voorjaar van 1997 een hele tijd te zien was en ik volgde hem tot het niet meer kon. Ik maakte er met mijn VHS-camera uit de hand een filmpje van.

We gingen dat jaar niet zoveel later met het vliegtuig naar Corsica. Tot mijn verbazing zag ik gelijk de eerste avond vanuit het appartement: Hale-Bopp! We waren zoveel zuidelijker dat hij daar nog steeds te zien was. En dat bleef die hele week zo.

Maar nu hebben we dan Neowise. Die is minder helder en ook niet zo lang achter elkaar goed te zien. Officieel moet hij nu nog te zien zijn maar je hebt een goede standplaats nodig. Hij is nu zichtbaar in het NNW, rechts onder de Grote Beer. Dus laag aan de horizon. Afgelopen nacht was het helder. Ik werd wakker om half 3, kleedde me aan en ging met mijn verrekijker en camera naar buiten. Het bleek toch ook een beetje heiïg. En ik wist al dat de kans om hem te zien niet meer zo groot was. Maar ik gaf niet op. Wetend waar ik zoeken moest vond ik hem met de verrekijker. Wat een nietig onscherp object! Maar goed, ik heb Neo-Wise gezien. Zou ik hem ook op de foto kunnen krijgen? Het was donker, ik had geen zaklamp of mobiel bij me en zat te kloten met de instellingen van mijn camera. Slechte voorbereiding dus. En ik had al een heel stuk moeten lopen om enigszins voorbij het felle licht van de lantaarnpalen op de dijk te zijn. Uiteindelijk kreeg ik hem er toch nog enigszins op. Net boven de boom steekt hij zijn staart omhoog, iets naar links gericht. Zoals ik het ook zag door de verrekijker.

Toen dacht ik: ik ga de andere dingen bekijken die er te zien zijn. Jupiter en Saturnus (en Pluto) in conjunctie, die kon je niet missen. Het was nieuwe maan en tegelijk ook oppositiestand van Saturnus. Er was als het ware een rechte lijn te maken door de aarde heen van Saturnus naar de zon en de maan.

En natuurlijk Jupiter met zijn manen. Van links naar rechts Callisto, Io en Europa. De grootste maan, Ganymedes, bevond zich sinds enkele uren net achter Jupiter en was dus niet te zien. Het blijft een klein wonder dat je als je het eenmaal weet deze manen zo goed kunt zien met de telelens.

In het OZO stond Mars, helemaal rood. Dat rood kwam vreemd genoeg niet op de foto, nu was het slechts een normaal vlekje. Ik keerde mijn hoofd terug richting het noorden, naar de Grote beer. Zoef! Daar schoot aan de westelijke hemel, net toen ik me aan het omdraaien was, van zuid-naar noord een opvallende meteoriet door de lucht, een prachtige “vallende ster” dus. Ik maakte nog een foto van het gebied rond de Grote Beer en luisterde nog een tijdje naar het gekwaak van de kikkers.

Eigenlijk wilde ik nog opblijven tot zonsopgang. Maar dat zou nog enkele uren duren en ik begon het een beetje koud te krijgen. Maar het was een heerlijk stukje nacht. Én: ik heb Neowise gezien!

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , , , | 1 reactie

Orgelles

Spannend! Mijn oudste kleinzoon gaat les krijgen van een heel goede organist. Maar hoe gaat dat uitpakken? “Noten lezen” daar wil hij bij mij nog nauwelijks aan, en ook van letten op “vingerzettingen” wil hij weinig weten. Maar hij ontwikkelt zich intussen razend snel door te improviseren en uit zijn hoofd stukken na te spelen. Het was een proefles, en het zou me niet verwonderd hebben als zijn docent het na deze eerste keer al niet meer had zien zitten.

We moesten een tijdje wachten, toen kwam hij. Mijn kleinzoon had samen met zijn moeder al een week daarvoor met hem kennis gemaakt. Mijn kleinzoon herkende hem dus onmiddellijk en sprak hem aan met zijn voornaam. ‘Hoi’.

We gingen gelijk de trap op en het orgel werd ingeschakeld. Ik bleef er even bij en ging toen in de kerk zitten, waar ik toch nog het een en ander van de les mee kreeg. De les bestond uit vier onderdelen: eerst kwam er een verhaal over het orgel, over rugwerk, manualen, registers. Mijn kleinzoon vond het niet boeiend en wilde veel liever gelijk aan de slag: spelen! Hij kon met zijn vingers niet van de toetsen af blijven. Het tweede deel ging over de notennamen, de centrale C. Achteruit de noten benoemen vond hij nog lastig. Toen mocht er dan eindelijk gespeeld worden, nou ja, gespeeld.. C D E F G met een hand, en de vingers krom, optillen en niet laten plakken. Toen in de rechterhand hetzelfde met in de linkerhand tegelijkertijd de grondtoon. “Boer daar ligt een kip in het water” op en neer. Dan sequensen: de boer en de kip een toontje hoger, met witte toetsen. Toen hij bij de F was maakte hij onmiddellijk van de B een Bes en speelde gelijk maar de hele toonladder op en neer. Ik hoorde hem dit uitleggen aan zijn leraar. Het klonk toch beter met een Bes? De docent liet hem dat fragment toch met de witte toetsen spelen. Het vierde deel van de les was een gehoortrainingsoefening. De docent zong iets voor en mijn kleinzoon moest het op de piano uitzoeken en naspelen. Zonder enige aarzeling speelde hij het onmiddellijk na, zonder ook maar een fout. En dat terwijl er twee sprongen in zaten. Het tweede fragment was een soort voor- en nazin. De voorzin ging goed, maar de nazin paste hij aan.
–‘Nee, even goed luisteren!’
De docent zong het nog een keer voor. Mijn kleinzoon speelde het op dezelfde manier na als de eerste keer. Ik begreep het probleem. De voorgezongen nazin was domweg niet logisch, dus maakte mijn kleinzoon er iets logisch van, inclusief chromatische leidtoon. Tegelijk zie je dan een algemeen probleem: als hij eenmaal iets in zijn hoofd heeft is hij daar bijna niet meer van af te brengen. Wat hij in zijn hoofd had was logischer en klonk beter, dus: basta. De leraar schreef op een briefje wat hij de volgende keer allemaal bij zich moest hebben, onder meer een deel uit een orgelmethode. Hij mocht dus terug komen! Ik sprak zijn docent nog heel even. Hij zei dat hij eens goed ging nadenken over de methodiek aan deze leerling, die behoorlijk anders zou moeten zijn dan gebruikelijk.

Ik vond dat het erg goed was gegaan. Mijn kleinzoon had zich voor zijn doen behoorlijk weten in te houden en was niet flierefluitend van de ene associatie naar de andere gegaan en had in het algemeen braaf gedaan wat hem gevraagd werd. Toch was hij een beetje bedrukt. Hij had geen orgel gespeeld maar alleen precies moeten doen wat hem gevraagd was. Dat zei hij niet met zoveel woorden, maar ik vermoedde dat dit soort gedachten in hem omging. Ik prees hem de hemel in en zei dat als hij zo door zou gaan hij al heel snel noten zou kunnen spelen en dan vanzelf steeds meer echte orgelstukken zou mogen spelen.

De dag erna was hij weer bij ons, grootouders. Hij speelde bijna de hele dag piano en orgel (keyboard). Lekker zoals hij gewend was. Gelukkig maar! Hij bleef genieten. Zijn volgende les is pas over zo’n week of acht. Ik heb wat oefeningen gemaakt die voortborduren op zijn eerste les en die zal ik hem binnenkort aanbieden. Ik denk dat het gaat lukken!

Geplaatst in autisme, muziek, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , | 6 reacties

Audio

In veel van mijn blogberichten zit audio verwerkt. Deze geluidsfragmenten vormen in dat geval steeds een belangrijk onderdeel van het stukje. Iedereen die een “volger” is van de “kwintencirkel” krijgt automatisch een mail met een link naar de nieuwe blog. Maar nu komt het verraderlijke: in dat mailbericht zit ook al de inhoud van dat blog, je hoeft dus niet op die link te klikken, denk je.. Helaas, in je mailbericht worden de audiofragmenten niet meegenomen… Heel vervelend. Ik zet hieronder nog een aantal links naar blogs van de laatste tijd waarin een of meer audiofragmenten voorkomen.

De F

Nieuwe klanken

Organist

In gesprek met Bach

Muziek, muziek!

Móet ik…

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Móet ik..

Mijn oudste kleinzoon zat afgelopen schooljaar in groep 3 en werd door mensen van de school en door hulpverleners fantastisch begeleid. Maar wat verzuchtte hij vaak: ‘móet ik..’ Hij had voortdurend het gevoel gestoord te worden in zijn spel. Ik herken het helemaal. Maar helaas, hij zal moeten leren dat een aantal dingen moeten, zoals voor het naar bed gaan plassen en tanden poetsen, en als hij bij ons is voor het naar huis gaan opruimen. Maar ook als zijn broertje hem vraagt of hij met hem mee wil spelen is zijn gefrustreerde antwoord vaak: ‘móet ik meespelen’. Hij moet zich dan aanpassen en een keer niet doen waar hij op dat moment zin in heeft. Of wanneer het speelkwartier is afgelopen op school en de kinderen weer naar binnen moeten, dan schijnt hij te verzuchten: ‘móet ik naar binnen.’ Iets dat helpt is hem een keuze geven. ‘Wat wil je, nú naar binnen en dan nog een filmpje kijken, of over 10 minúten naar binnen en dan gelijk naar bed?’ Waarom wil hij nooit de dingen doen die hem gevraagd worden? Meestal omdat hij dan gestoord wordt in zijn spel. Daar gaat hij zo in op dat hij verder wil gaan. Met orgel spelen, met tekenen. Maar vooral ook met fantasiespelletjes. Hij is buiten alleen aan het fietsen, maar het gaat hem niet om de beweging. Hij zit dan in een rol. Het fietsen heeft een functie in zijn spel. De fiets is wellicht een ambulance en die is ergens naar op weg. Het is voor hem dan onmogelijk om niet zijn taak te volbrengen. Als het naar binnen komen niet echt vreselijke prioriteit heeft is het handig om even mee te spelen.
-‘Wat ben je aan het doen?’
Hij zal niet zeggen: ‘Ik ben aan het fietsen’, maar ‘ik ben op weg naar het ziekenhuis.’ Dan vraag je bijvoorbeeld waar dat ziekenhuis is en verzoekt hem om de patiënt snel af te leveren. Want de ambulance moet terug naar de remise. Met enig geduld komt hij dan waarschijnlijk. Dan babbel je nog wat over de aard van de verwondingen of zo en loopt met hem naar binnen.

De laatste dagen dat hij bij ons was, was hij bijna steeds bisschop. Bisschop van Hasselt. We gingen naar de speeltuin. Hij had zijn sinterklaastenue aan en een stok in zijn hand, hij was immers bisschop. De andere twee kleinkinderen gingen ook mee. Mijn vrouw hield haar hart vast. Wat zouden de andere kinderen in de speeltuin wel niet zeggen. Ze waarschuwde hem dat er vast wel kinderen zouden zijn die hem zouden uitlachen. Hij keek hier bevreemd van op, hem uitlachen, hoe zo? Tegelijk merkte je toch even iets van onzekerheid. Uitlachen, dat kent hij op zich wel, maar hij snapt eigenlijk nooit waarom hij uitgelachen wordt. ‘Als iemand je uitlacht’, vervolgde mijn vrouw. ‘dan kun je het beste er niet op reageren en de andere kant uitkijken.’ Hij was heel stil. Hier moest hij over nadenken, maar hij was ook blij. Je zag dat hij een handvat kreeg om hier mee om te kunnen gaan.

Iedereen heeft die middag in de speeltuin gespeeld. Zijn zusje van 3 kwam verontwaardigd tegen ons, grootouders, vertellen dat zijn broer werd uitgelachen. Ze keek zo boos dat ik niet graag in de schoenen gestaan zou hebben van die pestkoppen. Wat kan zij boos kijken! Het was ontroerend om te zien hoe ze voor hem op kwam. Maar het was niet nodig. De bisschop bleef er waardig onder, hij keek de andere kant op en reageerde niet op het domme klootjesvolk.

Hij speelde de air van Bach op de piano. Ik waarschuwde hem dat hij zo moest opruimen. Toen hij klaar was wilde hij weer wat anders gaan spelen maar ik tilde hem op van de pianokruk, kuste hem en vertelde hem dat hij zo mooi gespeeld had. Maar nú moest hij opruimen. Ik wees aan wat hij moest doen. Hij deed het en mopperde niet. Zelfs niet ‘móet ik..’ Waw!

We keken nog gezellig een filmpje. En dan schoenen aan, naar huis. Tja. Er staat een piano in de huiskamer. En er móest nu dan toch nog even gespeeld worden. Zijn broertje verzorgde het slagwerk. Er klonken wat impressionistische klanken. Ze zijn voor hem droevig. Maar er klonk een mooi einde, gewoon in majeur, een sfeervol einde van een leuke dag.

Geplaatst in autisme | Tags: , , | 1 reactie

Muziek, Muziek!

Stomverbaasd hoor ik steeds opnieuw weer verrassende klanken, telkens wanneer mijn oudste kleinzoon op bezoek is. Maanden geleden componeerde hij iets, zonder enig idee te hebben hoe dat zou klinken. Ik vormde het om tot een speelbaar stukje. (Requiem van Evi) Hij vond het mooi. Daarna kwam het nooit meer terug. Tot eergisteren. Hij haalde het tevoorschijn uit zijn diepe geheugen en improviseerde er van alles omheen. Hij had pas een klein stukje gespeeld en vroeg toen, door het spelen heen: ‘Ken je dit?’

Diezelfde dag speelde hij ook onderstaande improvisatie. Hij laat horen bij al zijn stukjes een vormidee te hebben. Verder komen er steeds meer texturen, als uitgebreide Albertijnse bassen, of in de rechterhand verschuivende akkoorden boven een orgelpunt. Dit heet: toepassen van muzikale ervaringen.

En ja hoor, de canon van Pachelbel, al heel lang niet meer gehoord! Maar hij doet bij het maken van zijn variaties boven die bas uitzonderlijke dingen. De opname begint midden in een van die variaties en met wat schaven zou dat zo maar een sublieme versie kunnen worden. Ook opvallend is hoe hij dissonante secundes laat oplossen bij een andere variatie, of hoe hij compleet gebroken drieklanken met zijn kleine handjes speelt in de bas. Elke foute noot herstelt hij onmiddellijk, alles speelt hij op zijn gehoor. Dan komt er een variatie met af en toe bewust een vreemd akkoord (voor de kenners: moll-dur bijv.) en hij eindigt met een duidelijke drieklank waar hij heel bewust een enigszins “jazzy” majeur 7 aan toevoegt. Het past niet in de stijl, maar hij vindt het wel mooi en lost het dus niet meer op naar een gewone drieklank.

Drie dagen eerder was hij met zijn gezin en anderen op bezoek, mijn vrouw was jarig. Door het feestgedruis heen ging hij vaak wat spelen op de piano, zoals onderstaande improvisatie. Hij staat in A mineur. Eerst hoor je heel veel Jan-Veen-achtige klanken met links akkoordbrekingen. Hij heeft inmiddels de vertragingsnoot ontdekt, in dit geval een G boven een D mineur akkoord die hij oplost zoals het hoort. Ook stoeit hij met chromatiek en speelt klassieke wendingen als I-IV-V (zonder leidtoon) -I, maar ook uitwijkingen naar de majeur parallel. Heel bijzonder vindt ik de tussendominant (een verminderde drieklank van Fis) op 1.46 minuut. Ook die wending laat hij later (2.06) nog terugkeren. Hij moduleert naar C, blijft daar even in steken met wat vreemde, zoekende akkoorden, maar eindigt weer in de begin-toonsoort: A mineur. Het was geen concert, maar iedereen begon na het slotakkoord spontaan te klappen.

Ik hoor precies wat hij doet en hoe hij zich muzikaal ontwikkelt. Daar ben ik muziektheoreticus voor. Nu die vermaledijde vingerzetting nog en dat vervelende noten lezen. Dat vindt hij saai liet hij mijn vrouw weten.
-‘Maar wil je het wel leren?’
-‘Ja.’
OK dan..

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: , , | 1 reactie

In gesprek met Bach

Nadat hij zijn handen coronaproef had gezeept rende hij juichend de kerk binnen. Hij keek omhoog. Daar was het dan: het echte orgel!

Mijn zwager, organist, zou hem wegwijs maken. En liet hem op veel manieren “altijd is kortjakje ziek” spelen. Maar hij wilde natuurlijk Bach spelen. Thuis had hij al geoefend. Naast de Toccata in D mineur natuurlijk de Air. Rechts de melodie, links de bas. Maar nu hij bij een echt orgel is wil hij het stuk met ook een echt orgelpedaal spelen. Dus rechts de melodie, en de bas in het pedaal. Zo klonk het thuis, daarna zoals het in de kerk klonk.

Door “het Air” maar ook door veel van zijn andere muziek is Bach de favoriete componist van mijn kleinzoon. Het was warm buiten, we waren wezen zwemmen in een plas. Thuisgekomen ging hij dus in bad, even weer helemaal schoon spoelen. Ik was in de kamer ernaast. Daar hoorde ik dat Bach bij hem op bezoek was. Beide componisten voerden met elkaar een leuk gesprek. Bach zong een paar deuntjes en vroeg aan mijn kleinzoon of hij die ook kende. Uiteraard kende mijn kleinzoon die: het “Menuet”, de “Toccata in d mineur” en “Jesu bleibt meine Freude”. Bach moest toen ook even naar een compositie van mijn kleinzoon luisteren. Op de achtergrond hoor je naast het gespetter in het bad hoe in een andere kamer mijn vrouw aan de telefoon een heel ander gesprek voert en hoe mijn andere kleinkinderen totaal niet door hebben dat er hoog bezoek in de badkamer is. Af en toe hoor je ook nog een voorbijkomende auto of motor. Ook die rijden voorbij zonder zich te realiseren wat hier in huis gebeurt. Bach stoorde zich gelukkig niet aan al die geluiden.

-‘Opa!’
Mijn kleinzoon riep mij. Hij weet dat ik een Beethoven-fan ben: Beethoven zou ook nog langs komen!

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: , | 3 reacties

Organist

Al weken verheugt hij er zich op, maar nu gaat het dan eindelijk bijna gebeuren: mijn oudste kleinzoon mag op een écht orgel spelen! In een kerk waar een zwager die organist is speelt en studeert. Wat ga je later worden? Nu is het steeds vaker: organist!  Alhoewel machinist ook nog een mogelijkheid blijft. Dus als hij bij opa en oma is en vlak voor het naar huis gaan nog een filmpje mag kijken wordt het: of een film over treinen, of een film waarbij een organist speelt.

Er klonk weer een orgelstuk.
-‘Wat speelt hij, wat is dit?’ Hij wil van elk stuk dat hij hoort meer weten. De organist speelde in dit geval een improvisatie, maar die begon heel duidelijk met een bestaand gezang, waarschijnlijk iets dat voor de kerkgangers een bekend lied was. Zo leg ik hem dat dan uit. Daarna ging deze organist improviseren. Hij heeft deze zelfde film nu enkele keren bekeken en wat schetst mijn verbazing dat hij het stuk na ging spelen. Een mooi driedelig stukje met in het midden zijn eigen improvisatie. Dat is dan ook een echte improvisatie, iets heel anders als dat er in het filmpje klonk.

Bij het spelen zit hij zelf ook nog eens voortdurend te registreren. Op zijn keyboard is dat een kwestie van steeds een andere orgelklank kiezen, razendsnel drukt hij drie knopjes in: 065, en daar klinkt alweer een ander register. Ik moest ook een keer registreren. Maar ik ben niet zo snel, dus dan zei hij mij maar welke cijfers ik in moest drukken. Ook moest ik een keer orgel spelen en dan was hij de registrant. Voor we begonnen gaven we elkaar eerst een hand en toen begon het concert. Plechtig gaan zitten, en dan gewoon lekker improviseren, dat kan ik ook wel. Hij registreerde mijn improvisatie leuk!

Op het keyboard kun je ook door het instrument bestaande stukjes laten spelen. Je hoeft dan niets te doen. Het idee is dat je uiteindelijk die stukken ook gaat spelen. Er staan er misschien wel honderd in, hij kiest altijd klassieke stukjes. Daar luistert hij dan nauwgezet naar en gaat ze vervolgens na spelen. Niet stukje voor stukje, nee gelijk helemaal. Ik denk dat hij inmiddels zeker tien stukken op die manier al heel behoorlijk kan spelen. Je ziet hoe hij voortdurend luistert en zich verbetert, ook als de basnoot niet goed is. Alles zit al in zijn hoofd. Er is ook een mogelijkheid om het keyboard bijvoorbeeld alleen de bas te laten spelen, dan speel jezelf de rest. Dat heeft hij ook ontdekt. Geweldig: nu kun je het pedaal van een orgel laten horen, en dat intussen met je voeten zogenaamd meespelen. Dat doet hij dan bij dat stuk, maar ook bij andere stukken die hij gewoon met twee handen speelt laat hij zijn voeten meebewegen met de noten van de bas. Geweldig!

Het was feest zondag want we gingen eindelijk weer eens met de trein. Hij wilde naar Constantijn Huygens. Hij bedoelde: we gaan naar het zomerverblijf van Constantijn en zijn zoon Christiaen Huygens uit de zeventiende eeuw in Voorburg: Hofwijck.

-‘Weet je misschien al iets over Christiaen Huygens?’, vroeg de aardige mevrouw die ons opwachtte.
-‘Ja, hij heeft Titan ontdekt, de grootste maan van Saturnus.’
ik zag haar even aarzelen en enigszins perplex staan, zo van “mmm, dat zou best wel eens kunnen”. ‘Ja, en de ringen van Saturnus’, vulde ze aan. Mijn kleinzoon keek haar aan met een blik van “ja hoor, dat weet ik al lang.”

De eerste verdieping gaat helemaal over vader Constantijn Huygens, de beroemde dichter en secretaris van de Oranjes. Je kon een jas aantrekken uit die tijd die overeenkwam met een jas zoals de kinderen van Constantijn, dus ook Christiaen, indertijd droegen. Constantijn was erg muzikaal, hij speelde veel instrumenten, componeerde en wilde dat ook zijn kinderen een goede muzikale opvoeding kregen. Op de mouw waren 8 manchetknopen aanwezig. Zo leerden de kinderen terwijl ze naar deze knopen wezen “do re mi fa sol la si do” zingen en konden ze het solmiseren oefenen. Een uiterst effectieve methode! Mijn kleinzoon deed het ook en had er zichtbaar plezier in.

De logeerpartij was weer voorbij. Maar nu kijkt hij uit naar dat andere evenement: zelf spelen op een orgel!

Zie ook:

Retorica in de muziek van Constantijn Huygens

Ooghentroost

Geplaatst in autisme, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , , , | 1 reactie