Bloemen en orgelmuziek in het aards paradijs

De dagen zijn al weer heel langzaam korter aan het worden, maar de natuur houdt het weelderige zomergevoel nog zo lang mogelijk vast. De berm van de dijk naast ons huis is nog niet gemaaid. Gisteren liep ik met mijn camera vanaf ons huis zo’n 200 meter langs de dijk, en terug liep ik over een paadje van het aangrenzende natuurgebied van het Zuid-Hollands landschap. Wat een ongelooflijke uitbundigheid! Ik plakte een selectie van de foto’s die ik daar maakte achter elkaar en speelde later op mijn orgel wat achtergrondmuziek. Twee dagen eerder had ik vogelgeluiden opgenomen, een deel nam ik op bij dezelfde plek, het grootste deel klonk in de vroege ochtend vanuit de serre van ons huis, je hoorde vogels in de tuin. Het klonk die ochtend met name net zo uitbundig als de bloemen iets verderop in de berm bloeiden, het leek wel een volière. Ik prefereer die geluiden boven het geluid van tractoren en motoren, die eigenlijk het grootste deel van dag de vogel- en insectengeluiden overstemmen. Zo waan je je met wat fantasie in het aards paradijs. Of in de hemel, daar hoor je vast ook vogeltjes en er klinkt zo wie zo orgelmuziek!

Geplaatst in natuur | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Il Buco

Il buco betekent letterlijk: “het gat”. Dat is de titel van een film die in Nederland afgelopen donderdag in première ging en die we gisteren zagen. De Volkskrant beloonde hem met maar liefst vijf sterren. Ik las op internet dat mensen het een compleet waardeloze film vonden. Zo zie je maar. Om te beginnen: moest je deze film zien als een documentaire of als een speelfilm? Het ging over de verkenning door speleologen van een onderaardse grot van meer dan 600 meter diep. De film is gebaseerd op deze verkenning in 1961. In de film hoorde je vooral omgevingsgeluiden, maar er werd nauwelijks in gesproken. Als er al gesproken werd zagen we van het gesprokene geen ondertiteling. Een vertaling was ook niet nodig, het hele gesprek was op dat moment meer een illustratie van dát er gesproken werd dan van wát er werd gezegd. De kijker werd geprikkeld om vooral heel veel associaties te hebben. En er waren daarvoor volop mogelijkheden. Wat ging er allemaal door het hoofd van de oude herder heen, die al die speleologen vanuit een bergtop zag aankomen? Wat gebeurde er allemaal in het bergdorpje waar deze speleologen een nacht in een kerk bleven slapen? We zagen flarden van een kerkdienst, kinderen die naar een dokter gingen, diezelfde dokter zagen we later nog een keer. Televisiebeelden uit New York, gezien op een zwart-wit TV in een bergcafé. Niemand keek daar TV. Als je keek had je kunnen zien hoe een glazenwasser al stijgende naar binnen gluurde in de kantoorruimtes van een wolkenkrabber, waarbij hij commentaar gaf. We zagen bij de speleologen stukjes van een tijdschrift. Dat gebruikten ze om er fakkels van te maken. Stukjes papier met op eentje ’n foto van John F. Kennedy. Dat leverde een prachtig tijdsbeeld. Maar is het leven er sindsdien veranderd? Ik kreeg de indruk dat de mensen in dat afgelegen bergdorp wellicht nog steeds zo leven, net zo als zestig jaar geleden. Maar nu misschien met een kleuren TV. Of een primitief G2 netwerk voor de telefoon, zo fantaseer ik. Alles was heel mooi gefilmd, zonder commentaar. In de grot hoorde je vooral stilte, maar soms ook de geluiden van veel insecten. Hoe zag de buitenlucht er uit als je een eindje lager in de grot was? Er vloog een voetbal van de ene kant boven de spelonk naar de andere kant, en weer terug, een hele tijd achter elkaar. Achterblijvers boven de grot doodden de tijd met een spelletje. Heel veel later in de film zag je hoe die bal diep het gat in donderde. Allemaal gebeurtenissen die er niet toe leken te doen, maar waar je wel over kon nadenken als je dat wilde. Het geluid van de herder, die met prachtige klanken zijn kudde liefdevol toe riep. Een andere herder die heel goed een ezel kon imiteren, die geestelijk niet in orde was, maar wel in staat was om de oude herder te verzorgen. En je zag eindeloze landschappen. Waar je lang naar kon kijken en waar je helemaal in kon op gaan. Niet met het commentaar zoals in een documentaire, maar met alleen het poëtische beeld en het karige omgevingsgeluid. Als je je er aan over gaf: je was anderhalf uur achter elkaar in een bergdorp, of in een gat, of eenzaam, hoog in de bergen. Ook het markante hoofd van de oude herder bleef vaak lang achter elkaar in beeld. Er leek niets te gebeuren. Er heerste een volmaakte rust.

Toen was de bodem van het gat bereikt. De speleologen waren maar liefst 685 meter gedaald. Alles werd bovengronds minutieus uitgewerkt en opgetekend. De missie leek volbracht. Maar wij waren nog steeds in de bergen. Er waren mooie wolkenpartijen boven op een top, met zwarte schimmen van kale bomen.  Na een tijdje was er alleen nog maar mist. Uit die mist klonk de roep van de herder. Alles leek weer bij het oude. Il buco was weer een eenzaam gat, een gat dat hoorde bij de herders en hun kudde.

We keken de hele aftiteling af. Ik vond het een mooie film. Vier sterren wat mij betreft.

Geplaatst in Film, recensie | Tags: , , , | 1 reactie

Details van Mercurius, onze kleinste planeet

In de Volkskrant van vandaag lezen we:
Slechts 200 kilometer: op kosmische schaal is dat niets. Op die afstand vloog de Europees-Japanse ruimtesonde Bepicolombo langs het door kraters getekende oppervlak van Mercurius. In vaktermen heet zo’n manoeuvre een ‘fly-by’: een route rakelings langs een planeet.

Anderhalf jaar geleden schreef ik al over deze missie. Wie weet horen we er de komende jaren nog meer over. Maar het belangrijkste komt pas over drie jaar, wanneer de sonde in een baan rond Mercurius komt. Dan worden er een jaar lang allerlei bijzondere metingen uitgevoerd en zullen er vast nog wel meer opvallende foto’s gemaakt worden. Mercurius, die extreme planeet, zo ontzettend dichtbij de zon. Die we zeker in Nederland bijna nooit kunnen zien. Maar nu zien we zelfs deze prachtige details!

Geplaatst in Astronomie | Tags: , | Een reactie plaatsen

Een hartverwarmend concert op het orgel van de Nieuwe kerk van Middelburg.

Gijs heeft drie opa’s en drie oma’s, wat een bofkont! Zo heb je meer kans op leuke cadeautjes. Van Opa en Oma Middelburg kreeg hij twee weken geleden een cadeau voor zijn negende verjaardag dat vandaag werd verzilverd: spelen op het orgel van de Nieuwe kerk van Middelburg. Dat hadden ze weten te regelen met de organist, Margreeth de Jong.  De reis had hij er wel voor over, na afloop waren er ook nog eens pannenkoeken en mocht hij spelen op de grote instrumentencollectie van deze grootouders. Toen hij ook dat zat was ging hij lekker schommelen in hun tuin.

In de kerk werden we  samen met Margreeth de Jong getrakteerd op een uitgebreid programma waarbij Gijs van hartenlust de registers mocht uitproberen. Nu niet de registers van een Hauptwerkorgel, maar van een echt orgel! Vooral de koppelingen werden op alle mogelijke manieren “gekoppeld”.

Hij speelde een (bewerkt) lied van Bach: “Lieber Herr Jesu, wo bleibst du so lange.” Daarna een eigen improvisatie van zacht naar hard, Psalm 100, drie variaties op Psalm 42, een stukje van Widor, de toccata in D-mineur van Bach en op het einde nogmaals een improvisatie, maar nu een totaal andere: een improvisatie waarbij vogelgeluiden werden nagebootst. Je kunt het terugluisteren, bijna 20 minuten. Zeker het einde ook vind ik de moeite waard!

Nog iets over het orgel: Van het originele zeer oude orgel is niets meer over. Maar toch ziet de orgelkas er oud uit. Hou zit dat? In 1954 schonk de Lutherse Gemeente aan het Spui in Amsterdam een orgelkas aan de Hervormde Gemeente te Middelburg.
In die kas zat oorspronkelijk een orgel van orgelbouwer Johannes Duyschot, gebouwd in de jaren 1691-1693. Bij de bouw van dat orgel vervaardigde Jan Albertsz. Schut het oksaal en de orgelkas. De beeldhouwer Jasper Waageman leverde het beeldhouwwerk voor het lampet onder het Rugwerk en vermoedelijk ook de andere beeldengroepen van het orgel. In september 1692 was de orgelkas zover klaar dat men kon beginnen met schilderen. Er werd besloten om de kas ‘in root en wit te lacken’. Deze beschildering is thans helaas niet meer aanwezig. De orgelluiken werden beschilderd door Philip Tideman, een Amsterdamse kunstschilder.
De firma van Leeuwen uit Leiderdorp bouwde in 1954 een geheel nieuw binnenwerk in deze kas. Hierbij moest het pedaalpijpwerk wegens de geringe ruimte een plaats krijgen in een nis in de muur rechts naast het instrument. Margreeth de Jong liet het ons allemaal zien. De laatste werkzaamheden zijn van de hand van de firma Flentrop, die heeft in 2004 nog uitgebreid onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd. Maar de huidige pijpen zijn dus van de hand van orgelmaker van Leeuwen, het is dus een “van Leeuwenorgel”. Maar wel eentje met een heel mooie kas uit de zeventiende eeuw.

Gijs, zijn moeder en ik reden weer terug. Dat is een saaie en lange reis, vandaag zeker. Het was koud en druilerig. Maar dat deerde niet, onze harten waren immers verwarmd.

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Beveiligd: Een uitsmijter

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Jan Welmers

Gisteren hoorde ik voor het eerst muziek van Jan Welmers, de organist en orgelpedagoog die afgelopen maart op 84-jarige leeftijd overleed. Hij is vooral bekend van zijn minimal music waar ik persoonlijk niet veel mee heb. Maar hij schreef in meer stijlen. Bij sommige stukken gebruikte hij klankblokken of hij componeerde volgens de 12-toons techniek. Hij schreef het stuk dat ik gisteren hoorde al in 1965 en het werd pas in 1999 voor het eerst op CD gezet. Hij speelde het toen zelf op het Königsorgel van de Stevenskerk, de kerk waar hij bijna 25 jaar aan was verbonden. Het was een stuk dat gebruik maakte van de twaalf-toons techniek. Dat is niet zo vreemd. 1965 was vooral ook tijd van de seriële muziek, die toen vooral werd geschreven door componisten als Boulez en Stockhausen. Zij schreven erg technische muziek, moeilijk te spelen en nog moeilijker voor de toehoorder. Omdat er nog andere reekstechnieken werden toegepast werd de muziek erg abstract. Heel anders dan de meeste 12-toons muziek van de leden van de tweede Weense school, die meestal in de kern romantisch bleef. Ik begrijp hoe Schönberg gekomen is tot zijn 12-toonsstelsel. Als je zijn muziek beluistert zo tussen 1908 en 1920 dan voel je het geleidelijk aan gebeuren. Eerst wordt de tonaliteit los gelaten. De muziek is zo chromatisch van opzet geworden dat er vanzelf een centrum verdwijnt. Als hij dat onderkent wordt de muziek bewust atonaal, we noemen die periode “de vrije atonale stijl”. Maar de chromatiek van Wagner blijft nog steeds dichtbij. Hij zoekt naar vaste grond en vindt dat in de vorm, zoals hij bij een van de delen van Pierrot Lunaire het verschijnsel Passacaglia toepast: er is een vaste melodie die bindend is door in het hele stuk in een van de partijen aanwezig te zijn. Maar de muzikale drager is feitelijk de tekst, en door ritme en instrumentatie wordt de sfeer die bij die tekst hoort uitgedragen. Ik heb wel eens aan studenten gevraagd toen ik het stuk een keer had laten horen of ze een idee van de vorm hadden? Niemand had gehoord dat er een vaste melodie aanwezig was. De andere aspecten vielen veel meer op. Later, zo vanaf 1920, wordt die bindende factor nog stelliger vastgelegd bij Schönberg in een soort thema met 12 verschillende tonen, en door dat vol te houden ontstaat de 12-toonsmuziek. Ook hierbij is het niet van belang dat je dat thema herkent. Daarna vindt er opnieuw een grote ontwikkeling plaats, maar: de muziek blijft op een of andere manier een romantisch trekje hebben. Het sterkste zie je dat bij Alban Berg, die ook volgens deze techniek gaat schrijven, bijvoorbeeld in zijn altvioolconcert, we horen uitgesproken romantische muziek. Ook zijn opera Lulu blijft romantisch. Bij Anton Webern lijkt dat steeds minder te gaan worden. Zijn late werk is verschrikkelijk moeilijk om te spelen maar ook om als luisteraar te bevatten. Het is niet voor niets dat de leden van de seriële school van na de tweede wereldoorlog vooral naar Anton Webern keken. Toen ik nog les gaf op het Conservatorium liet ik vaker een deel uit de variaties opus 27 voor piano horen en wist door sommige stukken van te voren pathetisch voor te zingen niet alleen de structuur duidelijk te maken, maar ook liet ik horen hoe nog steeds de opzet in feite romantisch was. Zelfs de korte motieven zijn hier niets meer dan romantisch geladen melodieën. Door de expressietekens die hij erbij zette gaf Webern duidelijk aan hoe je als instrumentalist moest denken en “zingen”, met daarbij de fraseringen die geleid werden door de talloze ritenuti.

Ik was dus benieuwd naar de Passacaglia van Jan Welmers. Was het romantische muziek? Hmmm. Niet echt denk ik, het was eerder interessante sfeermuziek. Ik bleef geboeid luisteren door de vele afwisselende passages, afwisselend in ritmisch opzicht maar vooral ook door de afwisselende orgelregistraties. En af en toe was het spannend door de virtuositeit die nodig was om alles te kunnen spelen, zoals op het einde de razend snelle pedaalpartij. En ik wilde natuurlijk graag het verschijnsel passacaglia herkennen. Ik hoorde in ieder geval hoe met name gedurende de tweede helft hele passages gedragen werden door langere tonen in de baspartij, maar ik kon zo gauw niet herkennen wat de overeenkomst was tussen al die fragmenten. En er waren ook vrij veel fragmenten waar die bas ontbrak. Je moet het stuk waarschijnlijk vaker horen en een partituur erbij zou ook kunnen helpen. Desondanks vond ik het zelfs de eerste keer een boeiend stuk. Stukken die je vaker moet horen zijn meestal de beste. Ik zal binnenkort een keer wat 12-toonsmuziek uit de tweede Weense school toelichten. Of misschien de passacaglia voor orkest van Anton Webern, zijn opus 1, nog helemaal in een romantische tonale stijl.

Hier een opname van de passacaglia van Jan Welmers, gespeeld door Johan den Hoedt op het van Leeuwen/van de Veer orgel in de Wijnstok in Dordrecht.

Leuk om hier vaak naar te kunnen luisteren. Ik mis wel de bevlogen uitvoering van Gerben Budding die ik gisteravond hoorde, het klinkt hier net iets te technisch naar mijn mening. En de registratie is ook behoorlijk verschillend, logisch ook met die verschillende orgels. Het zou aardig zijn om ook een opname zoals die ik gisteren hoorde vaker terug te kunnen beluisteren.

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Jehan Alain

Op 20 juni 1940 sneuvelde, nog in het begin van de tweede wereldoorlog, de getalenteerde componist en organist Jehan Alain. Hij was pas 29 jaar. Zijn vader Albert Alain was een leerling van Gabriel Fauré en Guilmant aan het Conservatorium van Parijs. Heel bijzonder: in zijn huis had hij zijn eigen orgel gebouwd en zo konden hij en zijn kinderen goed orgel studeren. Hij was een goed amateur-orgelbouwer.

Hij werkte in een katholieke kerk en was voornamelijk met religieuze muziek bezig. Dat kun je ook wel zien aan zijn eigen huisorgel, met een beeld van Maria met Jezus op haar arm en een beeld van zo te zien een Franciscaner monnik. (Franciscus, Antonius van Padua?) Zo ook kregen zijn kinderen religieuse muziek met de paplepel ingegoten.

Jehan Alain kreeg dus eerst les van zijn vader, daarna van Augustin Pierson aan het orgel van de Saint-Louis-kathedraal in Versailles. In 1928 ging hij naar het Conservatorium van Parijs. Daar studeerde hij naast orgel bij Dupré ook compositie bij Paul Dukas en Roger Ducasse . Tijdens zijn studie behaalde hij prijzen bij de onderdelen harmonieleer, contrapunt, fuga, orgelspel en improvisatie. Die laatste lessen bij Dupré waren beroemd. De studenten moesten na een opdracht om de beurt improviseren, maar iedereen wilde eerder dan Jehan spelen, bang dat hun improvisatie anders in het niet zou vallen. Tijdens een van deze improvisatiesessies eindigde Jehan in een andere toonsoort dan waarmee hij begonnen was, iets dat eigenlijk een soort “misdaad” was. Jehan zei schuldbewust: “Oei, dat was een vergissing…” Marcel Dupré antwoordde hem: “Nou, je moet je vaker vergissen! “

Vanaf 1935 was hij organist van de Saint Nicolas in het plaatsje Maison-Lafitte, nu aan de rand van het huidige westelijke Parijs aan de Seine. De Saint Nicolas is een bescheiden parochiekerk uit begin negentiende eeuw met slechts een klein orgel, maar hier kon hij behalve dat hij de diensten begeleidde ook veel zelf spelen, componeren en improviseren. Zijn orgelwerken zijn dan ook voornamelijk vanaf die tijd ontstaan.

orgel st. Nicolas

Een jaar later al, in 1936, kreeg hij erkenning als componist door het winnen van de prijs van de vereniging “Vrienden van het orgel” met een suite voor orgel. Hij trouwde in hetzelfde jaar en kreeg in de vier jaren dat hij nog leefde drie kinderen. De baan als organist was niet echt lucratief, hij moest bijverdienen door het geven van piano- en orgellessen. Soms nam hij ook deel aan de activiteiten van de groep “Jeune France”, een groep die onder de bezielende leiding stond van Olivier Messiaen. Hij sneuvelde zoals gezegd op 29-jarige leeftijd, waarna zijn muziek enigszins vergeten dreigde te worden. In zijn nalatenschap vinden we allerlei composities: voor piano, orgel, kamermuziekensembles en ook schreef hij vier missen in allerlei bezetting en flink wat koormuziek.

Een van zijn bekendste werken voor orgel is “Litanies”, dat hij schreef in augustus 1937 en opdroeg aan Virginie Schildge-Bianchini (later Zinke-Bianchini). Zij was een vrouw die eveneens behoorde tot de intimi van Olivier Messiaen, zij schreef bijvoorbeeld een uitgebreid voorwoord in een van diens theoretische boeken. Een litanie is een gebed waarbij God, Maria, of een of meer heiligen worden aangeroepen. Een litanie wordt gebeden tijdens een dienst of een processie en heeft de vorm van een aantal aanroepingen; iemand (meestal een priester) bidt voor en de gelovigen antwoorden met een bepaalde formule zoals “bid voor ons” (ora pro nobis), of “heb medelijden met ons” (miserere nobis) enz. Het meest kenmerkende is dus de formule voorzang-nazang, maar ook de soms wat langere reciterende aanroep, gevolgd door het slechts korte antwoord. Hieronder een fragment van een Gregoriaans Litanie gezang waarbij heiligen, engelen en figuren uit het oude testament worden aangeroepen en hen wordt gesmeekt medelijden met ons te hebben,

Het meest beroemde familielid van Jehan Alain zou zijn zus Marie-Claire worden. Zij was bijna veertien jaar oud toen haar broer om het leven kwam. Net als haar broer had zij ook les in Parijs bij Marcel Dupré. In de organistenwereld is haar naam een begrip. Meer dan 2000 orgelconcerten gaf ze over de hele wereld. Ook was zij decennialang een van de vaste docenten aan de Internationale Zomeracademie voor Organisten, onderdeel van het Internationaal Orgelfestival Haarlem. Na 2010 stopte ze met spelen en het geven van masterclasses. Zij stierf in 2013 en zorgde er in haar lange carrière voor dat de orgelwerken van haar veel te vroeg gestorven broer bekend bleven. Hier horen we hoe Marie-Claire Alain in Luzern de Litanies van haar broer speelt.

Mijn kleinzoon van net 9 jaar oud wilde het ook wel eens spelen. Hij had het nog nooit gespeeld, wel al enkele keren gehoord vermoed ik. Uit zijn hoofd klonk het bij hem zo:

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , | 2 reacties

Beveiligd: Een driedelige sonate

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Beveiligd: Een volmaakt orgel en een streaming concert

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

De mooiste tijd van het jaar

Mijn moeder heeft me de liefde voor de natuur bijgebracht. Ze is nu alweer bijna 22 jaar geleden overleden, maar ik herinner me haar vooral als iemand die stil kon genieten van haar omgeving. Op een beschut plekje in de tuin met de geur van rozen, het gezoem van insecten. Toen ze klein was stonden er in ons geboortedorp heel veel orchideeën. Daar kon ze met weemoed aan terug denken. Vooral door het slechte bermbeheer met vergif was er heel veel verdwenen. Ik nam haar een keer mee naar de duinen van Oostvoorne. Wat een genot, daar stond het allemaal nog!

“De mooiste tijd van het jaar is de periode tussen half mei en half juni.” Als mijn moeder dat zei dan moest het wel zo zijn. Zij was de kenner met veel meer ervaring dan ik. Maar nu zeg ik het ook. We gingen pas weg in de vroege middag. Het eerste stuk van de duinwandeling kwamen we nog enkele mensen tegen, maar na een tijdje waren we helemaal alleen. Nee, de nachtegalen waren er ook. En de merels. En op sommige plaatsen rook het ontzettend lekker. Het was er meer dan zalig. Op het strand was vrijwel niemand. Behalve de watervogels natuurlijk. Het bleef warm totdat de zon af en toe weg ging. Weer terug in de buurt van de Tenellaplas zagen we op enkele plekken enkele reeën, en ook konijnen. Vroeger wemelde het ervan, zo’n 40 jaar geleden. De myxomatose richtte een slachting aan waarvan de populatie nooit meer was hersteld. Nu dan misschien langzaam weer? Het was al avond aan het worden. In de Tenellaplas zaten kikkervisjes. We mijmerden nog even bij het water. De daslook was uitgebloeid, maar de stengels smaakten pittig. Ik proefde het nog uren, en herinnerde me dan opnieuw deze mooie dag, in de mooiste tijd van het jaar.

Geplaatst in natuur | Tags: , , , , , | 2 reacties

Johann Christoph Friedrich Bach, Bückeburg en het Janke orgel

Johann Sebastian Bach overleed in 1750. Twee jaar daarvoor kreeg hij problemen met zijn ogen, hij had staar. Een jaar later al kon hij bijna niets meer lezen en hij kon ook niet meer schrijven waardoor hij dus ook niet de “Kunst der Fuge” kon afmaken. Al zijn documenten moesten worden ondertekend door zijn vrouw of zijn jongste zoon. In maart 1749 besloot hij om zich te laten opereren aan zijn ogen. De eerste operatie mislukte, een jaar later werd de operatie herhaald. Na enkele maanden kon het verband om zijn hoofd weer af, het was 18 juli 1750. Bach deed zijn ogen open, en het ongelooflijke leek gebeurd te zijn: hij kon weer zien! Maar de vreugde was van korte duur. Kwam het door de inspanning van zijn ogen, door de maandenlange gedwongen rust? Die zelfde dag nog kreeg hij een beroerte. 28 juli, tien dagen later, overleed hij. Omdat hij geen testament had nagelaten gingen de executeurs kijken wat er met de nalatenschap moest gebeuren. Zijn vrouw Anna Magdalena kreeg slechts een derde deel. En dat was zelfs te weinig om haar nog kleine kinderen van te kunnen onderhouden, laat staan om de grotere kinderen te laten studeren.

Johann Christoph Friedrich Bach

Johann Christoph Friedrich was achttien toen zijn vader overleed. Nog geen jaar daarvoor was hij aan een studie rechten begonnen aan de universiteit van Leipzig. Die moest hij nu afbreken. Gelukkig kon hij wel nog wat anders. Hij had namelijk net als zijn broers aan de Leipziger Thomasschule een muziekopleiding genoten. Daarnaast had hij ook nog muzieklessen gehad van zijn vader en van Johann Elias Bach, een achter-achterneef. Waarom is hij minder bekend dan de drie beroemde broers Johann Christian, Carl Phillipp Emanuel en Wilhelm Friedemann? Hier zijn meerdere redenen voor aan te wijzen. Deels omdat die andere broers werkten op zeer vooraanstaande plekken als Hamburg en Londen. Deels omdat hun stijl misschien meer in de smaak viel. Deels omdat veel werk van Johann Christoph verloren is gegaan. Maar net als zijn broers: componeren kon ook hij goed. Op zoek naar een baan kwam hij terecht in de stad Bückeburg in het Teutoburger woud. Daar kon hij gaan spelen als klavecinist in de hofkapel van graaf Willem van Schaumburg-Lippe. En het werd geen tijdelijk baantje, het bleek de baan van zijn leven. Hij bleef maar liefst ruim 40 jaar in deze stad werken, tot aan zijn dood. Op 8 januari 1755 trouwde hij met de hofzangeres Münchhausen.

De leiding van het hof-orkest was toen hij er aankwam in handen van twee Italianen, Angelo Colonna was er de concertmeester en Giovanni Battista Serini was aangesteld als kapelmeester en componist. Bach leerde daar de stijl van de Italiaanse opera en cantate kennen. Er werden ten minste twee keer per week concerten met meestal ook vocale muziek uitgevoerd. Toen de Italianen in 1759 vertrokken werd Johann Christoph aangesteld als concertmeester. Behalve voor de leiding van de concerten was hij nu ook verantwoordelijk voor het componeren van nieuwe werken. Er begon voor hem een intensieve werkperiode: naast veel kamer- en pianomuziek componeerde hij oratoria en symfonieën. Ook de benoeming van Johann Gottfried von Herder tot predikant aan het hof in 1771 was stimulerend, het leidde tot een vruchtbare samenwerking en vriendschap tussen de dichter en de componist. Herder leverde aan Bach teksten voor oratoria, cantates en andere dramatische werken. Deze fase eindigde in 1776 met de benoeming van Herder te Weimar.

In hetzelfde jaar overleed eerst de gravin en een jaar later ook de graaf. Johann Christoph Friedrich ging zich opnieuw oriënteren en besloot om te beginnen samen met zijn zoon een bezoek te brengen aan zijn broers in Hamburg en Londen. Vooral het bezoek aan Johann Christian in Londen was een feest. Bij concerten daar leerde hij onder andere werken van Glück en Mozart kennen. Ook kwam hij in Londen in contact met de “pianoforte”. Hij was zo onder de indruk van dat instrument dat hij besloot om er een te kopen en te laten verschepen naar Bückeburg.

Terug in Bückeburg wijdde hij zich verder aan de leiding van de hofkapel en leidde het orkest naar grote hoogten. Volgens Johann Nikolaus Forkel stond de Bückeburger hofkapel in die tijd op de vierde plaats in rangorde van de beste orkesten van Duitsland. Daarnaast stond de pianomuziek in deze periode in het centrum van zijn compositorische werkzaamheden, hij zou vaak tot laat in de nacht nog hebben geïmproviseerd. Hier een sonate voor pianoforte van zijn hand.

Op 26 januari 1795 kwam hij in Bückeburg te overlijden en hij werd op 31 januari op de begraafplaats aan de Jetenburger kerk begraven. Een belangrijk deel van zijn in handschrift overgeleverde werk, dat zich sinds 1917 in het Staatliches Institut für Musikforschung te Berlijn bevond, werd tijdens de Tweede Wereldoorlog helaas vernietigd.

Tot zover deze zoon van de beroemde Johann Sebastiaan Bach. Wat ik van hem beluisterde vond ik de moeite van het beluisteren waard. Hij zal voornamelijk gewerkt hebben in de grafelijke burcht. Maar de stad had ook een eigen Lutherse kerk. Kwam hij daar ook? Speelde hij er wel eens op het orgel? Dat was in de tijd van Johann Christoph Bach al zo’n 150 jaar oud, het dateerde uit 1625. En het heeft er, na de nodige restauraties, nog tot 1962 gestaan! Hij schreef bijvoorbeeld variaties voor orgel op het thema dat ook Mozart gebruikte van het bekende wijsje “Ah vous je dirai maman”, in Nederland bekend als “Altijd is Kortjakje ziek”.

Ook onderstaand preludium in E mineur is door hem voor orgel geschreven.

Het historische orgel van de Stadkirche van Bückeburg is in 1962 door brand verwoest. In 1965 werd het opnieuw naar historisch voorbeeld nagebouwd. Dat zie je nu nog terug in de orgelkast. Er waren zoveel foto’s van bewaard dat al het houtsnijwerk kon worden gereconstrueerd en het vernieuwde pijpwerk werd gemaakt door een orgelbouwer uit Hannover. Zo zal ook Johann Christoph het dus gezien hebben:

In de jaren 1993-1997 werd dit pijpwerk alweer verwijderd, er waren ambitieuze plannen om er weer een echt barokorgel van te maken. De orgelbouwer Rudolf Janke uit Göttingen ontwierp een nieuw “barok orgel” dat in de mooie gereconstrueerde orgelkast moest passen.

Orgel en altaar

En zo hebben we dus nu uiterlijk het orgel uit de tijd van Johann Christoph Bach, maar klinkend een neo-barok-orgel. Ja, want Janke wilde eigenlijk ook weer de klank van het oude orgel terug hebben, helaas, het pijpwerk was verdwenen en hij moest dus compleet opnieuw aan de slag. Hij probeerde de mooiste historische barok-registers die hij kende te imiteren. In de vroege barok waren orgels ook niet gelijkzwevend gestemd, dus hoe zou het dan geklonken hebben? Waarschijnlijk met een middentoons stemming. Maar dat zou betekenen dat je er eigenlijk in niet zo veel toonsoorten op zou kunnen spelen, toonsoorten met veel kruisen of mollen zouden dan knettervals klinken. Dat wilde hij natuurlijk ook niet. Dus verzon hij de “Janke-stemming:”, een stemming die niet geheel gelijkzwevend is, maar “een tikje middentoons”. Sommige toonsoorten (zoals D-mineur) klinken op dit orgel fantastisch, sommige andere toonsoorten klinken wat stroever (Fis, Des, As). Vooral voor de meeste barokmuziek en ook voor orgelmuziek van Mendelssohn is het ideaal. Het sleepladen-instrument bezit 47 registers, verdeeld over drie manualen en een pedaal. De tracturen zijn mechanisch.

Ann-Helena Schlüter, een zeer veelzijdig kunstenaar (onder meer schilder, pianist, organist) is erg enthousiast over het orgel. Ze liet in 2021 enkele opnamen maken, eentje waarop ze zelf het orgel beschrijft, maar ook een waarop ze op het orgel improviseert en een waar ze een preludium van Bach op dit orgel speelt. Ik zet de link naar deze opnames hieronder.

De klank van dit Janke orgel is ook als Hauptwerk-orgel vereeuwigd. Zie mijn artikel dat hieraan is gewijd.

Als je luistert naar muziek van Johann Christoph Friedrich Bach dan hoor je muziek die erg verwant is met muziek van Mozart. Hij schreef 20 symfonieën, heel veel kamermuziek en ook heel veel werken voor koor, solisten en orkest. Die werken zullen voornamelijk in een zaal van de grafelijke burcht zijn uitgevoerd, de geestelijke werken misschien ook wel in de Lutherse stadskerk. Ik hoop snel een keer Bückeburg te bezoeken. Het grafelijk kasteel staat er nog en kan deels worden bezocht.

De Lutherse stadskerk van begin 17e eeuw staat er dus ook nog, met daarin het eerder beschreven prachtige orgel.

Stadtkirche

Volgens Ann-Helena Schlüter is Bückeburg een heerlijk en aangenaam stadje. Ik kom er aan!

Geplaatst in Geschiedenis, muziek | Tags: , , , , | 1 reactie

Beveiligd: Improviseren

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: , , , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Hauptwerk

Hauptwerk is de Duitse naam voor “Hoofdwerk”, en elke organist weet gelijk wat je bedoelt. Het begrip “Hauptwerk” is inmiddels een internationaal begrip geworden doordat een ICT-bedrijf deze naam is gaan gebruiken voor het meest gebruikte virtuele orgel van dit moment. Virtueel, daar bedoel ik mee dat de geluiden niet uit orgelpijpen komen, ook niet uit een elektronisch orgel, maar uit een computer. Ze zijn opgenomen met de meest geavanceerde opname apparatuur. Van elke klank van elk register (dus van elke orgelpijp, dat kunnen er soms wel meer dan 8000 zijn) zijn ter plekke, meestal in een kerk, meerdere samples gemaakt. Al die samples samen vormen een virtueel orgel, dat via het programma Hauptwerk tot klinken kan worden gebracht. Hoe? Door te spelen op een of meer klavieren en pedaal. Al deze klavieren en het pedaal staan via midi in verbinding met een computer. Elke toets correspondeert dan met een van de eerder opgenomen geluiden. De hoeveelheid samples en de geluidskwaliteit van die samples, samen met vooral de kwaliteit van de koptelefoon of luidsprekers, bepaalt hoe goed alles klinkt. Hier zie je mijn hauptwerk-opstelling. Ik had al een keyboard dat je kunt gebruiken om muziek mee te maken, maar dat ook dienst kan doen als midi-keyboard waarbij de enige functie is het aansturen van de toetsgegevens naar de computer. Om dit te gebruiken moet je niet alleen een usb-verbinding net de computer hebben, maar het heeft zelf ook stroom nodig. Daar boven staan twee master-keyboards van ruim 100 euro per stuk, die gevoed worden via de usb-poort en dus alleen de midi-functie van aansturen van de toetsen hebben. Het pedaal heb ik gekocht en dat is ook via usb verbonden met de computer. De ombouw heb ik zelf gemaakt.

Voor het programma Hauptwerk, maar ook voor een virtueel orgel moet je betalen. En de bedragen zijn niet misselijk. Verder moet je computer vooral ook veel werkgeheugen hebben. Voor minder dan 32 GB moet je het niet doen, want dan zullen veel virtuele orgels niet geladen kunnen worden. Er is een “Lite-versie” van Hauptwerk. Je betaalt dan “slechts 13 euro per maand”. Deze versie heeft enkele beperkingen, onder meer: hoeveel geluiden kunnen er maximaal tegelijk worden geladen? 1024, dat zijn er gelukkig normaal gesproken ruim voldoende. De andere beperking heeft te maken met de mogelijkheid tot het gebruik van meer dan een monitor, het kunnen mixen van de geluiden (volume registers onderling afstellen) en nog enkele dingen. Je bent in dat geval wel echt professioneel bezig maar daar betaal je dan gelijk het viervoudige voor.

Ik heb een lite-versie en behalve het complete standaardorgel van “St. Anns-Moseley” (een eenvoudig tweeklaviers-orgel dat altijd samen met de installatie van Hauptwerk erbij wordt geinstalleerd) heb ik een aantal gratis demo-versies van veel mooiere orgels. Helaas, die demoversies zijn dan wel gratis maar de meeste registers van die orgels zijn uitgeschakeld. Je hebt dus slechts een select aantal registers dat je kunt gebruiken, het is vooral bedoeld om je lekker te maken. Wil je het orgel nadat je dan eenmaal lekker bent gemaakt helemaal hebben? Dat kost je per orgel zo tussen de pakweg 600 en 1200 euro!

Waarom die hoge prijzen? Tja, de gebruikerswereld is, zelfs wereldwijd, niet echt heel groot. Dus wil zo’n bedrijf alles up tot date houden, support bieden en het programma verbeteren dan kan dat alleen met dergelijke prijzen.

Nu stootte ik per toeval op een virtueel orgel voor Hauptwerk dat pas veertien dagen geleden op de site is geplaatst: het orgel van de Lutherse kerk van Bückeburg. Om voor mij duistere redenen is dit orgel geheel gratis, en alles werkt! Voor mij is de lite-versie van Hauptwerk daarvoor op dit moment genoeg. En nu heb ik eindelijk een echt goed klinkend, compleet orgel!

De dispositie ziet er als volgt uit:

Er zijn dus drie manualen en een pedaal. Het hoofdwerk (HW) heeft 13 registers, het bovenwerk (OW=Oberwerk) heeft er 14 en het Borstwerk (BW) heeft er 10. Ook het pedaal kent 10 registers, waaronder zelfs een 32 voet! De registers van de drie manualen kunnen afzonderlijk een tremulant-sound krijgen. En verder zijn er een aantal koppelingen mogelijk: Het bovenwerk kun je mee laten klinken op het hoofdwerk (II-I), ook het borstwerk kun je aan het hoofdwerk koppelen (III-I). Verder kun je de afzonderlijke manualen ook aan het pedaal koppelen. (I-P, II-P, III-P). Ik heb het pas gisteravond geïnstalleerd. Daarvoor moest ik eerst ongeveer 31 GB downloaden in 8 afzonderlijke bestanden, deze vanuit Hauptwerk installeren en voor de eerste keer inladen (wat kost dat de eerste keer veel tijd..), tot slot de virtuele manualen en het pedaal koppelen aan mijn keyboards en pedaal. Ik heb een opstelling met drie manualen en een pedaal, dus dat paste mooi bij dit orgel. Van de 32 GB werkgeheugen van mijn computer was na het inladen nog maar 8 GB over…

Ik ga er de komende tijd eens lekker op spelen. Maar ik heb een filmpje gemaakt om de geluiden van de registers te laten horen.

Over het originele orgel van Buckeburg heb ik in een apart stuk geschreven. Dat stuk gaat vooral ook over een beroemde inwoner van deze stad, Johann Christoph Friedrich Bach, een van de zonen van de beroemde Johann Sebastiaan Bach.

Geplaatst in muziek | Tags: , | 1 reactie

Warmtepomp?

“Welke grote vraag wilt u graag beantwoord zien door wetenschappers?” Deze vraag kunnen we stellen aan de wetenschapsredactie van de Volkskrant die met zes geselecteerde vragen van de zomer aan de slag zal gaan.

Guillaume Pitron, foto Aurélie Geurts, Volkskrant 14-5-2022

Dat prikkelt. Maar eigenlijk lees je al vaker over dergelijke grote vraagstukken, en worden er ook pogingen tot oplossingen aangereikt. Vandaag in diezelfde Volkskrant stond er een mooi artikel van journalist Guillaume Pitron, die is gespecialiseerd in de geopolitiek van grondstoffen. Voor de energietransitie zijn zeer kostbare aardmetalen nodig, een markt die China domineert. De mijnbouw om deze aardmetalen te delven is zeer vervuilend. Het is niet makkelijk om dat schoner te doen. In de omgeving van de mijnplaatsen is de grond verziekt door het vervuilde water en hebben duizenden mensen inmiddels kanker. Maar al die aardmetalen zijn hard nodig voor bijvoorbeeld zonnepanelen of accu’s van elektrische motoren. En vanwege de energietransitie zijn er steeds meer van die metalen nodig. Willen we af van kolen, olie en gas om de CO2-uitstoot terug te brengen dan zijn we zoals het er nu naar uitziet steeds meer aangewezen op die aardmetalen. De markt daarvan wordt gedicteerd door China die 75% van deze metalen levert. We kunnen proberen van het Russische gas af te komen maar we leveren ons dan wel uit aan China. En China kan ons dan net zo makkelijk in de kou zetten als Rusland dat nu doet. Guillaume Pitron suggereert dat we ook meer buiten China zullen moeten gaan delven, maar dan op een zo verantwoord mogelijke wijze, wat betekent dat de productie veel duurder zal zijn. En voor de energie opwekking is voorlopig kernenergie een relatief goede oplossing. De milieuschade is veel minder dan die ontstaat bij het uitgebreid delven van kostbare aardmetalen. En verder is het belangrijk, (een open deur), dat mensen stoppen met het overbodige gebruik van energie. Het langer rijden in een tweedehandsauto blijft voor het milieu beter dan het overstappen op een elektrische auto waar bij de bouw veel van die aardmetalen nodig zijn. Aldus Guillaume Pitron.

Dit soort gedachtes zouden bij een lange termijnstrategie van Nederland, of liever nog Europa, of liever nog de hele wereld, een grote rol moeten spelen. Afgelopen september werd onze gasketel schoongemaakt tijdens een jaarlijkse onderhoudsbeurt. De monteur liet ons enkele dingen zien die betekenden dat de ketel waarschijnlijk hooguit nog enkele jaren te leven heeft.
-‘Dan moeten we daarna misschien overstappen op een elektrische warmtepomp?’
-‘Dat waag ik te betwijfelen’ was zijn antwoord. ‘Ik denk dat het nog zeker tien jaar duurt voordat het echt lonend gaat zijn.’

Lonend gaat zijn, dat is voor de monteur een kosten-baten-plaatje. Maar hoe zit het met het milieu? Als alles elektrisch is zal ons huis geen gas verbranden en dus ook geen CO2 uitstoten. Maar hoeveel stoot een moderne gasketel uit? En dat met de wetenschap dat elektriciteit voor het grootste deel gemaakt wordt door het verbranden van kolen en gas. Dus indirect komt die CO2 dan alsnog in de atmosfeer terecht is mijn gedachte. Pas als we compleet kunnen overschakelen op groene energie, dan wordt het pas echt lonend. Maar: voor die groene energie zijn heel veel kostbare aardmetalen nodig. En met dat in gedachte denk ik dat we ons alsnog achter onze oren moeten krabben als particulier, maar vooral ook als Nederland. Ook de prachtige aardgasleidingen die door heel Nederland lopen, moeten we die opgeven? Na enige aanpassing kunnen de leidingen ook gebruikt worden voor het transport van waterstof. Waterstof kan in een elektrolysefabriek (omzetten van elektriciteit in gas) eenvoudig worden geproduceerd uit water en elektriciteit, en voor enorm veel doeleinden worden gebruikt – als brandstof voor voertuigen, als toevoeging in het aardgasnet, als grondstof in de industriële processen van raffinaderijen en staalfabrieken, voor de productie van meststoffen en in veel andere sectoren. Op de middellange termijn kan waterstof worden gebruikt als brandstof in elektriciteitscentrales. Als transportmiddel zullen de hoofdleidingen van het aardgasnet waarschijnlijk nog heel lang nodig zijn, nu voor aardgas, gemengd met biogas, daarna dus voor het transport van waterstof. Voor de particulier zal op de lange termijn het gas waarschijnlijk verdwijnen en zal hij het dus vooral met stroom moeten gaan doen die rechtstreeks is opgewekt door zonnepanelen, wind, kerncentrales en door de verbranding van waterstof. Maar: Ik denk dat de monteur gelijk heeft. Hier gaat nog zeker tien jaar over heen. Hopelijk houdt de ketel het nog even. Kunnen we er nog even over blijven nadenken…

Geplaatst in maatschappij | Tags: , , , , , | 2 reacties

Beveiligd: Het Marcussen orgel

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Johann Th. Lemckert

Op 8 mei 2022, vlak na zijn 82ste verjaardag, was er een feestelijk concert in de Laurenskerk ter ere van Johann Lemckert. Dat concert had al twee jaar eerder moeten plaats vinden maar werd door corona uitgesteld. Wie is Johann Lemckert? Op wikipedia staat onder meer:

Johann Theodorus Lemckert  werd in 1969 benoemd tot organist-titularis van de drie orgels van de Grote of St. Laurenskerk in Rotterdam. Het nieuwe Marcussen-hoofdorgel werd door hem ingewijd op 8 december 1973 in aanwezigheid van ZKH Prins Claus der Nederlanden. Hij vervulde deze functie tot 2006. Daarnaast gaf hij ook talrijke orgelconcerten, zowel in binnen- als buitenland. Ook was hij hoofddocent aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, waar hij een jongere generatie organisten opleidde (1972-2000), waaronder Hayo Boerema die hem in 2005 als organist-titularis opvolgde in de St. Laurenskerk in Rotterdam. Lemckert is zich na zijn carrière als organist gaan toeleggen op componeren. Zo schreef hij concertwerken voor orgel, koor a capella en werken voor blazers en orgel. Verder maakte hij liturgische werken en muziek voor beiaard.

Het was schitterend weer en voor de Laurens kerk lag in het grasveld allerlei speelgoed, bedoeld voor iedereen die het maar wilde om mee te spelen: badmintonrackets, hoepels, ballen, springtouw. Het was nog vroeg, mijn oudste kleinzoon wilde het een en ander wel eens uitproberen.
Toen begon het carillon te spelen. Gijs gaf uitleg aan de andere mensen die ook op het plein aanwezig waren:
-‘dit is muziek van Johann Lemckert, hij was de vroegere organist van deze kerk. Nu is Hayo Boerema de hoofdorganist.’
De mensen keken hem verbaasd aan. Het speelgoed werd opgeborgen en we liepen de kerk in. Gijs klampte gelijk iedereen aan, geen flauw idee wat hij tegen hen zei. Hij was namelijk al weer snel uit ons vizier want wij moesten onze kaartjes nog laten controleren. De stoelen die al klaar stonden werden steeds meer gevuld. Na een kort praatje met een aantal bekenden zochten we dus snel een mooie plek op.

De bijeenkomst was behoorlijk afwisselend. Er waren enkele korte toespraken en er was een interview met Johann Lemckert, er werd orgelmuziek van hem gespeeld en een dubbelkwartet van het Laurens vocaal zong enkele muziekstukken. Gijs kreeg mijn telefoon en nam het eerste muziekstuk op. Ik distilleerde hier een aantal beelden uit en zette die onder de opgenomen muziek. Je hoort een compositie van Johann Lemckert, het is een orgelbewerking van psalm 146, gespeeld door Gerben Budding.

Jammer genoeg heef Gijs niet het tweede stuk opgenomen, een bewerking van psalm 22. Hier kwamen veel van de prachtige, ook zachte registers, van het Marcussenorgel goed tot hun recht. Er werden trouwens meer mooie stukken van Lemckert gespeeld zoals een compositie gebaseerd op het Gregoriaanse “Pange Lingua”. Johann Lemckert zelf gaf hierbij de toelichting. “Hij was toevallig ooit een keer in een plaatsje in de Achterhoek op Sacramentsdag en daar werd het Pange Lingua uit volle borst door alle aanwezige volwassenen en kinderen meegezongen. Hier was hij zo van onder de indruk dat hij besloot op basis van deze melodie een orgelstuk te schrijven.” Ik heb nog online gezocht naar werken van Lemckert, er is niet veel te vinden helaas. Aangenaam verrast was ik door een compositie van Wim Smits die ook gespeeld werd. Wim Smits was organist van de Liduinakerk van Schiedam (inmiddels afgebroken). Hij schreef in 1954 “Voorspel, koraal met variaties en toccata”. Samen met Gijs volgde ik op het gehoor waar weer een nieuwe variatie begon. Van dit stuk heb ik dan wel een opname kunnen vinden op youtube, ook gespeeld op het Marcussenorgel en net als nu weer door de organist van de Steigerkerk, Anton Doornhein.

Johann Lemckert is ook nog enkele jaren aan het eind van zijn studietijd op en neer gereisd naar Parijs om les te nemen bij Gaston Litaize. Deze blinde organist is opgeleid door Marcel Dupré en Maurice Duruflé. Verder was Litaize een adept van César Franck en had hij veel contact met Olivier Messiaen. Zo heeft Lemckert door zijn lessen bij Litaize de muziek van Messiaen meegebracht naar Rotterdam. Gerben Budding speelde twee delen uit “Messe basse pour tous les temps”. Een Messe Basse is een dienst waarbij de Latijnse teksten van de mis van die dag min of meer onhoorbaar worden gepreveld door de pastoor, intussen speelt de organist. Het is zo een meditatief moment voor de kerkgangers waarbij de muziek minstens zo belangrijk is als de liturgie. En zo klonk deze muziek ook, meditatief, maar niet gelijk makkelijk in het gehoor liggend. Ik had de twee delen best nog wel eens willen horen, dus ging ik op zoek op youtube maar ik heb ze helaas niet kunnen vinden. Dus laat ik iets anders horen, een “Priëre” van Litaize, gespeeld op het mooie orgel van de Saint Sernin.

Waar was Gijs gebleven? Hij was niet te zien. Eindelijk vond ik hem.
-‘Ik ben Hayo Boerema aan het zoeken, ik wil hem graag even spreken.’
Ik zag hem ook nergens maar toen begreep ik dat hij weer achter het orgel had plaats genomen om een lied te begeleiden dat door de aanwezigen gezongen zou gaan worden. Ik deed mijn stoute schoenen aan en beklom zachtjes met Gijs de trap die naar het orgel leidde. Voor de deur bleven we staan.
-‘We wachten tot het orgel stopt met spelen.’
De muziek stopte en we deden de zware deur open. Daar zat inderdaad Hayo achter het orgel en Gijs begon gelijk te kletsen.
-‘Ik zou ook weer eens achter dat orgel met vier manualen willen zitten.’
-‘Nou, dat mag, als je maar nergens aan komt.’
Gijs ging op de orgelbank zitten en bleef braaf overal vanaf. Ik vertelde tegen Hayo dat Gijs les had van Gerben Budding en dat hij hem graag een keer had willen spreken.
-‘Ik wil jouw opvolger worden.’
-‘En dan ook zeker alle sleutels van al die orgels mee krijgen,’ grinnikte Hayo.
-‘Ja precies.’
Dat grapje had Hayo gemaakt in zijn toespraak richting Johann Lemckert. Met een overdreven bekakt Haags accent deed hij daarbij na hoe het gegaan was toen hij hem opvolgde en hoe hij daarbij een voor een al de sleutels had mogen ontvangen. Gijs had het er net daarvoor nog over gehad, dat had hij wel een erg leuk grapje gevonden.
We lieten de organist-titularis met rust en gingen weer naar beneden. Mijn vrouw was ons kwijt…

Na een glaasje sap en wijn en met nog een hoofd vol orgelklanken liepen we door een zonovergoten Rotterdam naar de auto.
-‘Wanneer mag ik weer eens op het grootste orgel van Nederland spelen?’
-‘Misschien van de zomer, net als vorig jaar. Ergens in juli of augustus, bij de amateur orgeldagen.’

Hij verheugt er zich op. Ik denk dat hij de komende tijd ook op zoek gaat naar stukken van Johann Lemckert. Die hij trouwens ook nog had aangeklampt.
-‘U ziet er heel anders uit dan vroeger. Ik ken u van Willem Wever.’
Johann Lemckert kon het zich vaag herinneren. Hij had in de negentiger jaren van de vorige eeuw een keer aan een kind dingen over het Marcussen orgel uitgelegd. Bij het programma Willem Wever.
–‘Ik heb “U “gezegd tegen Johann Lemckert’, vertelde hij in de auto.
‘Omdat hij al zo’n oude meneer is.’
Johann Lemckert is inderdaad een man om “U” tegen te zeggen.

Geplaatst in autisme, muziek, recensie | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

De Cantates van Bach

Hieronder de links naar de stukjes die ik tot nu toe schreef naar aanleiding van de muziek van een cantate van Bach.

Geplaatst in muziek | Tags: , | 11 reacties

Blijf bij ons

Na de dood van Jezus is er verwarring en een sterk gevoel van onbestemdheid bij zijn volgelingen. De hoera-stemming van ‘Hij is verrezen’, die is er nog lang niet. Zo lopen de dag na Pasen enkele volgelingen richting Emmaüs en een voorbijganger sluit zich bij hen aan. Hij luistert naar hun verwarde verhalen, ze hebben het over Jezus en over al de profetieën. Ze zijn bang en vol twijfel. In het stadje aangekomen is het inmiddels donker geworden. Ze vragen de vreemdeling: ‘wil je niet met ons mee eten?’ Hij schuift mee aan de avonddis. In de loop van de avond komen ze er langzaam achter wie de vreemdeling eigenlijk is, en als het uiteindelijk tot hen doordringt dat ze feitelijk Jezus zien zijn ze toch nog vol ongeloof. Dit moment is meesterlijk weergegeven door Caravaggio.

Caravaggio maakt optimaal gebruik van het contrast licht-donker. Christus is letterlijk het licht. Zijn zegenend gebaar moet vertrouwen geven. Zijn leerlingen zijn nog in het donker en hun onrustige twijfelende gebaren illustreren hun verwarring.

In Cantate BWV 6 (geschreven voor tweede Paasdag 1725) worden dergelijke gevoelens ook muzikaal uitgebeeld. Zo horen we in het openingskoraal de tekst uit Lucas 24:29 “bleibet bei uns”. Bij Lucas is het de letterlijke vraag van de leerlingen aan de vreemdeling die ze onderweg tegenkwamen als ze in Emmaüs aankomen, bij Bach is het veel meer de ontreddering van de mensheid die zijn leider kwijt is en hem terug wil. Midden in het openingskoraal klinkt een fuga, zeven keer wordt de tekst “Bleibet bei Uns” in lange noten gezongen, dwars door de snelle fuganoten heen. Daarnaast horen we deze lange noten ook nog twee keer puur instrumentaal. Dit fragment eindigt met, over vier octaven unisono door het hele koor, een lange “G”: Bleib bei uns, gevolgd door de nadrukkelijke vraag in een meerstemmige homo-ritmische zetting, met nogmaals diezelfde vraag, eindigend op de nadrukkelijk smekende, vragende dominant.

Deze cantate heeft zes delen, en in de meeste delen overheerst de droevige, onbestemde sfeer alhoewel Bach ons ook aanmoedigt standvastig te blijven. Het tweede deel wordt gezongen door een countertenor, het is een smeekbede: “Bleib, ach bleibe unser Licht, weil die Finsternis einbricht.” (Blijf, och blijf toch ons licht als de duisternis invalt). Letterlijk is het weer de tekst van Lucas waarin staat dat het donker wordt, maar nu horen we hoe de donkerte licht kan worden, door een gebed. De hobo da caccia klaagt met de countertenor mee. De “Finsternis” wordt niet alleen uitgebeeld door dalende tonen, alsof de zon verdwijnt, maar de bijbehorende akkoorden versterken het gevoel ten zeerste. In onderstaand partituurfragment zie je hoe het “Licht” door stijgende lijnen wordt uitgebeeld, de “Finsternis” door dalende lijnen. De drie omcirkelde akkoorden op het einde, alle drie mineur-akkoorden, maken de sfeer extra mistroostig. Het laatste van de drie, Dbm, is een zogenaamd “moll-dur-akkoord”, je zou op die plaats een majeur-akkoord verwacht hebben. Een prachtig effect.

Het derde deel wordt gezongen door een vrouwenkoor. Deze ijle vrouwenstemmen klinken als het ware in de nacht. De majeurtoonsoort staat hier voor de hoop van de mensen. Een beweeglijke cello (violoncello piccolo) geeft misschien tegelijkertijd de innerlijke onrust weer van die mensen, ik las ook ergens dat de nachtelijke sterren er mee zouden kunnen zijn uitgebeeld.
Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ, weil es nun Abend worden ist, dein göttlich Wort, das helle Licht, lass ja bei uns auslöschen nicht. In dieser letzt’n betrübten Zeit verleih uns, Herr, Beständigkeit, dass wir dein Wort und Sakrament rein b’halten bis an unser End. (Ach blijf bij ons heer Jezus Christus, terwijl het nu avond is geworden. Laat uw goddelijke woord, dat heldere licht, niet bij ons gedoofd worden. In deze droeve tijd, geef ons heer, doorzettingsvermogen, zodat we uw woord en sacrament tot het einde toe kunnen vast houden.)

De muziek van het hele derde deel

De kern van deze cantate zegt: we zijn alleen, maar we willen niet alleen zijn: “blijf bij ons!” Dat is een universeel gevoel dat iedereen misschien wel eens zal ervaren. Als iemand ernstig ziek is of zelfs al is overleden, we willen niet alleen achterblijven. Of hoe iemand zich voelt na een scheiding. Of na het gedwongen verlaten van zijn geboortegrond. Het gevoel van wanhopige vluchtelingen die graag weer houvast hebben. Bach zegt dat het houvast in het geloof ligt. Hij geeft je hoop. Het eerste, primaire gevoel is eenzaamheid, duisternis. De muziek van Bach is ondanks alles troostvol, voor ieder die er voor open staat.

De complete muziek van deze cantate, gezongen door het Monteverdikoor en orkest onder leiding van John Eliot Gardiner met als solisten Angharad Gruffydd Jones, sopraan, Daniel Taylor, countertenor, James Gilchrist, tenor en Stephen Varcoe, bas kun je hieronder vinden. De opname is gemaakt op 24 en 25 april 2000 in de Georgenkirche in Eisenach.

BWV 6 Bleib bei uns, denn es will Abend werden (1725)

  1. Coro Bleib bei uns, denn es will Abend werden, und der Tag hat sich geneiget.
  2. Aria: Alt Hochgelobter Gottessohn, lass es dir nicht sein entgegen, dass wir itzt vor deinem Thron eine Bitte niederlegen: Bleib, ach bleibe unser Licht, weil die Finsternis einbricht.
  3. Choral: Sopran Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ, weil es nun Abend worden ist, dein göttlich Wort, das helle Licht, lass ja bei uns auslöschen nicht. In dieser letzt’n betrübten Zeit verleih uns, Herr, Beständigkeit, dass wir dein Wort und Sakrament rein b’halten bis an unser End.
  4. Recitativo: Bass Es hat die Dunkelheit an vielen Orten überhand genommen. Woher ist aber dieses kommen? Bloß daher, weil sowohl die Kleinen als die Großen nicht in Gerechtigkeit vor dir, o Gott, gewandelt und wider ihre Christenpflicht gehandelt. Drum hast du auch den Leuchter umgestoßen.
  5. Aria: Tenor Jesu, lass uns auf dich sehen, dass wir nicht auf den Sündenwegen gehen. Lass das Licht deines Worts uns heller scheinen und dich jederzeit treu meinen.
  6. Choral Beweis dein Macht, Herr Jesu Christ, der du Herr aller Herren bist; beschirm dein arme Christenheit, dass sie dich lob in Ewigkeit.

Andere stukjes die ik schreef naar aanleiding van een cantate van Bach

Geplaatst in kunst, muziek | Tags: , , , | 1 reactie

Koningsdagconcert

De koning en de koningin kregen een mooi koningsdagconcert op 11 april 2022 in Maastricht. Dit concert werd op Koningsdag zelf, 27 april, uitgezonden, omkleed met achtergrondinformatie. Als Limburger gaat mijn hart altijd wat sneller kloppen als ik zulke mooie beelden van het Limburgse landschap, maar vooral ook van de stad Maastricht zie. Hier heb ik namelijk gestudeerd en hier zijn mijn eerste twee kinderen geboren. Ik ben er ooit met pijn in mijn hart vertrokken vanwege een mooie baan, maar ik kom er nog regelmatig terug.
Wat voor muziek zou er deze avond gespeeld gaan worden? In mijn studietijd werd er regelmatig aandacht gegeven aan de wat meer moderne klassieke muziek. Ik volgde enkele privélessen bij Matty Niël, iemand die indirect les heeft gehad van mensen uit de tweede Weense school. Ook mijn eigen docent muziektheorie, Henry Delnooz, zou als een volgeling van die school kunnen worden beschouwd. Zij lieten mij ervaren dat de muziek van mensen als Schönberg, Berg en Webern in feite prachtige, eerlijke, romantische muziek is en zo voel ik dat nog steeds. Bij een concert enkele jaren geleden waarbij het tweede strijkkwartet van Schönberg werd gespeeld was ik tot tranen toe geroerd door de manier waarop de tekst muzikaal werd uitgebeeld. Met die gedachten in mijn hoofd vroeg ik me af: wat voor muziekstukken zouden we deze avond te horen gaan krijgen?

Het viel me 100% mee. Er werden zelfs vrij moderne klanken ten gehore gebracht. Ja, Saint-Saëns, dat kunnen de meeste mensen nog pruimen. Maar hoe zouden de mensen in de zaal geluisterd hebben naar de gedichten van Pierre Kemp, op muziek gezet door Leonard Evers? Deze dirigent-componist-presentator heeft in den Haag compositie gestudeerd bij Louis Andriessen. Die schreef zelf nu niet bepaald de meest toegankelijke muziek. Maar deze avond ervoer ik de muziek zelfs als bijzonder toegankelijk, ondanks het feit dat de melodielijnen en de akkoorden niet echt tonaal te noemen waren. Het klankidioom varieerde trouwens per stuk. Ik had bij een van de liederen associaties met zettingen zoals ik ze kende bij Alban Berg. Ook hoorde ik bij een lied een erg ritmische zetting met swingende maatwisselingen, ik hoorde vleugjes Strawinsky. Het laatste lied waarmee ook het concert afsloot deed me denken aan de stijl van Louis Andriessen. Alle stukken hadden een ding gemeenschappelijk: ze waren heel doorzichtig gezet en ze waren subtiel geïnstrumenteerd. In zoverre zou dit concert bij veel mensen die moeite hebben met het modern klassieke idioom een brug kunnen slaan: ‘o, zo kan moderne-klassieke muziek dus ook klinken!’ Op Radio 4 hoor je dergelijke muziek bijna nooit meer tegenwoordig, men blijft daar naast het standaard repertoire meestal steken in zoetgevooisde minimal-music-achtige klankjes. Ik was blij met het programma en vond het een prachtig concert, ook door de goede solisten.

Het mooiste muziekstukje was voor mij een van de toonzettingen van een gedicht van Pierre Kemp, door Leonard Evers. Het was een gedicht waarbij het maanlicht in een wei werd uitgebeeld. Op het einde blijkt de maan ook in de keuken te schijnen. Met subtiele klanken van slagwerk, strijkers, houtblazers en vooral ook vibrafoon wordt er een geheimzinnige sfeer geschapen. In de wei ruik je de “ranonkelingen”, zijn dat boterbloemen, of dotterbloemen? Of zijn we zelfs in een alpenwei met grote ranonkels? Leonhard Evers laat vooral de nachtelijke sfeer met het maanlicht in zijn muziek horen. Het einde is bijna een toverspreuk: ‘en de maan schijnt op een ei’. De maan staat symbool voor allerlei dingen, nachtelijk maanlicht maakt de gevoelswereld van mensen actief. Mensen worden nostalgisch, krijgen associaties, worden weemoedig. Dat betoverende maanlicht schijnt tegelijk op een ei. Een ei verbergt het geheim van nieuw leven in zich, het zien van dat gele maanlicht op het witte ei maakt misschien nog meer gevoelens los. Maar welke? Dat mag de luisteraar er zelf bij fantaseren.

Het is zo stil boven de planten
Boven de lage, en boven de gerankten
En de lucht is alleen vol reuken
van ranonkelingen in de grote wei

Het is zo stil in de keuken
en de maan schijnt op een ei.

Naar aanleiding van dit lied van Leonard Evers ging ik op zoek naar zijn modernistische voorgangers. Liederen die meer dan honderd jaar eerder zijn geschreven, maar die voor mij nog steeds prachtig zijn. Het eerste lied waar ik aan moest denken is een lied dat is getoonzet door Anton Webern. De tekst is van Karl Kraus, een Weense schrijver die bijna als enige in zijn tijd weerstand bood aan de oorlogshetze die daar gedurende de laatste jaren voor de eerste wereldoorlog was. Maar hij schreef ook gedichten, zoals onderstaand gedicht: je ziet hoe hij in Wenen in een park loopt. Het is een stralende ochtend, maar door de geuren en kleuren, zelfs geluiden raakt hij helemaal in de ban van de sfeer van het moment. Het park ziet blauw van de grasklokjes en in gedachten ziet hij ze niet alleen maar hoort hij ze als op een zondagochtend klingelen. Hij blijft staan, net als het standbeeld in het park van de generaal, stokstijf. Het moment wordt voor hem bevroren, het moment wordt tot een eeuwigheid.

Wie wird mir zeitlos.
Rückwärts hingebannt
weil’ ich und stehe fest im Wiesenplan,
wie in dem grünen Spiegel hier der Schwan.
Und dieses war mein Land.
Die viele Glockenblumen! Horch und Schau!
Wie lange steht er schon auf diesem Stein,
der Admiral. Es muβ ein Sonntag sein
und alles läutet blau.
Nicht weiter will ich. Eitler Fuβ, mach Halt!
Vor diesem Wunder ende deinen Lauf.
Ein toter Tag schlägt seine Augen auf.
Und alles bleibt so alt.

Ik krijg een tijdloos gevoel.
Ruggewaarts naar achteren gebannen
blijf ik en sta vast in het gazon,
zoals in de groene spiegel hier de zwaan.
En dit was mijn land.
De vele grasklokjes! Luister en kijk!
Hoe lang staat hij al op deze steen,
de admiraal. Het moet wel een zondag zijn
en alles luidt blauw.
Niet verder wil ik. IJdele voet, blijf staan!
Voor dit wonder eindigt je loop.
een dode dag slaat zijn ogen op.
En alles blijft even oud.

Alban Berg schreef onder meer de zogenaamde Altenberglieder.

Peter Altenberg was een zonderling die vooral leefde van wat vrienden hem toestopten. Hij schreef daarnaast gedichten waar hij wat mee verdiende. Dagelijks was hij te vinden in het nog steeds bestaande “Café Zentral” waar hij als een standbeeld is vereeuwigd op een stoel. Dit standbeeld is gebaseerd op een historische foto. Als je het wilde schreef Altenberg voor jou iets op een Ansichtskaart. Deze gedichten werden in bepaalde kringen beroemd. Het zijn vaak gedichten met een licht verhulde erotiek. Zoals onderstaand gedicht, dat gaat over een wegtrekkende wolk na een sneeuwstorm. De componist Alban Berg verklankte op een prachtige manier zowel de sfeer van de storm als die van de wegtrekkende wolk. Nadat de tekst gezongen is komt er, als je goed luistert, even een subtiel “grinnik-motiefje”, dan hoor je alleen nog de opstijgende mist in de verte verdwijnen.

“Seele, wie bist du schöner, tiefer nach Schneestürme.
Auch du hast sie, gleich der Natur.
und über beiden liegt noch ein trüber Hauch,
eh das Gewölk sich verzog.”

“Ziel, wat ben je mooier, dieper na een sneeuwstorm.
Ook u heeft het, net als de natuur,
en over allebei ligt nog een troebele zweem
voor de wolk weg trok.”

Hier de link naar het complete Koningsdagconcert

Geplaatst in muziek, recensie | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Beveiligd: Volger

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , , , , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Beveiligd: Een Paasconcert met drie echte manualen

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Beveiligd: Ontroerend orgelconcert

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , , , , , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

750 jaar Gouda

Elk jaar is er wel weer ergens een feestelijke herdenking. De orgelliefhebbers herdenken dit jaar dat César Franck 200 jaar geleden is geboren. 100 jaar geleden werd voor de eerste keer in de Grote kerk van Naarden de Matthäuspassion uitgevoerd. Zoek maar op een jaartal op Wikipedia en je krijgt een waslijst van gegevens en dus mogelijke herdenkingen. En ook is er ieder jaar wel een stad die herdenkt dat het zoveel jaar geleden is dat er stadsrechten werden verkregen. Dit jaar zijn dat Utrecht (900 jaar), Gouda en  Steenbergen (750 jaar), Ammerstol (700 jaar) en Woerden (650 jaar). Huh? Ammerstol een stad? Ja, in die tijd blijkbaar wel. Ammerstol is nu een onbeduidend onderdeel van de gemeente Krimpenerwaard maar blijkbaar is dat ooit anders geweest.

Wat betekent dat eigenlijk, stadsrechten? Het gaat in de eerste plaats om een rechterlijke functie. Bij dorpen wordt in de Middeleeuwen recht gesproken door de schout, die meestal in naam van een drost (een bestuurder van een deel van een graafschap) handelt. De opbrengst van straffen gaan direct of indirect na aftrek van de gerechtelijke kosten naar de graaf. (Verbeurdverklaringen, geldstraffen). Een plaats die stadsrechten krijgt heeft vanaf dat moment zijn eigen rechterlijke macht, de schout valt onder het stadsbestuur. Bij stadsrechten horen ook vaak nog andere rechten, zoals het recht van tol heffen of markt houden. Een stad moet altijd betalen om die rechten te krijgen. Deze jaarlijkse betaling is dan weer een alternatieve inkomstenbron voor de graaf. De stad maakt zich enigszins onafhankelijk van het Graafschap. Ook kan een graaf kwistig zijn bij het uitdelen van stadsrechten om zijn graafschap meer aanzien te geven. (“In mijn graafschap zijn er wel 100 steden..”) In Gelre gaf de hertog van Gelre om die reden stadsrecht aan de dorpen Echt en Nieuwstadt.

Utrecht was de tweede stad (na Stavoren) binnen de grenzen van het huidige Nederland die stadsrechten kreeg. Daarna volgden Aardenburg, Hulst, Deventer, ‘s Hertogenbosch en Zutphen. Veel Hollandse steden als Amsterdam en Rotterdam kregen pas stadsrechten in de veertiende eeuw.

Wil je dit jaar meedoen aan de feestelijkheden die bij zo’n herdenking horen dan zul je dus naar Steenbergen, Ammerstol, Utrecht, Woerden of Gouda moeten gaan. Ammerstol blijkt zijn stadsrechten al heel snel weer prijs gegeven te hebben, het was te duur, en alle eerdere rechten vervielen aan Schoonhoven. Steenbergen heeft op de gemeentesite ook geen verwijzing naar feestelijkheden. Het meest in het oog springt de viering in Gouda.

Gouda heeft de Grote of St. Janskerk omgetoverd tot een kerk die weer veel elementen terug laat zien van de periode van voor de reformatie. In 1572 sloot de stad zich aan bij de opstand tegen de Spanjaarden en werden de meeste katholieke verwijzingen verwijderd: het werd een gereformeerde kerk. Het is nog steeds een protestantse kerk, nu Nederlands Hervormd. Elke zondag zijn er meer dan 1000 parochianen bij de zondagsdienst. Het alleroudste deel van de kerk is waarschijnlijk een deel van het koor dat diende als kapel voor de heren van Gouda die vlak erbij hun kasteel hadden. Maar al snel werd die kapel uitgebreid tot een parochiekerk en dat is het altijd gebleven. Het was lang de enige parochiekerk van Gouda, die bestuurd werd door het stadsbestuur, en waarin alle gilden hun altaar hadden. Dat vroeg om veel ruimte. Het is dan ook niet voor niets de langste kerk van Nederland. De stad had altijd veel geld over voor het herstel en de verbouwingen van de kerk. Een van de meest ambitieuze projecten was de beglazing. De hele gotische kerk, met zijn vele en grote ramen, zou voorzien moeten worden van glas-in-loodramen met taferelen uit de bijbel. De beste glazeniers werden aangetrokken. Dit project werd in de beginfase jammerlijk vertraagd door een grote brand in de kerk in 1552. Sommige glazen die al gereed waren konden behouden blijven. Voor de nog te maken glazen werd er gezocht naar sponsors. Elk glas werd betaald door iemand anders, soms door een enkele persoon, vaak ook door een gewest of door een andere Hollandse stad. Zo werd een van de glazen betaald door Margaretha van Parma, de landvoogdes die op dat moment de Nederlanden in naam van de Spaanse koning bestuurde vanuit Brussel. En ook de Spaanse koning zelf, Filips II, schonk een glas. Toen in 1572 de kerk in handen kwam van de gereformeerden werden de altaarstukken, waaronder prachtige schilderijen, veilig opgeborgen. Heel veel later werd uitgezocht waar alles gebleven was en werd het meeste in het huidige Museum Gouda geplaatst. Ter gelegenheid van 750 jaar Gouda zijn de bewaard gebleven altaarstukken nu weer teruggeplaatst in de kerk. Wat vind ik dat fijn, niet zozeer dat de kerk weer een Katholiek aanzien heeft, maar vooral dat liturgische kunst op zijn plek staat. Hij hoort niet in een museum te staan, maar op de plek die daarvoor bedoeld is. Zoals dat in veel katholieke kerken in met name Italië nog steeds zo is. Het mooiste voorbeeld dichtbij huis is de parochiekerk van Kalkar. Ik schreef er al eerder over. Een klein wonder. Daar is vooral ook het beeldhouwwerk uniek. In Gouda moet je het vooral hebben van de Glazen, de preekstoel, de banken maar nu dus ook van de schilderijen uit de katholieke tijd.

Bij het Maria altaar zie je als drieluik drie schilderijen, links en rechts zie je “Maria op het ziekbed” en “Maria Hemelvaart”. Centraal staat het schilderij met de “geboorte van Jezus”, welk ik hierboven laat zien.

De tentoonstelling 750 jaar Gouda is te zien in de kerk maar ook in het ernaast gelegen museum. In het museum zijn onder meer de cartons van de glazen te bewonderen. Die zijn al die eeuwen bewaard gebleven en hebben steeds bij elke restauratie als voorbeeld gediend om de onderdelen die vervangen moesten worden zo natuurgetrouw mogelijk opnieuw te maken. Ook de glazen in de kerk verkeren op dit moment in schitterende staat. Een immense pop die Erasmus voorstelt kun je niet missen. Hij kijkt met zijn langzaam bewegende ogen op je neer. Erasmus is in Rotterdam geboren maar was tussen 1473 en 1478 leerling van de Latijnse school in Gouda. Na studies in Deventer en ’s Hertogenbosch trad hij toe tot het klooster Stein bij Gouda. Het klooster is in de zestiende eeuw afgebrand. Op die plek staat nu kaasboerderij het Klooster aan de rand van Haastrecht. In 1492 werd Erasmus in Utrecht tot priester gewijd. Hij studeerde vervolgens in Mons, Parijs en nog weer later in Engeland. Hij ontwikkelde zich tot de meest vooraanstaande humanist van Europa. Zowel de stad Rotterdam (Erasmus universiteit, Erasmus medisch centrum, Erasmusbrug en een standbeeld voor de Laurenskerk) als de stad Gouda (buste in het Vroesenpark aan de oostkant van de kerk) zijn trots op hem. En hij kijkt je nu dus in de kerk ook aan. De kerk zelf heeft al heel lang museumfunctie, met de Museumjaarkaart kun je er gratis in. Er is veel te zien, vooral natuurlijk de schitterende glazen. Sommige glazen zijn juist nu iets minder goed te zien, de teruggeplaatste altaarstukken belemmeren hier en daar het zicht. Wil je alleen daarvoor komen, kom dan vanaf 2 oktober. Dan zijn de altaarstukken weer weg.
Je kunt de glazen en cartons  trouwens ook online zien. Je kunt er dan prachtig op inzoomen. Héél mooi! Ik raad iedereen aan om dat te doen juist voordat je ze in het echt gaat bewonderen. Je ziet gewoonweg veel meer!
Toelichting en afbeeldingen van alle glazen en cartons.

12 april, dus over een week, wordt de tentoonstelling geopend door koning Willem-Alexander. Er zijn vier toespraken, door burgemeester Verhoeve, Femke Haijtema (directeur Museum Gouda), de Goudse jongerenvertegenwoordiger van de VN Mensenrechten en door Bastiaan Rijpkema (bijzonder hoogleraar Verdraagzaamheid.) Er klinkt ook muziek die gespeeld wordt door stadsorganist Gerben Budding en muziek door een aantal Goudse muzikanten.

Vreemd genoeg kun je kaartjes voor de tentoonstelling “het wonder van Gouda” (in museum Gouda en in de kerk) niet direct bestellen vanaf de site van de st. Jan. Daarvoor moet je hier zijn.
Er is een tijdslot, de tentoonstelling is voor publiek toegankelijk vanaf donderdag 14 april. Elke dag van de week, behalve op de zondag, tot eind september.

Ik schreef al eerder over Gouda, over de glazen en over de propaganda-glazen.

Geplaatst in Geschiedenis, kunst, recensie | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Drive my car

Jaren geleden verdiepte ik me in het leven van Pieter Paul Rubens. Ik kocht allerlei boeken die over hem gaan. Hij heeft korte tijd in Mantua gewerkt, in de tijd dat ook Monteverdi daar werkzaam was. Ze zullen elkaar hebben gekend. Monteverdi is voor mij een van de meest geliefde componisten. De tijd van begin 17e eeuw is voor mij steeds meer gaan leven, doordat ik Rubens en Monteverdi goed heb leren kennen.

Rubens was een groot deel van zijn leven zeer gevierd, maar hij had ook veel tegenslagen. Belangrijke opdrachten waar hij jaren aan had gewerkt werden  uiteindelijk schijnbaar achteloos afgewezen. Hij was niet alleen schilder maar hij was vaak ook voor zijn opdrachtgevers een stille diplomaat. Hij bemiddelde indirect bij conflicten. En zo als dat vaak gaat, meer zonder dan met succes. Dan had hij ook nog een gezinsleven in Antwerpen. Zijn mooie jonge vrouw en dochter kwamen te overlijden. Ik schreef er al eerder over. En wat me vooral trof toen ik over hem las: hij was een stoïcijn, hij was bezig met het gedachtengoed van onder meer Marcus Aurelius. Zijn broer had gestudeerd bij professor Lipsius, een classicus die ook met de Stoa bezig was, en Pieter Paul had ook meerdere lessen van hem bijgewoond. We hebben er een befaamd schilderij van Rubens aan overgehouden waarop zijn broer en professor Lipsius  te zien zijn.

Links zie je de schilder Rubens, naast hem zijn broer en daarnaast professor Lipsius

Gisteren was ik met mijn vrouw in de bioscoop, de bioscoop Kino in Rotterdam. De plek van het oude “Lantaren-Venster”.  Na enkele andere functies gehad te hebben zijn de oude filmzalen weer in gebruik als: filmzaal. Net als het nieuwe Lantaren-Venster op de Kop van Zuid is ook Kino een filmhuis, waar je niet naar toe gaat om Hollywood-krakers te zien. We zijn er vroeger vaak geweest, nu dus weer. En er draait op dit moment een prachtige film die meer dan drie uur achter elkaar duurt: “Drive my car”. Het is een Japanse film die me denk ik lang zal bijblijven. Hoe kan een film meer dan drie uur achter elkaar blijven boeien? De film is spannend ondanks het feit dat hij vooral ook veel rust uitstraalt en voor de scenes steeds veel tijd wordt uitgetrokken. De meeste hoofdrolspelers lijken volkomen ondoorgrondelijk. Er gebeuren op emotioneel gebied heftige dingen waar men ogenschijnlijk emotieloos mee  omgaat. De levenshouding van de personages lijkt vooral die van een stoïcijn te zijn. Dit is natuurlijk typisch Japans, maar het mooie in de film is dat je desondanks de ingehouden emoties als toeschouwer kan voelen. Er lopen een aantal verhaallijnen door elkaar. Het verhaal van “Oom Wanja”, het toneelstuk van Tsjechov dat gerepeteerd en uitgevoerd wordt. Het verhaal van de regisseur en zijn huwelijk. Het verhaal van de vrouwelijke auto-chauffeur en haar verleden. Oom Wanja zag ik jaren geleden als toneelstuk. Een verhaal met veel levenswijsheid maar waarbij de emoties voortdurend over het toneel tuimelen. Zo ook hier. buiten de toneelvloer is er dan weer die stoïcijnse houding. Alles speelt zich voornamelijk af in Hiroshima waarbij er zijdelings verwijzingen zijn naar het afschuwelijke verleden van deze stad. Maar daar gaat de film niet over. De film bevat veel suggestieve beelden: zee, bergen, tunnels, hevige regen, sneeuw. Je denkt als kijker heel vaak dat er erge dingen gaan gebeuren, je houdt je hart vast. Één filmspeler is anders, hij kan boos worden en er op los slaan. Hij is niet stoïcijns. Hij is het die samen met de taxichauffeur de hoofdrolspeler indirect wijst hoe hij moet omgaan met zijn eigen verleden. Het slot is mooi. Maar dat verklap ik niet. We zagen een buitengewoon indrukwekkende film. “Drive my car”.

Geplaatst in Film, filosofie | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Beveiligd: Klanken vanaf de orgelzolder

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Beveiligd: Het leven van een jonge organist

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

De Goudse propaganda glazen

Zaterdag was ik in de Sint Jan van Gouda en keek ik naar enkele glas-in-lood-ramen (de beroemde Goudse glazen) die ik eerder nog nauwelijks had bestudeerd. Het was een fantastische dag, de lichtval was die middag ongelooflijk mooi en er was een prachtige gloed in de kerk. Aan de noordkant vlakbij de toren, was een glas uit 1595-1596 te zien, een glas dat duidelijk bedoeld was als een soort propaganda glas. Het deed me denken aan de symboliek van allerlei sculpturen van het Paleis op de Dam, het paleis dat gebouwd is als stadhuis en  dat op allerlei manieren via symboliek de stad verheerlijkte. Zo iets zag ik hier ook. Maar tegelijk moest ik denken aan die tijd, eind zestiende eeuw. Willem van Oranje was twintig jaar eerder vermoord. Wat was dat voor een tijd?

Bij de NPO serie “de geschiedenis van Nederland” die elke woensdagavond is te zien ging het een van de laatste keren over de tijd van de beeldenstorm en over Willem van Oranje. Het is in mijn ogen een erg goede serie, niet alleen vanwege de aantrekkelijke vormgeving, maar ook inhoudelijk. Veel wetenswaardigheden die een beeld geven van de mensen in die tijd passeren de revue. Zo is het beeld van onze vader des vaderlands nu eindelijk een keer wat meer genuanceerd. Willem van Oranje kwam pas in actie toen zijn bezittingen waren geconfisqueerd door Filips II. En dat deed hij met een leger huurlingen dat vervolgens vrijwel elke veldslag verloor. Je zag dat de makers ook in het Historiehuis van Roermond waren geweest en in het voorbijgaan zag je een afbeelding afkomstig uit dat huis, een schilderij met daarop “de moord op de kartuizer monniken”. Niet werd vermeld dat plunderende soldaten van Willem van Oranje deze moordpartij hadden aangericht. Onze Vader des Vaderlands had dat waarschijnlijk niet gewild, maar hij had zijn soldaten duidelijk niet in de hand. Dit wapenfeit van Willem van Oranje mag nog steeds niet in de geschiedenisboeken. Maar in het licht van de tijd was het niet vreemd. Plunderen was een vorm van soldij. Het werd niet in de NPO-serie gemeld, blijkbaar moest zelfs in deze redelijk onbevooroordeelde serie het imago van Willem van Oranje nog enigszins overeind blijven.

Toch werd onze vader des vaderlands uiteindelijk succesvol. Willem van Oranje maakte namelijk gebruik van twee dingen. Militair van de Geuzen. Na den Briel werden door die Geuzen snel veel andere steden veroverd. Maar Willem van Oranje gebruikte ook de macht van het woord. Een kring van mensen rond Willem van Oranje begon pamfletten te maken en die  te verspreiden, met duizenden tegelijk. En dat maakte volgens de makers van de serie veel uit. Ik denk dat dat klopt. Propaganda bleek een sterk wapen.

In Spanje wordt nog steeds Filips II als een van de beste koningen die Spanje ooit gehad heeft gezien. Als je dat als kind met de paplepel wordt ingegoten dan wordt dat voor de Spanjaarden een vanzelfsprekend feit. Vanuit de optiek van de Nederlanders was hij een tiran. Hij was het die een prijs zette op het hoofd van Willem van Oranje en die hem dus indirect vermoord heeft. In onze boeken die gaan over de vaderlandse geschiedenis komen allerlei zeehelden voor. Voor die mensen werden standbeelden opgericht. Tegenwoordig kan men eindelijk met wat meer afstand naar die helden kijken en veel van die helden vallen nu van hun voetstuk. Niet alle schurken worden altijd onttroond. Ik denk dat Napoleon een schurk was die miljoenen mensen de dood in heeft gejaagd. Maar de negatieve status van Hitler heeft Napoleon nooit gekregen. Stalin is vanuit het westen gezien een van de grootste schurken geweest die er ooit waren. In Rusland heeft men nog steeds moeite om de verschrikkelijke dingen die hij heeft gedaan onder ogen te zien, ja bij velen heeft hij zelfs nu nog een heldenstatus. Door Stalin is Rusland groot geworden, een land waar iedereen rekening mee dient te houden. Dus geen kwaad woord over Stalin. Frankrijk is als militaire macht op de kaart gezet door Napoleon. En was hij het niet ook die al die ouderwetse regels afschafte en veel dingen standaardiseerde? Zowel het moderniseren van het leger als de standaardisering van bijvoorbeeld maten werd ingeluid vlak na de Franse revolutie, Maar het was niet Napoleon die dat deed,  Napoleon heeft het karwij slechts vervolmaakt en afgemaakt.

In de St. Jan van Gouda vertonen de meeste glazen  afbeeldingen uit het Oude of Nieuwe Testament. Maar er zijn ook enkele wereldlijke glazen. Ik vermeld er hier drie: “De Vrijheid van Conscientie”, “Het Erasmusglas” en “Het Bevrijdingsglas”. Het zijn alle drie glazen die een beeld geven van een wereld zoals wij die in Nederland graag zien.

Het eerste glas, “De Vrijheid van Conscientie”, was het glas waar ik zaterdagmiddag als eerste bij bleef stilstaan. Het werd gemaakt in 1595-1596 en het werd gefinancierd door de Staten van Holland. Daarom zijn er ook achttien stadswapens in verwerkt. Het diende duidelijk als een vorm van propaganda. De Noordelijke Nederlanden leken eindelijk bevrijd te zijn van het juk van de Spanjaarden, maar de tachtigjarige oorlog bleek achteraf gezien nog lang niet afgelopen. Het had zomaar anders kunnen lopen. Zou dat glas dan nadien vernield zijn? Enfin, ondanks nog enkele spannende momenten in de latere geschiedenis bleek het uiteindelijk goed af te lopen. Zo kunnen we nu nog steeds kijken naar de Hollandse propagandamachine van 1595.

Het voornaamste deel van de afbeelding is een rijtuig dat wordt bestuurd door de gepersonifieerde godinnen van de godsdienstvrijheid en het geweten. De tirannie (Filips II) wordt verpletterd onder het rijtuig. Voor het rijtuig zien we nog vijf deugden, onder wie trouw (een hondje hoort er bij) en samenwerking (de Staten van Holland, een mooie bos gele pijlen houdt ieder samen.) Hoeveel mensen zullen er in de loop van de tijd zo naar gekeken hebben? Er zijn eeuwen lang “glazen-uitleggers” actief geweest in de kerk, het was een bezoldigde baan. Dit glas werd natuurlijk altijd bij de uitleg meegenomen. Net als het glas dat het ontzet van Leiden verbeeldt, maar dat ik hier niet bespreek.

Ik liep naar een ander glas, eveneens een niet-bijbels glas, het zogenaamde “Bevrijdingsglas” uit 1947. Alweer wordt Nederland bevrijd van de tirannie, nu niet de tirannie van de Spanjaarden maar die van de Duitsers.

Centraal op de afbeelding staan Nederlanders met hun vlag, maar we zien in het glas ook gebeurtenissen die terug verwijzen naar de eerdere verschrikkingen, zoals mensen die opgepakt worden, onderduikers, mensen in een concentratiekamp, de stadsbranden van Rotterdam enz.

Weer liep ik verder en bleef nu staan bij het zogenaamde “Erasmusglas” uit 2016 van Marc Mulders. Aanleiding voor de vervaardiging was het feit dat Desiderius Erasmus in dat jaar precies 500 jaar eerder een Griekse vertaling van het Nieuwe Testament had gemaakt, een vertaling die de standaard werd voor vertalingen in de nationale talen van veel landen van Europa. Erasmus heeft op de Latijnse school van Gouda gezeten en daarna gestudeerd in een klooster nabij Gouda. Het is dus een Goudse held die ook daarom een glas verdient.

Voor Marc Mulders staat Erasmus voor gewetensvrijheid, iets dat hij erg belangrijk vindt in een tijd dat zoveel godsdiensten denken te weten het enige ware geloof te zijn. 421 jaar na het glas van de Staten van Holland is dat ook in deze tijd weer opnieuw actueel! De mens is bij deze nauwelijks figuratieve afbeelding onderdeel van de kosmos en probeert naar het Goddelijke te reiken in de hoogte. Maar intussen is er ook veel kwaad op de wereld, wat je vooral aan de lage zijkanten ziet. Donkere wezens stellen deze kwade krachten voor, net als doornstekels. Doornen verwijzen naar de wapenspreuk van Gouda “door de doornen naar de sterren”. Dit wordt hier mooi uitgebeeld. De bollen, sterren en planeten, staan voor de oneindige kosmos. Hoog bovenin zien we de veren van een pauw, symbool voor wederopstanding. Wederopstanding is een van de belangrijkste geloofsaspecten van de Christenen, maar je kunt het ook interpreteren als de positieve veerkracht die mensen moeten hebben om uiteindelijk weer door te kunnen. Zoals in 1595 of in 1945. Dit glas verbindt zo ook de twee glazen die ik hiervoor heb besproken.

Ook vandaag de dag worden de mensen sterk beïnvloed door propaganda. In de Volkskrant stond een artikel waarin beschreven wordt hoe de propagandamachine van China iedereen laat weten hoe slecht het Westen is, dat de Navo in het geheim bacteriële wapens ontwikkelt in Oekraïne en hoe de mensen in Oekraïne moedwillig ziekenhuizen plat gooien met bommen. Het is vergelijkbaar met wat de mensen in Rusland te horen krijgen. Wij krijgen hier weer heel andere dingen te horen en natuurlijk zijn wij de enigen die de goede informatie krijgen. Onze propagandamachine mag er immers ook zijn, nog steeds.

Geplaatst in Geschiedenis, kunst, maatschappij | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

Beveiligd: Het grootste orgel van de Krimpenerwaard

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

De koning van de instrumenten

Als pianist moet je je minstens op twee dingen tegelijk concentreren: wat doet je rechterhand en wat doet intussen je linkerhand. Daarnaast heb je natuurlijk nog het pedaal om sommige tonen door te laten klinken, en als je van blad leest moet je af en toe omslaan. Je hersens zijn ook bezig met het decoderen van de bolletjes op de notenbalk om daar signalen van te maken voor je linker- en rechterhand. Al met al worden er aardig wat verbindingen gelegd in je hersens. Er is nog iets: de muziek beeldt iets uit, een gevoel. Bij dat uitbeelden word je vaak geholpen door expressietekens in de partituur. We hebben het dan over dynamiek: hard, zacht of harder worden, zachter worden; over tempo: snel, langzaam, versnellen, vertragen; over articulatie: staccato, legato. Dit alles met enorm veel mogelijke nuances. Ook het uitdrukken van expressie bij het spelen van een pianostuk komt tot stand door signalen vanuit je hersens naar met name je handen. Veel uitvoerenden beelden die expressie ook nog eens uit in hun mimiek of door hun lichaam te laten meebewegen, je ziet dan ook nog eens de expressie als je erbij bent. Anderen zitten stokstijf op hun pianokruk, de expressie is bij hen slechts hoorbaar.

Als je voor de eerste keer piano gaat spelen begin je vaak met een hand, of allebei de handen doen aanvankelijk vrijwel hetzelfde. Afhankelijk van het repertoire gaat een hand zich al snel specialiseren: rechts speel je de melodie, links de akkoorden. Maar pianopedagogen trainen je om dat ook andersom te kunnen. En ook om zowel links als rechts verschillende melodieën te spelen. En om door speciale vingerzettingen nog meer melodieën tegelijk te kunnen spelen, bijvoorbeeld twee melodieën rechts en twee links. En met veel kunst en vliegwerk intussen ook nog akkoorden te spelen. Een pianist kan zo met twee handen complexe stukken als sonates van Beethoven of fuga’s van Bach spelen.

Dit alles heb ik mezelf door studie redelijk kunnen aanleren. Maar sinds kort probeer ik een en ander ook toe te passen op orgelliteratuur. Het lijkt wel of ik aan een compleet nieuwe studie ben begonnen. De twee handen doen nog steeds vergelijkbare dingen als bij het pianospel, maar nu komt er ook nog een pedaal bij, en je hebt niet een, maar twee voeten. Dus je kunt twee tonen en twee melodieën tegelijk spelen op die pedaaltoetsen. Maar intussen zijn de handen ook nog bezig. Tot overmaat van ramp heb je ook nog meer dan een klavier op een orgel, al gauw zijn het er twee of soms zelfs drie, vier, nee op enkele orgels zelfs vijf. Soms moet je midden in een maat met een hand van klavier wisselen. En bij sommige stukken moet er vaak tussendoor worden geregistreerd, dat wil zeggen er moeten registerknoppen worden in- en uitgedrukt om andere klankkleuren te krijgen. Met een beetje geluk zijn er een of twee registranten die dat voor je kunnen doen, maar een beetje organist zal een groot deel daarvan ook zelf moeten kunnen doen, gewoon tussendoor, tijdens zijn spel.

Het orgel is de koning van de instrumenten. Misschien omdat het instrument vaak zo groot is, misschien omdat het zo’n machtig geluid kan geven, misschien omdat het zo oneindig veel verschillende klankkleuren kan voortbrengen. Maar om een orgel te kunnen bespelen moet je alle touwtjes in handen hebben. Je hersenen besturen dan door middel van een fabelachtige techniek ingewikkelde muzikale processen. Samen met het menselijke gevoel leidt dat soms tot een topprestatie. De koning van de instrumenten heeft een zeer kundige koning als bestuurder nodig.

Ik beheers het pedaal bij lange na nog niet. Mijn kleinzoon heeft pas anderhalf jaar les op het orgel. Hij weet dat hij nog veel moet leren. Maar het leren gaat bij hem voor het grootste deel onbewust. Hij kijkt, luistert en voelt. En dat alles samen leidt steeds vaker tot mooie muziek. Tegelijk geniet hij van het ontdekken van alle nieuwe mogelijkheden. Naast het beluisteren van al die prachtige registerklanken vindt hij het heerlijk om zijn voeten te laten musiceren. Het meeste leert hij zich zelf aan. Op les leert hij ook, maar veel langzamer en moeizamer. Die bolletjes tussen die balken zeggen hem steeds nog niet zo veel. Daar leert hij wel allerlei stukken en technieken kennen die anders zijn als die hij zich zelf aanleert.

In het volgende filmpje zie je hoe hij zich het pedaalspel aanleert. Gewoon los, lekker stoeien met de voeten. Maar intussen past hij het al vrij makkelijk toe in muziekstukken die hij op youtube gehoord heeft. Wonderbaarlijk vind ik het. Maar heerlijk om naar te kijken en naar te luisteren.

Geplaatst in autisme, muziek, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , | 1 reactie

Beveiligd: Op naar de pizza!

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

De waarheid, nu en in 1914

De krant Pravda (waarheid) werd opgericht door Lenin, met als doelstelling de vereniging van de arbeiders tegen de monarchie in Rusland. Het eerste nummer verscheen op 5 mei 1912 en het blad bereikte al snel een oplage van meer dan 130.000 exemplaren. Onder Lenin, tijdens het Stalin-tijdperk en ook daarna was de krant een propaganda-instrument van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie. De krant werd zwaar gecensureerd en de hoofdredactie stond in nauw contact met de Sovjet-leiders in het Politbureau en Presidium van de Opperste Sovjet. De krant bracht de partijleider dagelijks op de voorpagina, ook wanneer er geen nieuwswaardige feiten waren en bij de Sovjetleiders werd in een artikel steeds opnieuw de complete aanduiding van hun functie genoemd. Dat maakte de Pravda tot een slecht leesbare krant. De Pravda was onmisbaar voor wie wilde weten hoe de vlag er in het Kremlin bijhing. Wanneer een prominent Sovjet-politicus niet of weinig werd genoemd betekende dat in de ogen van de “Kremlin-watchers” dat hij in politieke problemen was gekomen. De Pravda had censors die de teksten vooraf goed- of afkeurden. Het aantal verboden onderwerpen was groot: misoogsten, misdaad, alcoholmisbruik, statistieken over levensverwachting en geboortecijfers, godsdienst, de emigratiewensen van Russische Joden, economische problemen, de misdaden van politici, de Februarirevolutie in 1917, de werkelijke gang van zaken tijdens de Oktoberrevolutie, schaarste aan woningruimte en slechte bevoorrading van de winkels, dissidenten, bedrijfsongevallen, incidenten in de kernindustrie, sociale spanningen, de levensstandaard in West-Europa en Amerika, vliegtuigongelukken (tenzij er buitenlanders aan boord waren) en de censuur zélf stonden op de lijst van min of meer verboden onderwerpen.

Na de augustusstaatsgreep in Moskou liet president Boris Jeltsin op 22 augustus 1991 een decreet uitvaardigen waarmee de Communistische partij van de Sowjet Unie werd opgeheven en op al haar bezittingen beslag werd gelegd, inclusief op haar spreekbuis de Pravda. Er was daarna een aantal jaren vrij veel persvrijheid, maar de laatste jaren wordt deze opnieuw steeds verder ingedamd. Onder Poetin lijkt er weinig meer van die vrijheid over. Toen hij er vorig jaar slecht voor stond bij de peilingen voor de parlementsverkiezingen, is de censuur nog strenger geworden. De partij van Poetin won maar de verkiezingsuitslagen zijn waarschijnlijk sterk gemanipuleerd.

Hier in Nederland staat de krant en onze smartphone dezer dagen vol met foto’s uit het oorlogsgebied van de Oekraïne. Hoewel veel mensen enigszins ongerust zijn wanen we ons nog steeds relatief veilig. Vanuit een (vooralsnog) behaaglijk warm gestookt huis bekijken we vanaf de bank de oorlogsplaatjes. Dat deden we al eerder…

Lenin leefde in de tijd van de eerste wereldoorlog. Net als nu was Nederland ook in die tijd slechts toeschouwer. Terwijl er zich vooral in België en Frankrijk hartverscheurende taferelen afspeelden vergaapten wij ons aan de foto’s die dankzij de snelle ontwikkeling van de fotografie ons land bereikten. En we zetten er commentaar bij. Ik bezit twee jaargangen van de katholieke illustratie, een weekblad van katholieke huize. Het gaat om de jaren 1914 en 1915. De taal die men als bijschrift van de foto’s bezigt zou nu niet meer kunnen: “belangwekkende. interessante foto’s van de vernieling en verwoesting van Namen: wij brengen onze lezers hierbij een serie uiterst interessante foto’s uit het door de Duitschers bezette Namen, welke afkomstig zijn van Duitsche officieren.” Een deel van de foto’s is dus gemaakt door Duitse officieren, die natuurlijk vooral ook willen laten zien hoe welwillend de Belgische bevolking op hun aanwezigheid reageert, zoals bij deze foto uit Aalst.

Natuurlijk zijn er ook veel foto’s van verwoestingen te zien, zoals deze foto uit Antwerpen.

Omdat er geen echte gevechtsfoto’s te zien zijn worden dergelijke taferelen gewoon getekend. Hier van een gevecht in Lassigny

Vanuit Nederlands gezichtspunt was het vooral ramptoerisme, we vergaapten ons aan de ellende van anderen. Maar wat laat je zien, hoe worden de keuzes gemaakt? Elke geplaatste foto is een keuze. Hij wil iets specifieks tonen. Zo is dat nog steeds. Bloedende en huilende mensen zeggen ons meer over de oorlog dan de opsomming van de hoeveelheid doden en gewonden. Als er ergens in een dorp een bom is gevallen zou je de honderden huizen kunnen fotograferen die niet getroffen zijn en waar het leven doorgaat. Maar je laat natuurlijk dat ene getroffen huis zien. Als er ergens op het platteland een gewonde Russische soldaat wordt verzorgd door een boerin dan is dat een plaatje dat goed gebruikt kan worden voor in een Russische staatskrant. Het is bekend dat er op de sociale media al tijden foto’s staan die uit hun context zijn gerukt, stammen uit een totaal andere tijd of die zelfs bewerkt zijn, dit alles om de mensen in dit geval iets wijs te maken. Dat gebeurt al jaren en nu dus ook weer. In Rusland heette in de communistische tijd de staatskrant “Pravda”, de waarheid. Ik zou in deze tijd geen enkele krant meer de waarheid durven noemen. Maar zeker niet de Russische staatskrant.

Geplaatst in Geschiedenis, maatschappij | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Mars en Venus

Oorlog en Vrede. Dat zijn symbolen die bij deze twee planeten horen. Op 10 mei 1940 kon je ze allebei ’s avonds niet zo lang na zonsondergang in het westen zien. Mijn moeder wist nog dat Mars toen elke avond zo goed te zien was. Venus stond die bewuste dag niet zo heel ver van Mars vandaan, maar de schijnbare onderlinge afstand vanuit ons gezichtsveld was groter dan nu.

In deze tijd zie je tegen zonsopkomst in het ZO Venus. Mars komt niet veel later op maar het is dan al zo licht dat hij niet gemakkelijk te zien is, althans mij is het de afgelopen tijd nog niet gelukt. Venus blijf je zelfs nog enige tijd zien nadat de zon al is opgekomen, zo helder staat hij daar. Met een sterke telescoop zou je ook Pluto nog moeten kunnen zien, die maakt van het duo een trio.

Gelukkig zie ik Mars en Pluto niet. Ik zie steeds alleen maar die schitterende planeet Venus. Mijn ogen zien alleen maar de vrede. Mars verbleekt compleet. Vannacht was het uitzonderlijk helder. Gisteravond en ook vanochtend kon je nog steeds heel veel sterren zien, ik maakte enkele foto’s, ook van Venus. Zelfs een detailfoto. Hij was nog maar net boven de horizon en hij was direct al heel goed te zien, er was geen wolkje aan de lucht. Ik hoop dat dit symbool de komende dagen zijn invloed gaat versterken. Venus is vrede. Straks is er ook in de wereld misschien geen wolkje meer aan de lucht.

Gisteravond: zelfs de kleine beer (boven) is op deze foto goed te zien
Vannacht heel veel sterren
Vanochtend half zes: Venus is net boven de horizon (rechts)
detailfoto van Venus
Een uur later: Venus staat al een stuk hoger maar is nog steeds goed te zien
Geplaatst in Astronomie, maatschappij | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Ons huishouden

Onze ongemakken zijn niet vergelijkbaar met de ongemakken die veel anderen ondervinden. Dus mij hoor je niet klagen. Maar ik was toch chagrijnig. Die chagrijniteit kun je het beste verwerken met wat humor is mijn ervaring.

Al twee jaar hebben we last van een lekkende kraan. Ook de kleinkinderen weten het al lang: als je bij opa en oma de koude kraan van de keuken open draait moet je hem daarna niet helemaal dichtdraaien. Het vergt een zeer nauwkeurige draaibeweging. Even helemaal dicht, dan met net de juiste hoeveelheid beweging weer een beetje open. De kraan druppelt dan nog, maar na ongeveer 10 seconden stopt hij met druppelen, zo niet dan moet je de dubbele draaibeweging herhalen: dicht, een beetje open. Het lukt fantastisch, al twee jaar. Maar in het kader van toch maar steeds weer liggend blijvende ongemakken, een teveel aan ducktape en vooral ook een hybride overmoed hebben we het probleem dan na twee jaar eindelijk een keer grondig aangepakt.

Stap 1: de hoofdkraan dichtdraaien. Er blijken op een onmogelijke plek in de kelder maar liefst twee hendels en twee kraantjes te zijn. Op de hendels staat een pijltje met de tekst “open”. Ah. De andere kant zal dan wel dicht zijn. Moeten allebei die hendels dicht? En waar dienen die twee kraantjes daarnaast eigenlijk voor? Weet je, daar zal ik me een andere keer de kop over breken. Het water blijkt met het draaien aan een van beide hendels helemaal afgesloten. Dus van die andere hendel en die kraantjes daar zal ik maar even afblijven. Stap 1 is geslaagd!

Dan kunnen we beginnen met stap 2: twee schroeven moeten er losgedraaid worden. Dus ik haal een waterpomptang. Dankzij mijn neiging tot ordening heb ik die best al snel gevonden. Oef! Wat zit die schroef vast. Ja, na! Er komt beweging in. Hoever moet ik eigenlijk nog doordraaien? Er lijkt geen einde aan te komen. Zal ik hem maar eens terug draaien? Ik ben vast al te ver. Oei. Hij blijft draaien maar er gebeurt niets, niet heen, niet terug. Dan die tweede schroef maar eens proberen. Mijn spieren kraken en een tegel kraakt.
-‘Stop, stop!’ roept mijn vrouw. ‘Je loopt alles te vernachelen!’ Ik stop want ook ik ben inmiddels tot de conclusie gekomen: er is geen beweging in te krijgen. Alles dan maar weer terug zetten? De eerste schroef is inderdaad compleet lam, hij draait nog steeds als een carrousel maar net als een draaimolen gaat hij uiteindelijk nergens heen. Pff. Ik loop de kelder in en draai de hoofdkraan dan maar weer  open.
-‘Ho, Ho!!’ Mijn vrouw gilt vanuit de keuken. De keuken staat half blank, het water spuit alle kanten uit, dus ik ga snel terug naar de kelder en draai vakkundig de hoofdkraan weer dicht. Daar ben ik al behendig in geworden. Maar wat nu?
-‘We moeten een loodgieter bellen’. Mijn vrouw belt na enig zoeken “iZ All-in Loodgie”, een firma die kan  helpen bij acute loodgietershulp. “Acute loodgieters hulp”, dat is precies wat we op de vrijdagmiddag zo rond drie uur zoeken. Binnen een uur staat er inderdaad een loodgieter voor de deur.

– ‘Alles is verkalkt mevrouwtje – u kookt toch? Nee dat doet u?’ Hij kijkt enigszins meewarig naar mij.  ‘Het beste is een nieuwe kraan’.
– ‘Maar dan wel eentje met draaiknoppen’ zegt mijn vrouw die bij voorbaat panisch is bij de gedachte aan een hendel, daar heeft ze op de school waar ze werkt altijd ruzie mee.
– ‘Ik zal wel eens  kijken in mijn busje.’
Even later komt hij terug. Hij heeft niets passends bij zich maar hij kan wel iets gaan halen in het magazijn in Gouda.
– ‘Reken op meer dan een uur voordat ik terug ben.’ Hij laat zijn gereedschapskoffer staan wat het fijne gevoel geeft dat hij inderdaad wel eens terug zou kunnen komen. Ja hoor, na ruim een uur is hij er weer, met in zijn hand triomfantelijk: een kraan. Niet zo’n mooie als dat er eerst zat, maar tot geruststelling van mijn vrouw is het er wel eentje met draaiknoppen. Met een beetje geluk zou deze het wel eens 15 jaar kunnen gaan uithouden voordat hij verkalkt is. Hij pakt de kraan, zet hem op de goede plek, draait het zaakje vast en een minuut later maakt hij zijn gereedschapskoffer dicht. De rekening is te zien op een digitaal schermpje. €390 voor alleen de kraan al? Maar dan komt het: inclusief voorrijden, werkzaamheden en BTW:  €1073,27!
– ‘Kunt u hier uw krabbeltje neerzetten? Afrekenen kan met de pin.’

De kraan doet het. Ik heb wel nog siliconenkit gebruikt omdat de ringen waar de schroeven doorheen gestoken moesten worden kleiner waren dan de originele en er door het gewroet en gedraai waren er zo wie zo op die plek mooie muizengaten ontstaan. En dan het goede nieuws: ik heb nog steeds een aardig voorraadje ducktape.  Dat komt in ons huishouden vaak heel goed van pas.

Geplaatst in maatschappij | Tags: , , , | 5 reacties

Beveiligd: Zelfreflectie

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Adagio Cantabile

-‘Wat is dat toch een ontzettend mooi stuk!’ zo sprak Mike Boddé terwijl hij aan de piano zat. Hij ging zijn eigen bewerking spelen van het adagio cantabile uit de Sonate Pathétique van Ludwig van Beethoven.
-‘Kun je ook uitleggen waarom dat zo’n mooi stuk is?’ vroeg Paul Witteman.
-‘Nee, vraag dat maar aan Beethoven.’
Iedereen moest lachen. Mike Boddé speelde toen op zijn eigen muzikale manier een jazz-achtig vervolg op de eerste acht maten van het langzame middendeel van deze sonate.

Ik denk dat Mike Boddé best wel iets had kunnen zeggen waarom het zo’n mooi thema was, maar dat wilde hij nu niet. Zo kwam er een mystiek vleugje over het mysterie van de schoonheid van dit stuk te hangen, terwijl er best wel wat te vertellen valt over waarom dit thema zo mooi is. In ieder geval waarom het zo goed in mekaar zit en dat is denk ik al een belangrijke oorzaak waarom veel mensen dit stuk mooi vinden. Ik ga nu enkele dingen vertellen over de kracht van het thema. Die kracht zit hem volgens mij vooral in vier melodische aspecten, daarnaast zou je over nog meer dingen iets kunnen zeggen, zoals over de zetting, de ritmiek of de frasering. Maar ik beperk me tot de vier onderstaande observaties. De omcirkelde tonen in het eerste notenvoorbeeld zeggen iets over aspect 1, de rode noten en pijltjes iets over aspect 2 en de blauwe noten iets over aspect 3. Aspect vier krijgt een eigen notenvoorbeeld op het einde.

  • 1- De eerste toon die je in de bovenstem hoort is gelijk al raak en brengt je in de stemming, je hebt nog geen melodie of niks gehoord. Hoe kan dat? Heel simpel: de bovenstem begint op de terts! Een terts is een toon die veel meer gevoelswaarde heeft dan een grondtoon of een kwint. Vervang de eerste toon maar eens door de grondtoon. Ook de derde toon, de Eb als kwint heeft een meer speciale werking. Het effect van de gevoelswaarden van die twee tonen kun je goed horen als je ze vervangt door twee grondtonen zoals in onderstaand voorbeeld. De akkoorden blijven gelijk, het ritme blijft gelijk, maar de melodie verliest een belangrijk deel van zijn speciale lading.
  • 2- Vergeet niet hoe een bas de werking van de melodie kan beïnvloeden! In de eerste drie maten maakt de bas voortdurend een tegenbeweging met de melodie. Stel dat je de bas zodanig aanpast dat die tegenbeweging verandert in een gelijke beweging, dan voel je pas hoe belangrijk het contrapunt is in de werking van dit thema. De bas is zorgvuldig zo gekozen dat hij perfect past bij de lading van de melodie. Luister naar de aangepaste versie van deze eerste vier maten: zo is hij veel minder sterk.
  • 3- De melodie wordt in de nazin afgesloten met een prachtig verloop in drie etappes. (maat 5, maat 6 en maat 7-8). die drie etappes laten de dramatiek van een dalende kwint horen, die het geheel tegelijk heel evenwichtig maakt. Het begin van die dalende kwint zit in het einde van de voorzin, dat zit zo: de laatste noot van maat drie is tevens de hoogste noot van dit thema, een Bb. Deze Bb springt met een kwint naar beneden naar de laatste noot van de voorzin, de Eb. Deze dalende kwint vormt vervolgens de basis van het antwoord in de nazin, welk in de kern uit sequensen van dalende kwinten bestaat. Zie de in de kleur blauw weergegeven noten. Hiermee is er een sterke motivische band tussen voor-en nazin tot stand gekomen. Maar ook de dramatiek van die kwint zelf werkt heel sterk, in al zijn eenvoud. In onderstaand notenvoorbeeld eerst nogmaals het geheel (eerste acht maten), daarna nog een keer het geheel, maar de laatste vier maten in een aangepaste versie.

Luister naar de laatste – aangepaste – vier maten, waarbij deze motivische band ontbreekt, en luister ter vergelijking nog eens terug naar het origineel, het eerste notenvoorbeeld van dit artikel.

je hoort de laatste vier maten, vergelijk met de tweede regel van het origineel
  • 4. Dit aspect lijkt op het eerste gezicht niet zo bijzonder : de richting van de melodie. Maar het mag zeker toch worden vermeld: het is een melodie die je kunt nazingen en kunt onthouden, hij sluit aan bij een logisch gebruik van onze stem. In de kern kun je deze melodie reduceren tot vier motieven in de sopraan en vier motieven in de bas, die een wonderbaarlijke eenheid vormen, waarbij het interval van een kwart of kwint (blauwe pijltje) verbonden wordt door een secunde, dalend of stijgend (rode pijltje). Ook de gespiegelde octaafmotieven (groene pijltje) in de bas die de voor- en nazin verbinden vormen een onderdeel van dit prachtige plaatje.

Natuurlijk is er meer. Het tempo is belangrijk. Het mooie middenregister waarin de akkoorden klinken draagt veel bij aan de sfeer. En zo zijn er nog wat aspecten zoals het ritme. Er valt dus van alles over te vertellen. Maar vooral is het een prachtig stuk om je helemaal aan over te geven. Luister naar het hele deel uit deze sonate, gespeeld in een van mijn meest favoriete uitvoeringen.

Geplaatst in muziek | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Stèle pour un enfant défunt – gedenkteken voor een overleden kind

Louis Vierne droeg zijn composities vaak op aan mensen uit zijn omgeving. Zo kun je er een beetje achter komen met wie hij omging. Tussen 1929 en 1931 schreef hij triptiek, opus 58, voor orgel solo. Het is een werk dat bestaat uit drie delen. Hij was weer terug van zijn reizen met Madeleine Richepin door Engeland, de Verenigde staten en Canada. Deze begeleidster die hem opgevangen had in 1920 na zijn terugkeer vanuit Zwitserland was inmiddels getrouwd. Voor Vierne werd het leven waarschijnlijk nog meer eenzaam, zijn vreugde bestond uit het componeren en vooral ook uit musiceren: tijdens de diensten in de Notre-Dame en bij het geven van concerten. Hij speelde veel, niet alleen in Parijs maar ook in andere steden zoals Lyon. Triptiek is een van zijn laatste partituren. Hij componeerde het stuk in dezelfde tijd als dat ook de zesde symfonie voor orgel opus 59 ontstond. Elk deel droeg hij aan iemand anders op:

  • Metten – Andante moderato “Aan mijn lieve leerling en vriend Maurice Duruflé”
  • Communie – Adagio espressivo “Aan mijn lieve leerling en vriend pater Henri Doyen, ter nagedachtenis aan zijn eerste mis , op zondag 20 april 1930, Paasdag in de Notre-Dame van Parijs”
  • Stèle pour un enfant défunt (gedenkteken voor een overleden kind) – Larghetto molto espressivo “Ter nagedachtenis aan mijn lieve vriend Jean de Brancion”

Laat het Duruflé zijn die er bij was toen hij zijn laatste concert gaf. Aan hem droeg hij dus het eerste deel op. Bij Duruflé moest hij blijkbaar denken aan de vroege ochtend, de metten. Duruflé stond voor de jeugd, voor mensen die hem zouden opvolgen. Het tweede deel, Communie, draagt hij op aan pater Henri Doyen, ook nog een jong iemand. Louis Vierne was erbij toen deze pater op paaszondag 1930 zijn eerste Mis opdroeg. Ook met hem voelde hij dus een sterke band. De kerk betekende veel voor hem, niet alleen vanwege zijn baan als organist van een kerk. Hij beschouwde deze priester als een vriend. Louis Vierne zei over het laatste deel: “Het is geschreven ter nagedachtenis aan een arme jongen, die stierf op 10-jarige leeftijd onder vreselijke omstandigheden. Hij was vroegrijp en heel gevoelig, zijn naam is Jean de Brancion. Als een oude vriend van de familie was ik bijzonder bedroefd door dit tragische heengaan. Ik wist niet hoe ik mijn verdriet moest uiten. Als een soort votief-offer kon ik mijn verdriet kwijt door middel van het schrijven van dit stuk, een stuk met een poëtische fantasie.”

orgel Notre-Dame Parijs

2 juni 1937 gaf hij een concert in de Notre Dame. Het laatste onderdeel van dat concert was zijn triptiek, met als laatste deel daarvan dus de “Stèle pour un enfant défunt”. Er zullen veel mensen bij zijn geweest, onder wie zijn leerling Maurice Duruflé. Wat dacht Louis Vierne toen hij het laatste deel schreef, welk gaat over de dood van een kind van bevriende mensen? We kunnen hier een idee van krijgen als we naar het stuk luisteren. De orgelregistratie is bijvoorbeeld al veelzeggend. Een “nachthoorn” (cor de nuit) wordt gecombineerd met een “gamba”, waarbij de ijle melodie vaak heel hoog ligt.  Hij begint al op een hoge F (F driegestreept), op sommige orgels is dat tevens de hoogst speelbare toon. Later komt er een nog iets hogere G. Het pedaal gebruikt een zacht register, een combinatie van een 8 en 16-voets bourdon. Verder is opvallend de tempo aanduiding: “Larghetto molto espressivo”. Op het orgel van de Notre-Dame kon je met een apart zwelpedaal subtiel crescendo en decrescendo laten horen, maar ik denk dat het stuk vooral ook “rubato” gespeeld moest worden. Je moest er helemaal in opgaan, in zwijmelen. Dat zal hij ook gedaan hebben tijdens dat bewuste concert op 2 juni 1937. Vanaf een bepaald punt in het stuk hoor je het pedaal tweestemmig klinken, een enkele keer zelfs zodanig dat je als organist je twee  benen moet spreiden: tegelijk klinkt er dan een wat hogere en een lage pedaaltoon. (C groot octaaf samen met G klein octaaf, wat later hoor je hetzelfde maar dan vanuit Es groot octaaf). Op het einde zijn er veel echte orgelpunten, pedaaltonen die lang blijven liggen. Ik hoor in gedachten Louis Vierne spelen tijdens dat concert, met heel veel expressie, maar steeds in een vrij subtiel en zacht register.

Vijftien maten voor het einde gaat de melodie omhoog, ruim een octaaf. De toonladder is ietwat onbestemd. Vijf maten later doet hij dat nogmaals, met een iets ander klankregister (de uiterst zachte nachthoorn!), beginnend op dezelfde toon, maar nu stijgt hij nog iets hoger, anderhalf octaaf.

De melodie die je hoort is niet die van een normale toonladder, ook de akkoorden zijn dat niet. De muziek lijkt twee keer naar de hemel te reiken, maar de hemelse gang in de er opvolgende maten lijkt steeds ongewis. Het stuk eindigt met een lang orgelpunt in het pedaal, een lange G van maar liefst zeven maten. Daarboven klinken heel bijzondere akkoorden, die soms passen bij de G, maar meestal er mee dissoneren. In de laatste drie maten wordt het geleidelijk consonant, eerst hoor je nog een stevig dissonant-akkoord (Cis-Fis-Ais klinken tegen een G) , dan in de voorlaatste maat hoor je een vertragingsakkoord (een zogenaamd sus4-akkoord) en dan tot slot hoor je dan een mooi consonant G-akkoord. Vanaf het laatste orgelpunt op die G, zeven maten voor het einde, klinkt de muziek nog trager dan ervoor (Piu Lento staat er in de partituur), met een nog verder vertragend ritenuto en een trage eindeloze fermate tot slot. Maar het stuk eindigt vredig, alle tonen in de manualen zitten nu in een middenregister. De muziek is tot rust en stilstand gekomen.

Het geheel klinkt als een overpeinzing waarin je pijn kunt voelen (de dissonanten), maar het is wel een pijn die oplost. Het is denk ik de pijn van het kind dat komt te overlijden en door zijn dood tot rust komt. Hij heeft het stuk tijdens zijn concerten slechts een keer eerder gespeeld, in Lyon. Nu speelt hij het, compleet met de eerste twee delen er aan voorafgaand, in de Notre-Dame. De fysieke maar vooral ook mentale inspanning van het concert blijken fataal: hij krijgt een hartaanval. De pedaalbas in het stuk klonk steeds zacht. Louis Vierne valt voorover en zijn linkervoet komt niet ver van de G, die hij net pas losgelaten had, terecht. In de kerk hoor je een doffe, zachte pedaaltoon die niet meer ophoudt met klinken. De toon E blijft hangen, totdat ongeruste luisteraars onder wie Duruflé de organist voorzichtig optillen. De emotionele lading van de overpeinzing bij het gedenkteken van een overleden kind heeft opeens een dramatisch karakter gekregen. Niemand van de aanwezigen zal dit ooit vergeten zijn.

In onderstaande opname horen we Daniël Roth die het stuk speelt op het Cavaillé-Coll orgel in de kerk van Saint Ouen in Rouen.

Geplaatst in Geschiedenis, muziek | Tags: , , , , | 1 reactie

Louis Vierne

Foto gemaakt door LeLaisserPasser, A38

Het grote, net gerestaureerde Cavaillé-Coll orgel van de Notre-Dame van Parijs werd op  20 september 2014 ingehuldigd in aanwezigheid van een groot publiek, Iedereen luisterde aandachtig naar de uitleg van de projectleider, de orgelbouwers en de titulaire organisten. Wat klonk het orgel weer mooi en keek men zijn ogen uit naar de 5 klavieren met 56 toetsen en het pedaalbord met 30 toetsen. Iedereen was opgetogen. Nog geen vijf jaar later, op 15 april 2019 voltrok er zich een ramp in Parijs. Er ontstond een grote brand in de Notre Dame. De brandweer was er snel bij, desalniettemin brandde een deel van de kerk af. Het orgel leek eerst geheel gespaard te zijn gebleven. Maar toch werd een jaar later besloten om het orgel te ontmantelen. Het was sterk vervuild door giftig loodstof. Ook had het te lijden gekregen van grote temperatuurschommelingen, met name van de hittegolf in de zomer van 2019.  De verwachting is nu dat het orgel weer helemaal klaar is in de loop van 2024.

De beroemdste organist die op dit orgel gespeeld heeft is Louis Vierne. (1870-1937). Hij is denk ik wel een van de meest tragische figuren uit de muziekwereld die ik ken. Hij werd zo goed als blind geboren. Maar toen hij zeven jaar was werd hij geopereerd waarna zijn zicht aanzienlijk verbeterde. Op 16 jarige leeftijd overleed zijn vader aan maagkanker wat hem zeer aangreep.  Intussen was het al duidelijk dat hij zeer muzikaal was. De jonge Vierne kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn oom Charles Colin, hoboïst en organist en winnaar van de Prix de Rome. Hij werd van 1881 tot 1890 opgeleid aan het Institut National des Jeunes Aveugles (het nationale blindeninstituut). Hij won er de eerste prijs voor zowel viool als piano. Hij ging daarna studeren aan het Conservatoire de Paris, waar hij korte tijd les had van César Franck. Na diens spoedige overlijden studeerde hij verder bij Charles-Marie Widor. In 1894 won hij de Prix du Conservatoire, waarna hij Widors assistent werd in zowel de kerk van Saint-Sulpice als in het conservatorium van Parijs. In die tijd werd Vierne zelfs ‘Widor-junior’ genoemd. Toen Widor daar werd opgevolgd door Alexandre Guilmant, werd hij ook diens assistent.

In 1899 trouwde hij en kreeg in de loop van de tijd drie kinderen. Er leek een mooie tijd aangebroken te zijn. In 1900 werd hij na een competitie uit 50 kandidaten uitverkoren tot organist-titularis aan de Notre-Dame van Parijs. Ze moesten allemaal voorspelen, Vierne won glansrijk. Hij bleef hier organist tot aan zijn dood in 1937. Maar hij kon nog steeds slecht zien waardoor hij op een kwaaie dag in 1906 kwam te vallen en een zeer gecompliceerde beenbreuk op liep, waarbij de artsen overwogen om het been te amputeren. Hij kwam er weer bovenop maar kon een jaar lang met dat been niet bij het orgelpedaal komen.  Net weer opgekrabbeld kreeg hij buiktyfus en zweefde een tijd lang op het randje van de dood. Twee jaar later verliet zijn vrouw hem om in te trekken bij een gemeenschappelijke vriend, een orgelbouwer. Alleen hun oudste zoon bleef bij zijn vader. Louis, nog steeds zeer slechtziend, trok toen met deze zoon in bij zijn eigen moeder, die echter al twee jaar later overleed. Hij kreeg daarna een relatie met een zangeres.

In 1911 was het de bedoeling dat hij de overleden Guilmant zou opvolgen als orgeldocent aan het Conservatorium. Toen hij verwikkeld dreigde te raken in een conflict tussen zijn leermeester Widor en de directeur Gabriel Fauré – die allebei voor hem de rol van mentor vervulden – liet hij de baan aan Joseph Bonnet en nam de wijk naar de Schola Cantorum, een concurrerend muziekinstituut, van zijn vriend Vincent d’Indy.

Toen kwamen er nieuwe zware tegenslagen. In 1913 bezweek zijn 10-jarige zoon André die bij zijn ex woonde aan tuberculose. In 1915 liet ook zijn nieuwe vriendin hem in de steek.

Louis Vierne in 1915

Op 12 juli 1916 vertrok Vierne naar Zwitserland om genezing te zoeken voor zijn glaucoom (een oogziekte waarbij de zenuwvezels van de oogzenuw geleidelijk aan verloren gaan.) Intussen was de eerste wereldoorlog bezig. In 1917 sneuvelden zijn broer en ook zijn geliefde zoon, die altijd bij hem was gebleven. Louis was nog steeds in Zwitserland en voelde zich niet alleen diepbedroefd maar ook schuldig. Hij had zijn nog jonge zoon toestemming gegeven om in dienst te gaan… Uiteindelijk kreeg hij in 1918 een operatie aan zijn ogen. Na complicaties moest hij een half jaar lang in een donkere kamer blijven. De operatie bleek uiteindelijk te zijn mislukt. Vanaf dat moment was Louis Vierne geheel blind.  Henri Büsser had in de Notre-Dame in die jaren dat hij in Zwitserland was tijdelijk zijn plaats ingenomen. Op 12 april 1920 kwam hij weer terug in Parijs.

De jonge zangeres Madeleine Richepin hielp hem bij het vinden van nieuwe leerlingen, het publiceren van zijn composities en het opbouwen van een nieuwe carrière als concertorganist. Tussen 1925 en 1927 maakte Vierne – met Madeleine als begeleidster – concerttournees naar Engeland, de Verenigde Staten en Canada. In Londen inspireerden de vier tonen van de Big Ben hem tot een van zijn bekendste orgelstukken: “Carillon de Westminster”. De concerttournees hadden vooral als doel om geld op te halen voor de restauratie van zijn orgel.

Louis Vierne tijdens zijn concerttournee in 1927

Aan het einde van zijn 1750ste recital op 2 juni 1937 aan zijn ‘eigen’ Cavaillé-Coll-orgel in de Notre-Dame van Parijs werd hij, na het spelen van het derde deel uit Triptiek op. 58, Stèle pour un enfant défunt, geveld door een hartaanval. Daarbij bleef zijn voet hangen op de E-toets van het pedaal. Zijn goede vriend en leerling Maurice Duruflé was hiervan getuige. Hij stierf dus letterlijk in het harnas. Ik probeer het me voor te stellen, een aanhoudende lage bastoon in de Notre-Dame. Eerst verwondering, daarna ontzetting. Duruflé die poolshoogte gaat nemen en ziet hoe hij daar voorover hangt.. Louis Vierne is begraven op het kerkhof van Montparnasse.

Ik wist van Vierne tot voor kort alleen dat hij blind was, maar las nu meer over de rest van zijn leven. Een vooral tragisch maar toch ook indrukwekkend leven. Zijn muziek heeft hierdoor voor mij een extra dimensie gekregen, nu ik weet onder welke omstandigheden veel van zijn stukken tot stand zijn gekomen. Zoals het “Carillon de Westminster” dat hij schreef toen hij stekeblind was en bezig was geld in te zamelen om zijn orgel te kunnen opknappen.  Mijn kleinzoon speelde bij mij thuis ook het “Carillon de Westminster”. Ik had het nog nooit gehoord. Hij speelde het twee keer achter elkaar omdat hij vond dat je alle manualen, ook die hij getekend had, moest kunnen zien. Dus ik moest een tweede opname maken vanaf een ander standpunt. Tot mijn stomme verbazing waren beide opnames bijna even lang. Hij had het hele stuk van meer dan vijf minuten compleet in zijn kop! Ik heb beide opnames gecombineerd, alleen het geluid van de opname die hoort bij het rechtervenster heb ik daarbij gebruikt. Hij speelt het in C, het origineel staat in D. Maar er wordt veel gemoduleerd, en ook dat probeert hij op zijn manier in zijn uitvoering te verwerken. Na de opname van mijn kleinzoon hoor je een opname van Olivier Latry, die het in 2017 speelt op het zelfde  orgel waar ook Vierne maar liefst 37 jaar op speelde. Bij deze opname duurt het stuk ongeveer 1:42 minuten langer, dus mijn kleinzoon heeft toch ook nog aardig wat weggelaten. Desondanks: petje af!

Niet alleen Vierne had geld nodig voor de restauratie. Hetzelfde orgel is dus nu opnieuw in restauratie na de noodlottige brand van enkele jaren geleden. Het lijkt wel of de rampspoed die het leven van Vierne tekende is blijven hangen in de Notre Dame….

Geplaatst in autisme, Geschiedenis, muziek | Tags: , , , , | 3 reacties

Beveiligd: Het Havense orgel

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Herkennen van orgels en organisten

Welk orgel hoor je, welke organist hoor je, wat vind je van de interpretatie?

Hieronder hoor je negen keer het begin van het “Pièce Héroïque” van César Franck. Gespeeld door negen verschillende organisten op negen verschillende orgels. César Franck schreef het stuk voor een orgel van de orgelbouwer Cavaillé-Coll. Bij dit soort orgels kun je snel met je voeten de registers instellen en veranderen. Drie van de uitvoeringen die je hoort zijn ook uitvoeringen op een dergelijk orgel. Twee orgels zijn een stuk ouder, het zijn eigenlijk barokorgels, maar ook daar zijn in de loop van de tijd wel wat aanpassingen aan gemaakt. Het veranderen van de registers is lastiger, je hebt er in principe een of meer registranten voor nodig. Twee orgels zijn van na de tweede wereldoorlog. Ook de opnametechniek is heel divers, er zijn enkele vrij historische opnamen bij, de meeste opnames zijn van redelijk recente datum. Er is ook een live opname bij waarbij je eerst nog even het publiek hoort klappen. Een orgel klinkt een halve toon hoger, het kan ook zijn dat de organist het stuk heeft getransponeerd van B mineur naar C mineur. Dat maakt het allemaal op enkele punten niet heel goed vergelijkbaar. Maar wel hoor je kenmerken die er in gelegd worden door de manier van spelen. Je hoort verschillende opvattingen met betrekking tot tempo, (snelheid maar ook mate van rubato en tempo-veranderingen), articulatie en registratie. Die worden dus door de organist bepaald. Ik ben benieuwd of er kenners zijn die de orgels en of de organisten herkennen. Nog meer ben ik benieuwd welke uitvoeringen men het meest kan waarderen. Ik stel het op prijs als luisteraars reageren.

Eerst de negen uitvoeringen, in historische volgorde. Deze komt dus niet overeen met de volgorde van de 9 opnamen die je verderop op deze pagina ziet! Bij elk nummer zie je van links naar rechts:
plaats, kerk, organist, orgel

  1. Parijs, st. Laurent, Béatrice Piertot, Ducastel 1685 (met veel uitbreidingen 19e en 20e eeuw)
  2. Gouda, St. Janskerk, Gerben Budding, Moreau 1736
  3. Parijs, st. Clothilde, Olivier Penin, Cavaillé-Coll 1856
  4. Dordrecht, Grote kerk, Feike Asma, Hendrik Kam 1859
  5. Toronto , Metropolitan united church,  David Simon, Samuel Warren 1863
  6. Parijs, Notre Dame, Olivier Latry, Cavaillé-Coll 1868
  7. Toulouse, St. Sernin, Jean Baptiste Dupont, Cavaillé-Coll 1889
  8. Dorset, Sherbon Abbey, Daniel Blaze, Walker & Sons 1956
  9. Soissons, kathedraal, Vincent Dubois, Victor Gonzalez 1957
opname 1
opname 2
opname 3
opname 4
opname 5
opname 6
opname 7
opname 8
opname 9

Je kunt voor je zelf een lijstje maken, bijv. 1 = opname 4, 2 = opname 9 enz. Of alleen maar bijv.: ik vind opname 5 het mooiste. Ik ben benieuwd!

O ja, en om je even te frustreren: mijn kleinzoon van 8 jaar die orgel speelt en heel veel naar orgelmuziek luistert haalde moeiteloos de drie Cavaillé-Coll orgels er uit, en ook het Moreau orgel van Gouda waar hij les op heeft. Nog frustrerender is misschien dat hij de Cavaillé-Coll orgels ook aan de juiste organist wist te koppelen. Ik moet er wel bij zeggen dat hij twee van die opnames al eerder gehoord had. De opname van het derde Cavaillé-Coll orgel had hij nog niet gehoord, maar omdat hij het soort orgel herkende moest het al deducerende van die en die organist zijn. Hij denkt volgens mij heel holistisch: dát orgel, dát stuk, dié organist, dat alles is voor hem na het gehoord te hebben een eenheid, dat herkent hij dan dus ook. Maar dan nog… Een beetje zoals hij ook alle treinmotoren en piepjes van elkaar kan onderscheiden en er zelfs de nummercodes bij kan zeggen. Ik doe het hem niet na, dat laatste al helemaal niet..

Nog meer artikelen over Franck:

Analyse Pièce Héroïque
De muziek van César Franck
Het leven van César Franck

Nu meer dan een maand na publicatie van deze quiz wil ik vertellen wie de uitvoerenden van de negen fragmenten waren en wat mijn eigen favoriete uitvoeringen zijn. De goede volgorde is: opname 1 = 7. Opname 2 = 3. Opname 3= 1. Opname 4 =  8. Opname 5 =  5. Opname 6 = 2. Opname 7 = 9. Opname 8 = 6. Opname 9 = 4

Opname 1: Jean Baptiste Dupont op het Cavaillé-Col orgel van de St. Sernin in Toulouse. Ik vind dit tegelijk de beste uitvoering van de negen en het is ook een goede opname. Het tempo is precies juist met een mooi romantisch rubato. Geweldig is de opbouw van het crescendo naar en in het begin van het B-deel. Het pedaal werkt hier fantastisch, zeker ook als dat nog wat zwaarder wordt aangezet bij de herhaling van het eerste B motief. Ook de overgang naar het mooie lyrische stuk aan het einde van dit fragment is perfect getimed en mooi geregistreerd.

Opname 2: Olivier Lepin op het Cavaillé-col orgel van de St. Sulpice in Parijs. Ook een heel mooie uitvoering, maar ik vind het tempo net iets te snel waardoor het ietwat onrustig wordt. Het crescendo is ook weer mooi, maar bij Dupont was het nog indrukwekkender. Verder is de timing perfect en ook het rubato spreekt me aan.

Opname 3: Béatrice Piertot op het Ducastel orgel in Parijs. Ook hier vind ik het tempo iets te snel. De klank van het orgel kan me niet zo bekoren. Het tweede deel zet ze voor mij wel erg apart neer, ik zou het toch meer iets laten doorlopen. Verder zeker ook niet slecht.

Opname 4: Daniel Blaze op het Walker & Sons orgel in Dorset. Af en toe wat braafjes en ook de timing vind ik soms niet zo goed. Ook hij zet het tweede deel iets te veel apart en de pauze richting het lyrische slotfragment klinkt wat gemaakt.

Opname 5: David Simon op het Warren orgel in Toronto. Braafjes, er wordt weinig met de registers gedaan, het spannende tweede deel komt zo te weinig tot zijn recht.

Opname 6: Gerben Budding op het Moreau orgel in Gouda. Heel mooie registraties toegepast, alle stemmen zijn goed te horen. Het crescendo is er, maar kan niet tippen aan dat van een Cavaillé-Coll orgel, wel mooi hoe het desondanks steeds spannender wordt. Ik vind het gat naar het lyrische deel op het einde net iets te groot.

Opname 7: Vincent Dubois op het Gonzalez orgel van Soissons. De opname is technisch niet zo goed, maar het spel is wel erg goed, prachtig rubato, mooi crescendo, goede timing.

Opname 8: Olivier Latry op het Cavaillé-Col orgel van de Notre Dame in Parijs. Klinkt op een of andere manier niet helemaal doorleefd. Het crescendo en ook het er op volgende lyrische stukje daarentegen is prachtig.

Opname 9: Feike Astma op het orgel van de Grote kerk van Dordrecht. Feike Astma speelt het stuk langzamer dan alle anderen. Binnen dat tempo is zijn timing perfect, ook naar het B-deel en het lyrische stuk toe. Het crescendo werkt goed. Maar een sneller tempo heeft toch mijn voorkeur.

Een poging tot een persoonlijke ranglijst:

  1. opname 1 Jean-Baptiste Dupont
  2. opname 7 Vincent Dubois
  3. opname 2 Olivier Penin
  4. opname 6 Gerben Budding
  5. opname 8 Olivier Latry
  6. opname 9 Feike Astma
  7. opname 3 Béatrice Piertot
  8. opname 5 David Simon
  9. opname 4 Daniel Blaze
Geplaatst in muziek | Tags: , , | 1 reactie

Koffietijd

Mijn vrouw en ik vonden elkaar onder meer in de overeenkomst van hoe we zijn opgevoed. Sober, eenvoudig. Onze ouders waren van dezelfde generatie, ook daardoor waren er veel overeenkomsten. We voelden ons allebei altijd bij al die mensen thuis.

Mijn ouders spraken vrijwel uitsluitend in het dialect van mijn geboorteplaats, met vrijwel iedereen die ze tegen kwamen. Als ik met mijn in de randstad opgegroeide vrouw thuis kwam dan werd er in principe ABN gesproken, maar het verwaterde bijna altijd, zodat er binnen de kortste keren weer Limburgs werd gesproken. Totdat mijn vrouw iets zei of ergens op antwoordde waarna er onmiddellijk weer overgestapt werd op het ABN. Er heerste en natuurlijke manier van voortdurende tweetaligheid. Mijn vrouw is heel taalgevoelig. In tegenstelling tot de meeste van mijn andere Randstedelijke connecties verstaat zij vrijwel alles wat er in een Limburgs dialect wordt gesproken. Dat maakt de conversatie overal waar we in Limburg komen gemakkelijk.

Ik heb de gewoonte om regelmatig ook in ons huis in de randstad tweetalig te communiceren. Vanochtend dronken we samen koffie. Ik schonk in, de koffiekan was daarna bijna leeg.

‘D’r zit nog ein kletske in, esse dalijk nog get wils, moogs ze det höbbe.’

Ik keek naar mijn vrouw, me van geen kwaad bewust. Ik zag een lachje op haar gezicht. Allebei begonnen we toen onmiddellijk te schaterlachen. Na een halve minuut waren we uitgeschaterd en keken elkaar nogmaals aan. Een volgende schaterlach volgde.

We wisten precies waarom we moesten lachen. Ik denk dat sommige van de lezers dat aanvoelen.

Geplaatst in maatschappij, taal | 2 reacties

Samen verhaaltjes schrijven

Mijn jongste kleinzoon is 6 jaar en leert lezen en schrijven. Dat vindt hij leuk, nog leuker is het om verhaaltjes samen met oma te schrijven. Dat kan op papier, dat kan ook met een tekstverwerker. Even zoeken waar al die letters zitten, en wat gebeurt er als je op “caps lock” drukt en dat soort dingen.. Natuurlijk moeten het spannende verhaaltjes zijn, over verstoppertje spelen bijvoorbeeld. Verstoppertje spelen dat kan hij erg goed. Doodstil op een onvindbare plek blijven zitten. En intussen stil luisteren hoe iedereen zich suf loopt te zoeken. Verstoppertje spelen kan ook eng zijn..
Maar het eerste verhaaltje ging over vuurwerk.
De cursieve tekst is van hem, de andere is van oma

123  JEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEJ!!!
       VUURWERK!!!  ZEGT
MERLIJN  VUURWERK!!!
MAAR  NOG  IEMAND  ZEGT  DAT . DAT  IS  MIK 
MIK  IS  MIJN  VRIEND.  HALLO

Merlijn zoekt oma.
Oma, waar ben jij?
Oma zegt niks.
Merlijn sluipt naar de gang.
Alles is zo stil.
Merlijn wordt een beetje bang.
Oma, je moet nu iets zeggen, hoor.
Ik word er bang van.
Ik ben hier, hoort Merlijn uit de kast.
Hij loopt naar de kast.
Hij doet de deur open.
Ja, daar zit oma!
Hier ben ik, zegt ze.
Hier ben jij, zegt Merlijn.
En ze knuffelen elkaar.


Oma waar ben je?
merLIJn hoort iets. hij hoort iets in de kelder:
hier ben ik. merLIJn hoort dat in de kelder
aaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa!!!

hij zag een spook.
Merlijn wordt zo bang.
Hij rent naar buiten.
Opa, help, gilt hij. Ik zag een spook.
Opa schrikt. Hij stopt met onkruid wieden.
Kom kijken, zegt Merlijn, in de kelder zag ik een spook.
Opa gaat naar de kelder. Merlijn gaat mee.
Hij is heel dapper. Net zo dapper als opa.
O, zegt opa, ik zie het al. Hier hangt een doek.
Een wit doek. En dat doek wappert in de wind.
Maar opeens hoort opa een gil:
OEIOEI. Merlijn, vraagt opa, hoor jij dat ook?
Ja, piept Merlijn van angst.
Opa loopt heel zacht en langzaam verder.
Hij kijkt om het hoekje van de keldergang en……
het is oma

Merlijn zij ik zag een spook.

Dank je wel, zei oma, ik zie er toch niet uit als een spook, hoop ik?!

Nee, maar jij deed OEIOEI en dat klonk heel eng.

Kom nu maar thee drinken, zei opa.
Niet meer enge geluiden maken en geen spoken meer zien.
We willen thee en sap drinken en een koekje eten! MMMM…..

Dat is leker zegt merlijn einde

Geplaatst in pedagogiek en onderwijs | Tags: , , | 1 reactie

Beveiligd: Organo Pleno

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Het Pièce Héroïque van César Franck

Zie ook mijn blog over César Franck waarin onder meer een mooie documentaire van Tijmen Wehlburg over zijn leven is te zien . Of het artikel over de muziek van Franck.

Van 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 was er oorlog in Europa: de Frans-Duitse oorlog. Er waren meerdere aanleidingen en strategische overwegingen die de oorzaak van deze oorlog vormden, maar de gevolgen waren zeer groot. Het huidige Duitsland werd bij deze oorlog geboren, doordat de verschillende Duitse volken zich uiteindelijk verenigden. Frankrijk, dat op dat moment nog monarchie was onder Napoleon 3, werd na deze oorlog de republiek die het nog steeds is. In die jaren waren veel mensen onder de wapenen, er werden diverse veldslagen geleverd waarbij bijna steeds de Fransen het onderspit dielven. Parijs werd ingenomen en door Duitsland bezet. Het land werd bij de vredesonderhandeling opgezadeld met een grote financiële aderlating, ook moest het Elzas Lotharingen aan Duitsland afstaan. Na afloop was er een groot nationalistisch gevoel en een afkeer van alles wat Duits was in Frankrijk. Ook de kunst moest meer “Gallisch” worden. Veel kunstenaars schaarden zich achter de nieuwe beweging, onder wie ook César Franck.

Zeven jaar later was er een wereldtentoonstelling in Parijs. Frankrijk wilde toen,  in 1878 iets van dat nieuwe élan aan de wereld tonen. Het tegenwoordige Champs de Mars werd helemaal volgebouwd met tentoonstellingsgebouwen. Je kon er bijvoorbeeld in een apart dorp, “village nègre”,  negers bekijken, er werden 400 inheemsen “tentoongesteld”. De “Galerij der Machines” was een industriële tentoonstelling van onder andere uitvindingen zoals de telefoon van Bell of de fonograaf van Edison. Ook werd er een groot paleis gebouwd, het Palais du Trocadéro.

Het gebouw staat er niet meer, nu staat daar het Palais de Chaillot. In dit tentoonstellingsgebouw stond een nieuw, kolossaal Cavaillé-Coll-orgel, dat door César Franck werd ingewijd met drie speciaal voor die gelegenheid gecomponeerde stukken, waaronder het Pièce Héroïque. Het orgel is trouwens in 1939 gerenoveerd en uiteindelijk in 1977 verplaatst naar het auditorium Maurice Ravel in Lyon waar je permanent uitzicht hebt op het pijpwerk. Er worden nog regelmatig concerten op het instrument gegeven, onder meer is er jaarlijks een orgelmarathon die drie uur duurt en door France 3 wordt uitgezonden. Het instrument heeft 82 registers en telt 6500 pijpen, De laatste algehele restauratie, gedaan door Michel Gaillard, was in 2013 .

Auditorium Maurice Ravel in Lyon

Wat had Franck in gedachten bij dit Pièce Héroïque? Hier ga ik het zo meteen over hebben, maar eerst maak ik een muzikale analyse. Als je die wil overslaan, ga dan verder bij het niet-cursieve deel.

Het stuk heeft een soort rondo-vorm, waarbij je het rondo-thema A  hebt van 33 maten met als hoofdmotieven a en b. Hierna komt een B deel van 79 maten met een motief c dat heel verwant is met zowel a als b, maar: dit deel is spannender. Je zou het als een soort doorwerking kunnen beschouwen. Daarna keert A met nu alleen het a motief terug (16 maten). Het echte middendeel is C, met twee nieuwe motieven d en e die meer afwijken. d valt gelijk op: in de bas klinkt een soort signaal-motief dat in een tweekwartsmaat lijkt te staan. Het e-motief is ook heel anders. Waar de meeste motieven tot dan toe vooral het basisidee “kort-lang” (kwart-halve) in zich hebben, wordt het nu juist andersom: de meeste motieven in C zijn gebaseerd op “lang-kort” (halve-kwart).
(Kijk maar eens naar deze maten: Maat 1-18 zou je ritmisch kunnen reduceren tot de figuur kwart-halve in elke maat. Dit blijft het kernidee van zowel A, B als A. Ga je nu naar de eerste maten van C, bijv. de maten 80, 82, 85 en 86, dan zien we dat deze opeens zijn te reduceren tot het omgekeerde: halve-kwart.)
Intussen hoor je nadat e begonnen is het al vermelde signaal-motief d regelmatig terugkeren. Het C deel is qua karakter tot bijna aan het einde toe veel lieflijker, de toonsoort is afwisselend majeur en mineur. Ook de registratie is meer ingetogen. Dit deel duurt 59 maten. Tegen het einde van C voel je, als bij een doorwerking, een aankondiging van een soort reprise komen tijdens een langdurig crescendo. Vlak daarna hoor je elementen van motief a, en ja hoor: daar komt A weer (het a-motief nu in het pedaal), inderdaad een soort reprise, maar op een hoger niveau. Ook het b motief zit er dit keer weer bij. Het A-deel duurt nu 36 maten en de lengte komt daardoor aardig in de buurt van het eerste A-deel. Tot slot is er nog een coda van 26 maten, waarin vooral de hoofdmotieven e en d van het middendeel C zitten. Dat Coda werkt als een soort magistraal eindkoraal.

Geen enkel deel is hetzelfde. Het b motief is een soort omkering van het a motief. Er is een zich steeds maar ontwikkelend, nooit stilstaand, maar toch afgerond vormprincipe. Alles lijkt sterk in elkaar te grijpen. Het ritmische motief in het pedaal (d) waar het middendeel mee begint komt helemaal aan het einde van de coda terug en maakt er een perfecte afsluiter van. Hieronder het motivisch materiaal van het hele stuk.

Behalve de vorm is de harmonische structuur interessant. Grofweg zijn de toonsoorten die de basis van het stuk vormen Bm, F#m en B. Maar Franck zei tegen zijn studenten: alsmaar moduleren, moduleren, moduleren. Ik laat een klein stukje zien waarbij zijn techniek van moduleren heel karakteristiek is uitgewerkt.. In dit fragment zijn we in maat 30 aangeland in de paralleltoonsoort D en daarna wordt er weer terug gemoduleerd naar de hoofdtoonsoort. Daar is eigenlijk bijna niets voor nodig, de toonsoorten liggen dicht bij elkaar. Maar Franck doet het op zijn typische “Franck-manier”: met reële sequensen, enharmoniek en veel chromatiek.

De eerste akkoorden van 30, 31 en 32 staan telkens een toon hoger: D, Eb en E. Maat 31 is zelfs in zijn geheel een reële sequens van 30, alle akkoorden zijn een halve toon opgeschoven. Ook zien we enharmoniek: de laatste akkoorden van maat 30 en 31 zijn verminderde septiemakkoorden, maar door enharmonische veranderingen lossen zij anders op dan verwacht. (E#dim7 wil eigenlijk naar F#, maar door het te beschouwen als Ddim7 kan het ook oplossen naar Eb zoals hier ook gebeurt.) Hetzelfde zien we een maat later: F#dim7 kan naar G, maar als D#dim7 ook naar E. Heel kenmerkend zijn ook de wringende dissonanten op de tweede tel van maat 30 en 31. Terwijl de hoge D in maat 30 blijft liggen klinkt daaronder op de tweede tel een C# akkoord. Een maat later hetzelfde: De hoge toon Eb botst met een D akkoord op de tweede tel. De hele toplijn van lange noten is drie maten lang chromatisch: D-Eb-E-E#-F#. Toch is er uiteindelijk een duidelijke toonsoort, in maat 32 klinkt de cadens IV-tussendominant-V-I. Waarbij IV een majeur akkoord is in plaats van een mineur akkoord (een zogenaamd dur-moll, dm, akkoord). De tussendominant in die maat is een verminderd septiemakkoord dat oplost naar de vijfde trap F#. Ik stel me zo voor dat Franck dit ook door zijn leerlingen liet analyseren en er commentaar bij leverde, wellicht opdrachten gaf om iets dergelijks te componeren.

Hoe werkt dit stuk? Het is dus geschreven voor de wereldtentoonstelling en voor de inwijding van een groot concertorgel. Met de naam Héroïque zou het niet alleen maar om het heroïsche orgel of het heroïsche Frankrijk kunnen gaan, maar misschien gaat het ook wel over de voorbije heroïsche oorlog. Die was voor Frankrijk behoorlijk rampzalig. Ook van de studenten van Franck die als soldaat mee hebben gevochten zijn er een aantal niet terug gekeerd. Er was dus ook droefenis. En juist die droefenis hoor ik heel sterk in het rondothema, zowel bij de motieven a als b. Het wemelt van de “Seufzer”, zogenaamde zuchten, dalende chromatische secundes die altijd al smartelijk aandoen, maar hier nog meer omdat het ook nog eens om harmonische vertragingen gaat: dissonanten die even later oplossen.


In de bas klinkt de melodie: B-C#-D-C#. Het laatste interval, D-C#, dat is een seufzer.

De D in de bas is op de tweede tel nog consonant, op de derde tel, als het akkoord er boven verandert, botst hij als dissonant tegen E-A# en lost vervolgens op de lichte tel op naar de C#, die de kwint van het F#7 akkoord is.

Deze seufzer horen we nog talloze keren daarna, waardoor het stuk vooral klaaglijk aandoet, ondanks het vrij snelle tempo. Een mineur-toonsoort is ook niet gelijk een toonsoort van een overwinnaar, zoals we wel kunnen horen als Beethoven in Wellingtons Sieg de overwinning op Napoleon in muziek omzet. Nee. Het is een heroïsch stuk van een natie die aan het opkrabbelen is, die een Franse cultuur nastreeft en tegelijk ook zijn wonden likt. Die sfeer blijft voor mij een groot deel van het stuk aanwezig. Het coda op het einde, dat straalt dan eindelijk toch nog sterkte en kracht uit. Het heeft de wat meer statige thema’s van het middendeel, maar nu voornamelijk in majeur, nu niet zo lieflijk als in het middendeel C maar juist uiterst krachtig. Het optimisme en de heroïsche kracht is er toch nog gekomen.

Hoe zou dat geklonken hebben in het “Palais du Trocadéro” in Parijs bij de wereldtentoonstelling, op dat toch wel protserige Cavaillé-Coll orgel, dat nu in Lyon staat? Luister en beleef het heroïsche maar ook melancholische, droevige gevoel dat dit stuk zo sterk uitstraalt nog een keer, alsof je er live bij was. Nu wordt het gespeeld door Olivier Penin op het orgel waar Franck zo graag op speelde, het orgel van de Sainte Clothilde

Wat is nu een goede interpretatie van dit stuk, welk orgel is het meest geschikt, kun je het eigenlijk alleen maar spelen op een Cavaillé-Coll orgel?
Luister naar negen verschillende versies en bepaal zelf wat je er van vindt.

Geplaatst in Geschiedenis, muziek | Tags: , , , , , , | 3 reacties

De muziek van César Franck

Lees hier meer over het leven van César Franck

In de documentaire van Tijmen Wehlburg over César Franck wordt een plakkaat getoond in Luik met het volgende opschrift:
In dit huis is op 10 december 1822 Cesar Auguste Franck geboren, gestorven in Parijs op 9 november 1890. De grootste musicus van het einde van de negentiende eeuw. Eerbetoon van Wallonië aan zijn illustere zoon, 15 maart 1914.

Ik laat het opschrift tot me doordringen. Om te beginnen valt me de datum op, het moment dat het plakkaat op dat huis is bevestigd: 15 maart 1914.  Dat is zo’n 5 maanden voordat de Duitsers het land binnen vielen en België vier jaar lang de ellende van de “Grote Oorlog” moest doormaken. België bleef de hele oorlog oorlogsgebied, vooral het gebied rond Ieper had het zwaar te verduren. In het begin van de oorlog is Luik maandenlang belegerd geweest en zijn uiteindelijk twaalf forten kapot gebombardeerd. Maar toen dit plakkaat werd bevestigd was er nog niets aan de hand. België was voor die oorlog welvarend, in economisch en ook in cultureel opzicht was het land verder dan Nederland. Het relatief hoge niveau van voor de eerste wereldoorlog heeft België nadien eigenlijk nooit meer kunnen bereiken.

Het tweede dat ik tot me laat doordringen is: “Le plus grand musicien de la fin du XIX siecle.” Tijmen Wehlburg moest daar in eerste instantie om lachen maar was daar na zijn tocht door Parijs en het bestuderen van de muziek van Franck niet meer zo zeker van. Hoe belangrijk was Franck eigenlijk?

Die vraag stel ik me nu opnieuw. Ik kende zijn vioolsonate vrij goed. Ook zijn symfonie had ik al eens bestudeerd. Maar de rest van zijn muziek? Ja, uiteraard had ik wel eens wat gehoord. Maar het was me niet zo bij gebleven. Dus ik ben nu intensiever gaan luisteren. Ik luisterde nog een keer, nee, nog twee keer intensief naar zijn symfonie. Ik luisterde enkele keren, met de partituur erbij, naar zijn laatste orgelstukken, “Les trois chorals”. Ik luisterde naar een aantal van zijn andere orgelstukken zoals het “Prière”, de “Prélude-fugue-et-variation” en het “Pièce Héroïque”. Ik was nieuwsgierig naar zijn grote oratorium “Les Béatitudes” waar hij maar liefst tien jaar aan gewerkt heeft. Ik las het boek “César Franck im Kontext” waarin een aantal lezingen die gegeven werden bij een internationaal symposium in 2008 zijn gebundeld. Ik las het uitgebreide voorwoord dat Vincent D’Indy schreef toen hij een verzameling van zijn pianowerken die hij had geselecteerd bij Durand liet uitgeven. Ik bestudeerde een aantal partituren, waaronder de geselecteerde pianostukken, maar ook een aantal orgelstukken. Ik was vooral ook benieuwd of ik er achter kon komen wat de voornaamste invloeden op Franck zijn geweest en hoe hij tot zijn toch wel herkenbare stijl is gekomen.

Op dit moment zie ik in mijn zoektocht allereerst enkele overeenkomsten tussen Beethoven en Franck. Beethoven die de Missa Solemnis als zijn beste werk ervoer maar vanuit de buitenwacht vooral erkenning kreeg voor zijn instrumentale werk, vooral voor zijn symfonieën en de kamermuziekwerk uit de vroege of middenperiode. Franck die worstelde met zijn oratorium “Les Béatitudes” maar hier tijdens zijn leven nooit de erkenning voor kreeg die hij graag wilde. Hij werd uiteindelijk vooral gewaardeerd voor zijn orgelmuziek en zijn vioolsonate. Beethoven die al in zijn “Notenhefte” blijk gaf van zijn neiging tot cyclisme: thema’s met elkaar verbinden, deze verhuld of onverhuld terug laten keren in meerdere delen. De Grosse Fuge en de negende symfonie zijn misschien wel de duidelijkste voorbeelden hiervan, allebei werken uit zijn laatste periode. In vooral de symfonie van Franck, een van zijn laatste composities, is dit principe een van de centrale gegevens en veel muziektheoretici beweren zelfs dat het idee min of meer door Franck is uitgevonden. Dat is dus zeker niet zo. Ook Beethoven heeft het denk ik niet uitgevonden, maar hij is het grote voorbeeld voor Franck in dat opzicht, daar ben ik van overtuigd. Ook het verwerken van fugatische elementen in verder niet contrapuntische muziek zal Franck van Beethoven hebben. Hij was overigens niet de enige. Iedereen kende Beethoven. En tientallen componisten deden er wel iets mee. En frappant is de vergelijkbare opzet van de volgende twee composities. Bij het luisteren naar de symfonische variaties voor piano en orkest hoorde ik het basisidee van het andante uit het vierde pianoconcert van Beethoven. Maar ik hoorde tegelijk Franck. Hij jat niet, hij haalt inspiratie uit het werk van zijn voorganger. En Beethoven is duidelijk een zeer grote inspiratiebron.

Fragment uit het andante van pianoconcert 4 van Beethoven
Fragment symfonische variaties piano en orkest Franck

En hoe komt Franck aan zijn chromatische idioom dat daar in zijn latere stukken steeds nadrukkelijker een onderdeel van vormt? Heeft hij dat van Liszt, de componist die hem enkele keren morele steun verleende bij zijn composities en vooral veel waardering had voor zijn improvisaties? Niet onmogelijk. Luister je echter naar bijvoorbeeld de Mephistowals nr. 4, dan zie je dat daar toch van een heel ander soort chromatiek sprake is dan bij Franck. Dit stuk zweeft zo, dat het bijna modaal wordt. Het is eerder verwant aan stukken van Debussy dan aan stukken van Franck.

Soms gaat de muziek van Franck ook een beetje zweven, ik ervaar dat bijvoorbeeld bij sommige passages in zijn laatste orgelwerken. Maar in de kern staat alles als een huis, ondanks de chromatiek. Bij de Prelude, aria en finale uit 1886 (een jaar later als het stuk van Liszt van hiervoor) zien we een voorzin van 12 maten die begint in E en eindigt op de dominant B. Maar intussen is er aardig wat gebeurd. Hieronder een harmonisch uittreksel voor geïnteresseerde specialisten, met de duiding van de akkoorden:

De eerste vier maten staan nog vrij netjes in de hoofdtoonsoort E. Maar in de maten 5 tm 8 komen de typische “Franckiaanse” sequensen. Niet echt reële sequensen, dan zou alles letterlijk een toontje zijn opgeschoven. In de bas zien we dat 7 en 8 een kleine terts hoger liggen dan 5 en 6. Maar de akkoorden zijn anders. In maat 6 wordt de C# chromatisch omspeeld, in maat 8 de E. Ook in 9-12 is er veel chromatiek. Ondanks de verrassende onverwachte akkoorden zijn de grote lijnen helder. Via een tussendominant [V7] in 9 gaan we naar de dominant V in 11. Die lijkt te gaan oplossen in de tonica toonsoort (grondtoonsoort) E, maar die wordt via een bedrieglijk slot een maat uitgesteld: Na V komt VImd (C = VI in Bm, vandaar de toevoeging md = moll-dur). Het laatste akkoord van 12 = B7, de dominant V van de hoofdtoonsoort. Dat is dan het einde van een lange voorzin. Vanaf 13 begint de melodie opnieuw en lijkt er een soort nazin te beginnen.

Hier een link naar het hele stuk waarbij je tijdens het luisteren ook het notenbeeld kan volgen.

De kwaliteit van de meeste muziek van Beethoven staat boven elke twijfel. Net als die van Brahms, Bruckner of Debussy. Bij Franck vind ik dat dat niet zo is. Alleen al daarom zou ik Franck nooit de beste componist van het einde van de negentiende eeuw willen noemen. Ik denk dat je dan eerder bij Brahms of Wagner zou moeten zijn. En Debussy, nog ietsjes later, vind ik persoonlijk de meest invloedrijke, vernieuwende en bekwame componist, in ieder geval van rond 1900. Toen was Franck al dood. Waar valt Franck door de mand? Bij zijn oratoria bijvoorbeeld. Les Béatitudes, het verhaal van de zaligen in de hemel, vind ik domweg vervelend. De kritiek van zijn tijdgenoten is wat mij betreft terecht. De tekst is naïef en wordt ook naïef uitgewerkt. Het levert enigszins kitscherige muziek op waarbij je wat mij betreft in slaap valt. Natuurlijk zitten er ook enkele mooie passages bij, maar het geheel werkt niet. Zijn instrumentale muziek lijkt tegen het einde van zijn leven steeds beter te worden. De eerste zes orgelstukken zijn goed van opzet, maar nog enigszins braafjes. De vorm is soms origineel, zoals die van Prélude-fugue et variation. De prélude is een mooi uitgewerkt thema, dan volgt er een fuga die er soepel uit voortkomt maar er tegelijk een contrast mee vormt. Het eerste thema komt daarna weer terug maar anders uitgewerkt, een “variation” dus. Een prettig stuk om naar te luisteren.

Ter gelegenheid van de officiële ingebruikname van het grote Cavaillé-Collorgel in de grote zaal van het Palais du Trocadéro in Parijs – op 1 oktober 1878, dit was tijdens de Wereldtentoonstelling – componeerde Franck in dat jaar een drietal orgelwerken die in 1883 voor het eerste in druk verschenen onder de titel ‘Trois Pièces pour le grand orgue’ . Het derde van de drie, Pièce Héroïque, vind ik het beste. Franck stond achter het idee van een “Ars Gallica”, een Franse stijl die anders was dan de Duitse. Zo vlak na de nederlaag in de Frans-Duitse oorlog wilde hij meehelpen om dat te bewijzen, en de eerste poging in die richting zijn deze stukken. De typisch Franckiaanse stijl van veel chromatiek, reële sequensen en tertsverwantschappen komt nu duidelijk naar voren. Zie ook dit artikel.

Het beste stuk van Franck is misschien toch wel zijn symfonie. Niet alleen vanwege het cyclische idee, de terugkeer van de thema’s in de meeste delen. Maar vooral vanwege de manier waarop hij dat doet. Bij een bepaalde passage waarin in rap tempo drie van die thema’s voorbijkwamen had ik de associatie met wat er bij het eerste deel van Petruschka van Strawinsky gebeurt: al lopende over het kermisterrein hoor je in dat stuk een aantal thema’s en als je even een bochtje omgaat hoor je opeens weer een stukje. Bij Strawinsky is deze manier van werken heel vernieuwend, het wordt bijna een collage. Bij Franck is het thematische materiaal organisch in elkaar geweven en wel op zo’n goede manier dat het compleet natuurlijk aan doet. Heel knap. Ik kan er een stukje van laten horen, maar eigenlijk moet je het geheel beluisteren. Het is een gotisch bouwwerk, waarin elk detail zijn plek heeft, de goddelijke orde navolgend. Deze uitvoering van het orkest van de Hessische Rundfunk vind ik erg goed.

Er valt nog veel en veel meer te vertellen over de muziek van Franck. Bijvoorbeeld over de invloed van Bach. Bach en Franck waren organist. Franck had contrapunt gehad van Reicha. Reicha had in Wenen op zijn beurt contrapunt gehad van Albrechtsberger, een docent waar in die tijd ook Beethoven les van had. Albrechtsberger gaf contrapunt in de stijl van vooral Bach. Beethoven noemde Bach de “Gott der Harmonie”. Maar de fuga’s van Beethoven zijn vernieuwend. Hij zegt zelf daarover “Ein Fuge schreiben ist nicht so schwierig. Davon habe ich Dutzende gemacht. Aber da etwas lyrisches hinein zu legen, das ist etwas anderes.” En dat laat hij zien, in al zijn fuga’s, die meestal onderdeel zijn van grotere werken, en daar niet als star contrapunt in worden uitgewerkt, maar die er een integraal poëtisch onderdeel van vormen. Als Mendelssohn fuga’s schrijft dan worden dat knappe meesterstukjes in de stijl van Bach. Het lyrische element zoals bij Beethoven is in diens stukken niet terug te vinden. Bij Franck lijkt er weer wat van terug te komen, zoals bij zijn hiervoor vermelde orgelstuk “Prélude-Fugue et Variation”.

De allereerste stukken van Franck, geschreven tijdens de lessen van Reicha of niet lang na diens dood, vertonen nauwelijks diens invloed op contrapuntisch gebied. Franck was pas 12 of hooguit 13 jaar oud! Het zijn brave pianostukjes, eerder in de geest van Franse salonmuziek.

Franck luisterde graag naar andere organisten als zij Bach speelden. Zoals hij een keer luisterde naar Bruckner. En de diepe gelovigheid van Bach was ook bij Franck een inspiratiebron, niet alleen als hij op de zondag in de Mis speelde, maar ook bij zijn eigen composities. Maar bij Franck hoorde je dus nooit zoals bij Mendelssohn een Bach-imitatie. Hij schreef net als Beethoven zijn eigen contrapunt en fuga’s.

Moeilijk om naar te luisteren zijn z’n laatste drie koralen voor orgel uit 1890. Hij stoeit hier met zowel de vorm als met akkoordopeenvolgingen. Vooral het derde stuk is moeilijk om te spelen. Om het helder te houden is een goede registratie nodig, dat wordt niet door elke organist even goed gedaan. Olivier Penin ziet een grote diepgang in deze muziek, iets waar je als organist lang op moet studeren en waarin je moet groeien. Ik vind ze alle drie boeiend. Misschien ga ik ze nog eens net zo waarderen als de laatste strijkkwartetten van Beethoven. Die zijn geschreven door een dove, sterk in zich zelf gekeerde, zieke man. Toen Franck zijn laatste stukken schreef was hij net als docent gestopt met lesgeven, vanwege zijn ongeluk. (zie mijn artikel over het leven van Cesar Franck). Op zijn vakantieadres werkte hij aan deze stukken, in opdracht van zijn uitgever Durand. Waarschijnlijk deed hij dat met veel pijn in zijn borst vanwege zijn blessure. Hij sleepte zich toen hij er eindelijk mee klaar was naar zijn orgel om daar de registratie vast te leggen. Beethoven schreef boven het hoofdthema van zijn laatste strijkkwartet “Muss es sein? Ja es muss sein.” Zo iets zou Franck ook bij deze stukken geschreven kunnen hebben. Alleen al om deze stukken verdient Franck wat mij betreft meer aandacht. Zullen ze vaak gespeeld worden in dit Cesar Franck jaar? Ik denk dat we op de radio vooral zijn symfonie en zijn vioolsonate gaan horen. Misschien ook zijn variaties voor piano en orkest. Zijn strijkkwartet. Maar zijn orgelmuziek? Ik zal er op letten en het laten weten! Luister hier alvast naar het tweede van de drie Chorals uit 1890, gespeeld door Petra Vreeswijk in de Maria van Jessekerk in Delft op het Maarschalkerweerd orgel, gebouwd 6 jaar na de dood van Franck. Mijn oudste kleinzoon heeft een buitengewoon goed en verfijnd gehoor. Hij vond dit orgel erg lijken op een Cavaille-Coll-orgel toen hij het hoorde. Daar hoort het natuurlijk eigenlijk op gespeeld te worden. Maar dit kan dus ook. Het stuk begint zacht, bloeit op maar eindigt juist weer heel verstild. Het vormt een grote levensboog. Om zelf ook stil van te worden..

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , | 8 reacties

Omikron

Sinds zondag kan ik meepraten. Uit de testuitslag die ik van de GGD kreeg bleek dat ik corona heb. Ik ben nu ervaringsdeskundige. Voordat ik het zelf kreeg wilde ik graag weten hoe het bij anderen was gegaan: “Waar en hoe heb je het opgelopen?” “Heeft je vrouw het ook?” “Hoe begon het?” ”Welke verschijnselen heb je nu?” De ervaringen van anderen die ik zo al las waren niet altijd hetzelfde. Maar ja. Zo zijn tot nu toe mijn eigen ervaringen:

Hoe en waar zou ik het hebben opgelopen? Als een detective probeer ik dat te achterhalen. De eerste verschijnselen had ik donderdag, de incubatietijd schijnt drie tot vijf dagen te zijn. Dan zou ik zaterdag, zondag of maandag moeten zijn besmet. Alle drie die dagen is mogelijk. Die bewuste zaterdag is het meest onwaarschijnlijk. De boodschappen waren al gedaan. Met mijn vrouw ben ik met de auto naar een mooi wandelgebied in Brabant gegaan. We hadden boterhammetjes gesmeerd die we halverwege de tocht op een bankje hebben opgegeten. Ik heb omdat de horeca dicht was mijn behoefte in de bosjes gedaan. Verder hebben we met niemand gesproken. Nee, die zaterdag kan ik eigenlijk wel schrappen. De maandag zou kunnen, ik heb wat “tussendoor boodschappen” gehaald bij een kleine supermarkt, ik heb bij het schoolplein van de school van mijn kleinkinderen gestaan. Maar daar heb ik met niemand staan kletsen behalve met mijn dochter die de twee kleinsten kwam ophalen. Ik haalde mijn oudste kleinzoon op, die was de hele middag bij mij. En na het avondeten bracht ik hem thuis. Ja, die dag zou het gebeurd kunnen zijn. Ik was niet dicht bij iemand, behalve bij mijn kleinzoon. Maar hij zelf had geen enkel verschijnsel. Nee, die dag lijkt me dan toch ook niet echt heel waarschijnlijk, maar het zou natuurlijk kunnen. Hoe zag de zondag er uit? Toen zijn mijn vrouw en ik op familiebezoek geweest. Onverwacht, we hadden iets om daar af te geven. Warempel, we konden er terecht. En we waren er bij elkaar toch al gauw zo’n kleine drie uur. Heel gezellig was het. Met een wijntje en en een chipje. En tijdens het gesprek bleek dat de familie net zo’n beetje genezen was van corona.. Oei. Best mogelijk dat er dus nog wat van dat virus in dat huis rondwaarde.. Maar er blijft dan toch nog een klein raadsel. Waarom raakte ik besmet en mijn vrouw niet? Daarvoor zie ik twee mogelijkheden.1, zij had genoeg weerstand of 2, ze kreeg te weinig virusdeeltjes binnen.

Hoe begon het. Afgelopen donderdag kreeg ik keelpijn en tegen de avond voelde ik een schorre keel. Ik ken dat. Als onderdeel van een naderende verkoudheid met ook keelpijn krijg ik bijna altijd een schorre keel. Ik weet dat het dan bijna niet meer tegen te houden is. In de meeste gevallen krijg ik in die gevallen niet alleen keelpijn maar wordt ik ook snotverkouden, heb ik dagen geen stem meer (hij zakt een octaaf..) en ben ik er zo’n twee weken behoorlijk vervelend aan toe. Zo voelde het, ik bereidde me in gedachten voor op een dergelijk scenario. Die nacht werd de keelpijn snerpend en ik begon als een gek te zweten. Ik had behoorlijk koorts. De koorts was vrijdag overdag verdwenen, ook de keelpijn was minder. Ik dacht toch nog steeds niet aan corona. Ik was namelijk niet moe en had ook geen koppijn, de twee klachten die toch zo’n beetje boven aan het lijstje staan. Ook hoefde ik niet te hoesten. Nee, ik had vrijdag vooral een vervelende keelpijn. De nacht erna leek op de vorige, maar was minder heftig. De keelpijn sneed minder en ook de koorts was minder. Mijn vrouw voelde zich ook niet helemaal lekker. Zaterdagochtend deden we allebei een zelftest: allebei negatief.

Vlak nadat we dat positieve nieuws tot ons hadden genomen kreeg mijn vrouw een bericht van een collega onderwijzer van haar school. Die was positief getest nadat een zelftest juist een negatief resultaat had gegeven. Ze wist de oorzaak: je moet niet alleen naar het slijmvlies in je neus, maar ook naar het slijmvlies van je kéél kijken. De omikron variant scheen zich juist vaak in de keel te nestelen. Oei. Nóg een zelftest? Nee, we besloten maar gelijk een officiële test bij de GGD aan te vragen, waar we nog diezelfde middag terecht konden. Wel meer dan 40 km verder overigens..

Zondagochtend kregen we allebei een mailtje met de uitslag. Mijn vrouw was weer negatief, maar ik dus positief. Ja dat kan. Ze heeft wellicht meer weerstand. Allebei hebben we drie vaccinaties gehad, dus zij had dan misschien genoeg weerstand om die virusdeeltjes snel op te ruimen. Maar het kan ook zijn dat ik haar alsnog heb besmet vanaf donderdag, toen bij mij de verschijnselen begonnen. En dan krijgt zij de verschijnselen drie tot vijf dagen later. Volgens de GGD moet ze in quarantaine en zich dinsdag opnieuw laten testen. Dat gaat ze dus doen.

Mijn dochter kwam langs en bracht wat boodschappen, lekkernijen en een bloemetje. Superlief! Vandaag is het echt weer om binnen te blijven. Dat moeten we zo wie zo, dus dat komt alleen maar goed uit. Als ik donderdag klachten vrij ben mag ik uit quarantaine. Daar ziet het nu naar uit. Vooralsnog lijkt deze omikron variant erg mild. Waarschijnlijk dus ook dankzij mijn eerdere vaccinaties. Ik kan in ieder geval meepraten.

Geplaatst in maatschappij | Tags: , | 3 reacties

Beveiligd: Negen jaars prik

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , , , , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

César Franck

César Franck is op 10 december 1822 geboren in Luik. Het is dus dit jaar een César Franck-jaar, we vieren dat hij tweehonderd jaar geleden werd geboren. Zijn ouders kwamen uit een streek die me goed bekend is, namelijk het gebied net voorbij de grens in het Zuid-Oosten van Limburg. Zijn vader, Nicolas-Joseph, was een bankbediende die geboren is in Gemmenich nabij de huidige Duits-Nederlandse grens. Zijn moeder, Marie-Catherine-Barbe Frings, is geboren in Aken.  Grootvader Franck was burgemeester van Gemmenich. Na zijn dood is het huis waarin hij woonde een boerderij geworden die er nog steeds staat. Zijn beroemde kleinzoon César  werd op december 1822 geboren in het centrum van de stad Luik in de rue Saint-Pierre waar ook hotel Grady ligt. Luik hoorde toen nog bij het Nederland van koning Willem I.

Hoewel de jonge César-Auguste, zoals hij in zijn vroege jaren bekend stond, zowel teken- als muzikale vaardigheden toonde, zag Nicolas-Joseph hem als een jong wonderkind pianist-componist, op de manier van Franz Liszt, die voor roem en fortuin voor zijn familie zou moeten zorgen. Zijn vader zorgde dat zijn zoon aan het Koninklijk Conservatorium van Luik werd toegelaten, waar hij notenleer, piano, orgel en harmonie studeerde bij Joseph Daussoigne-Méhul en andere docenten. César-Auguste gaf zijn eerste concerten in 1834 tijdens een concerttournee door België en Duitsland met optredens in Brussel en Aken. Bij een concert was ook koning Leopold I aanwezig, de koning van de kersverse monarchie.

In 1835 besloot zijn vader dat de tijd rijp was voor een breder publiek, en hij haalde César-Auguste en zijn jongere broer Joseph naar Parijs om daar privéles te krijgen: contrapunt bij Anton Reicha en piano bij Pierre Zimmerman. Beiden waren ook professor aan het Conservatorium van Parijs. Toen Reicha zo’n tien maanden later stierf, probeerde vader Nicolas-Joseph beide jongens naar het conservatorium te laten gaan. Het conservatorium zou echter geen buitenlanders accepteren; Nicolas-Joseph was verplicht het Franse staatsburgerschap aan te vragen, wat in 1837 werd verleend.

In 1837 ging hij dus naar het Conservatorium van Parijs. Daar zette hij de pianostudie bij Zimmerman voort en kreeg ook les in compositie.  Het jaar daarna won hij de eerste prijs voor piano op een buitengewone manier. Zoals de toenmalige pers meldde: “De heer Cherubini kwam zeggen: ‘De heer Franck, die voor de eerste keer meedeed, speelde niet alleen briljant, maar hij had ook het moeilijke concerto in B mineur van Hummel voortreffelijk gespeeld. Dit moest à vue gespeeld en getransponeerd worden, in dit geval; van B mineur naar C mineur’”. Maar op 22 april 1842 nam hij “vrijwillig” afscheid van het conservatorium. Zijn terugtrekking gebeurde waarschijnlijk door toedoen van zijn vader. Er was een vete ontstaan tussen vader Nicolas-Joseph en Henri Blanchard, de belangrijkste criticus van de Revue et Gazette musicale, die geen gelegenheid voorbij liet gaan om de agressieve pretenties van de vader aan de kaak te stellen en te bespotten. Hij besloot terug naar Luik te gaan en nam ook zijn kinderen mee.

Terug in België leek niets te lukken, er werd niets verdiend, er waren geen concerten. Dus na een kleine twee jaar besloot het gezin terug te keren naar Parijs. Door middel van kleine baantjes als het begeleiden bij recitals kwam er wat geld binnen maar César Franck had in deze tijd eindelijk ook weer zin om te componeren. Hij schreef enkele trio’s voor piano, viool en cello. Liszt zag ze, leverde opbouwende kritiek en voerde ze enkele jaren later in Weimar uit. In 1843 begon Franck aan zijn eerste niet-kamermuziekwerk, het oratorium Ruth. Het ging in privé-première in 1845 met als toehoorders Liszt, Meyerbeer en andere muzieknotabelen, die een zekere goedkeuring en opbouwende kritiek gaven. In Orléans verzorgde hij jaarlijks begeleidingen bij concerten met liederen en andere kleine werken en vooral in Parijs trad hij regelmatig op als pianist.

Een echt grote verandering kwam toen hij verliefd werd op een van zijn privé-pianoleerlingen, Eugénie-Félicité-Caroline Saillot (1824-1918). Haar ouders waren lid van het gezelschap Comédie-Française onder de artiestennaam Desmousseaux. Hij kende haar van zijn jaren aan het conservatorium en voor de jonge Franck was het ouderlijk huis van zijn geliefde een soort toevluchtsoord geworden. Toen zijn vader toevallig achter de ontluikende relatie kwam wilde hij het contact verbieden Op een zondag in juli liep César-Auguste voor de laatste keer het huis van zijn ouders uit met alles dat hij kon dragen, en verhuisde naar de Desmousseauxs, waar hij werd verwelkomd. Vanaf die tijd noemde de jonge Franck zichzelf César Franck of gewoon C. Franck, zonder het protserige Auguste als achtervoegsel. Hij was vastbesloten een nieuw mens te worden en de oude Franck achter zich te laten.

Zodra hij in 1847 25 jaar oud werd vroeg hij bij zijn toekomstige schoonvader de hand van zijn geliefde, in Frankrijk mocht je in die tijd pas zonder de toestemming van de vader trouwen nadat je 25 jaar was geworden. Hij meldde dit aan zijn ouders die inbonden en besloten bij de huwelijksplechtigheid aanwezig te zijn. Op 22 februari 1848, de maand van de Parijse opstand (ze moesten op weg naar de kerk over barricades stappen..), trouwden ze in de “Notre-Dame-de-Lorette”, de kerk waar hij een jaar eerder was aangesteld als assistent-organist. Hij had nu de gelegenheid om zijn rooms-katholieke toewijding te combineren met het leren van de vaardigheden die nodig waren voor het begeleiden van openbare erediensten, en ook had hij af en toe de gelegenheid om de hoofdorganist te vervangen. Niet heel veel later kon hij eerste organist worden in de nieuwe kerk van “Saint-Jean-Saint-François-au-Marais”. Deze kerk bezat een mooi nieuw orgel (1846) van Aristide Cavaillé-Coll, die naam had gemaakt als een artistiek begaafde en mechanisch innovatieve maker van prachtige nieuwe instrumenten.

Aristide Cavaillé-Coll

‘Mijn nieuwe orgel,’ zei Franck, ‘het is net een orkest!’ Er was nu opeens veel belangstelling voor de improvisatorische vaardigheden van Franck, aangezien de liturgische praktijk van die tijd het vermogen vergde om tussen teksten die gezongen of gesproken werden door het koor of geestelijkheid improvisaties te spelen.

Bovendien leidde Francks speelvaardigheid en zijn liefde voor de Cavaillé-Coll-instrumenten tot zijn samenwerking met de bouwer om diens instrumenten te demonstreren. Franck reisde naar steden in heel Frankrijk. Tegelijkertijd vond er een revolutionaire verandering plaats in de technieken van de Franse orgeluitvoering. De Duitse organist Adolf Hesse (1809-1863), een leerling van Bachs biograaf Johann Nikolaus Forkel, had in 1844 in Parijs de pedaaltechniek gedemonstreerd die (samen met een pedaalbord in Duitse stijl) de uitvoering van Bachs werken mogelijk maakte. Dit viel totaal buiten het soort spel dat Franck van Benoist aan het Conservatorium had geleerd; de meeste Franse orgels hadden niet de pedaaltonen die nodig zijn voor dergelijk werk, en zelfs Frankrijks eigen grote klassieke orgeltraditie uit de periode van Couperin werd in die tijd verwaarloosd ten gunste van de kunst van het improviseren. Hesse’s uitvoeringen waren een sensatie vanwege hun oogverblindende virtuositeit. Hessen’s leerling Jacques-Nicolas Lemmens (1823-1881) kwam in 1852 en ook nog in 1854 naar Parijs. Lemmens was toen professor orgel aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel, en was niet alleen een virtuoos uitvoerder van Bach, maar ook een ontwikkelaar van orgelleermethoden waarmee alle organisten konden leren spelen met precisie, helderheid en legato-frasering. Franck verscheen in hetzelfde openingsconcertprogramma als Lemmens in 1854, en bewonderde niet alleen zijn klassieke interpretatie van Bach, maar ook de snelheid en gelijkmatigheid van Lemmens’ pedaalwerk. Léon Vallas stelt dat Franck, pianist voordat hij organist werd, “zichzelf nooit de legato-stijl volledig heeft eigen gemaakt”; niettemin realiseerde hij zich het belang van de orgelstijl die mogelijk werd gemaakt door de introductie van dergelijke technieken en nam hij de taak op zich om ze onder de knie te krijgen.

In zijn zoektocht om nieuwe orgelspeltechnieken onder de knie te krijgen, werd hij zowel uitgedaagd als gestimuleerd door zijn derde en meest belangrijke orgelfunctie. Op 22 januari 1858 werd hij namelijk als organist en kapelmeester aangesteld in de net ingewijde kerk Sainte-Clotilde (vanaf 1896 de Basilique-Sainte-Clotilde), waar hij bleef tot aan zijn dood. De Sainte-Clotilde werd ontworpen door François-Chrétien Gaud en Théodore Ballu in neogotische stijl, geïnspireerd op de Duitse Rijnlandse kathedralen uit de 14e eeuw. Hierdoor werden de plannen in eerste instantie door de Parijse autoriteiten tegengehouden. Een kerk bouwen naar Duits voorbeeld in Frankrijk, dat nota bene de gotiek zelf had “uitgevonden” voelde niet juist. De gotiek was echter weer uitermate populair en toen door Eugène Viollet-le-Duc de “Sainte-Chapelle” en de “Notre-Dame” werden gerestaureerd, werd ook gestart met de bouw van de “Sainte-Clotilde”. In 1857 werd deze kerk ingewijd.

De kerk Sainte-Clothilde, in 1896 kreeg de kerk de eretitel basilica minor van de paus

Elf maanden later installeerde de parochie een nieuw orgel gemaakt door Cavaillé-Coll. Franck werd bij die gelegenheid als organist-titulaire aangesteld, waarbij Théodore Dubois de functie van koordirigent en assistent-organist op zich nam. Het orgel werd door Franck ingehuldigd. Het was een orgel met drie manualen en een pedaal en prachtige registers waarmee je vooral is staat was om ongelooflijke crescendo’s te bouwen. Cavaillé-Coll schreef daarover als aanwijzing bij gebruik onder meer:
Dit orgel is volledig ontworpen in een dynamisch perspectief met het oog op een gigantisch crescendo. Om luider en luider te spelen, moet de organist gewoon uiteindelijk bijna alle registers uittrekken die deel uitmaken van het Hoofdwerk, bij het recitatiefmanuaal kan alles dicht, deze beide manualen koppelen-en vervolgens spelen op het hoofdwerk, dan de koppeling met het positief register toevoegen en ten slotte de koppeling van het hoofdwerk met het Pedaal aanroepen. Let erop dat u de hoofdwerk-koppeling alleen plaatst als u op dit klavier speelt.
De impact van dit orgel op de composities van Franck kan niet worden overschat; samen met zijn vroege pianistische ervaring vormde het hem voor de rest van zijn leven. Norbert Dufourcq beschreef dit instrument als “tot nu toe ongetwijfeld het grootste meesterwerk van de bouwer,” Franck zelf zei tegen de pastoor van de Sainte-Clotilde: “Als u eens wist hoeveel ik van dit instrument hou… het is zo soepel onder mijn vingers en zo gehoorzaam aan al mijn gedachten!”. Om zich voor te bereiden op de mogelijkheden van dit orgel (inclusief het 27-notenpedaal), kocht Franck een oefenpedaal van “Pleyel et Cie” om thuis te oefenen, en bracht hij daarnaast vele uren door achter de orgelklaviatuur in de kerk.

Het orgel van de Ste. Clothilde

De schoonheid van het geluid en de mechanische voorzieningen die het instrument hem boden, hielpen zijn reputatie als improvisator en componist, niet alleen voor orgelmuziek, maar ook in andere genres. Stukken voor orgel, voor koor en voor harmonium begonnen te circuleren, waaronder de “Messe à 3 voix” (1859). De kwaliteit van de delen in dit werk, gecomponeerd verspreid over een aantal jaren, is wisselend, maar we hebben nu wel nog steeds een van zijn meest populaire en vaak uitgevoerde composities: het communielied “Panis angelicus”.

Nog opmerkelijker is de set van “Six Pièces” voor orgel, geschreven van 1860 tot 1862 (hoewel pas in 1868 gepubliceerd). Deze composities (opgedragen aan collega-organisten en pianisten, aan zijn oude meester Benoist en aan Cavaillé-Coll) maken nog steeds deel uit van het moderne orgelrepertoire en waren, volgens Rollin Smith, de eerste grote bijdrage aan de Franse orgelliteratuur in meer dan een eeuw, en “de belangrijkste orgelmuziek die is geschreven sinds die van Mendelssohn.” De groep omvat twee van zijn bekendste orgelwerken, de “Prélude, Fugue et Variation”, op. 18 en het “Grande Pièce Symphonique”, op. 17.

Door zijn toenemende reputatie als zowel uitvoerder als improvisator bleef Franck veel gevraagd voor inaugurele of inwijdingsrecitals van nieuwe of verbouwde Cavaillé-Coll-orgels zoals het nieuwe instrument in de kerk “Saint-Sulpice” (1862) en later voor orgels in de “Notre -Dame”, de “Saint-Étienne-du-Mont” of het orgel in de “La Trinité”; voor sommige van deze instrumenten had Franck (alleen of met Camille Saint-Saëns) als adviseur opgetreden. In zijn eigen kerk begonnen steeds meer mensen de improvisaties tijdens de mis bij te wonen. Bovendien begon Franck aparte orgelconcerten te geven in de “Sainte-Clotilde”, concerten met eigen werk en dat van andere componisten. Misschien wel zijn meest opmerkelijke concert was tijdens een zondagsmis in april 1866 waar Franz Liszt ook aanwezig was om naar de improvisaties van Franck te luisteren. Hij zei na afloop: ‘Hoe zou ik ooit de man kunnen vergeten die ooit jaren geleden die pianotrio’s schreef?’ Waarop Franck een beetje treurig zou hebben gemompeld: ‘Ik denk dat ik sindsdien betere dingen heb gemaakt’. Liszt organiseerde later die maand een concert in de “Sainte-Clotilde” om de orgelwerken van Franck te promoten, een concert dat goed werd ontvangen door de luisteraars en positieve recensies ontving in de muziekbladen. Ondanks zijn opmerking over de trio’s, was Franck verheugd te horen dat niet alleen Liszt maar ook Hans von Bülow stukken van hem regelmatig bij concerten in Duitsland programmeerde. Franck vergrootte intussen zijn kennis van de Duitse orgelmuziek en hoe die gespeeld moest worden door een concert bij te wonen dat gegeven werd door Anton Bruckner in de “Notre-Dame” in 1869. Inmiddels ontstond er een vaste kring van leerlingen, die bij hem zogenaamd voor orgelstudie kwamen, maar die vooral steeds meer belangstelling toonden voor de compositietechnieken van Franck.

In 1869 begon hij aan een belangrijk koorwerk, “Les Béatitudes”, dat hem meer dan tien jaar zou bezighouden. De vertraging was deels te wijten was aan de Frans-Pruisische oorlog. De oorlog had, net als de revolutie van 1848, ertoe geleid dat veel van zijn leerlingen waren verdwenen, ofwel omdat ze Parijs hadden verlaten of waren omgekomen of gehandicapt tijdens de gevechten. Hij en zijn familie ondervonden economische tegenspoed toen zijn inkomen daalde en voedsel en brandstof schaars werden. Het conservatorium was gesloten voor het academiejaar 1870-1871. Maar er kwam een ​​verandering in de manier waarop Franse muzikanten hun eigen muziek beschouwden; vooral na de oorlog waren ze op zoek naar een “Ars Gallica” die duidelijk Frans zou zijn. De term werd het motto van de nieuw opgerichte “Société Nationale de Musique”, waarvan Franck het oudste lid werd; zijn muziek verscheen op zijn eerste programma in november 1871.

Franck’s reputatie was nu wijdverbreid genoeg, door zijn faam als artiest, zijn lidmaatschap van de Société en zijn kleinere maar toegewijde groep studenten, dat toen Benoist met pensioen ging als professor orgel bij de heropening van het Conservatorium van Parijs in 1872, Franck werd voorgesteld als opvolger. Het bleek dat hij nog steeds geen Frans staatsburger was, dat moest eerst geregeld worden. Franck heeft het naturalisatieproces in één keer doorlopen; zijn voorlopige benoeming op 1 februari 1872 werd in 1873 officieel.

Tot de meest opvallende van zijn studenten op latere leeftijd behoorden Vincent d’Indy, Ernest Chausson, Louis Vierne en Henri Duparc. Zij bewonderden zijn persoonlijke post-romantische stijl met zijn rijke, verrassende harmonieën en ingenieuze contrapunt. Vanwege zijn zachtaardige karakter noemden de leerlingen hun meester “le maître angélique” of “le père Franck”. De bijnaam engelachtige meester kreeg hij doordat hij er als een engel uitzag achter het orgel, door zijn lange witte haar, en zijn zachtaardige karakter zal er ook wel toe hebben bijgedragen.

Franck achter het orgel van de Ste, Clotilde. Zijn lange witte haar gaf hem de bijnaam “le maître angélique”

Franck ervoer vanaf 1873 al snel enkele spanningen in zijn faculteitsleven: hij doceerde net zo vaak compositie als dat hij echte orgellessen gaf. Dit terwijl hij slechts een aanstelling had als orgeldocent; men vond hem te weinig methodisch in zijn onderwijstechnieken (‘Franck heeft nooit onderwezen door middel van harde en snelle regels of droge, kant-en-klare theorieën’), met een nonchalante houding ten opzichte van de officiële boeken die door het conservatorium waren goedgekeurd; en zijn populariteit onder sommige studenten wekte enige jaloezie bij zijn collega-professoren en enkele tegenclaims van vooringenomenheid van de kant van die professoren bij het beoordelen van Francks leerlingen voor de verschillende prijzen, waaronder de Prix de Rome. Vallas zegt dat Franck, ‘met zijn eenvoudige en vertrouwde karakter niet in staat was te begrijpen hoeveel achterbaksheid van het gemenere soort er zelfs in een conservatorium zou kunnen zijn.’

Intussen had Franck allerlei ideeën, hij schreef oratoria, symfonische gedichten en de “Trois Pièces pour orgue” (1878), met als laatste deel het beroemde “Pièce Heroïque”. Met name de oratoria vielen bij veel mensen, ook bij zijn leerlingen, niet in goede aarde. Franck ontdekte in de jaren 1880 dat hij gevangen zat tussen twee stilistische voorstanders: zijn vrouw Félicité, die niet gaf om de veranderingen in Francks stijl waaraan ze gewend was geraakt; en zijn leerlingen, die misschien net zo’n verrassende invloed op hun leraar hadden als hij op hen. Ook waren er enkele meningsverschillen binnen de Société Nationale, waar Saint-Saëns steeds meer op gespannen voet kwam te staan met Franck en zijn leerlingen. Hoe al deze beroering zich precies in de geest van de componist heeft afgespeeld, is onzeker.

In 1886 componeerde Franck de Vioolsonate als huwelijksgeschenk voor de Belgische violist Eugène Ysaÿe. Dit werd een doorslaand succes; Ysaÿe speelde het in Brussel, in Parijs, en ging ermee op tournee, vaak met zijn broer Théo Ysaÿe aan de piano. Zijn laatste uitvoering van het stuk vond plaats in Parijs in 1926, met als pianist Yves Nat. Vallas schrijft in het midden van de twintigste eeuw dat de Sonate ‘Francks populairste werk was geworden, en, in ieder geval in Frankrijk, het meest algemeen aanvaarde werk in het hele repertoire van zijn kamermuziek.’

Op 4 augustus 1885 werd Franck benoemd tot “Chevalier” van het Franse “Légion d’honneur”. d’Indy was verontwaardigd dat hij die onderscheiding slechts kreeg vanwege zijn docentschap orgel aan het conservatorium: Vallas zei: ‘De publieke opinie zag gelukkig beter de waarde van Franck’ en hij citeerde een tijdschrift dat gewoonlijk tegen Franck was en zei dat de prijs ‘boven alles een daad van eer was die terecht, zij het een beetje laat, werd betuigd aan de vooraanstaande componist van “Rédemption” en “Les Béatitudes”.’

De onenigheid tussen de familie van Franck en zijn kring van studenten bereikte een nieuw dieptepunt toen Franck “Psyché” publiceerde (geschreven in 1886-1888), een symfonisch gedicht gebaseerd op een Griekse mythe. De controverse ging niet over de muziek, maar over de filosofische en religieuze implicaties van de tekst. De vrouw en zoon van Franck vonden het werk te sensueel en wilden dat Franck zich zou concentreren op muziek die breder en meer commercieel was. d’Indy, aan de andere kant, sprak over de mystieke betekenis ervan en zei dat het ‘niets van een heidense geest in zich had maar integendeel juist doordrongen was van de christelijke genade.’

Een volgende controverse ontstond met de publicatie van Francks enige symfonie, die in D mineur (1888). Het werk werd slecht ontvangen: het Conservatorium-orkest wilde het eigenlijk niet spelen, het publiek bleef “ijskoud”, de critici waren verbijsterd (de reacties varieerden van het hebben van een onvoorwaardelijk enthousiasme tot het uiten van een diepe minachting), en veel van Francks collega-componisten waren totaal uit het veld geslagen. Een werk waarin met bijvoorbeeld het gebruik van een Engelse hoorn alle formalistische regels en gewoonten van zowel professionals als amateurs werden gelogenstraft. Franck zelf, op de vraag of de symfonie gebaseerd was op een poëtisch idee, antwoordde: ‘nee, het is gewoon muziek, niets anders dan pure muziek.’ Volgens Vallas kan veel van zijn stijl en techniek direct worden herleid tot de centrale plaats van het orgel in Francks denken en artistieke leven. Hij vertrouwde zijn leerlingen toe dat hij vanaf het moment dat hij organist was heel anders is gaan componeren.

In juli 1890 (niet mei 1890, zoals eerder werd gedacht), zat Franck in een cab, een soort taxi die werd aangereden door een zogenaamde “omnibus”, waarbij hij zijn hoofd verwondde en korte tijd bewegingloos op de grond bleef liggen.

Cab, een soort taxi zoals die gebruikelijk was eind negentiende eeuw
Omnibus, grote koets voor veel passagiers, foto Parijs rond 1890

Er leken geen onmiddellijke nawerkingen te zijn; hij voltooide zijn tocht – hij was op weg naar een collega pianist – en vond het zelf van geen belang. Het lopen werd echter pijnlijk en hij voelde zich steeds meer genoodzaakt om af te zeggen bij concerten en repetities, en uiteindelijk besloot hij ook om zijn lessen aan het conservatorium tijdelijk te stoppen. Hij nam zo snel mogelijk vakantie in Nemours, waar hij hoopte te kunnen werken aan enkele orgelstukken en enkele werken in opdracht te maken voor harmonium. Hoewel Franck deze geplande grote verzameling met stukken voor harmonium niet kon voltooien, (ongeveer de helft kwam klaar) werden wel nog de geplande orgelstukken in augustus en september 1890 voltooid. Het zijn de “Trois Chorals”, die tot de grootste schatten van de orgelliteratuur behoren en die tegenwoordig een vast onderdeel van het repertoire vormen. Vallas schreef: ‘Hun schoonheid en belangrijkheid zijn van dien aard dat ze kunnen worden beschouwd als een soort muzikaal testament.’ Een recentere biograaf, RJ Stove, heeft in soortgelijke bewoordingen geschreven: ‘Het gevoel dat Franck een langdurig afscheid neemt, is overal duidelijk. Het is moeilijk, het is bijna onmogelijk te geloven dat de componist van de Chorals nog enige illusies over zijn kansen op volledige fysieke genezing behield.’ Franck begon in oktober aan het nieuwe semester aan het Conservatorium, maar kreeg steeds meer last van zijn eerdere wond. Dit veranderde in de ontstekingsziekte pleuritis, gecompliceerd door pericarditis. Daarna verslechterde zijn toestand snel en hij stierf op 8 november, temidden van zijn familie. Franck’s zware werklast had waarschijnlijk zijn lichamelijke veerkracht aangetast.

De uitvaartmis voor Franck werd gehouden in de “Sainte-Clotilde”, bijgewoond door veel collega’s onder wie Léo Delibes (die het Conservatorium officieel vertegenwoordigde), Camille Saint-Saëns, Eugène Gigout, Gabriel Fauré, Alexandre Guilmant, Charles-Marie Widor (die Franck opvolgde als professor orgel aan het Conservatorium) en Édouard Lalo. Emmanuel Chabrier sprak op het oorspronkelijke graf in “Montrouge”. Later werd het lichaam van Franck verplaatst naar de huidige locatie op de begraafplaats “Montparnasse” in Parijs, in een graf dat ontworpen was door zijn vriend, architect Gaston Redon. Een aantal leerlingen van Franck was erbij toen zijn buste, gemaakt door Auguste Rodin, in 1893 op de zijkant van het grafmonument werd geplaatst.

Grafmonument op de begraafplaats van Montparnasse met een driekwart buste van Franck, gemaakt door Rodin

In 1904 werd er nog een een monument ter ere van Franck geplaatst op het plein “Samuel-Rousseau” aan de overkant van zijn geliefde kerk “Sainte-Clotilde”. Het is een door beeldhouwer Alfred Lenoir gemaakt beeldhouwwerk. We zien César Franck aan het orgel, er wordt hem door een engel inspiratie ingefluisterd. Bij de onthulling was er een toespraak van Vincent d’Indy.

Wat valt er te zeggen over de muziek van César Franck? Veel van zijn werken maken gebruik van het “cyclische vormprincipe”, een techniek die streeft naar eenheid over meerdere delen. Dit kan worden bereikt door het in herinnering brengen van eerder thematisch materiaal in een later deel, of zoals ook heel vaak, dat alle hoofdthema’s van het werk worden gegenereerd vanuit een kiemcel. De belangrijkste melodische onderwerpen, dus met elkaar verbonden, worden vervolgens in het laatste deel samengevat. Franck’s gebruik van het “cyclische vormprincipe” wordt het best geïllustreerd in zijn Symfonie in D mineur (1888). Een van de eersten die ook al met een vergelijkbaar principe werkten was Beethoven. We horen het bij hem bijvoorbeeld in de negende symfonie, in de Grosse Fuge en in nog veel meer van vooral zijn late werken. Bij Franck gaat het niet helemaal op dezelfde manier. Soms is het slechts een herinnering aan eerdere momenten, zonder dat de motieven zelf letterlijk terug komen.

Zijn muziek is verder vaak contrapuntisch complex en hij gebruikt een harmonische taal die typisch laatromantisch is, met veel invloeden van Franz Liszt. In zijn composities toonde Franck een talent en een voorliefde voor frequente, sierlijke modulaties. Studenten zeggen dat zijn meest frequente vermaning was: ‘blijf moduleren, moduleren’. Francks modulerende stijl en zijn idiomatische methode om melodische frases te verbuigen, behoren tot zijn meest herkenbare eigenschappen. Heel kenmerkend voor Franck voor zijn modulatietechnieken zijn bijvoorbeeld onderstaande harmonische wendingen, in een fragment genomen uit het orgelstuk “Pièce Héroïque”. Het stuk staat in B mineur. In dit fragment zijn we in maat 30 aangeland in de paralleltoonsoort D en daarna wordt er weer terug gemoduleerd naar de hoofdtoonsoort. Daar is eigenlijk bijna niets voor nodig, de toonsoorten liggen dicht bij elkaart. Maar Franck doet het op zijn typische “Franck-manier”: met reële sequensen, enharmoniek en veel chromatiek.

De eerste akkoorden van 30, 31 en 32 staan telkens een toon hoger: D, Eb en E. Maat 31 is zelfs in zijn geheel een reële sequens van 30, alle akkoorden zijn een halve toon opgeschoven. Ook zien we enharmoniek: de laatste akkoorden van maat 30 en 31 zijn verminderde septiemakkoorden, maar door enharmonische veranderingen lossen zij anders op dan verwacht. (E#dim7 wil eigenlijk naar F#, maar door het te beschouwen als Ddim7 kan het ook oplossen naar Eb zoals hier ook gebeurt.) Hetzelfde zien we een maat later: F#dim7 kan naar G, maar als D#dim7 ook naar E. Heel kenmerkend zijn ook de wringende dissonanten op de tweede tel van maat 30 en 31. Terwijl de hoge D in maat 30 blijft liggen klinkt daaronder op de tweede tel een C# akkoord. Een maat later hetzelfde: De hoge toon Eb botst met een D akkoord op de tweede tel. De hele toplijn van lange noten is drie maten lang chromatisch: D-Eb-E-E#-F#. Toch is er uiteindelijk een duidelijke toonsoort, in maat 32 klinkt de cadens IV-tussendominant-V-I. Waarbij IV een majeur akkoord is in plaats van een mineur akkoord (een zogenaamd dur-moll, dm, akkoord). De tussendominant in die maat is een verminderd septiemakkoord dat oplost naar de vijfde trap F#. Ik stel me zo voor dat Franck dit ook door zijn leerlingen liet analyseren en er commentaar bij leverde, wellicht opdrachten gaf om iets dergelijks te componeren.

Franck had enorme handen (zoals blijkt uit de foto van hem achter het St. Clotilde-orgel). Hij was in staat om het interval van een octaaf + kwart op het klavier te overbruggen. Dit gaf hem een ​​ongebruikelijke flexibiliteit in stemvoering tussen interne partijen in fugatische composities, en in de brede akkoorden en stukken die in veel van zijn klaviermuziek voorkomen (bijvoorbeeld zijn Prière en Troisième Choral voor orgel). Over het werk van de Vioolsonate is gezegd: “Franck, die geneigd was te vergeten dat niet elke muzikant zulke grote handen had, bezaaide de pianopartij (met name het laatste deel) met majeur-decime-akkoorden… Pianisten zijn sindsdien verplicht ze te breken om ze überhaupt te kunnen spelen.”

Maar de sleutel tot zijn muziek ligt in zijn persoonlijkheid. Zijn vrienden schrijven dat hij “een man van uiterste nederigheid, eenvoud, eerbied en ijver” was. Louis Vierne, een leerling en later organist titulaire van de Notre-Dame, schreef in zijn memoires dat Franck een “voortdurende zorg toonde voor de waardigheid van zijn kunst en voor de adel van zijn missie. Vreugdevol of melancholisch, plechtig of mystiek, krachtig of etherisch: Franck was het allemaal in de Sainte-Clotilde.”

Ongebruikelijk voor een componist van zo’n belang en reputatie, berust de faam van Franck grotendeels op een klein aantal composities die hij in zijn latere jaren schreef, met name zijn Symfonie in d klein (1886-1888), de symfonische variaties voor piano en orkest (1885), de Prelude, koraal en fuga voor piano solo (1884), de Sonate voor viool en piano in A majeur (1886), het pianokwintet in f klein (1879), en het symfonisch gedicht “Le Chasseur maudit” (1883). De symfonie werd vooral bewonderd en invloedrijk onder de jongere generatie Franse componisten en leidde tot een hernieuwde Franse symfonische traditie na de eerdere jaren van verval. Een van zijn bekendste kortere werken is de motetzetting “Panis Angelicus”, oorspronkelijk geschreven voor tenorsolo met orgel- en strijkersbegeleiding, maar ook gearrangeerd voor andere stemmen en instrumentale combinaties.

Als organist stond hij vooral bekend om zijn vaardigheid in improvisatie, en op basis van slechts twaalf grote orgelwerken wordt Franck door velen beschouwd als de grootste componist van orgelmuziek na Bach. Zijn werken behoren tot de mooiste orgelstukken die in meer dan een eeuw uit Frankrijk kwamen en legden de basis voor de Franse symfonische orgelstijl. Met name zijn vroege “Grande Pièce Symphonique”, een werk van vijfentwintig minuten, maakte de weg vrij voor de orgelsymfonieën van Charles-Marie Widor, Louis Vierne en Marcel Dupré, en zijn late Trois Chorals vormen een hoeksteen van het orgelrepertoire.
Hieronder speelt Olivier Penin in de Sainte Clothilde van Parijs op het grote orgel van Cavaillé-Coll – het orgel van Franck dus – zijn allerlaatste compositie, “Choral nr.3”.

Er is onlangs een prachtige documentaire gemaakt (1 uur en 22 minuten!) door Tijmen Wehlburg, in opdracht van de Philharmonie Zuidnederland en Theater aan het Vrijthof Maastricht, over het leven van César Franck. Alle belangrijke plaatsen uit zijn leven worden bezocht, ook het Cavaillé-Coll orgel van de St. Clothilde in Parijs, waar je onder meer fragmenten van “Pièce Héroïque” kunt horen. Er worden door Tijmen ook mooie analyses gemaakt waaruit de invloed van Liszt op Franck maar vooral ook de invloed van Franck op Debussy en Ravel blijkt.

Overigens: Het klaviatuur waar Franck op speelde staat nu in Museum het Vleeshuis in Antwerpen. Er zijn na de dood van Franck nog vier grote aanpassingen aan het orgel geweest. Zo zijn de drie manualen uitgebreid van 54 naar 61 noten, het pedaal van 27 naar 32 noten en zijn er bij de derde aanpassing 13 registers toegevoegd. Uiteindelijk is alles elektrisch gemaakt en zijn er ook chamades bijgekomen. Bij de laatste aanpassing is er nog een tweede, extra, verrijdbaar klaviatuur toegevoegd, en wel eentje met vier manualen: een extra manuaal voor de chamades. Dat klaviatuur kan midden in de kerk worden geplaatst en wordt nu voor concerten gebruikt. De huidige organist Olivier Penin heeft veel muziek van Franck hierop gespeeld en opgenomen.

Hieronder het Pièce Héroïque door hem gespeeld op dit orgel.

Een belangrijk deel van bovenstaande tekst is afkomstig van een Engelstalige wikipedia-pagina., door mij vertaald, aangepast en op diverse plaatsen ingekort. De analyses zijn van mezelf. Dit artikel zal waarschijnlijk de komende tijd nog worden uitgebreid.

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , | 4 reacties

Beveiligd: Pièce Héroïque van César Franck

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in autisme | Tags: , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Een majestueuze volle Maan

Komende nacht (9 minuten voor 1) is het exact volle maan. Maar een dag ervoor of erna lijkt de maan ook al helemaal vol. Afgelopen nacht was het helder, de maan stond de hele nacht te schitteren en het licht van de sterren werd er danig door getemperd. Nu is het al weer bewolkt aan het worden, en de echte volle maannacht, komende nacht is waarschijnlijk niet zo mooi als die we net gehad hebben. Het is op dit moment ook geen supermaan, de maan staat in zijn baan om de aarde juist relatief ver weg. Zo ver dat ik, wanneer ik de uiterste telestand van mijn camera gebruik, de maan precies in zijn geheel in de lens kan vangen. Bij supermaan (komende juni en juli) zie ik dan slechts een deel van de maan. Mijn camera geeft zo een indicatie van de afstand van de maan, als ik het opzoek dan blijkt dat te kloppen.

De volle maan weerspiegelt niet alleen het licht van de zon, ook de baan van de maan weerspiegelt die van de zon. En wel de baan zoals de zon die zes maanden later maakt. Midden in de zomer komt de zon in het NO op en gaat in het NW onder. Midden op de dag staat de zon dan heel hoog aan de hemel, bijna in het zenith. Zo was het ook met de volle maan nu: hij kwam op in het NO en ging vanochtend in het NW onder, een grote machtige baan via het zuiden. Het zilvergrijze licht maakte er een nacht van met mooie, lage schaduwen. Over zes maanden is het precies andersom. Dit alles maakt dat de volle maan vooral midden in de winter majestueus is.

Hieronder staan foto’s van rond half acht vanochtend, de zon moest nog opkomen. In het ZO zag je nog sterren, zoals de superreus Antares. De maan in het NW werd ook nog van sterren voorzien: Pollux, Castor en meer naar het noorden twee sterren van de voerman: Menkalinan en Capella. De laatste foto maakte ik toen de zon net op was om vijf voor negen.

Vrij laag rechts staat de ster Antares. Venus, Mars en Mercurius zijn al op maar ze zijn niet te zien door de wolken
Aan de kraterrand links kun je zien dat de maan nog net niet helemaal vol is
Geplaatst in Astronomie, natuur | Tags: | 2 reacties

Het magneetveld van een planeet en de zon in een lege bel

Mijn kleinzoon vraagt me herhaaldelijk: – ‘zijn er nu al plekken gevonden in het heelal waar leven is?’ -’Nee’, is dan steeds mijn stellige antwoord. –‘Zelfs in de buurt van de aarde op de maan of op Mars, er is nog nergens een teken van leven gevonden. Laat staan op een exoplaneet.’

Wat zijn de voorwaarden om leven mogelijk te maken? Meestal dachten de meeste  wetenschappers tot nu toe: er moet vloeibaar water aanwezig zijn. Het is duidelijk dat op aarde water vrij essentieel is en de meeste levensvormen die er nu op aarde zijn hebben een evolutionaire oorsprong vanuit water. Toch is dat niet helemaal zo. Er blijken bacteriën in het binnenste van vulkanen te zijn die leven in een wereld die voor vrijwel alle andere leven dodelijk is: een wereld met zwavelverbindingen waar geen druppeltje water aan te pas komt. En deze leefomstandigheden zijn ooit in een zeer ver verleden de standaard geweest op aarde, er was toen helemaal geen water. Alleen, we proberen ons bij leven toch ook al gauw vormen van leven voor te stellen die meer richting de planten en dieren van nu gaan, en daar is water toch wel erg belangrijk bij, zo lijkt het. Maar het leven op aarde is waarschijnlijk ook te danken aan het magneetveld van de aarde. Magneetvelden beschermen planeten tegen kosmische straling. Kosmische straling bestaat uit geladen deeltjes die de atmosfeer beschadigen. Mars heeft nauwelijks een magneetveld en misschien is dat wel de voornaamste reden waarom er daar tot nu toe geen leven is gevonden. Want Mars bevindt zich op een afstand van de zon dat vloeibaar water gedurende bepaalde periodes op bepaalde plekken aanwezig kan zijn, of ooit aanwezig geweest zou kunnen zijn. Maar het zou best wel eens kunnen zijn dat die voorwaarden niet genoeg zijn.

Bij de zoektocht naar exoplaneten kijken de wetenschappers naar planeten allereerst naar de afstand van een planeet tot de ster waar hij om heen draait.  Vooral wil men weten of de temperatuur op het oppervlak enigszins vergelijkbaar met die op aarde is. We weten dat supergrote planeten een metalen kern hebben en dat er vanuit de omliggende lagen een enorme druk en warmte op dat metaal wordt uitgeoefend.  Door met zeer sterke lasers op metaal te schieten bleek dat zowel de temperatuur als de druk sterk opliepen. Zo kon het smeltpunt van ijzer bij deze druk worden bepaald en men zag hoe er kristallen ontstonden vergelijkbaar met hoe koolstof onder hoge druk verandert in diamant. En die details spelen een grote rol bij de vorming van een magneetveld. In hoeverre dit allemaal echt belangrijk is bij het vraagstuk van de leefbaarheid van zo’n exoplaneet, daarover zijn de wetenschappers het nog niet eens. Maar toch kan deze ontdekking tot gevolg hebben dat de zoektocht naar leven weer een extra dimensie gaat krijgen.

Meer over dit onderzoek staat in een artikel in de Volkskrant van zaterdag 15 januari 2022. Het artikel met de naam “een magneetveld, dus kans op leven” is geschreven door Georges van Hal.

Eerder deze week (donderdag 13 januari) was er nog een interessant artikel, ook van Georges van Hal, te lezen: “we leven in een enorme kosmische bubbel”. Astronomen  ontdekten waarom de aarde en zon min of meer precies in het midden van een reusachtige kosmische bel zitten, eentje met een doorsnede van een grove duizend lichtjaar, zo’n 10 biljard kilometer.

(afbeelding van wikipedia)

Binnen in die duizelingwekkend grote bubbel is het naar kosmische maatstaven behoorlijk leeg: er is weinig ronddwarrelend stof, er zijn weinig sterren. Terwijl aan de rand van die bubbel plots duizenden jonge sterren opduiken. Dat mag je gerust raar noemen. Kenners wisten al decennia dat deze kosmische bel bestaat: de Lokale Bel. In een artikel dat woensdag verscheen, beschrijven onderzoekers aan de hand van een geavanceerde computeranimatie voor het eerst hoe die mysterieuze bel ooit is ontstaan. Zo’n 14 miljoen jaar geleden ontploften, verdeeld over een langere periode, 15 sterren in een zogeheten supernova, een explosie waarbij sterren sterven en hun inhoud de ruimte inslingeren. Het gas dat voorheen in de omliggende ruimte hing, werd door de kracht van die explosies naar buiten geduwd. Toen de eerste supernova-explosie plaatsvond, stonden de aarde en de zon daarbij niet in de buurt. Sterren bewegen door de Melkweg, en op die manier vlogen we vijf miljoen jaar geleden plots deze bel in, die op dat moment al miljoenen jaren bestond. Daarbij kwamen we toevallig in het midden terecht. De zon zal in de loop van enkele miljoenen jaren het gebied weer verlaten en in een deel van de Melkweg komen waar weer meer “gruis” aanwezig is.

Ik vraag me dan gelijk af: wat voor invloed heeft dat op de zon en hoe waren de omstandigheden van ons zonnestelsel voordat het deze leegtebubbel betrad? Dat moet toch iets doen met de zon, zijn planeten en dus ook met de aarde? Mijn tweede vraag zou zijn: dit is een macro-kosmische gebeurtenis, is er ook een micro-kosmische equivalent? Hier ga ik nog een nachtje over slapen…

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , | Een reactie plaatsen