De keizerzaal in de Servaaskerk van Maastricht

Vaak bevindt de voornaamste ingang van een kerk zich in het westelijke deel. Voordat je dan in het schip van de kerk komt loop je nog door een ruimte, de narthex of het voorportaal. In de middeleeuwen stonden daar bedelaars om alle kerkgangers te begroeten. In de vroege Christelijke tijd mochten ook mensen die nog niet gedoopt waren niet verder. Ze moesten in de narthex blijven.

De Servaaskerk van Maastricht heeft geen westelijke ingang. De ingangen bevinden zich in het oosten en zuiden: twee poorten rond de absis en een groot portaal op het zuiden, het zogenaamde bergportaal. Deze drie ingangen worden zelden gebruikt. Tegenwoordig kom je de kerk binnen via het noorden. Aan het Keizer Karelplein is een neogotisch portaal door Cuijpers gerealiseerd. Via de gangen van het pandhof kom je dan de eigenlijke kerk binnen, eveneens vanuit het noorden.

Hiervoor zijn allerlei redenen. Maar één reden is:  toen de kerk gebouwd werd en de laatste Romaanse fase tussen 1150 en 1200 werd afgerond had deze westelijke kant van de kerk een heel bijzondere functie. Het westelijke deel  lijkt hier namelijk net zo belangrijk te zijn als het oostelijke deel, misschien was het zelfs belangrijker. Normaal is het belangrijkste deel het oosten, waar het hoogaltaar is.  Maar als je vroeger in het schip van de kerk stond en naar achteren keek, naar het westen dus, dan zag je dit: (tekening Rob van Hees in het boek “de Servaas-kerk van Maastricht, Aart Mekking)

blik naar westen-1170

Eerst zag je op een drager een zogenaamde cenotaaf. Dat is een lege doodskist, die verwijst naar een echte kist die onder die plaats begraven is. Over deze cenotaaf zijn heel interessante dingen te vertellen, daarover meer in een volgend blog. Nog verder naar het westen zag je een stenen afscheiding met daarop een stenen reliëf. Het moest onze ogen leiden naar enkele trappen waarop zich een altaar bevond, hier niet zichtbaar. Voor dat altaar stond dus feitelijk een stenen altaarretabel. Dat bespreek ik straks. Maar: er zijn nog twee verdiepingen te zien. Op de eerste verdieping is een halfboog met daaronder nog weer drie halfbogen, met daarin openingen. Gesuggereerd wordt een soort stadspoort, maar niet zo maar een stadspoort! Op de tweede verdieping zie je namelijk een arcade met vijf halfbogen.  Boog en arcade staan voor de stad en het paleis, en worden sinds de kerstening van het Romeinse keizerschap steeds weer gebruikt als de verwijzing naar de aardse “civitas dei”, het “hemelse Jeruzalem en het paleis van de (hemelse) keizer. Baldwin Smith noemt de arcade die boven stadspoorten en aan paleisgevels werd toegepast, een van de belangrijkste architectonische symbolen van het ‘Imperium Romanorum’.

De eerste en tweede verdieping bestaan nog steeds, maar zijn niet meer zichtbaar zoals dat in de twaalfde eeuw het geval was. De bovenste arcaden zijn al in vroeger eeuwen dichtgemetseld. Nu zien we dit:

blik naar westen

Niet alleen de arcaden van de tweede verdieping zijn dus verdwenen, maar ook het zicht naar de eerste verdieping  wordt grotendeels ontnomen door het orgel dat er voor staat.

Je kunt er wel komen via een wenteltrap. Dit dan bij een rondleiding met een gids. Op de eerste verdieping is een ruimte met allemaal zuilen waarvan het hoofd is voorzien van gebeeldhouwde kapitelen. De zogenaamde “kapitelengalerij”. Over deze kapitelen heb ik al eens iets gezegd in een vorig blog. De tweede verdieping is een prachtige hoge, open ruimte met in het midden een grote koepel. Deze koepel staat voor de hemel. Helemaal in het westen van die koepel is een groot rond venster. Het zonlicht moet er in ieder geval ’s avonds doorheen kunnen vallen. We bevinden ons in een soort hemelse ruimte. De ruimte heet de keizerzaal. De God die hier troont is waarschijnlijk een wereldse God.

keizerzaal

Deze keizerzaal achter deze bogenreeks, op de bovenste verdieping van de kerk, komt qua opzet helemaal overeen met de grote ceremoniële ruimte op de verdieping van het paleis in menige palts van keizers uit de twaalfde eeuw. Een dergelijke zaal is echter in een kerk uniek, geen enkele kerk kent deze, met uitzondering van de abdijkerk van Nijvel, die in dezelfde tijd is gebouwd. Het lijkt er op dat deze twee kerken nadrukkelijk hun rijks-onmiddellijkheid moesten uitdrukken door middel van deze keizerlijke symbolen. Zowel  het kapittel van Servaas als ook de abdij van Nijvel werden bedreigd door andere wereldlijke vorsten zoals de hertog van Brabant.

Wat is de functie van deze ruimtes? Volgens Aart Mekking, die hier in de tachtiger jaren van de twintigste eeuw onderzoek naar heeft gedaan, is het vooral een symbolische functie. Ze dienden eigenlijk nergens voor. Al snel was men het ook weer vergeten waar ze misschien ooit voor gediend hebben. Misschien heeft er ooit een troon gestaan, onder de koepel, op de plaats waar het zonlicht naar binnen viel. Misschien zijn er vergaderingen gehouden. Er is geen enkele bewijs voor. De ruimte had in ieder geval een symbolische functie. En Aart Mekking probeert dat uit te leggen aan de hand van allerlei voorbeelden waarbij ook de politieke context een belangrijke rol speelde. Hij beschrijft de voornaamste aanleiding  van de bouw van dit alles op pag. 307 e.v. van zijn boek “de Sint-Servaaskerk van Maastricht”

“Toen op tweede Pinksterdag 29 mei 1167 tussen Monte Porzio en Tusculum, het grootste leger dat de Romeinen sinds eeuwen bij elkaar hadden weten te brengen, verpletterend werd verslagen, geschiedde dit in hoofdzaak door toedoen van Christian I von Mainz (Christian von Buch)……  De iconografie van het reliëf op het halfronde boogveld in de Sint-Servaas kan niet anders worden uitgelegd als een zeer precieze weergave van de verhouding tussen keizer en paus na de slag bij Tusculum. De Salvatorfiguur die- hoogst zeldzaam voor zo’n beeldhouwwerk – een metalen koningskroon heeft gedragen, troont hier als de bron van alle souvereine macht en kroont – als het antitype van de keizer – de apostel Petrus (de eerste paus) en bisschop Servatius (‘model’ van de rijksbisschop).

Hieronder zien we dat dubbelreliëf waar Aart Mekking het over heeft. Het westelijke altaarretabel dus.

dubbelrelief

Beneden zien we Maria met kind in een mandorla. Deze mandorla wordt vastgehouden door twee engelen. De tekst in de rand van de mandorla luidt:

Tu sis salvatrix et virginitatis fictrix araque regalis attritio vera draconis (Wees de redster, de bewerkster van de maagdelijkheid, het koninklijke altaar en de ware vertrapping van de draak). Op de vlakke lijst staat: virgo deum peperit do..vi servit curia celi (de maagd heeft God voortgebracht, dient haar, hemelse hofhouding)

In het bovenste deel zien we iets ongehoords: Christus die zowel Petrus als Servatius kroont, hen beschouwt als gelijkwaardig. Petrus staat voor de eerste bisschop, de paus. Servatius, de huisheilige van Karel de Grote en zijn opvolgers, staat voor de bisschop die door de keizer is benoemd. Bisschoppen zijn hierdoor gelijkwaardig aan pausen, beiden worden gekroond door Christus. Op het hoofd van Christus heeft ooit een metalen kroon gezeten. De aanhechtingsplekken zijn nog aanwezig. Deze Christus Salvator lijkt sterk op hoe de Duitse keizers zich lieten afbeelden wanneer ze hun zoon als opvolger aanwezen. Deze Christus staat zo tegelijkertijd voor: keizer Barbarossa. Dit MOEST weergegeven worden, na de overwinning in de slag bij Tusculum. De paus was verslagen. HIJ mocht nu ZELF alle bisschoppen benoemen. En bij die slag was Christian von Buch de legeraanvoerder . Deze zelfde Christian von Buch, niet alleen legeraanvoerder, maar ook rijkskanselier van Barbarossa, aartsbisschop van Mainz  en:  proost van de Servaas! Onder zijn bewind werd het westwerk, de kapitelen en het net besproken altaarretabel in deze Maastrichtse kapittelkerk vervaardigd.

Het altaar in het westen werd trouwens soms gebruikt. We kunnen lezen in het ordinarium van het kapittel dat daar de mis werd gelezen op Maria Boodschap en de zeven dagen daarna. Het was dus een Maria altaar.

Naast de galerij met kapitelen is het tweede verborgen wonder van de Servaas zo de keizerzaal. Gelukkig worden er regelmatig concerten gegeven. Dan kun je de oude twaalfde-eeuwse sfeer weer helemaal proeven. De geur van kaarsen die bij zo’n concert meestal worden aangestoken versterkt dat gevoel. Bij het programma van de vereniging voor oude muziek zag ik dat dit jaar de concerten niet in de keizerzaal plaats vinden, maar in de voormalige proosdij, ook een eeuwen-oud gebouw. Waar nu de zusters van Liefde hun klooster hebben.  Daar ga ik ook heen!

Realiseer je dat het westelijke deel van de kerk een belangrijke wereldlijke symboliek kende. Die veel verder ging dan wat je ook maar enigszins zou kunnen vermoeden en alles te maken had met de politieke gebeurtenissen van die tijd. De enigszins verhulde, maar tegelijk zeer indringende retorica van de Rooms-Duitse keizer. Deels verdwenen. Maar veel is er nog. Waar? In de Servaas.

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

De Servaaskerk van Maastricht en Karel de Grote

De streek in het zuiden van Limburg en de omgeving van Aken is al vanaf de Romeinse tijd in trek vanwege de thermale baden. In Heerlen is een enorm Romeins badcomplex opgegraven, nu het middelpunt van het thermenmuseum. Ook Valkenburg heeft zijn thermae 2000, een groot wellness centrum op basis van de minerale heetwaterbronnen die uit de diepe kalklagen omhoog borrelen.

Karel de Grote had last van jicht en ook hij ontdekte de weldadige werking van deze bronnen. Daar wilde hij graag vaak zijn. Hij besloot om Aken tot centrum van zijn rijk te maken en er een groot deel van het jaar te gaan wonen.

Nog voor de tijd van Karel de Grote lagen er in die streken al een aantal Merovingische kroondomeinen. Een van die domeinen was een gebied rond Maastricht. Het werd beheerd door het in de achtste eeuw gestichte kapittel van Sint Servaas.  Niet zo lang daarna werd een belangrijk raadgever van Karel de Grote, Alcuinus,  abt van dit Servaasklooster. Een andere raadgever en opvolger van Alcuinus, Eginhard, werd op zijn beurt ook weer abt. Maastricht was nog een zeer onbeduidende plek,  maar door deze nieuwe abten werd de status van het gebied behoorlijk verhoogd. Eginhard schonk zeer belangrijke relieken, die van de heiligen Marcellinus en Petrus,  aan het kapittelklooster. Deze relieken zaten in een houder in de vorm van een triomfboog (De Eginhardboog), met daarboven weer een kruis. Hier is helaas slechts een afbeelding van bewaard gebleven, het origineel is verloren gegaan.

einhardsboog fictieve opstelling

einhardsboog-achterkantNa Karel de Grote ontstond er een rommelige tijd. Zijn rijk werd gesplitst, en na nog wat verdelingen werden in 870 bij het verdrag van Meerssen de nieuwe grenzen vastgesteld. Maastricht kwam te liggen op de grens van het Oost- en West-Frankische rijk. Tegelijk was het de enige plek waar je de Maas kon oversteken. Om twee redenen was de plek dus van strategisch belang. Karel van Lotharingen, de heerser over het hertogdom Lotharingen in het Oost-Frankische rijk, wilde meer. Hij ambieerde het koningschap van het West-Frankische rijk (=Frankrijk). Hierin werd hij gesteund door de Oost-Frankische keizer Otto II, en hij belegerde op een gegeven moment Parijs. Maar: hij werd verraden en gedood. In 1001 werd hij herbegraven in de Servaaskerk, waar zijn graf zich nog steeds bevindt. Waarschijnlijk werd door deze herbegraving Maastricht nog eens nadrukkelijk opgeëist als stad die toebehoorde aan het Oost-Frankische rijk.

grafkarelvanlotharingen

Rond het jaar 1000 werd besloten om een nieuwe grotere kerk (de huidige) te bouwen. De volgende twee eeuwen stonden zowel in het teken van de bouw van die kerk ,van de vele uitbreidingen en versieringen als het op gang brengen van de pelgrimage naar het graf van Sint Servaas.  De nieuwe Servaaskerk werd in 1039 ingewijd in aanwezigheid van de Rooms-Duitse keizer Hendrik III en maar liefst 12 bisschoppen. Jocundus, een Noord-Franse dichter, kreeg de opdracht om het levensverhaal van Servaas op te schrijven. In dit in het Latijn geschreven werk kunnen we lezen hoe de heilige Servaas familie is van niemand minder dan Jezus Christus zelf (!) en hoe Karel de Grote op voorspraak van Servatius een belangrijke slag wint. Zo werd de band met Karel de Grote opnieuw aangehaald. Als in de twaalfde eeuw Keizer Frederik Barbarossa Karel de Grote heilig laat verklaren straalt er ook iets van die Heiligheid af op Maastricht.  De datum van de heiligverklaring werd onmiddellijk vanaf die tijd elk jaar ook in de Servaas gevierd. Met behulp van o.a. de machtige raadgever en kanselier van Barbarossa, Christian von Buch, tevens proost van het Servaaskapittel, werd  Maastricht verder in de vaart der volkeren opgestoten.  De kerk werd uitgebreid en versierd en ook werd de Nederlandstalige versie van de Servaaslegende geschreven.  Over die nieuwe aanpassingen in de kerk uit de tweede helft van de twaalfde eeuw plus die van het begin van de dertiende vertel ik later meer.

Het aanzien van Maastricht zal sindsdien nooit meer zo hoog zijn. De twaalfde eeuw is de gouden eeuw voor Maastricht. De stad zelf begon te bloeien, vooral ook door de groei van de pelgrimsstroom. Nog voor in het begin van de dertiende eeuw in Aken een prachtige kist werd gemaakt voor het lichaam van Karel de Grote (de “Karlsschrein”) werd in Maastricht al een prachtige kist gemaakt voor het lichaam van Servatius. Deze “noodkist” werd in processie door de stad gedragen gedurende vele eeuwen, telkens als de stad weer eens in nood verkeerde. Maar zonder de uitstraling van het fenomeen Karel de Grote hadden Maastricht en de Servaaskerk rond 1200 nooit zo’n groot aanzien kunnen hebben.

noodkist02

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

De Servaas van Maastricht en de Wartburg van Eisenach

wartburgWaarvan kent men de Wartburg van Eisenach? Misschien weet men dat dit het beroemde kasteel  was waar de zangwedstrijden van de minnezangers werden gehouden in de middeleeuwen. En misschien weet men ook dat Richard Wagner hier zijn opera Tannhaüser op heeft gebaseerd. Anderen weten misschien dat Luther toen hij vervolgd dreigde te worden daar zijn toevlucht zocht en in het kasteel het nieuwe testament in het Duits vertaalde. Maar weinigen zullen weten dat dit kasteel ook op enkele manieren een relatie heeft met Maastricht.

De eerste relatie is een zeer complexe. Om die te kunnen begrijpen moet je allereerst iets weten over de politieke situatie in een groot deel van Europa in de tweede helft van de twaalfde eeuw. Al een hele tijd was er een machtsstrijd gaande tussen de Rooms-Duitse keizer en de paus. De keizer wilde boven de paus staan. Zoals dat ook in het Oost-Romeinse rijk het geval was: de Byzantijnse keizer stond boven de patriarch. De keizers wilden zich dan wel door de paus laten kronen in Rome, maar tegelijk wilden ze zelf het recht hebben om bisschoppen te mogen benoemen. Nu steeds meer feodale heren als hertogen en graven erg machtig begonnen te worden was het voor de keizer belangrijk om in bepaalde gebieden een verzekerde macht te kunnen blijven uitoefenen. Daarvoor leenden zich de talrijke prinsbisdommen: bisdommen waar de geestelijk heer, de bisschop, tegelijk ook wereldlijk heer was. De keizer wilde hen benoemen.

Frederik Barbarossa wilde daarom voor eens en altijd de macht van de pausen reduceren. Met een groot leger viel hij Italië binnen. Opperbevelhebber was Christian von Buch, aartsbisschop van Mainz en tevens rijkskanselier en de belangrijkste raadgever van de keizer. Deze prinsbisschop kwam oorspronkelijk uit Thüringen. En deze Christian von Buch was tevens de proost van het Servaaskapittel van Maastricht! Hij nam met zijn leger (veel Brabanders!) Rome in, de paus werd verjaagd, een nieuwe paus  werd aangesteld en zowel de paus als het stadsbestuur erkenden het volledige gezag van de keizer. De triomf van de rijkskanselier was volledig. Het Servaaskapittel was rijksonmiddellijk, viel dus direct onder de keizer. Christian von Buch besloot om de kerk verder uit te bouwen en te versieren. Onder zijn bewind werden de Romaanse kapitelen van het westwerk vervaardigd en kwam ook de keizerzaal tot stand. Ook werd er een symbolisch dubbel-reliëf in steen uitgehouwen. Dat werd geplaatst voor het altaar in het westen van de kerk, het keizerlijke, wereldse deel van de kerk. Toen de beeldhouwers klaar waren met hun imposante werk werden ze, waarschijnlijk ook op advies van diezelfde Christian von Buch, naar Thüringen gestuurd om daar het paleis op de Wartburg en de bijbehorende kapel te decoreren.

kapiteelwartburgHiernaast een door de Maastrichtse beeldhouwers versierd kapiteel in de Wartburg

Daarna togen ze nog naar Quedlinburg, ook een plaats waar de keizer vaak vertoefde. Daar was een nieuwe Servaaskerk gebouwd en deze werd ook door dezelfde steenhouwers versierd. (Daar is het Romaanse beeldhouwwerk helaas grotendeels verloren gegaan). Na deze klus gingen ze waarschijnlijk weer terug naar Maastricht waar ze nog wat aanvullende werkzaamheden in de Servaas en O.L.V. kerk verrichtten. Christian von Buch maakte naam, en via hem ook keizer Barbarossa.

Dit alles is komen vast te staan door bestudering van allerlei bronnen en vergelijking van de beeldhouwwerken. Waarom was Maastricht zo belangrijk voor de keizer? Daarover vertel ik in een volgend blog meer.

van-veldeke-aeneisEr is nog iets. Ook weer in dezelfde tijd, de tweede helft van de twaalfde eeuw, kreeg  Henric van Veldeken de opdracht om de Servaaslegende op rijm te zetten. Het allereerste proza in het Nederlands, meer dan duizend verzen. Dit nog voor de Nederlandstalige werken die later van Maerlant zou schrijven. Van Veldeken vertrok nadien naar Duitstalige gebieden. Hij kon zoals bleek ook in het Duits gedichten schrijven. Behalve minneliederen schreef hij een Duitse versie van de Aeneïs, het  liefdesverhaal van Dido en Aeneas van Vergilius, waar later de Engelse componist Purcell zijn beroemd geworden opera op baseerde. Maar nu komt het: De Aeneïs, waar Van  Veldeken het meest bekend door zou worden, schreef hij in de Wartburg in Eisenach! De Duitsers noemen tegenwoordig “Heinrich von Veldeke” de eerste “minnesanger”, hét voorbeeld voor latere troubadours als Oskar von Wolkenstein. Hierboven een afbeelding uit De Aeneïs van Heinrich von Veldeken. In de verzen van deze dichter staat het romantische liefdesleven centraal zoals je kunt zien. Hij was al bijna een renaissance-dichter. Maar zijn loopbaan was begonnen in Maastricht. Daar staat terecht zijn standbeeld.

veldeke-stanbeeld

Geplaatst in Geschiedenis, kunst, taal | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

De Romaanse kapitelen in de Servaas

In de Servaaskerk van Maastricht heb je in het hoogseizoen elke dag twee gratis rondleidingen, Je krijgt daarbij een soort inleiding in het katholicisme en allerlei informatie over de kerk. Over de vroegste geschiedenis, die eigenlijk het meest interessant is, hoor je echter meestal weinig. Daarvoor moet je natuurlijk eigenlijk naar buiten, of je moet enkele trappen op. Dan doen ze tegenwoordig zelden meer. Zo blijven een aantal pareltjes van dit gebouw verborgen. Wat zijn dat dan voor pareltjes? Ik wil er in dit blog een noemen, er zullen er meer volgen.

In de westbouw van deze Romaanse kerk bevinden zich kapitelen die daar rond 1170 zijn gemaakt. Vanuit de kerk zelf zijn ze niet te zien. De ruimte waar ze zich bevinden is dichtgemetseld om warmteverlies tegen te gaan. Je kunt er bij komen via een wenteltrap. Wat een ongelooflijke historische rijkdom als je er een keer mag zijn via een rondleiding. In totaal kun je er 34 kapitelen bewonderen.  De onderwerpen zijn aards: Sommigen gaan over mensen, andere gaan over vreemde mensen en monsters, nog weer andere gaan over wilde dieren en een aantal gaan over planten. De interpretatie is niet eenduidig. Aart Mekking denkt veel te verklaren vanuit de historische context, er is volgens hem een sterke link naar de politieke functie van de kerk in de tijd dat de kapitelen werden vervaardigd.  Elisabeth den Hartog zoekt het meer in algemene mythische en theologische contexten.

Ik laat twee van de kapitelen hier zien.

servaas-kapiteel01

We zien hoe een man op een krukje zit met een mes in zijn hand. In een mand liggen druiven (?). Een tweede figuur draagt een kruik en een derde leunt op een boor die gebruikt wordt om iets te planten, terwijl hij eet van een stuk brood. Het lijkt te gaan om boeren die bezig zijn met diverse werkzaamheden.  Het zou kunnen gaan om het proces dat nodig is voor de wijnbereiding: eerst worden de druivenstokken in de grond gezet, dan worden de rijpe druiven in bosjes afgesneden en in manden verzameld, tot slot wordt er wijn van gemaakt.

Volgens Aart Mekking verwijst dit tafereel naar de wijngaarden van het Servaaskapittel. Deze bevonden zich niet alleen in de heuvels bij Maastricht, maar zelfs tot in Zuid-Duitsland hadden de kanunniken bezittingen. Het Servaaskapittel was op dat moment rijks-onmiddellijk. De enige waar de kanunniken mee te maken hadden was de keizer. De nieuwe proost van de Servaas, Christian von Buch. was tevens aartsbisschop van Mainz en ook nog eens rijkskanselier en adviseur van keizer Barbarossa. Onder zijn leiding kwamen de sculpturele decoraties van de westbouw, de kapitelen en de jammer genoeg verdwenen muur- en plafondschilderingen tot stand. Ook liet hij in het westen een keizerlijke drietorenbouw vervaardigen, waarvan de middelste toren nooit gereed kwam. De Servaaskerk benaderde nu het schema van de hemelse stad Jerusalem, als een van de voorbeelden binnen zijn Heilige Romeinse rijk. Net op dat moment (1165) was Karel de Grote in Aken ook heilig verklaard. In de Akense Karlslegende wordt Servatius als zijn grote Heilige opgevoerd. Zo liet deze proost ook zijn eigen “keizerzaal” bouwen, een galerij met een keizersloge (Hierover meer in een volgend blog). Bovenstaand kapiteel verwijst dus  naar het trotse bezit van de kanunniken en zijn proost, die aan niets of niemand dan de keizer verder iets verschuldigd waren. Het hele westelijke deel van de kerk was ingericht als een keizerlijk deel van de kerk, de kapitelen moesten dat tot uitdrukking brengen.

Elisabeth den Hartog denkt eerder dat hier wordt weergeven de bijbelse scene uit Genesis “dat je zult werken in het zweet des aanschijns.” Persoonlijk houd ik beide opties voor mogelijk.

servaas-kapiteel02

Hoe moet je bovenstaande afbeelding interpreteren? Een man die uit elkaar gerukt lijkt te worden, of wellicht wordt meegevoerd, door twee adelaars, met elk een steen in hun klauwen. Maerlant schrijft over de adelaarsteen: ‘Graag maakt hij hoog zijn nest. In zijn nest vindt men het beste de steen die echites heet, omdat hij van naturen weet dat dit voor zijn jongen goed is’. In haar nest zet ze twee kostbare stenen die agaat genoemd worden, in Duits is dit de Adlerstein, de ene is de manlijke en de ander de vrouwelijke vorm. De mannelijke hiervan is hard en is wat gloeiend. En de vrouwelijke is zacht. En er wordt verteld dat ze geen jongen kunnen krijgen zonder die stenen. De mannelijke adelaar legt in haar nest die kostbare steen, die heldere agaat, om haar zo te vrijwaren van de pijnen die met het eieren leggen komen. De Perzen noemen die adelaarsteen de geboortesteen. Ook om de jongen te vrijwaren van venijnige beten van kruipende wormen. (http://www.volkoomen.nl/dieren/adelaar.htm) De adelaar zal hier een symbolische functie hebben. Zou het hier ook gaan om een mannelijke en een vrouwelijk adelaar, elk met hun eigen steen? En waarvoor staat die man die ze vast hebben?

En zo zijn er nog veel meer raadselachtige afbeeldingen op deze bijzonder interessante kapitelen. 34 stuks. Ooit van gehoord? Waarschijnlijk niet. Het is een van de geheimen van deze kerk.

In een apart artikel van mijn hand kun je meer informatie vinden over deze zaal en kun je alle 34 afbeeldingen van de kapitelen via aanklikken bestuderen

http://www.voorouderslimburg.nl/maastricht/servaas-kapitelen.htm

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , , , | 2 reacties

Wildemannen

tapisserie-strassbourg-1420Veel mensen kennen het beroemde tapijt van Bayeux. Dat is gemaakt in 1068 en toont de slag bij Hastings, waarbij Willem de Veroveraar vanuit  Normandië Engeland binnen viel. Als je bovenstaand tapijt bekijkt dat zo’n 350 jaar later is gemaakt denk je in eerste instantie dat er ook zo iets is afgebeeld. Het hangt tegenwoordig in het museum voor toegepaste kunst (MAK) in Wenen. Waar het tapijt van Bayeux maar liefst 70 meter breed is gaat het hier om een fragment van een tapijt van 2,5 meter breed. Hoe groot het origineel is geweest is niet bekend. Het tapijt is afkomstig uit Strassbourg. In 1420 was dat een stad die sterk in opkomst was. De bouw van de gotische kathedraal was in 1179 begonnen en werd in 1439 afgerond. Inmiddels hadden zich talloze kunstenaars in de stad gevestigd.

Er op staat een merkwaardige afbeelding, het blijkt geen historische afbeelding te zijn zoals we zien in Bayeux. Het tapijt heeft in Wenen de naam: Gastmahl der Wilden Leute und Erstürmung der Minneburg gekregen. Het object kwam ter sprake bij een les over de internationale gotiek bij de cursus middeleeuwse kunst en cultuur die ik op dit moment volg. “Wilde Leute”, of “wildemannen” werden in die tijd vaker afgebeeld. Oorspronkelijk hadden ze een uiterst negatief imago, ze werden gezien als een soort struikrovers die in het wild woonden en die er uit zagen als behaarde beesten zonder kleren. Steeds meer werd dat beeld van de wildemannen positiever, het waren mensen die nog dicht bij de natuur stonden, net als kluizenaars. Zo werd ook Maria Magdalena als een “wildevrouw” uitgebeeld met allemaal haren over haar hele lichaam. Dit naar aanleiding van de legende dat ze de laatste dertig jaar van haar leven in een woestijn in Frankrijk geleefd zou hebben.

De wildemannen op dit tapijt hebben niet duidelijk haren van top tot teen, maar ze hebben een soort gestreept pak aan, dat dan wel loopt van hun nek tot aan hun blote voeten. Het zijn geen wildemannen, ze hebben zich verkleed als wildeman. En ze hebben zich ook verkleed als hoogstaande edellieden. Op een draak zit een koning. Daar achter zien we nog enkele draakachtige beesten en een leeuw. In hun handen dragen de zogenaamde wildemannen wapentuig dat ze zo uit het bos hebben gehaald, takkenbossen met bloemen er aan. Ook op de punt van een lans zit een bloem.

Ze stormen op een burcht af waar ze worden opgewacht door ook weer wilde edellieden die hen verwelkomen met: ook al weer bloemen. Op twee banderollen kunnen we (gedeeltelijk) lezen wat de twee vechtende partijen elkaar te melden hebben. Het lijkt alsof de afbeelding een soort parodie op het hoofse leven is. In hoofse kringen werd er vooral ook met woorden gevochten, met gedichten en men maakte elkaar het hof op een elegante manier. Op het linker deel zien we iets van dat ze van “dat ze van plan zijn buit te gaan halen” (but gewin). Op het rechter zien we “dat de burcht goed beschermd is” (wol behut)

tapisserie-strassbourg-1420-detail1

tapisserie-strassbourg-1420-detail3Behalve de ruiters op hun draken en leeuw ziet ook het struikgewas beneden in beeld er merkwaardig uit. Je ziet meerdere dieren, een wolf, vos, konijn, een grote vogel, een eekhoorn. Gedeeltelijk half verstopt maar ze lijken er meer opgeplakt dan dat er iets realistisch van uit gaat. Een soort kinderlijke weergave.

tapisserie-strassbourg-1420-detail2De ophaalbrug bij het kasteel is omhoog getrokken en je ziet vissen zwemmen in de gracht. Ook weer heerlijk kinderlijk.

tapisserie-strassbourg-1420-detail4In de tent links wordt gegeten en enkele dienaren trekken nog aan een touw om de tent overeind te houden. Links van die tent zie je nog een gedeelte van een andere burcht met daaromheen eveneens een gracht. De burcht heeft de naam: “In Rosenblut(?)” (Rozenbloesem?) Hier lijkt het er vreedzaam aan toe te gaan. Je ziet een soort prinses met in haar hand een waaier. Boven op de burcht staat een speelman met een blaasinstrument.

Het geheel moet wellicht een soort toernooi voorstellen.

Koningen en ridders gaan mekaar zogenaamd als gekken te lijf, verkleed dus als wildemannen, gezeten op een draak of een ander wild beest. De hele wereld lijkt trouwens wel een gekkenhuis. Maar uiteindelijk moet je om alles lachen, de heren imponeren elkaar slechts met takken en met bloemen. Het is gewoon onderdeel van een hoofse klucht. Zoals het  spel dat in Maastricht in de Maas werd opgevoerd waarschijnlijk al vanaf de middeleeuwen en waarvan we een verslag hebben uit 1717

Zo kun je lekker fantaseren over het hoofse leven bij een feest aan een hof. De heren en dames namen het er goed van en voor hen werd een toneelstukje opgevoerd. Met onschuldige wildemannen.

Vannacht heeft Trump raketten afgeschoten op een vliegveld in Syrië. Zou ik dat ook maar als een klucht kunnen beschouwen. Het gaat hier niet om lansen met een bloem aan de punt. Voor Trump lijkt het misschien nog een spel. Maar ik ben bang dat dit spelletje in tegenstelling tot het tafereel op het tapijt nog een zeer vervelend staartje gaat krijgen. Hoofse omgangsvormen zijn ver te zoeken bij de hedendaagse wildemannen.

Geplaatst in filosofie, Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Voorjaarssalade

voorjaarssaladeHet is weer de ideale tijd om in de keuken met ingrediënten uit de natuur te werken. Zo heb ik de vorige week een heerlijke brandnetelsoep gemaakt. Vandaag liep ik door ons natuurgebiedje vlak bij ons huis en zag heel veel paardenbloemen en veldkers. De veldkers is trouwens alweer bijna aan het einde dus: nu of nooit. Ik plukte van allebei een handvol. De blaadjes van de paardenbloemen zijn erg bitter maar schijnen heel gezond te zijn. Paarden zijn er dol op. Ik beperkte me tot twee blaadjes. Van de veldkers plukte ik meer, eigenlijk kun je de hele plant eten, blaadjes, stengel en bloempjes. Het lekkerste zijn de blaadjes. Ze smaken als tuinkers maar nog iets sterker. Af en toe snoep ik gewoon ook wat als ik in de natuur ben.

Thuisgekomen ging ik meteen een salade maken. Ik werk altijd erg impulsief en gebruik dingen die ik meestal op het moment zelf verzin. Onze koelkast bevat altijd veel groenten. Je kunt veel lang bewaren, als je het maar op de goede manier doet. Nooit iets in plastic bewaren, dan bederft het snel. Als ik de boodschappen inruim dan haal ik dus gelijk overal het plastic vanaf. Ook melk, karnemelk e.d. kun je vrij lang bewaren, als je maar zorgt dat het dopje er niet op zit. Als een fles lang gesloten is dan gaat alles snel gisten. Dat zelfde geldt voor jam. Ik hoef vrijwel nooit iets weg te gooien en heb toch altijd veel keus.

Hoe gaat dat als ik ga koken? Zoals gezegd heel impulsief. Mijn vrouw zegt altijd dat ik af en toe in de spiegel moet kijken. Dat had ik nu ook moeten doen, de hele dag zat mijn trui al half in mijn broek. Tja, dat schijnt bij mij te horen…

Ik ging aan de slag en het hele proces waar ik van te voren nauwelijks over had nagedacht heb ik gefilmd. Na vier en een halve minuut was de salade klaar. Heerlijk, zei mijn vrouw, en dat vond ik zelf ook.

Geplaatst in natuur, recepten | Tags: , , , , | 2 reacties

De jongste dag

Drie dagen geleden is mijn schoonvader begraven. Hij was een buitengewoon godvruchtig persoon met een rotsvast geloof. Toch waardeerde ik hem vooral in zijn dagelijkse uitingen. Eenvoud, soberheid, vriendelijkheid, begaan met het lot van iedereen en zorg voor natuur en milieu. Vooral ook in zijn eigen omgeving. Hoewel hij van reizen en lezen hield was zijn wereld vrij besloten. Lezen was vooral het lezen van de bijbel of andere godsdienstige boeken en hij las uitsluitend een Christelijke krant. Reizen: liefst naar plekken waar de mogelijkheid was om een dienst bij te wonen die aansloot bij hoe hij dat gewend was. De grote onoverzichtelijke wereld was daardoor wat overzichtelijker. Als emeritus predikant was hij tot voor enkele jaren geleden ook nog zielzorger van gemeenteleden: hij bezocht zieken, zong aan hun ziekbed psalmen en sprak bemoedigende woorden. In de geest van hem deden wij dat nu voor hem. Hij kon nauwelijks meer spreken en zijn ogen waren meest gesloten, maar je merkte dat het wel binnen kwam. Ondanks zijn leeftijd, 98 jaar, was zijn doodsstrijd nog langer dan verwacht.
Het omgaan met de dood is voor ons een veel minder vanzelfsprekend verschijnsel dan dat het honderd jaar geleden of nog langer geleden was. Mensen troosten, zieken en stervenden, gebeurde binnen een Lutherse of Gereformeerde gemeente in de achttiende eeuw zeker wekelijks. Al de kerkcantates van Bach doen bijna niet anders: voortdurend proberen ze tot troost te zijn.
Vanochtend luisterde ik naar cantate BWV 161: “Komm du schöne Todesstunde”, in een uitvoering van het Monteverdi Choir met the English Baroque soloists onder leiding van Sir John Eliot Gardener. De opname is gemaakt in 2000 in Santiago de Compostella. zie ook http://www.monteverdi.co.uk/shop
De cantate is geschreven voor de zestiende zondag na Pinksteren, als in het evangelie de opwekking van de doden op de jongste dag centraal staat. De strekking is vooral: het hebben van de wil tot sterven, het hebben van de wil om naar de hemel te gaan. Bach schreef deze cantate al in Weimar en hij behoort daarmee tot zijn eerste cantatecyclus. Het mooiste deel vind ik het recitatief van de tenor met als tekst van Salomo Franck:

Welt, deine Lust ist Last, dein Zucker ist mir als ein Gift verhasst, dein Freudenlicht ist mein Komete, und wo man deine Rosen bricht, sind Dornen ohne Zahl zu meiner Seele Qual. Der blasse Tod ist meine Morgenröte, mit solcher geht mir auf die Sonne der Herrlichkeit und Himmelswonne. Drum seufz ich recht von Herzensgrunde nur nach der letzten Todesstunde. Ich habe Lust, bei Christo bald zu weiden, ich habe Lust, von dieser Welt zu scheiden.

Salomo Franck werkte net als Bach aan het hof van de hertog van Weimar en leverde de tekst van bijna alle cantates van Bach uit zijn tijd in Weimar. In dit recitatief horen we mooie retorische tegenstellingen: lust-last, suiker-vergif, vreugdelicht-komeet (een komeet werd in die tijd gezien als een onheilsbrenger), niet de bloemen van de roos, maar zijn doornen. De laatste zinnen luiden: Uit de grond van mijn hart verlang ik naar de dood, ik wil heel graag naar de weilanden van Christus en deze wereld achter me laten (scheiden van). Dat “scheiden” wordt uitgebeeld in de muziek die naar beneden gaat en stil valt.

Bijzonder vind ik ook het slotkoraal:

Der Leib zwar in der Erden von Würmern wird verzehrt, doch auferweckt soll werden, durch Christum schön verklärt, wird leuchten als die Sonne und leben ohne Not in himml’scher Freud und Wonne. Was schadt mir denn der Tod?

Deze tekst van Christoph Knoll vertelt: als het lichaam van een dode weer wordt opgewekt zal het licht geven als de zon en zal het zonder nood in zijn hemelse vreugde en gelukzaligheid zijn, ook al is het in een eerder stadium in de aarde door wormen verteerd.
Het eenvoudige koraal met een melodie die sterk lijkt op de melodie ”O Haupt voll Blut und Wünde” wordt versierd door een blokfluit die voor mij uitbeeldt hoe de dode meegevoerd wordt naar de hemel, helemaal omsloten en beschermd. Ik vind deze cantate buitengewoon goed passen bij hoe ik denk maar vooral ook wens dat mijn schoonvader zijn laatste uren heeft doorgebracht.

Geplaatst in filosofie | Tags: , , , , | 3 reacties