De Lieve Vrouwe Broederschap van den Bosch en de muziek van Pierre Moulu

Maar liefst 15.000 leden telde de Illustere Lieve Vrouwe broederschap in den Bosch op zijn hoogtepunt. En dat was toen de gotische Sint Jan helemaal klaar was. Wat zal er prachtige muziek hebben geklonken! De kerk en ook de broederschap was in die tijd waarschijnlijk de rijkste broederschap in de meer Noordelijke Nederlanden. Hoe was dat zo gekomen?

Daarvoor moeten we ruim een eeuw terug. In de loop van de vijftiende en zestiende eeuw kwam een steeds groter deel van het huidige Nederland en België onder gezag van het Bourgondische rijk, dat later weer onder Spanje kwam te vallen. Als begin van de Bourgondische Nederlanden geldt het jaar 1384, toen de Vlaamse graaf Lodewijk van Male overleed en zijn schoonzoon Filips de Stoute graaf-gemaal werd van Vlaanderen en Artesië. Vooral de kleinzoon van Filips de Stoute, hertog Filips de Goede (1396-1467) wist meerdere gewesten te verwerven, meestal op vreedzame manier door middel van huwelijk, erfenis of afkoop: tussen 1421 en 1443 kwamen Namen, Brabant en Limburg, Holland, Zeeland en Henegouwen, West-Friesland en Luxemburg in zijn bezit. Ook kreeg hij controle over de bisdommen Luik, Utrecht en Kamerijk.  Het grootste deel van het huidige Nederland en België was toen Bourgondisch. Het belangrijkste bestuurscentrum daarvan was Brussel, de hoofdstad van Brabant.

Ook andere Brabantse steden zoals ’s Hertogenbosch deelden mee in de rijkdom van Bourgondië. En in die tijd werd ook de gotische kathedraal Sint Jan gebouwd, als opvolger van een Romaanse voorganger. Het koor was waarschijnlijk rond 1415 al voltooid, het transept rond 1470, waarna ten slotte het schip tot stand kwam. Van 1480 tot 1496 is de weelderige H. Sacramentskapel ten noorden van het koor toegevoegd. Deze kapel was in gebruik bij het Illustre Lieve Vrouwe Broederschap. Als laatste verrees een hoge kruisingtoren. De gotische Sint-Jan kwam zoals we hem nu kennen helemaal gereed omstreeks 1530. De faam van de broederschap bereikte een hoogtepunt.

Deze Illustre Lieve Vrouwe Broederschap is in 1318 opgericht door een aantal Bossche ‘clerici et scolares’ (geestelijken en aspirant-geestelijken) ter ere van de Illustere Lieve Vrouwe, ofwel Maria. Aanleiding daarvoor was de opkomende Mariaverering in de stad. De broederschap sloot niemand bij voorbaat uit als lid hoewel de statuten zich sterk op clerici richtten. Nergens in de statuten was vermeld dat alleen clerici lid mochten worden. De clerici werden de gezworen broeders genoemd omdat zij een eed op het evangelie hadden afgelegd. Gezworen broeder werd men uitsluitend op uitnodiging en men moest minimaal de kruinschering hebben ondergaan. Een wijding was niet noodzakelijk. Kinderen van zeven jaar konden al de tonsuur krijgen. Bij de aanvang van het lidmaatschap dienden de gezworen broeders een entree en een doodschuld te betalen. Zij behoorden over het algemeen tot de elite van de samenleving. Niet iedere clericus kon dus lid worden. Vanaf ongeveer 1340 werden ook anderen toegelaten. Er worden dan ook vrouwen als lid vermeld. Vaak zullen het vrouwen van clerici geweest zijn, maar ook alleenstaande dames kregen het lidmaatschap. Deze tweede groep werd aangeduid als “de buitenleden”. Zij legden geen eed op het evangelie af, maar dienden eveneens een entree en een doodschuld te betalen. Tot begin vijftiende eeuw waren de meeste buitenleden afkomstig uit ‘s-Hertogenbosch en omgeving. Daarna was er een explosieve groei van het het aantal buitenleden uit de wijde omgeving van ‘s-Hertogenbosch en andere delen van Europa. Voor het heil van al haar leden – inclusief de buitenleden – droeg de groep gezworenen één keer per week een mis op in de eigen Broederschapskapel in de Sint-Janskathedraal, de huidige H. Sacramentskapel. Deze kapel is rijk versierd en nog steeds te bezichtigen. Daarnaast kwamen de gezworenen meerdere keren per jaar bijeen om te vergaderen en was het gebruik dat iedere gezworene eens in de zoveel tijd een maaltijd voor zijn medebroeders organiseerde en daarbij gastheer was. De onderwerpen betroffen onder andere: de verering van Maria en de armenzorg. Ook leverde de Broederschap vanaf de 14e eeuw een bijdrage aan de ontwikkeling van ‘s-Hertogenbosch als belangrijk centrum van laat-middeleeuwse muziek.

De Zuidelijke Nederlanden waren in de vijftiende en zestiende eeuw de belangrijkste regio voor muzikale opleiding in Europa en zowel artistiek als cultureel in volle bloei. De broederschap heeft hierin een belangrijke rol gespeeld. Uit de bewaard gebleven rekeningen blijkt dat de broederschap er veel voor over had om hoog kwalitatieve muzikanten en vooral zangers binnen te halen en zo lang mogelijk vast te houden. De broederschap vierde de vespers en de mis op dinsdag en woensdag. Aan deze vieringen werden bijdragen geleverd door een groep zangers. Zij verzorgden het gezongen deel van die liturgie. In de zestiende eeuw bestond de groep zangers uit gemiddeld zeven betaalde professionele zangers. Daarnaast waren er enkele koralen in dienst. Dat waren jongens die de sopraanpartijen zongen. Er waren daarnaast twee intoneerders, voorzangers, die de koorgebeden en misgezangen inzetten. De zangmeester was de “primus inter pares” van het koor. De broederschap was actief in het verkrijgen van bladmuziek en specifieke composities. Zoals overal in de Nederlanden is helaas maar een klein deel van de bladmuziek van die periode bewaard gebleven.

Deze broederschap speelde een belangrijke rol in de distributie van aflaten, die ze van paus en bisschoppen ontving en die ze met haar leden – zowel gezworenen als buitenleden – deelde. Tussen 1460 en 1530 kende de Broederschap een bloeiperiode, waarin zich jaarlijks honderden buitenleden aanmeldden. Deze nieuwe leden (onder wie bijv. Jheronimus Bosch) kwamen niet alleen uit ‘s-Hertogenbosch, maar ook van elders; zo meldden zich veel Spanjaarden aan, vaak hoge ambtenaren, die met het gevolg van de landsheer, Filips de Schone en later Karel V, naar de Nederlanden waren gekomen. Rond 1510 had de broederschap maar liefst ongeveer 15.000 leden!

Door deze groei beschikte de broederschap over steeds meer geld. Dit geld werd gebruikt voor grote opdrachten, zoals het Broederschapsretabel van de Utrechtse beeldhouwer Adriaen van Wesel, dat in 1477 voltooid werd en waarvan zich tegenwoordig twee fragmenten in het Zwanenbroedershuis bevinden. Tegen het eind van de middeleeuwen was de broederschap een instelling, die wij nu een sociëteit zouden noemen, zij het nog steeds met een sterk religieuze inslag.

Een van de muziekwerken die teruggevonden is in den Bosch is een motet van de Franse componist Pierre Moulu (1484? – ca. 1550). Het zat bij de handschriften van de broederschap. Zoals bij vele componisten uit de Renaissance het geval is, is ook van het leven van Pierre Moulu weinig bekend. Zijn composities duiden er op dat hij werkzaam was aan het Franse koninklijke hof aan het begin van de zestiende eeuw. Hij schreef onder meer een prachtige klaagzang op de dood van koningin Anne van Bretagne (1514) en componeerde een motet waar alle – in zijn ogen – belangrijke componisten bij naam werden genoemd en eindigde bij Josquin des Prez. Documenten uit het Vaticaan (1505-1513) laten ons zien dat een ‘Petrus Moulu’ werkzaam was in Meaux, een stad niet ver van Parijs.

Het vijfstemmige motet “in Pace” van Pierre Moulu dat gevonden is in den Bosch laat zien dat er in deze stad op hoog niveau werd gemusiceerd. Gesuggereerd wordt dat dit motet gezongen werd bij de afsluiting van de dag. Was dat dan bij kaarslicht? Het gezang zal ongetwijfeld geklonken hebben in de prachtige, net opgeleverde Sint Jans Kathedraal, en waarschijnlijk in de Sacramentskapel. Waar de leden van broederschap vol trots er naar zullen hebben geluisterd!

Het stuk wordt uitgevoerd door het “Brabant Ensemble”, zoals het te horen was in de radio uitzending van 30 november 2025 in het programma “Tussen hemel en aarde.”

Geplaatst in Geschiedenis, muziek | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Lieve mensen

‘Lieve mensen.’ Zo worden de luisteraars van radio 4 vaak aangesproken. ‘NPOklassiek, dat voel je.’ Je voelt hoe je geest helemaal wordt vertroeteld, hoe alles mooi moet klinken en elke dissonant wordt weggepoetst. Alleen al de aankondigingsstune van ‘de klassieken’ dompelt je in dat zachte badje. Met een zacht gevooisde stem worden alle muzakmuziekjes aangekondigd en wordt van je verwacht je thuis te voelen bij dat lieve clubje. Alles draait om ‘gevoel’. Ook in het land zijn er concerten met ‘de mooiste muziek’ door ‘topmusici’.

Elke zender heeft zijn stijl. De oubollige ouwe jongens krentenbroodstijl van radio 528 probeert een thuisgevoel te geven aan een andere doelgroep waar ik me evenmin bij thuisvoel. Maar ze zullen me denk ik niet snel aanspreken met ‘lieve mensen’.

Hoe zouden de honderden mensen zo’n 100 jaar geleden wekelijks naar de orgelbespeling van Louis Vierne hebben zitten luisteren in de Notre Dame van Parijs? Ze luisterden naar de imponerende geest van een blinde organist die hen steeds weer wist mee te voeren in zijn universum. Is het mooie muziek voor lieve mensen? Nee, het is goede muziek voor mensen met een open geest. Luister naar het prachtige spel van Hayo Boerema op het Marcussen orgel van de Laurenskerk van Rotterdam. Het larghetto uit de vijfde orgelsymfonie van Vierne

Geplaatst in maatschappij, muziek | Tags: , , | Plaats een reactie

De Frans-Duitse oorlog en de Commune van Parijs

De Frans-Duitse oorlog

Soms duurt een oorlog kort maar zijn de gevolgen aanzienlijk. Dat kun je in ieder geval zeggen van de Frans-Duitse oorlog die duurde van 19 juli 1870 tot 26 januari 1871. Dat is maar een half jaar. Hij berokkende heel wat leed, veel soldaten sneuvelden of raakten gewond. Maar door deze oorlog veranderde het versnipperde Duitsland in een keer in een natie. De meeste Duitse staten sloten zich namelijk bij elkaar aan om zo een eenheid te worden onder Bismarck. Tegelijk werd door deze oorlog het zaad voor de eerste wereldoorlog gezaaid. Frankrijk was gekrenkt, verloor de Elzas en moest zware herstelbetalingen doen. Een ander gevolg was het feit dat er een staatsgreep in Parijs werd gepleegd. Deze stad gaf zich niet over en er werd intussen een soort coup gepleegd: gedurende twee maanden kwam er een extreem links bestuur aan de macht. Friedrich Engels memoreert aan de Commune van Parijs, al vlak nadat deze had plaats gevonden. Zo was deze Commune een voorbeeld voor latere staatsgrepen zoals die in Rusland, Cambodja en China.

Deze oorlog kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Ook niet de revolutionaire oprichting van de Commune van Parijs in 1871. We gaan even ruim 20 jaar terug in de tijd. In 1848 heerste er op veel plaatsen in Europa een revolutiekoorts. In Frankrijk was de censuur sterk en de rechten van de arbeiders waren klein. Dat leidde tot grote opstanden en de val van de regering, Napoleon III kwam aan de macht en de censuur werd opgeheven. Maar de blijdschap was niet van lange duur. Frankrijk bleek al snel diep verdeeld. Enerzijds had je de katholieke en conservatieve bevolking van het Franse platteland, anderzijds de meer republikeinse en radicale bevolking uit Parijs, Marseille, Lyon en nog een paar andere steden. Veel Parijzenaren, vooral arbeiders en mensen uit de lagere middenklasse, steunden een democratische republiek. Een specifieke eis was dat Parijs zich zelf zou besturen met zijn eigen gekozen gemeenteraad (Commune), iets wat kleinere Franse steden al hadden, maar in Parijs werd dat door de nationale regering geweigerd. Socialistische bewegingen, zoals de Eerste Internationale, hadden aan invloed gewonnen met honderden verenigingen die ermee verbonden waren verspreid over Frankrijk. Begin 1867 probeerden Parijse werkgevers van bronswerkers hun arbeiders uit die verenigingen weg te werken. Dit werd tegengehouden door een staking georganiseerd door de Internationale. De Duitse militaire attaché, Alfred von Waldersee, noteerde in zijn dagboek in februari: “Elke nacht worden her en der barricades opgeworpen, grotendeels gemaakt van ongebruikte vervoermiddelen, vooral autobusjes, en wordt er af en toe zinloos geschoten.” De oorlog met Pruisen, begonnen door Napoleon III in juli 1870, werd aanvankelijk met patriottisch vuur ontvangen. Parijs was de traditionele thuisbasis van Franse radicale bewegingen. We kunnen zo rustig zeggen dat de basis van de oprichting van de revolutionaire Commune in 1871 al voor de Frans-Duitse oorlog was gelegd.

De aanleiding van de Frans-Duitse oorlog

De directe aanleiding van de Frans-Duitse oorlog was het Franse verzet tegen de bestijging van de troon van koninkrijk Spanje door een Duitse prins, Leopold van Hohenzollern. Als deze prins het koningschap van Spanje zou krijgen, zou Frankrijk geografisch ingesloten raken tussen twee staten waar Pruisische Hohenzollern het koningschap bekleedden, zowel in het zuiden als in het noordoosten. Frankrijk eiste daarom dat de Pruisische koning Wilhelm I zijn steun voor de Pruisische prins introk. Wilhelm I ging akkoord. Korte tijd later stuurde Napoleon III de Franse ambassadeur in Pruisen, graaf Benedetti, naar Wilhelm I om te eisen dat de Pruisische prins zich niet alleen nu, maar ook in de toekomst nooit meer kandidaat zou stellen voor de Spaanse troon. Wilhelm I vond dat hij de Fransen al genoeg tegemoet was gekomen en weigerde ditmaal. Hij verbleef op dat moment in Bad Ems en stuurde de tekst van zijn weigering om voor het gezag van Napoleon te buigen op 13 juli 1870 in een telegram op naar zijn kanselier Otto von Bismarck. Dit telegram staat bekend als de Emser Depesche. Bismarck zag direct de mogelijkheid om met dit telegram een oorlog met Frankrijk uit te lokken en alle Duitse staten achter Pruisen te verenigen. Hij verspreidde vervolgens een verkorte versie aan de internationale pers en de rest ging vanzelf. De door bewuste verkorting ontstane stugge toon provoceerde de publieke opinie en het parlement van Frankrijk. Vijf dagen later, op 19 juli 1870, verklaarde het beledigde Frankrijk aan Pruisen de oorlog.

Het verloop van de oorlog

De oorlog verliep desastreus voor Frankrijk. Door de valse verwachting dat de Zuid-Duitse staten het Pruisische oorlogsavontuur niet zouden willen meemaken, paaide Frankrijk hen met economische en politieke steun. De Zuid-Duitse staten sloten zich onder druk van hun publieke opinies echter juist aan bij Pruisen; Pruisen was immers een Duitse “broederstaat” en de Fransen hadden zich met hun eerdere beleid in Europa en de Napoleontische Oorlogen niet populair gemaakt. De Fransen hoopten verder Denemarken en Oostenrijk te porren zich aan de Franse zijde aan te sluiten voor een revanche voor hun eerdere nederlagen tegen Pruisen. Oostenrijk wilde echter alleen meedoen als de Zuid-Duitse staten zich ook aan Franse zijde zouden scharen, wat ze niet deden. Zonder Oostenrijk en deze staten wilde ook Denemarken niet meedoen. Frankrijk kwam hierdoor alleen te staan tegenover Pruisen en de Noord-Duitse Bond, Baden, Württemberg, Beieren en Hessen.

De strijd om Parijs

Na diverse veldslagen die bijna steeds door de Duitsers werden gewonnen trokken deze naar Parijs. In de stad ontstond onderlinge verdeeldheid over hoe te reageren. Naarmate de Duitsers de stad omsingelden, zagen radicale groepen dat er te weinig soldaten waren om zichzelf goed te kunnen verdedigen, en kwamen de eerste demonstraties tegen het ministerie van defensie. Op 19 september marcheerden Nationale Garde-eenheden uit de belangrijkste arbeiderswijken naar het centrum van de stad en eisten dat een nieuw bestuur, een Commune, werd gekozen. Ze werden tegen gehouden door leger-eenheden die loyaal bleven aan het “Gouvernement de Défense National”, en de demonstranten werden uiteindelijk zonder bloedvergieten uiteengejaagd.

Op 20 september 1870 had het Duitse keizerlijke leger Parijs volledig omsingeld en lagen de kampementen op slechts 2 km van de Franse linies. Het reguliere Franse leger in Parijs, onder bevel van generaal Trochu, telde slechts 50.000 professionele soldaten; de meerderheid van de soldaten van het reguliere leger van Frankrijk was krijgsgevangene gemaakt of gevangen in Metz, omsingeld door de Duitsers. Dit leger werd gesteund door ongeveer 5.000 brandweerlieden, 3.000 gendarmes en 15.000 zeelieden. En dit reguliere leger werd ook gesteund door de Garde Mobile, bestaande uit nieuwe recruten met weinig training of ervaring. 17.000 van hen waren Parijzenaar, en 73.000 uit de provincies. Deze omvatten twintig bataljons mannen uit Bretagne, die weinig Frans spraken. Het grootste was de Nationale Garde, met ongeveer 300.000 man. Maar ook de leden hiervan hadden weinig training of ervaring. Ze waren georganiseerd per wijken. Die uit de hogere en middenklasse-arrondissementen steunden over het algemeen de nationale regering, terwijl die uit de arbeiderswijken veel radicaler waren. De telegrafielijn die Parijs met de rest van Frankrijk verbond, was door de Duitsers op 27 september doorgeknipt. Op 6 oktober vertrok minister van Defensie Léon Gambetta de stad per luchtballon om een nationale opstand tegen de Duitsers te organiseren. Op 28 oktober kwam het bericht in Parijs dat de 160.000 soldaten van het Franse leger in Metz, dat sinds augustus door de Duitsers was omsingeld, zich hadden overgegeven. Hetzelfde bericht bereikte Parijs op dezelfde dag van het falen van een andere poging van het Franse leger om de belegering van Parijs bij Le Bourget te doorbreken, met zware verliezen. Op 31 oktober riepen de leiders van de opstandige groepen in Parijs nieuwe demonstraties uit bij het Hôtel de Ville tegen generaal Trochu en de regering. Vijftienduizend demonstranten, sommigen gewapend, verzamelden zich Voor het Hôtel de Ville bij hevige regenval, terwijl ze eisten dat Trochu zou aftreden en dat er een commune werd uitgeroepen. In september en oktober had Adolphe Thiers, de leider van de conservatieve fractie van de Nationale Vergadering, door geheel Europa getrokken, met buitenlandse ministers van Groot-Brittannië, Rusland en Oostenrijk-Hongarije gesproken, en vastgesteld dat geen van hen Frankrijk tegen de Duitsers zou steunen. Hij rapporteerde aan de regering dat er geen alternatief was dan te onderhandelen over een wapenstilstand. Hij reisde naar het door de Duitsers bezette Tours en ontmoette op 1 november Otto von Bismarck. De Duitse kanselier eiste de overdracht van de Elzas en delen van Lotharingen en enorme herstelbetalingen. De Fransen besloten daarop dan toch maar door te vechten. Tussen 11 en 19 januari 1871 werden de Franse legers op vier fronten verslagen en worstelde Parijs met een steeds erger wordende hongersnood. Generaal Trochu ontving berichten van de prefect van Parijs dat de onrust tegen de regering en de militaire leiders toenam bij politieke bijeenkomsten en in de Nationale Garde van de arbeiderswijken.

Frankrijk geeft zich over maar Parijs niet

Op 26 januari tekende de Franse regering dan toch nog eindelijk een wapenstilstand, met speciale voorwaarden voor Parijs. De stad zou niet door de Duitsers worden bezet. Reguliere soldaten zouden hun wapens overgeven, maar niet in gevangenschap worden genomen. Parijs zou een schadevergoeding van 200 miljoen francs betalen. Op verzoek van Jules Favre stemde Bismarck ermee in om de Nationale Garde niet te ontwapenen, zodat orde in de stad behouden kon blijven. De Franse regering gaf zich over, maar Parijs deed niet mee. In februari, terwijl er in Bordeaux een nieuwe nationale regering werd gevormd, werd in Parijs een rivaliserend bestuur georganiseerd: de Commune, die hierbij officieel was opgericht. De Nationale Garde in Parijs had zich niet ontwapend volgens het wapenstilstandsakkoord en had op papier 260 bataljons van elk 1.500 man, een totaal van 390.000 man. Tussen 15 en 24 februari begonnen ongeveer 500 afgevaardigden, gekozen door de Nationale Garde, in Parijs bijeenkomsten te beleggen.

De Commune van Parijs

Op 18 maart bezette de Nationale Garde de kantoren die inmiddels door de regering waren verlaten. Ze namen snel de departementen van Financiën, Binnenlandse Zaken en Oorlog in bezit. Om acht uur ’s ochtends de volgende dag kwam de Centrale Commissie bijeen in het Hôtel de Ville. Tegen het einde van de dag kampeerden 20.000 nationale gardisten triomfantelijk op het plein voor het Hôtel de Ville, met tientallen kanonnen. Een rode vlag werd gehesen boven het gebouw. De Commune bestuurde Parijs twee maanden lang en promootte een beleid dat neigde naar een progressief, anti-religieus systeem, een eclectische mix van veel 19e-eeuwse stromingen. Tot deze beleidslijnen behoorden de scheiding van kerk en staat, zelftoezicht, de kwijtschelding van huur, de afschaffing van kinderarbeid en het recht van werknemers om een bedrijf over te nemen dat door de eigenaar verlaten was. De Commune sloot alle katholieke kerken en scholen in Parijs. Feministische, communistische, oud-revolutionaire sociaaldemocratie (een mengeling van reformisme en revoluties) en anarchistische stromingen, naast andere socialistische types, speelden een belangrijke rol in de Commune.

Einde van de Commune

Amper 2 maanden na de oprichting van deze Commune kwam het nationale Franse leger alweer orde op zaken stellen tijdens de “semaine sanglante”, “bloedige week” die begon op 21 mei 1871. Het leger arresteerde en executeerde naar schatting 10.000 tot 15.000 leden van de Commune. In haar laatste dagen executeerde de opstandige Commune zelf nog de aartsbisschop van Parijs, Georges Darboy, en ongeveer honderd gijzelaa­rs, grotendeels gendarmes en priesters. De Nationale strijdkrachten namen 43.522 leden van de Commune gevangen, waaronder 1.054 vrouwen. Meer dan de helft van de gevangenen had niet gevochten en werd onmiddellijk vrijgelaten. De Derde Republiek berechtte ongeveer 15.000 mensen, waarvan 13.500 schuldig werd bevonden, 95 ter dood werden veroordeeld, 251 tot dwangarbeid en 1.169 tot deportatie (voornamelijk naar Nieuw-Caledonië). Veel andere aanhangers van de Commune, waaronder verscheidene leiders, vluchtten naar het buitenland, vooral naar Engeland, België of Zwitserland. Alle gevangenen en ballingen kregen in 1880 gratie en konden naar huis terugkeren, waar sommigen politiek weer carrière maakten.

De gevolgen van de oorlog

Bijna had een kleine honderd jaar na de Franse Revolutie van 1789 Frankrijk opnieuw een revolutie meegemaakt. Nu een revolutie die vooral voortkwam uit de nood van de arbeiders, de industriële revolutie begon ook in Frankrijk negatieve sporen na te laten. Maar ook de voormalige ideeën van een anticlericale houding staken weer de kop op. Het was niet voor niets dat de aartsbisschop van Parijs nog op de laatste dag van het bestaan van “de Commune” werd geëxecuteerd. Wat voor gevolgen had deze tijd? Debatten over het beleid en het resultaat van de Commune hadden een significante invloed op de ideeën van Karl Marx en Friedrich Engels, die het regime in Parijs beschreven als het eerste voorbeeld van de dictatuur van het proletariaat. Frankrijk accepteerde het verlies van de Elzas. Maar er was nu wel een sterk anti-Duitse houding in Frankrijk ontstaan. De Fransen werden nationalistischer dan ooit. Waar op muziekgebied daarvoor de muziek van Beethoven en Wagner in hoog aanzien stonden, koos men nu bewust voor de muziek van bijvoorbeeld Debussy. Bismarck had eerst weinig geldelijke betalingen aan Frankrijk willen opleggen. Zijn belangrijkste doel, het verenigen van de Duitse staten tot een groot Duitsland was voor hem al genoeg. Maar zijn achterban eiste meer. Naast de annexatie van de Elzas eiste ze ook het betalen van een grote oorlogsschuld. Immers Frankrijk was de oorlog begonnen. En zo geschiedde ook. Beide beslissingen speelden een rol bij het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog van 1914-1918 en maakten dat Frankrijk na afloop van die oorlog vergelijkbare eisen aan Duitsland stelde. De Elzas ging weer terug naar Frankrijk en Duitsland moest herstelbetalingen doen. En deze dingen speelden vervolgens een rol bij het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog….

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , | Plaats een reactie

De mooiste klassieke muziek: de derde symfonie van Camille Saint-Saëns

Sinds afgelopen vrijdag vindt mijn oudste kleinzoon Gijs van 12 jaar het laatste deel uit de derde symfonie van Saint-Saëns de mooiste klassieke muziek die hij kent. We waren bij een concert in de Doelen met dat stuk op het repertoire. Waar zou dat stuk trouwens staan op de lijst van mooiste klassieke muziek van NPO-klassiek? Op zich kent hij het stuk al jaren. Toen hij nog orgel speelde kwam het regelmatig voor dat hij het stuk bij mij thuis op mijn Hauptwerk-Sweelinq orgel speelde. Dankzij ook de bewerking van Jonathan Scott die hij op Youtube hoorde, waarbij het hele stuk voor uitsluitend orgel was gearrangeerd. Ik heb er in de loop van de jaren meerdere opnamen van gemaakt. De eerste van die opnames is van maart 2022 toen Gijs nog pas 8 jaar was en 1,5 jaar op orgelles zat. Je hoort hoe hij de orgelpartij speelt en de orkestpartij zingt.

Aan het einde van dit artikel kun je nog meer opnamen van het orgelspel van Gijs van eerdere jaren zien en horen. Tot slot hoor je een voor de radio geregistreerde opname van het concert dat wij bijwoonden. Maar nu eerst iets meer over de componist zelf. De volgende informatie is grotendeels ontleend aan Wikipedia.

Van Saint-Saëns kende ik zelf niet zoveel muziek. Natuurlijk de “Danse Macarabe” en het “Carnaval des Animeaux”. Enkele van de klassieke krakers waarmee muziekdocenten proberen om hun leerlingen warm te maken voor klassieke muziek. Ook hoorde ik enkele jaren geleden live een pianoconcert van hem. Dus ik vond het tijd om me wat meer in hem te verdiepen. Hij werd geboren in Parijs als enig kind op 9 oktober 1835. Zijn vader, financieel medewerker van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, stierf nog geen drie maanden na Camilles geboorte aan tuberculose. Zijn moeder en zijn oudtante Charlotte Masson bekommerden zich om zijn opvoeding. Saint-Saëns groeide op in een stimulerende sfeer. Door zijn oudtante kwam hij in aanraking met literatuur en muziek. Ze gaf hem zijn eerste pianolessen. Met nog geen vier jaar schreef hij zijn eerste muziekstukjes. Op zevenjarige leeftijd werd hij ingeschreven voor piano- en orgelles. Het eerste optreden van Saint-Saëns vond plaats in de Salle Pleyel te Parijs in het jaar 1846. Daarbij verbijsterde hij het publiek door het te laten kiezen welke van de 32 pianosonates van Beethoven hij zou spelen. Ongelooflijk, een jongen van 11 jaar die alle pianosonates van Beethoven kan spelen! Ga er maar aan staan, met name aan de Hammerklaviersonate.. Hij kon ook al op zijn zevende Latijn lezen en toonde hij vroeg een grote interesse voor natuurwetenschappen, geologie, archeologie, botanie en astronomie. Op de leeftijd van dertien jaar werd hij aangenomen op het Conservatorium van Parijs. Kortom: hij was een wonderkind.

Begin jaren 50 (van de 19e eeuw), toen hij nog op het Conservatorium studeerde, ontmoette Saint-Saëns voor het eerst Franz Liszt. Er ontstond een hechte vriendschappelijke band tussen hen. Liszt zou een grote invloed hebben op Saint-Saëns’, zowel op zijn componeren als ook pianospelen; hij kreeg de bijnaam ‘Franse Liszt’. Via Liszt raakte Saint-Saëns ook vertrouwd met de idealen van de Duitse romantiek. Hij werd de eerste belangrijke Franse pleitbezorger van de kunst van Richard Wagner, schoonzoon van Liszt.

In 1861 werd hij op zijn zes en twintigste aangesteld als leraar piano aan de École Niedermeyer de Paris. Hij bleef dit vier jaar doen. Toen hij daar gestopt was voelde hij zich echt vrij. Hij componeerde maar liefst twaalf uur per dag. In die tijd raakte hij goed bevriend met zijn leerling Gabriel Fauré. De Duitse muziek begon in de 19e eeuw een steeds grotere opmars in Frankrijk te maken, maar ook bij Saint-Saëns ontstond weerzin hiertegen. Aanleiding was de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871. Zo werd hij een van de oprichters van de Société Nationale de Musique, die zich bezighield met het bevorderen van de Franse muziek en het bieden van een podium aan beginnende Franse componisten, voor wie het concerten organiseerde. Tijdens het beleg van Parijs kwam een groep musici bij elkaar en richtte deze vereniging op. Aanvankelijk mochten alleen geboren Fransen lid zijn, later werd die eis afgezwakt. Veel premières van Franse muziek vonden plaats op initiatief van deze vereniging.

In 1875 trad de bijna 40-jarige Saint-Saëns in het huwelijk met de toen 19-jarige Marie Truffot. Het huwelijk mislukte, waarschijnlijk ook door de dood van hun beide kinderen. De tweejarige André viel uit het raam van de derde verdieping van hun woning en zijn broertje Jean overleefde een kinderziekte niet. Deze twee enorme tegenslagen gebeurden in anderhalve maand tijd. Saint-Saëns gaf zijn vrouw de schuld van de dood van zijn zonen en onmiddellijk daarna, in 1878 scheidde het echtpaar van elkaar. Daarna vond Saint-Saëns alleen nog plezier in verre reizen. De tijd van de grote concerttournees brak aan. Hij ging graag naar Algerije en Egypte. Deze reizen beïnvloedden hem bij nieuwe composities als de Suite Algérienne en zijn Vijfde “Egyptische” pianoconcert. Op de Canarische eilanden verbleef de componist enkele jaren geheel incognito. In november 1875 werd Saint-Saëns uitgenodigd door de Russische Muziekvereniging op tournee naar Sint-Petersburg. Hij presenteerde zijn werken en dirigeerde (« met vuur », volgens de criticus) de Danse macabre. Samen met Anton Rubinstein speelde hij op twee piano’s zijn variaties op thema’s van Beethoven. In het begin van de jaren 1880 werd Saint-Saëns als genie erkend: in 1881 werd hij verkozen tot lid van de Académie des beaux-arts (hij zou tot 625 zittingen bijwonen en in 1884 werd hij bevorderd tot commandeur in de Légion d’honneur. Uiteindelijk had Saint-Saëns alle Europese landen, Rusland, de Verenigde Staten en Zuid-Amerika bezocht. Hij was inmiddels wereldberoemd en stond tussen 1890 en 1910 op het toppunt van zijn roem; hij werd beschouwd als de nestor van de Franse muziek, werd overal bejubeld als pianist, als organist, als componist en als musicoloog. In Uruguay componeerde hij een hymne die zeer populair werd in dat land. Ook in het Verenigd Koninkrijk was hij populair. Hij trad bijvoorbeeld op voor koningin Victoria en schreef een lofzang ter gelegenheid van de kroning van Edward VII in 1901, waarvoor hij de Royal Victorian Order kreeg. Ook ontving de componist in 1893 een eredoctoraat van de Universiteit van Cambridge.

In 1886 componeerde hij twee hoofdwerken: de Symfonie nr. 3 met orgel en het Carnaval des Animaux. De derde symfonie is het symbool van het gigantisme dat in die tijd in trek was (in 1889 wordt de Eiffeltoren gebouwd): de introductie van een orgel in een symfonie geeft het werk een nieuwe dimensie. Saint-Saëns was trots op het werk en beschouwde het als een van zijn beste composities. Het Carnaval des Animaux is gecomponeerd als een gelegenheidswerk voor de cellist Leduc, die bij hem thuis concerten organiseerde. Saint-Saëns vond het niet de moeite van publiceren waard en verbood de uitvoering ervan tijdens zijn leven. Alleen het deel getiteld Le Cygne (de zwaan) werd vrijgesteld van dit verbod en zou een “hit” worden voor cello en piano.

Er was een soort rivaliteit met Debussy. Verbeten en overtuigd van de waarde van zijn eigen werk deed hij er alles aan om het de moderne nieuwlichter Debussy moeilijk te maken. Steeds meer mensen in Frankrijk zagen zijn werk als ouderwets. Een uiterst succesvolle tournee door de Verenigde Staten verhoogde zijn aanzien in zijn thuisland niet. Hij stierf eind 1921 plotseling aan een hartstilstand tijdens zijn jaarlijkse overwintering in Algiers. Hij kreeg een staatsbegrafenis in de Madeleine in Parijs en werd bijgezet in het familiegraf op het Cimetière du Montparnasse.

Maar nu terug naar de lievelingsmuziek van mijn kleinzoon, het laatste deel van de derde symfonie. Saint-Saëns zelf noemde het een “Symphonie avec orgue” . Het orgel speelt alleen mee in het tweede en vierde deel van de symfonie, het adagiodeel en het maestoso deel. Hij schreef de symfonie in opdracht van de Royal Philharmonic Society in Londen ter gelegenheid van hun 73e seizoen. Hij droeg het werk op aan zijn net overleden goede vriend Franz Liszt. Het thema dat door de gehele symfonie heen klinkt en vooral in het laatste deel breed naar voren komt (E-D-E-C-D-E-G-A-G), is afgeleid van het in kleine terts geschreven Dies Irae, Dies Illa (Es-D-Es-C-D-Bes-C-C) uit de rooms-katholieke dodenmis. Bij Saint-Saëns staat het in majeur. De symfonie is geschreven voor een orkestbezetting maar naast het orgel wordt er ook gebruik gemaakt van een piano. Wij zaten in de Doelen van Rotterdam, op de tribune, helemaal in het midden en in de hoogste rij. Je kon het geheel goed zien, maar de grote zaal is toch echt wel erg groot, voor details had je een kijker nodig. Desondanks ontwaardden we bij de cellisten de aanwezigheid van een oom van mijn kleinzoon, de broer van zijn vader. Mijzelf viel nu meer dan ooit op hoe Saint-Saëns een briljant orkestrator was. En hoe hij met veel fantasie met zijn thema’s speelde, die steeds weer een beetjes anders klonken. Verder viel mij op hoe hij meer dan ik eerder dacht ook een lyrisch componist was, hij kon melodieën op een heel natuurlijke manier in elkaar laten overgaan. Kortom, ik zat net als mijn kleinzoon te genieten. Ik las dat Ravel altijd een partituur van een van de pianoconcerten van Saint-Saëns bij zich had en deze bestudeerde om te leren van diens orkestratietechnieken. Nou, als er iemand is die goed kon orkestreren dan was het wel Ravel! En hij heeft dus waarschijnlijk veel geleerd van Saint-Saëns. Waar Gijs en ik ook benieuwd naar waren was de organist: Cameron Carpenter. Ik zag hem voor het eerst in mei 2015 in Barcelona tijdens een excursie met studenten van het Conservatorium. Hij heeft een waanzinnig goede pedaaltechniek. Verder viel hij in die tijd op door zijn uiterlijk, heel modieuze schoenen (die hij zelf maakt) en een hanenkam. Tegenwoordig ziet hij er wat minder opvallend uit en zijn aandeel in deze symfonie is alles bij elkaar bescheiden, zeker als je dat vergelijkt met zijn vaak virtuoze soloconcerten. Zoek hem maar eens op Youtube op. Ik zou hem nog wel nog wel weer een keer live in zo’n soloconcert willen horen en zien. Hij heeft in de Coronatijd in Berlijn een eigen concertorgel laten bouwen dat hij bij tournees meeneemt. Mijn kleinzoon Gijs heeft vaak op Youtube naar zijn uitvoeringen geluisterd en zijn stijl probeerde hij soms te imiteren. Zoals hier, in 2022 toen hij bijna 9 jaar oud was:

Een klein jaar later speelde Gijs de Danse Macabre, een ander stuk van Saint-Saëns:

Enkele weken daarna was hij op een familiefeest in de Ardennen waar ook zijn cello spelende oom bij was. Gijs had zijn keyboard bij zich. De ruimte was zodanig dat hij met wat fantasie daar een concertzaal van kon maken met in de bak het orkest (zijn oom) en hoog daarboven het orgel (Gijs). Hier kon je perfect de derde symfonie van Saint-Saëns spelen. Zijn oom kende het stuk niet maar Gijs kon  het hem wel leren… Enthousiast ging het duo aan de slag..

Zoals gezegd hoorden we het nu eindelijk eens een keer live en wel afgelopen vrijdag in de Doelen van Rotterdam.

Luister naar het Maestoso uit de derde symfonie van Camille Saint-Saëns, gespeeld door het Rotterdams Philharmonisch orkest met Cameron Carpenter achter het Doelenorgel. Als je goed luistert snap je misschien waarom dit stuk het lievelingsstuk is van Gijs!

Geplaatst in kleinzoon, muziek | Tags: , , , | 1 reactie

La Venue de l’Avenir

De titel, “de komst van de toekomst”, zet je gelijk aan het denken. Toekomst komt er altijd aan, maar zie je die ook aankomen? Ja, mensen verwachten dat het gaat regenen, of dat de economie in elkaar gaat storten, of ze denken dat er een oorlog zit aan te komen. Dat soort verwijzingen zit er ook in deze film, zoals een boer op een kar die verzucht dat alles steeds maar sneller gaat. Maar meer nog zie je in deze film een verweving van het verleden met het heden. Sommige hoofdpersonen leven  rond 1900 en sommige leven in het heden. Voortdurend zie je het Parijs van ruim een eeuw geleden overgaan in het Parijs van nu, iets dat met de moderne filmtechnieken heel makkelijk kan.

Deze film van Cédric Klapisch is een jaar geleden in première gegaan op het filmfestival van Cannes. Hoewel Adèle, een 21-jarige vrouw die rond 1900 leefde, misschien de belangrijkste hoofdpersoon is, zijn het toch ook vier van de mensen van nu die mij erg zijn bijgebleven, je ziet hoe hun karakters zich ontwikkelen en hoe ze door de omstandigheden over dingen anders gaan denken. Er is ook romantiek, ik heb zelfs enkele keren een traantje weggepinkt. Maar deze romantiek is niet zoet en het ligt er allemaal niet al te dik boven op. Ook is er humor. En wat ik persoonlijk erg leuk vond: het tijdsbeeld, de schilderkunst (Monet!), de muziek van Debussy, het leven in de kroegen van Parijs, het straatbeeld met de grote paardenbus (zie afbeelding) enz. En er is een speurtocht vanuit het heden naar het verleden, steeds meer dingen komen de hoofdpersonen van nu tegen en steeds meer verbanden worden er gelegd met het verleden. Een heerlijke film. Tot en met de lange aftiteling bleef ik aan mijn stoel gekluisterd.

Geplaatst in Film, Geschiedenis, kunst | Tags: , , , | Plaats een reactie

Hathor

In de  vroege Egyptische cultuur was er een godin die als de moeder van alle moeders werd beschouwd. Zij heette Hathor. Het moederlichaam was in deze cultuur als een vat en werd beschouwd als alles omvattend. In de latere Egyptische cultuur werd Hathor gelijkgesteld met de moedergodin Isis. Beide godinnen waren sterk verbonden met de Nijldelta. Op Mainzer Beobachter, de blogsite van de historicus Jona Lendering, lezen we: Van alle antieke godheden is Hathor een van de bekendere. De kunstenaars van Egypte en Nubië, waar de cultus begon, beeldden haar regelmatig af als koe, vaak ook als een vrouw met een koeienkop, en ook wel als een volledig mens met op haar hoofd een zonneschijf, ingeklemd tussen koeienhoorns. Het waren allemaal aardse weergaven van Hathor, die onder meer werd vereerd als de hemelkoe. In het antieke wereldbeeld rustte de hemel op vier pilaren, die men in Egypte beschouwde als koeienpoten. De zon, maan en sterren voeren over Hathors buik. De hemelheerseres hield zo het universum bijeen en observeerde het. Ze was tevens de moeder die de schepping voedde. Dit maakte haar tot beschermgodin van alle leven, liefde en vruchtbaarheid.”

Hier zien we haar op een afbeelding in het Rijksmuseum van oudheden in Leiden.

In den Haag is er een eetcafé met de naam Hathor.  Café Hathor is een echt begrip in de Haagsche kringen. Het is een gezellig bruin café waarvan het terras en de terrasboot aan de Maliegracht direct in het oog springen. De Maliegracht is een deel van de gracht dat uitkomt op het Smidswater. Titus Meeuws, de kunstenaar die zijn atelier in Den Haag heeft en zijn galerie in Schoonhoven, heeft een mooi schilderij gemaakt van café Hathor. Mijn vrouw herkende het omdat zij er wel eens met haar zus gezeten heeft, aan dat mooie terras. Toen ze zes weken was opgenomen in het Haga ziekenhuis zag ze daar enkele schilderijen die er goed tot hun recht kwamen. De patiënten op de afdeling Hematologie waar ook zij lag konden binnen hun beperkte bewegingsruimte over de gangen lopen waar die schilderijen hingen. Even was het kantje boord met de gezondheid van mijn vrouw maar dankzij de zeer bijzondere en kordate aanpak van het team en vooral ook van de verpleging kwam ze er boven op.  Idee! Zou het geen goed idee als dat schilderij van Titus Meeuws daar zou hangen!  Het was een plek waar je even kon zitten, alleen of met iemand die bij je op bezoek was. Het afdelingshoofd vond het een mooi plan en inmiddels hangt het gekozen schilderij op deze prachtige plek. Als je Den Haag kent, en op de bewuste afdeling wordt verpleegd, kun je denken aan de tijd dat je in de toekomst wellicht weer een keer aan dat prachtige terras kunt zitten.

Mijn vrouw is nog steeds in behandeling, inmiddels in het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam dat vanuit onze woonplaats beter bereikbaar is. Ook daar krijgt ze een heel goede verzorging. Maar we denken met veel warmte terug aan de tijd dat ze in het Haga ziekenhuis in den Haag lag. Vandaag waren we er even en ik maakte enkele foto’s.

In den Haag heb je de  Nieuwe Uitleg, een rechthoekig eiland dat omringd wordt door het Smidswater, de Maliegracht, de Prinsessegracht en de Gietkom. Zou je dat eiland kunnen beschouwen als de koe, de omringende grachten zoals de Maliegracht als koeienpoten? Dan zie ik zo een verklaring voor de naam “Hathor” in Den Haag. Maar het zal vast wel iets heel anders zijn… Zoals Hathor als moedergodin de Egyptenaren beschermde, laat zo het door ons gekochte schilderij de patiënten in het Haga ziekenhuis in ieder geval blij maken. En ook: Hathor was de beschermgodin van alle leven en liefde. Dat heb je als patiënt nodig.

Zie ook: https://www.titusmeeuws.com/

Geplaatst in kunst, maatschappij | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Sterrenstof

Foto: Laurien Riha

Margot Brouwer kwam tot een levenfilosofie die troost biedt, aldus het uitgebreide interview met deze sterrenkundige in de Volkskrant van zaterdag 9 augustus 2025. En de aanzet tot die filosofie werd haar gegeven door Spinoza. In de 17e eeuw werd Spinoza’s Godsbeeld gezien als godslasterlijk en ketters. Waar de meeste mensen God zagen als een schepper die buiten de wereld staat en invloed uitoefent, identificeerde Spinoza God met de natuur zelf. Zijn bekendste uitspraak is “Deus sive Natura”, wat betekent “God oftewel de Natuur”. Voor Spinoza zijn God en de Natuur twee namen voor iets dat alles omvat en waaruit alles voortkomt. Spinoza’s God is niet een wezen met menselijke eigenschappen zoals wil, emoties, of de intentie om te straffen of te belonen. Volgens Spinoza is alles wat bestaat een verschijningsvorm van God. Zowel de stoffelijke wereld als de gedachtewereld  zijn uitdrukkingen van dezelfde goddelijke substantie. Door God en Natuur gelijk te stellen, haalde hij God van zijn troon en maakte hij elk religieus dogma of bovennatuurlijke verklaring overbodig. Hij werd hiervoor uit de Joodse gemeenschap geëxcommuniceerd en zijn werk, de Ethica, werd pas na zijn dood anoniem gepubliceerd om vervolging te voorkomen. Spinoza’s Godsbeeld betekende een radicale breuk met het traditionele theïsme en legde de basis voor een rationele, naturalistische visie op de wereld die de weg vrijmaakte voor de Verlichting.

Deze denkbeelden wist Margot Brouwer te mengen met de nieuwste inzichten die ze haalde uit de sterrenkunde. Als kind was ze heel erg bang voor de dood. Opgegroeid als kind van Christelijke ouders zag ze God als iemand die iedereen in de gaten hield en met iedereen kon doen wat hij wilde. Tijdens haar studie ontmoette ze veel atheïsten die haar aan het denken zette. Einstein zette het idee van de universele klok die alsmaar doortikt op zijn kop. Tijd is bijvoorbeeld anders voor mensen die sneller bewegen of aan wie de zwaartekracht harder trekt. Tijd moet een dimensie zijn te vergelijken met de drie bekende dimensies van de ruimte. Ineens dacht ze: ‘er is een tijd waarin ik leef, net zoals er een ruimte is waarin ik leef. Ook is er een tijd waar ik niet ben, na mijn dood maar ook voor mijn geboorte. Omdat het hier en nu niet iets universeels is, namelijk een persoonlijke klok, bestaat er in zekere zin ook geen tijd waarin ik er niet meer ben. Stel dat ik morgen wakker wordt maar het is gisteren. Dat heb ik dan helemaal niet door. Misschien leef je helemaal niet in de volgorde van geboorte tot dood. Je zult het nooit weten omdat je brein op elke plek in de tijd jouw herinneringen keurig ordent in een lijn. Die gedachte vind ik heel geruststellend. Dat kleine plekje van tachtig jaar in de eeuwigheid dat mij bevat is deel van een oneindige tijd die zich om mij heen uitstrekt. En net zoals ik het niet beangstigend vind dat er een oneindige ruimte om mij heen is, vind ik die oneindige tijd ook niet langer eng.’ Over deze dingen schreef Margot Brouwer het boek “sterrenstof zijn wij”.

Deze gedachten probeer ik te ijken aan mijn eigen gedachten. De God van Spinoza is ook mijn God. Maar ervaringen als schoonheid, kunst en liefde zijn daar een belangrijk onderdeel van. Juist deze niet natuurkundige, niet te beredeneren dingen zijn een uiting van het wezen van het bestaan. Deze uiting zou ik willen associëren met wat ik goddelijk zou noemen. God is meer dan de natuur. Sommige muziek, zoals die van Bach en Mozart, zijn voor mij een poort naar het Goddelijke. Net als elke goede kunst. Mensen zijn in staat om die poort op een kiertje te zetten. Samen met de liefde van en voor de medemens bieden zij goddelijke troost. De gedachten van Margot Brouwer laten je vooral de nietigheid en relativiteit van het bestaan ervaren. Maar dat is voor mij niet genoeg. Ook een verschijnsel als bidden, iets dat voor religieuse mensen belangrijk is, ervaar ik als iets goddelijks. Helemaal in jezelf maak je contact met de medemens, waar hij ook is. Of met de medemens die er was. Je geeft je over aan het gevoel van niet alleen zijn en van liefde. De relativiteit van de sterrenstof mag er zijn maar is dan even niet meer van belang. Einstein heeft ons veel geleerd. Maar voor de echt wezenlijke dingen hebben we andere dingen nodig, zoals muziek.

Geplaatst in Astronomie, filosofie | Tags: , , , | 1 reactie

Bloemen in de berm van de Lekdijk

Vanaf het begin van de lente al is de Lekdijk een oase voor allerlei insecten. Een week of zes geleden is de berm gemaaid. Maar dan komen er al snel weer allerlei andere bloemen. Op dit moment, 27 juli 2025, zijn het vooral bijen en hommels die zich tegoed doen aan de nectar. Maar wat een verscheidenheid! Ik noem de namen van een aantal bloemen op: Wilde Peen, Walstro, Braam, vlakbij het water zie je Guldenroede en Springbalsemien, verder zie je Gele en Rode Pastinaak, Wikke, Marjolein, Rolklaver, Rode en Witte klaver, Biggenkruid, Luzerne en nog veel meer. Ik maakte op basis van een aantal foto’s een film en zette er achtergrondmuziek bij. Je hoort Lidy Blijdorp en Tobias Borsboom met een eigen arrangement van een stuk van George Enescu. Als muziekliefhebber moet ik hier wel naar luisteren, wat spelen ze prachtig en wat is het een schitterend stuk! De bloemen fungeren daarbij als achtergrond. Dat kan dus ook!

Geplaatst in natuur | Tags: , , , | 1 reactie

De natuur in en rond het Erasmus Ziekenhuis van Rotterdam

Het is niet fijn als je geliefde in het ziekenhuis ligt en je er daarom zelf ook vaak vertoeft. Maar het ene ziekenhuis is het andere niet. Het Erasmus ziekenhuis, vroeger heette het “Dijkzigt”, is een ziekenhuis waar ze er alles aan doen om je een ontspannen gevoel te geven. En dat doen ze vooral doordat er veel groen is in het ziekenhuis. Er zijn enkele binnentuinen en er zijn enkele grote terrassen met ook weer veel groen op de achtste verdieping van gebouw N (Ng). Er is vast nog meer, maar daar kom ik nooit. Ook is er veel kunst in het gebouw, je loopt er soms opvallend tegen aan of soms ook moet je het weten. Als je vanaf de hoofdingang naar binnen gaat via de brede trappen (of met de lift) kom je in een grote, lichte, ruime hal waar heel veel gemakkelijke stoelen en banken staan. Daar kun je wachten of je kunt er je brood eten. Vanuit de ingang aan de Zimmermanweg kun je zo je wilt in twee grote overdekte binnentuinen verblijven, met tropische planten en bomen. En ook daar zijn weer heel veel plekken waar je kunt zitten. Een van die tuinen grenst aan een restaurant, je kunt vanuit dat restaurant ook in de tuin eten. Ondanks het feit dat het ziekenhuis zo groot is (het is het grootste ziekenhuis van Nederland) is alles ruim. Bij mooi weer zijn de terrassen op de achtste verdieping ook heel weldadig, voor het personeel dat er de pauzes doorbrengt en voor patiënten die hun kamer mogen verlaten, al dan niet onder begeleiding. Via deze film op basis van foto’s krijg je een indruk. De achtergrondmuziek bestaat uit de vertolking van 2 preludes van Zaderatsky. Over deze bijzondere componist schreef ik trouwens eerder een artikel.

Vaak ben ik er de hele dag en soms ook de hele nacht. In het begin van de middag ga ik dan meestal een stukje wandelen. Je kunt naar de Nieuwe Binnenweg waar veel is te zien. Maar nog liever zoek ik ook dan de natuur op. Mijn meest geliefde stukje natuur in de buurt is de Historische tuin Schoonoord. Toen het Conservatorium nog op de Willem Buytenweg was (waar nu Jeugdtheater Hofplein is) kwam ik daar ook al vaak. Nog dichterbij is het Museumpark dat ook helemaal is gerenoveerd en dat goed wordt onderhouden. Sinds een aantal jaren staan daar ook iconische gebouwen zoals het Nieuwe Instituut en vooral natuurlijk het Depôt van Boijmans van Beuningen. Woensdag 16 juli maakte ik een aantal foto’s, op basis van die foto’s is onderstaand filmpje gebaseerd. Ook nu weer gebruikte ik de muziek van Zaderatsky als achtergrondmuziek.

Geplaatst in maatschappij, muziek | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Luigi Nono en Jesús López Pacheco, strijders tegen onrecht

Jesús López Pacheco (geboren 1930 in Madrid, overleden 6 April 1997 in Toronto.) woonde lang in Spanje waar hij zich actief tegen het Franco-regime keerde. In 1961 schreef hij een dichtbundel met als titel “Canciones del amor prohibido”, over de verschrikkingen van de atoombom. Een van die gedichten heeft  Luigi Nono, een Italiaanse geestverwant,  op muziek gezet voor sopraansolo.

Luigi Nono (1924–1990) studeerde aan het Conservatorium te Venetië, waar hij kennismaakte met de dodecafonie. (Hij huwde Schönbergs dochter Nuria in 1955). In toenemende mate verwierp hij de analytische benadering van het serialisme. Nono was socialist. In 1952 werd hij lid van de communistische partij.  Beroemd werd zijn Il canto sospeso (1956), gebaseerd op brieven van slachtoffers van de oorlog. In Rotterdam is op het conservatorium in 1979 “Como una ola de fuerza y luz” uitgevoerd, een werk voor sopraan, piano, orkest en geluidsband (1971-1972). Ook dat stuk, opgedragen aan een overleden Zuid-Amerikaanse vrijheidsstrijder, is een indringende aanklacht tegen onrecht. Ik heb het in dat jaar nog met een aantal studenten geanalyseerd.

Maar nu wil ik het hebben over een stuk op tekst van Jesús López Pacheco, dat in alle opzichten kleiner is: het is een stuk voor sopraansolo. En ook qua tijdsduur is het kleiner: het duurt minder dan 4 minuten. Maar het is buitengewoon indringend.

Esta noche

Quit ad me de los ojos 
esta niebla de siglos.
Quiero mirar las cosas
como un niño.
Es triste amanecer 
y ver todo lo mismo.
Esta noche de sangre, 
este fango infnito.
Ha de venír un dia, 
distinto.
Ha de venír la luz, 
creed me lo que os digo

Deze nacht

Haal weg van mijn ogen
deze eeuwige nevel
Ik wil de dingen kunnen zien
zoals een kind
Het is verdrietig
om ’s ochtends te zien
dat alles nog hetzelfde is gebleven
Deze nacht van bloed,
Deze eindeloze puinzooi.
Er moet een dag komen,
een andere als die van vandaag.
Het licht moet komen,
geloof me, wat ik zeg.

Ik stel me voor hoe een van de overlevenden van de atoombom vol  ongeloof en afgrijzen de stad ziet, het beeld probeert kwijt te raken door te gaan slapen maar alles is de volgende ochtend nog hetzelfde. “Geef me moed, beloof me dat de nevel wegtrekt, dat het licht wordt, dat het er ooit weer anders uitziet!” Luister naar deze prachtige uitvoering:

Esta Noche

Hiroshima en Nagasaki waren verschrikkelijk. Ook de brandbommen op Dresden waren ongelooflijk wreed. Zo kun je een tijdje doorgaan met opsommen. En in deze tijd.. Ik zal het maar niet benoemen waar ik allemaal aan denk. Terwijl bij het zien van de afschuwelijke beelden in deze tijd ons het huilen vaak nader staat dan het lachen is het luisteren naar deze muziek, voor mij althans, toch heel troostrijk. Bij deze ellende maar ook bij persoonlijke ellende is er altijd nog muziek die helpt.
Andere troostrijke muziek waar ik over schreef:

De orgelsonate van Julius Reubke
Veel kerkcantates van Bach
De Basler Psalmen van Daan Manneke

Geplaatst in Geschiedenis, maatschappij, muziek | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Huilen om Vrede

Bij het radioprogramma “Tussen Hemel en Aarde” werden vanochtend enkele stukken gedraaid die geschreven waren rond het thema “vrede”. Heel veel componisten hebben in de loop der tijd muziek geschreven die bedoeld was om een vrede te vieren, zoals Händel die een cantate schreef om de vrede van Utrecht in 1715 te vieren. Zo zijn er tientallen stukken gemaakt. Maar ook zijn er stukken gemaakt die bedoeld zijn om vrede af te smeken, niet te vieren. Een van de meest indrukwekkende is de smeekbede om vrede van Franciscus van Assisi die door Sofia Gubaidulina op muziek is gezet en waar ik eerder over schreef.

Ook de hedendaagse componist Daan Manneke heeft zich er mee bezig gehouden, zoals in het “Konzert für Sopran” uit de Basler psalmen. Daan Manneke componeerde het in 2019 in opdracht voor het 1000-jarige bestaan van de Münster van Basel. Het werd ter gelegenheid van dat bestaan ook in Basel uitgevoerd. Samen met nog een aantal indrukwekkende stukken trouwens. Maar dus ook het stuk van Daan Manneke.

Het begint met de vredesklacht van Erasmus:

Vix ulla tam iniqua pax, quin bello vel aequissimo sit potior. Pax optima rerum, quas natura hominid edit:

zelfs de meest nadelige vrede is te prefereren boven welke zogenaamd rechtvaardige oorlog dan ook.

Dan psalm 65 in het Duits en Frans:

Man betet, Herr, in Zions Stille
zu deiner Macht und Huld;
da zahlt man dir der Opfer Fülle
und der Gelübde Schuld.
Da hörest du das Flehn und Beten,
der Deinen, grosser Gott;
darum kommt alles Fleisch getreten
vor dich in seiner Not.

O Dieu la gloire, qui t’ est deuë,
T’attend dedans Sion:
En ce lieu te sera rendue
De voeux oblation.
Et d’ autant que la voix entendre
Des tiens il te plaira,
Tout droit à toy se venir rendre
Toutes gents on verra.

In de stilte van Sion bidt men tot u Heer en brengt men u hulde. Al de offers die u zich heeft getroost worden u terugbetaald. Daar kunt u het smeken en bidden horen van alle stervelingen die u tegemoet treden.

Ik heb voor het verdere begrip de tekst met de vertaling aan de geluidsopname toegevoegd. Het stuk begint met de woorden “Lamento pacis”, wat ik vertaal met, “klaagzang voor vrede”, of huilen om vrede.  Dit in een een vocalise met als titel “Stille, Silence”. De twee woorden voor “Stilte”, de eerste in het Duits, de tweede in het Frans. Deze twee talen staan hier wellicht voor de huidige samenwerking die er is tussen Duitsland en Frankrijk om in Europa de vrede te bewaren en te versterken. Dat is in het verleden wel eens anders geweest. Maar Basel is tegelijk een tweetalige stad, Frans en Duits zijn de talen die ook bij zo’n herdenkingsconcert logisch zijn.

Maar eerst wordt er dus een Latijnse tekst van Erasmus gezongen, Erasmus de Europese inspirator voor vrede. Hij zegt: vrede is vrijwel altijd te verkiezen boven een zogenaamde rechtvaardige oorlog. Zou deze wijsheid nu eens wereldwijd overgenomencworden! De vredestichter, in een stad die door zijn tweetaligheid zoals gezegd de eenheid van Europa symboliseert, en de stad waar hij ook begraven is.

Dit stuk werd gisteren uitgevoerd door Nanette Mans, sopraan en Gerben Budding, kerkorgel. Ik was er met mijn oudste kleinzoon van 12 jaar bij en heb er een amateuropname van gemaakt die mijns inziens desondanks een goed beeld geeft van de muziek. Gerben Budding maakte bij zijn inleidende praatje de toehoorders attent op het subtiele maar opvallende gebruik van hoge tongwerken, iets wat Daan Manneke vaker doet. Mijn kleinzoon genoot van de verschillende speeltechnieken van Gerben Budding en de virtuoze glissandi van Nanette Mans. Mij viel het tekstgebruik van Daan Manneke op: hij doet dingen die je niet verwacht. Bij een woord als “Stille” gaat hij heel erg de hoogte in en er wordt tegelijk fortissimo gezongen. De tekst lijkt zo enigszins los te staan van de muziek. Desondanks vind ik het persoonlijk goed werken. Mijn kleinzoon kon het niet nalaten om tussendoor dingen te zeggen die hem opvielen of hij vroeg aan mij waar Nanette was met de tekst. Jeugdig enthousiasme zullen we maar zeggen! Het is wel een stuk waar je echt voor moet gaan zitten!

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , , , , | Plaats een reactie

De geschiedenis van het orgel van Cavaillé-Coll in de Philharmonie van Haarlem

Dit artikel had ook een heel andere naam kunnen hebben. Het gaat namelijk voor een groot deel over een verdwenen gebouw in Amsterdam. In 1929 brandde daar een gebouw af dat toen voor Nederlandse begrippen spectaculair was: Het “Paleis voor Volksvlijt”.

Het was bijzonder door zijn bouw, maar ook vanwege zijn functie. Een van de idealistische gedachtes die er achter zat was het verheffen van het volk, iedereen moest in aanraking kunnen komen met allerlei vormen van kunst: muziek, toneel, dans. Daarnaast ging het om het promoten van nijverheid, handel en industrie. Maar omdat in dat gebouw ook een bijzonder orgel werd geplaatst bezit Nederland op dit moment een groot orgel van de meest beroemde orgelbouwer uit die tijd: Cavaillé-Coll. Nu staat dat in Haarlem. Er zijn er nog een paar, maar die zijn allemaal een stuk kleiner. Ik wilde meer weten over dat orgel en ging op zoek. Op internet vond ik een academisch proefschrift, getiteld “Cavaillé-Coll en Nederland” uit 2008, geschreven door René Verwer. Dit proefschrift kun je integraal teruglezen. Ik heb dankbaar gebruik gemaakt van delen hier uit om in beknopte mate iets te kunnen vertellen over dit Cavaillé-Coll-orgel, dat tegenwoordig staat in de Philharmonie van Haarlem en waar herhaaldelijk concerten op plaats vinden. Het wordt ook gebruikt bij het beroemde orgelconcours van Haarlem naast het beroemde orgel van de St. Bavokerk.

Terug naar het “Paleis voor Volksvlijt”, de oorspronkelijke standplaats van het orgel. De grote promotor van dat paleis was de Amsterdamse arts Samuel Sarphati (1813-1866) Er was in heel Nederland en vooral ook in de steden grote armoede en er waren slechte hygiënische omstandigheden. Als huisarts werd hij hier dagelijks mee geconfronteerd. Maar ook op ander gebied wilde hij Nederland vooruit helpen. Na een bezoek aan de “Great Exhibition” in Engeland, de eerste wereldtentoonstelling in 1851, rees bij Sarphati het verlangen om in Amsterdam een soortgelijk evenement te organiseren, om zo de Nederlandse achterstand op het gebied van industrie, landbouw en handel te verkleinen. Met de Delftse hoogleraar Salomon Abraham Bleekrode, die hem in Londen had vergezeld, en de bankier Abraham Carel Wertheim (1832-1897), richtte hij een jaar later “de Vereeniging van Volksvlijt” op. De architect Cornelis Outshoorn (1812-1875) werd na diverse intekeningen om financieel bij te dragen opgedragen een gebouw te ontwerpen in de geest van het “Crystal Palace in Sydenham” en het Parijse “Palais de l’Industrie”. Het Paleis voor Volksvlijt, dat zo tussen 1859 en 1864 verrees, was voor Nederlandse begrippen een noviteit. Het Paleis was een technisch hoogstandje met veel glas en metaal. Sarphati sprak over ‘een Paleis, dat, voor de volksvlijt gebouwd, het volksgeluk zal bevorderen en verspreiden en een nieuw tijdvak van ontwikkeling en vooruitgang, van zegen en voorspoed openen voor geheel het Vaderland’. Op 16 augustus 1864 vond de feestelijke opening plaats door Prins Frederik, broer van Koning Willem II. Leden van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst en het Amstels Mannenkoor onder leiding van Johannes Verhulst voerden Webers Jubelouverture, het Halleluia van Händel en de Lobgesang Cantate op. 52 van Mendelssohn uit. Zeven à achtduizend genodigden, voor een groot deel aandeelhouders, woonden de festiviteiten bij. Het was Sarphati’s streven dat het Paleis zou worden gebruikt voor tentoonstellingen op het vlak van industrie, nijverheid en land- en tuinbouw, maar ook voor kunstmanifestaties van diverse aard. Inderdaad vonden er tal van exposities plaats, zoals van voorwerpen voor de huishouding en ‘het bedrijf van den handwerksman’, bloemen en planten, honden, fotografie, schilderijen, poppen, meubels en ballonvaart. Ook werden in het Paleis de eerste rijwiel- en automobieltentoonstellingen (RAI) georganiseerd. In 1898 kon men er de gouden koets, gebruikt bij de inhuldiging van Koningin Wilhelmina, bewonderen. Op muzikaal terrein waren er tal van opera-, operette- en balletuitvoeringen. Met Fidelio kwam in 1871 de eerste opera in het Paleis ten uitvoer. Vanaf 1890 werd de oostelijke vleugel van het Paleis als schouwburg ingericht. De westelijke aan de Weteringschanszijde handhaafde men als concertzaal.

Een jaar na de opening van het Paleis voor Volksvlijt had Sarphati een beroepsorkest weten te formeren. In de Amsterdamsche Courant van 16 maart 1865 riep de directie beroepsmusici op om te solliciteren naar een te formeren Paleisorkest. Na enkele maanden als harmonie-ensemble te hebben gefunctioneerd, kon op 20 augustus 1865 het volledige Paleisorkest, bestaande uit 65 musici, zich presenteren. Maar men wilde nog meer: ‘wat wij verder wenschen voor het Paleis is, dat in 1875 in zijne muren het 600- jarig bestaan dezer stad moge worden gevierd, als eene hulde van het Amsterdam der toekomst aan het Amsterdam van voorheen. Dat dan een krachtig en welluidend orgel het Paleis versiere en met zijn majestueuse toonen kleur en leven bijzette aan de vertolking der meesterstukken van de groote componisten, opdat de invloed steeds krachtiger worde van de grootsche en bezielende muziek op de luisterende menigte!’ In augustus 1874 werd de eerste stap gezet ter vervulling van deze wens. De aanschaf van een orgel bood de mogelijkheid om het repertoire van het Paleisorkest te verbreden. Er werden meerdere orgelbouwers benaderd, uiteindelijk koos men voor Cavaillé-Coll. Die had op dat moment toevallig een demonstratieorgel in het atelier. Oorspronkelijk was het bedoeld voor het Parijse “Palais de l’Industrie”. Het had ook nog in het “Palais du Trocadéro” terecht kunnen komen, dat 5 jaar later werd gebouwd als onderdeel van de wereldtentoonstelling. Ook daar kwam uiteindelijk een orgel van Cavaillé-Coll terecht welk nu overigens in Lyon staat. (Zie mijn artikel over een stuk van Franck). Maar dat was toen nog niet aan de orde, gelukkig voor Nederland! Omdat de pogingen om het atelierorgel in het Palais de l’Industrie onder te brengen hadden gefaald, was het dus beschikbaar voor Amsterdam dat snel een mooi en groot instrument wilde. Het nieuwe instrument moest namelijk al vóór 27 oktober van hetzelfde jaar worden opgeleverd. Op die dag zou Amsterdam het feit herdenken, dat graaf Floris V zeshonderd jaar eerder aan ‘de lieden wonende te Amestelledamme’ het privilege van tolvrijheid had verleend, waarmee Amsterdam feitelijk stadsrechten had verworven. Op 21 januari stuurde Cavaillé-Coll bestek en tekening van het beschikbare “orgue de tribune” aan de directie. Hangende de besluitvorming over de aanschaf van het orgel werd spoedig onderzoek verricht naar de verbetering van de akoestiek van het Paleis. De constructie van het gebouw, als tentoonstellingsruimte en nu eenmaal niet als concertzaal opgezet, veroorzaakte verwarrende echo’s, met een ondoorzichtige orkestklank als resultaat. In Engeland had men al geconstateerd dat gewelfde constructies in concertzalen menigmaal een diffuse akoestiek opleverden (Londen, Exeter Hall, Saint George’s Hall te Liverpool en Leeds Town Hall). Ook het glazen, koepelvormige plafond van de immense Royal Albert Hall te Londen veroorzaakte een sterke verstrooiing van het geluid. De concertzalen in Birmingham, Bradford en – op advies van Cavaillé-Coll – Sheffield waren van platte plafonds met afgeronde of afgevlakte hoeken voorzien, waardoor de nagalm sterk werd gereduceerd. Men zocht wegen om de akoestiek van grote ruimtes te optimaliseren. In Saint Fin Barre’s Cathedral te Cork (Ierland, gebouwd 1865-1870) waren daartoe in 1873 proeven genomen met het spannen van een netwerk van katoenen draden in de hogere gedeelten van de ruimte, een methode die in de Londense Albert Hall enkele jaren na de bouw eveneens werd toegepast. Hierdoor werd de nagalm aanzienlijk gereduceerd. Op 11 februari 1875 werd deze methode ook in het Paleis met succes aangewend. Nog voordat het aanbrengen van de draden was afgerond merkte het Paleisorkest al een akoestische verbetering: vooral strijkinstrumenten hadden er baat bij omdat de overgang van forte- naar pianoklanken door het uitblijven van de hinderlijke nagalm duidelijker waarneembaar werd. Om het hinderlijk geschuifel van bedienend personeel en bezoekers tijdens concerten te dempen, werden in de gangpaden matten van kokos of zachte stof gelegd. Ook bracht men een groot klankbord boven het orgel aan, waardoor het geluid direct de zaal in werd geleid.

Het orgel werd ingewijd door de beroemde Franse organist en componist Alexandre Guilmant op 26 oktober 1875. Voor de wekelijkse bespelingen op zondagmiddag werd een ‘Vereeniging tot Bevordering van de Orgelmuziek’ opgericht, die op 23 maart 1876 een Nationaal Orgelconcours organiseerde. In het begin was Jos. A. Verheijen de vaste bespeler, maar in 1879 werd de uit Brussel afkomstige Jean-Baptiste de Pauw als paleisorganist benoemd. Vooraanstaande Franse en Belgische organisten kwamen concerten geven, onder wie Alphonse Mailly in 1876, Camille Saint-Saëns in 1876 en 1897, Charles-Marie Widor in 1886 en Louis Vierne in 1895.

Toen het paleis in 1916-1917 gebruikt werd voor mobilisatie in verband met de Eerste Wereldoorlog, werd het instrument gedemonteerd en opgeslagen. Het Cavaillé-Coll-orgel werd van de ondergang gered doordat Louis Robert, inmiddels de Haarlemse stadsorganist, zich het lot van het instrument aantrok. Hij wist in 1915 twee vermogende zakenlieden en kunstliefhebbers, Julius Carl Bunge (de bewoner van Huize Kareol in Aerdenhout) en de oliemagnaat Adriaan Stoop, ervoor te interesseren. Zij werden de sponsors bij de aankoop door de gemeente Haarlem en kwamen overeen om het instrument, dat zeer geschikt is voor muziek uit de Franse romantiek, in de Grote Zaal van het Haarlemse Concertgebouw te plaatsen. Dat gebeurde uiteindelijk in 1922. Geluk bij een ongeluk, want het paleis in Amsterdam brandde in 1929 voor een groot deel af, waardoor ook het orgel verloren zou zijn gegaan.

Aanvankelijk was het orgel in Haarlem weinig succesvol. Men vond dat de akoestiek van de Grote Zaal niet bij het instrument paste. Bovendien had Adema, die het orgel had gerestaureerd, een nieuwe pneumatische tractuur aangebracht die het karakter van het orgel veranderde. De oorspronkelijke windladen met slepen van zwelwerk en pedaal waren uit het orgel verwijderd. Bij verbouwingen werd de tractuur in 1939 gedeeltelijk en in 1965 geheel elektrisch. Ook in 1965 werd één register vervangen, werden diverse registers toegevoegd en kwam er (weer) een nieuwe speeltafel. De orgelkas werd in 1965 bordeauxrood geschilderd. Toen in 2003-2005 het Haarlemse Concertgebouw een grondige verbouwing en uitbreiding tot de ‘Philharmonie’ onderging, werd ook opdracht gegeven voor restauratie van het verwaarloosde orgel. De firma Flentrop heeft het zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat teruggebracht. Diverse verwijderde onderdelen werden teruggehaald uit andere orgels waarin ze inmiddels verwerkt waren. Zo kwamen de windladen terug uit Ottersum. Het enige verwijderde register, de Unda Maris 8′, werd teruggeschonken door de Dorpskerk van Barendrecht. De speeltafel werd gereconstrueerd volgens het authentieke ontwerp. De orgelkas werd geschilderd in de kleurstelling van 1924 (notenhout-imitatie). Zo heeft Nederland nu weer een groot Cavaillé-Coll orgel.

Het orgel is digitaal beschikbaar via het softwareprogramma Sweelinq. Omdat de nagalm in de Philharmonie van Haarlem slechts 2 seconden bedraagt, en de nagalm oorspronkelijk, ook in het Paleis van Volksvlijt, veel meer was hebben de softwaremakers een knop toegevoegd met de naam “Cathédrale”. Als je daar op drukt wordt de nagalm een stuk meer en krijg je een nog beter idee van hoe het orgel in de oorspronkelijke opzet zou moeten klinken. Ik heb zelf deze software en speel bijna dagelijks op dit Cavaillé-Coll-orgel in mijn orgelkamer! Zie hier de dispositie:

Ik laat nu een opname horen, niet gemaakt met de gesamplede klanken van het orgel via Sweelinq,  maar akoestisch opgenomen vanuit de Philharmonie van Haarlem. Gerben Budding speelt daar de eerste orgelsymfonie van Louis Vierne, een stuk dat op dit orgel helemaal tot zijn recht komt!

Geplaatst in Geschiedenis, muziek | Tags: , , , , , , , | Plaats een reactie

Distelvlinder

Binnenkort wil ik een keer naar het Fotomuseum in Den Haag. Daar is de tentoonstelling “Vlindervlucht” van fotograaf Lucas Foglia te zien. Vooral het verhaal van de distelvlinder boeit me. Waar trekvogels een vaste route hebben en in de knel komen als er op die route door klimaatverandering iets is misgegaan, daar lijkt de distelvlinder een veel meer flexibele trekker te zijn. Zijn route kan behoorlijk afwijken, op zoek naar een leefgebied waar hij kan paren en eitjes afzetten. Als vlinder leeft hij slechts 5 weken, en in die tijd moet alles gebeuren: vliegen naar een goed leefgebied (in extreme gevallen vliegt hij 4000 km) en vervolgens daar paren en eitjes leggen. Daarna gaat hij dood. De eitjes worden rups, de rupsen eten zich rond en verpoppen zich. Daar komen weer nieuwe vlinders uit. En nu komt het: die nieuwe vlinders kunnen afhankelijk van waar ze zijn en hoe de omstandigheden elders zijn of verder vliegen of teruggaan, dus bijv. in zuidelijke of noordelijke richting vliegen. De trektocht kan zo uit vijf generaties vlinders beslaan die vanuit het zuiden, Kenia, naar het noorden vliegen en uiteindelijk via Zuid-Europa tot ver in Scandinavië kunnen uitkomen. En weer een aantal generaties vlinders gaat daarna weer naar het zuiden. Vroeger dacht men dat de distelvlinder gewoon in Nederland overwinterde. Later ontdekte men dat het een trekvlinder was en dat hij vanuit Zuid-Europa in Midden- of Noord-Europa aankwam en later weer terug ging. Nu weten we inmiddels dat het hele verhaal nog veel complexer is. De pas uitgekomen vlinders weten heel goed of ze naar het zuiden of noorden moeten vliegen, maar het volgende punt waar ze uitkomen is per jaar anders, en dat heeft met het weer, het klimaat, de geschikte bloesem en misschien nog andere omstandigheden te maken. Er is nu ook ontdekt dat ze in staat zijn om vanuit Afrika de oceaan over te steken naar Zuid-Amerika, toe maar! Je zou bijna zeggen dat ze een zesde zintuig hebben dat hen zegt waar ze het beste heen kunnen gaan. In de tentoonstelling wordt er een verband gelegd tussen de trek van deze vlinders en de trek van mensen, van vluchtelingen met name. Ook de mens legt nu grote afstanden af. In het verleden deden ze dat ook al, de hele aarde is immers door mensen gekoloniseerd. Sommige mensen kwamen op afgelegen eilanden terecht. Zouden die trekkende mensen duizenden jaren geleden ook gevoeld of geweten hebben waar ze heen konden gaan? Hadden ze misschien nog contact op een bepaald niveau met de achterblijvers op een of ander continent? Ik sluit het niet uit. De distelvlinder laat zien hoe communicatie door generaties heen kan plaats hebben. Het maakt ook het verschijnsel leven en dood weer eens relatief. De nieuwe generatie vlinders lijkt nog contact te hebben met hun al overleden vlinder-voorouders, ze weten wat te doen. Ze gaan gewoon verder… Op zoek naar bloemen. Naar distels als het even kan.

Geplaatst in filosofie, natuur | Tags: , , , | Plaats een reactie

Pinksteren

Paulien Cornelisse dacht na over de eendagsvlieg: een dier dat, net als de libelle, het grootste deel van zijn leven in het water leeft als larve, dan tegen het einde van zijn leven zich ontpopt en zorgt voor nakomelingen om vervolgens te sterven. Wij zien alleen het laatste stukje van zijn leven, het deel vlak voor de dood van het dier en geven het zelfs naar aanleiding van dat stukje een naam: we noemen het een eendagsvlieg.

Hoe zouden andere wezens naar ons mensen kijken? 80% van ons DNA snappen we niet, er staat niets in dat we begrijpen en dat ons iets zegt over ons lichaam. Het gaat volgens cardioloog Pim van Lommel over onze connectie met al het andere leven. In dat onbegrijpelijke deel van ons DNA zit ons “eindeloos bewustzijn”, waar we af en toe zonder dat we het in de gaten hebben gebruik van maken. We spreken dan van intuïtie, of van voorgevoel.

Morgen is het Pinksteren. De leerlingen van Jezus waren na zijn dood bij elkaar in een huis en werden bevangen door iets wat niet te bevatten is: ze raakten als het ware in een soort roes en konden communiceren in allerlei talen, iedereen kon hen verstaan. En ze voelden een drang om daar gebruik van te maken: ze wilden de blijde boodschap van Jezus gaan verspreiden en deze gaan vertellen aan alle volkeren. Wat hun op die dag overkwam vieren we nu als Pinksteren. Ze raakten als het ware bedwelmd, raakten in een roes van eindeloos bewustzijn.

Paulus Pontius maakte in 1627 deze gravure die te zien is in het Rijksmuseum in Amsterdam. De leerlingen raken in een soort extase door de neerdaling van de Heilige geest in de vorm van vurige vlammen.

Kerstmis: dat begrijpen de mensen nog. Jezus wordt geboren met daaromheen allemaal sprookjesachtige anecdotes: de kribbe, de stal, de os en de ezel, de herders en engelen, de drie wijzen, de kindermoord, de vlucht naar Egypte.
Pasen: ook dat is een vrij duidelijk verhaal. Jezus wordt vermoord, vastgespijkerd aan een kruis, daarvoor wordt hij verraden, hij wordt verloochend terwijl een haan drie maal kraait maar wonder boven wonder is zijn graf na drie dagen leeg: wat is er met hem gebeurd?

En dan is er Pinksteren. Waar Kerstmis nog gelieerd kan worden aan een midwinterfeest, en Pasen aan het begin van de lente: wat moet je in godsnaam met Pinksteren? Het schijnt in Palestina terug te gaan op het begin van de oogst, die daar veel eerder viel dan in West-Europa. In Nederland gaan al jaren stemmen op om dat feest af te schaffen, het is een raar irreëel aandoend feest. Maar van deze drie feesten is dit misschien wel het meest intrigerende feest. “Jongens, we gaan niet bij de pakken neerzitten. Wij hebben iemand leren kennen die ons tot groot voorbeeld was. Hij was zeer wijs en heeft ons laten zien hoe je met je medemens zou moeten omgaan. Dit voorbeeld gaan wij niet alleen navolgen, maar we gaan ook andere mensen inspireren om dat voorbeeld te volgen!” Het is als bij de wederopbouw na een oorlog: we gaan er tegen aan, handen uit de mouwen. We zien weer een toekomst voor ons die een betere wereld belooft. Niet zeuren, gewoon doen. En samenwerken, ook al spreken we niet allemaal dezelfde taal.

O wat hebben we deze pinkstergedachte nu nodig. Hij lijkt verder weg dan ooit. In Nederland ruzieën de leden van het rompkabinet na de val van het kabinet Schoof over de nalatenschap van Wilders. Met de politiek wereldwijd is het nog erger gesteld. Ego’s, macht en rijkdom. Waar is de pinkstergedachte? We leven als een eendagsvlieg in een bekrompen wereld waar we niets van snappen. Pinksteren is vooral liefde en wijsheid. En zo kom ik bij Bach. Hij schreef maar liefst negen Pinkstercantates. In de Lutherse wereld van zijn tijd had je drie opeenvolgende pinksterdagen, het was een feest dat net zo belangrijk was als Kerstmis of Pasen. Een van de cantates die hij schreef was de pinkstercantate “O ewiges Feuer, o Ursprung der Liebe.” BWV 34.

John Eliot Gardiner schrijft over deze cantate:

Dit was oorspronkelijk een bruiloftscantate, waarvan de verwijzing naar de ‘hemelse vlammen’ Bach de gelegenheid gaf het gemakkelijk te bewerken tot een Pinkstercantate. Ondanks zijn oorsprong, is het een prachtig werk van begin tot eind, en bovendien gebruikt Bach de trompetten en pauken op een opvallend andere manier dan in de andere Pinkstercantates.

In het openingskoor horen we wervelende pauken vol met vurige energie, de trompetten vullen dit aan alsof er een storm aankomt. Maar dan ontlaadt Bach de opgekropte energie in een wonderbaarlijk frivool dalend arpeggio op de eerste trompet. Het koor valt in, de bassen houden bijna vijf maten een hoge D aan om het ‘eeuwige’ te symboliseren, terwijl de overige drie stemmen sprankelde en ‘vlammende’ versieringen maken. Voor ‘ Ursprung der Liebe‘  legt Bach twee serene, verweven lyrische lijnen boven een baslijn met een geprononceerd ritme. Vervolgens keren de trompetten en pauken terug, waarmee ze in het koor een homofone passage aankondigen, afgewisseld met tegenaccenten: ‘ Entzünde die Herzen und weihe sie ein. ‘ Dit hele deel gaat verder op de dominant, terwijl het beeld van de ‘opwellende vlammen’, een perpetuum mobile van zestiende noten, van de altviolen naar de violen wordt doorgegeven en met tussenpozen wordt versterkt door hobo’s en trompetten, waardoor de lyrische dialoog over ‘ Ursprung der Liebe‘ ‘ nog meer extatische kracht krijgt. Dit is in feite een enorme da capo-beweging, waarbij het ‘B’-gedeelte – ‘ Lass himmlische Flammen durchdringen und wallen ‘ – op dansachtige wijze wordt doorgegeven aan paren die in een groep zijn geplaatst. Tijdens de uitvoering komt er een enorme energie vrij in dit openingskoor, dat even overtuigend is als elke ander openingskoor dat Bach ooit schreef, en waardoor een grandioze, jubelende stemming tot stand wordt gebracht.

Koor: O ewiges Feuer, o Ursprung der Liebe, entzünde die Herzen und weihe sie ein. Lass himmlische Flammen durchdringen und wallen, wir wünschen, o Höchster, dein Tempel zu sein, ach, lass dir die Seelen im Glauben gefallen.

Ook wat daarna komt stelt niet teleur. Een kort, hoog tenorrecitatief leidt naar een mooi pastoraal schouwspel, een altaria met gedempte strijkers en twee fluiten – ‘Wohl euch, ihr auserwählten Seelen’ (Welkom, uitverkoren zielen). Het is een idylle, geïnspireerd op de liefde tussen Jacob en Rachel, dat mogelijk een diepere persoonlijke betekenis voor Bach had dan we ons vandaag de dag kunnen voorstellen. Toch kunnen we genieten van de delicate sensualiteit van de pastorale beweging, de tertsen en sexten, het in elkaar opgaan van fluiten en gedempte strijkers, de meeslepende algehele textuur en de stille verrukking, slechts af en toe verstoord door modulaties.
Recitatief: Tenor.  Herr, unsre Herzen halten dir dein Wort der Wahrheit für: Du willst bei Menschen gerne sein, drum sei das Herze dein; Herr, ziehe gnädig ein. Ein solch erwähltes Heiligtum hat selbst den größten Ruhm.

Aria: Alt. Wohl euch, ihr auserwählten Seelen, die Gott zur Wohnung ausersehn. Wer kann ein größer Heil erwählen? Wer kann des Segens Menge zählen? Und dieses ist vom Herrn geschehn.

Een ogenschijnlijk onschuldig basrecitatief wordt heftig bij de woorden: ‘ Der Herr ruft über sein geweihtes Haus das Wort des Segens aus. ‘ Als een profeet uit het Oude Testament spoort de bas het hele ensemble aan om vers 6 van Psalm 128, ‘Vrede over Israël’, te reciteren, in twee langzame maten.
Recitativo: Bass. Erwählt sich Gott die heilgen Hütten, die er mit Heil bewohnt, so muss er auch den Segen auf sie schütten, so wird der Sitz des Heiligtums belohnt. Der Herr ruft über sein geweihtes Haus das Wort des Segens aus:

De orkestrale finale, met vrolijke toonladders in D majeur, breekt onverwacht los als een tyfoon en zuigt het koor mee in zijn draaikolk om ‘ den höchsten Wunderhänden ‘ te danken. Na opzwepende orkestklanken die zich over een lang gedeelte uitstrekken, keert het koor terug naar het thema ‘Vrede over Israël’. Met vreugdekreten van de sopraanstemmen op een hoge B, eindigt deze Pinkstercantate met een sublieme pracht.
Koor: Friede über Israel. Dankt den höchsten Wunderhänden, dankt, Gott hat an euch gedacht. Ja, sein Segen wirkt mit Macht, Friede über Israel, Friede über euch zu senden.

Over een duet in een andere pinkstercantate van Bach schreef ik al een keer eerder. Maar voor vandaag dus een verhaal over de uitbundige, hoopvolle gedachte van deze cantate 34. Ik ken iemand die een dierbare overledene herkent in een vlinder, in de Atalanta. De Heilige Geest, die met Pinksteren neerdaalt en de mensen positief inspireert doet dat vaak in de vorm van een duif, het dier dat symbool staat als brenger van vrede. De eendagsvlieg van Paulien Cornelisse gaat weer terug naar het Hemelse rijk, zijn taak op aarde zit er op. Via ons onbegrepen DNA, maar vooral door Bach kunnen we misschien achterhalen wat onze taak hier is: O ewiges Feuer, o Ursprung der Liebe, entzünde die Herzen und weihe sie ein. Laat de liefde in onze harten neerdalen, het is Pinksteren.

Misschien wordt je, net als ik nu, opnieuw ontroerd bij het lezen van een ander stukje dat ik vijf jaar geleden schreef, met ook als titel Pinksteren

Geplaatst in kunst, maatschappij, muziek | Tags: , , , , , , , , | 3 reacties

Cipreswolfsmelk

Op ongeveer 1 km afstand van mijn geboortehuis was de Kleine Heide. Er stonden wat huizen en boerderijen, er woonde een oom en tante van mij. Toen ik klein was hadden de mensen in dat gebied van het dorp geen stroom, als je bij deze oom en tante op bezoek kwam was het er altijd erg donker. Bovendien was er een vervaarlijk grommende hond, ik kwam er dus niet graag. Op een plek op de Kleine Heide stond de Cipreswolfsmelk, een plantensoort van de wolfsmelkfamilie en een van de meer grote, giftige varianten. Mijn moeder wist: als je het sap van deze plant op een wrat smeert zal hij slinken. Ik had een wrat op een vinger, een enorme joekel. Dus ging ik elke ochtend even met de fiets naar de kleine hei, plukte een stengel en smeerde het witte sap over mijn wrat. Na een week was de wrat inderdaad verdwenen.

Een tijdje geleden liep ik door het museumpark in Rotterdam. Ik zag heel veel bloeiend Cipreswolfsmelk. Waarschijnlijk was het er neer gezet als siergewas. En ik heb enkele wratten op mijn buik. Dus ik maar weer smeren. Alleen: ik kom er niet dagelijks. Toch heb ik het gevoel dat ze na die ene keer een beetje geslonken zijn.

Ik maakte daar ook enkele foto’s. Op een van de bloemen zat een boktor, en wel de zogenaamde “Oberea Euphorbiae”. Euphorbiae is de verzamelnaam van wolfsmelksoorten. Deze boktor zie je dus vooral op de wolfsmelk en dat was dus hier ook het geval.

Ik had een oom die stond in het dorp bekend als een soort kruidendokter. Met zijn kleine transistor radiootje in zijn jas fietste hij al neuriënd gemoedelijk door het dorp en de buitengebieden en verzamelde daar de kruiden die hij dacht nodig te hebben. Daar zal ook wel Cipreswolfsmelk bij zijn geweest. We hebben hem nooit ergens voor geraadpleegd en ik weet niet of er veel mensen waren die dat wel deden. In het verleden was het doodnormaal dat de mensen voor allerlei kwalen kruiden gebruikten. Ik schreef al een keer eerder over.

https://ppsimons.com/2021/09/05/behandeling-van-zieken-op-het-platteland-in-de-zeventiende-en-achttiende-eeuw/

Zo al lopende door het Museumpark mijmerde ik over veel dingen, over ziekten, over mijn geboortedorp, over mijn oom, over mijn ouders. En keek uit via het depot van Boijmans naar het kolossale Erasmus ziekenhuis.

Geplaatst in maatschappij, natuur | Tags: , , , | Plaats een reactie

Polen

In 1996 bezocht ik samen met mijn vrouw Polen in het kader van een uitwisseling van het Montessori-onderwijs. In Łódź (spreek uit :”Woedzj”) was er enkele jaren daarvoor een Montessorischool gestart, niet zo lang na de Wende van 1989 mocht dat. De professor die deze school had opgestart gaf les aan de universiteit van Łódź en leidde daar zelf nieuwe leidsters op. Op de school waar zij de directrice en leidster was waren er al enkele van haar pupillen in dienst. Met hen was zij een jaar daarvoor naar Nederland gekomen om te kijken hoe het Montessori onderwijs er bij ons uitzag. Het clubje leidsters was toen ook bij ons in huis geweest en had bij ons gegeten. Ze keken hun ogen uit, wat hen vooral opviel was dat de huizen zo ruim waren. Wij waren die week in 1996 in Łódź ook bij een van deze leidsters uitgenodigd, zij woonde in een kleine armoedige flat. Dat was daar de gangbare praktijk. De professor woonde iets beter, maar dat kwam vooral omdat haar man een winkel had in elektronica en daar relatief goed van kon leven. Ook zij had het als professor niet breed, regelmatig werd haar salaris niet of veel te laat uitgekeerd.

Ik heb die week veel gefilmd. Een film van 18 minuten maakte ik uitsluitend in de Montessorischool. Wat ons opviel: wat een kleine klassen, en wat een grote lokalen! De  kinderen waren de hele dag op school, ze kregen er tussen de middag een warme maaltijd en de kleinere kinderen gingen na het eten naar een slaapplek met matrassen op de grond. Alle mensen die we ontmoetten waren heel nieuwsgierig naar ons, ze wilden alles weten van hoe het er in Nederland aan toe ging. Wat ook opviel:  ze waren heel erg hartelijk en gastvrij. Wat een fijne mensen! We bleven er meerdere dagen, we bezochten er ook een van de Middelbare scholen van de stad. De leidsters van de Montessorischool spraken naast Pools alleen Russisch, de professor die ons had uitgenodigd kon daarnaast ook goed Duits. Op de Middelbare school spraken sommige docenten naast Pools en Russisch ook Duits en/of Engels, de muziekdocente sprak daarnaast vloeiend Italiaans. De uiterst gedisciplineerde leerlingen (ze stonden massaal op als we een lokaal binnen kwamen) vonden het heerlijk om met ons Engels te spreken, ze konden gelijk deze taal in de praktijk brengen.

We kregen die week nog een rondleiding door de stad van een Duitser die al heel lang in Łódź woonde. Hij liet ons de fabrieken met de textielindustrie zien, we gingen het Conservatorium binnen (wat een prachtig en statig gebouw) en liepen door de oude binnenstad. Ook bezochten we er een museum waar we die dag de enige bezoekers waren, terwijl er misschien wel 30 suppoosten rondliepen…

Het laatste deel van de reis gingen we naar Krakau (Krakow) met een tussenstop in Częstochowa. Dat is een bedevaartsplaats met de Zwarte Madonna. Ik had allemaal associaties met het rijke Roomse leven waar ik zelf in ben opgegroeid in Limburg en ook de armoedigheid in die plaats deed me denken aan de eenvoud van de vijftiger jaren waar ik als kind leefde. Ik ging als misdienaar naar Wittem, en we aten boterhammetjes aan een schamele tafel. Zo was het hier ook. In Krakau kwamen we opeens in Westerse sferen, er was zelfs toen al behoorlijk wat toerisme.

In de Volkskrant van vandaag, 10 mei 2025, staat een prachtig artikel over het Polen van de tweede Wereldoorlog. Over de ellende van de joden wist ik al het een en ander, wat ik niet wist was dat, toen zowel Duitsland als Rusland het land waren binnen gevallen, het onderling verdeelden, en dat er daarna grote volksverhuizingen plaats vonden. Met name in het oosten van Polen werden honderdduizenden mensen gedeporteerd naar Siberië. Enkele details uit het artikel van de Volkskrant:

‘We waren blij dat we het hadden overleefd’, zegt ook Stanisława Sarycz (95). De elegante oude vrouw zit in een kamer van het stadsmuseum in Wrocław. Nadat de Sovjets in 1939 het oosten van Polen hadden bezet, werden 320 duizend Polen gedeporteerd naar de goelags in Siberië. ‘Het was nacht toen ze kwamen’, herinnert Sarycz zich. ‘En het was koud.’ De treinreis duurde een maand. ‘Eén keer per dag kregen we ‘soep’, water met bloem. Wanneer iemand stierf, en dat waren vooral kinderen, werden ze uit de trein in de sneeuw gegooid.’

Aangekomen in het kamp zeiden de Sovjets: ‘Jullie zullen Polen nooit meer zien. Polen bestaat niet meer.’ Twee jaar brachten Sarycz en haar familie op de taiga door. Ze verloor haar 20-jarige zus en haar 8-jarige broertje. Aan het einde van de oorlog werden de Polen uit de goelags gehaald om de nieuwe gebieden te bevolken. Sarycz werd opnieuw gedeporteerd, ditmaal naar het veroverde Breslau, dat nu Wrocław heette.’De stad lag in puin, er waren enkel ruïnes. Er werd nog geschoten. Sovjetsoldaten verkrachtten vrouwen. We gingen nooit alleen over straat’, zegt Sarycz. Ze vond een voormalig Duits huis, in een mooie buitenwijk. ‘Na alles wat we hadden meegemaakt, hadden we geen scrupules. We hadden het gevoel dat dit ons toekwam.’Terug wilde ze nooit. ‘Ik was zo bang voor de Russen.’ Ze kijkt met angst naar de huidige oorlog in Oekraïne. ‘Je weet nooit wat er kan gebeuren. Ik wil niet dat mijn kinderen en kleinkinderen hetzelfde moeten meemaken als wij. En ik weet niet of ze even sterk zijn als wij.’

Zowel de Russen als de Duitsers zagen de Polen als tweederangs burgers. En in 1945 werd het meest westelijke deel van Polen, dat tot dan bij Duitsland hoorde, bij Polen gevoegd. De Duitsers moesten weg en moesten plaats maken voor Polen, die vanuit het oosten gedwongen werden om daar te gaan wonen.

Op onderstaand kaartje zie je hoe Polen er in 1939 uitzag (blauw-grijs omkaderd) en hoe het er nu uitziet (rood omkaderd). In het noorden kreeg Polen er een stukje bij. In het oosten kwam een deel bij Litouwen (Vilnius), een deel bij Belarus (Traby) en een deel bij Oekraïne (Lviv). In het westen moest Duitsland een deel afstaan aan Polen.

Een jaar nadat Władysław was neergestreken in het westen, kwam zijn vader Piotr met de rest van de familie. De Sovjets hadden hun boerderij onteigend, de familie Dobrołowicz werd hier een nieuwe boerderij in het vooruitzicht gesteld. Ze namen hun vee mee. ‘Met de trein’, vertelt Władysław. ‘Voor elke familie en hun dieren was er één wagon.’ Praten over het verleden, zoals nu, dat deed men destijds niet, zegt hij. ‘Daar was geen tijd voor. We moesten samenwerken, de samenleving opbouwen.’

Er kwam leven in de brouwerij. ‘Er was een koffietentje, ‘s avonds organiseerden ze dansfeesten. Mensen wilden na de oorlog tijd met elkaar doorbrengen en samenkomen.’ Terugblikkend benadrukt Władysław de positieve kanten van hoe zijn leven is gelopen. ‘In mijn dorp was ik misschien smid geworden, voor de oorlog uitbrak kreeg ik al een leerplek aangeboden. Maar hier kon ik economie studeren.’ Later vond hij een baan bij de Poolse spoorwegen. ‘De PRL (Volksrepubliek Polen, red.) schiep geen rijke mensen’, zegt hij. ‘Maar er was werk. Je kon trouwen, je eigen familie beginnen.’

Het artikel laat diverse ooggetuigen van toen aan het woord. Mooie, maar soms ook aangrijpende verhalen!

Polen hoort nu bij de EU en de Navo. Zij hebben binnen de EU het grootste leger. Ik begrijp nu waarom. Ze zijn als de dood voor Rusland, gezien vanuit wat ze hebben moeten meemaken in de Tweede Wereldoorlog. Dat verleden leeft daar nog. Ik kan er alleen maar vierkant achter staan en de mensen in Polen hoogachten. Als je je deze dingen realiseert, dan zouden wij toch veel gastvrijer en opener moeten zijn naar deze hardwerkende gastarbeiders die bij ons de economie draaiende houden. En we zouden hen waardige woningen moeten aanbieden en niet in “Polenhotels” bij elkaar moeten proppen!

Hier een link naar de film die ik in 1996 maakte over het Montessori onderwijs in Łódź.

En ik raad iedereen aan om het artikel van vandaag in de Volkskrant te lezen.

https://krant.volkskrant.nl/titles/volkskrant/7929/publications/2480/pages/58/articles/2268229/56/1

Geplaatst in maatschappij, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , | Plaats een reactie

Sofia Gubaidulina

Vandaag is Sofia Gubaidulina overleden. Ik heb meerdere artikelen over haar geschreven. Ze was voor mij misschien wel de allergrootste en belangrijkste hedendaagse componist. Op het einde van dit stukje verwijs ik naar artikelen die ik over haar schreef. Nu wil ik enkel één muziekstuk belichten: het gebed van Franciscus. Franciscus loopt in de woestijn en ziet hoe de wereld oorlog maakt en de mensen niet meer in staat lijken om de medemens lief te hebben. Deze kerngedachte staat in deel 14 van het oratorium “Über liebe und Haβ” voor solisten, groot koor en symfonieorkest. Het is live uitgevoerd in 2018 in de Doelen van Rotterdam door het Rotterdams Philharmonisch orkest en koor en solisten uit Sint Petersburg. Dat alles onder leiding van Gergiev. Luister naar het indringende gebed van Franciscus, actueler dan ooit. De bijgevoegde vertaling en foto’s van het landschap in de Pyreneeën zijn van mijzelf. De geluidsopname is indertijd gemaakt door de NTR en uitgezonden op Radio 4.

https://drive.google.com/file/d/1V6thhzngw6Rav-XV5xan2BF46blwb6Bi/view

Zie ook:
Over het concert van dit oratorium door het Rotterdams Philharmonisch orkest
Over het hele oratorium
Analyse van deel 14: gebed van Franciscus
Analyse van deel 1
Analyse van deel 6
Download hier de complete tekst in de Nederlandse vertaling
Galgenlieder

Geplaatst in maatschappij, muziek | Tags: , | Plaats een reactie

De Messa di Voce van Daan Manneke

In 2009 werd het festival ‘Daan Manneke 70 jaar’ gehouden in Breda. Toen werd er een boek gepresenteerd: ‘Daan Manneke, componist van de ruimte’. Rokus de Groot schreef in dat boek:
Wie Daan Manneke kent als componist, organist, dirigent, leraar, vriend, wordt getroffen door de gloed van zijn bezieldheid. Zijn doen en laten spiegelen zijn levensvisie. Voor hem bestaat er geen tegenstelling tussen spiritueel en materieel. Net als de soefi Inayat Khan vat hij materie op als het resultaat van vibraties van subtiel geluid, in een proces van condensatie van het spirituele.”
Ook kreeg Daan Manneke dat jaar de Oeuvreprijs van de gemeente Breda. In het juryrapport stond: “Manneke zorgt met zijn zoektocht naar een synthese tussen beheersing en impulsiviteit, tussen rationaliteit en emotie voor flamboyante en onvoorspelbare composities.”

Deze spirituele inslag zien we ook bij twee van zijn leermeesters: Ton de Leeuw en Olivier Messiaen. Messiaen was een zeer gelovig persoon en in veel van zijn composities is dat terug te horen. Verder was hij gebiologeerd door het geluid van vogels. ‘Materie is de vibratie van subtiel geluid’. Dingen zijn in een permanente staat van beweging maar ook stilstand. Deze toestand kun je bijvoorbeeld ervaren bij het eerste deel van “Quatuor pour le fin du temps’ van Messiaen. Er gebeurt veel en tegelijk niets. We ervaren in dat deel de vibraties van de ochtend van de laatste dag, voordat de wereld vergaat.

Dit statische en tegelijk beweeglijke vibreren zit ook in veel muziek van Daan Manneke. Luister je naar zijn Messa di Voce dan zijn er in harmonisch opzicht slechts kleine verschuivingen waarneembaar. Ook ritmisch of motivisch is er niet sprake van een ontwikkeling. Elk deel (Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus en Agnus Dei) heeft een iets andere klankkleur, maar de verschillen zijn niet groot. De delen gaan ook in elkaar over, alleen tussen de laatste twee delen zit een kleine pauze.

Het stuk is niet gemakkelijk om te zingen, het wemelt van de maatwisselingen die feitelijk niet als zodanig ervaren moeten worden. Net zoals je Gregoriaanse muziek niet in een maat kunt persen, zo is dat ook met deze misdelen niet mogelijk. Alles verloopt natuurlijk, maar je moet wel op elkaar en op de dirigent letten. De muziek is helemaal uitgeschreven. Ook melodisch lijkt het in eerste instantie moeilijk, maar de toonhoogtes keren terug en ondanks de vaak grote sprongen krijg je er door de herhaling vat op. Harmonisch is het geheel modaal te noemen, de samenklanken die slechts geleidelijk veranderen zijn vanuit die modaliteit in het algemeen consonant. Af en toe klinkt er een wat meer dissonante anticipatie.

Opvallend is ook dat de tekst nauwelijk in de muziek wordt uitgebeeld. Net zoals die tekst ook in het Gregoriaans bijna neutraal wordt gezongen. Hij sluit daarmee meer aan bij renaissancecomponisten die dat ook zo doen. Pas in de barok gaan de meeste componisten hier heel anders mee om. Het past bij de statische of vibrerende wereld die ik eerder beschreef. Desondanks hoor je een, soms subtiele,  relatie met de tekst.

Het Kyrie.
Vooral het woord “Kyrie” (Heer) en ook even “Christe”  worden benadrukt, meer dan het “eleison” (ontferm u over me). Zo is dit eerste heel korte deel vooral een soort aanhef, of titel. We horen over wie het gaat.

Het Gloria.
De woorden “Jesu Christe altissime” in het Gloria worden nadrukkelijk aangezet. Even verderop: “Tu solus Sánctus, Tu solus Dóminus, Tu solus altíssimus, Jesu Chríste”: elk slotwoord (zie accenten) wordt benadrukt door een uitschieter in de hoogte. Het einde van het Gloria springt er nog meer uit: het woord “Amen” klinkt als een triomfantelijke afsluiting.

Het Credo.
Tot aan de woorden “et incarnatus est” (hij is vlees geworden) wordt de tekst bijna steeds eenstemmig, enigszins reciterend in het ritme van de tekst zelf, gezongen. Maar bij “et incarnatus est” worden de lettergrepen langer gerekt en er wordt nu ook meerstemmig gezongen. Toch klinkt het ook nu absoluut niet dramatisch, er wordt hooguit wat meer aandacht aan deze woorden gegeven. Waar het “crucifixus est” (hij is gekruisigd) het dramatische hoogtepunt is in de Hohe Messe van Bach wordt deze tekst hier slechts reciterend gezongen, wel is er meer aandacht voor wat er na komt: “resurrexit est”. (Hij is verrezen). Dit is natuurlijk ook de kern van het Christelijke geloof zoals dat in de Paasrijd wordt gevierd. Om het er nog meer uit te laten komen wordt er enigszins gejaagd gezongen, terwijl het er na komende tekstdeel weer heel rustig en zachter klinkt. Ook bij het laatste tekstdeel springt bijna niets eruit. Wel opvallend is hoe de woorden “et expecto” (we zien uit naar) apart worden gezet.

Het Sanctus.
Niets van de vreugde-uitingen die je vaak hoort bij het Sanctus (Hij is heilig). Alles klinkt heel ingetogen. Mij vallen daarna vooral de dalende lijnen op bij het tweede deel, het “Benedictus”. (Hij is gezegend). Deze dalende lijnen stralen een soort zachtmoedigheid uit.

Agnus Dei.
Dit slotdeel over het lam Gods begint triest, alle woorden worden  langzaam gezongen, ook hier is er weer sprake van een dalende tendens. Na een klein instrumentaal intermezzo wordt  “miserere nobis” (heb medelijden met ons) herhaald met dezelfde treurige intentie. De woorden “Dona nobis pacem” (geef ons vrede)  worden heel langgerekt gezongen, dezelfde trieste sfeer blijft hangen. Hiermee is de mis afgesloten.

Hoe moet je hier nu naar luisteren? Ik denk dat je de tekst helemaal vanuit je binnenste tot je moet nemen en dan moet proberen om de vibraties die de muziek er aan toevoegt te ervaren. Zoals je in een gebed heel lang in een contemplatieve sfeer kan worden opgenomen, in iets dat veel verder gaat dan de directe werkelijkheid. Tegelijk hoor je toch ook de intenties van de tekstdelen zoals ik ze hierboven beschreef.

Daan Manneke schreef drie versies van deze Mis, een voor kinderkoor die helemaal eenstemmig is, een voor vrouwenkoor en een voor gemengd koor. Allemaal met begeleiding van orgel. De zetting voor vrouwenkoor werd onlangs uitgevoerd in Gouda, in de Sint Janskerk. Daan Manneke was er zelf bij. (Er werden toen trouwens ook nog enkele orgelstukken van hem gespeeld.) Deze versie, gezongen door het Ars Musica meisjeskoor uit Gouda, kun je hieronder beluisteren. In plaats van een orgel horen we een drukwindharmonium. Marjon van der Linden dirigeert het koor, Gerben Budding bespeelt het harmonium.

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

Carnavalsmuziek van Louis Vierne

Hoe klonk de muziek in 1930? Dat vroeg ik me af nadat ik de laatste orgelsymfonie van Vierne had beluisterd, een stuk dat in dat jaar is geschreven. Ik las in een artikel dat Franse muziek zo van rond het jaar 1900 op drie pijlers rustte. De meer behoudende pijler is de muziek van componisten als Fauré en Saint-Saëns. Zij sluiten aan bij componisten als Mendelssohn of Brahms. De tweede pijler is er een die zich sterk door componisten als Wagner laat beïnvloeden met componisten als César Franck en Vincent d’Indy. Dan heb je de derde stroming die begint bij Debussy en waar je ook Ravel en de Groupe des Six met Honegger en Poulenc toe kunt rekenen.
Louis Vierne, mijn persoonlijk favoriete componist van orgelmuziek (na Bach dan…) komt duidelijk voort uit de “Franck-school”, er zijn veel Wagneriaanse invloeden. Bij Wagner begint de opmars van de chromatiek in de muziek. Bij een tijdgenoot van Vierne, Schönberg, leidt dit tot het verdwijnen van de centrale kracht, de grondtoon of tonica. Hij gaat op zoek naar wat er mogelijk is bij een totale atonaliteit. Vierne daarentegen eindigt elk stuk nog steeds met een grondtoon. Ook blijven er steeds voortekens aan de notenbalk staan en wordt er op zijn minst gesuggereerd dat er sprake is van een centrale toon. We gaan er naar op zoek bij het scherzo uit de zesde en laatste orgelsymfonie van Vierne. Wat hoor je hier in godsnaam, het lijkt wel tekenfilmmuziek! Maar dat wordt vooral veroorzaakt door de ritmiek en door de keuze van de registers. Dat het een scherzo-karakter heeft, dat horen we aan de onophoudelijke “123 123” beweging van de 6/16 maat die het hele stuk door nadrukkelijk aanwezig blijft. De vele kleine secundes in de samenklanken klinken scherp, als de radertjes van een niet zo goed geoliede machine. Kijk en luister maar eens naar de eerste twee maten.

De met groen omcirkelde noten zijn kleine secundes. Is het de muziek van een fabriek, zoals ook Charlie Chaplin dat liet zien en horen in “Modern Times”? Vierne was in Amerika geweest, het zou best kunnen dat hij daar van alles gehoord heeft en er zijn inspiratie heeft opgedaan. De vele virtuoze, en ook afwisselende loopjes maken het stuk heel levendig. Het heeft door dit alles een Scherzo-karakter, maar hoe zit het met de vorm? De traditionele scherzovorm is geënt op de menuetvorm, en dat is een Aaba’ba’ vorm. Deze vorm heeft dit scherzo duidelijk niet. Het gebruik van de toonsoorten en voortekens geeft in eerste instantie uitsluitsel. Het hele stuk heeft namelijk 6 toonsoorten met telkens andere voortekens. Ik noem ze even I, II, III, IV, V en VI. Maar nog meer vormbepalend zijn 2 thema’s, een overgangsstukje en een coda. De vorm wordt daardoor:

Thema1 – Thema2a – Thema2b
Thema1 – Thema2a- Thema2b
Overgang – Thema2c – Thema2d
Thema 1 verkort -Thema 1 verkort + Coda

Grofweg zien we dus 4 delen gebaseerd op twee thema’s. Bij onderstaande opname van het spel van Pierre Cochereau staat de partituur er door mij bij genoteerd. Je ziet behalve de indeling ook met rood de plekken met opvallende motieven. Hierdoor kun je beter volgen wat er allemaal gebeurt.

Ik heb er inmiddels drie opnames van gehoord. Gereon Krahforst speelde het in 2020 op het Stanhuth orgel uit 1910 van Maria Laach. Hij maakt op diverse momenten een korte onderbreking waardoor het gestage ritme van de 6/16 maat verloren gaat. Daardoor heeft deze opname niet mijn voorkeur.
Een erg mooie opname vind ik die van Hayo Boerema die alle orgelsymfonieën van Vierne integraal heeft opgenomen vanaf het Marcussen-orgel van de Laurenskerk van Rotterdam. Die opnamen zijn op Youtube terug te horen. Van het Scherzo van de zesde orgelsymfonie komt ook deze opname, door hem gespeeld.


En dan heb je nog Pierre Cochereau, hij is de organist van de eerste opname waar ook de partituur is bijgeplaatst. Cochereau was van 1955 tot zijn dood in 1984 titulair organist van de Notre-Dame van Parijs. Daardoor kon hij veel opnamen maken van zijn orgelspel op dit wereldberoemde Cavaillé-Coll orgel, dat na de aanpassingen door Vierne in de dertiger jaren in zijn eigen tijd opnieuw weer enigszins was aangepast. Zo werden in december 1975 en mei 1976 alle orgelsymfonieën van Vierne op dit instrument opgenomen. Pierre Cochereau speelt dit scherzo dus op hetzelfde orgel als waar Vierne het ooit speelde. Het klinkt hier verrassend doorzichtig.

De hele zesde orgelsymfonie is de moeite van het beluisteren waard. Maar het is geen makkelijke kost. Ik heb hem nu enkele keren achter elkaar beluisterd en ga steeds meer horen. Het scherzo van deze symfonie daarentegen gaat er in als zoete koek. Het brengt je opeens in een kolderieke wereld, vol absurde bewegingen. Ik zie er in gedachten een grappige tekenfilm bij. Vierne vast ook, al was hij inmiddels stekeblind. Zijn leerling Henri Doyen vertelt dat Vierne veel gevoel voor humor had. Dat denk ik ook. Of, denk ik opeens, is het misschien een soort carnavalsmuziek? Mensen met gekke maskers die al springend rond huppelen? Het is immers komend weekend “vastelaovend”!

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

De Hooiwagen

Ik was onlangs in museum het Catharijneconvent. En zag onder meer het schilderij “de Hooiwagen” van Gillis Mostaert, gemaakt rond 1575. De Hooiwagen stond in die tijd voor bedrog. “Het is al hooi” was een gezegde uit die tijd, wat betekende: het is allemaal oplichterij, stelt niets voor. Op dit schilderij wordt daarmee de Katholieke kerk bedoeld. Schilderijen en pamfletten waren in die tijd het belangrijkste wapen van de Nederlanders in hun opstand tegen Spanje. Dit is een zeer illustratief voorbeeld daarvan. Gillis Mostaert was Antwerpenaar, de stad waar de Hagepreken begonnen en waar de opstand tegen de katholieke Spanjaarden het grootst was. Hij schilderde het 10 jaar voor de val van Antwerpen, het jaar waarin een aanzienlijk aantal mensen de stad uit moesten vluchten en onder meer in Amsterdam terecht kwamen. Het onderwerp was niet nieuw, sterker nog: Jeroen Bosch schilderde nog voor het begin van de stellingen van Luther het beroemde Hooiwagen drieluik, te zien in twee versies in Spanje. Jeroen Bosch wordt in verband gebracht met de Moderne Devotie, hij zelf was in den Bosch lid van de  Onze-Lieve-Vrouwebroederschap. In deze gemeenschap werd binnen het katholicisme de navolging van het leven van Christus buiten de kerk om gepreekt. De Moderne Devotie was een reactie op de corruptie binnen de Kerk en kenmerkte zich door een persoonlijke geloofsbelijdenis en praktische levenswijsheid. Dat Jeroen Bosch een aanhanger van deze stroming zou zijn, blijkt o.a. uit de vaak in zijn werk terugkerende hekeling van zowel hoge als lage geestelijken.

De processie met de Hooiwagen was een jaarlijks terugkerend fenomeen in Antwerpen, iedereen in de stad kende het. Zo weten we dat op 15 augustus 1563 in Antwerpen een ommegang plaatsvond ter ere van Maria met onder meer versierde praalwagens met een allegorisch-moraliserend karakter. Een van deze praalwagens wordt omschreven als: “Een hooiwagen met daarop een sater met de naam de Bedriegelijke Verleiding, en daarachter allerlei soorten volk, zoals woekeraars, bankiers en marskramers, die aan het hooi trekken, terwijl aards gewin allemaal hooi is.” Deze hooiwagen komt in grote lijnen overeen met die van Jeroen Bosch.  En voor Mostaert was dat dus een prachtig handvat om zijn geschilderde “pamflet” tegen de misstanden in de kerk te maken, met het illustere voorbeeld van Jeroen Bosch van ruim 60 jaar eerder.

Zou je het schilderij van Mostaert ook nu nog een hedendaagse, allegorische betekenis kunnen geven? Ik laat drie details van het schilderij zien en ga een poging wagen.

Het eerste fragment van het schilderij.

In het eerste fragment zien we op de hooiwagen niet een, maar liefst drie saters. Ik ben zo vrij om hen te zien als drie van de media-oligarchen van deze tijd die alle drie prominent bij de inauguratie van Trump aanwezig waren. Zij zitten boven op het hooi en kunnen als miljardairs kwistig met het hooi strooien. Een van die drie saters heeft geen hoofd. Het is duidelijk om welke sater het hier gaat. Het is de sater die als een kip zonder kop al dromende naar Mars wil vliegen. Achter de hooiwagen lopen hoogwaardigheidsbekleders met mooie kleren. Dat zijn natuurlijk de hielenlikkers van de drie saters. Zij moeten hun mooie praatjes zien te verkopen aan het volk. De hooiwagen wordt voortgetrokken door twee paarden, bereden door een leidende ruiter. Hij geniet ervan, hij lijkt de baas, maar feitelijk zijn het natuurlijk de saters die de leiding hebben. Hij stuurt de hooiwagen meedogenloos naar voren. Er is intussen al iemand onder de wielen verpletterd. Twee mannen lopen met een heiligenhuisje de andere kant op, tegen de stroming in. Tegen beter weten in zijn er nog mensen die willen vasthouden aan normen en waarden, en die niet zomaar dezelfde kant als de hooiwagen uit willen lopen. Ze koesteren hun oude idealen maar niemand van de omstanders lijkt er nog in te zijn geïnteresseerd. Een aantal mensen probeert wat hooi van de wagen af te plukken, ze willen graag een graantje meepikken. Intussen zien we overal soldaten, boven het kasteel zien we vuur en rook: de wereld staat in brand.

Het tweede fragment van het schilderij.

Dit fragment van het schilderij illustreert een aantal dingen die we op het vorige fragment zagen nog beter. Op de voorgrond ligt een man, is hij lui, is hij ziek? Hij wordt verzorgd, misschien wordt hij wel in slaap gesust, door een sater. De saters die in slaap sussen, dat zijn de personificaties van de sociale media, die hem laten weten wat goed voor hem is. Hij kan zakken vol met leuke dingen krijgen (achter hem). Maar je kunt er niet zo maar in graaien, voor wat hoort wat. Het kost je in het ergste geval je (geestelijke) leven, de man met het zwaard staat al klaar. Sommige geluksvogels weten een graantje mee te pikken, zoals de rechterman met het hooi op zijn rug. De vrouw achter hem wil ook wel iets van die welvaart hebben, wanhopig plukt ze iets van de rijkdom van zijn rug af. Rechts staat een jonge priester dit schouwspel af te keuren. Hij staat er helemaal eenzaam en alleen. Hij is machteloos.

Het derde fragment van het schilderij.

In het derde fragment zien we linksboven hetzelfde heiligenhuisje dat wordt weggedragen. Er achter lopen een vrouw op een ezel en we moeten natuurlijk gelijk denken aan Maria die vlucht naar Egypte, of aan Mozes op zoek naar het beloofde land. Er zijn ook nu veel mensen op de vlucht of op zoek naar het beloofde land. Rechts boven zien we hoe een priester een hele mensenmassa iets probeert wijs te maken. Het is natuurlijk een sater, verkleed als priester. En rechts onder zien we hoe een naakte man, volgevreten, apatisch alles om zich heen laat gebeuren. Hij heeft overvloed, waar zou hij zich druk om maken!

Wil je het complete schilderij zien? Ga dan naar museum het Catharijneconvent. De Hooiwagen! En fantaseer er je eigen allegorische voorstelling bij.

Geplaatst in Geschiedenis, kunst, maatschappij | Tags: , , , , , , , | Plaats een reactie

Mijmeren in Roermond en in Gouda

Vanaf de kruistochten gingen sommige edelen naar het Heilige land. Dat was een avontuurlijke reis maar als ze dat overleefden hadden ze terug in Nederland heel wat te vertellen. In heel Nederland zijn daar nog getuigenissen van te vinden in de vorm van kerken of kapellen.

In Roermond is er een prachtige kapel, de zogenaamde Caroluskapel. Deze kapel heeft een lange geschiedenis. Oorspronkelijk was daar vlakbij een andere kapel, de zogenaamde Bethlehemkapel. En dat was zo’n kapel die gebouwd is naar aanleiding van een pelgrimstocht naar het Heilige Land.   Werner van Swalmen had in 1368 een pelgrimage naar het Heilige Land gemaakt en daarna in 1370 een kapel opgericht die herinnerde aan de Geboortekerk te Bethlehem. In 1376 werd bij die plek een kartuizerklooster gesticht door monniken uit Keulen. Klooster en kapel kenden een roerige geschiedenis waar ik nu niet op in ga. Maar uiteindelijk werd in 1783 het kartuizerklooster opgeheven, in het kader van de politiek van keizer Jozef II, die contemplatieve orden verbood. Drie jaar later was de laatste monnik vertrokken. Vanaf 1841 hebben de gebouwen dienstgedaan als grootseminarie van het bisdom Roermond. De voormalige kloosterkerk, in 1841 gewijd aan de heilige Carolus Borromeüs, werd gerestaureerd en in 1986 weer in gebruik genomen als kerk. Er zijn daar in de zomer regelmatig orgelconcerten te horen.

Het Grootseminarie is er inmiddels ook niet meer. In de voormalige kloostergebouwen zijn tegenwoordig de kantoren van het bisdom Roermond gehuisvest. De oorspronkelijke Bethlehemkapel is helaas verdwenen. Achter de wel nog bestaande Caroluskapel, op terrein van het voormalige klooster, is  een mooi stadspark. Waar je kunt mijmeren over Werner van Swalmen of de daar indertijd altijd maar in stilte biddende kartuizers.

Pelgrimstochten van edelen naar het heilige land hadden dus vaak tot gevolg dat er nadien kapellen werden gebouwd door de pelgrims welke moesten herinneren aan hun devote reis. Dat gebeurde ook in Gouda. Nadat de priester en vicaris van de Goudse Sint-Janskerk, Gijsbert Raet, tussen 1478 en 1487 een pelgrimstocht naar Jeruzalem had gemaakt, liet hij, terug in Gouda, omstreeks 1500 een twaalfzijdige kapel bouwen naar het model van de Heilig Grafkerk. Het is de best bewaarde kapel van dit type in Nederland. De kapel werd in 1504 gewijd. Raet overleed op 28 mei 1511 en werd, zoals hij dat gewenst had, in de kapel begraven. Bij een ingrijpende restauratie van deze Jeruzalemkapel in de periode 2004 tot 2007 werden resten van het skelet van de priester Gijsbert Raet teruggevonden. Deze waren waarschijnlijk bij een verbouwing in 1780 herbegraven in een kuil naast het eigenlijke graf in de kapel.

In museum het Catharijneconvent is er een model van de heilige grafkerk van Jeruzalem uit 1675 te zien. Het is niet bekend waar deze gemaakt is, wellicht in Jeruzalem zelf. Dit model kon dienen voor nieuw te bouwen Heilige Grafkerken in Nederland.

Maar de grafkerk van Gijsbert Raet bestond toen allang en lijkt er nauwelijks op. De grafkerk in Gouda heeft namelijk 12 kanten, en dit model is niet twaalfzijdig. De 12 kanten staan symbool voor het eeuwige leven.

De Jeruzalemkapel in Gouda is voor publiek gesloten. Soms is hij toch open, bij bijvoorbeeld Open Monumentendag of bij een rondleiding door een stadsgids. Zo ben ik enkele keren in deze Jeruzalemkapel geweest maar heb toen jammer genoeg geen foto’s van de binnenkant gemaakt. Op internet vond ik een foto van een vensterglas vanuit de kapel gemaakt.

Aan de oostkant van de Sint Janskerk van Gouda is een mooi parkje. Erasmus kijkt daar naar de voorbijgangers, bijvoorbeeld naar de toeristen of de zwervers die er vaak op de bankjes zitten. Maar van daaruit heb je ook een mooi uitzicht op de Jeruzalemkapel. Het is een heerlijke plek om te mijmeren over het verleden van deze kapel, of over de Sint Jan zelf, of over Erasmus, of over het voormalige kasteel van de heren van Gouda, of over….

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Perotinus in de St. Jan

Gisteren woonde ik een concert bij in de Sint Jan van Gouda. De uitvoerenden waren de leden van het Ensemble Hermes. Voor aanvang van het concert hoorde ik nog een stukje van de repetitie, een deel waarin alleen de mannen van het ensemble zongen. Ze zongen “Salvatoris hodie” van Perotinus, muziek geschreven rond 1200. Muziek die je vrijwel nooit hoort, heel bijzonder! Doordat het buiten onbewolkt was waren de vensters van de kerk wonderschoon. Op de achtergrond in onderstaande film zie je een deel van het venster waarop Johannes de Doper Jezus doopt.

Het programma gaf een polyfoon vergezicht, muziek vanaf Hildegard von Bingen tot en met een compositie van de ensembleleider Jeroen Spitteler uit 2024. Hij leidt in dit ensemble zangers op om vanuit de oorspronkelijke notatie te komen tot de essentie van de polyfonie. De zangers stonden bij een aantal werken, zoals dat van de Missa Papae Marcelli van Palestrina, in twee zestallen rond een standaard. Daarop stonden de grote koorboeken met de originele notatie.

Bij het Gents altaarstuk van Hubert van Eyck zie je hoe dat er in die tijd (in dit geval 1432) uit zag.

Aan de linkerkant van de kerk had ik tijdens en voor het het concert een mooi uitzicht op enkele glazen uit de “Johannes-cyclus”. Hier zie je een detail van glas 13, Jezus debatteert met schriftgeleerden in de tempel terwijl Maria en Jozef hem zoeken. Je ziet hoe ze op de achtergrond aan komen lopen, ze hebben hem eindelijk gevonden. ‘Kijk Jozef, daar zit hij!’


Ik was bij het concert het meest gecharmeerd van “Os justi” van Anton Bruckner. Romantische polyfonie, heel bijzonder. Maar ook de uitvoering met 5 vrouwelijke zangers van “Ave Generosa” van Hildegard von Bingen (enigszins bewerkt door Jeroen Spitteler) en de canon “Nesciens Mater” van Jean Mouton vond ik erg mooi. Het concert wordt a.s. vrijdag nog herhaald in de Pieterskerk van Utrecht en zaterdag in de Waalse kerk van Amsterdam.

Geplaatst in kunst, muziek, recensie | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Duivels op het altaar in het Catharijneconvent

De periode 1000-1200 vind ik een van de meest aantrekkelijke periodes als het gaat om “kunst”. Ik zet expres het woord kunst tussen aanhalingstekens, want in die tijd waren de meeste kunstvoorwerpen functioneel, ze hadden een doel. In Nederland zijn er niet zo veel plekken waar je die kunstvoorwerpen nog in hun originele context kunt zien. Het meeste is verdwenen, een deel is in musea terecht gekomen. Ik vermeld nog maar weer eens de OLV-basiliek en de Sint-Servaasbasiliek van Maastricht. Daar is nog vrij veel te zien, helaas het meeste alleen tijdens speciale rondleidingen. De functie van veel kapitelen, vooral in de Servaas, blijft enigszins onduidelijk, maar misschien is dat juist het geheim van de aantrekkingskracht die ze op mij uitoefenen. Net als religieuze muziek uit die tijd. Altijd ingetogen, muziek die vanuit je ziel moet klinken, enigszins geheimzinnig.

Vandaag was ik in museum Catharijneconvent.  De meeste objecten die je daar kunt zien kende ik al, maar in sommige verdiepte ik me nu meer dan bij eerdere bezoeken. Het viel me nu voor het eerst op dat de periode die ik zelf het meest interessant vind hier karig bedeeld is. Ik licht er een voorwerp uit die periode uit: een altaarkandelaar met draken en hagedis-achtige wezens van rond 1200. Hij komt uit “Duitsland”, een erg ruim aangegeven bron. Maar iets dergelijks kende ik nog niet uit de Christelijke traditie. De wezens lijken inderdaad sterk op wezens zoals je ze ook op sommige kapitelen uit die tijd kunt zien: vaak zijn ze ook daar symmetrisch afgebeeld. De twee draken zitten ruggelings en met hun achterhoofden tegen elkaar aan in het midden. Aan de uiteinden, bij de poten van de kandelaar, zie je een soort honden (?) met een bal in hun mond, maar hun rug lijkt meer op die van een hagedis. De bal in de mond is dan waarschijnlijk een opgerolde tong zoals we die kennen van hagedissen. Ze kunnen in één snelle beweging hun tong uitrollen en een prooi verschalken! Hun poten zijn grote leeuwenpoten. Dat laatste is een algemeen gegeven: leeuwenpoten als de onderkant van iets dat moet “staan”.  We zien dat al in de Romeinse tijd.

Hoe algemeen waren dit soort kandelaars in die tijd? Op deze site krijgen we meer informatie. Samengevat lezen we daar:
Altaarkandelaars zijn kandelaars die dienen als verlichting tijdens de Mis of andere liturgische handelingen op het altaar. Aanvankelijk waren het er meestal twee, later kon het aantal oplopen tot wel zeven kandelaars. De eerste kandelaars stammen uit de periode van vlak voor 1100. In die tijd stonden ze ook vaak rondom het altaar. Vanaf de dertiende eeuw werd het verplicht om altaarkandelaars op het altaar te zetten. Ze waren meestal van brons of messing, soms ook van zilver of tin, een enkele keer zelfs van hout.  In de 12e en 13e eeuw hadden ze oftewel driezijdige voeten, ronde voeten of er waren voeten met fantastische dierwezens.
In dit geval gaat het dus duidelijk om “voeten met fantastische dierwezens”. Ook de draken in het midden van deze altaarkandelaar in het museum sluiten sterk aan op de symboliek zoals we die op kapitelen uit die tijd kennen. Waar kapitelen met dergelijke angstaanwekkende wezens in Romaanse kerken vooral aan de westkant van een kerk te zien zijn, als waarschuwing voor de mensen die binnenkomen, zijn ze hier afgebeeld op een altaarkandelaar.  Wat doen ze vooraan in de kerk, op het altaar? Op kapitelen rond het altaar zijn eerder bijbelse tafeleren gangbaar. Maar nu zien we dus niet erg vriendelijke beesten. Ik stel me de priester voor die in het Latijn zijn gebeden prevelt, verlicht door een kaarsenkandelaar met deze “enge” wezens. Zou je dit kunnen zien als een soort vermaning? Zo van: ‘Blijf bij de les, want overal zijn er duivels aanwezig, die je met een handige opslurpende beweging kunnen verschalken!’

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Driekoningen

Afgelopen maandag was het “Driekoningen”, een christelijk feest waar meestal de kerstperiode mee wordt afgesloten. Ik las dat op veel plaatsen in Brabant en Limburg een actie is ondernomen om de aloude traditie van kinderen die bij mensen aan de deur aanbellen op deze dag weer in ere te herstellen. Ze doen dat dan niet zoals bij Sint Maarten om snoep te krijgen, maar om geld op te halen voor een goed doel. En dat gaat dan nu vaak middels een QR-code.

De drie koningen waren rijk, ze hadden goud, wierook en myrrhe meegenomen voor het pasgeboren kind in Bethlehem. Geen goedkope spullen. Het hele verhaal is vanaf de vroege Christelijke tijd steeds weer aangepast en wat is er van waar en wat is er niet van waar: waarschijnlijk, zo denken de meeste wetenschappers die zich in alle teksten hebben verdiept, is er vrijwel niets van waar. Maar de summiere bijbeltekst die er over gaat is genoeg reden om er iets mee te doen in de liturgie, zo ook in de Lutherse liturgische praktijk van Leipzig in de tijd van Bach. Bach heeft meerdere cantates geschreven die bij Driekoningen horen, het is ook het laatste onderdeel van het Weihnachtsoratorium. Maar de uitwerking zoals hij die maakte in cantate BWV 65 vind ik zelf de mooiste. De drie koningen komen met een enorme stoet op kamelen aan, ze worden vergezeld door oosterse muzikanten en bedienden, zo stel ik me het voor als ik er naar luister. De kamelen lopen stapvoets en statig. (Dus geen snelle uitvoering van dit openingsdeel wat mij betreft!) En de koningen  hebben geschenken bij zich. Al die pracht en praal horen we vooral in het eerste deel, maar Bach maakt al snel een enorm contrast. Gaandeweg de cantate worden wij als toeschouwers toegesproken en krijgen te horen dat het niet moet gaan om dure geschenken. Goud is in de ogen van God niets waard. Het gaat er om dat jezelf je hart geeft aan Jezus, dat is het mooiste geschenk dat er is.

Hoe werkt Bach dit alles muzikaal uit? Hij laat gelijk al de oosterse klanken van de muziek van de wijzen horen door de keuze van de instrumenten. Hoge hoorns worden gebruikt om een gevoel van majesteit over te brengen, terwijl blokfluiten en heel hoog klinkende hobo’s da caccia worden ingezet om het geluid van Midden-Oosterse dubbelrietinstrumenten na te bootsen. De majesteitelijke inleiding eindigt met een indrukwekkende unisono uitvoering van een thema dat zich over vier octaven uitstrekt. Vier octaven! De hele hemel wordt erdoor gevuld. Luister naar het Monteverdi Choir o.l.v. John Eliot Gardener.

De melodie staat uiteraard in majeur en is gebaseerd op een stijgende drieklankbreking, de drie wijzen krijgen als het ware alle drie een toon toegewezen: de eerste koning krijgt de C op de eerste zware tel, daarna na drie achtsten op de volgende zwaardere tel komt de volgende koning met de E, en tot slot de derde koning met de G.

Het zijn niet alleen de drie wijzen die gesymboliseerd worden denk ik, de unisono klank geeft aan dat ze heel erg bij elkaar horen, indirect gaat het dus om de heilige drieëenheid, God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Bach dacht na over zijn thema’s! Maar het stuk begint canonisch, het effect is dat je als het ware toeschouwer bent die naar de stoet staat te kijken, de ene kameel is nog niet voorbij of daar komt alweer een volgende, de inzetten buitelen over elkaar heen. Dan pas wordt met dit thema de tekst “Sie werden alle aus Saba her kommen “ gezongen, gevolgd door “Gold und Weihrauch”, twee van de geschenken die ze bij zich hebben. Bach laat in de noten maar vooral ook in het ritme van deze tekst zien dat goud een hard gesteente is terwijl wierook een vluchtige damp is. (Je hoort weer het Monteverdi Choir)

Het hierna komende koraal is uiterst sober, het vertelt in enkele zinnen wat er gebeurde: De koningen uit Saba kwamen er aan en namen goud, wierook en myrrhe mee. De sopraanmelodie heeft slechts een omvang van een kwart! Het zou mooi zijn om deze sobere vierstemmige zetting niet met instrumenten te verdubbelen. Je voelt dan nog meer: de koningen zijn in de stal aangekomen en lopen eerbiedig, zachtjes naar het kindje in de kribbe. Ik heb veel opnames beluisterd, heel vaak wordt er heel snel en/of ook hard gezongen. Zo moet het naar mijn idee niet. Ik hoorde een opname uit Boston door “Emmanuel Music”, een stichting die zich bezig houdt met uitvoeringen van het werk van Bach. Die vond ik misschien nog het meest in de buurt komen van wat ik als ideaal voor me zie bij dit koraal. Maar ook die van de Nederlandse Bachvereniging op het einde van dit artikel is heel mooi!

Bij het er na volgende recitatief worden wij als gelovigen betrokken bij dit gebeuren: hebben wij ook iets te bieden aan Jezus? We zouden ons hart kunnen aanbieden! Zoals altijd is Bach een meester in het muzikaal uitwerken van de tekst, vooral door het gebruik van bepaalde akkoorden, door de toonhoogte op een bepaalde manier te laten verlopen en zeker ook door ritmische figuren. Hieronder heb ik er met rood enkele opvallende passages uitgelicht. Opvallend in de muziek is het moment dat wij als toeschouwers erbij betrokken worden: “Mein Jesu”. Daar hoor je om te beginnen in het melodische patroon de aanroep (dalende gebroken drieklank), maar de ligging van het akkoord, een dominant septiemakkoord in secunde-ligging, werkt ook heel sterk, daardoor ontstaat er een vraag: de F (septiem) in de bas wil oplossen. Even verder, bij “Muss ich mich auch zu deiner Krippe kehren”, dalen we in gedachte af naar zijn kribbe. Tegen het einde van dit recitatief horen we bij: “Du Himmelskönig” dat deze hemelse koning zeer verheven is, we stijgen maar liefst een decime voor hem de hoogte in. En helemaal op het einde, bij “nichts edlers bringen kann”, bieden we ons hart aan, iets meer edel hebben we immers niet te bieden. Dat het desondanks de moeite waard is horen we aan de lange toon van de melodie en de snelle loopjes in de bas.

Ik bespreek de rest van de cantate niet, ik zeg alleen nog even iets over de aria “neem mij als geschenk”. Hier horen we weer de koninklijke instrumenten, terwijl de tekst is getransformeerd tot een tekst die over ons zelf gaat: blijmoedig bieden we ons zelf als geschenk aan. Het blijft feest, de hele cantate is zeer blijmoedig.

Bach doet eigenlijk iets in deze cantate dat lijkt op wat de kinderen doen die langs de deuren gaan om geld op te halen voor een goed doel. De drie koningen waren rijk, maar deze rijkdom moet omgezet worden in iets wat nog beter is, iets dat uit je hart komt.

De hele cantate nu in een opname gemaakt door de Nederlandse Bachvereniging. Heel mooi!

Klik hier om artikelen te lezen die ik over een aantal andere cantates van Bach schreef.

Geplaatst in muziek | Tags: , , , | Plaats een reactie

Nieuwe jongeren

Twintig jaar was ik. Ik liep met een studiegenoot door Maastricht, met een meisje dat wist hoe het leven in mekaar zat. Ze had net als ik geen cent te makken. De groenteboer had allemaal kisten met fruit buiten voor de etalage staan. Zonder blikken of blozen keek ze er naar en maakte een zorgvuldige keuze. Ze pakte twee appels en gaf er een aan mij. Ik wist niet wat er gebeurde! Ze liep gewoon verder. ‘Toch geen probleem?’ sprak ze toen ze mijn onthutste en vragende blik zag. Ik bloosde, keek nog even om en nam toen ook een hap uit de lekkere appel. Ik moest denken aan een eerdere keer. Dat was met mijn ouders, broer en zusjes. Ik zal zo rond de tien jaar geweest zijn schat ik. We liepen langs een boomgaard en mijn vader pakte voor ons allemaal een appel. Mijn moeder was verontwaardigd, ‘dat doe je toch niet!’ Mijn vader grijnsde en nam een smakelijke hap. We keken onzeker, wat te doen? ‘Er staan hier zo veel appels, geen probleem toch?’ zei mijn vader. Schoorvoetend namen we een voor een ook een hap. Al mijn normen en waarden werden op de proef gesteld. Mijn moeder zag het hoofdschuddend aan maar bleef het goede voorbeeld geven, ze deed niet mee. Ik bleef nadien ook standvastig. Tot die ene keer in Maastricht dus…

Met leeftijdsgenoten verzorgde ik een kindervakantieweek, ik was 21 jaar. Het leukste waren de avonden. De kinderen lagen in bed en wij zetten muziek op, dronken bier en gingen dansen. Dat waren compleet nieuwe ervaringen voor mij. Als onervaren drinker kon ik niet veel hebben. Midden in de nacht ging ik met een groepje van de leiding een stukje wandelen. Enkelen begonnen te zingen en maakten daarnaast ook nog eens veel herrie: ze liepen te schreeuwen, sloegen op alle vuilnisbakken die we tegen kwamen. Ik deed lustig mee. Zo liepen we door de straten van het dorp. We hadden erg veel lol, lachen joh! Niemand kon ons iets maken. We konden de hele wereld aan!

Na die ene kampweek was ik genezen van dit soort puberale excessen en wist weer hoe het hoorde. Maar de verleidingen bleven. Ik kreeg een nevenbaantje bij de Miro, in die tijd een soort mega-Albert-Hein. Vakken vullen, prijsjes plakken. Ik zag hoe leeftijdgenoten dingen pikten. De verleiding was groot om ook iets te jatten, maar ik deed het niet. Ik hoorde ook verhalen van wat ze gingen doen in het weekend. Een van de favoriete bezigheden was :”Hollanders in mekaar meppen”. Als je geen dialect sprak dan was je slachtoffer. Ik wist niet wat ik hoorde…

Al die dingen gaan door me heen als ik denk aan het gedrag van veel jongeren tijdens oud-en nieuw dit jaar. Behalve alcohol wordt er door veel jongeren ook drugs gebruikt. Je hebt zogauw je onder invloed bent overal schijt aan. Agenten die op je afkomen vormen een uitdaging. En met vuurwerk kun je veel in de fik steken, ook nu: “lachen joh!”

Waarom ging het bij mezelf al vrij snel weer goed?  Ik had een degelijke opvoeding gehad met veel vrijheid en wist wat goed en fout was. En zuipen? Daarvoor had ik om te beginnen geen geld. En ik had er gelukkig ook geen behoefte aan, ik had het naar mijn zin tijdens mijn opleiding en ervoer veel vriendschap van studiegenoten. Maar ik besef dat het net zo goed ook heel anders had kunnen gaan. Een van mijn studiegenoten kwam de dag na Oud- en Nieuw bij me op bezoek, ik woonde nog bij mijn ouders. Ze bleef daar ook een nachtje slapen. Het was prachtig weer, het was koud en ’s avonds gingen we een eindje wandelen. In die tijd (1969 was het denk ik) was er nog weinig straatverlichting en er was ook nog geen luchtvervuiling. Ik was het gewend, ik liep heel vaak alleen of met mijn moeder ’s avonds buiten. Maar mijn studiegenote was helemaal onder de indruk, wat een sterrenhemel! Tegenwoordig moet je daarvoor naar het noorden van het land of naar het buitenland. Gisteravond leek het er hier in West-Nederland weer een beetje op. Het was net nieuwe maan geweest, dus je had geen last van maanlicht. En zowel Venus, Saturnus, Jupiter als Mars waren deze avond van 2 januari te zien, af en toe waren ze weg achter een sliert bewolking, maar toch. Ook het sterrenbeeld Orion kwam net op. Ik maakte enkele foto’s, hier onder zie je eerst Venus en op de volgende foto het sterrenbeeld Orion.

Het was mooi deze avond maar ik verlangde toch naar die sterrenlucht van 56 jaar eerder. Toen kon je met gemak bij heldere hemel de Melkweg zien. Wat lijkt dat weer oneindig lang geleden. Maar ik besef dat 56 jaar niets is. De manen van Jupiter draaien nog steeds hun rondje, ook boven West-Nederland. Boven Jupiter zag ik gisteravond Ganymedes, er onder Io, Europa en Callisto.

De tijd lijkt opeens weer stil te staan. Zo zou het er indertijd ook uitgezien kunnen hebben. zestig jaar is in astronomische termen niks. Bij mensen is dat dan misschien anders, want Ik ben inmiddels een stuk ouder. Alhoewel: er zijn weer heel veel nieuwe jongeren.

Geplaatst in Astronomie, maatschappij | Tags: , , , | Plaats een reactie

Werking en interpretatie van het koorwerk Elis van Henri Delnooz

Soms zijn gedichten zo invloedrijk dat meerdere kunstenaars, ook uit verschillende disciplines, er in de loop van de tijd door worden geïnspireerd. Zo schreef Schiller het uitgebreide gedicht “Ode an die Freude”.  Beethoven haalde daar een aantal coupletten uit, paste hier en daar de tekst iets aan en componeerde op basis daarvan het laatste deel van de negende symfonie. Wagner bestudeerde de versie van Beethoven een halve eeuw later en schreef daar een artikel over. Die tekst, maar ook het muziekstuk van Beethoven, inspireerde nog weer later Gustav Klimt, die bij een Beethoven-herdenking in Wenen het zogenaamde “Beethoven-Fries” schilderde, een aantal schilderijen achter elkaar die de kern van het gedicht moeten verbeelden.

Iets dergelijks gebeurde met een romantisch verhaal van E.T.A. Hoffmann, een dichter die overigens ook componeerde, uit het begin van de 19e eeuw. In een verhalenbundel van hem staat “De mijnen bij Falun”, een verhaal dat gaat over Elis Frobom, een ​​17e-eeuwse Zweedse mijnwerker, die op zijn trouwdag sterft in de mijnen. Zijn lichaam wordt vijftig jaar later teruggevonden, nog steeds jeugdig, perfect bewaard gebleven. Zijn nu bejaarde vrouw ziet het lijk en omhelst hem, en zijn lichaam brokkelt af tot stof.  Het is een echt romantisch verhaal, er komt een toverfee in voor en een “spokende,  in de mijn gestorven mijnwerker”.  Dat verhaal inspireerde de dichter Georg Trakl die er in 1913-1914 een driedelig gedicht over maakte: Elis. Dat gedicht, maar ook het er achter liggende verhaal van Hoffmann inspireerde op zijn beurt de componist Henri Delnooz in 1987 tot het schrijven van een koorstuk voor 16 onafhankelijke stemmen: “Elis”. En een hedendaagse schilder, Siiri Spronken, liet zich weer door deze compositie inspireren en maakte vijf schilderijen met de naam Elis1 tot en met Elis5.

Zoals ook het gedicht van Trakl niet makkelijk valt  te duiden, zo is dat ook niet gemakkelijk met de muziek van Henri Delnooz. Het gedicht is bij Trakl niet meer romantisch maar is vooral symbolistisch. Alle woorden suggereren iets, door hun mogelijke betekenis, maar ook door de klanken van de klinkers. Ook het ritme van deze tekst is heel suggestief. Henri Delnooz begon aan de compositie door eerst het gedicht heel vaak te declameren om zo te voelen wat voor hem de mogelijke inhoud was. Dat zegt hij in een gesprek, dat opgenomen is, van hem met Hella Melkert (musicologe), Eric Hermans (dirigent) en Mathieu Vermeulen (koorlid). Ook zegt hij daar hoe het stuk uitgevoerd moet worden en licht dat hier en daar met een voorbeeld toe. Wat in dat gesprek gezegd wordt kan toekomstige uitvoerders van dit stuk van dienste zijn. ‘Alles begrijpen van het gedicht moet je niet willen, ik begrijp er nog steeds lang niet alles van’, zo zegt hij. Eigenlijk is dat uiteindelijk ook zo bij de compositie: je moet deze ondergaan, en het werkt als je hem vaker beluistert. Wat dat betreft is het fijn dat er een mooie opname op CD van bestaat en er is ook een streaming opname gemaakt door L1, de regionale omroep Limburg.

Ik ga hieronder proberen om het stuk wat meer te verduidelijken. Ik gebruik daarvoor mijn eigen interpretatie van de tekst van het gedicht van Trakl, dan de informatie die met name Henri Delnooz en ook Eric Hermans geven tijdens hun gesprek. Hoe werkt de muzikale uitwerking bij mijzelf? Ook daar schrijf ik over. Tot slot vertel ik nog iets over de relatie muziek-beeld door in te gaan op vijf schilderijen die werden gemaakt door de kunstenaar Siiri Spronken.

De tekst van Trakl

Deel 1

Elis, wenn die Amsel im schwarzen Wald ruft,
Dieses ist dein Untergang.
Deine Lippen trinken die Kühle des blauen Felsenquells.

Lass, wenn deine Stirne leise blutet
Uralte Legenden
Und dunkle Deutung des Vogelflugs.

Du aber gehst mit weichen Schritten in die Nacht,
Die voll purpurner Trauben hängt,
Und du regst die Arme schöner im Blau.

Ein Dornenbusch tönt,
Wo deine mondenen Augen sind.
O! wie lange bist, Elis, du verstorben.

Dein Leib ist eine Hyazinthe,
In die ein Mönch die wächsernen Finger taucht.
Eine schwarze Höhle ist unser Schweigen,

Daraus bisweilen ein sanftes Tier tritt
Und langsam die schweren Lider senkt.
Auf deine Schläfen tropft schwarzer Tau.

Das letzte Gold verfallener Sterne.

We maken hier kennis met de “blauwe wereld” van veel gedichten van Trakl. Het woord blauw zien we in dit eerste deel twee keer: de “blauen Felsenquells” en ”schöner im Blau”. Waarschijnlijk heeft hij de symboliek daarvan overgenomen van Novalis die leefde van 1772 tot 1801. Novalis wordt wel als een van de eerste romantici beschouwd. In diens roman “Heinrich von Ofterdingen” wil de jonge Heinrich elke vorm van materialisme verwerpen en op zoek gaan naar de perfecte blauwe bloem. Dat beeld werd een symbool voor de Duitse romantische beweging. Trakl kende het beeld en had zelfs een van zijn gedichten aan Novalis opgedragen. Maar een ding springt er gelijk uit als je dit gedicht van Trakl voor je zelf declameert: het is een somber gedicht. We bekijken nu het hele gedicht per deel en per strofe.

Strofe 1: “Elis, wenn die Amsel im schwarzen Wald ruft, dieses ist dein Untergang. Deine Lippen trinken die Kühle des blauen Felsenquells.”
Er vliegt een merel. Maar die merel is natuurlijk zwart ook al wordt dat niet expliciet gezegd. Hij zit niet vrolijk te fluiten in een boom in de lente, nee, hij vliegt door het zwarte woud en roept intussen “jouw ondergang zit er aan te komen”. Wie is het die een noodlot tegemoet gaat? Het gaat om de ondergang van iemand die likt aan een natte rots. We kunnen op dit moment nog slechts raden wat hier aan de hand is.

Strofe 2: “Lass, wenn deine Stirne leise blutet uralte Legenden und dunkle Deutung des Vogelflugs.”
Ook hier is er weer sprake van geheimzinnige informatie. Het woord “lass” kun je misschien het beste vertalen als “geef je over aan”. Al in de oudheid keken waarzeggers naar de vlucht van vogels om de toekomst te voorspellen. In dit geval gaat het om een “dunkle Deutung”, een sombere duiding van de vlucht van de vogels.

Strofe 3: “Du aber gehst mit weichen Schritten in die Nacht. Die voll purpurner Trauben hängt, und du regst die Arme schöner im Blau.
Wie is “Du”? dat is natuurlijk de hoofdpersoon Elis. We zien hem in deze strofen met zachte tred in de nacht lopen, een nacht, om hem heen hangen paarse druiven. Paars is de kleur van de rouw. Hij loopt met zijn armen naar boven gericht. Probeer maar te voelen wat dat zou kunnen betekenen!

Strofe 4: “Ein Dornenbusch tönt, wo deine mondenen Augen sind. O! wie lange bist, Elis, du verstorben.”
In deze strofe maken we opnieuw een sprongetje in de tijd, hij eindigt immers met de zin: “O! wie lange bist, Elis, du verstorben.”Hij is dus inmiddels dood. We horen hem nog klinken vanuit een struik met doornen (de brandende braambos van waaruit God tot Mozes sprak?) We zien ook zijn “maanachtige ogen”, zijn het de geopende ogen van een gestorvene?

Strofe 5 “Dein Leib ist eine Hyazinthe, in die ein Mönch die wächsernen Finger taucht.
Eine schwarze Höhle ist unser Schweigen
”.
In de vijfde strofe wordt zijn lichaam beschreven, dat er uit ziet als een hyacint waar een monnik zijn wassen vingers in doopt.  In de tijd van Trakl zal dat een wilde hyacinth zijn geweest, die meestal blauw is en klokjes heeft die een beetje schots en scheef naar beneden hangen. In die hyacinth doopt een monnik zijn vingers van was. Alles is zacht en week.

Strofe 6Daraus bisweilen ein sanftes Tier tritt und langsam die schweren Lider senkt.
Auf deine Schläfen tropft schwarzer Tau.
In de zesde strofe zien we nog wat details. Er komt een klein, zacht beestje uit zijn lijf. Dat diertje laat langzaam zijn zware pootjes zakken. Op de slapen van Elis zien we zwarte dauw. In het beeld dat geschetst wordt zien we een stervend iemand.

Strofe 7 Das letzte Gold verfallener Sterne”. Deze zwarte dauw is als het ware een restant van uit elkaar gevallen sterren. Een beeld van eeuwigheid. Elis wordt opgenomen in de kosmos.

Wat kunnen we nu zeggen over dit eerste deel van het gedicht? Het lijkt er op of dit deel een terugblik is op Elis, nadat hij gevonden is, 50 jaar na zijn dood. Indertijd ging hij de mijn in om een diamant te vinden voor zijn bruid. Hij hoorde in het bos een merel, maar die merel voorspelde zijn ondergang. De mijn stort in, hij bloedt langzaam dood en hij moet zich overgeven aan alle voorspellingen die aan hem gedaan werden. (Zie voor die voorspellingen ook het oorspronkelijke verhaal van Hoffmann.)  En de kleur “blauw”? Het is een mysterieuze kleur met veel schakeringen, het is de kleur van de lucht en de kleur van het water en vooral ook de kleur van de dag. Tegenover blauw staat zwart als kleur van de nacht, de dood, de grot, de mijn. Deze twee kleuren spelen in het leven van Elis een rol. Bij Hoffmann lezen we dat Elis begon als zeevaarder (blauw) en uiteindelijk mijnwerker werd (zwart). De ultieme tegenstelling is hier leven tegenover dood. Zie straks ook deel 3 want deel 1 en deel 3 zijn verwant. Maar deel 1 is vooral somber.

Deel 2

Vollkommen ist die Stille dieses goldenen Tags.
Unter alten Eichen
Erscheinst du, Elis, ein Ruhender mit runden Augen.

Ihre Bläue spiegelt den Schlummer der Liebenden.
An deinem Mund
Verstummten ihre rosigen Seufzer.

Am Abend zog der Fischer die schweren Netze ein.
Ein guter Hirt
Führt seine Herde am Waldsaum hin.
O! wie gerecht sind, Elis, alle deine Tage.

Ein heiterer Sinn
Wohnt in der Winzer dunklem Gesang,
Der blauen Stille des Ölbaums.

Bereitet fanden im Haus die Hungernden Brot und Wein.

Strofe 1: “Vollkommen ist die Stille dieses goldenen Tags. Unter alten Eichen erscheinst du, Elis, ein Ruhender mit runden Augen.”
Dit deel opent met de beschrijving van een mooie herderlijke omgeving, een plaats van perfecte stilte en op een dag dat alles is zoals het hoort te zijn. Dan komt de oe-klank: Unter alten eichen, ein Ruhender met Runden Augen. Ook deze oe-klank, die ik in mijn eigen beleving heel langzaam moet uitspreken, voelt aan als volkomen rust.

Strofe 2: “Ihre Bläue spiegelt den Schlummer der Liebenden. An deinem Mund verstummten ihre rosigen Seufzer.”
De ogen zijn blauw en weerspiegelen de sluimer (weer een oe-klank, Schlummer”) der Liebenden. Nog twee keer een “oe”: “Mund” en “verstummten”. We zien “het roze” van de twee jonge lichamen die elkaar liefhebben, in deze perfecte omgeving.

Strofe 3: “Am Abend zog der Fischer die schweren Netze ein. Ein guter Hirt führt seine Herde am Waldsaum hin. O! wie gerecht sind, Elis, alle deine Tage.”
De herderlijke beelden gaan verder: we zien de visser die zijn netten binnenhaalt en de herder die zijn schapen naar de rand van het bos leidt. Zowel de visser (de apostelen waren vissers) als ook het beeld van de herder lijken een relatie met de bijbel te hebben. Alles lijkt te kloppen: “o, wie gerecht sind, Elis, alle deine Tage”. 

Strofe 4: “Ein heiterer Sinn wohnt in der Winzer dunklem Gesang, der blauen Stille des Ölbaums.”
We horen de wijnmaker zingen en de olijfboom ademt een blauwe rust.

Strofe 5: “Bereitet fanden im Haus die Hungernden Brot und Wein.”
De mensen komen thuis en het eten staat al klaar. Wat een mooie beelden! We zijn hier in de tijd dat Elis en zijn verloofde de liefde konden bedrijven in een ongerepte omgeving. Brood en wijn zijn beelden uit de eucharistieviering. Is de dood van Elis ook een offer?

De sfeer van dit tweede deel is totaal anders. De dichter probeert ons te laten voelen hoe het was toen Elis en zijn verloofde in volslagen harmonie in een idyllische omgeving de liefde bedreven. Alles leek te kloppen.

Deel 3

Ein sanftes Glockenspiel tönt in Elis’ Brust
Am Abend,
Da sein Haupt ins schwarze Kissen sinkt.

Ein blaues Wild
Blutet leise im Dornengestrüpp.

Ein brauner Baum steht einsam da;
Seine blauen Früchte fielen von ihm.

Zeichen und Sterne
Versinken leise im Abendweiher.

Hinter dem Hügel ist es Winter geworden.

Blaue Tauben
Trinken nachts den goldenen Schweiss,
Der von Elis’ kristallener Stirne rinnt.

Immer tönt
An schwarzen Mauern Gottes eisiger Odem
.

Deel 3 heeft net als deel 1 weer 7 strofen.

Strofe 1: Ein sanftes Glockenspiel tönt in Elis’ Brust am Abend, da sein Haupt ins schwarze Kissen sinkt.
Het is avond en Elis laat zijn hoofd zakken, maar het zakt in een zwart kussen. Het is denk ik het kussen van de keiharde rotsen van de donkere mijn. Het geluid van het zachte klokkenspel is misschien zijn hartslag die nog een tijdje door gaat.

Strofe 2: Ein blaues Wild blutet leise im Dornengestrüpp. In de doornenstruiken staat een wild dier dat aan het bloeden is. De struik met doornen doet me denken aan de doornenkroon van Jezus toen hij werd gemarteld, het wilde dier staat voor Elis denk ik.

Strofe 3: Ein brauner Baum steht einsam da; seine blauen Früchte fielen von ihm. Er staat een bruine boom zonder vruchten: twee symbolen (bruine boom en afvallende vruchten) van vergankelijkheid.

Strofe 4: Zeichen und Sterne versinken leise im Abendweiher. Een avondlijke vijver weerspiegelt symbolen die steeds minder zichtbaar worden.

Strofe 5: Hinter dem Hügel ist es Winter geworden. En in de verte achter de heuvel begint het winter te worden. Deze zin wordt apart gezet. De winter staat voor het seizoen waar alle leven min of meer vedwenen lijkt te zijn: Elis is langzaam aan het sterven.

Strofe 6: Blaue Tauben trinken nachts den goldenen Schweiss, der von Elis’ kristallener Stirne rinnt. Het slot van deze strofe laat zien hoe Elis aan zijn einde is gekomen in de mijn. Blauwe duiven likken zijn voorhoofd, maar het is een gouden zweet, en zijn voorhoofd is van kristal, het kristal dat hij indertijd ging zoeken voor zijn geliefde? De zwarte merel van het begin is nu vervangen door blauwe duiven, die duiven lijken liefdevol, ze likken zijn voorhoofd droog. De duif staat voor vrede, de kleur blauw symboliseert hier licht, het licht van het hiernamaals?

Strofe 7: Immer tönt an schwarzen Mauern Gottes eisiger Odem. Om hem heen is alles zwart, de donkere zwarte wanden van de ingestorte mijn en hij ervaart tijdens zijn laatste uren een ijzige wind. Die ijzige wind is een onverbiddelijke wind die is als de ijzige adem van God.

Samenvattend: In deel 3, het laatste deel van het gedicht, wordt het hele stervensproces van Elis uitgebeeld. Deel 2 is een terugblik op zijn gelukkige leven vlak daarvoor. Deel 1 verspringt naar meerdere momenten maar is uiteindelijk net als deel 3 een beschrijving van het einde van zijn leven en van zijn dood. Alle delen staan bol van de symboliek, het gebruik van klinkers en het benoemen van kleuren: vooral blauw en zwart, maar ook paars, roze, goud en bruin.

Het gesprek tussen Hella Melkert, Henri Delnooz, Eric Hermans en Mathieu Vermeulen

Er was zoals eerder gezegd indertijd een gesprek, geleid door Hella Melkert, met Henri Delnooz, dirigent Eric Hermans en Mathieu Vermeulen. (Hij is onder meer zakelijk leider en zanger van Studium Chorale en doet voor de Stichting Maastrichtse Componisten muziekhistorisch onderzoek en stelt concertprogramma’s samen.) Dat gesprek is toen opgenomen op een cassetterecorder. Ik heb enkele stukjes uit dat gesprek gedistilleerd, die ik hier ook nog toelicht. Dat is bijzonder waardevol omdat zowel Henri Delnooz als Eric Hermans inmiddels zijn overleden. Mathieu Vermeulen heeft als koorlid indertijd ook meegezongen bij de uitvoering voor CD.

Wat zegt Henri Delnooz over het stuk? Eerst gaat het gesprek over de tekst en over de kleuren. Hella vraagt hem: ‘hoe ben je op de tekst van Trakl gekomen? Wat doen de kleuren? Wat is de relatie tussen horen en zien?’  Henri Delnooz zegt dat het gedicht zelf voor hem de inspiratiebron was. Hij las het en werd gegrepen door hoe het klinkt en hoe het bol staat van de symbolen en kleuren. Al declamerende voelde hij hoe de tekst overging in kleuren en vocalen. Het werden een soort “gekleurde bewegingen”.

Hella vraagt aan Henri: wat is nu “uw Elis”? Hij antwoordt: ’alles wat tegengesteld is: licht als consequentie van donker, onder als consequentie van boven, negatief als consequentie van positief,  ondergaan en verrotten als consequentie van bloeien, en, iets waar iemand anders me op attent maakte: de dood van Jezus Christus waaruit de verrijzenis voortkomt. Dat realiseerde ik me pas toen het stuk al klaar was, maar dat maakt niets uit, het is ook maar een versie van de tegenstelling positief-negatief.’ Opvallend is dat hij niet het woord “tegenover” gebruikt als hij het over die tegenstellingen heeft, maar “consequentie van”. Je hoort hoe hij dat even per ongeluk wilde doen, maar zich onmiddellijk herstelt en er “consequentie van” van maakt. Het een komt voort uit het ander!

In het volgende fragment van het gesprek probeert Henri uit te leggen hoe de expressie werkt in dit stuk, met name de werking van de dynamiek. Hij vertelt hoe zangers als ze zingen op een tekst vanzelf de neiging hebben om harder en zachter te gaan zingen op een bepaalde, voor hen natuurlijke manier. ‘Maar ik wil heel bewust dat ze het net een klein beetje anders doen. In het begin van de partituur zie je hoe de gediviseerde sopranen allebei op een Bes beginnen, met als dynamiek een partij pianissimo, de ander piano. De partij met piano blijft steeds op dezelfde sterkte, die met pianissimo wordt langzaam harder tot mezzoforte en op dat moment zingen ze een B. Dan worden ze onmiddellijk weer zachter en zingen uiteindelijk de toon B ook op piano-sterkte.  Dit soort dingen gebeurt voortdurend en het moet nauwgezet worden uitgevoerd. Normaal gesproken zouden de stemmen de neiging hebben om steeds ongeveer hetzelfde te doen met de dynamiek maar dat is nu juist net niet de bedoeling.’

Het laatste fragment dat ik er uit licht gaat over het begrip “stollend”, “irrigidendo”, dat vooral in het laatste deel en nog specifieker op het einde daarvan een belangrijke rol speelt. Ook Eric Hermans, de toenmalige dirigent, deelt zijn ervaringen met dat begrip en vertelt hoe dat werkt. Henri Delnooz zegt dat het proces dat je hoort vergelijkbaar is met lava die van een berghelling stroomt. De snelheid van de stroming wordt steeds langzamer, de lava stolt. Uiteindelijk komt hij tot stilstand, maar dat gaat uiterst langzaam. Je kijkt ernaar en denkt: “is de trage massa nu tot stilstand gekomen?” je weet het heel lang niet. Eric vertelt dat dit een ontzettend spannend onderdeel is van de compositie, je moet dat gevoel van stollen proberen over te brengen.

Verhelderend is misschien ook de tekst die Mathieu Vermeulen indertijd maakte als programmatoelichting bij dit stuk. Hij schreef onder meer:

In het gedicht valt onmiddellijk de overvloed van beelden op waarin kleuren een rol spelen. Niet als realistische beschrijving of als impressionistische anecdote, maar als eigenlijke drager van de betekenis. Dit was een eerste muzikaal idee voor de componist. voor hem liggen “kleuren zien” en “klanken horen” in elkaars verlengde; zien en horen gaan in elkaar over: muziek als gekleurde beweging, als beweging met kleur. Daarnaast ontwikkelde Delnooz een tweede idee, dat het beste weergegeven kan worden door de laatste tempo-aanduiding van het stuk: de in de muziek ongebruikelijke term “irrigigendo” (stollend). Het derde deel moest voor hem uit het “tot-stilstand-komen” van iets, vergelijkbaar met een lavastroom die langzaam de helling afschuift, vooruitgaand in de ruimte, veranderend van vorm zonder dat men weet hoe en wanneer het stolsel tot stilstand komt. Dit stollen slaat op de tijdsbeleving. De componist zegt hierover: ‘dat wat tot stilstand moest komen was de tijd. Dit sluit aan bij mijn technieken die, afwisselend met of zonder overgang, een gevoel van vooruitgang in de tijd en een gevoel van richting veroorzaken, en het tegengestelde daarvan: het niet-vooruitgaan, het richtingloze, het gevoel omgeven te zijn. Tijd als rechte lijn, tijd als cirkel.’

Mijn eigen analyse en interpretatie van de muziek

Ik heb het stuk eerder al na een aantal keren beluisteren proberen te analyseren op het gehoor. En ik merk dat ik steeds meer ga horen. Ik zal me nu beperken tot een algemene beschrijving. Deel 1 en 3 zijn zeer verwant, dat zagen we ook bij de beschrijving van de tekst. Ze beginnen met muzikale uitwerkingen waarbij de tekst al luisterende niet is te volgen. Eerst klinkt in deel 1 de titel “Elis” die breed wordt uitgewerkt in een zweverige sfeer. Daarna volgt een vrij lang stuk bestaande uit heel korte stukjes van lettergrepen gevolgd door rust op vaak repeterende tonen die door het hele koor heen klinken. Elke zanger heeft zijn eigen lettergrepen die af en toe weer terugkeren. Je hoort een soort ademhaling, het is een gestage beweging die toch geleidelijk enigszins verandert. Is het de ademhaling van de langzaam stervende Elis? Het geheel zakt of stijgt dan wel niet, maar er komen steeds, vooral lagere tonen bij. De tonen worden ook steeds langer, er ontstaat geleidelijk aan een steeds meer klaaglijke sfeer. Er is steeds geluid, er zijn dan geen stukjes stilte meer. We worden door deze klanken geconfronteerd met het dramatische einde van Elis, het klinkt ook misschien als de klaagzang van de treurende bruid die volgens het verhaal elk jaar op de dag van zijn dood terug ging naar de mijn. De klanken van de lettergrepen zijn als kleuren, ze zijn gehaald uit de lettergrepen van de woorden van strofe 1 en 2. En in een willekeurige volgorde: de tekst zelf is onherkenbaar geworden. Strofe 3 tot en met 7 zijn heel anders getoonzet, daar kun je de tekst wel goed volgen.

Hoe gaat dat in het verwante deel 3? Nu zijn het maar liefst vijf strofen waarbij de tekst niet valt te volgen. Alleen in de laatste twee weer wel, waarbij strofe 7 heel lang gerekt wordt tot een stollend einde. Er zijn dan in de individuele stemmen voortdurend kleine glissandi, ongelijk van elkaar. Zeer klaaglijk.

Deel 2 is anders, eigenlijk is in dit deel de tekst voortdurend goed te volgen en wordt per strofe iets anders uitgewerkt. Maar wat me opvalt is dat ook in dat deel op de een of andere manier een sombere ondertoon aanwezig blijft, bijvoorbeeld als Elis verschijnt onder een eikenboom horen we heel klaaglijk zijn naam. En dat terwijl hij in dat deel de liefde bedrijft in een ogenschijnlijk perfecte wereld. Dat gevoel van triestheid blijft dus ook in dit deel aanwezig, maar is minder prominent als in de andere delen.

De strofen waarbij de tekst goed is te volgen behoeven minder analyse. Om een klein idee te geven op welke manieren die muzikaal zijn uitgewerkt uit elk deel een voorbeeld.

Fragment van strofe 6 uit deel 1:
Daraus bisweilen ein sanftes Tier tritt
Und langsam die schweren Lider senkt.
De tekst wordt heel kort, stoterig en onregelmatig in stukjes op springerige toonhoogtes neergezet, het “sanftes Tier” zien we als het ware tevoorschijn komen en uiteindelijk zijn pootjes ergens neerzetten, het woord “senkt” is heel laag en heel langgerekt: ja hoor, het staat stil.

Fragment van strofe 3 uit deel 2:
Ein guter Hirt
Führt seine Herde am Waldsaum hin.
Dit stukje wordt unisono gezongen, waarbij de goede herder (Jezus?) het hoogste in toon is, in golvende bewegingen gaat de tekst naar beneden. De kudde lijkt aan de einder, aan de rand van het woud, tot stilstand te komen, maar opvallend, juist heel mooi is, hoe het laatste zinnetje, zacht gezongen, juist weer een beetje naar boven “golft”.

Fragment van strofe 6 uit deel 3:
Blaue Tauben
Trinken nachts den goldenen Schweiss,
In eerste instantie hoor je een zetting die lijkt op die ik hiervoor besprak, ook deze begint unisono (alleen de vrouwen) en is golvend. Maar het unisono wordt op een heel vrije manier enigszins “canonisch gezet met nu ook de mannenstemmen erbij vanaf de tweede regel: de duiven vliegen een beetje onafhankelijk door de lucht. “Nachts” is laag en donker. Prachtig is ook hoe het woord “goldenen” wordt uitgedrukt in een nog weer wat meer gelaagde zetting.

De schilderijen van Siiri Spronken.

De beeldend kunstenaar Siiri Spronken maakte in 1993 vijf schilderijen met de naam Elis 1 tm Elis 5. Hij had zich laten inspireren door de muziek van Henri Delnooz. Henri Delnooz was er indertijd zeer door gecharmeerd. Ik heb er eentje in het echt gezien en van nog twee schilderijen heb ik een foto. In deze drie schilderijen zien we hoe kleuren en de overgang van kleuren erg belangrijk zijn. Ze zijn niet helemaal abstract, vooral in het tweede schilderij herken je een boom en op alle drie de schilderijen zie je een spookachtig figuur naar voren komen in de kleuren. Ik heb geprobeerd deze schilderijen als achtergrond-afbeelding te gebruiken bij een film waarin de relatie muziek-tekst wat meer toegankelijk wordt gemaakt. Het tweede schilderij springt er uit. Waar het eerste en laatste schilderij iets meer kleuren, en ook hardere kleuren hebben, met vooral ook veel blauw, heeft het tweede schilderij een heel andere lading. We zien meer pastelachtige kleuren, lichtgeel (goud?), bruin, een beetje pastel-groen en pastel-blauw, zacht oranje maar ook een klein opvallend rood detail. Zoals het tweede deel van het gedicht het gouden leven illustreert, zou dit schilderij dat ook kunnen doen. Ik heb er daarom voor gekozen om dit schilderij als afbeelding te gebruiken bij het tweede deel. De meer uitbundige kleuren van de andere twee schilderijen passen wat mij betreft goed bij het drama van de tekst in deel 1 en deel 3. Henri Delnooz vertelde dat kleuren en de muziek heel dicht bij elkaar stonden. Hij sprak over “gekleurde bewegingen”. Feitelijk zal de luisteraar die relatie zelf leggen, door in zijn hoofd bij het luisteren kleuren te zien die veranderen. De schilderijen van Siiri Spronken leggen ook op hun manier die relatie en dat kun je terugzien in de film die ik maakte, waarbij tekst, muziek en beeld een eenheid vormen. Het irrigidendo van de muziek (het tot stilstand komen) laat ik parallel lopen met een gevoelsmatig tegengestelde beweging: heel langzaam komt het schilderij tevoorschijn, de kleuren worden steeds feller. Pas als de muziek is gestold en verdwenen verdwijnt ook dit schilderij in het niets.

Dan nog iets over de uitvoering door Studium Chorale onder leiding van Eric Hermans. Die is zonder meer subliem. Welk ander koor in Nederland zou dat op dit moment kunnen evenaren? Er is tot in details gewerkt om het zo te laten klinken, dat kan niet anders. Een koor dat dat ook zou kunnen en er ook genoeg energie in zou stoppen is misschien het Kammerchor Stuttgart, of wellicht het Lets kamerkoor. Het zou aardig zijn om dergelijke koren te benaderen en warm te maken voor een hernieuwde uitvoering. Het stuk zou het verdienen. Gelukkig hebben we op dit moment een opname van Studium Chorale!

Meer over Hoffmann en Trakl en over de betreffende teksten van deze schrijvers vind je hier

Geplaatst in kunst, muziek, taal | Tags: , , , , | 3 reacties

Geselbord

Hoe hou je asielzoekers buiten de deur? Zet er gewoon een bordje neer, bij de grens, of vlak voor het asielzoekerscentrum. Dan weten ze gelijk waar ze aan toe zijn.

Niets nieuws. Roermond is trots dat ze de winnaar zijn van de nationale wedstrijd: “welke stad mag een heksenmonument plaatsen”. Ze hebben gewonnen! in Roermond zijn immers de meeste heksen verbrand. Terechte winnaar dus. Maar ze waren er in Roermond ook erg goed in om zigeuners en landlopers buiten de poorten te houden. Dat zijn natuurlijk heidenen (Heyden) en daar moesten ze niets van hebben. Zet maar een bord bij de poort wat er met hen gebeurt als ze toch proberen de stad in te komen. Er werden geselborden bij de stadspoorten geplaatst. Dat is de straf van heidenen!

Zie ook: Heksen in Roermond

Geplaatst in Geschiedenis, maatschappij | Tags: , , , | Plaats een reactie

Jarig

Vandaag is mijn kleindochter jarig. Ze is nu 8 jaar oud. Ze leeft in een wereld met een toekomst die verontrustend is. Mensen die in naam Christen zijn hebben er al 2000 jaar een potje van gemaakt en dat dreigt alleen nog maar erger te worden. Wie is de medemens, zo essentieel in het Nieuwe Testament? Ook in Nederland: weg met buitenlanders, weg met hen als naaste buur. Het tegenovergestelde van wat Jezus wilde. “God bless you”. is verworden tot een holle, huichelachtige spreuk.

Ik heb een zoon, hij is een half jaar geleden overleden. Mijn kleindochter heeft een heel erg goed inlevend vermogen. Zij maakte voor mij een troostende tekening. Mijn zoon is er niet meer, hij is ergens buiten deze aarde en hij huilt. Hij ziet zijn twee zussen op aarde, zij leven nog. Zij zijn blij en willen dat hij ook blij is. Zij roepen: ‘hier zijn wij, je hoeft niet bedroefd te zijn. We denken aan je en we houden van je!’

Toen ik een tijdje terug deze tekening kreeg was ik heel erg ontroerd. De tranen liepen over mijn wangen. Hij hangt al een hele tijd voor het raam van mijn werkkamer, mijn kleindochter en ik vonden dat een heel goede plek. Ik zie hem dagelijks. Hij is prachtig. Hij maakt het verdriet tastbaar maar tegelijk is er vrolijkheid, is er hoop.

Vandaag is mijn kleindochter jarig.

Geplaatst in maatschappij | Tags: , | 6 reacties

Wandelen in het departement Gers

Het departement Gers is onderdeel van de regio Midi-Pyrénées. We zitten dus in Zuid-Frankrijk. Ik kom er vaak en heb er ook al meerdere artikelen over geschreven, bijv. over Auch, Simorre en Lombez.

Lombez
Simorre
De kathedraal van Auch
De kathedraal van Auch (II)
Auch en Maastricht

Daar kwamen we dit jaar trouwens ook. Maar dit jaar hebben we vooral gewandeld. In Auch zagen we prachtige middeleeuwse straten die we nog niet kenden, in Simorre bewonderden we in de kerk de eeuwenoude koorbanken en maakten een wandeling door de prachtige omgeving. Verder liepen we een sterk stijgende en dalende wandeling vanuit het huis van mijn zwager, iets verder door het “Bois de st. Élix”, een vlakke route rond het meer van Saramon en een soms erg lastige route rond het Lac d’Astarac waarna we nog een van de hoogste punten van de omgeving opzochten bij Puy Loubrin. Ook gingen we nog een keer naar Lombez. Over dit alles maakte ik een film aan de hand van foto’s met toelichting en als achtergrondmuziek het eerste deel van het tweede strijkkwartet van Schoenberg, gespeeld door het Diotima kwartet.

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , | 2 reacties

Pleisterplaatsen in Frankrijk, van Vierzon naar het departement Gers

Mijn zwager woont in Zuid-Frankrijk, in het departement Gers. De hoofdstad van dat departement is Auch. De regio is Midi-Pyrenées, het regionale bestuurscentrum is Toulouse. Om er te komen moet je een aardige afstand afleggen,  meer dan 1100 km. Daarom rijden we er altijd heen in twee etappes. En dat doen we al zo’n 30 jaar zeer regelmatig, meestal zo eens in de twee jaar. Al doende kom je er achter hoe je dat het beste kunt doen. Het rottigste stuk is dat vanaf Nederland richting Midden-Frankrijk. Je passeert Antwerpen, Gent, Lille en Parijs. Het kan er erg druk zijn. Maar als je dat stuk op zondag reist is het meestal goed te doen. Vooral ook omdat er dan in Frankrijk geen vrachtverkeer is. We gaan meestal een week op vakantie, vertrekken op zondag en komen een week later op zondag weer thuis. Het tweede stuk van Midden- naar Zuid-Frankrijk is altijd veel rustiger, daar is het gewoon een genot om te rijden. De heuvelachtige, soms rotsachtige omgeving, vaak heel groen. Je rijdt dan via Limoges door de Dordogne en daarna door de Lot. Bij Montauban kun je van de autoweg af gaan om het laatste stuk binnendoor te rijden. Dat is overigens nog een fiks eind! Soms gaan we er vanaf bij Grisolles en rijden dan vanuit het oosten naar St. Elix waar mijn zwager woont. De laatste keren reden we vanaf Montauban via de noord-zuid-route, maar namen op de terugweg een ietwat andere variant. Daarover later.

1100 km is ver, dus we hebben naast een plek waar we overnachten ook plekken waar we lunchen en daarnaast nog plekken waar we stoppen om te tanken en koffie te drinken. Bij de eerste etappe vanuit Nederland stoppen we, ook voor de lunch, meestal bij een “aire” aan de snelweg zelf. We willen niet te veel tijd verliezen en het eerste stuk is ook het langste. We kiezen er voor om het bij het zuidelijke stuk veel rustiger aan te doen. Dan zoeken we ook altijd een lunchplek buiten de snelweg, bij een mooi dorp of stadje. Dat doen we dan soms zelfs ook voor een koffiepauze. Zo kennen we inmiddels al aardig wat interessante pleisterplaatsen voor een dergelijke stop.

De overnachtingsplaats

De overnachtingsplaats hebben we de laatste jaren steeds in Vierzon of de nabije omgeving gezocht. In de stad Vierzon is het ons meestal tegen gevallen. Deze stad is een stad van vergane glorie, er is steeds meer leegstand en verval. Ook de hotels zijn niet altijd al te best. Dit jaar zocht ik via internet naar plaatsen iets verder af, en zowel voor de heenweg als voor de terugweg vond ik niet alleen een prachtige accommodatie, maar ook was het interessant om daar in de omgeving rond te struinen.

Op de heenweg bleven we slapen in Thénioux, ten westen van Vierzon. De accommodatie was geweldig, een eeuwenoude boerderij waarbij een deel was verbouwd tot ruime appartementen.

Maar je kon er niet dineren, dus we gingen naar een plaatsje 7 km verderop: Mennetou-sur-Cher. De Cher is een riviertje, de oude stad ligt achter een stadspoort. De poort is mooi, maar daarnaast ademt vrijwel elk huis een middeleeuwse sfeer.

Er was slechts één gelegenheid open, een klein eethuisje met als gerecht alleen maar een “plat-du-jour”: deze dag waren dat saucijsjes met aardappelen en groente. Ouderwets Hollands eten dus eigenlijk, maar het was lekker klaar gemaakt. Terug bij ons verblijf genoten we van de zuivere lucht en van een overweldigende sterrenhemel. Met mijn goede camera maakte ik een foto van Jupiter met zijn 4 grote manen: links Ganymedes en Io, rechts Europa en Callisto (2024-11-01- 22:01)

Op de terugweg hadden we een appartement in Massay, ten zuiden van Vierzon. In dit dorpje was een kleine supermarkt, een bakker, een snackbar maar ook een bijzondere, verlichte kerk, die ook nog eens open was. De geschiedenis van dat gebouw gaat terug tot de tiende eeuw, de kerk was toen onderdeel van een klooster van de Cluniacensers. Tijdens de honderdjarige oorlog werden kerk en klooster verwoest. Het geheel werd herbouwd in de veertiende eeuw. De kerk die er toen kwam te staan (en nog staat) is kleiner dan de originele. De toren is in 1483 gebouwd.

De bijbehorende abdij is in 1736 ontmanteld, nog enkele gebouwen resteren zoals de kapittelzaal en de kapel van Saint-Loup. Daar zijn we niet geweest, jammer, want met name de kapel heeft nog zeer oude onderdelen. In 1736 werd de kloosterkerk omgevormd tot parochiekerk.Dat was dus de kerk waar we zomaar die avond naar binnen konden lopen. We zagen daar een klein orgel met slechts een manuaal en een pedaal. Het blijkt afkomstig uit het Nederlandse Lisse, maar moet nog gerestaureerd worden. Men is bezig om hier geld voor in te zamelen. ‘Het instrument zou een goede functie kunnen hebben bij de orgellessen vanuit het Conservatorium in Vierzon’, zo stond erbij.

De kerk is gewijd aan de heilige Paxent. Dat is een relatief onbekende heilige die vooral in sommige delen van Noord-Frankrijk wordt vereerd. Hij zou een kluizenaar zijn geweest. De kerk valt verder op door de mooie glas-in-lood-ramen. Daar konden we in die avond helaas weinig van zien. Een van de glazen is uit de zestiende eeuw, de rest uit de negentiende.

De lunchplekken


De lunchplek, zowel op de heen- als de terugweg, is altijd ergens in de buurt van Brive-la-Gaillarde. Zo waren we anderhalf jaar geleden onder meer in Turenne, zeer aan te raden! Bovenaan op bovenstaand kaartje zie je Uzerche, dat was de lunchplek dit jaar voor op de terugweg. Daarover zo meteen meer. Op de heenweg reden we voor onze eigen broodlunch bij een picknicktafel naar Goudou, een heel eind ten zuiden van Brive. Het plaatsje stelde niet veel voor, maar er was wel een mooie kerk. In eerste aanzet dateert die uit de tweede helft van de 12e eeuw. Het meeste wat je ziet is gebouwd aan het einde van de vijftiende eeuw.

Op de terugweg vanuit St-Elix reden we op een andere manier richting Montauban. Vanaf daar kun je de snelweg op. Onze route ging iets meer oostelijk dan de route die we op de heenweg namen. Zie onderstaande kaart.

Zo kwamen we opeens uit in een voor ons nog onbekende stad: Verdun-sur-Garonne. Dat was reden om daar een uitgebreide koffiepauze te houden. Zoals zo vaak is het een rivier die de stad zijn naam geeft: de Garonne. In dit gebied is ze beschermd als natura-2000 gebied. Ze stroomt overigens een eindje buiten de stad. De kerk uit de 16e eeuw, volledig opgetrokken uit baksteen, is een opmerkelijk gebouw dat in 1910 werd geclassificeerd als “Monument Historique”. Het is een zeer breed gebouw met vijf traveeën, verdeeld in twee gelijke beuken door grote cilindrische pilaren. Bijzonder is het orgel uit de 18e eeuw, gerestaureerd door J.F. Lépine, onlangs gerenoveerd door Alain Leclerc. Vlakbij de kerk is een overdekte marktplaats en iets verder zagen we een klokkentoren boven een stadspoort.

Maar een zeer uitgebreide stop om te lunchen was de stad Uzerche ten noorden van Brive. Wat een geweldige keuze was dat! De plaats ligt op 333 meter hoogte op een grote rots, omringd door een U-bocht van de rivier de Vézère. In 1787 beschreef de Engelse schrijver Arthur Young het stadje als ‘la perle du Limousin’ (de parel van de Limousin) en nog steeds staat Uzerche onder die bijnaam bekend.
In de 6e eeuw werd de plaats geplunderd en vernietigd door de Visigoten. In de 7e eeuw werd ze herbouwd met een omringende verdedigingsmuur. Vanaf dit moment had Uzerche een belangrijke defensieve rol.
In de 11e eeuw werd er een grote Benedictijnse abdij gesticht, die deels is blijven bestaan als église Saint-Pierre, een onmiskenbaar monument in Romaanse stijl.  Omstreeks 1150 kwam Uzerche onder de heerschappij van de Normandiërs.  In de 14e eeuw sloegen de inwoners van Uzerche meerdere aanvallen af en in 1374 mochten ze na het afslaan van een Engelse aanval drie koninklijke lelies toevoegen aan hun wapen. In diezelfde eeuw werden nieuwe forten gebouwd en de stad Uzerche kreeg negen poorten die toegang boden tot de stad. Van deze poorten is alleen de Porte Bécharie nog over.

Door de ligging op een rots en omringd door de Vézère weerstond Uzerche door de eeuwen heen verschillende aanvallen van buitenaf. Een keer duurde de belegering zo lang dat de bevolking bijna uitgehongerd was. Ze verzonnen een list. Er waren nog twee vetgemeste koeien, ze lieten die naar buiten richting de vijand. Die raakte ontgoocheld, blijkbaar was daar nog eten zat! Ze vertrokken. Dit kun je nog terugzien op onderstaand wapen.

Na onze stop in Uzerche reden we door naar Massay waar ik boven aan dit artikel al over schreef, Dat was onze slaapplek voordat we weer naar Nederland zouden rijden. Al deze plekken bevielen ons goed en bij een volgende tocht zullen we denk ik een of meer van deze pleisterplaatsen nog een keer aandoen. Het verblijf bij onze zwager is een feest, maar de reis zelf is op deze manier ook heel aangenaam.

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

Friedrich Nettesheim

Inleiding stadskroniek Roermond 1562-1638

Op mijn website www.voorouderslimburg.nl staan op allerlei plekken artikelen die te maken hebben met de geschiedenis van Limburg. Ik ga af en toe een van die artikelen ook op mijn blogsite zetten. Hier komt het eerste.

Friedrich Nettesheim (overleden in Gelder 1882) voltooit in 1870 de uitgave van de stadskroniek van Roermond (oorspronkelijk 246 pagina’s) over de periode 1562-1638. Deze stadskroniek is, met uitzondering van het jaar 1638, door slechts een persoon, de stadsschrijver van Roermond, genoteerd. Omdat dit over deze tijdsspanne fysiek vrijwel onmogelijk is betekent het dat deze ene persoon waarschijnlijk aan de hand van eerdere manuscripten een deel heeft overgeschreven, al dan niet bewerkt. Een van de originele auteurs is in ieder geval Jan van Kampen, die o.a. in 1575 stadsschrijver was. Aan de kroniek voegt Nettesheim een inleiding toe waarin de gebeurtenissen van die tijd in een grotere context worden geplaatst. Verder geeft hij in deze inleiding een opsomming van de kloosters die in die periode in Roermond bestonden en wanneer ze (eventueel) werden opgeheven en hij vertelt iets over het stadsbestuur van Roermond van die tijd. Hierna een complete en letterlijke weergave van deze inleidende tekst van Nettesheim. (Nederlandse spelling van 1870.) Alleen de indexering van de tekst in hoofdstukjes is van mij.

Index

Oorzaken protestantisme en 80-jarige oorlog
Hagepreken in Gelderland en in het Overkwartier
Vervolgingen door Hertog van Alba in Roermond en omgeving
Opstand Willem van Oranje
Pacificatie van Gent, unie van Atrecht en Utrecht
Bezetting en belegering Roermond 1574-1580
Privileges en tolrechten Roermond 1581-1589
Periode 1579-1612
Heksenprocessen 1613
Verraad van Hendrik van den Berg 1632
Herovering door Spanje 1637
Stadsbrand Roermond 1665
Kloosters in Roermond in de periode tot 1670
Inrichting van het bestuur van Roermond

Oorzaken protestantisme en 80-jarige oorlog

De toestanden in de Nederlanden hadden reeds lang de omwenteling, voordat ze onder Philips II losbrak, in hunnen schoot gedragen. Een diep zedenbederf was in alle volksklassen doorgedrongen. De adel, de kleine adel bijzonder, was sinds het Bourgondisch tijdvak zedelijk en geldelijk te gronde gegaan door zijn verkwistend en bedorven leven, naar het voorbeeld van het hof. In de steden, welke door haren handel rijk geworden waren, heerschte eene overspannen zucht naar allerhande genietingen. De ernstige, godsdienstig zedelijke, geest was uit een groot gedeelte der bevolking geweken. De kerk was niet bij machte deze toestanden op eene heilzame wijze te veranderen, wijl, door den loop der gebeurtenissen, een staat van zaken ontstaan was, die dit onmogelijk maakte. De geestelijke macht werd destijds, in de Nederlanden, grootendeels door buitenlandsche kerkvoogden uitgeoefend, en was daardoor in de grootste verwarring geraakt. In ééne provincie, doorkruisten elkander soms zes diocesen, b.v. in Gelderland, de vier bisdommen, Keulen, Luik, Utrecht en Munster. Onnoemelijke verwikkelingen moesten, natuurlijk, uit zulken chaos van kerkelijk bestuur voortvloeien. De bisschoppen, destijds meerendeels uit vorstelijke huizen gesproten, waren langzamerhand meer wereldlijke dan geestelijke gezagvoerders geworden, en gebruikten hun geestelijk ambt als Sinecuren, om tot hoogere wereldlijke macht op te klimmen. Maar, ook de meer kerkelijk gezinden konden, wegens hunne al te uitgestrekte kerspelen, geene genoegzame zorg aan de geestelijkheid wijden en diensvolgens ontbrak aan een groot gedeelte daarvan, niet slechts de noodige vorming. maar ook de ergerlijkste misbruiken, in zedelijk opzicht waren onder haar ingeslopen; zooals nader blijkt uit de verordeningen, door de Pausen, voor de Nederlanden in het bijzonder uitgevaardigd.
Nog betreurenswaardiger zijn de berichten omtrent de lediggang, de onzedelijkheid en den ontaarden geest die in zeer vele kloosters heerschten. De kloosterscholen waren grootendeels in verval geraakt en daar zij bijna alleen het Onderwijs der jeugd in handen hadden, moest thans de jeugd zonder eenige vorming opgroeien. Het geestelijk onderwijs door prediken en catechismus werd algemeen verwaarloosd; de Sacramenten werder slechts nalatig toegediend, de kerken bleven ledig, en zelfs de viering van de Zondag was in onbruik geraakt.
Het gebrek aan scholen, en de daaruit ontstane verwildering der jeugd, was eene der hoofdoorzaken der latere onlusten. Juist zulke toestanden leveren den vruchtbaarsten bodem tot het gedijen eener omwenteling. De gistende stoffen, die zich daarbij moesten ophoopen, wachtten slechts op eenen stoot van buiten, om in eene stroomende beweging te veranderen. Dezen stoot gaven de nieuwe, uit Wittenberg en Geneve overgewaaide, leeringen. Calvijns leer hoofdzakelijk vond in de Nederlanden, vooral onder den adel, weerklank en werkte het meeste de innerlijke onlusten en staatsomwentelingen in de hand. Door de omverwerping der bestaande instellingen streefde de adel naar verbetering van zijnen diep gezonken stand. Daarom begunstigden deze lieden de omwenteling, door aan het hoofd der beweging te treden, en de godsdienslige leerstelsels als vermomming te gebruiken, om het volk voor hunne staatkundige plannen en zelfzuchtige oogmerken te winnen.
Naast de Calvinisten, die naar de volledige onderdrukking van alle andere gezindheden streefden waren nog in de Nederlanden, ofschoon in gering getal Lutherschen, die slechts eene vrije, door het recht gewaarborgde stelling verlangden. Zeer verbreid was integendeel de sekte der wederdoopers, die zich door hunne afschuwelijk communistische leer grooten aanhang onder het volk verworven had.

Koning Philips besloot, bij het aanvaarden der regeering, eene nieuwe regeling van het kerkelijk bestuur zijner Nederlanden in te voeren, om daardoor de ingeslopen misbruiken veg te nemen, den zedelijken toestand der geestelijken te verbeteren, en tegen verdere verbreiding der nieuwe leer eenen vasten dam op te werpen.
Door hem daartoe aangezocht gaf Paus Paulus IV, den 12 Mei 1559, eene bul waarbij voortaan de jurisdictie der buitenlandsche bisschoppen in de Nederlanden ophield, iedere provincie in de toekomst eenen Bisschop kreeg, uit de gezamenlijke 17 bisdommen 3 aartsbisdommen werden opgericht, en allen den aartsbisschop van Mechelen, als primaat der Nederlanden, ondergeschikt werden. Bij het aartsbisdom Mechelen behoorden de 6 diocesen Antwerpen, Gent, Brugge, IJperen, ’s Hertogenbosch en Roermond. De uitgestrektheid van het bisdom van Roermond, dat de provincie Gelderland omvatte, werd door eene bul van paus Pius IV van den 7 Augustus 1561 nader bepaald. Tot bisschop van Roermond benoemde de koning Willem Damasi Lindanus, (hij zelf schrijft -Van der Lindt) die wel door den kardinaal Granvelle, der 4 April 1562, gewijd werd, maar eerst na zeven jaren zijne bediening kon aanvaarden.
De uitvoering dezer kerkelijke inrichting stiet op groote moeilijkheden. De rijke abdijen met wier bezittinger de nieuwe bisdommen begiftigd moesten worden, en die daardoor hare inkomsten niet weinig verminderd vonden kwamen het eerst daartegen in verzet. De Staten zagen in de nieuwe bisschoppen handlangers tot bevestiging der koninklijke macht, werktuigen tot inkorting van ’s Lands rechten. Het slechte gedeelte der wereldlijke en ordesgeestelijken vreesde in hen strenge zedemeesters te ontmoeten, terwijl de aanhangers der nieuwe leer, uit angst voor eene meer ijverige kerkelijke vervolging zich het krachtigste tegen hen verhieven. Bij al deze oorzaken, die de algemene ontevredenheid opwekten tegen de regeering, voegden zich weldra nog andere.
Bij de regeling der hoogere staatsmachten in de Nederlanden, benoemde de koning Margareta van Parma, eene natuurlijke dochter van Karel V tot algemeene landvoogdes en den kardinaal Granvelle, een der uitstekendste staatslieden zijner eeuw, tot haren eersten minister, terwijl hij aan het hoofd der afzonderlijke provinciën de grooten des lands als stadhouders plaatste. Willem Prins van Oranje en Lamoraal Graaf van Egmont werden, onder deze laatsten, het meest bevoorrecht. Nog vóór dat de kerkelijke en andere hervormingen uitgevoerd waren, verliet Philips (1559) het land en keerde naar Spanje terug, waarheen hem zijne neiging trok. In de Nederlanden had de koning zich nooit te huis gevoeld, en al spoedig begrepen waardoor het kwam dat hem de liefde der bewoners niet ten deel gevallen was: koud en terughoudend van aard, altijd ernstig, de Nederlandsche taal niet machtig, slechts door Spanjaarden omgeven en aan Spaansche etikette zich streng houdende, kon Philips het hart niet winnen van een volk dat gewoon was steeds met zijne vorsten gemeenzaam te verkeeren en dat bijzonder door Karel V, die den Nederlanders boven alle andere volken zijne toegenegenheid schonk, verwend was geworden. De ontevredenheid onder het volk vond al ras, na het vertrek des konings, nieuw voedsel. De losbandiglieden der 3000 man achtergebleven Spaansche troepen; de toenemende vervolging der ketters en de vrees voor de invoering der Spaansche inquisitie brachten de opgewonden gemoederen nog meer in gisting, middelerwijl in het zuiden des lands, door verkondigers der nieuwe leer ene gevaarlijke beweging onder het volk ontstond. Aan het hoofd der misnoegden plaatste zich de Prins van Oranje, een man, (het zijn de woorden van Groen van Prinsterer), “beheerscht door eerzucht en egoïsmus” die in de hoop van algemeen Landvoogd der Nederlanden te worden te leur gesteld, zich aansloot bij de oppositie. Naast hem stonden de Graven van Egmont en Hoorn waarbij zich weldra heel de kleine adel voegde. Oranje eischte nu de samenroeping der Staten-Generaal, waartegen nogtans Granvelle, die daarin slechts eene aanleiding tot grootere onlusten zag zich verzette. Daardoor trok de kardinaal zich den haat zijner tegenstanders op den hals die op hem alleen de schuld wierpen der, bij het volk, zoo vijandig afgeschilderde maatregelen en hem op allerhande wijzen verdacht maakten. Zij slaagden er eindelijk in den koning over te halen tot het terugroepen van den kardinaal, cn zelven het roer der regeering in handen te krijgen. ’s Lands inkomsten werden verkwist, kerkelijke waardigheden en wereldlijke ambten aan gunstelingen geschonken of verkocht. De koning beval nu (1564) de afkondiging der besluiten van het concilie van Trente en tegelijk de strenge handhaving der inquisitie en der geloofsedicten. Hij hield vast aan den grondregel: dat twee met gelijke rechten naast elkander staande godsdienstige gezindheden met de welvaart van den Staat onvereenigbaar waren, en wees dientengevolge, ten gunste van het katholiek geloof elke daad van inschikkelijkheid met de hervormers van de hand. Philips lette hierbij niet op de eigenaardige toestanden der Nederlandsche gewest en, waar de regeering zelve niet eens hij machte was de decreten te doen uitvoeren. Daarom moest de ontevredenheid steeds meer om zich heen grijpen en tot verbittering overslaan. De adel nam hieruit aanleiding tot eenen beslissenden stap, daar hij, door het sluiten van het bekende Compromis, in vast aaneengesloten gelederen tegen de wettige regeering optrad.

Den 5 April 1566 verschenen ongeveer 200 edelen voor het paleis der Landvoogdes te Brussel en smeekten haar om afschaffing der edicten. Margareta zocht, door halve maatregelen, zoals door het uitvaardigen van de “moderatie”, de opgewektheid tot bedaren te brengen, maar alles bleef vruchteloos. De lagere volksklassen werden vervolgens door de eedgenooten langzamerhand stelselmatig in de beweging medegesleept. Dit kon des te gemakkelijker gebeuren, wijl eene buitengewone schaarschte aan levensmiddelen en een stilstand in handel en bedrijven den arbeiderstand terneerdrukten.
Van het begin des zomers van dit jaar schoolden in alle Nederlandsche gewesten scharen van vele duizenden samen om gewapend, onder den vrijen hemel, de predikatiën der hervormers bij te wonen. Te midden der algemeene spanning hielden de edelen, in de tweede helft van de maand Juli, eene stormachtige vergadering te St. Truiden, waar eene algemeene godsdienstvrijheid werd verkondigd en maatregelen, ter verdediging des lands, tegen den Koning besproken werden. Onmiddellijk daarop barstte het oproer uit, gevolgd door de betreurenswaardige gebeurtenissen der beeldenstormerij waaraan men niet dan met verontwaardiging en afschrik denken kan. Bijna in alle provinciën liep het volk, door den adel geleid te zamen en plunderde in weinige dagen gedurende de maand Augustus bij de 400 kerken en kloosters, verwoestte de altaars, beelden, schilderijen, kunstwerken, bibliotheken, enz. en pleegde afschuwelijke wreedheden tegen weerlooze priesters, monniken en nonnen. Onze kroniek verhaalt het begin van den beeldstorm in de kathedraal te Antwerpen, eene van de schoonste kerken der christenheid. Van hieruit verspreidde zich de gruwel der verwoesting over de andere kerken der stad en der omstreken.
Door deze verwoestingstooneelen beangstigd, maakte Margareta den 25 Augustus door eenen open brief bekend, dat de inquisitie zou worden afgeschaft, een nieuw plakaat voor de godsdienstoefening uitgeschreven, en de predikatiën ten gunste der hervorming slechts in die plaatsen toegestaan zouden worden waar ze tot hieraan gehouden waren mits zonder wapens en zonder rustverstoring.
Op grond dezer vergunning kwamen op verschillende plaatsen tusschen katholieken en hervormden overeenkomsten tot stand, waarbij aan deze laatsten vrije godsdienstoefening toegestaan en hun eene kerk ingeruimd zoude worden. Toen koning Philips deze gebeurtenissen vernam ontstak hij in woede en besloot de raddraaiers streng te straffen ofschoon zelfs Granvelle hem zachtmoedigheid en toegevendheid aanraadde. Hij zond zijnen bekwaamsten veldheer, den Hertog van Alba, met een uitgelezen leger naar de Nederlanden.

Een algemeene schrik ging door het land bij het hooren van dezen naam en velen dergenen die betrokken waren in de laatste onlusten ook de Prins van Oranje, vluchtten bij scharen naar het buitenland.
In de tweede helft van Augustus 1567 kwam Alba in de Nederlanden aan. Onverbiddelijk als hij was jegens vriend en vijand en doof voor de stem der natuur zoodra zijn Heer en Koning sprak, werd hij de uitvoerder der bloedigste bevelen. Talloze aanzienlijken des lands, waaronder ook Egmont en Hoorn, werden ter dood veroordeeld en hun vermogen verbeurd verklaard. De nieuwe leer werd onder bedreiging van zware straffen verboden.
Noch Alba noch Philips toonden na de overwinning de gematigdheid, die het belang der kroon en het welzijn des lands vergde. Door het opleggen van drukkende, in wezen en vorm onbillijke belastingen (van den tienden, twintigsten en honderdsten penning) deed de koning inbreuk op de bezworen staatsregeling, op het heilige eigendomsrecht zijner onderdanen. Daardoor wettigde hij zelf eenigermate het oproer, maakte de katholieken tot zijne tegenstanders en stond alzoo vijandig tegenover de geheele bevolking.
Tengevolge van de nu algemeen geworden spanning nam de Prins van Oranje de wapenen op tegen koning Philips en daarmede begon een tachtigjarige strijd die van beide zijden met de verbazendste krachtsontwikkeling en verbittering gevoerd werd en waardoor de welvaart van het weleer zoo gelukkig land vernietigd werd.

Terug naar index

Hagepreken in Gelderland en in het Overkwartier

Na dit overzicht der algemeene beroerte, dat wij noodig achtten tot het beter begrip van het onderhavige werk keeren wij thans terug tot ons enger gewest. Vooreerst moeten wij de opschudding vermelden die ook hier bij den aanvang van het gewichtige jaar 1566 ontstond door de tijding dat de inquisitie ingevoerd zou worden. Baanerheeren, Ridders en Steden hadden den 24 Maart onderling eenen bond gesloten om dit dreigend gevaar te keeren en in Juni besloten zij eenigen hunner naar de Landvoogdes af te vaardigen om “van de geheime en gevaarlijke inquisitie” bevrijd te blijven.
Kort nadat het openlijk prediken in Brabant en Vlaanderen begonnen was, werd het in Gelderland nagevolgd. het was op Zondag den 4 Augustus 1566 dat de predikant der vrijheerlijkheid Hörstchen bij Rhijnberg onder toeloop eener groote volksmenigte, uit Kampen Hüls, Oedt en uit de dorpen van het Amt Kriekenheek en Brüggen, nabij Venlo onder eenen eikeboom de eerste preek hield, waarbij ook eenige burgers der stad tegenwoordig waren niettegenstaande de overheid door het sluiten der poorten getracht had dit te beletten.
Van nu af werden iederen Zondag regelmatig deze preeken gehouden die telkens drukker bezocht werden zoodat de overheid slechts met moeite nog eenigen tijd de plundering en de verwoesting der kerken kon tegengaan. Den 10 Augustus verschenen ook te Nijmegen en te Roermond en later ook te Gelder, vreemde predikanten die in den beginne insgelijks voor de poorten en later door de opgewonden menigte met geweld in de steden binnengeleid, op de openlijke marktpleinen hunne predikatiën hielden. Te Nijmegen preekte de Kalvinistische leeraar Lodewijk Ornaeus, die voorgaf door de Nederlandsche kerk gezonden te zijn, maar dien onze kroniek een”verloopenen monnick” noemt.
Hij werd nogtans, den 24 September, met zijne aanhangers verjaagd en de kansel waarop hij gepredikt had openlijk aan den “blauwen Steen” met roeden gegeeseld en verbrand.

Het was, zoo als wij boven reeds zeiden, op St. Laurentiusdag, den 10 Augustus, dat een vreemde Luthersche hervormer nabij Roermond voor en na den middag begon te prediken. De pogingen der stedelijke overheid, om door het sluiten der poorten de burgers van het bijwonen dezer predikatiën terug te houden, bleven vruchteloos. Eene steeds grootere volksmenigte uit de stad en uit de omliggende plaatsen stroomde van nu af naar deze preeken die regelmatig alle zon- en feestdagen op dezelfde plaats gehouden werden. Op Zondag den 25 Augustus, des namiddags, beproefden eenige burgers het om den predikant binnen de stad te leiden, maar de overheid wist den toeleg te verijdelen. Zij stelde den onruststoker de vraag: met welk recht hij het wagen durfde op het gebied des Konings te prediken? Deze antwoordde hierop: dat men hem geroepen had, en dat hij deed gelijk de Apostelen gedaan hadden. Maar reeds den 5 September des morgens, werd de predikant heimelijk in de stad gevoerd, waar hij den volgenden Zondag op de markt zijne preeken wederom hervatte, zonder dat naar de bevelen der overheid om hem te verwijderen, door de burgers geluisterd werd. Zij beriepen zich op het voorbeeld van Nijmegen, waar men het eerst eenen predikant binnengeleid en hem ongestoord had laten preeken; wanneer men daar den predikant verdreef, dan zouden ook zij bereid zijn hem weg te zenden. Eenige dagen later riep de overheid der stad de werkmeesters en gezworenen der gilden, de afgevaardigden der gemeente op om den 13 September ’s morgens eene vergadering te beleggen ten einde wederom de verwijdering van den predikant aan de burgerij in overweging te geven. Deze vergadering kwam niet tot stand; eenige burgers riepen integendeel den predikant, en lieten hem op de markt prediken. Middelerwijl had zich het gerucht verspreid dat de kerken zouden geplunderd worden door vreemden, weshalve de overheid alle kostbare voorwerpen uit de kerken liet halen om ze in verzekerde bewaring te brengen. Den 19 September, gaf de Landvoogdes Margareta aan de stadsmagistraat bevel den predikant, naar het voorbeeld van Nijmegen, te verdrijven. Terstond werd dit bevel bekend gemaakt aan de hoofden der gilden en aan de vertegenwoordigers der gemeente; maar dezen stoorden zich daaraan volstrekt niet. Daarom werd den volgenden dag de gansche burgerij in het klooster der Minderbroeders opgeroepen om haar het bevel der regeering bekend te maken. Na eene langdurige beraadslaging, antwoordden de burgers: dat zij als trouwe en gehoorzame onderdanen des Konings wel steeds bereid waren, lijf en leven, goed en bloed voor hem op te offeren, maar dat zij nogtans zich gedrongen gevoelden te verzoeken den leeraar, die hun het zuivere Evangelie en het reine woord Gods verkondigde, te mogen behouden, gelijk andere steden in de Nederlanden. Indien nogtans iemand den predikant door de H. Schrift kon bewijzen dat hij een ketter was of kettersche leeringen verspreidde dan zouden zij hem niet langer dulden, maar hem uit de stad verdrijven. Toen vervolgens de overheid en de schout dezelfde aanmaning herhaalden en met de ongenade des Konirigs en het verlies der privilegiën dreigden, antwoordden de burgers dat deze zaak en de verkondiging van Gods woord het heil hunner zielen betrof, weshalve zij niet konden toegeven, maar God den Heer moesten gehoorzamen. Bij de nu dagelijks klimmende spanning vreesde men voor de inneming der parochiekerk door de ketters. De pastoor gaf daarom de sleutels derzelve aan de schout, welke dientengevolge spottenderwijze den naam van”kuster der kerk” hij het volk ontving. Kort daarna omtrent het einde van September, bestormden de gereformeerden de genoemde kerk, en sloegen nieuwe sloten op de deur om voortaan de kerk in hun bezit te houden. Zij zouden om hunne zaak voor te staan, een gezantschap van 100 personen naar het consistorium van Antwerpen. Buitendien ontboden zij eenen predikant uit de Paltz en stichtten tevens eene mennonitische gemeente onder de leiding van eenen leeraar, Wald genaamd. De magistraat verloor duidelijk zoo zeer alle gezag en invloed dat hem ze!fs de sleutels der stad ontrukt werden. AI deze onlusten voerden ten slotte tot eenen gruwelijken beeldstorm. De kerken werden geplunderd, de altaren en beelden op eene schandelijke wijze verbrand. Deze gruweldaden werden waarschijnlijk in de eerste helft van October bedreven, omdat den 13 dezer maand te Venlo de tijding van den “omslag” der kerken verspreid werd. Om de leiders van het oproer in bedwang te houden en te straffen, stelde de stadhouder dat Brimeu aan de hertogin Margareta de opheffing der stedelijke privilegiën voor, maar kon de noodige toestemming niet verkrijgen. Want ofschoon de Hertogin deze uitspattingen der burgers van Roermond ten hoogste afkeurde en strafbaar noemde geloofde zij, met het oog op de nog talrijke goedgezinde burgers der stad, van dezen maatregel zich te moeten onthouden. De stadhouder schreef hij deze gelegenheid aan de Hertogin: “les principaux mutins et sectaires sont marchiers et maronniers et samblables.”

Reeds bij eene andere gelegenheid hebben wij den gang dezer onlusten door de hervormden in andere plaatsen van het overkwartier, bijzonder te Gelder en te Venlo veroorzaakt breedvoerig medegedeeld, weshalve wij hier slechts willen vermelden dat dezelfde verwarringen in het stadje Weert voorvielen. Den 27 Augustus werden de Minderbroeders door de hervormden uit hun klooster, even buiten de stad gelegen verjaagd en hunne kerk gedurende den nacht geplunderd en verwoest. Den volgenden dag bestormden zij ook de parochiekerk, rukten de altaren en de beelden der Heiligen neder en sloegen de banken, stoelen en het Christusbeeld onder de vreeselijkste godslasteringen aan stukken. De toenmalige pastoor Thomas, geboortig van Horn en bekend als een talentvol redenaar, omhelsde de nieuwe leer, en zocht ze met grooten ijver te verspreiden. Op aanraden der gravin Anna van Horn en hare schoonzuster Walburgis van Neuenaar, gemalin van den graaf van Horn eene ijverige Calvinist, begaf zich Thomas op St. Thomasdag (21 December) naar het nabijgelegen Nederweert om ook hier de nieuwe leer te verkondigen. Hoe slecht het voor hem, aldaar in de kerk, afliep, verhaalt onze kroniek op de volgende wijze: Het volck tierde zoodanig ende maakte zulk gedruisch met te roepen, te zingen ende te spotten, dat men Thomas niet verstaan kon. Oock maakten zij geraas met de klompen ende riepen uit “gij liegt al wat gij zegt;” andere riepen “de zwarten duivel staat op den predikstoel” ende het gedruisch was zoo groot, dat hij van den predikstoel moest gaan loopen. Doch toen hij met zijne verdoolde schapen van Weert uit de kerck wilde gaan, werd hij onder den toren bijna doodgedrongen. Nederweert, zoo voegt de kroniek van Weert er bij, “is dus standvastig gebleven door de gratie van deszelfs goeden pastoor, Anton van den Steen, welcke zijne kerck met priesters bewaarde ende het volck, gewapent met schietgeweer, hellebarden, turfspaden ende allerhande wapens, de kerk bij dage en bij nacht hielp bewacken tegen die geusen van Weert, die hun dickwijls plaagden.”

In het begin van het jaar 1567 herkreeg de regeering haar vorig gezag en macht. De godsdienstige nieuwigheden werden afgeschaft en de predikanten, in de maand April, zoowel uit Venlo als uit Roermond verjaagd. De magistraat van Roermond gaf daarvan, omstreeks dezen tijd kennis aan den stadhouder, welke daarop, den 15 April, antwoordde dat het beter geweest ware wanneer zulks vroeger geschied was en dat de Hertogin Margareta zich kwalijk daarmede zou tevreden stellen. Daarom meende hij de stad geen beteren raad te kunnen geven dan:”van zich te verdemoedigen, om weder in genade aangenomen te worden. Twee dagen later schreef de stadhouder weer aan den magistraat, dat bij, le verjaging van den predikant in aanmerking genomen, de stad voor deze reis niet met ruiters en knechten zoude bezetten. Hij wist nogtans niet of de Hertogin vrede zou nemen met de zoo lang uitgestelde verdrijving van den predikant, weshalve hij den raad gaf “om met alle demoedicheit tot genedichlichen verdrach te moegen geraeken flitech aan te houden zoo als andere steden gedaan hebben”. Maar reeds in het begin van Juli (onze kroniek zegt verkeerd, in het eerst van Juni) beproefde een gereformeerde predikant, die eerst te Nijmegen en te Maeseyck gepreekt had, in de nabijheid van Roermond op het grondgebied van Gulik, wederom zijne predikatiën te hervatten. Niet minder dan 500 personen uit Roermond liepen uit om hem te hooren. De stedelijke overheid liet terstond de poorten sluiten om te beletten dat de predikant voor de tweede maal binnengeleid werd, en weigerde later zijnen aanhangers hij hunne terugkomst de toelating in de stad. Vrouwen en kinderen werden dientengevolge van de muren neergelaten en aan hunne betrekkingen overgegeven.

Terug naar index

Vervolgingen door Hertog van Alba in Roermond en omgeving

Toen, eenige maanden later, de tijding gebracht werd dat de Hertog van AIba in aantocht was ontstond ook in Gelderland eene hevige conservatieve reactie en bij scharen vloden degenen die aan de laatste onlusten deel genomen hadden naar het buitenland. Door den stadhouder van Gelderland, Carel van Brimeu, liet Alba, reeds in Februarij 1568, aan Roermond en de andere steden het bevel geven tot herstel der verwoeste kloosters en kerken, alsook der altaren en beelden binnen drie maanden, en in Maart werden Joost van Cranevelt en Jan van Stalborg, leden van den raad des Konings, gelast de gevangene kerk- en beeldstormers in het overkwartier door de plaatselijke gerichten te laten vonnissen. Hun vonnis moest spoedig uitgesproken worden, met weglating van overtollige vertragingen en wederleggingen. De gevluchte personen werden gedagvaard om persoonlijk voor Alba te verschijnen ten einde rekenschap te geven van hunne vlucht en hunne daden gedurende de ongeregeldheden. Zoo als blijkt uit het hierachter medegedeelde vonnis van Alba, was het aantal uitgewekenen, uit Roermond alleen, niet minder dan 120. Daar zij niet verschenen, werd hun vermogen verbeurd verklaard en zij zelven voor altijd uit de landen des Konings verbannen. De vrouwen, wier echtgenooten de wijk genomen hadlden, bezochten dezelven op vreemd grondgebied, en knoopten verder eene briefwisseling met hen aan; maar ook dit laatste werd den 31 Januarij verboden en daarbij aan de overheid last gegeven de bannelingen, die soms mochten terug keeren, gevangen te nemen. Den griffiers van den raad, stadssecretarissen, notarissen en klerken werd verboden zich in te laten met rechtszaken die met de onlusten in verband stonden. Zij moesten alles wat van dien aard was geheel aan de beslissing vait den Hertog van Alba overlaten. Verder kregen alle gezagvoerders In last te onderzoeken of onder de verbeurd verklaarde goederen zich soms beneficiën “de jure patronatus” en andere officiën die vacant waren, bevonden. Men moest eene afzonderlijke lijst van zulke goederen vervaardigen, en afkondigen dat noch geestelijke noch wereldlijke personen over deze beneficiën beschikken konden. Aangaande het getal der te Roermond voltrokken doodvonnissen hebben wij geene berichten. Onder de gevangenen aldaar bevond zich een wederdooper Jurgien Snijder, genaamd Wilport, wiens spoedige veroordeeling Alba den schout en schepen der stad in eenen brief van den 6 November 1569 bijzonder op het hart drukte. Voor het geval dat hij hardnekkig bleef in zijne dwalingen en ketterijen, moest men hem naar de voorschriften der plakaten, alvorens hem uit de gevangenis te leiden, het voorste gedeelte der tong met een gloeiend ijzer afbranden, en hem zoo de gelegenheid benemen om tegen den katholieken godsdienst ergerlijke en godslasterende woorden te spreken. De magistraat van Roermond gaf nogtans niet terstond gehoor aan het bevel van Alba, weshalve deze, den 22 December, daarop terugkwam met het bevel van Jurien Wilport terstond te verbranden of in geval hij tot het katholieke geloof zoude terug keeren, hem door het zwaard te laten ombrengen. Verder gebood Alba de stedelijke overheid de personen die door Wilport als wederdoopers waren bekend gemaakt binnen zes weken voor hem of zijnen raad te dagvaiarden om zich te verantwoorden wegens hunne vlucht. Den 16 November 1569, verleende koning Philips eene algemeene amnestie. Een groot aantal dergenen die in de kelder waren hielden zich nogtans niet aan de voorwaarden die hierbij gevoegd waren nopens hunne verzoening met de kerk en den koning, weshalve Alba door den stadhouder aan den magistraat beval, met de grootste gestrengheid tegen hen te werk te gaan.
Maar ook deze maatregel schijnt bij eenigen de gewenschte verandering van inzicht niet bewerkt te hebben, wijl Alba den 30 Augustus van dit, jaar aan de stedelijke overheid den last gaf “om allen, die wegens hun hardnekkige kettersche gevoelens nog gevangen zijn en onverbeterlijk, in de gevangenis door hun valsche leringe meer kwaads aanrichten, dan of ze in vrijheid waren, binnen vier en twintig uren te doen executeren, en hun alvorens met een gloeijend ijzer het vooreinde hunner tong te doen branden, opdat ze ter executie gaande hun venijn niet zaaijen onder het gemeene volk”.
Deze gruwelijke maatregelen, welke overigens geheel overeenkomstig waren met het toenmalig begrip van strafrecht, trof intusschen de gevangenen te Roermond niet alleen want Alba zond denzelfden dag ook aan den magistraat te Arnhem een gelijk bevel. Den 8 Maart 1574 schonk de Koning eene tweede amnistie, waarvan hij nogtans acht zwaar beschuldigden van Roermond uitsloot, namelijk den mennonitischen predikant Wal, Hendrik van Aa, Schramen van DuIken, Peter en Gerard Schroeders, Peter Tessers Arnold Martels en Lodewijk Harmens. De stadhouder gaf den 13 September van dit jaar aan den magistraat van Roermond het bevel binnen drie maandien een naamlijst der personen, die tengevolge der amnistie in de stad teruggekeerd waren, op te zenden, en tevens inlichtingen nopens hun gedrag. Middelerwijl de regeerung de oproermakers streng strafte, nam zij verschillende maatregels tot beter behoud van het oude geloof. Alba’s opvolger, Don Requesens, vermaande, onder anderen, den 3 Februarij 1574 de stad Roermond om met alle zorg te bewerken, dit bij de jaarlijksche verandering van den raad slechts een oprecht katholiek man tot Burgemeester gekozen wierd”, ten einde beter opzicht genomen worde, om de eer Godts te vermeerderen en het roomsch kathiolijke geloof te bevorderen, dan zulks tot dus verre geschiedde”. De regeering trachtte verder de macht van ’s lands stenden te fnuiken en hun het eigenmachtig vergaderen te beletten. Den 13 December 1571 verbood zij de stad Roermond zonder hare toestemming in de toekomst eenen lands- of kwartiersdag, om het even waar bij te wonen.

Terug naar index

Opstand Willem van Oranje

Toen Alba, met de wapenen in de hand, de Nederlanders tot onderwerping trachtte te brengen, was de Prins Willem van Oranje bezig in Duitschland geld en troepen te zamelen, om met samenwerking der Franschen, de’ Spanjaarden uit het land te verdrijven. Den 8 Julij 1572 ging hij, aan het hoofd van een leger, bestaande uit 7000 ruiters en 17,000 man voetvolk, bij Duisburg over den Rijn, met het doel om eerst het overkwartier Gelder en daarna Brabant en Vlaanderen te veroveren. Eenige dagen daarop sloeg hij zijn leger neder te Aldekerk in de voogdij Gelderland, in het klooster der Franciscanessen. Van hieruit liet hij den 17 Gelder, Venlo en Roermond opeischen om zich over te geven. Gelder maakt dienzefden dag een verdrag tot overgave, terwijl ook Wachtendonk en Stralen zonder slag of stoot in bezit genomen werden.

Van Aldekerk trok de Prins naar Roermond en sloeg, den 21, zijn kwartier neder op het nabij gelegen kasteel Hillenrath. De stad was slechts met 140, kortelings uit Maastricht overgekomen, manschappen, bezet, onder het bevel van Jan van Barlaymont heer van Floyon, broeder des nieuwen stadhouders Gillis van Barlaymont. Verschillende welhebbende burgers waren met have en goed naar Wassenberg en Heinsberg gevlucht; ook bisschop Lindanus was,na herhaald aandringen van den magistraat vertrokken. Nadat de Prins de stad had omsingeld, liet hij ze den 23 ’s avonds herhaalde malen opeischen tot overgave, en begon, wijl dit vruchteloos scheen, omstreeks middernacht den eersten storm. “Wederzijds werd met den grootsten moed gevochten, zoodat eerst bij den vijfden aanval om 6 uur ’s morgens de stad door den vijand werd ingenomen. De bevel hebbende schout, en twee magistraatsleden werden gevangen genomen en verschillende vuurmonden veroverd. Zoo zacht en toegevend de overwinnaars de burgerij behandelden, zoo gruwzaam woedden zij tegen de geestelijkheid. Niet minder dan 23 geestelijken waaronder 12 Karthuizers werden op de vreeselijkste wijle vermoord, anderen zeer mishandeld, gevangen genomen en slechts tegen hoog losgeld op vrije voeten gesteld. (zie ook apart artikel over plundering Roermond)
Nadat de Prins nog eenige dagen op Hellenrath vertoefd, en Roermond met eene bezetting voorzien had, viel hij in Brabant, waar hij in korten tijd eene menigte steden innam. Maar de vermoording der Hugenoten te Parijs (.24 Augustus) ontnam hem alle hoop op de hulp die hij van Frankrijk verwachtte. Daarom begon hij omstreeks half September den terugtocht over de Maas naar den Rijn. Onderweg verliet hem deels uit vrees voor de Spanjaarden, deels wegens de slechte betaling der soldij, een groot gedeelte van zijn leger, en verschillende bezettingen der steden ook die van Roermond, weigerden den Prins langer te gehoorzamen. Op dezen terugtocht kwam Oranje, volgens onze kroniek, den 6 October door Roermond, vanwaar hij over Wachtendonk naar Orsoij trok. Hier dankt hij zijn leger af, zonder het ten volle bevredigd te hebben, zoodat er eene groote muiterij onder de soldaten ontstond, waarbij slechts door toedoen der officieren het leven van den Prins kon gered worden.

Roermond werd den 12 October weder bezet door bovenvermelden Jan van Barlaymont. Hoe vreeselijk de vijand hier gehuisd had, blijkt uit eenen brief welken de gouverneur van Maastricht, Frans Montesdoca, den 8 October aan Alba schreef en door den gevluchten burgemeester van Roermond overhandigen liet. Volgens dit stuk, en gelijk Alba ook beweerde, stond de Prins bij de inneming der stad in verstandhouding met eenige burgers waaruit de magistraat den 7 October aanleiding nam om een bericht aan den stadhouder te sturen over den toenmaligen toestand der stad en het gedrag der inwoners die den Koning vijandig waren”, opdat de slad dienaangaande niet in ongenade mochte komen.” Tegen het einde van October kwam ook bisschop Lindanus terug, en liet in de kathedraal al het verwoeste onder anderen het hoogaltaar, herstellen. Bij deze gelegenheid, ontdekte men (1594), dat de reliqieën van de HH Wiro, Plechelmus en Otgerus, bij de verplaatsing van het Kapittel van Odiliënberg naar Roermond (1361) overgebracht, en in dit altaar geborgen, zeer goed bewaard gebleven waren, ofschoon het altaarblad omgekeerd lag. Ook andere kerken en kloosters waren hij de innieming der stad geplunderd. Later ontdekte men te Aken verschillende ilezer gestolen voorwerpen, onder anderen, groote koperen kandelaars en andere koperen voorwerpen, welke de overheid aldaar in beslag nam. Den 8 November 1572 schreef de stedelijke overheid van Aken aan den magistraat te Roermond dat men iemand, ter bezichtiging dier voorwerpen naar Aken zou zenden, zich harerzijds verplichtende dezelve kosteloos terug te geven en de dieven te straffen.
De reeds boven vermelde stadhouder, Don Luis de Requesens, welke den hertog Alba in November 1573 was opgevolgd in het bestuur der Nederlanden, stierf plotselijk den 5 Maart 1576, zonder eenen opvolger benoemd te hebben, waarop de Raad van Staten te Brussel het bestuur op zich nam.

Terug naar index

Pacificatie van Gent, unie van Atrecht en Utrecht

De hulpmiddelen des Koonings waren thans zoo zeer uitgeput, dat men de soldij niet meer kon uitbetalen, tengevolge waarvan de soldaten met verachting aller krijgstucht uit Zeeland opbraken, op Brabant en Vlaanderen neervielen en zich aan de grootste losbandigheden schuldig maakten. Om gemeenschappelijk deze geweldige uitspattingen te keer te gaan, vereenigden zich de provinciën Brabant, Vlaanderen, Henegouwen en Artois, en hielden in September 1576 eene vergadering, terwijl zij de Staten der overige provinciên uitnoodigden, insgelijks vertegenwoordigers te zenden, om gezamenlijk de belangen van het land te bespreken. Buitendien riepen zij nog door bijzondere gezanten de hulp in van den Keizer van Frankrijk, van Engeland, van den Hertog van Kleef en van den Prins van Oranje, en stelden een eigen leger tegenover de Spaansche soldaten, die zich nu in verschnllende steden verschansten.

Middelerwijl waren er te Gent vredesonderhandelingen aangeknoopt, sinds den 19 October, tusschen de vertegenwoordigers dezer Staten ter eene, en de Provinciën Holland, Zeeland, den Prins van Oranje, onder wiens leiding deze laatsten zich reeds gesteld hadden, ter andere zijde. Den 8 November werd dit verdrag, onder den naam van Pacificatie van Gent bekend, gesloten, waarvan de hoofdbepailingen waren de wcderzijdsche hulp ter verdrijving der muitende soldaten; de oproeping der Staten-Generaal zooals deze tijdens Karel V bestaan hadden (de vrije uitoefening van den katholicken Godsdienst en de opheffing der strenge geloofsedicten. Sedert Augustus dezes jaars was ook de Prins van Oranje te Middelburg ijverig bezig om eene vereeniging tussen de verschillende provinciën tot stand te brengen.
In December 1576, kwamen dientengevolge gevolmachtigden uit alle Nederlandsche provinciën te Brussel bij elkander om voortaan, als Generale-Staten het bestuur des Lands op zich te nemen. De nieuwe stadhouder Don Juan stelde zich met de Staten in verbinding en na lange onderhandelingen kwamen den 12 Februari 1577, het “Eeuwig Edict” tot stand. Het duurde niet lang of er ontstonden, ten gevolge van onderling wantrouwen nieuwe moeilijkheden en toen de landvoogd het kasteel van Namen verraste namen de Staten ook van hunnen kant de wapens op en benoemden den Prins van Oranje tot “ruwaard van Brabant”. Op aandringen van den Prins werd de Aartshertog Matthias, broeder van Keizer Rudolf, tot landvoogd gekozen.

Bij Gemblours behaalde Don Juan nog eene schitterende overwinning op het leger der Staten. Den 1 October 1578 overleed hij, en Alexander Farnese, Pruns van Parma, volgde hem op. De Waalsche provinciën ten einde den voortgang der Protestandsche leer te stuiten, sloten het verdrag van Atrecht en verzoenden zich met koning Philips. Oranje van zijnen kant stelde hier tegenover een verdrag gesloten tusschen de noordelijke provinciën, en algemeen bekend onder den naam van “Unie van Utrecht.” Van het overkwartier Gelder traden alle steden toe, die door de Generale Staten bezet waren: Venlo, Gelre en Wachtendonck. Hiermede was de grondsteen gelegd tot de Nederlandsche Republiek, die zich den 26 Juli 1581 geheel afscheidde van Spanje en door een langdurigen en bloedigen strijd hare onafhankelijkheid verdedigde.

Terug naar index

Bezetting en belegering Roermond 1574-1580

Klik hier voor het deel van de stadskroniek van Roermond welk handelt over de belegering van 1577.

Keeren wij, na dit overzicht van den algemeenen staatkundigen toestand, tot de stad Roermond terug. Sedert den 8 September 1574 was Roermond bezet met vijf compagnies Duitsche soldaten van het Spaansche regiment dat onder het bevel van den aanvoerder Pollweiler stond. Onze kroniek schildert deze huurtroepen af als zeer muitziek en zonder krijgstucht, wijl zij van de regeering geene soldij ontvingen. De arme inwoners moesten de ongehoordste gewelddadigheden van hen verduren, ja de omstreken der stad werden geheel afgestroopt en uitgeplunderd zonder dat de bevelhebber er zich tegen kon verzetten. Vele jaren lang waren zij de schrik en de geesel des lands. Zij dreven hunne uitspattingen zoo ver, dat zij (1575) den magistraat van Roermond in de kerk opsloten.

Ten gevolge dezer buitensporigheden verliet eindelijk de stedelijke overheid de stad, (de stadsschrijver Jan van Kampen alleen uitgezonderd), met de voornaamste kooplieden. De bevelhebber Blasius van Fegersheim nam daarop ook het burgerlijk gezag in handen en bestuurde alles naar willekeur. Na herhaalde klachten der ingezetenen lieten de Geldersche Staten, in October 1574, den stadhouder Requesens, en in Mei 1576 ook den raad van Staten door bijzondere gezantschappen om hulp smeeken tegen deze rampen; doch zonder goed gevolg. De Staten besloten daarom een leger te vormen van 1000 ruiters voor den tijd van zes maanden, maar reeds in April 1577 ontsloegen zij ze, onder voorwendsel dat de Spaansche soldaten waren afgetrokken, maar inderdaad wegens gebrek aan de noodige middelen om ze te onderhouden.

Tijdens het ontstaan der verwikkelingen tusschen Don Juan en de Generale-Staten sloot zich Pollweiler bij genen aan terwijl de onder zijn bevel staande troepen in Brabant tot de laatsten overgingen. Daarop begaf hij zich met zijne beide zonen in Maart naar Roermond om persoonlijk het bevel over de daar liggende vaandels in handen te nemen. Weldra echter klommen de eischen door hem aan de stad gesteld tot zulke hoogte, dat deze zich genoodzaakt voelde den bijstand van Don Juan in te roepen. Ook bij hare naburen klaagde de stad Roermond haren nood en ellende. De magistraat van Venlo riep den 16 Juni de leden der ridderschap die in de omstreken woonde alsook de drossaards en stedelijke afgevaardigden te zamen om ten gunste der ongelukkige stad gemeenschappelijk op te treden. Men benoemde Jan van Brempt, drossaard te Gelder, en Engelbert van Brempt, drossaard te Stralen, “umb die groete langwilige ondregliche lasten end entlich verderven als der stad Roermonde end des gantzen quartiers bestes vlietz” aan de regeering te Brussel voor te leggen, en hare hulp in te roepen.
Maar ook deze poging bleef vruchteloos. De stad bleef aan de willekeur en de gewelddadigheden der bandelooze troepen prijs gegeven, zooals onze kroniek met alle bijzonderheden verhaalt. Niet alleen te Roermond, maar ook te Deventer en te Kampen, gingen de troepen van Pollweiler op zoo ruwe wijze te werk dat de inwoners dezer steden er heimelijk op bedacht waren ze met geweld te verjagen. Hiervan onderricht, namen de bevelhebbers die te Deventer lagen het besluit de te Kampen liggende vaandels tot zich te trekken, om des te zekerder gene stad in bedwang te kunnen houden. Den 20 Augustus 1577 verzochten zij Pollweiler óf om toezending van versterkingen, óf om goedkeuring van dit plan, omdat zij zich alleen niet konden verdedigen. De bevelhebber wendde zich daarom, den 24, aan Don Juan en verzocht hem om voorschriften waarnaar hij zich in deze omstandigheden te regelen had. Tevens hing hij een tafereel op van zijnen hachelijken toestand. “Ik heb hier te Roermond noch artillerie, noch krijgsvoorraad, noch levensmiddelen noch geld, om de stad te bedwingen en in geval van nood te verdedigen; ik kan hier geene eer behalen maar wel mijn leven en dat mijner soldaten op het spel zetten”. Denzelfden dag beklaagde zich Pollweiler in een brief aan den secretaris van den Hertog van Gulik, Pagney, die zich waarschijnlijk in de omgeving van Don Juan bevond, dat deze nooit in staat was een besluit te nemen.” “De toestand mijner soldaten” zoo gaat hij voort “wordt dagelijks moeilijker; de Staten maken aanhoudend jacht op hen en ontnemen hun het leven en de eer.” Daarom smeekt hij genoemden sekretaris dringend, alles in het werk te stellen, om Don Juan tot een spoedig besluit in deze zaak over te halen.

Deze hachlijke toestand van Pollweiler gaf waarschijnlijk aanleiding tot het gerucht dat hij voornemens was Roermond te verlaten met zijne soldaten en de stad met Waalsche troepen te voorzien. Nogtans Pollweiler trok niet af, integendeel hij ging tot grootere knevelarijen over, door in September, voor het derde maal, eene zware brandschatting in het overkwartier af te persen. Hij vorderde 2000 malder rogge en maandelijks 5500 gulden. De toestand van ons gewest was nu jammerlijk. De stadhouder, Gillis van Barlaymont en zijne broeders hadden zich bij Don Juan aangesloten, middelerwijl Gelderland, Roermond alleen uitgezonderd, de zijde der Generale Staten koos. Innig gevoelde het land de behoefte aan eene nieuwe krachtige provinciale regeering en aan eene betere militaire organisatie. Op den landdag te Nijmegen in September 1577, werd eene deputatie gekozen bestaande uit 12 personen, die namens de Staten over alle binnenlandsche aangelegenheden zouden beslissen en wegens den jammerlijken toestand des overkwartiers voorlopig te Venlo zouden verblijven. Tot deze commissie behoorden uit genoemd kwartier Jan van Wittenhorst, heer te Horst en drossaard van het ambt Kessel, Bertrand van Bilant, heer te Walbeck, Engelbert van Brempt, drossaard te Stralen, Adolf van Goor, heer te Koldenbroich, Frans van Hückelhoven, burgemeester van Roermond en Jan van Grefrath, burgemeester van Venlo. Terzelfder tijd namen de Staten van Gelderland drie aanvoerders, Frederik van Westrum, Hendrik Schenk van Nydeggen, en Gelis van Bocholt, elk met 50 paarden in dienst, om Pollweiler te bestrijden. Het opperbevel van dit korps werd opgedragen aan Godart van Bocholt, heer van Grefenbroich.

Alvorens de vijandelijkheden te beginnen wilde men beproeven alles in der minne met Pollweiler af te maken. Te dien einde werd een gezantschap naar het kasteel Hillenrath gezonden. Maar Pollweiler stelde zijne eischen te hoog en de onderhandelingen werden weldra afgebroken. Intusschen waren de drie Geldersche vaandels tot bij Roermond voortgerukt. Onze kroniek noemt ze de “Gelderschen,” daarentegen de bezetting van Roermond de “Hoogduitschen”. De opperbevelhebber der Geldersche troepen werd reeds in den beginne ziek zoodat Wittenhorst in zijne plaats trad en zich bij Hillenrath, Swalmen en Asselt neersloeg, zonder iets beslissends tegen den vijand te durven wagen, wegens zijne onbeduidende strijdkrachten. De vijand zette integendeel zijne roof- en plundertochten in de omstreken ongestoord voort, en vond alzoo gelegenheid zich door ruimen voorraad van mondbehoeften tot eene langdurige belegering te kunnen voorbereiden. Eerst den 28 October kwamen de hulptroepen door de Staten aan de Gelderschen beloofd en bestaande uit 12 vaandels voetvolk en 150 paarden onder aanvoering van Philips, graaf van Hohenlohe, die in dienst stond van den Prins van Oranje, (Onze kroniek noemt hem Graaf Halloch) te Swalmen aan, terwijl hij later nog 6 compagnieën verwachtte. Hohenlohe aanvaardde nu het opperbevel over het gansche belegeringsleger en begon zijne operatie’s door het opwerpen van 8 tot 9 verschansingen om de stad. Eene dezer verschansingen lag op het linker maasoever en heette “Tholen”. Deze was zonder twijfel dezelfde die als “hoogberoemd, welgelegen, zeer sterk en het gansche leger kunnende opnemen” beschreven wordt. Pollweiler verdedigde de stad insgelijks door verschillende schansen, door versterking van eenige rondeelen en eindelijk door dat hij eenige poorten “toebollwerkte”. Opmerkenswaardig is het dat hij zich, in den loop der belegering ook van duiven bediend heeft om tijdingen van Don Juan te krijgen. Deze duiven die, den 9 December waren verzonden, raakten bij hunne terugkomst, den 21 December in de handen der belegeraars, waarvoor deze de Hoogduitschers niet weinig uitlachten. Wegens het zeldzame beleid en de groote dapperheid waarmede de stad verdedigd werd, waren de strijdkrachten van Hohenlohe niet toereikend om Roermond met geweld te veroveren, te meer daar een leger, onder aanvoering van Gillis van Barlaymont en Mondragon ter ontzetting der stad, in aantocht was. Dit rukte, den 3 Januari 1578, tot in de nabijheid der stad voort, de Gelderschen verlieten daarop hunne posten en trokken naar den linker Maasoever in de schans Tholen terug, om hier den vijand af te wachten.
Middelerwijl deed Pollweiler, met zijne gansche macht eenen hevigen uitval, maar ontmoette dusdanigen weerstand, dat hij zich, met verlies van 150 dooden en 7 gevangenen, in de stad moest terug trekken. Een uur later verscheen het ontzettingsleger, dat terstond de schansen, door de Gelderschen bezet, aantastte. Eerst tegen den avond trokken deze af en wel wegens gebrek aan proviand, eerst naar Blerick en des anderentdaags naar Velden, waar zij bleven tot den vijfden dag en vervolgens uit elkander gingen. Barlaymont voorzag Roermond met de noodige levensmiddelen en manschappen, liet eene scheepsbrug over de Maas slaan, en trok den 19 in alle stilte naar Limburg.
Ook de bevelhebber Pollweiler, verliet den 10 Januari Roermond, en begaf zich naar Don Juan. Onze kroniek getuigt van hem met volle recht, dat hij een even dapper als schrander en ervaren veldheer was, die zijne taak juist opgevat en nauwkeurig volvoerd heeft. Zijne woeste en willekeurige handelwijze was hem gemeen met de meeste veldheeren van zijnen tijd, maar hij was, meer dan anderen, een man van karakter, die zich trouw gehouden heeft bij het eenmaal gekozen vaandel. In twee brieven, van het jaar 1577, noemt hij zich Nicolaas Vrijheer tot Pollweiler en in ’t Weilerthal, Heer tot Mas-munster en Blumberg, Landvoogd in Overelzas en Spaansch Bevelhebber over een regiment hoogduitsche troepen. Pollweiler of beter Bollweiler is een kasteel niet ver van Sulz en ligt even als Masmunster (Moisevaux) en Blumberg (Florimont) in Overelzas. Daaruit blijkt dat onze bevelhebber een adelijke uit den Elzas was en zonder twijfel dezelfde die elders als landvoogd van Hagenau voorkomt en later van Philips II eene jaarwedde genoot. Hij was een bijzondere vertrouweling van den kardinaal Granvelle, waarmede hij in den loop des jaars 1564 in drukke briefwisseling stond. Waarschijnlijk was hij onder Alba naar de Nederlanden gekomen, wijl hij van dezen den last ontving, troepen in Duitschland aan te werven. Deze troepen ter getalsterkte van 4000 man werden echter door de stad Augburg ontwapend; over welke daad Alba in eenen brief van 18 Juli 1572 bitter klaagde. Volgens eene genealogische tafel, was hij zoon van Jan, Baron van Bollweiler; hij stierf den 8 Maart 1588.

De mislukte belegering der stad Roermond gevoegd bij het opnieuw in zwang gebrachte roof- en plunderstelsel door de hoogduitsche soldaten, baarde eene algemeene ontevredenheid en verbittering tegen de aanvoerders des legers bijzonder tegen Wittenhorst. Deze had het opperbevel op zich genomen, nadat Hohenlohe in het begin van December bij eene schermutseling gewond was geworden. Bij het naderen van het leger, dat tot ontzet der stad gezonden was, verliet Wittenhorst in overleg met Hohenlohe, het belegeringsleger en begaf zich des nachts in aller ijl naar Venlo, om deze stad en de omliggende plaatsen met krijgsvolk en andere oorlogsbehoeften te voorzien. Toen nu, den 12 Januari 1578, de vijand voor Venlo verscheen en de om liggende plaatsen verwoestte, moest Wittenhorst hier harde verwijtingen hooren.
Nadat de Hertog van Parma in October 1578 het bestuur der Nederlanden aanvaard had, verbeterde langzamerhand de toestand in het Overkwartier, bijzonder toen, den 17 Maart 1580, eindelijk de hoogduitsche troepen van Pollweilers regiment, dat te Roermond in garnizoen lag, werden afgedankt.

Terug naar index

Privileges en tolrechten Roermond 1581-1589

Ofschoon onze stad nog meermalen veel te verduren had van den overmoed van vreemde huurtroepen en onder den last van zware inkwartieringen gebukt was, zoo ging zij niettemin eene betere toekomst te gemoet. Zelfs mocht zij zich verheugen in verschillende gunstbewijzen en voorrechten van wege de regeering haar geschonken waardoor haar stoffelijk welzijn niet weinig werd bevorderd. In Maart 1580 bracht de koning den Raad van Gelderland van Arnhem, dat in vijands handen was, over naar Roermond. Een jaar te voren had Philips II de stad op haar verzoek de opheffing van den opslag te Linne en in het land van Montfort vergund, en zulks omdat zij “van veelen jaeren herwaerts in grooten achterdeil und onwederbringelicken schaeden geraeden is, soo mits den grooten und erschrickelicken brand anno 1554 lestleden geschiet, als anders dat sie (de inwoonders) in allen voerigen inlendischen oirlogen, wie dan noch in diesen jegenwoirdigen vast die beste, redelichtste unde rechtveerdichtste partye gestanden, die gevolcht ende daerby lyff, goet ende bloet unde wat sy sunst gehadt guetwillich ja begeerlich opgesath hebben”. Den 9 Juni 1581 verleende de regeering aan de stad octrooi om gedurende een jaar zeker licentgeld te heffen op de over de Maas op- en afvarende schepen en de koopmans goederen, hetwelk later meermalen (1587-1590) hernieuwd werd. In Juli 1589 vergunde dezelfde aan de stad eenen wekelijkschen markt van paarden en ander vee, te houden op Woensdag, en twee jaarmarkten, de eene in den winter op den dag van St. Paulusbekeering (25 Januarij) en de andere in den zomer op St. Margaretadag (20 Julij). Op den 2 Âpril 1589 verleende de regeering aan de stad octrooi tot het heffen van den tienden penning op het recht genaamd “schippersteur of surplus”, welk binnen de stad geheven wordt voor den tijd van een jaar, om de penningen daarvan komende, met andere stedelijke middelen, te doen strekken tot de fortificatie der stad.

Terug naar index

Periode 1579-1612

Parma veroverde beurtelings vele steden in ons land. Den 29 Juni 1579 Maastricht, in Juni 1586 Grave, Arcen, Well, Grubbenvorst en Venlo en later Neus, het slot Krakau bij Crefeld, Meurs, Alpen en Rhijnberg, den 4 Juli 1587 door verraad Gelder en den 20 December 1588 Wachtendonk, zoo dat nu het gansche overkwartier weder in handen der Spanjaarden vereenigd was. De verschillende aanvallen door de Generale-Staten op eenige steden van ons land ondernomen, bijv. den 23 April 1591 op Stralen, bleven zonder gevolg. Ook ons Roermond zou in den zomer van 1584 door overrompeling genomen worden. Tot dit einde bracht de Graaf Philips van Nassau een korps van 1300 voetknechten op de been welke den 19 Augustus te Nieuwklooster bij Goch te zamen kwamen. Den volgenden dag trokken zij naar Roermond waar zij des nachts om 2 uur verschenen. Op het oogenblik dat de vijand de stadspoort met buskruid wilde doen uiteenspringen werd hij door den schildwacht ontdekt, die terstond eenige schoten loste en daardoor de bezetting te wapen riep. De vijand trok naar Swalmen en Asselt terug “een instrument gelijck aan een langen draagboom met twee ijzeren tanden en van boven met eenen ijzeren haack sterk beslagen”, achterlatende. Koning Philips was intusschen tot de overtuiging gekomen dat er geene mogelijkheid meer bestond om de noordelijke gewesten ooit onder zijne gehoorzaamheid terug te brengen. Hij besloot derhalve de Nederlanden van de Spaansche monarchie los te maken en als een onafhankelijke staat tot bruidschat te schenken aan zijne oudste dochter Isabella Clara Eugenia, welke in den echt zou treden met den Aartshertog Albert van Oostenrijk, den Zoon des Keizers Maximiliaan II. Bij akte van den 6 Mei 1598 stond hun Philips de souvereiniteit over de 17 provinciën erfelijk af, onder voorbehoud nogtans dat deze landen, indien zij kinderloos stierven, weder aan Spanje zouden terug komen. De Aartshertogen, zoo noemde men Albert en Isabella sloten den 9 April 1609 een twaalfjarig bestand met de Generale Staten. Hiermede werd voorloopig een einde gemaakt aan den oorlog, welke reeds gedurende meer dan 40 jaren ontelbare rampen over alle streken der Nederlanden verspreid, en de welvaart geheel vernietigd had.

Terug naar index

Heksenprocessen 1613

Te midden van dezen wapenstilstand, werd de vrede der stad Roermond gestoord door eene gebeurtenis welke eene treurige getuigenis aflegt van de onkunde en de dweepzucht dier ongelukkige tijden. Den 24 September 1613 werd Trijntje van Sittard, moeder van een twaalfjarig meisje uit de stad, op het zeggen dezer laatste van tooverij beschuldigd en gevangen genomen. Zij maakte op de pijnbank eenen zekeren meester Jan bekend uit het naburige dorp Ool als “aanvoerder der toovenaars en toovenaressen” en behalve hem nog eene menigte andere personen, welke men allen aanstonds gevangen nam. Meester Jan klaagde nog 41 vrouwen uit Roermond, Swalmen, Wassenberg en Stralen als tooverkollen aan, welke ook in zijn ongelukkig lot deelden. Op deze wijze werden door aanhoudende en zonder twijfel door middel van de pijnbank afgeperste, bekentenissen, in bovengenoemde plaatsen te samen 64 personen gekerkerd, van tooverij beschuldigd en tot den brandstapel verwezen. Het getal der te Roermond gerechten bedroeg volgens de verklaring van den schout Christoffel Brantz ongeveer 40. Op bevel van den magistraat werden twee hunner dagelijks tot “pulver” verbrand. Met zijne toestemming werd eene, aan het Stedelijk protocollenboek ontleende, beschrijving dezer gebeurtenissen gedrukt naar welke wij ook wat aangaat de overige bekentenissen der beschuldigden en andere bijzonderheden verwijzen. Een enkel exemplaar van dit losse blad, wiens titel in houtsnede de verbranding van twee aan de galg hangende heksen voorstelt, bevindt zich in de Bibliotheca Duncaniana te ‘s Gravenhage. Wegens zijne groote zeldzaamheid oordeelden wij het passend een getrouw afdruksel bij ons werk te voegen. Ook waren volgens onze kroniek reeds in 1594 verschillende vrouwspersonen deels uit de stad, deels uit de omliggende plaatsen van Roermond, van tooverij beschuldigd en voor de rechtbank gedaagd zonder dat iets naders daaromtrent bekend is. Op deze proceduren hebben betrekking de in de maand Maart van dit jaar opgestelde en nog in het stedelijk archief aanwezige vragen, welke wij als bijlage aan ons werk toevoegen. (Zie ook het aparte document over deze heksenprocessen)

Terug naar index

Verraad van Hendrik van den Berg 1632

De na het einde van den twaalfjarigen wapenstilstand (1621) weer hervatte oorlog tusschen Spanje en de Nederlandsche republiek nam in Juni 1632 voor het eerste land een zeer ongunstigen keer. In het begin van dit jaar begaf zich de Graaf van Warfusée, minister van finantiën in de Spaansche Nederlanden, heimelijk naar den Haag en verklaarde aan Prins Frederik Hendrik van Oranje dat hij ontevreden over Koning Philip welke hem aanzienlijke sommen schuldig was, het voornemen had in den dienst van den Koning van Frankrijk te treden.
Wilden de Generale-Staten hem beloonen zoo was hij gereed, een groot gedeelte van Nederland tegen den Koning in oproer te brengen; ook voegde hij er bij dat de Graaf Hendrik van den Berg, stadhouder van het Overkwartier, zijne voornemens deelde, en vorderde voor zich en den Graaf vooreerst 200.000 kronen en later verdere belooningen in geld en posten. De Prins nam het voorstel aan. Warfusée begaf zich naar Venlo en de Raadspensionaris Pauw bracht hem aldaar de beloofde sommen. Te gelijkertijd werd het plan van den veldtocht tusschen hen besproken en een aanval op het Overkwartier vastgesteld.

Omtrent Pinksteren 1632 verzamelde de Prins van Oranje op de Mookerheide een uit 3000 ruiters en 17000 voetknechten bestaand leger en viel onmiddelijk Venlo aan terwijl hij den Graaf Ernst Casimir van Nassau, stadhouder van Vriesland, naar Roermond en den Kolonel Wijnbergen naar Stralen voortrukken liet. Na een’ korten wederstand gaven zich Venlo en Stralen den 3 Juni over. Ernst Casimir kwam den 2 voor Roermond aan werd echter reeds den ’s namiddags bij de bezichtiging der nauwelijks geopende loopgraven door een kogel aan het hoofd getroffen en stierf na weinige uren. Nadat Venlo veroverd was trok ook de Prins met het gansche leger naar Roermond, dat met eene bezetting van slechts 300 man onder den Kolonel Ribaucourt onmogelijk lang kon verdedigd worden. Reeds den 3 Juni had de magistraat in overeenstemming met den Bisschop, de Kanselarij en de Rekenkamer het voornemen opgevat met de vijanden in onderhandeling te treden; waartegen zoowel de bevelhebber als ook de toen juist in de stad aanwezige Gouverneur van Orso, Leonardits Caraccioli, en tevens de burgemeester Peter Bosmann hevig protest aanteekenden. Den 4 Juni ’s morgens vergaderden de genoemde autoriteiten op het stadhuis om de overgave der stad in beraad te nemen. Ondertusschen begaf zich de burgemeester van de stadswerken komend naar de markt en beval eene aldaar geposteerde compagnie burgers zich tusschen de Maasnieler en Zwartbroekerpoort, waar de vijand zijne loopgraven aangelegd had, te plaatsen en de alhier sedert 24 uren werkzame burgers af te lossen. Daar deze aanmaning onbeantwoord bleef, stelde zich Bosmann voor de compagnie met den stok in de hand en voegde haar volgende woorden toe: “ik zal de eerste zijn die u voorga; wie den burgemeester lief heeft volge hem.” Een gedeelte der compagnie gehoorzaamde en trok met den burgemeester af, wien onze kroniek met recht den lof van eenen “getrouwen, vigilanten en manhaften burgermeister toezwaait, die dag en nacht voor alles wat tot de verdediging der stad noodzakelijk was, zorgde.” Middelerwijl drongen de op het Raadhuis vergaderde autoriteiten bij den commandant op het sluiten eener kapitulatie aan, tot dat hij eindelijk na lang talmen inwilligde een wapenstilstand tot stand te brengen. De burgemeester gaf echter zijne toestemming daartoe niet, alvorens het collegie der “tien mannen” die de gemeente vertegenwoordigde en de gezamenlijke gilden daaromtrent geraadpleegd te hebben. ‘s Namiddags verscheen een trompetter met een’ brief van den Graaf Ernst Casimir waarin hij der stad eene zeer gunstige kapitulatie aanbood. De magistraat nam met de begonnen onderhandelingen genoegen en verzocht den Prins de vijandelijkheden te schorsen en eene kommissie te zenden om verder te beraadslagen. Uit vrees dat Ribaucourt den, aan den trompetter vertrouwden, brief zoude terughouden liet de magistraat er een afschrift van door den Gardiaan van het Recollettenklooster, met de noodige instructies voorzien, aan den Prins bezorgen. Deze stond de stad het verzoek toe en bepaalde het dorp Ool als plaats van bijeenkomst der afgevaardigden.

Naar aanleiding der reeds gedane voorstellen werd hier de van 5 Juni gedagteekende kapitulatie gesloten welke ook bepaalde dat het garnizoen naar Rhijnberg vertrekken moest. Zondag den 6 Juni toen juist te Roermond de kermis gevierd werd, hield de Prins, nadat de bezetting vertrokken was, ’s namiddags zijne intrede. De burgemeester Bosmann en de Heeren van den Magistraat gaven hem op de markt de sleutels der stad over waarna de Prins dezelve met hare vestingswerken bezichtigde en toen naar het leger terugkeerde. De ritmeester Randtwijk werd tot Gouverneur van Roermond benoemd en 8 compagniën als garnizoen voor de stad bestemd. Door de kapitulatie werd de St. Joriskerk aan de hervormden afgestaan, doch de commissarissen der Staten Generaal welke den 1 Juli naar Roermond kwamen oordeelden deze te klein en kozen in hare plaats de H. Geestkerk. Hoewel de Deken en Scholaster deze kerk als de “oudste” wenschten te behouden, lieten de commissarissen ze door de hervormden in bezit nemen; waarna op Zondag den 4 Juli, de eerste dienst in dezelve plaats had. Buitendien lieten de commissarissen na wegruiming eeniger moeilijkheden den magistraat door een’ handslag den eed der getrouwheid zweren en deden alle charters, registers en rekeningen der rekenkamer inpakken en naar Arnhem verzenden.
Volgens het besluit van den landdag te Zutfen van 16 November 1634 moesten te Roermond twee hervormde predikanten, ieder met eene jaarwedde van 700 gulden een rector met 5 tot 600 gulden en twee onderwijzers benoemd worden: de laatsten zouden van de stad eene vrije woning erlangen. Terwijl de Prins van Oranje nog Sittard, Maaseyck en later ook Maastricht veroverde, begaf zich de stadhouder in het overkwartier, Graaf hendrik van den Berg, naar Luik, van waar hij zijnen overgang in den dienst der Staten-Generaal den 18 Juni, bij een open brief aan de infante Isabella berichtte, en door de bewering, als hadde de Spaansche regering hem de middelen om het land te verdedigen ontnomen, trachtte te rechtvaardigen. Koning Philips verklaarde hem een meineedige en landverrader. Verscheidene omstandigheden rechtvaardigen het vermoeden dat Van den Berg reeds sedert twee jaren geheime betrekking met de Staten-Generaaal stond. Volgens onze kroniek hield de Graaf zich reeds den 30 augustus 1632 met de monstering eeniger troepenafdeelingen in den dienst der Staten onledig: deze beliepen in het begin van October 20 vaandels voetvolk en 4 compagniën ruiterij. Nadat hij den 14 November met den Prins van Oranje op de Reuversche heide het middagmaal gebruikt had, vertrok hij eenigen tijd later naar den Haag, alwaar hij in het volgende jaar tot den eed en dienst der Staten-Generaal aangenomen werd.

Terug naar index

Herovering door Spanje 1637

De stad Gelder was nu de eenige plaats van het overkwartier welke zich nog in de handen der Spanjaarden bevond: daarom begaf zich het tot dusverre in Roermond bestaande regeeringscollegie daarheen, en hield op het slot zijne zittingen tot dat den 3 September 1637 Roermond wederom in de macht des Konings kwam. In Augustus van dit jaar deed de kardinaal Ferdinand broeder van Phlippus IV, bekend onder den naam van “Kardinaal Infant” als Gouverneur der Spaansche Nederlanden een vijandelijken inval in het overkwartier. Den 25 veroverde hij Venlo en liet dan zijne kavalerie tegen Roermond voortrukken terwijl hij twee dagen later met het overige leger volgde. Het garnizoen dezer stad onder het bevel van den majoor Carpantier bestond uit 11 compagniën voetvolk en twee cornetten ruiterij, te zamen ongeveer 1100 man sterk.
Den 29 begonnen de Spanjaarden de stad te beschieten en hielden daarmede aan den geheelen volgenden dag. Daar de vesting onmogelijk lang kon weerstaan capituleerde de kommandant den 3 September onder de voorwaarden aan Venlo toegestaan, nadat hij zich dapper verdedigd en meer dan 700 tonnen buskruid verschoten had. Het garnizoen trok den volgenden dag met twee kanonnen en alle wapenen naar Grave. Bemerkenswaardig is het dat de burgerij weigerde aan het gevecht deel te nemen. Verheugd dat hare stad wederom in het bezit van haren natuurlijken Heer gekomen was trok zij den 4 September met vliegende vanen uit om den Kardinaal-Infant in te halen. De burgemeester Frans Pollart en andere leden van den magistraat gaven hem de sleutels der stad over, welke hij hun echter ter bewaring wederom ter hand stelde. Denzelfden dag werd de toenmalige magistraat afgezet en een nieuwe door den Kardinaal Infant benoemd. Onze kroniek eindigt met eene opgave der wapenen, oorlogswerktuigen en levensmiddelen, welke de Spanjaarden in Roermond vonden.

Terug naar index

Stadsbrand Roermond 1665

Alvorens wij onze inleiding sluiten vermeenen wij aan eene gebeurtenis te moeten herinneren, welke wel is waar niet in den tijd onzer kroniek valt, maar in de geschiedrollen van Roermond een te gewichtige hoewel onheilvolle bladzijde teekent, om hier niet ter loops vermeld te worden. Den 31 Mei 1665, den eersten Zondag na Pinksteren gedurende de kermis van Roermond ontstond er gedurende de processie door het afschieten van een geweer, een hevige brand welke binnen vijf uren de geheele stad op ongeveer 100 huizen na, in de asch legde. Het paleis van den Bisschop, van den Gouverneur, de Kanselarij, het Raadhuis en verscheidene kloosters werden eene prooi der vlammen. Door dit groot ongeluk werd de welvaart der stad welke op aanzienlijke wijze sedert het einde van den oorlog (1648) was vooruitgegaan, voor vele jaren vernietigd. Zoo als bij gelegenheid van den grooten brand in 1554, mochten ook nu de door den brand geteisterden zich in eene veelvuldige ondersteuning verheugen. De stad Gelder zond 320 brooden en 300 pond spek, het ambt Gelder 51 malder rogge en eene partij spek. De Gouverneur der Nederlanden schonk in naam des Konings 17.000 gulden. De Staten-Generaal, de Staten van Holland en West-Vriesland stonden der stad de tolvrijheid toe voor de tot haren herbouw benoodigde materialen.

Terug naar index

Kloosters in Roermond in de periode tot 1670

Hier zij nog opgemerkt dat gedurende de jaren, welke onze kroniek doorloopt, de volgende mannen- en vrouwenkloosters in Roermond bestonden:

  1. Het in 1307 door Graaf Reinold 1 van Gelder gestichte klooster der Minderbroeders of Recolletten, gelegen in de Neerstraat. Het werd in 1797 door de Franschen opgeheven: thans bestaat nog van hetzelve slechts de kerk, welke deels als protestantsche kerk deels als magazijn dient.
  2. Het op de Swalmerstraat gelegene Karthuizerklooster gesticht in het jaar 1370 door den Ridder Werner van Swalmen, zijne echtgenoote Bertha van Geilenkirchen en zijnen broeder Robin van Swalmen, Kanunnik van St. Servatius te Maastricht. Hier stierf in 1471 de beroemde Dionysius Richel als prior. Dit klooster werd in 1784 door Keizer Jozef II opgeheven, in 1841 door Monseigneur Paredis Bisschop van Roermond met de daarbij behoorende kerk aangekocht en in een Groot-Seminarie herschapen.
  3. Het klooster der Regulieren van den H. Hieronymus in1390 door Jan van Leuven, proost te Xanten, gesticht. Het werd bij de oprichting van het diocees Roermond opgeheven, om Bisschop Lindanus tot woonplaats te dienen en werd in 1611 den Jezuïeten toegewezen.
  4. Het klooster der Kruisheren in 1422 door Jan van Merode, prior van dezelfde orde, gesticht. In 1784 opgeheven, werd het klooster met zijne kerk afgebroken in een open plein, de Kruisheerenplaats, aan de Maasnielerpoort gelegen, herschapen.
  5. Het klooster der Jezuïeten die, zooals onze kroniek vermeldt den 20 October 1610 het voormalige Regulierenklooster in bezit namen. Het werd in 1774 opgeheven en deszelfs kerk afgebroken; de overige gebouwen vroeger in gebruik van het bisschoppelijk collegie, zijn thans door de Hoogere Burgerschool ingenomen.
  6. Het Cisterciënser-Nonnenklooster, gewoonlijk het Munster genoemd, gebouwd in 1218 door Gerard III graaf van Gelder, op verzoek zijner moeder Richardis, welke aldaar de eerste abdis was. De nog thans bestaande kerk werd den 1 Juli 1244 door den Aartsbisschop Engelbert van Keulen ingezegend. De gebouwen van het in 1797 opgehevene klooster dienen heden deels als kazerne der cavallerie, deels vroeger als buis van arrest dat thans weggeruimd is voor het nieuwe Munsterpleîn.
  7. De Godsweerd (insula Dei) klooster der Franciscanessen, omtrent 1344 buiten de stad voor de Begijnenpoort gesticht. Het lag aan de Kapellerpoort en droeg den naam Emaus van daar dat de plaats nog heden het Eemsel (Deemsel) heet. In 1483 afgebroken, werd het binnen de stad verplaatst, herbouwd behield dit klooster den naam Godsweerd tot het in 1784 werd opgeheven. De kerk is verdwenen, een deel van het nog aanwezige klooster dient tot woningen van particulieren.
  8. Het klooster der Dominicanessen van Maria-Wee (Douleurs de Marie) was buiten de stad op den Molenberg niet ver van de roode Brug tegenover de hoeve “het Hans” genoemd gelegen, en in 1386 gebouwd. Hertog Karel van Gelder verplaatste hetzelve later in de stad, en wel in de gebouwen, die vervolgens tot bisschoppelijk Seminarie dienden. De religieuzen verbleven alhier tot in 1599 toen zij haar nieuw klooster betrokken, gelegen aan de Kapellerpoort tegenover het convent der Recolletten. Het werd in 1784 opgeheven. Thans dient een gedeelte tot privaat-woning terwijl de kerk afgebroken is.
  9. Het klooster der Celliten of Zwartezusters ter verzorging der zieken, reeds, naar het schijnt in 1425 gesticht doch slechts in 1462 door den magistraat erkend. Hetzelve werd ook “Broodboomgaard” (verger au pain) genoemd, lag op de Schoolstraat en werd in 1797 opgehieven. Een gedeelte van het klooster bestaat nog en dient tot tuinierswoning.
  10. Het klooster “Mariengaarde” (jardin de Marie) volgens eene verklaring der stedelijke overheid in 1463 gesticht door Gertrudis Mans en hare dochters. Dit klooster van de orde der Augustinessen werd in 1784 opgeheven en later afgebroken.
  11. De arme Clarissen kwamen in 1614 van Brussel naar Roermond. Den eersten steen van haar klooster legden den 27 Juni 1617 Christoffel Schenk van Nijdeggen, Heer van Hillenrath, en de Ritsburgemeester Gerard Creijartz in naam der landvergadering. Dit klooster lag in de Neerstraat niet ver van de Recolletten en werd in 1784 opgeheven. De kerk is afgebroken, een deel der gebouwen dient tot woningen van particulieren. De stichting der overige Nonnenkloosters, der Ursulinnen Penitenten en Carmelitessen, valt in lateren tijd.

Terug naar index

Inrichting van het bestuur van Roermond

Ter nadere verklaring voegen wij eenige bemerkingen omtrent het stadsbestuur bij. Gedurende het tijdsbestek van onze kroniek bestond de magistraat uit den schout, 2 burgemeesters, 10 wethouders en 5 raden of raadsverwanten. De regeling van het gemeentebestuur rust voornamelijk op eene oorkonde, den 14 September 1371 door Hertog Reinold III aan de stad verleend. Volgens dit gewichtig stuk bekleeden de Schepenen en Raden voortaan hunne bediening op levenstijd en kunnen bij afsterven van een hunner het collegie door eene nieuwe verkiezing voltallig maken. De Hertog behield zich nogtans voor de bekrachtiging van den nieuwen keus door zijnen ambtman te verleenen. Van de twee burgemeesters werd de eerste of regeerende burgemeester gewoonlijk Ritsburgemeester ook soms Raadsburgemeester genoemd, omdat hij door den raad gekozen werd. Het woord Rits schijnt uit het woord Raths gevormd te zijn. Misschien heeft hij dezen naam als aanvoerder of “Ritmeester” der stedelijke oorlogsmacht, erlangd. De tweede burgemeester droeg den naam van Payburgemeester. Hij bezorgde hoofdzakelijk het finantiewezen, en ontleende zijn naam aan het woord payer (betalen). Beide burgemeesters bekleedden hun ambt gedurende één jaar. De keus had op den feestdag van Petrus-stoel (22 Februari) plaats. De Ritsburgemeester werd door de Raadsverwanten uit het wethouderscollegie, de Paijburgemeester door de Schepenen uit de gemeente gekozen. Buitendien had de stad 2 secretarissen. Tegenover den magistraat werd de burgerij vertegenwoordigd door een tweeden raad of het collegie der tienmannen. Hetzelve telde in den beginne slechts 6 leden – de sessen – van welke 2 door de gemeente uit de gezworenen of voorzitters der Gilden, en 4 uit de burgergilden gekozen werden. Den 14 Juli 1449 sloten de werkmeesters en gezworenen der wolweversgilde, alsmede de hoofden der overige gilden uit naam der gemeemte met den magistraat eene overeenkomst”omme eindrechtlich te blijven”. Volgens dit verdrag zouden uit het collegie der sessen de genoemde werkmeesters en gezworenen vier, en de gilden de andere twee leden uit de gezworenen kiezen. Daarenboven bepaalde men dat jaarlijks de helft der zes mannen aftreden en in hunne plaats op genoemden feestdag van den H. Petrus 3 nieuwe zouden gekozen worden. Bij ontvangsten en uitgaven alsmede bij de kasopneming en bij “eenige saicken off brieve, die quemen ind der statt aen gyngen, sy weren cleyne off groete” moesten de zes-mannen tegenwoordig zijn. Rentebrieven ten laste der stad moesten afgeschaft en het stadszegel in een met 3 sloten voorziene kastje bewaard worden. Een’ sleutel verkreeg de magistraat, een’ tweeden de werkmeesters en de derde berustte in handen van bovengenoemde zesmannen. Deze overeenkomst welke een treffend bewijs van den grooten politieken invloed der gilden levert, eindigt met eene verklaring der werkmeesters en gezworenen. De hoofden der wolwevers en andere gilden beloven “offt sich ommermeer bevonde, dat die stat t’achterst queme, dat sy dair tue guetlich willen helpen raiden, dat sy te voeren komen sall.” Ten tijde onzer kroniek was het getal leden van dit collegie reeds tot 10 geklommen. Aan het hoofd stond de zoogenaamde “vrouwenbroeder.” In andere plaatsen van Nederland werden de rijkste of vroedste gemeentenaren in dezen raad gekozen, welke daarom vroedschap genoemd werd. Waarschijnlijk is de benaming “vrouwenbroeder” uit het woord vroedbroeder ontstaan.

Terug naar index

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , | Plaats een reactie

Orgeltocht

Een orgeltocht is een tocht voor grijze heren. Er waren slechts 2 vrouwen aanwezig, een “vrouw van” (ze wilde ook wel eens weten wat haar manlief daar zo leuk aan vond) en een moeder van (‘kun jij rijden mam?’) De rest was een gezelschap van mannen, veel kenden elkaar vanuit een kerkgemeenschap, maar in principe waren zij allemaal vooral liefhebbers van het orgelspel. In de Krimpenerwaard zijn dat er best wel veel. Ik was er een van.

Er werden vier kerken bezocht en vijf orgels toegelicht en bespeeld met een concert. Tussendoor reisden we van Berkenwoude (2 kerken en 2 orgels) naar Haastrecht (een katholieke kerk!) en tot slot naar Oudewater (hoofdorgel en koororgel). Over eten op die dag was vooraf en ook ter plekke niets gezegd. Ik had voor de zekerheid maar een boterhammetje meegenomen dat ik bij de verkassing van Berkenwoude naar Haastrecht in de auto op at. Zoiets zou in België, Duitsland of Frankrijk onmogelijk zijn geweest. Nu waren we bezig van half 12 tot half 6, in Frankrijk zouden we eerder zijn begonnen en er zou een gezamenlijke lunchpauze zijn gepland van zeker 2 uur. In Nederland niet dus, en zeker niet in de Biblebelt….

Na deze overpeinzingen van een gewezen katholiek afkomstig uit het Bourgondische Limburg vertel ik nu enkele dingen over wat ik meemaakte. Ik vond het bijzonder om maar liefst vijf orgelconcerten te kunnen bijwonen, allemaal van goed niveau, en te luisteren naar de soms prachtige registers van vijf orgels in vier kerken. Elk concert duurde inclusief toelichting ongeveer een uur.  De muziekkeuze was afwisselend, vaak was het trouwens niet zo mijn smaak, maar steeds werden er toch ook weer interessante stukken gespeeld. Op het koororgel van Oudewater werd zelfs het eerste deel van de vierde orgelsonate van Vierne gespeeld, een van mijn lievelingsstukken! En het klonk daar verrassend goed.

Berkenwoude: Gereformeerde kerk de Fontein

De eerste organist die we te horen kregen was iemand die ik al kende, een gewezen leerling van Gerben Budding: Jan Hoogendoorn. De eerste twee jaar dat mijn kleinzoon Gijs les had van Gerben kwamen we hem vaker tegen. Inmiddels zit hij twee jaar op het conservatorium van Amsterdam en heeft nu dus zelfs al een aanstelling als organist in de Gereformeerde kerk van Berkenwoude! Hij speelt goed, maar naar mijn bescheiden mening moet zijn spel muzikaal nog rijpen. Logisch, hij is pas 22 jaar oud. Het orgel daar is oorspronkelijk afkomstig uit Vlissingen maar staat nu dus in Berkenwoude. Dat orgel heeft 2 manualen (11 resp. 7 registers) en een pedaal (4 registers). Het is gemaakt in 1904 door de firma van Dam en het staat nu dus in een kerk uit 2022!

Berkenwoude: Dorpskerk

En wat een overgang als je dan daarna naar de Nederlands Hervormde Dorpskerk loopt. Je loopt door een eeuwenoud klein dorpscentrum en komt in een prachtige sfeervolle zaalkerk. Je ruikt de historie. En daar staat dan een klein een-manualig orgel met aangehangen pedaal. (Dat betekent dat je ook je voeten kunt gebruiken, maar dat dan in dit geval het subbas-register van het manuaal wordt aangesproken.) Het heeft dus geen eigen pijpen. Ook dit is een van Dam orgel en ook al weer uit 1904. Bijzonder in zo’n klein dorp!

Dit kleine orgel heeft in totaal 10 registers en een tremulant. Maar wat kun je daar, als je handig gebruik weet te maken van die registers, nog veel mee doen! Gerben Budding demonstreerde het aan de hand van vier stukken, onder meer speelde hij een van de preludes uit “six Preludes for organ op. 88” van Stanford.

Haastrecht, Barnabaskerk

Bas Koster is organist van de Hervormde kerk van Haastrecht maar voor deze gelegenheid demonstreerde hij het orgel uit de katholieke Barnabaskerk. Behalve het orgel is vooral ook het interieur van de kerk aardig om te bekijken. De kerk zelf is een neoclassicistische zaalkerk, gebouwd in 1853-’54 naar ontwerp van W.J. van Vogelpoel ter vervanging van een schuurkerk uit 1682. De kerk heeft een tongewelf. Als je binnenloopt wordt je blik onmiddellijk gevangen door het imposante hoofdaltaar, eigenlijk veel te groot voor die kerk. Enkele van de glas in lood ramen worden er zelfs deels door afgeschermd. Dit altaar komt uit de voormalige Bonifaciuskerk te Dordrecht, het is een neobarok altaar uit 1858. De heilige die je hoog boven op dat altaar ziet staan is Bonifacius en niet Barnabas die je daar eerder zou verwachten. Verder valt de enorme preekstoel uit 1870 op. Deze is overgenomen van de de voormalige Nicolaas Pieckkerk te Gorinchem. Eigenlijk is de aankleding van deze kerk vanuit godsdienstig oogpunt gezien een zooitje. Ze hebben aangeschaft wat ze konden krijgen zonder te proberen om er een, ook in liturgisch opzicht, eenheid van te maken. Het bevreemde mij ook dat er buiten aan de gevel in de hoogte een H. Hart beeld staat met de tekst Salvator. Dus het zal wel een H. Hartkerk zijn, zo dacht ik. Nee, de kerk is gewijd aan Barnabas (?)!

Mijn eigen foto is wat onscherp, bovenstaande foto is daarom afkomstig van https://kerkfotografie.nl/sint-barnabas-haastrecht/)

Maar het ging deze middag om het orgel. Dat is een door C. Stulting en P. Maarschalkerweerd gebouwd instrument met slechts een manuaal en aangehangen pedaal uit 1845, welk is uitgebreid met een tweede manuaal door M. Maarschalkerweerd in 1880. Deze manualen hebben 10 respectievelijk 5 registers. Bas Koster speelde naast een eigen improvisatie de “sept petites pieces” van Dubois.

Oudewater, Grote of Sint-Michaëlskerk

In Oudewater speelde Gerben Mourik. Hij is daar erg blij met zijn twee orgels. Ook dit waren weer vrij kleine orgels, het hoofdorgel is een Kam- en van der Meulenorgel uit 1840. Dit orgel heeft 2 manualen met resp. 9 en 3 registers en een pedaal met slechts 1 register. Gerben Mourik liet de mogelijkheden vooral horen in een lange improvisatie.

Het koororgel vond ik minstens zo mooi. Dat is gemaakt door E. Wadsworth en stamt uit 1862. De prelude uit de vierde orgelsymfonie van Louis Vierne klonk er erg goed op.

Mijn kleinzoon wilde altijd een orgel met vijf manualen, nou ja, vier dat zou voor hem dan misschien ook al mooi zijn geweest. Ik vertelde hem dat drie manualen meer dan zat is. Tijdens deze orgeltocht bleek dat je ook met twee manualen, en zelfs met één manuaal al aardig uit de voeten kunt! Het was erg verrassend om deze dag te ervaren wat er binnen enkele kilometers aan mooie orgelklanken te vinden is. Maar ik heb vooral ook veel muziek gehoord, kennis gemaakt met enkele andere orgelliefhebbers en genoten van de verschillende sferen van al die kerken. Vooral de lieflijke dorpskerk van Berkenwoude heeft bij mij veel indruk gemaakt. Om half zes gingen alle grijze heren weer huiswaarts.

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Christian Morgenstern

Wat een mooie naam: “Morgenstern”. Ik ken mensen die “Maan” heten, en zelfs ook “Venus”.  Maar Morgenstern vind ik veel mooier. We weten dat deze “ster” meerdere gezichten heeft, soms is ze avondster en soms morgenster. Ik zelf ben geboren toen ze morgenster was, Ze stond toen in conjunctie met nog zo’n prachtig hemellichaam, Jupiter, maar dat terzijde. Nee. “Morgenstern” voelt als de ster van hoop en liefde. Ook de ster van Bethlehem wordt er vaak mee geassocieerd.

Dit artikel gaat over een dichter die me, toen ik enkele gedichten van hem las, deed denken aan gedichten van Paul van Ostayen. Hij is iemand die intrigerende, korte gedichten schreef, die op het eerste oog nogal absurdistisch zijn. Maar als je ze echt tot je laat doordringen is het meer dan dat. Een van de beste klassieke componisten van deze tijd, Sofia Goebaidoelona, ging er mee aan de slag. Daarover aan het eind van dit artikel meer. Eerst iets over het leven van deze dichter.

Christian Morgenstern is in 1871 in München geboren. Ondanks zijn ogenschijnlijk goede “gesternte” begon zijn leven niet zo rooskleurig. Toen hij pas 10 jaar oud was stierf zijn moeder aan tuberculose, en zij heeft waarschijnlijk haar zoon aangestoken. Christian bleef daarna tot aan zijn dood sukkelen met zijn gezondheid. Hij heeft heel wat kuuroorden gezien, vooral dat in Davos. Ook na de dood van zijn moeder zag zijn leven er lang niet al te rooskleurig uit. Hij werd naar een oom in Hamburg gestuurd. Maar daar had hij het niet naar de zin en hij keerde na een jaar weer terug. Van de regen in de drup. Zijn vader plaatste hem op een zeer streng internaat waar zelfs lijfstraffen aan de orde van de dag waren. Toen hij 12 jaar was hertrouwde zijn vader en verhuisde naar Breslau om daar een functie aan de koninklijke kunstschool uit te gaan oefenen. Christian mocht gelukkig mee en bezocht in die stad het gymnasium. Zijn talent werd al snel ontdekt. Op 16 jarige leeftijd schreef hij een treurspel. Ook was hij gefascineerd door mineralen, bestudeerde ze las er boeken over en legde zijn bevindingen vast in een eigen boek. Leergierig als hij was stortte hij zich ook als een hongerige leeswolf op de teksten van Schopenhauer. Op zijn achttiende vond zijn vader dat het tijd werd voor een fatsoenlijke opleiding. Hij stuurde hem naar een vooropleiding voor officier. Christian kwijnde hier weg en na een half jaar vertrok hij daar weer, ook zijn tuberculose stak weer steeds meer op. Op onderstaande foto is Christian Morgenstern 18 jaar oud.

Na enkele bezoeken aan kuuroorden en onenigheid met zijn vader besloot hij om zijn eigen weg te zoeken. Zou hij niet kunnen leven als schrijver? In 1894 verhuisde hij naar Berlijn waar hij allerlei schrijversbaantjes aannam, hij schreef onder meer bijdragen voor het tijdschrift “Der Kunstwart” en “Der Zuschauer”. Een jaar later verscheen zijn eerste dichtbundel “Im Phanta’s Schloss”. In 1897 ondertekende hij met een uitgever een contract om werk van Ibsen te vertalen, ondanks het feit dat hij het Noors niet goed machtig was, Dus maakte hij reizen naar Noorwegen waar hij ook Ibsen zelf ontmoette. Hij leerde Noors en ging aan het vertalen.

Terug in Berlijn ging het lichamelijk weer veel slechter. Vrienden financierden een bezoek aan een kuuroord in Davos. Vanaf 1895 was hij met een club vrienden bezig geweest met theaterstukjes naar aanleiding van een nog steeds groeiende dichtbundel “Die Galgenlieder”.  Tegelijk las en bestudeerde hij teksten van Hegel, Eckhart von Hochheim, Tolstoi en Spinoza. .

In 1909 bezocht hij voordrachten van Rudolf Steiner, raakte met hem bevriend (tot zijn dood) en werd een fanatiek aanhanger van de antroposofie en theosofie. In 1910, zeer ziek, trouwde hij met Margareta Gosebruch von Liechtenstern met wie hij al 2 jaar verloofd was. De laatste 2 jaar van zijn leven verbleef hij meestal in Italië waar hij uiteindelijk in maart 1914 stierf.

Via zijn vrouw is er veel over het leven van Christian Morgenstern bekend geworden en zij heeft ook van heinde en verre alles wat ze kon vinden van haar man, toen die was overleden, verzameld. Ik vertel nu iets meer over zijn vrouw, waardoor ook het leven van Christian wordt verhelderd. Ik vertaal wat ik las op de internetpagina  https://www.fembio.org/biographie.php/frau/biographie/margareta-morgenstern/

Margareta Morgenstern (* 29. Maart 1879 in Berlijn; † 21. Augustus 1968 in Breitbrunn am Ammersee) was de dochter van de timmerman en latere architect Friedrich Theodor Albrecht Gosebruch en zijn vrouw Lida (geb. Jacobi). De vader overleed echter al in 1887 en de moeder hertrouwde daarna met generaal-majoor Friedrich von Liechtenstern. Margareta kreeg een opleiding conform haar stand. Ze was zeer muzikaal en een enthousiaste bezoeker van concerten en opera’s; bovendien speelde ze graag piano. Toen de generaal in 1906 overleed, was Margareta 27 jaar en nog niet getrouwd. In de zomer van 1908 verbleef ze met een vriendin in Bad Dreikirchen. Hier leerde ze de dichter Christian Morgenstern (1871-1914) kennen, die het Zuid-Tiroolse hoger gelegen dorp had bezocht ter verlichting van zijn tuberculose. Deze longziekte beheerste zijn leven. Al op 22-jarige leeftijd moest hij zijn studie afbreken en daarna volgden steeds weer kuur- en sanatoriumverblijven. De twee maakten samen wandelingen, speelden schaak en voerden lange gesprekken. Er ontstond een innige geestesvriendenschap. Nadat Margareta naar haar moeder in Freiburg was gereisd, ontstond er een levendige briefwisseling. Morgenstern was duidelijk hevig verliefd, want in een brief van 31 augustus 1908 sprak hij Margareta al aan met “Geliefde, mijn liefste hart”. Bijna dagelijks schreef hij haar en droeg natuurlijk ook gedichten aan haar op. Toen Margareta in oktober ziek werd en in een ziekenhuis lag, reisde Christian onmiddellijk daarheen om bij haar te zijn. Hier leerde hij ook haar moeder kennen, die echter niet enthousiast was over dit contact van haar dochter – tenslotte was zij de dochter van een generaal-weduwnaar. Ook Margareta’s broer Hans, die luitenant was, zag zijn officiersloopbaan in gevaar. In hun ogen was de “broodloze” dichter Morgenstern een maatschappelijke onmogelijkheid, die Margareta geen passend levensniveau kon bieden. Uiteindelijk zette de wilskrachtige Margareta zich door tegen haar familie in  en na de verloving trouwden de twee op 7 maart 1910. Haar moeder en zijn vader (“ik betreur bijna jouw dwaling”) bleven echter weg van de huwelijksceremonie. Margareta, die zich eerder al met antroposofie had beziggehouden, liet Christian kennis maken met deze door Rudolf Steiner (1861–1925) opgerichte, spirituele en esoterische wereldbeschouwing. Samen bestudeerden ze zijn geschriften en – indien mogelijk – volgden ze Steiners lezingen, onder andere in Düsseldorf, Koblenz, Kristiania, Boedapest, Kassel en München. Hier leerden ze Steiner ook persoonlijk kennen en sindsdien verbond een hechte vriendschap het drietal.

In 1911 vestigden Christian en Margareta Morgenstern zich in Arosa (Zuid-Tirol); de patiënt had behoefte aan ijlere berglucht. Hoewel zijn gezondheidstoestand snel verslechterde, bleef Morgenstern actief; hij doorzocht zijn manuscripten voor een geplande verzameling. Naast de zorg en verpleging van de ernstig zieke Christian was zijn vrouw hierbij een grote steun. Aan het begin van 1914 wilde Morgenstern zich in het sanatorium Arco (Zuid-Tirol) laten opnemen, maar vanwege zijn uitzichtloze gezondheidstoestand werd de opname geweigerd. Na een korte opname in de tuberculose-inrichting in Gries bij Bozen overleed Christian Morgenstern op 31 maart 1914 in Meran-Untermais. Na zijn dood wijdde Margarete Morgenstern zich aan de literaire nalatenschap van haar man, die door zijn frequente verblijfplaatswisselingen aanvankelijk op vele plekken was verspreid en pas na jaren toegankelijk werd. Ze verzamelde, ordende en beheerde alle gevonden documenten en manuscripten. Op basis van dit materiaal bracht ze herhaaldelijk publicaties met zijn gedichten, aforismen en brieven uit, waarbij ze werd geholpen door de gezamenlijke vriend en anthroposoof Michael Bauer (1871-1929). Ze streefde geen “wetenschappelijke uitgave” na; de door haar geredigeerde bundels waren eerder liefhebbers-uitgaven. Vanaf 1919 woonde Margareta Morgenstern samen met Bauer in een nieuw gebouwd huis in Breitbrunn boven het Ammermeer. Het huis werd een spiritueel centrum waar vaak gasten werden ontvangen. De door Bauer begonnen Morgenstern-biografie heeft ze uiteindelijk (samen met de dominee en schrijver Rudolf Meyer (1896-1985)) voltooid en in 1933 uitgegeven. Margarete Morgenstern heeft een hoge leeftijd bereikt (89 jaar), waarbij ze haar sociale contacten bleef onderhouden. In haar samenleven met twee belangrijke mannen heeft ze zich meestal op de achtergrond gehouden; toch was ze altijd een gelijkwaardige en inspirerende partner – een destijds typisch en tegenwoordig nog maar zelden erkend vrouwenlot. Met haar onvermoeibare en onzelfzuchtige inzet heeft ze er een grote bijdrage aan geleverd dat Christian Morgenstern vandaag de dag gerekend wordt tot de erkende dichters van het begin van de 20ste eeuw.

Morgenstern werd uiteindelijk het meest beroemd om zijn gedichtencyclus “Die Galgenlieder”. In 1895 werden al een aantal gedichten van de Galgenliederen in een kleine kring van acht vrienden, de vereniging van de “Galgenbroeders”, tijdens uitstapjes naar de Galgenberg in Werder (Havel) bij Potsdam voorgedragen. Het waren een soort sessies waarbij ook “belangrijke voorwerpen” werden gebruikt: de teksten waren in een hoefijzer tussen metalen platen in de vorm van een beulshamer gebonden (je kunt dat nog terugzien in het Duitse Literatuurarchief in Marbach en in het archief van de uitgeverij Urachhaus). De kring kwam ook samen in cafés, vierde op ironische wijze mooi-gruwelijke rituelen (het doorknippen van de ‘levensdraad’, het ophangen en onthoofden van kleine poppen) en zong, ook met pianobegeleiding, de teksten van Morgenstern: het geheel leverde uiteindelijk “die Galgenlieder” op. Aanvankelijk had de dichter de manuscripten niet voor publicatie bedoeld. Bij voordrachten in het Berlijnse cabaret Überbrettl waren de teksten echter zo succesvol dat hij ze voor druk vrijgaf. De Galgenliederen verschenen in 1905 in boekvorm en vestigden de literaire roem van Morgenstern.

Taalkundig interessant in deze gedichten is hoe er met woorden, lettergrepen en rijm gespeeld wordt. Ook de plaatsing van de tekst op papier is suggestief, zoals hier bij het gedicht “de Trechter”

Ik vertelde al eerder hoe Morgenstern in de tijd dat hij met de Galgenliederen bezig was filosofische teksten van bijvoorbeeld Kant en Spinoza las. En hij was in die tijd dan nog wel geen antroposoof, maar voelde zich duidelijk al aangetrokken tot meer mystieke zaken. Het kan dan ook niet anders dan dat zijn gedichten niet alleen vaak de absurde en komische lading hebben die er makkelijk uit te halen valt, maar ook heel vaak (misschien altijd?) een diepere lading en dimensie hebben. Jeremias Mueller heeft daarover een aantal dingen opgeschreven, en ook die teksten zijn door Margaretha Morgenstern uitgegeven. Ik heb ze bestudeerd en kan er eerlijk gezegd niet zo veel mee. Dus ik houd het even bij mijn eigen interpretaties.

Laten we eens kijken naar het laatste gedicht dat ook in de muzikale uitwerking van Sofia Goebaidoelina zit, “Das Mondschaf”, “het maanschaap”.

Das Mondschaf steht auf weiter Flur.
Es harrt und harrt der großen Schur.
     Das Mondschaf.

Das Mondschaf rupft sich einen Halm
und geht dann heim auf seine Alm.     
     Das Mondschaf.

Das Mondschaf spricht zu sich im Traum:
„Ich bin des Weltalls dunkler Raum.“
     Das Mondschaf.

Das Mondschaf liegt am Morgen tot.
Sein Leib ist weiß, die Sonn ist rot.
     Das Mondschaf.

De klank van het woord “Mondschaf” wordt gedomineerd door de lange “oo”-klank, gevolgd door de lange “aa”-klank. De ronde “oo” staat voor mij voor de volle maan (Mond). Als het volle maan is is de maan de hele nacht te zien, als hij dan weer onder is gegaan dan is het sprookje van de maan met zijn betoverende licht voorbij, het sprookje wordt gedood door het rode licht van de ochtendstond, door de opkomende zon dus. (Laatste couplet: Das Mondschaf liegt am Morgen tot, die Sonn ist rot)
Maar er is in het woord Mondschaf ook sprake van de “aa”-klank. Voor mij staat die voor het beeld van de maan als schaap, als een schaap dat geschoren moet worden maar nog helemaal bol en rond is door zijn wollen vacht. Het Maanschaap staat “auf weiter Flur”. Dat betekent letterlijk een heel brede vloer, maar omdat het maanschaap voor mij vereenzelvigd kan worden met de volle maan, wordt daar dan voor mij het heelal mee bedoeld. De maan beweegt aan de hemel tegen de achtergrond van de oneindige sterrenhemel, de “weiter Flur”. Met de großen Schur, het grote scheren, wordt bedoeld het jaarlijkse moment dat het schaap ontdaan gaat worden van zijn vacht. Dat zal gebeuren na volle maan, dus eigenlijk al na zonsondergang. Maar het maanschaap wil dat eigenlijk niet, het “harrt und harrt”, het wil koppig zijn toestand vasthouden. Dan trekt het een halm, een sprietje gras uit de grond. Vanaf middernacht wordt de baan van de maan weer lager, het dier gaat “Heim auf seine Alm”, het gaat terug naar waar hij vandaan kwam, zijn geboorteweide. Het beseft als in een droom dat het slechts een donkere ruimte vertegenwoordigt van het heelal. De laatste strofe spreekt voor zich: het maanschaap is dood, de zon is rood. Deze hele symbolische beweging van de volle maan aan de hemel, dat gekmakende mystieke moment waar ook Pierrot Lunaire al niet tegen kon, wordt in de woorden en de symbolen van dit gedicht samengevat en kan misschien ook geïnterpreteerd worden als de cyclische beweging van leven en dood.

Hieronder de interpretatie van Sofia Goebaidoelina en de drie musici  Helena Rasker (sopraan), Niek de Groot (contrabas) en Francisco Anguas (percussie). Zie voor een uitvoering van nog een aantal gedichten deze pagina.

„Wie schön leuchtet der Morgenstern“ is een hymne van Nicolai uit de zestiende eeuw en het gedicht inspireerde Bach tot een van zijn mooiste cantates, BWV 1.  Wat geeft de morgenster een prachtig licht! Christian Morgenstern heeft ons leven met zijn teksten ook verlicht.

Geplaatst in muziek, taal | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Louis Vierne en Ludwig van Beethoven

In november 1825 begon Beethoven aan een van zijn laatste composities: het strijkkwartet opus 131. Vooral het eerste van de zeven delen wordt door veel mensen tegenwoordig als uiterst dramatisch ervaren. Het is een adagio in de vorm van een fuga, wat toen zeer ongebruikelijk was, zeker als openingsdeel. Beethoven zou minder dan anderhalf jaar later komen te overlijden. Hij kon in die tijd helemaal niets meer horen, brieven moest hij dicteren en hij correspondeerde niet met zijn stem maar via zogenaamde “Konversationshefte.” Dat was zijn contact met de buitenwereld. Zijn neef Karl woonde toen nog bij hem en deze zou niet veel later een poging tot zelfmoord doen. Beethoven zat hem voortdurend op zijn lip, hij had het beste met hem voor maar gaf hem geen enkele vertrouwen en besliste alles voor hem. Karl was daardoor zijn oom en inmiddels ook zichzelf zat. Verder lag  Beethoven voortdurend in de clinch met elke huishoudster (die elkaar veel afwisselden), ook zij werden niet vertrouwd. Om de ellende nog groter te maken: hij had naast zijn doofheid nog meer kwalen, waaronder de uiteindelijk fatale kwaal van een leverziekte. In deze niet te benijden omstandigheden schreef hij het adagio, het eerste deel van het strijkkwartet opus 131.


(Danish String Quartet (Frederik Øland, Rune Tonsgaard Sørensen, violin; Asbjørn Nørgaard, viola; Fredrik Schøyen Sjölin, cello)

We verplaatsen ons in de tijd en kijken naar wat er een kleine honderd jaar later gebeurde. In 1912 schreef Louis Vierne zijn derde orgelsymfonie. Ook Vierne was aan het tobben: een jaar daarvoor zou  hij de overleden Guilmant hebben moeten opvolgen als orgeldocent aan het Conservatorium van Parijs. Toen hij verwikkeld dreigde te raken in een conflict tussen zijn leermeester Widor en de directeur Gabriel Fauré – die allebei voor hem de rol van mentor vervulden – liet hij de baan aan Joseph Bonnet en nam de wijk naar de Schola Cantorum van zijn vriend Vincent d’Indy, een concurrerend muziekinstituut. Zijn 9 jarige zoon woonde inmiddels bij zijn ex, het kind had tuberculose en een jaar later kwam het te overlijden. Vierne had al zijn hele leven problemen met zijn ogen, maar die gingen nu nog harder achteruit. In die periode met gezondheidsklachten, een zeer ziek kind en conflicten rond zijn baan, ontstond de derde orgelsymfonie. Vooral het vierde deel, het adagio, heeft een dramatisch karakter, zou het een weerspiegeling van zijn gemoedstoestand zijn? We weten dat hij zelf ook wel eens een relatie legde tussen zijn gemoedstoestand en zijn composities. Dat lezen we over wat hij zelf zei over de vierde orgelsymfonie. Dit adagio zou ook wel eens iets kunnen zeggen over hoe hij zich in die tijd voelde.


(Mathias Havinga, koepelkerk Amsterdam Bätz orgel)

Als je beide stukken, of in ieder geval het begin ervan, hebt beluisterd zullen de overeenkomsten zijn opgevallen. Let vooral op de eerste maten: Vierne begint bijna hetzelfde als Beethoven!

De bouw van beide thema’s toont heel duidelijk verwantschap. Met strijkers heb je meer expressiemogelijkheden. Beethoven laat op vooral dissonante momenten heel mooie crescendi en diminuendi maken, dat maakt het extra dramatisch. De chromatiek van Beethoven is een andere dan die van Vierne. De leermeester van Vierne, César Franck, zei tegen zijn studenten: moduleren, moduleren, blijf moduleren! Dat doet Vierne dan ook. Kijk hierboven maar eens naar de partituur van het begin van het stuk.

Het schuingedrukte deel hier onder moet je maar overslaan, tenzij je wat meer af weet van muzikale begrippen en akkoorden

Boven de B in het pedaal hoor je een dalende chromatische lijn van Dis tot Ais. De Ais in de sopraan in maat 3 is een majeur septiem, Beethoven zou er een crescendo en diminuendo op gemaakt hebben, dat kan niet zo makkelijk op een orgel. Maar al spelende zou je wel moeten proberen om hem een vergelijkbare lading te geven. Dan de structuur van dit thema. In de maten 3, 4 en 5 ligt er in het pedaal een lange toon, een B. Deze beweegt in maat 6 naar boven en dan zien we in de maten 7, 8 en 9 een lange D in de bas, een kleine terts hoger. Kijken we naar de manualen:  alles klinkt nu ook daar een kleine terts hoger. En ook de akkoordsymbolen die ik erbij heb gezet liggen een kleine terts hoger. Alhoewel, niet helemaal: het stuk staat in B-mineur, en boven de lange orgelpunttoon B ervaar je als je goed luistert de toonsoort B-mineur. Bij een letterlijke herhaling boven de toon D zou je dan D-mineur verwachten, maar halverwege maat 10 blijkt dat D-majeur te zijn, de paralleltoonsoort van B-mineur. Dus ondanks alle vreemde akkoorden blijft Vierne op het cruciale moment dicht bij huis. Als dan op het einde van maat 10 de Cis in de bas komt blijkt deze toon in maat 12 de dominant te zijn van Fis-majeur, de toonsoort waarop dit thema eindigt.
Vierne is heel erg chromatisch in zijn melodieën, zoals we net zagen in maat 3 en 4 boven de bas, maar ook bijvoorbeeld in de sopraan en de bas in maat 6. Maar de erboven liggende structuur blijft ondanks alle chromatiek harmonisch duidelijk. Toen Henry Doyen dit stuk mocht oefenen op de orgelles van Vierne hamerde Vierne er op dat hij vooral ook goed de totale structuur van het stuk moest kennen om het goed te kunnen spelen. Welnu: deze 12 maten kun je beschouwen als: 1-2 inleidend thema, 3-6 hoofdthema in B-mineur, 7-10 zelfde thema in D-majeur, 11-12 afsluiting in Fis.

Beethoven schreef zijn adagio in 1825, Henry Doyen schreef over het adagio van Vierne in 1924 en ik schrijf over zowel het adagio van Beethoven als dat van Vierne in 2024. Het lijkt wel of in de afgelopen 200 jaar de tijd heeft stil gestaan. Beethoven en ook Vierne maken nog steeds een diepe indruk op luisteraars als ik, zij schreven veel tijdloze stukken. En omdat ze zo rijk zijn kun je er naar blijven luisteren!

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Sofia Goebaidoelina: de 15 Galgenlieder

Wat een prachtige muziek schreef Sofia Goebaidoelina bij enkele teksten van de Galgenliederen van Christian Morgenstern! En wat voor een prachtige muziek- en theaterstukjes maakten Helena Rasker (sopraan), Niek de Groot (contrabas) en Francisco Anguas (percussie) hier weer van, Ik heb er ademloos van genoten, de teksten opnieuw bestudeerd, weer gekeken en geluisterd en raak er hoe langer meer van onder de indruk. De hele productie is in Berlijn in drie dagen tijd, na lange en intensieve voorbereidingen, opgenomen. Het is zo wie zo een van de mooiste muziekstukken dat ik ken maar deze opname, met ook tekenfilm- en theaterachtige elementen: wat een liefde, hoe mooi, speels en intens! Geef je over aan de complete opname van bijna een uur op Vimeo:
https://www.galgenlieder.watch/

De oorspronkelijke tekst van de gedichten van Christian Morgenstern werd in 1905 uitgegeven, maar hij is al ouder. In dezelfde tijd dat deze teksten door Morgenstern zijn geschreven ontstond ook “Pierrot Lunaire”, een aantal gedichten waar Arnold Schönberg begin twintigste eeuw een beroemde theatrale uitwerking van maakte, die me heel erg aan de opzet van Goebaidoelina doet denken. Maar die van Goebaidoelina is enigszins speelser, en misschien wel net zo intens. Sofia Goebaidoelina raakte in 1996 gefascineerd door deze teksten van inmiddels een eeuw oud. Zo componeerde ze het prachtige werk “Galgenlieder à 3” op basis van 15 van de oorspronkelijk 70 teksten. In 2023 is er een bijzondere productie met deze muziek tot stand gekomen, gespeeld door zeer excellente musici. (Zeer aanbevelenswaardig is via deze zelfde link ook de  film met “the making of” waarin o.a. de uitvoerenden aan het woord komen.) Galgenlieder is een bizar sprookje, dat helemaal in deze bizarre tijd past.
Over Christian Morgenstern, zijn leven en zijn werk vertel ik nog iets meer in een ander blog.

Van de 70 liedteksten van Christian Morgenstern heeft Sofia Goebaidoelina er slechts 10 gebruikt, en in een volgorde gezet zoals zij dat wilde. Daarnaast heeft ze er nog 5 instrumentale delen aan toegevoegd, als een overpeinzing of intermezzo. Over de teksten van Morgenstern hebben velen zich al vanaf de verschijningsdatum het hoofd gebroken, zijn het grapjes, taalgrapjes, of zit er ook een diepere laag onder. De meesten denken dat dat laatste zeker het geval is, maar dat los daarvan de gedichten interessant zijn vanwege het taalgebruik en de absurde associaties. Ze zijn een van de eerste voorbeelden van een modernistisch taalgebruik. Maar hoe zou Goebaidoelina daar dan weer tegen aan kijken? Ik denk op meer manieren. De grappige teksten worden soms ook grappig behandeld, maar merendeels krijg je het gevoel dat er ook dramatiek in zit, dat de fabeldieren staan voor menselijke tekortkomingen. Toch blijft zij vooral ook suggestief, je mag zelf verzinnen waar het over gaat.

I. Die Mitternachtsmaus speelt zich af in een maanloze nacht als de middernachtsmuis actief is.
II is een instrumentale overpeinzing (“Nachdenken“). Daarna is het weer dag.
III. Das aesthetische Wiesel. In dit muzikaal heel toegankelijke lied horen en zien we: een esthetische Wezel.
IV. Das Knie. Het komisch absurde “de knie”.
V en VI, Spiel I en II genaamd, zijn speelse onderbrekingen zonder tekst.
VI. Die Beichte des Wurms. Bij enkele gedichten is er een katholieke associatie, zoals bij VI, VII, VIII en X..
VIII: Der Psalm. een instrumentale plechtige Psalm op de contrabas.
IX. Der Tanz. Vlak voor de nacht weer terugkeert horen we nu misschien wel de meest absurde tekst: een Vierkwarts-varken en een Opmaat-uil dansen verwoed met elkaar.
X. Das Gebet. Nu keert de nacht terug: de reeën vouwen hun pootjes om het middernachtgebed te bidden.
XI. Das Fest des Wuestlings. Na het gebed komen de demonen tevoorschijn en gaan feest vieren: het feest van de woesteling.
XII. Improvisation. De sfeer wordt geheimzinnig, we horen een zachte improvisatie.
XIII Fischgesang. Dit is het lied van de vissen die je wel ziet maar niet kunt horen.
XIV “Nein” laat ons angstwekkende beelden horen van een stukje galgentouw en een getergde opgejaagde merrie.
XV. Het Maanschaap is het laatste deel, dat duurt ook het langste. We zien op het einde een bloedrode maan verdwijnen na het sterven van het maanschaap.

Alle delen kun je wat mij betreft los van elkaar zien, ondanks het feit dat ze door Sofia Goebaidoelina onmiskenbaar als een geheel gepland zijn.
Hieronder kun je de afzonderlijke muziekstukjes horen en zien, als 15 kleine theaterstukjes. Elk lied begint met de tekst van dat deel, gevolgd door de Nederlandse vertaling. Daarna een van de Galgenliederen in een muzikale voorstelling. Het verdient aanbeveling om de tekst bij elk lied eerst goed tot je te nemen.

I Die Mitternachtsmaus. Als begeleiding horen we bij dit lied meerdere percussie instrumenten als xylofoon en gong. Ook de stiltes in dit deel zijn zeer functioneel.

II Nachdenken (zonder tekst). De marimba speelt voornamelijk tremoli. De contrabas strijkt, of speelt pizzicati, of speelt in de hoogte boventonen. Opvallend hoe de tonen van de twee instrumenten op elkaar reageren en vaak van elkaar worden overgenomen. Ondanks de enorme klankverschillen sluit alles op elkaar aan. Je hoort ook door de lengte van de fraseringen en de geraffineerde dynamiek zinnetjes, hoewel er geen melodieën zijn. De zangeres kijkt weifelend, denkt zichtbaar na, lijkt af en toe iets te willen gaan zeggen…. maar ze zwijgt dan toch maar weer.

III Das æsthetische Wiesel

De contrabas speelt pizzicato heel hoog de latere melodie van de zangeres, zij imiteert deze vervolgens zingend. Dat imiteren heeft een functie, dat hoor je op het einde van het lied. Na de eerste regels van het gedicht zingt ze de volgende regels a capella, de manier van zingen, de pauzes: je voelt hoe er een klein complotje is tussen haar en de wezel, de wezel verraadt het geheimpje heel stiekem! De contrabas herneemt de beginmelodie als een soort refrein. Samen eindigen ze, volop genietend en spelend met de rijmwoorden. Prachtig en geraffineerd lied.

IV Das Knie

Een Pinocchio poppetje maakt stramme bewegingen. begeleid door de contrabas. Het instrument zelf is als het ware een oude, stramme, versleten knie, die zware streken strijkt op de lage snaren. Bij het tweede couplet komt de percussie erbij, we horen een soort marsritme en geluiden van het slagveld. De zangeres laat zich naar een muzikaal hoogtepunt toe meeslepen in het oorlogsgeweld. In het laatste couplet horen we de contrabas enigszins op dezelfde manier als in het eerste couplet. Ondanks het feit dat het gedicht ook een komische lading heeft, voelen we vooral het drama van de oorlog en de ellende van de individuele soldaat.

V en VI Spiel I en II.

Spiel I is een spel waarbij de klanken van de sopraanstem klinken als klanken van een muziekinstrument, en tegelijk duelleren ze met de klanken van de vibrafoon. Ze zingt uitsluitend klinkers, eerst een aa, later ook de klinkers uu, oh, uu, de aa blijft het meest terugkomen. Het is een heel speels, imitatorisch muziekstukje.
In Spiel II is de contrabas voornamelijk een slagwerkinstrument, waarbij de bassist alle mogelijkheden van het instrument benut. Alles wat hij speelt is spannend. Intussen zie je behalve flarden film van een spelend jongetje ook de zangeres die geheimzinnig door de halfdonkere ruimte sluipt.

Die Beichte des Wurms

Dit lied wordt helemaal a capella voorgedragen. In een animatie komt een kleurrijke worm uit een schelp, die er ook weer in terugkeert. De solo eindigt met een stijgende glissando bij de tekst waar de worm aan haar zijn geheim heeft bekendgemaakt..

VIII Psalm. Een puur instrumentaal deel. De psalm wordt prachtig gespeeld door de contrabas. Het psalmkarakter wordt versterkt door de middeleeuwse melodie gespeeld op de vibrafoon. Het is een melodie die uit slechts enkele tonen bestaat, maar die we wel tweestemmig in kwinten horen, zoals dat gebruikelijk was in de vroege middeleeuwen. Het geheel staat in mineur. Als je de centrale toon van de contrabas (G) als tonica beschouwt dan staat het stuk in frygisch. een van de middeleeuwse toonladders. (G- Ab- Bb- C- D- Eb- F- G)

IX Der Tanz

Twee dieren worden instrumentaal geïntroduceerd door conga’s van vier verschillende toonhoogten en een heel laag snel, dansant spelende contrabas. De coupletten worden van elkaar afgescheiden doordat je op dat moment alleen nog de dansante instrumenten hoort, ook hoor je af en toe een bekken. De zangeres gaat steeds meer de lettergrepen in de vorm van glissandi zingen en de muziek gaat de hoogte in, in aanloop naar het woord “melodieus”. Dit al zingend omhoog en omlaag lijkt ze wel dronken van het dansen. Het laatste couplet gaat de zangeres steeds meer in horten en stoten lager zingen. De laatste regels klinken fluisterend. De contrabas eindigt met een lange gestreken toon in de hoogte, die daarna via een glissando nog verder in de hoogte verdwijnt: “de pilaar die schaduw maakte is verdwenen”. Verdween de volle maan achter de wolken waardoor de schaduwen verdwenen?

X Das Gebet

Een mysterieus geluid bij maanlicht, de contrabassist speelt op een zingende zaag. De uren in het gedicht worden gescheiden door paukenslagen die steeds harder worden. Bij Twaalf klinkt een harde paukenslag, gevolgd door weer de zingende zaag. De reeën (de zangeres) zijn het hele lied door bijzonder rustig, Het lijken wel nonnen die bij de laatste dienst bijna in slaap vallen, met gevouwen handen. De ademhaling van de muziek lijkt wel die van iemand die in een diepe slaap is, zo rustig en langzaam is elke frasering.

XI Das Fest des Wüstlings

Gepuncteerde noten gespeeld door een laag spelende contrabas. Percussie, vooral een xylofoon vullen dit aan. De zangeres zingt verwilderd haar tekst, met vaak grote sprongen in de melodie, deze patroontjes horen we ook weer in de xylofoon. De laatste zin wordt enigszins afgescheiden van de rest, deze wordt door de sopraan gezongen alsof ze half krankzinnig is. De woesteling is een duivelsachtig gemodelleerd poppetje met een varkenskop die woeste bewegingen maakt.

XII Improvisation. Een instrumentaal intermezzo. Glissandi en boventonen in de contrabas worden heel subtiel en zacht door allerlei percussie-instrumenten becommentarieerd. Het is nu alweer wat later in deze geheimzinnige nacht.

XIII Fisches Nachtgesang Een mooie video. De tekst (zie de grafische partituur van Christian Morgenstern hieronder) hoor je als het ware vanuit de vis, je ziet de musici door de geopende vissenbek. Vissen in een doodstille nacht,


‿       ‿
—     —     —
‿       ‿       ‿       ‿
—     —     —
‿       ‿       ‿       ‿
—     —     —
‿       ‿       ‿       ‿
—     —     —
‿       ‿       ‿       ‿
—     —     —
‿       ‿

XIV Nein

Maar nu worden we dan toch noch even opgeschrikt. Er klinken korte glissandi en zacht, maar ook horen we, heel snerpend, diverse percussie instrumenten. Vlak voor het centrale woord “Nein” lijkt de contrabas uitgeput te lachen, maar het is natuurlijk de uitgeputte merrie die bijna niet meer kan omdat hij zo wordt opgejaagd.

XV Das Mondschaf

De apotheose. We kennen het mannetje op de maan. Maar er is ook een maanschaap dat je vooral kunt zien bij volle maan. Immers de lichte vlekken op de maan, zijn die niet het maanschaap? Of is het maanschaap nog iets anders?
We zien eerst beelden van een knot wol, daarna een kwetsbaar stukje garen. Dan horen we, heel zacht, diverse elkaar snel afwisselende, doorklinkende instrumenten als bekkens, een gong en meer.
Bij het tweede couplet komt de contrabas erbij met lange streken en stijgende glissandi. De klok die je af en toe hoort suggereert een klok in de verte, vanuit een alm?
De droom in het derde couplet wordt door de zangeres, maar vooral ook door de contrabas die meedoet, groot uitgesponnen.
De dramatiek van het vierde en laatste couplet wordt erg sterk verbeeld door de toenemende dynamiek en de vele klokgeluiden, afgewisseld met snerpende klanken. Na enkele snel op en neer gaande loopjes stijgt de contrabas via boventonen de hoogte in, waar ze blijft klinken, met alweer die op en neer gaande loopjes, maar nu heel zacht en heel hoog. Het stuk eindigt met nog een aantal suggestieve klanken. Dan is het stil. Het drama van de nacht (een etmaal sinds deel I, de Middernachtsmuis?) is voorbij. Het maanschaap is dood.

Meer over Christian Morgenstern kun je hier vinden.

Geplaatst in kunst, muziek | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

Henry Doyen over zijn eerste lessen bij Louis Vierne

Henry Doyen begint zijn boek “Mes Leҫons d’orgue avec Louis Vierne” met een beschrijving van zijn eerste muzikale ervaringen als koorzanger bij de Notre Dame. Daarna gaat het over zijn eerste orgellessen.

Naar de koorschool

Waar komt een bestemming vandaan? Het was midden in de oorlog van 1914-1918, meer bepaald op de feestdag van Maria Hemelvaart, 15 augustus 1915, dat ik voor de eerste keer het grote orgel van “Notre-Dame de Paris” hoorde. Ik was stomverbaasd! Mijn vader was gemobiliseerd, mijn moeder had een appartement in Auteuil gevonden, niet ver van het meisjesinternaat waar mijn kleine zusje naar school ging. Na een heel jaar gedwongen “zomerreces” (waarvan we, eerlijk gezegd, ons met de onbezorgdheid van onze leeftijd heel goed uit de voeten wisten!) moesten we echter toch nadenken over het opnieuw oppakken van serieuze studies, aangezien de oorlog leek te zullen aanhouden… Ik hield van muziek; ik was al meerdere jaren met solfège en piano begonnen en toen ik het koor van de Notre-Dame had gehoord wilde ik daar dolgraag gaan zingen. Vooruit maar, moet mijn moeder hebben gedacht maar toen ze zich realiseerde dat het misschien toch niet zo’n goed idee was om een kin van de zevende klas heen en weer te laten reizen tussen Auteuil en de Notre-Dame: het einde van de koorrepetitie (om 19.30 uur) werd als te laat beschouwd. Mijn moeder wilde ook niet dat ik naar het internaat ging en dat wilde ik zelf trouwens ook niet! Het was de heer Merret, toen een jonge leraar van het koor, die een oplossing verzon. Omdat hij niet was gemobiliseerd was hij tijdelijk directeur en hij benaderde kanunnik Duchastel de Montrouge. ‘U vertelde mij dat dit kind van muziek en religieuze ceremonies houdt? Dat hij al veel weet van de diensten in een kathedraal? En dan zou u zo iemand naar een van die scholen laten gaan waar hij alleen maar slechte liederen zal zingen? Nee, meneer de kanunnik, hij moet naar de Notre Dame!.’ Het was dankzij deze volharding. Ik kreeg vervolgens toestemming om al een uur eerder te mogen vertrekken. En snel daarna was ik verheugd en trots dat ik de witte mijter (toen nog zeer zeldzaam in Frankrijk) van een jonge zangers mocht gaan dragen: ik zat op de koorschool van de Notre-Dame! En ook werd ik wegwijs gemaakt op het orgel. Het was de heer Albert Serre, koororganist van Notre-Dame (zelf een voormalig leerling van de koorschool), die me als eerste inwijdde in het gebruik van het pedaal, tegelijk met de twee klavieren van het orgel. Het is aan hem te danken dat ik mijn eerste stappen heb gezet door het avondgebed van de Completen te mogen begeleiden op het koororgel!. Dit voor de eerste keer op een kerstavond, en ik zal noch deze grote vreugde, noch deze diepe emotie snel vergeten.

Ontmoeting met Marcel Dupré

Ik oefende op het kleine instrument (met twee klavieren en een pedaal) dat zich bevindt in de Massillonstraat, in de salon die uitkijkt op de kapel van de kooropleiding. Tijdens de vieringen opent men een deur en zo komt men bij het orgel van de kapel. In het begin konden mijn korte kinderbenen het pedaal niet bereiken! Ik wilde echter zo snel mogelijk “echte” orgelstukken spelen. Wat maakt het uit! De “goede Meester” (zoals we de abt Merret noemden) vond een “elegante” oplossing voor dit probleem: we zagen hem dan ook, meerdere keren, gehurkt achter de orgelbank (en aandachtig een partituur op de grond volgend), met zijn beide vuisten de pedaalnoten aanslaan, terwijl ik, zeer tevreden, zelf de manualen bespeelde… Johan-Sebastiaan Bach zou zijn ogen hebben uitgekeken…  
Ik hoorde al snel over Louis Vierne.  Net als mijn kameraden wachtte ik vol spanning op de gelegenheid om deze “reus”,  de “blinde met de handen van licht” een keer aan het werk te kunnen zien… Maar het was niet Louis Vierne die ik zou ontmoeten, die was inmiddels naar Zwitserland gegaan om zijn ogen te laten behandelen. Het was zijn vervanger, de jonge en prestigieuze Marcel Dupré, die net de Prix de Rome had gewonnen. De meester glimlachte toen hij mij, een zeer emotioneel en opgewonden kind verwelkomde: ‘Goed’, zei hij vriendelijk, ‘ik heb een opdracht voor je. Vind de pagina terwijl ik dit vers speel. Hij reikte me een gesloten boek aan… Ik kon het niet vinden en was erg in de war. Maar, onverstoorbaar, improviseerde Marcel Dupré zonder aarzeling… een intermezzo dat me vulde met bewondering: ik was betoverd door de kracht, de majesteit, de kleur en de glans van deze wonderbaarlijk omhullende klankregen, en het was met een diep verdriet dat ik weer naar beneden ging en dit paradijs verliet. Vanaf die dag was ik bijna elke keer als geëlektrificeerd door het flitsende spel, zowel nobel, precies, als stralend van de jonge meester, me geleidelijk en van een afstand vertrouwd makend met de literatuur en alle genres van de orgelmuziek…

Eerste lessen bij Louis Vierne

De studies aan de opleiding  van de Notre-Dame gaan niet verder dan de vierde klas. Ik begon dus in de derde klas aan het “Sacré-Cœur” van Conflans (Vincennes) met een aanbevelingsbrief die M. Serre me had toevertrouwd voor zijn collega M. William Gousseau, de kapelmeester van Saint-Nicolas (Parijs), die de muziekleraar van het Klein-Seminarie was. Deze laatste (vader van de beroemde pianiste Lélia Gousseau) had de brief doorgenomen en me twee of drie stukken op orgel of piano laten spelen, en verklaarde met een vriendelijke glimlach: ‘Ik heb veel te veel leerlingen. Ik moet me eerst richten op degenen die nog veel moeten leren. U kunt u heel goed zelf redden: ik zal me later om u bekommeren!’. “Later” was een soort examen aan het einde van het schooljaar, en ik behaalde gelijk de “eerste prijs voor orgel”! Aan het begin van mijn tweede klas hield M. Gousseau, nog steeds “overbelast”, ongeveer dezelfde toespraak. Het was toen dat men dacht aan het geven van lessen elders, buiten het college: Marcel Dupré was op dat moment in Engeland, Louis Vierne was net terug in Parijs: hij was degene tot wie men zich wendde. De leiding van het Petit Séminaire wilde geen inbreuk maken op het reglement en de studenten mochten slechts twee keer per maand buiten het instituut zijn (op woensdagmiddag). Louis Vierne, begripvol, wilde  bij uitzondering een leerling accepteren die slechts om de veertien dagen een les zou komen volgen.

Zo kwam het dat ik, op een koude decemberdag in 1920, maar het Lord-Byronhotel ging waar de meester tijdelijk verbleef. Hij had, om zijn laatste restje zicht te verzorgen, veel spullen moeten verkopen en zelfs (!) zijn huisorgel. Gedurende meerdere jaren zou ik, afhankelijk van de beschikbaarheid, kennismaken met alle studie-orgels van de hoofdstad! Pas veel later, bij zijn terugkeer uit Amerika, en in zijn appartement aan de 37, rue Saint-Ferdinand, zou Louis Vierne weer een eigen orgel hebben en zouden deze kleine woensdagreisjes, die nooit ontbraken aan humor beëindigd worden…
Ik zal altijd mijn eerste les herinneren. Ik was, moet ik zeggen, sterk geïntimideerd en de meester deed die dag niets om me op mijn gemak te stellen. Tenminste, in het begin. — “Hebt u iets voorbereid?”, vroeg hij me. Ik speelde de “Communio” van zijn Kleine Mis. — “Laten we dat eens bekijken”, en… ik begon. Bij de tweede maat was ik al gestopt: “Speel dat nog een keer!”. Ik speelde nog een keer, zeer bezorgd. — “Ik zie, mijn beste kind, dat u niet begrepen heeft waarom ik u heb onderbroken. Komaan! Nog een keer, en probeer er achter te komen…”. Ik had geen idee en begon te zweten als een otter… Het moet gezegd worden dat mijn twee eerste docenten: de heren Hestrest, koororganist van de Kathedraal van Soissons, en Albert Serre, beiden uitstekende begeleiders, altijd, elk op hun eigen manier, veel nadruk legden op de maat: een koorbegeleider die niet in maat speelt, is een openbare misdadiger! Uiteraard moest ik ook alle noten goed spelen, maar al met minder strengheid: de maat was het belangrijkste. Die dag zou ik van Vierne leren wat een echt legato is… Ik zou voor het eerst leren wat een “ademhaling” of “articulatie” is aan het orgel. Hoe vaak zou ik daarna de formule horen: “Wanneer een noot herhaald wordt, verliest de eerste van de twee de helft van zijn waarde…”. We zullen al deze preciseringen trouwens in de volgende hoofdstukken hernemen. In de tussentijd was ik wanhopig en dacht ik: “Hij zal me nooit als leerling willen!”. Ik was dan ook bijna verbaasd en plotseling vervuld van vreugde toen ik uiteindelijk een schalkse stem hoorde roepen: “Goed! Nou, mijn jongen, voor de volgende keer moet je dit allemaal serieus oefenen, rekening houdend met alles wat ik je net heb gezegd!”. God zij geprezen: er zou dus een “volgende keer” zijn! De meester voegde eraan toe: “Heb je harmonie gehad?”. Ik had een beetje harmonie gehad. – “Schrijf dan een klein intermezzo op de eerste antifoon van de zondagse vespers…” Vervolgens kwamen er enkele praktische opmerkingen (modaliteit, modulaties, aantal maten…).

Ik was stomverbaasd, ik die het ergste verwachtte, terwijl hij me juist dit onverwachte werk aanbood! Ik zou al snel moeten vaststellen, met welke goedheid en ruimdenkendheid de meester deze kleine compositie-oefeningen zou beoordelen (als men überhaupt van compositie kan spreken), maar daarentegen zou hij des te strenger (en op sommige dagen, vreselijk!) zijn als het ging om de uitvoering (aan de toetsen) van elk geschreven stuk… — ‘Bereid bovendien de Prélude en Fuga in c-mineur van J.-S. Bach voor en let vooral op de vele “articulaties” die in dit werk voorkomen, en we zullen over vijftien dagen zien of je goed begrepen hebt wat ik je vandaag heb geleerd.’ Ik vertrok met een opgetogen hart, maar met een hoofd vol vuur!

Dat ik maar eens in de twee weken hoefde te komen was een gunst. Waarschijnlijk had Louis Vierne gedacht aan de studies van zijn jonge broer, René Vierne (die drie jaar eerder, in mei 1918, voor Frankrijk was gestorven) en die een tijdlang leerling was geweest van het Petit Séminaire van Versailles. De meester wist dus perfect dat er (toen nog) zeer beperkte tijd was gereserveerd voor muzikale studies in zowel seminaries als in colleges… In Parijs heerste onder leiding van M. Bridier op onwrikbare wijze het oude reglement (opgesteld in de 19e eeuw door de onderwijzer die Mgr Dupanloup was), een reglement dat erg strict was. Wat zouden onze huidige leerlingen zeggen als ze elke ochtend om 4.50 uur moesten opstaan, winter en zomer, en, na een lange studie en een korte mis, pas rond 8 uur naar de refter mochten gaan voor hun eerste maaltijd? Men dacht er niet te veel aan, zonder er echter echt aan te wennen, en als ik deze herinneringen opteken, is het omdat ik toch de omstandigheden moet preciseren waarin ik – mijn laatste drie jaren op het college (van de tweede tot de filosofie) – de mogelijkheid had om orgel te studeren. De directie geloofde oprecht dat ze zeer liberaal was door me elke week een uur piano, twee keer een half uur orgel en drie kwartier harmonium toe te kennen (in de hoedanigheid van organist van de kapel, om de diensten voor te bereiden). Uiteraard werden deze twee uur en drie kwartier uitsluitend in de tijd van de recreaties en de zogenaamde “vrije” studie-uren genomen. Het was, zoals men ziet, nauwelijks voldoende om de les van elke veertien dagen met zorg voor te bereiden. Gelukkig waren er de vakanties!

‘Je hebt een goede houding!’ Deze opmerking waarmee Louis Vierne me aan het begin van mijn tweede les wilde aanmoedigen, verraste me een beetje (terwijl het me iets meer zelfvertrouwen gaf dan de eerste keer). Nooit eerder hadden mijn vorige docenten mijn aandacht gevestigd op de lichaamshouding voor een klavier en als ik goed zat, had ik daar niet veel verdienste in. Een kind imiteert altijd onbewust het model dat het voor ogen heeft en mijn eerste meester, de heer Hestrest, hield zich achter het klavier zoals in de stad, rechtop als een “I”. Hij werd niet voor niets de “dorre Hestrest” genoemd!) Ik had dus nooit kunnen vermoeden dat het mogelijk was om te gebaren, te wiegen of te trillen op een orgelbank net zoals op een pianokruk. Louis Vierne, die hierin Widor volgde, verbood me deze belachelijke gebaren, deze “vruchteloze en onesthetische bewegingen” die me nadien altijd in staat hebben gesteld (of me hebben geërgerd), hij waarschuwde voor zelfs de kleinste onnodige bewegingen. ‘Elke niet gerechtvaardigde beweging,’ herhaalde hij, ‘is schadelijk, omdat het een verlies van tijd en kracht is. Voordat je een beweging als onvermijdelijk accepteert, moet je de nuttigheid ervan hebben gecontroleerd tijdens de periode van langzaam werken. Ontleed deze beweging en je zult meteen ontdekken welke punten strikt noodzakelijk zijn. Herhaling heeft als doel, veel minder om een volledige beweging opnieuw te leren samenstellen, dan om beter rekening te houden met de tijdsverhoudingen die moeten bestaan tussen de elementaire bewegingen… Als je de moed en het besef hebt om je hieraan te wijden — langdurig indien nodig — dan is dat een aanzienlijke tijdswinst en kun je daarna elk virtuoos stuk zonder moeite in het juiste tempo spelen.’ — Voor de handhouding: ‘Rek de vingers niet uit over de toetsen: de toets moet altijd met precisie en levendigheid worden aangeslagen, maar zonder hardheid. Mechanische geluiden zijn onverdraaglijk… Maak de vingers rond en schuif lichtjes naar de zwarte toetsen. Legato is het onmiddellijke overbrengen van de druk van de ene vinger naar de andere. Een tekortkoming produceert een gat: als je gebonden moet spelen, moet je ook helder spelen; dat is een van de basistechnieken. Voor het werken met het pedaal: Begin met de orgelbank zo te plaatsen dat je twee punten aan de uiterste rand van de twee korte toetsen in het midden van het klavier hebt, zodat je knieën een rechte hoek met je dijen vormen; zo behoudt je bovenlichaam een normale positie, als het lichtjes naar voren leunt. Kijk naar dit portret van Johann Sebastian Bach aan het orgel en volg dit model. Zet nooit je voet plat op het pedaal, maar met de binnenkant van de zool; houd de voeten constant in contact met de uiteinden van de zwarte toetsen, en speel nooit de witte toetsen naar achteren, behalve als de voeten elkaar afwisselen of kruisen.  Zet je voeten op de zwarte toetsen aan de uiterste rand om, indien nodig, het glijden over de witte toetsen te vergemakkelijken. Zet de voeten nooit loodrecht op[ het pedaal met hardheid, zoals stratenmakers dat doen.’ En de meester besluit (zoals hij dat vaak daarna moest doen): ‘Wanneer het werk je saai lijkt of de inspanning te moeilijk, denk dan aan deze woorden van de meester der meesters, Johann Sebastian Bach, die tegen zijn leerlingen zei: ‘Wanneer jullie net zoveel gestudeerd hebben als ik, zullen jullie kunnen spelen als mij’.

Ik die er eerder van droomde om een instrument tot mijn beschikking te hebben dat net zo krachtig was als dat van de Notre-Dame, moest me tevreden stellen met het kleine orgel van 12 registers van de kapel van Sacré-Cœur in Conflans (het kleinseminarie bij Parijs) en, tijdens de vakanties, met de 15 registers van het koororgel van Soissons waar mijn ouders woonden; pas iets later, in 1924, zou ik de beschikking krijgen over de 25 registers van het grote orgel van de kerk van de Karmelieten, Rue de Vaugirard (Institut Catholique). Ik heb al gezegd dat Louis Vierne, bij zijn terugkeer uit Zwitserland, tussen 1921 en 1927, had moeten terugvallen op voormalige leerlingen die een orgel bezaten en die bereidwillig hun salon enkele uren per week aan hem ter beschikking stelden, zodat hij zijn lessen kon geven. Het is overbodig te vermelden dat deze orgels bijna altijd kleine instrumenten waren van 6 tot 12 registers, die bovendien behoorlijk van elkaar verschilden, althans in hun samenstelling, zo niet in hun aanslag. Tijdens deze heen en weer reizen waren de meester en zijn leerlingen gedwongen om telkens niet alleen de registratie maar ook de aanslag van de toetsen (afhankelijk van of het instrument al dan niet de Barker-machine had), enzovoort, aan te passen. Soms maakten we een geergerde grimas, maar ik heb sindsdien vaak gemerkt dat deze noodzakelijke en snelle aanpassing me in staat zou stellen om heel snel Franse of buitenlandse instrumenten van gemiddelde omvang te kunnen bespelen: elk nadeel heeft zijn voordeel! Zo moest ik in die “heroïsche” jaren afwisselend van de studio van Mlle Cartier naar het orgel van Georges Jacob (organist van Saint-François-de-Sales) gaan, van dat van Maurice Blazy (ook blind, net als Vierne), Rue Bertrand, naar een of ander studie-instrument van de Maison Mutin-Cavaillé-Coll, avenue du Maine, van de zaal Gaveau naar de zaal Pleyel, om maar enkele adressen te noemen.

Deze alinea’s zijn een soms vrije weergave van de eerste bladzijden van het boek van Henri Doyen. Ze geven een mooi beeld van het leven van een jeugdig organist die tevens op het Klein-Seminarie zat om voor priester te studeren, maar ook lezen we veel over de aanpak en visie van Louis Vierne over het orgelspel.

Geplaatst in Geschiedenis, muziek | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Kun je Bach spelen op een orgel van Cavaillé-Coll?

Henry Doyen, die dus heel lang orgelles heeft gehad van Louis Vierne, heeft ook enkele hoofdstukken geschreven over hoe Vierne omging met de registers van het orgel en het gebruik van tempi bij barokmuziek. Vierne speelde op het Cavaillé-Coll orgel van de Notre-Dame van Parijs. Dat is een modern, meer romantisch orgel met allerlei registers die er in de barok niet waren. Ook met een of meer zwelpedalen. Vooral door zijn samenwerking met Widor en Guilmant rijpten zijn inzicht in het gebruik van dat orgel bij barokmuziek. Dit artikel is met name interessant voor organisten, voor leken is het al gauw te specialistisch.
Ik laat hierna zien wat Vierne daarover vertelde aan Doyen, en wat deze vervolgens weer opschreef in een boek.

‘Zou u de polyfonie in vier stemmen in het orkest verdubbelen met trompetten en trombones? Dat zou net zo artistiek zijn als fuga’s spelen met lingualen! ‘. Louis Vierne hield ervan deze opmerking van Widor te citeren en ontried het gebruik van lingualen bij de registratie van orgelwerken van J.-S. Bach. ‘Aan de andere kant zie ik niet altijd bezwaren, voegde hij eraan toe, om de 16-voet op de manualen Bach af en toe in te zetten, maar sommige delen van zijn Sonates zouden aanzienlijk profiteren van slechts een 8-voet op het pedaal’. De meester, in navolging van Widor, merkte op dat, als men een geleidelijke crescendo op het orgel wil bereiken, zonder schokken of hobbels (zoals zo vaak gebeurt met jongere onhandige organisten of oudere die hetzij smaak hetzij ervaring missen), is het beter om  grondstemmen toe te voegen wanneer men in het lage register speelt en, daarentegen, aansprekende registers in de hoge passages: ‘men moet dit niet lukraak doen, want het effect is dan treurig.’ Vierne herinnerde in dit verband aan alles wat de jonge Franse school te danken had aan meesters zoals Albert Périlhou en Alexandre Guilmant, die de eersten waren om het geheim van de gedetailleerde kleuring van de verschillende werken van voor de negentiende eeuw te onthullen en de doordachte toepassing ervan: ‘Périlhou, zei hij, heeft me zeer waardevolle ervaringen laten opdoen op zijn zo kleurrijke orgel van Saint-Séverin: hij was een prestigieuze colorist; wat Guilmant betreft, kan men zeggen dat hij de meest bekwame artiest van zijn tijd op dit gebied was. Hij was in staat om de orgelbouwers te leiden in hun constructies (zelf was hij ook af en toe een bouwer) en hij was degene die me inwijdde in de fascinerende onderzoeken die hij had gedaan over de natuur en “mengstemmen”. Ik geef toe’, voegde de meester eraan toe, ‘dat ik, afgezien van het auditieve oordeel, voorheen niet het verschil wist wanneer een volle stem en wanneer een cornet bij de harmonisatie te gebruiken; des te meer het verschil tussen een nasard en een open kwint.  We hebben gezegd dat J.-S. Bach deze mogelijkheden niet heeft gekend. Kun je die dan wel gebruiken bij de interpretatie van zijn werk?’

‘Natuurlijk’, antwoordde Vierne, ‘als het gaat om het produceren van nuances door middel van registers, maar nooit als je deze mechanische middelen gebruikt om accentnuances te creëren! Het is zeker dat in de passages van de tweede stem in de Préludes en Fugues, vooral als je een kromhoorn gebruikt, er niets op tegen is dat je heel discreet geleidelijk de klank vermindert door langzaam het zwelpedaal te sluiten; evenzo, om de terugkeer van de eerste stem te laten vermoeden, is het mogelijk om een langzaam crescendo te creëren door het zwelpedaal geleidelijk te openen. Maar let op! Het is belangrijk dat dit vakkundig gebeurt, zonder schokken, zonder brutaliteit; de luisteraar mag niet vermoeden welk mechanisch middel het effect produceert; integendeel, hij moet deze afstanden en benaderingen als volkomen natuurlijk ervaren, en nooit verrast worden door een schok, door een “pianissimo” of een “forte” die te abrupt is. Deze nuances zijn onverenigbaar met de artistieke middelen waarmee Bach zijn gedachten aan het orgel vertaalt. Het is duidelijk dat in de stukken waar een uitkomende stem op de voorgrond staat, deze genuanceerd kan worden met behulp van het zwelpedaal, maar altijd op voorwaarde dat de gevraagde effecten niets hebben dat doet denken aan de rinforzando, pianissimo-subito van de stem of de instrumenten van het orkest; de nuance van dit soort die men met behulp van het zwelpedaal zou willen produceren, zou vooral de indruk wekken van die van de accordeon, met zijn schokken, zijn hikjes die (ik hoef er niet op te hameren!) niets gemeen hebben met ware expressie. Helaas zijn ze legio, de organisten die, met de voet op hun zwelpedaal, het gebruiken alsof het een blaasbalg van een harmonium is, zonder doel en op basis van de reflexmatige impuls van de voet, de muziek ten onrechte sieren met forte-piano of crescendo-diminuendo! Wie van ons’, voegde Louis Vierne toe, ‘heeft niet geleden en heeft een gevoel ervaren dat lijkt op het zeeziek zijn, bij het horen van deze ongelukkigen die op hun manier “gevoel” teweegbrengen? Probeer nooit het strijkorkest en zijn romantische dynamische mogelijkheden te imiteren wanneer we orgel spelen; dat zou een ernstige en wezenlijke vergissing zijn: vooral in de muziek van Bach blijft de nuance altijd ondergeschikt aan het plan.’ In zijn “Mémoires” schrijft Louis Vierne (p. 104): ‘Ik beschouw Gonzalez als de eerste harmonist van zijn tijd, en door in 1931 te verlangen dat hij de restauratie van het orgel van Notre-Dame zou uitvoeren (wat helaas niet is gebeurd), denk ik niet dat ik handelde tegen het artistieke belang van het instrument.’ Bij het schrijven van deze regels betreurde de meester vooral wat Mutin bij de restauratie had gedaan, maar hij zou zich hebben geërgerd als men daaruit zou afleiden dat hij jegens de “geniale” Cavaillé-Coll gevoelens had die hij niet kon hebben. We lezen ook in de “Mémoires” (p. 47): ‘De gepassioneerde bewonderaars van Cavaillé-Coll) hebben niets gezegd over zijn zwakheden, zijn systematische critici hebben hem bijna geen waarde toegekend… Ik zal me onthouden van commentaar en me beperken tot het vaststellen dat als de grote orgelbouwer soms consoles heeft gebouwd die ons laten dromen, en dat hij op wetenschappelijk terrein moet worden gezien als de vader van het moderne orgel. Maar vergissingen zijn mijns inziens het plaatsen van het Récit-klavier op het vijfde manuaal. Hij vergiste zich ook bij het samenstellen van zijn Récits, in de grote instrumenten, met slechts acht registers, altijd dezelfde, waarbij hij de zwelpedalen in een bijna onbereikbare positie zette, helemaal rechts en bediend met de beroemde “lepel” met twee standen; de pedaalwerken van 18 of 20 noten zonder speciale registers, terwijl de manualen 54 noten hadden waren de registers van het récit verstoken van hun lage octaaf. Dat alles was wat mij betreft een vergissing…. Alleen degenen die niets doen, vergissen zich nooit.’ Elders hield Vierne ervan om eer te betuigen aan de illustere orgelmaker voor zijn ontdekking van met name de “harmonische registers”. Hij benadrukte de omvang en de rondheid van de grondstemmen die onbekend waren bij de organisten van de 17e en 18e eeuw: ‘De toepassing, op de Gambes, van de Gavioli-rem door Cavaillé-Coll heeft ons registers gegeven die veel sneller spreken dan dezelfde registers van vroeger. Aan de andere kant heeft men in dezelfde families van registers gezocht naar verschillen in timbre, intensiteit, met andere woorden, karakters die de organisten van weleer niet bezighielden. Bijvoorbeeld’ (het is nog altijd Vierne die spreekt), ‘in de groep van de Montres hebben we: de Montre in de strikte zin, rond, vol en goed getimbreerd: de basis van het orgel; de Principal, dunner, helderder; de Diapason, dikker dan de principal, minder getimbreerd. In de groep van de Gamba’s vinden we de echte Gamba, scherp, dun, een beetje agressief; de Salicional, zachter, van grotere omvang, minder timbre dan de Gamba; de Violoncello, een grote, zeer heldere Gamba die alle 8-voets registers domineert wanneer hij ermee wordt gemengd. Hetzelfde geldt voor de Fluiten en de Bourdons.’ Om terug te komen op Bach en, via hem, op de interpretatie van alle orgelmuziek, wat betreft de registratie, gaf Louis Vierne nog de volgende adviezen: ‘Voel je niet verplicht om een fuga te beginnen met het geheel van de drie klavieren (wanneer je er drie hebt). Het is heel goed mogelijk, vooral met onze tussenklavieren, om de fuga te beginnen met de expositie op het positief gekoppeld aan het Récit, of zelfs alleen op dit laatste klavier. Deze manier van doen heeft soms zijn reden van bestaan, wanneer de fuga begint met een kalm thema, na een preludium van beweging; de tegenstelling is dan sterker. Je moet ervoor zorgen dat je op de meest logische manier terugkeert naar de Grand-Orgue om op dit klavier te zijn bij de entree van het pedaal; de uitzonderingen op deze verplichting zijn zeer zeldzaam. Het spreekt voor zich dat, als men bij de tussenklavieren blijft, zelfs met het Pedaal, deze moet worden gedoseerd, hetzij door het aantal gebruikte registers, hetzij door de juiste toevoeging van de Tirassen, zodat ze de handklavieren niet overweldigen.  Men is helemaal niet verplicht een fuga te eindigen met een groot crescendo, zoals vaak wordt gedaan: het volstaat om terug te keren naar de klank van het begin om in de geest van het werk te blijven, waarvan de eenheid de fundamentele basis vormt. Als men het crescendo gebruikt waar ik het over heb, moet men dus de registers in groepen en niet per eenheid introduceren, tenzij men te maken heeft met een klein instrument waarbij de middelen meer rudimentair zijn en dus moeten worden gebruikt ter vervanging van wat ontbreekt. Het is een kwestie van smaak en gezond verstand! Maar als je een orgel hebt met 3 manualen, Mixtures en stemmen op elk manuaal, kun je het crescendo als volgt opbouwen door de geleidelijke introductie van groepen: « Begin met het Récit, pp met de stemmen; voeg de stemmen van het Positif toe, open het zwelpedaal van dit manuaal (als het dat heeft) voor de helft; introduceer de mixtures en stemmen van het Récit; voeg de stemmen van het Grand-Orgue toe; open het Positif-zwelpedaal voor de helft; open het Récit-zwelpedaal volledig, en dan dat van het Positif; tenslotte introduceer de Mixturen en stemmen van het Grand-Orgue en die van het Pedaal om fff te bereiken. Echter, ik herhaal, als het gaat om oude werken, moet men deze effecten alleen met veel voorzichtigheid gebruiken en nadat men zorgvuldig de afmetingen en het karakter van de stukken die je wilt uitvoeren heeft bestudeerd. Bijvoorbeeld, de stemmen van 16 voet zijn zelden effectief in de polyfonie van J.-S. Bach: ze vervagen verschrikkelijk wanneer de partij zich in het midden houdt of naar het lage registreert; het is dus alleen in stukken met een hoge tessituur dat je de stemmen van 16 kunt gebruiken, om ze te ondersteunen met de 4 voeten en de zachte mutaties, anders eindig je met een grijze en verwarrende massa, een sonore pap. Als ik je, vanaf nu, een Koraal van Bach geef om voor elke les voor te bereiden, is dat niet, geloof me, toevallig en zonder reden: niets is meer vormend dan de studie van deze grote koralen, en dat om meerdere redenen. ‘Ten eerste, herinner je dat deze verzen zijn geschreven op literaire teksten: het is overduidelijk dat de Cantor commentaar wilde geven, met de rijke middelen waarvan hij het geheim kende, zijn eigen meditatie over elk van deze gebeden. Bach, die een dichter met diepgang was net zo goed als een geniale muzikant, kende de waarde van het gezegde: “De rol van de muziek begint waar die van de woorden eindigt”, hij wist ook dat deze rol in geen geval in tegenspraak kan zijn met die van de te becommentariëerde tekst, maar dat hij integendeel deze moet versterken, parafraseren, sublimeren, als ik het zo mag zeggen, zich moet inspannen om de betekenis ervan te verdiepen, om beter de registratie te vinden die zich opdringt: veranderingen van registers, nuances van pure expressie, meer of minder subtiele pittoreske effecten…

Je kunt in principe vaststellen dat veranderingen in spel altijd moeten samenvallen met bepaalde ritmische verplichtingen om de indruk van wanorde te vermijden: het is beter, bijvoorbeeld, om een register op een “sterke” tel (of als je wilt een “thesis”) open te trekken dan het tegenovergestelde te doen. Zoals ik je al heb gezegd, moet je vooral alles vermijden wat zou leiden tot brutale veranderingen, ongewilde schokken in het geluidsweefsel zou geven; met andere woorden, als je wilt dat de kleuren elkaar opvolgen, naast elkaar staan en zich zonder haperingen van elkaar losmaken, moet je alles in het werk stellen om bruuske veranderingen te vermijden die altijd anti-esthetisch zijn. Het bijzondere instrumentale karakter van het orgel is onverenigbaar, herhaal ik, met elke te heftige tegenstand en vooral staat het geen versterking of vermindering door tijdelijke accenten toe.

Louis Vierne over Guilmant

Louis Vierne vertelde me eens  vrij uitvoerig over Guilmant die hij kende van het Conservatoire national en zijn lange verblijf in dat instituut, eerst als leerling, daarna als adjunct-professor. Het was Charles-Marie Widor die als eerste Vierne als repetitor (in de meest nobele zin van het woord) had gekozen en zo een traditie inluidde die daarna trouw werd gevolgd, maar het was vooral over Guilmant, de man en zijn onderwijs, dat de meester graag sprak, misschien omdat hij op een dag een vluchtige glimlach op mijn lippen had opgevangen bij de vermelding van de werken (die me, als ze niet inferieur waren, toch op zijn minst minderwaardig leken) van de organist van Meudon, die in deze periode tussen de twee wereldoorlogen al goed vergeten was… “— Voor mijn opvolging in de orgelklas aan het Conservatoire, had Widor verklaard toen hij titularis werd van de compositieklas (voorbereidend voor de Prix de Rome), zal ik de kandidatuur van Guilmant verdedigen op voorwaarde dat hij Louis Vierne als repetitor houdt…”. Deze wens werd vervuld en zo werkte Vierne meer dan vijftien jaar samen met de meester van Meudon, en zoals hij zelf in zijn Memoires (pagina 52) zegt: ‘geen enkele dag, geen enkel uur, kwam de minste wolk onze hechte vriendschap verstoren die tussen ons was ontstaan… Deze man van 59 jaar, met een schitterende carrière als virtuoos achter zich, genietend van een roem die terecht te danken was aan de eminente diensten die hij had verleend aan de verspreiding van de orgelkunst door zijn concerten en zijn geschriften, deed me de eer om me als gelijke te behandelen (Vierne was toen 25 jaar) en toonde me een vertrouwen dat ik probeerde te rechtvaardigen voor zover mijn middelen dat toelieten’. Als leerling van Lemmens, net als Charles-Marie Widor, had Guilmant niets veranderd aan de uitvoeringstechniek en zo ontwikkelde zich geleidelijk de bewonderenswaardige hedendaagse Franse orgelschool…

Louis Vierne over de tempi in muziekstukken

Ik geloof dat ik in de voorgaande hoofdstukken voldoende heb gesproken over de belangrijke kwestie van de registratie: laten we nu overgaan tot de studie van het tempo. Het is inderdaad niet genoeg om een helder, duidelijk en precies spel te hebben, met een strikt en soepel legato; men moet ook de stijl van het orgel respecteren. Net als Widor en Guilmant hechtte Louis Vierne veel belang aan het majestueuze karakter van de koning der instrumenten. Tegenover die van zijn leerlingen die het niet begrepen en de nostalgie van het orkest of de piano vasthielden, zei Vierne: “Kom dan luisteren naar mij in Notre-Dame en je zult inzien dat wat ik je zeg terecht is…”. Het is inderdaad onmogelijk, in zo’n grote kerk, om de toehoorders te willen imponeren door je in een grote snelheid te storten waarin alle “virtuositeit verkeerd uitpakt”: alles vervaagt, het is pap voor de katten! Ch.- M. Widor herhaalde vaak dat hij, op ongeveer twintigjarige leeftijd, de beroemde Fuga in D majeur van Johann Sebastian Bach (D, E, Fis, E, D…) in een belachelijke snelheid had gespeeld voor Lemmens, zijn leraar. Lemmens had zijn jeugdige enthousiasme verfrist met dit simpele woord: “Waardeloos!”… Ik heb het voor mezelf genoteerd, legde Widor aan zijn leerlingen uit, en ik realiseerde me meteen dat polyfonie geen snelle uitvoering verdraagt die haar buiten adem maakt, verwart en karikaturaal maakt… buiten de fuga’s in D majeur, D mineur, C majeur en G majeur, die in een vlotte (maar niet gehaaste) beweging kunnen worden gespeeld, denk ik dat alle andere zeer gematigde en zelfs eerder langzame tempi vereisen; de grote fuga’s in G mineur, A mineur, C mineur, E mineur, die te snel worden gespeeld, klinken dan domweg mechanisch en zonder ziel…

Wat zouden Widor, Guilmant of Vierne gezegd hebben bij het horen van bepaalde platen die de afgelopen jaren zijn opgenomen? Ik noem geen namen om niemand te kwetsen, maar ik denk er niet minder over en de gewaarschuwde luisteraars ook niet! Er heerst momenteel overal een overdreven neiging naar snelheid: men verwart te vaak vreugde of virtuositeit met haast en zenuwachtigheid. Het is trouwens geen gewoonte die alleen voorbehouden is aan jonge organisten: het probleem is algemeen en dat is echt jammer! Het laatste deel van klassieke werken wordt bijna altijd met een razende snelheid uitgevoerd: de romantische muziek blijft zelf ook niet gespaard. Hoeveel Nocturnes van Chopin worden een stortvloed van noten in plaats van je te doen dromen. Zo worden de gigues van Scarlatti snelheidsmonsters, de walsen van Chopin orkaanwervelingen (het komt voor dat de rechterhand niet weet wat de linkerhand doet, zodat deze zelfs niet meer de tijd heeft om de derde tel te plaatsen!). Maar waar iedereen zich echt uitleeft, is ongetwijfeld in de “Suites” van J.-S. Bach, waarvan de werken toch betekenisvolle titels dragen: menuetten, gavottes, bourrées, enzovoort… De gavottes worden dubbele passen en de gigues worden galops! Wat het orgel betreft, moeten we altijd onthouden (en Vierne, na Widor en Guilmant, herhaalde dit voortdurend) dat J.-S. Bach gebruik maakte van twee hoofdtempi: één, niet erg snel, die ongeveer overeenkomt met onze Andante, en één, vrij langzaam, die overeenkomt met ons huidige Adagio. — “Alla Breve” was minder snel dan ons huidige Allegro, wij zouden zeggen “Allegro molto moderato”; “Vivace” betekende helemaal niet “zeer snel” zoals nu, maar eerder levendig, in de zin van levendig: wat helemaal niet hetzelfde is; “Prestissimo” zou overeenkomen met ons Presto (144) en “Adagiosissimo” verdubbelde eenvoudigweg de duur van de waarden van ons Adagio. Bovendien moet men nooit vergeten dat de Cantor schreef voor de instrumenten van zijn tijd, die, uiteraard, niet zo soepel aanspraken als de huidige instrumenten: men kon praktisch niet meer dan twee gekoppelde klavieren tegelijk bespelen. Als Bach onze meerdere koppelingen en deze elektrische combinatoren had gekend die het mogelijk maken om vooraf voorbereide registers of groepen van registers in te voeren, zou hij zeker andere werken hebben geschreven en met een heel andere geest. In de tussentijd moeten we proberen zijn bedoelingen te achterhalen voor de meest nauwkeurige interpretatie van elk van zijn werken: dat willen negeren is zichzelf veroordelen om nooit de geest ervan te leren kennen en bijgevolg zich te vervelen tijdens het spelen, terwijl men de luisteraars ongemakkelijk maakt…

Kun je Bach spelen op een orgel van Cavaillé-Coll? Louis Vierne en André Guilmant, zij deden het. Maar op een zorgvuldige manier, zoals blijkt uit wat Henri Doyen er over schreef.

Twee uitvoeringen van Preludium en fuga BWV 541 van Bach

Bernard Winsemius op het Müller orgel van de Waalse kerk in Amsterdam


JB Robin op het Cavaillé-Coll orgel in de San Vicente kerk in San Sebastian

Opvallend is dat in de tweede uitvoering heel voorzichtig door twee assistenten het zwelpedaal subtiel wordt gebruikt. Verder zien we dat de fuga slechts op een manuaal wordt gespeeld met wel enkele registerveranderingen. Oordeel zelf

Geplaatst in Geschiedenis, muziek | Tags: , , , , , , , | Plaats een reactie

Charles Tournemire, een diepgelovige kerkmusicus

Charles Tournemire werd geboren in 1870 in Bordeaux en overleed op 3 of 4 november in Arcachon.  Zijn eerste muziekonderricht kreeg hij aan het conservatorium in zijn geboortestad. Op elfjarige leeftijd speelde hij al orgel in de St. Pierre-kerk. In 1886 trok hij naar Parijs om er piano en harmonie te studeren. In 1889 werd hij toegelaten tot de orgelklas van César Franck, waar ook zijn leeftijdgenoot Louis Vierne zat. Dat heeft maar drie maanden geduurd, toen overleed Franck plotseling. Maar zijn lessen waren voor deze studenten wel zeer invloedrijk. Niet alleen vanwege het orgelspel, maar vooral ook door de gesprekken met Franck en door de inhoud en begeestering van zijn compositielessen. Daarna kregen hij en Vierne les van Charles Widor.

7 jaar na de dood van Franck werd Tournemire de organist-titularis van de Sainte Clothilde waar Franck ook een groot deel van zijn leven organist was geweest. Tournemire had zich als levensdoel gesteld om als organist helemaal dienstbaar te zijn aan de liturgie zoals die in het kerkelijk jaar werd gebezigd. Hij verdiepte zich niet alleen in al de teksten die er gesproken werden, maar ook in de Gregoriaanse muziek die daarbij hoorde. Om die muziek beter te doorgronden had hij heel vaak het klooster van Solemnes bezocht waar het Gregoriaans een vast onderdeel was van het kloosterregime. Hij haalde vervolgens inspiratie uit die gezangen voor zijn eigen composities of improvisaties. In het boek van Henri Doyen gaat een hoofdstuk over zijn eigen contact met Charles Tournemire. Henri Doyen had orgelles van Louis Vierne, maar deze stimuleerde hem om ook contact op te nemen met zijn vriend en collega componist-organist Tournemire., Henri Doyen schrijft over Tournemire:

Kort na de dood van Vierne in 1937 heb ik hem opgezocht in zijn huis aan de kust, een bescheiden vissershuisje dat hij al 40 jaar bezat. (Tournemire voelde zich sterk aangetrokken tot de zee en had een huis op het Île d’Ouessant. een eiland in het Franse departement Finistère, in de regio Bretagne. Het is het meest westelijke gebied van Europees Frankrijk.) Soms zaten we in de antieke windmolen die in de tuin stond (een soort van een houten poortgebouw, zwart geverfd, geplaatst op een granieten sokkel, een krot dat toegankelijk was via een korte ladder, waar hij studie maakte van het landschap: hard, wild, een apocalyptisch decor, grandioos, nooit hetzelfde, een symfonie van zee en wind. In mijn kamer bij het licht van een kaars, meer was er niet.’
Hij vertelde hoe hij en Vierne in Parijs hard gewerkt hebben en hoe Vierne zich via Widor de zuivere techniek van Lemmens had eigen gemaakt. Vlak voor zijn dood werd Tournemire nog geïnterviewd door Norbert Dufourq. Deze vroeg hem hoe hij zijn rol als organist in de liturgie zag.

Zeer strikt vermengd met de liturgie, geïnspireerd door de pracht van de teksten en de Gregoriaanse lijnen, die volgens Huysmans de “luchtige en bewegende parafrase zijn van de onbeweeglijke structuur van de kathedralen”. Door mijn improvisaties geef ik commentaar op de teksten van de dag. Als vorm gebruik ik het liefst de prelude, de fuga, het koraal en de grote Beethoviaanse variatievorm.

Het was niet verrassend dat na Franck, die zich in zijn drie koralen had laten verleiden om de Beethoviaanse variatievorm te gebruiken, ook Tournemire dit ging doen, maar nu binnen de reikwijdte van het religieuze ambt. Na zijn talrijke bezoeken aan de abdij van Solemnes kreeg hij het idee om het katholieke orgel van een repertoire te voorzien dat de Gregoriaanse gezangen waardig was. Zo schreef hij tussen 1927 en 1932 “l’Orgue mystique”, een omvangrijk werk waarin hij telkens een Prelude voor het introitus, een Offertorium, een Sanctus, een Communio en een Finale verenigde, en dat voor elke zondag van het kerkelijk jaar. Elk stuk had een volkomen vrije vorm. Hier klinkt nr.117, muziek bij de Communio voor de zondag na Hemelvaart:

Daarnaast bleef Tournemire traditionele vormen gebruiken in zijn wekelijkse improvisaties. Zo werd hij volgens Doyen “een  schepper van een kunst vol kleuren, onverwachte sensaties en glinsterende beelden”. Intussen horen we steeds de belangrijkste Gregoriaanse melodieën die bij de teksten van die dag horen.
Doyen: ‘wat kunnen we zeggen over de registraties van Tournemire? Net als Vierne had hij met belangstelling het onderzoek van Victor Gonzales gevolgd en gebruikte met veel plezier de registers van het neoklassieke orgel met zijn rijkdom aan enkelvoudige of samengestelde registers, met zijn zachte tongwerken die in elke solo gebruikt kunnen worden. In zijn werk overlappen en vullen de aanrakingen van heldere kleuren en plotselinge brandpunten van licht waarop de zachte tinten reageren elkaar aan.  Het Gregoriaanse thema komt hier en daar voorbij, soms vanaf het pedaal naar steeds hogere regionen en is dan een voorwendsel voor flamboyante arabesken en warme harmonieën. Vanuit een enkele grondtoon, Fluit 4 of Vox Humana weet Tournemire verleidelijke gedichten te schilderen, net zoals hij soms opzettelijk hard is en daarmee de hardheid van taal demonstreert. Maar de registratie moet altijd met grote zorgvuldigheid worden gekozen. Als hij improviseerde als er niemand in de kerk was wenste hij niet gestoord te worden. Dat stond zelfs op de kerkdeur. Maar als de dienst was afgelopen kon hij zolang doorgaan met improviseren dat de kerkmeester hem soms vriendelijk in het oor kwam fluisteren: “de dienst is afgelopen, iedereen is weg”…‘
Zijn geschreven werk werd door velen beschouwd als een ratjetoe, verwarrend, maar als je hem hoorde improviseren werd je meegesleept in zijn godvruchtige fantasie. Tournemire zei dat er drie voorwaarden waren bij het improviseren tijdens de liturgie: je moest zelf gelovig zijn, je moest je gevoel laten gelden en je moest tegelijk ook componeren. Met dat laatste bedoelde hij toen Doyen er naar vroeg: ‘je moet beginnen met het zorgvuldig uitkiezen van je thema. In de Gregoriaanse melodieën zitten veel meesterwerkjes opgesloten! Als je niets kunt vinden, probeer dan te denken aan een overkoepelend thema dat bij die dag hoort.’ Doyen: dat laatste snapte ik eigenlijk niet, dus ik vroeg door: ‘begin met het zorgvuldig bestuderen van de liturgie, of liever de liturgische kleur van het feest, dan de gehele Gregoriaanse melodie, en dan pas het thema. Dat behandel je in een koraal, een tweede thema in een fugato, een derde in een fantasie. En volg verder het advies van Vierne, je hebt geluk dat je van zo’n meester les hebt! Hoe ingetogener een improvisatie is, hoe groter de kans dat hij uitstekend is. Probeer de algehele richtlijnen te volgen van een thema, uitwerking en conclusie. Denk aan de drie koralen van Franck, die je ook als prachtige uitgewerkte improvisaties kunt zien, en die tegelijk een sacrale betekenis hebben.’

Ik laat nu in een voorbeeld zien en horen hoe Tournemire dat in noten in de praktijk bracht. In het tweede hoofdstuk van het Nieuwe testament door Lucas wordt de geboorte van Christus, de opdracht in de tempel en Jezus te midden van zijn leraren beschreven. Jezus was 12 jaar oud en zijn ouders konden hem niet vinden, hij was in Jeruzalem zoek geraakt. Hij bleek in de tempel te zitten, om daar te luisteren naar en te discussiëren met schriftgeleerden, die verbaasd waren over zijn kennis. Maria sprak tot haar zoon: “Kind, waarom heb je mij dit aangedaan? Bedenk toch eens hoe jouw vader en ik ongerust naar jou hebben lopen zoeken”. Hij antwoordde: “waarom hebben jullie naar mij gezocht? Wisten jullie dan niet dat ik in het huis van mijn vader moest zijn?” De Latijnse tekst in het Lucas evangelie luidt:

Fili, quid fecisti nobis sic?
Ego et pater tuus dolentes quaerebamus te.
Quid est quod me quaerebatis?
Nesciebatis quia in his quae Patris mei sunt oportet me esse?

Deze tekst wordt gezongen tijdens de Communio van de eerste zondag na Driekoningen. Dit wordt ook wel de zondag van de heilige familie genoemd. Het Gregoriaanse gezang van de Communio van die dag klinkt zo:

Charles Tournemire schreef niet lang voor zijn dood een grote verzameling Postludia, muziek bij de belangrijkste gezangen van het kerkelijk jaar, meestal als een overpeinzing. Bij dit gezang klinkt deze overpeinzing van hem zo:

De stijgende kwarten in het eerste deel verbeelden naar mijn gevoel de vraag van Maria aan Jezus: ‘waar was je dan, wist je niet dat wij zeer ongerust waren?’ Het antwoord met snellere noten vanaf het derde systeem staat voor de reactie van Jezus: ‘wist je dan niet dat ik in de tempel moest zijn?’

Ja, en dan de dood van Tournemire. We lezen op wikipedia:
Tn 1939 vond hij onder mysterieuze omstandigheden de dood in Arcachon in Aquitanië. De dood werd vastgesteld op 4 november, maar mogelijk was hij al een dag eerder overleden. Of hij verdronken was, een hartaanval had gekregen of zelfmoord had gepleegd, is nooit duidelijk geworden. Volgens de Belgische organist en componist Flor Peeters, die nauw bevriend was met Tournemire, had hij zijn dood zelf geënsceneerd. Tournemire, die sympathiseerde met de politiek-religieuze beweging “Action Française”, raakte eind jaren dertig in een steeds diepere depressie door de reële dreiging van een inval in Frankrijk door nazi-Duitsland. Met “Apocalypse de Saint Jean”, triptiek voor solisten, koor en orkest, wist hij artistiek vorm te geven aan een sterk persoonlijk en uiteindelijk wat hemzelf betreft fataal eindtijdgevoel.
Ik heb helaas geen opname kunnen vinden van deze triptiek.

Hier tot slot nog een improvisatie over het Te Deum, op het orgel van de Sainte Clothilde, een historische opname waarin Tournemire zelf speelt!

Er waren meer componisten in het begin van de twintigste eeuw die kerkmuziek schreven, denk aan Vierne, Duruflé of Messiaen. Maar misschien was er niemand bij wie die combinatie zo diep, zo intens was als bij Tournemire.

Geplaatst in Geschiedenis, muziek | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Tournemire, Vierne, Duruflé: drie muzikale vrienden

Mensen die bekend zijn met de Franse orgellitteratuur kennen deze drie componisten allemaal: Tournemire, Vierne en Duruflé. Zij waren niet alleen tijdgenoten maar ook vrienden en studiegenoten. Tournemire leefde van 1870 tot 1939, Vierne van 1870 tot 1937 en de jongste, Duruflé, van 1902-1986. Hij heeft van de eerste twee organisten nog les gehad en bleef tot hun dood contact met ze houden. Zo was Duruflé ook aanwezig bij het concert van Louis Vierne in de Notre Dame van Parijs toen hij daar stierf aan de gevolgen van een hartaanval. Hij speelde toen net een stuk dat bestond uit drie delen. Het begint met de ochtend (Matines)  die is opgedragen aan Maurice Duruflé. Immers hij was het die nog jong was, hij stond nog in de ochtend van het leven. Het tweede deel noemde hij “Communion” en droeg het op aan zijn leerling en vriend Henri Doyen, ter gedachtenis aan diens eerste mis in de Notre Dame van Parijs (20 april 1930) toen hij tot priester werd gewijd. (Henri Doyen was ook bij dit laatste concert van Vierne aanwezig). Het derde deel noemde hij “Stèle pour un enfant défunt”, gedenksteen voor een overleden kind. Dit was geschreven ter nagedachtenis aan zijn kleine lieve vriend Jean de Briancon. Je hoort Johannes Lamprecht op het Rieger-Orgel van de “Jesuitenkirche St. Michael” in München. Alle drie de delen zijn zeer intiem van karakter. Volgens Henri Doyen was dat de basishouding van Vierne: ingetogenheid. Als hij tijdens een dienst orgel speelde stapte hij vlak voor de consecratie van zijn orgelbank af, viel op zijn knieën, om pas na dit meest intieme deel van de H. Mis weer terug te keren naar de orgelbank om daar verder te kunnen spelen.

Er was ook een band van deze componisten met het verleden. Tournemire was nog korte tijd leerling van César Franck geweest totdat deze stierf. Hij werd diens opvolger als titulair organist van de St. Clothilde. Maar ook Louis Vierne was in dezelfde tijd leerling van Franck. Hij werd uiteindelijk organist in de Notre Dame. De geest van César Franck bleef in allebei doorwerken. Hij was voor hen een inspirerend voorbeeld geweest.
Vierne en ook Tournemire waren beiden diep religieus. Regelmatig ging Tournemire naar de diensten van het klooster van Solemnes om te luisteren naar de Gregoriaanse gezangen die daar gezongen werden door de monniken. Deze hebben hem zeer geïnspireerd. Dat wilde de blinde Vierne ook wel eens. Toen het er eindelijk van kwam liep dat uit op een deceptie. Henri Doyen schrijft daarover:
— De gelegenheid deed zich voor om naar Solesmes te gaan om de monniken te horen; men had geregeld om daar aan te komen op het moment van de Vespers van deze zomerse zondag. Er was toen in de Abdij een portier met nogal grove manieren: zo had hij me op een dag, toen ik bij hem een rozenkrans kocht en vroeg of deze stevig was (ik wilde geen prullaria zoals je die op pelgrimsoorden vindt), met een nors accent geantwoord: “Ik weet het niet; ik heb mijn krachten er niet op uitgeprobeerd!…”  — Ik had glimlachend betaald… Helaas was hij de dienstdoende persoon toen Louis Vierne zich aanbood om bij de vespers te zijn. Aangezien Vierne blind was, werd hij aan de arm geleid: een dienst die altijd als een eer werd beschouwd door de jonge meisjes, zijn jonge leerlingen. Het was dus het meisje van het huis dat hem leidde, “Mademoiselle, u kunt niet naar binnen!” — “Maar waarom dan niet?” — “U heeft blote armen, dat is niet gepast” (het meisje had inderdaad korte mouwen). — “Maar ik leid Louis Vierne, de organist van Notre-Dame de Paris!” — “Ken ik niet!”. Zeer gekwetst door deze weinig hoffelijke ontvangst, trok de Meester zich terug, zeer teleurgesteld… Ik weet dat de Abt van Solesmes, dom Cozien, erg boos was toen hij later het voorval vernam, maar verloren kansen komen nooit terug.
Ook Duruflé was zeer religieus. Zijn meest beroemde werk is misschien wel zijn requiem, gebaseerd op Gregoriaanse melodieën.

Het hoofdwerk van Tournemire voor orgel is een serie van meer dan 200 composities (l’Orgue Mystique), bestemd om te spelen op de zondagen van het kerkelijk jaar, gebaseerd op Gregoriaanse melodieën. Hier onder kun je dit complete stuk beluisteren, het begint met muziek bij het introïtus van de 3e zondag van de advent. De afbeeldingen die je in het filmpje ziet komen allemaal uit de de kathedraal Saint-Croix in Orléans, waar ook het stuk is opgenomen. De organist is Georges Delvallée. Het stuk is natuurlijk nooit bedoeld geweest om in zijn geheel te spelen of om in zijn totaliteit naar te luisteren. Maar wil je in een religieuze trans raken, dan kun je dat toch proberen….

Tournemire was vooral ook in de kerk tijdens de diensten beroemd om zijn improvisaties, die zeer virtuoos waren. Het was in de tijd van de eerste grammofoonplaten. Louis Vierne liet eens vol trots een opname horen die van zijn eigen spel was gemaakt in de Notre Dame. Zijn leerling Henri Doyen had nog nooit een grammofoon gezien en was erg onder de indruk. Op de achterkant van de plaat stond een stuk van de toen nog jonge Duruflé. Ook van Tournemire  als organist werden opnamen gemaakt, zo ook van enkele van zijn beroemde improvisaties. Duruflé ging de opnamen beluisteren en maakte er transcripties van. Zo zijn er in totaal 5 improvisaties van Tournemire bewaard gebleven. Volgens Doyen klonken die transcripties verbluffend echt, alsof je Tournemire zelf hoorde spelen in de St. Clothilde. Hier hoor je hoe zo’n transcriptie, in dit geval van zijn improvisatie over het “Te Deum” klinkt. Het wordt gespeeld op het orgel van de Notre Dame van Parijs door Jim Metzler in 2004.

Hierna nog een transcriptie gemaakt door ook weer Duruflé van een improvisatie van Tournemire over “Victimae Paschali Laudes”,  gespeeld door Olivier Penin in 2019, op het orgel van de St. Clotilde. Penin is de huidige titulair organist in deze kerk en is dus feitelijk een van de opvolgers van zowel César Franck als van Tournemire. Wat een organist! Hij speelt alles vol gevoel helemaal uit het hoofd. Alsof hijzelf improviseert..

Ook het stuk “Cortège” van Louis  Vierne is feitelijk een door Duruflé uitgeschreven improvisatie. Het gaat dan niet om het gelijknamige stuk “Cortège” dat Vierne schreef als een van de 24 korte stukken voor orgel, maar om de In 1928 gemaakte improvisatie die naderhand dezelfde naam kreeg. Hier een live-opname vanuit de Notre-Dame waarbij Louis Vierne dus improviseert! Alhoewel, improviseert? Het klinkt erg gecomponeerd, alsof hij al iets in zijn hoofd had en dat gewoon speelt, heel gestructureerd. Maar toch: je hoort Vierne zelf spelen, in een opname die bijna 100 jaar geleden is gemaakt!

Het leven, de denkbeelden maar vooral ook de muziek van deze drie componisten geeft een mooi tijdsbeeld van een deel van het muziekleven in Parijs in die tijd. Deze mensen zijn nog steeds in de organistenwereld belangrijke inspiratoren. Ik heb vroeger als bas meegezongen bij enkele uitvoeringen van het Requiem van Duruflé. Mijn vrouw gaat binnenkort als alt hetzelfde stuk zingen. Ik vond het indertijd een geweldige ervaring. En sinds ik meer thuis ben in orgelmuziek heb ik ook Tournemire en Louis Vierne leren kennen en waarderen. Om van de muziek van Bach te kunnen houden hoef je niet persé religieus te zijn. Maar als je meer weet van zijn inspiratiebron helpt dat wel! Zo is dat ook met de muziek van de drie vrienden Tournemire, Vierne en Duruflé.

Geplaatst in Geschiedenis, muziek | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Henry Doyen en Louis Vierne

Inleiding

Hoe moet je improviseren
De houding van Vierne t.o.v. tijdgenoten en voorgangers en zijn mening over het compositie onderwijs
.
De Amerikaanse reis van Vierne
Opgegeven orgel-literatuur door Louis Vierne
Het Adagio uit de derde orgelsymfonie
Luisteren naar Live muziek
De muzikale smaak van Vierne en “Carillon de Westminster”
Het leven op het seminarie
Henry Doyen als voorzitter van de kring van Theologen
Lezing van Louis Vierne voor de kring van theologen

Henry Doyen schreef een boek waarin vooral ook zijn orgel- en compositiedocent Louis Vierne een grote rol speelde: “Mes leçons d’orgue avec Louis Vierne – Souvenirs et témoignages.”

Ik schreef er al eerder over. Doyen was behalve priester ook organist en componist, maar zijn muzikale nalatenschap is niet erg indrukwekkend, ik vond bijv.  variaties op een “Noël Ancien”, geschreven voor zijn eigen orgelleerlingen. Het gaat dan uiteraard om een relatief simpel stuk, maar ik vind het vooral erg braaf gecomponeerd. Over hem als componist kan ik daardoor niet echt oordelen. Maar zijn beschrijving van wat hij verder allemaal ziet en hoort, vooral ook de vele dingen die gaan over zijn eigen leermeester, Louis Vierne, vind ik erg boeiend. Over Louis Vierne is op internet niet heel erg veel te vinden, dat kun je terug vinden in de stukjes die ik eerder schreef (zie aan het einde van dit artikel). Mijn eigen inbreng is dat ik een aantal van zijn muziekstukken heb beluisterd, in een context heb geplaatst, heb geanalyseerd en van eigen commentaar heb voorzien. Maar ik blijf nieuwsgierig naar meer aspecten van de “mens Louis Vierne.” Voor mij is hij een van de meest interessante componisten van de toch al zo rijke eerste helft van de twintigste eeuw. Ik heb het Franstalige boek van Henry Doyen nog lang niet uit, maar na een aantal stukjes vertaald en gelezen te hebben begint hij al weer wat meer voor me te leven. Ook over zijn tijd lees je aardige dingen, over het leven van Henry Doyen aan het seminarie bijvoorbeeld. Onderstaande stukjes zijn gedestilleerd uit een aantal delen van dat boek. Zoals Henry Doyen geen systematische aanpak heeft, zo heb ik dat in dit artikel ook niet. Ik heb het een en ander bij elkaar gegrabbeld, vertaald en af en toe wat weggelaten of aangepast. De “ik-persoon” van al deze stukjes is Henry Doyen.

Terug naar boven

Hoe moet je improviseren

Ik zat nog op het seminarie van de paters Karmelieten toen ik ook les had van Vierne, Mijn eerste stukje beschrijft een anecdote tijdens zo’n orgelles. Ik vond het erg moeilijk om op het orgel te improviseren.
– ‘Hoe moet ik beginnen?’
– ‘Ken je de fabel van de kleine beer?’ vroeg Louis Vierne?
– ‘Nee, antwoordde Henri Doyen.
– “Om te lopen,” vroeg de kleine beer aan zijn moeder, “moet ik dan eerst mijn rechterpoot naar voren zetten?” of mijn linker? of mijn beide voorpoten tegelijkertijd? Of de twee achterpoten? of alle vier tegelijk?… En op welke manier?”
– “Om te lopen?” antwoordde de moederbeer: “stop met denken… en loop!”

En omdat het de meester niet aan humor ontbrak, was het op die dag dat we, de laatste subtiliteiten van het contrapunt achterwege latend, moedig begonnen met de studie van… de Fuga!

Terug naar boven

De houding van Vierne t.o.v. tijdgenoten en voorgangers en zijn mening over het compositie onderwijs.

Vierne schreef me een brief in 1924 en ik schrok vooral door zijn strenge beoordeling van César Franck, de meester van… mijn meester, dus een beetje van “onze” geestelijke familie voor ons beiden! Op 9 augustus schreef hij:
-‘Het genie van Franck manifesteerde zich al vanaf het begin, zoals dat van Berlioz en Wagner, in een tijd waarin hun smaak nog niet gevormd was. De Pastorale straalt fantasie uit, de Prière een mooie melodische continuïteit. Minder sterk is het Grote Symfonische Stuk. Franck vervangt daar vaak decoratieve elementen door lyrische vormen en bewegingen waartoe zijn instinct hem onvermijdelijk leidt; maar: daardoor kan zijn gevoelige houding eerder een tekortkoming worden. Deze affectieve neiging leidt ertoe dat in de Finale in Bes de oproep van het begin (pedaal) verzwakt wordt door de rondheid van de melodie, die niet overeenkomt met de krachtige oratorische toets van het thema. Gelukkig eindigt alles met een overvloed aan modulaties en een geniale coda in de vorm van een stretto, de ziel gaat op in een roes, verblind door licht.’

Ik schreef zelf ook composities die Vierne dan beoordeelde. Zo zei hij eens:
– ‘Zeker, uw Angelus is redelijk vaardig geschreven. De harmonische dispositie zou choquerend zijn geweest als je het had overdreven door het schrijven van modieuze trucjes. Zoals het beroemde “gemeten triootje” van d’Indy en zijn school, of de “nonen” van Debussy en andere soortgelijke harmonische recepten. Een compositie mag nooit berusten op de techniek: het gaat om het muzikale en expressieve idee. Daarom is Verdi bijvoorbeeld groot en helemaal niet “middelmatig”, zoals Jean Huré mij heeft geschreven, die zich vergist. Ik bewonder de Tristan van Wagner omdat de componist een nieuwe formule op transcendente muzikale ideeën (melodie, ritme, harmonie, ontwikkeling)  toepast. “Tristan” is bijna Italiaanse muziek, behandeld door een Duitse schrijver van symfonische muziek, met de passie en kleur van een Fransman. Wat een muzikaal genie! Laten we samenvatten: ik waarschuw u tegen “akkoord voor akkoord componeren” en het maken van “schoolmatige verbindingen”, hoe verfijnd ook: het melodische idee, de samenhang met het gesproken woord, de basis vanuit het thema, de zuiverheid van expressie, dat zijn de essentiële zaken, de rest is niet meer dan saus!… Schrijf veel, maar lees, lees, lees nóg meer!….’

Terug naar boven

De Amerikaanse reis van Vierne

Terug naar boven

Opgegeven orgel-literatuur door Louis Vierne

Voor mij was het een vreugde om mijn werk met enthousiasme te kunnen hervatten na zo’n lange onderbreking in militaire dienst. Zeer verstandig liet de meester me alles wat we tot dan toe hadden behandeld  snel herhalen. Misschien zou een van mijn jonge lezers graag willen weten welke volgorde we hebben gevolgd in de eerste vier jaar van de lessen: hier is hij, voor zover als ik het me het kan herinneren: 

1. van Jean-Sébastien BACH ( de basis van alle muzikale studies), zei Vierne: de grote  Partita  (van Peters V), Präludium en Fuga in c mineur; Präludium en Fuga in e mineur (Peters III); Präludium en Fuga in A majeur; de Canzona; de kleine Fuga,  Wiegenlied  in g mineur (g, d, b flat, a, g…); Präludium en Fuga (van Pasen) in C majeur; Fantasie in G majeur; de ultieme Fuga in C majeur. Präludium en Fuga in a mineur; talrijke koralen waaronder het koraal 5 “ Christus lag in Todesbanden” , het koraal 45 ”O mensch, beweine deie Sünde”; het grote koraal  “Credo” (nr. 60); het koraal “ In U is de Vreugde”, enzovoorts; de Toccata, de zogenaamde “dorische”, de Toccata en Fuga in d mineur; het Präludium en Fuga in Es majeur, de zogenaamde “Drie-eenheid”; Präludium en Fuga in D majeur… 

2. van César FRANCK: het Cantabile; Präludium, Fuga en Variaties  (in b mineur); Prière en de Pastorale… 

3. van Charles-Marie WIDOR: het Andante-cantabile van de IVe Symfonie en het begin van het Allegro van de VIe (g mineur)… (onderbroken door de militaire dienst). 

4. van Louis VIERNE zelf: 

– de volledige Mis: Präludium; Introïtus; Offertorium; Sgnus Dei; Communio en Afsluiting (in de vorm van Toccata); 

– de 24 stukken in vrije stijl, in deze volgorde: Droom (e mineur); Klaaglied (c mineur); Meditatie (Es majeur); Epitafium (cis mineur); Präludium (C majeur); Melancholische Idylle (Es mineur); Processie (c mineur); Madrigaal (e majeur); Canzona (a mineur); Präludium (D majeur) en Canon (d mineur) geleerd in dezelfde tijd; Lied (A b majeur); Arabesque (g majeur); Wiegenlied (A majeur); Pastorale (a mineur); Legende (Fis majeur); Carillon (B b majeur); Scherzetto (Fis mineur); Choral (g mineur); Begrafenismars (gis mineur); Epithalame (B majeur); Elegie (Bes mineur); Postludium (b mineur); Vermaak (F majeur).

Sommigen zullen misschien deze volgorde eerder fantasierijk dan logisch vinden? Dat is omdat Vierne terecht dacht dat de gemakkelijkste stukken voor de techniek dat niet altijd ook voor de interpretatie zijn.

Terug naar boven

Het Adagio uit de derde orgelsymfonie

Op mijn verzoek stemde de meester toe dat ik de Finale van zijn Eerste Symphony en vooral het bewonderenswaardige “Adagio” van de Derde (op. 28) (opgedragen aan Marcel Dupré) mocht studeren. Dit laatste stuk is ongetwijfeld een van de mooiste en diepgaandste werken van Louis Vierne, waarin de ellende, het pijnlijke leven van de auteur, het drama van een ziel die gevangen zit in een vijandige wereld in een vernederd lichaam tot uiting komt. De meester was me duidelijk dankbaar dat ik dit “Adagio” met heel mijn hart speelde. Met een zachte melancholie wilde hij me discreet uitleggen om niet alleen de gevoelens die werden uitgedrukt te laten horen (het was niet nodig om daar lang bij stil te staan: overal in dit stuk manifesteert zich die doordringende gevoeligheid die de thema’s en hun ontwikkeling een expressief, ontroerend karakter geven…), maar vooral ook de muzikale opbouw van het Adagio te laten horen. Hij zweeg over de omstandigheden waaronder hij het werk had gecomponeerd: het volstond me te laten weten dat het in 1912 was gecomponeerd; de rest kon ik wel raden… Twee thema’s, beide in cis-mineur. Het eerste, pijnlijk en diep, heeft een religieuze structuur (fis, ais, b, gis…). Na een antwoord, met een rust op de dominant, bevat het een tweede zin die eindigt in cis-mineur. Het tweede, toevertrouwd aan de sopraan, vervolgens aan de bas, bevat een brede en meer ontwikkelde, meer tumultueuze zin, maar niet minder pijnlijk (fis, gis, fis, a, gis, e, fis, gis…). Dit tweede thema wordt eerst uitgebreid in gis-majeur en dan in bes-majeur; het eerste fragment van deze uitbreiding wordt op zijn beurt ontwikkeld en herinnert plotseling aan het liturgische Gregoriaanse thema van  “Lauda Sion” (gis, a, gis, c, b, a, gis). Het eerste thema wordt vervolgens herhaald, met enkele variaties in de modulaties; wat de coda betreft, die is gebouwd op het eerste fragment van het eerste thema (verlaagd en in majeur), in de oorspronkelijke ritmiek; het drukt de overgave en het totale vertrouwen van een vredelievende ziel uit, waarbij het laatste fragment (b, d#, e, c#, b) drie keer wordt herhaald. (Noot Pieter Simons: Ik ben van plan om over dit adagio nog een uitvoerig stukje te schrijven. Maar nu terug naar Henry Doyen:)

Intussen groeide ik langzaam toe naar het priesterschap, in de unieke sfeer van het Seminarie van de Karmelieten waar er, zoals ik al zei, dankzij Pater Verdier en zijn directe medewerkers (de Paters Pressoir, Chéné, Emile Osty, Touzard (de auteur van de Hebreeuwse grammatica, de toekomstige pastoor van Ménilmontant), abt Drioton (al een bekende egyptoloog en zo geestelijk en sympathiek), een wonderlijke familiale geest heerste die ons deed vergeten dat we omringd waren door oude muren: er was een zachte warmte die in harmonie was met wat er intellectueel op ons afkwam, ons zo royaal aangeboden door de verschillende faculteiten van het katholieke instituut.

Terug naar boven

Luisteren naar Live muziek

De muziek, en vooral het bespelen van het orgel, was behoorlijk vermoeiend. Het vergde in elk geval veel discipline en Louis Vierne moedigde me niet alleen aan maar was ook veeleisend. Maar het had bij mij een waardevolle balans tot gevolg en ik hoefde me niet meer die gewetensvragen te stellen die me even hadden gekweld bij het verlaten van Conflans…  En het bracht me meer. Het was te danken aan Pater Verdier (en, wanneer hij het zelf niet kon, aan Pater Chéné) dat ik heel veel muziek kon beluisteren. De “Vijfde”, de “Zesde” en de “Negende” van Beethoven, evenals zijn “Mis in D”; het “Requiem” van Berlioz; de “H-moll Messe”, van J.S. Bach, werk van Mozart, Fauré en Rabaud, en ik zal er altijd dankbaar voor zijn hoeveel Pater Verdier heeft bijgedragen aan mijn muzikale vorming door me mee te nemen naar Concerten in Keulen, Lamoureux, of op het Conservatorium…

Terug naar boven

De muzikale smaak van Vierne en “Carillon de Westminster”

Wat was nu de muzikale smaak van Vierne? Hij had een klassieke geest, maar tegelijk was er sprake van een vleugje romantiek. Hij hield meer van delicate, zachte, melancholische werken en speciaal van de helderdere en warmere delen die beter aansloten bij zijn temperament, zonder daarbij af te dingen op wat hij “het effect van massa” noemde, zoals de geluidmassa’s van het orkest, of van een groot koor. Elk jaar vestigde hij onze aandacht op de sluitingsceremonie van de “Eeuwigdurende Aanbidding”, in de Notre-Dame, omdat alleen mannen werden toegelaten tot deze imposante en prachtige “fakkelprocessie” die de mooiste vieringen in Lourdes opriep: Hij hield van deze vurige en mannelijke manifestatie van ons geloof in de aanwezigheid van de Hostie en wie zou dit ooit kunnen vergeten als hij het had meegemaakt: duizenden en duizenden diepe en sonore stemmen die de “Zoon van David” aanprezen en zijn koninkrijk proclameerden… Ik spreek hier over de jaren 1915-1930. Louis Vierne hield van deze afsluitceremonie en vroeg vaak om de “slang van lichtjes” te laten beschrijven die door de schepen van de kathedraal, gehuld in de nacht, zwenkte. Terwijl een praatgrage vaste gast zich eens enthousiasmeerde over dit “lichtsprookje”, fluisterde een andere bekende van de tribune in zijn oor: “Maar u vergeet dat u met een blinde praat!” De meester, die niet doof was, riep: “Laat maar, ik houd ervan dat men me beschrijft wat er beneden gebeurt.”

Als afsluiting van een van die ceremonies (was het een avond in december 1927?) gaf Louis Vierne in de Notre-Dame de eerste uitvoering van zijn beroemde “Carillon de Westminster”, een stuk dat net zo beroemd zou worden als het stuk van “Longpont”. Het is een van de weinige keren dat ik heb gezien dat de geestelijkheid en de gelovigen niet gelijk na de dienst naar de uitgang liepen: iedereen, tot grote frustratie van de koster en de sacristijnen “die zoiets nog nooit hadden gezien”, wachtte rustig het einde af en velen gaven een kleine ovatie voor de meester toen hij van het orgelkoor af maar beneden kwam.

Terug naar boven

 Het leven op het seminarie

In het seminarie van de Karmelieten, net zoals in alle seminaries, waren er “diensten” (= een “dienst” is geen karwei, zeggen de scouts) en die zijn er waarschijnlijk nog steeds? Een seminarist is verantwoordelijk voor het afhandelen van de post, een andere voor de sacristie, weer een andere voor het refectorium… Het is een teken van vertrouwen van de leiding voor degene aan wie men deze eer toevertrouwt, die soms een last kan worden, maar die iedereen met vreugde (en trots?) vervult…

Wat mij betreft, kreeg ik tijdens mijn laatste drie jaren in het seminarie een aantal van deze “taken” of “diensten” toevertrouwd, en in het laatste jaar had ik er vier of vijf! Wilde men me een beetje uit de theologische overpeinzingen of liever uit “mijn muziek” halen? Ik dacht dit later: op dat moment moest ik me wel bezighouden met praktische zaken en dat kon alleen maar een grote dienst voor mezelf zijn: het dagelijkse leven bestaat uit talloze details!

Sommige functies (zoals die van “refectorius”) vereisten een zekere… handigheid en heel wat vriendelijke autoriteit om geaccepteerd te worden door een bijeenkomst waar alle naties van de wereld samenkwamen, aangezien we ook buitenlandse medebroeders hadden die uit alle hoeken van de wereld kwamen! Vader Verdier had in dit opzicht (geniale vondst) de “refectorius”, een belangrijke persoon in de maison, de zorg toevertrouwd om elk kwartaal de “wand groepen” op te stellen, groepen van drie of vier onder leiding van een “groepsleider” die verantwoordelijk was: op de uitgaansdagen gingen we waar we maar wilden en er was geen controle georganiseerd, aangezien, zoals ik al zei, de geest van de maison samengevat kon worden in die drie woorden van Vader Verdier: “Vertrouwen, Geweten, Noblesse”…

Iedereen moest voor het einde van de middag terug zijn, maar je kunt je voorstellen dat sommigen, verzadigd van lessen of conferenties, verlangden om lange wandelingen te maken in de buitenlucht, zo ver mogelijk van Parijs, terwijl anderen, rustiger of minder sportief, zich vooral in de winter tevredenstelden met een klein museumbezoek… niet te ver weg…

De “refectorius” moest al deze zaken conciliëren door zijn lijsten op te stellen, maar hij moest ook zorgen dat de groepen echt verschillend waren (Vader Verdier hechtte veel belang aan het feit dat we elkaar zo goed mogelijk leerden kennen) voordat hij ze telkens ter goedkeuring aan de Overste presenteerde.

Ik heb veel geleerd tijdens het uitoefenen van deze delicate functie gedurende drie jaar, die geleidelijk tot stand kwam terwijl ik probeerde iedereen te plezieren, voor zover mogelijk. Het is een van de meest waardevolle dingen geweest die ik heb geleerd tijdens mijn priesterlijke vormingsjaren…

Een van de belangrijkste zorgen van de Overste was ook dat alle leerlingen van het Seminarie van het Katholieke Instituut later, in het priesterschap, in staat zouden zijn om publiekelijk op een aangename en effectieve manier te spreken, zich “te laten horen” in alle betekenissen van het woord. Daartoe was er in het Seminarie, in de zaal der Handelingen, elke maandag van 18.30 tot 19.30 een “preekavond” waar iedereen, om de beurt, op de stoel van de beschuldigde moest zitten voor het liefdadige maar genadeloze Areopagus van zijn medebroeders.

Twintig minuten lang moest men zijn “preek” geven of, voor de jongsten, hun “toespraak”; er was vervolgens een onmiddellijke kritiek door een medebroeder die op het laatste moment was aangewezen, daarna door een directeur van het seminarie, en tenslotte door Vader Verdier zelf die, indien nodig, te strenge of te absolute kritiek corrigeerde, verzachtte en vervolgens altijd op meesterlijke wijze, vol finesse en met voorzichtigheid, soms ook met vastberadenheid, helderheid en precisie zelf commentaar gaf. Hij voelde goed aan hoezeer deze oefeningen, hoe leerzaam ook, voor sommigen een ware opgave bleven.

Terug naar boven

Henry Doyen als voorzitter van de kring van Theologen

Om ervoor te zorgen dat iedereen zich met meer vertrouwen en gemak kon uiten, had de Superior twee Kringen ingesteld in het Seminarie: die van de “Filosofen” en die van de “Theologen”: daar kon men vrijuit praten met confraters van dezelfde leeftijd en cultuur, onder de enige verantwoordelijkheid van de “Voorzitter” van de Kring. Wijs en als een voorzichtig man, reserveerde de Vader Verdier zich elk jaar het recht om de Voorzitter van de “Filosofen” (de jongsten van het Seminarie; de cursussen duurden drie jaar aan de Faculteit der Filosofie) te kiezen, maar hij liet het aan de heren Theologen (wiens studies vier jaar duurden) om zelf de confrater te kiezen die zij geschikt achtten om de groep te leiden. Elk jaar werden er dus verkiezingen gehouden.

Zo had ik achtereenvolgens gezien dat de Heren André Jacquemin (momenteel bisschop van Bayeux), André Fougerat (bisschop van Grenoble) en toen ik in de theologie kwam (oktober 1926), Charles de Provenchères (nu aartsbisschop van Aix) tot voorzitter werden gekozen. In 1927-1928 was het M. Pierre Baron die werd gekozen. De toekomstige Superior van het Collège Stanislas in Nice, die een vrolijke confrater vol ondeugendheid en humor was, kunstschilder en dichter in zijn vrije tijd, geestig als geen ander, gaf ons destijds al het gevoel dat hij echt “een vernieuwer” was… Natuurlijk bleven de onderwerpen die werden aangesneden zeer serieus (ik herinner me dat zijn grootste bezorgdheid de eenheid der Kerken was), maar alles werd luchtig, ontspannen en weinig celebraal gedaan. In juni 1928 moest hij worden opgevolgd. Het was toen dat hij het originele en volkomen onverwachte idee kreeg, “echte verkiezingen” te houden voorafgegaan door een ” verkiezingscampagne”!

Ik heb altijd van dit soort grappen gehouden en zoals ik van tijd tot tijd meester Louis Vierne de laatste kleine (of grote) nieuwtjes uit het Seminarie vertelde (hij vond dat geweldig), zei ik op een mooie dag: “Ik heb zin om me als communistische kandidaat te presenteren”!
“Tuurlijk,” antwoordde hij, spottend, “de groet is links” (!)
Ik spaarde de lezer alle details van deze pittoreske “campagne” waarin ik de kampioen en de woordvoerder was van alle “arbeiders” van het huis (tuinmannen en schilders of vrijwillige schoonmakers, misdienaars, enz.). Was ik zelf niet tegelijkertijd organist, maar ook postbode, refectorier, maître d’hôtel, ambtenaar van het arbeidsbureau, enz.?

De grote dag kwam. Ik had hier en daar affiches of slogans opgehangen die ik grappig vond, niet meer dan dat. Natuurlijk beloofde ik, als elke respectabele kandidaat, bergen en wonderen met flink wat overdrijving omdat ik absoluut zeker was dat ik toch niet gekozen zou worden!

Ik werd gekozen… met een indrukwekkende meerderheid!

Ik was nogal van mijn stuk gebracht. Ik stelde me gerust door te denken dat Pater Verdier vast zou eisen dat er nieuwe, meer “serieuze” verkiezingen zouden worden gehouden… Heel oprecht, voelde ik me niet in staat deze verantwoordelijkheid op me te nemen. Ik was dan ook verbluft toen de Superior me liet roepen en de stemming met zijn autoriteit bevestigde door me te verzekeren dat aangezien mijn confraters vertrouwen in mij hadden, hij niet zag waarom hij, evenals de Heren Directeuren, dat vertrouwen ook niet in mij zou betonen? – “Je hebt de hele vakantie om na te denken over je thema van het jaar: probeer te voldoen aan de verwachtingen van je confraters en laat met je glimlach een beetje meer samenhang ontstaan bij sommigen die erg intellectueel zijn en zich te veel op zichzelf terugtrekken; laat ze praten in je vergaderingen. Als je, net als je voorgangers, externe persoonlijkheden uitnodigt voor gesprekken of lezingen, vergeet dan niet me daar van tevoren over te informeren…”

En ik verliet het kantoor, behoorlijk bezorgd. Natuurlijk was de eerste externe spreker die ik wilde vragen voor een bijzondere lezing Louis Vierne, die dat onmiddellijk met veel plezier accepteerde. Ik was al een beetje gerustgesteld.

Tot mijn grote verbazing, want ik verwachtte oprecht niet deze duidelijke blijk van sympathie, werd ik na een jaar herkozen, wat Louis Vierne amuseerde, die zonder aarzelen alle bijzonderheden rond de stemming wilde horen. “Zo kan ik eindelijk de belofte houden die ik je een jaar geleden heb gedaan,” zei de meester, zich opnieuw excuserend dat hij niet bij de vergaderingen kon zijn. Het is namelijk zo dat de vergaderingen van de Kring slechts om de zondag  één keer konden plaatsvinden, ’s ochtends, vrij vroeg (8.15) vóór de grote mis in Notre-Dame, of, als het een externe spreker betrof, op woensdag na de wandeling, rond 18.30. Deze uren waren niet echt gunstig voor de meester, wiens hart jaar na jaar fragieler werd. Desondanks nam hij er notitie van en had hij al verschillende keren interessante gesprekken gehad met pater Sanson van het Oratorium, die toen predikant van de Notre-Dame was en die Vierne met enthousiasme had gehoord tijdens een lezing van de beroemde religieuze: “van de ongerustheid van een Chopin naar de sereniteit van een César Franck”. Aan de andere kant, toen ik dat jaar weer op mijn orgelles kwam, zag ik op de muziekstandaard van de meester een manuscript staan met de titel “Les Angélus”, voor zang en orgel op gedichten van Jehan le Povre Moyne…: wat me heel nieuwsgierig maakte. Was het voor zijn “lezing”? Zou Vierne nu dan eindelijk een lezing willen houden voor de kring?

Terug naar boven

Lezing van Louis Vierne voor de kring van theologen

« Welke titel denk je te geven aan je lezing? » had ik, een beetje verlegen, aan Louis Vierne gevraagd om het tijdig aan te kunnen kondigen en vooral deze titel aan Pater Pressoir (de nieuwe Overste van de Karmelieten) door te geven. Deze laatste, net als zijn voorganger, wilde altijd van tevoren de namen en titels van de “erxterne” sprekers die door de Kring van Theologen waren uitgenodigd, kennen, evenals het thema van hun lezing; dat was, dat zullen we toegeven, volkomen normaal…
– « Je weet goed dat de titel altijd het laatste is wat je vindt en meestal pas als je je werk hebt afgerond, » antwoordde de Meester met een glimlach. Toen hij zag dat ik nogal verward was, voegde hij eraan toe:
– « Bovendien zal het geen lezing zijn, maar een simpel gesprek: ik voel helemaal niet de behoefte om te preken voor zo’n geleerd gezelschap »
Deze licht ironische woorden werden met een bepaalde toon uitgesproken… Ik was overigens helemaal niet bezorgd. Bernard Gavoty heeft eens terecht opgemerkt hoe Vierne de gaven bezat buitengewoon inspirerend over te komen « Opgeleid in alle takken van menselijke kennis, was Vierne, wanneer hij zich in zijn element voelde, in staat om het podium een uur lang in zijn eentje te bespelen zonder daarin te verzwakken. Het was een genot om hem te horen praten; hij had een vlotte spreekstijl, heldere gedachten en de juiste woorden. Op sommige dagen bereikte hij een zodanige virtuositeit dat je je kon afvragen of het niet om een tekst ging die hij uit zijn hoofd had geleerd, zo perfect was de cadans van zijn spraak. Hij sprak eindeloos, gebruikmakend van een rijke maar precieze woordenschat: het juiste beeld, de scherpe opmerking en nooit met van die slordigheden die zo vaak voorkomen bij belezen mensen. Het was niet dat hij zich niet had voorbereid; bij hem was deze verbale luxe spontaan: een prachtige cultuur, een onvermoeibare nieuwsgierigheid prikkelden hem daartoe, evenals een zekere elegantie om de Franse taal te laten klinken, puur voor het plezier, zoals alleen een kunstenaar dat kan waarderen. We luisterden met open mond.
 De lezing van Louis Vierne had de volgende titel :
— « Hoe interpreteer ik mijn rol als organist van het grote orgel, en wat verwacht ik, als lekenorganist, van mijn geestelijkheid?  “
Meerdere keren had de Meester zijn ideeën hierover met mij gedeeld en zijn (volledig persoonlijke) mening was me vertrouwd en dierbaar geworden voor de toekomstige priester-organist die ik was. Echter, om de gedachte van Louis Vierne goed te begrijpen, moet men altijd de fysieke en morele beproevingen in gedachten houden die hij op zijn pad tegenkwam, gedurende zijn hele leven… Hij was misschien, meer dan anderen, voorbereid om het dogma “bewonderenswaardig” van de Communie der Heiligen te begrijpen, te aanvaarden en  lief te hebben: ‘Mijn hart, het is een grote begraafplaats’, had hij op een avond van ontmoediging geschreven maar heel snel had zijn geloof in God, in de Voorzienigheid, en uiteindelijk zijn vertrouwen in betere dagen de overhand gekregen. Zo sprak hij die avond over “de grote orgels als de gevoelige verklankers van het verhaal van de onzichtbare Kerken”. Moeten we niet de geest van de kathedraalbouwers  benaderen, die immers, precies bij de poort en op de grote roosvenster van de avond (dat wil zeggen bijna overal in Frankrijk en in ieder geval bij Notre-Dame, op de plaats van de orgeltribune) de symbolische, realistische of gestileerde voorstelling van de triomferende of lijdende Kerken plaatsten? Voor Vierne werd het hoofdorgel zo dan de ene keer de Kerk van de Hemel, en dan weer de vergadering van de Heiligen uit het Vagevuur, die in een mystieke, nobele, grandioze en altijd ontroerende dialoog antwoord gaven aan de strijdende Kerk die zich in het koor of het schip van de kathedraal bevond. Er waren veel “intellectuelen”, bij de toehoorders. Toch kwam niemand op het idee om dit een te romantische of een te absurde gedachte te vinden: velen onder ons zagen er eerder een soort symboliek à la Claudel in… Dat kwam denk ik ook omdat Louis Vierne accenten wist te leggen die zowel onze geest als ons hart wisten te raken…
En dan de tweede vraag:
— « Wat verwacht de organist van zijn geestelijkheid »? Hier nam de humor van de meester, zoals gewoonlijk, snel de overhand. Aangezien hij veel had gereisd, kon hij het zich veroorloven om geestige anekdotes te vertellen. Hij zorgde ervoor om niet veel te zeggen over de Notre-Dame zelf, waar de organist (zoals het geval is in grote kerken) met verschillende autoriteiten te maken heeft: met de Kardinaal-Aartsbisschop (toen was dat Kardinaal Dubois, een onderscheiden prelaat die van mooie ceremonies hield, een liturgische geest had en het spel van de Meester wist te waarderen: had hij hem niet voor Pasen 1924 de kruis van Ridder van Sint Gregorius de Grote laten verkrijgen), maar ook met het Kapittel, dat zeer gehecht was aan tradities, met de Vicaris-generaal en zijn Vicarissen, en tenslotte met de Kapelmeester die, helaas! toen nog geen directeur van de Maîtrise was! Het zou echter gemakkelijk voor Vierne zijn geweest om ons de moeilijkheden te vertellen die hij bij Notre-Dame had ondervonden vanaf het begin van zijn carriëre: hij deed dat niet uit beleefdheid, hij volstond met ons te wensen niet tegelijkertijd van verschillende parallelle autoriteiten afhankelijk te zijn, uit angst de één te behagen terwijl de ander ontevreden is… Een andere, eveneens korte toespeling die alleen door ingewijden kon worden begrepen… (dat wil zeggen, alleen door mij in dit geval) had het grote en oprechte verdriet van de Meester benadrukt dat hij de Benedictijnen van Solesmes niet had kunnen beluisteren, over wie zijn oude vriend, Charles Tournemire, zo vaak en met zoveel enthousiasme sprak! Er is geen twijfel dat dit (gemiste) bezoek gevolgd zou zijn door veel andere bezoeken en wie weet of Louis Vierne in de laatste tien jaren van zijn leven niet op een andere manier had geïmproviseerd of zelfs een werk had geschreven over een van de gregoriaanse melodieën die hij misschien op een minder oppervlakkige manier had gehoord en begrepen, als hij ook de kans had gekregen om vertrouwdheid met Solesmes te ontwikkelen? Wat was er namelijk gebeurd, kort nog voor de lezing van Vierne?  Louis Vierne was ontvangen bij goede vrienden die hij in de Sarthe had… Het was toen vakantie: het weer was prachtig, dus erg warm. De gelegenheid deed zich voor om naar Sablé en Solesmes te gaan om de monniken te horen; men had geregeld om daar aan te komen op het moment van de Vespers van deze zomerse zondag. Er was toen in de Abdij een portier met nogal grove manieren: zo had hij me op een dag, toen ik bij hem een rozenkrans kocht en vroeg of deze stevig was (ik wilde geen prullaria zoals je die op pelgrimsoorden vindt), met een nors accent geantwoord: “Ik weet het niet; ik heb mijn krachten er niet op uitgeprobeerd!…”  — Ik had glimlachend betaald… Helaas was hij de dienstdoende persoon toen Louis Vierne zich aanbood om bij de vespers te zijn. Aangezien Vierne blind was, werd hij aan de arm geleid: een dienst die altijd als een eer werd beschouwd door de jonge meisjes, zijn jonge leerlingen. Het was dus het meisje van het huis dat hem leidde, “Mademoiselle, u kunt niet naar binnen!” — “Maar waarom dan niet?” — “U heeft blote armen, dat is niet gepast” (het meisje had inderdaad korte mouwen). — “Maar ik leid Louis Vierne, de organist van de Notre-Dame van Parijs!” — “Ken ik niet!”. Zeer gekwetst door deze weinig hoffelijke ontvangst, trok de Meester zich terug, zeer teleurgesteld… Ik weet dat de Abt van Solesmes, dom Cozien, erg boos was toen hij later van het voorval vernam, maar verloren kansen komen nooit terug… en in dit geval was dat inderdaad definitief.
‘Wat verwacht ik, als lekenorganist, van mijn geestelijkheid?’, vervolgde Vierne, zich tot ons richtend, ‘dat ze gastvrij en goed zijn, dat ze de tijd nemen om zich een beetje om mij te bekommeren, dat ze me de liturgie uitleggen en de rol die ik daarin moet spelen, dat alles in plaats van zich slechts te beperken tot het regelen van mijn honorarium, ik wil me niet tot een administrator wenden, hoe toegewijd en welwillend ook, dat wil zeggen tot een “pastoor” die vooral bezorgd is om de goede gang van zaken in zijn kerk; wat ik eerst en vooral verwacht, is om met een “priester” te maken te hebben…’

Precies, Louis Vierne had het geluk er een te vinden in de persoon van de abt Renault die ook kapelmeester van de Notre-Dame was geweest van 1905 tot 1926. Dit is hoe hij over hem spreekt in zijn Memoires: “Een curieuze en sympathieke figuur is deze abt die alle snaarinstrumenten bespeelde, de muziek met passie liefhad en al zijn vrije tijd aan de muziek wijdde. Deze goede abt was vol enthousiasme, die, om de kosten van muziekuitgaven te vermijden (het budget was aanzienlijk ingekrompen na de Wet op de Verdeling), vaak ’s nachts koormateriaal of instrumentale partijen kopieerde. Soms gaf hij de dirigeerstok aan een vriend en nam hij de alt, de viool of de contrabas. Wanneer er een interessant werk in Parijs werd uitgevoerd, sprong hij op om het te gaan beluisteren en ik verzeker je dat hij een goede luisteraar was.  Hoe vaak heeft hij me niet vergezeld naar huis na een repetitie, waarbij hij onze wandeling verlevendigde met vaak onverwachte en schilderachtige opmerkingen! Degenen die hem gekend hebben en dit lezen, zullen zich dat zeker herinneren, want hij was spraakzaam en hield ervan zijn enthousiasme met zoveel mogelijk vrienden te delen. Nauwelijks was deze abt geïnstalleerd of hij droomde ervan om het koororgel, dat in vrij erbarmelijke staat verkeerde, te laten restaureren. Omdat hij niet snel genoeg de volledige middelen kon vinden die nodig waren voor deze opknapbeurt, betaalde hij een deel uit eigen zak; zo liet hij de ontbrekende registers aan het oude orgel toevoegen, waardoor het instrument op 21 registers kwam… Men ziet dat de abt zijn bescheiden middelen spendeerde aan plezier van een bijzondere aard; de rest ging naar liefdadigheid; soms verenigde hij beide door arme muzikanten hun instrument terug te geven, dat ze uit armoede hadden weggedaan.”

Vierne vervolgde zijn lezing: “de goedheid, de naastenliefde en de heiligheid zijn bescheiden. Deze abt hield van mij, en ik gaf hem zoveel mogelijk muzikaal terug. Gedurende zesendertig jaar is er nooit ook maar iets geweest die dit wederzijdse gevoel verstoorde. Op het pad van mijn leven, rijk aan allerlei hindernissen, heb ik hem altijd hetzelfde gevonden, vurig en enthousiast, genereus en optimistisch, altijd bereid om te antwoorden als hem gevraagd werd te helpen, ondersteunen, of te troosten. Deze man is werkelijk twee keer door genade geraakt, in zijn apostolische priesterschap en in zijn geloof in de missie van de Kunst.”
Ik denk dat dit citaat, waarin we Vierne in zijn geheel herkennen, de heldere en lucide geest van de Meester goed weergeeft, iemand die met zijn eigen grote hart snel ontroerd is als hij contact heeft met een nobel en intelligent iemand of met een mooie ziel.

Terug naar boven

Zie ook:

Het leven van Louis Vierne
Het Larghetto uit de vijfde orgelsymfonie van Louis Vierne
Louis Vierne in 1914
Franck en Vierne
Het Angelus
Stèle pour un enfant défunt – gedenkteken voor een overleden kind
Ludwig van Beethoven en Louis Vierne
Henry Doyen over zijn eerste lessen bij Louis Vierne
Tournemire, Vierne en Duruflé: drie muzikale vrienden

Geplaatst in Geschiedenis, muziek, pedagogiek en onderwijs | Plaats een reactie

Het Angelus

Ooit gehoord van Jehan Le Povremoyne? Ik niet. Maar sinds enkele dagen ken ik zijn naam, die aan de vergetelheid is ontrukt dankzij een muziekstuk van Louis Vierne.

Jehan Le Povremoyne  werd geboren onder de naam Ernest Eugène Coquin op 14 april 1903 in Le Havre en stierf in Le Tréport op 10 april 1970. Hij ligt begraven in Robertot, een piepklein dorpje met slechts ruim 100 inwoners. De laatste jaren van zijn leven was hij hier een door iedereen gewaardeerde burgemeester. In datzelfde dorpje bracht hij eerder een groot deel van zijn jeugd door. Zijn ouders stierven toen hij nog jong was en zo kwam hij vanuit Le Havre in Robertot terecht waar zijn grootmoeder hem opvoedde. Hij is daar uiteindelijk ook begraven, vlakbij de kerk, de kerk waarin hij zo veel heeft gebeden.

Nieuwsgierig als ik ben naar zo’n dorpje maakte ik een impressie van de omgeving van de kerk vanuit google steetview.

Weinig schrijvers zullen nauwer met hun geboortegrond verbonden zijn geweest dan hij. Hij bleef zijn Bretonse dialect trouw, ook al had hij op het kleinseminarie Grieks en Latijn geleerd. Hij maakte zijn priesterstudie overigens niet af maar ging zijn brood verdienen met schrijven: vooral journalistieke stukken in enkele kranten zoals in de in 1944 opgerichte regionale krant “Paris-Normandie” . Verder schreef hij een boek over de Vikingen in Normandië en een naturalistische roman over Le Havre in 1930 (Rose Misère). Al jong schreef hij ook gedichten. In zijn jonge jaren was hij misschien nog wel het meest productief. Hij was 28 jaar oud toen hij “Les Angelus” schreef. Een driedelig gedicht over het gebed dat op drie momenten van de dag gebeden dient te worden, een gebed ter ere van Maria waarin de engel Gabriël (Angelus) aan Maria de geboorte van een kind aankondigt. Dit Angelus, of Angelus Dei (de engel van God) werd in mijn jeugd altijd om klokslag 12 uur gebeden. Maar op veel plaatsen, ook op het platteland van Frankrijk, luidden 3 keer per dag de klokken: om 6 uur in de ochtend, om 12 uur in de middag en om 6 uur in de avond, de drie “Angelus” gebedstijden. Waar je dan ook was: iedereen legde even het werk neer. Zoals ook op dit schilderij van Millet, het Angelus, dat hangt in Musée d’Orsay in Parijs.

Bij het Angelus lees je alleen of met iedereen die bij je is de bijbeltekst over de aankondiging door de engel aan Maria van de geboorte van een zoon. Ook kun je volstaan met het bidden van enkele Weesgegroetjes. Wij kinderen waren tussen de middag thuis van school en ook mijn vader lunchte altijd thuis. Hij las uit zijn hoofd deze bijbeltekst, wij antwoordden met “amen”, mijn moeder zegende het brood en wij gingen lunchen. Het was een dagelijks en doodnormaal ritueel voor iedereen in het dorp: het bidden van het Angelus.

Jehan Le Povremoyne is overigens iemand die ook in Frankrijk vrijwel vergeten is. Hij heeft zoals gezegd een tijdlang op het seminarie in Parijs gezeten. Een van zijn medestudenten daar was Henry Doyen (1905-1988). Deze had orgelles van Louis Vierne en Louis Vierne kwam vaak op het seminarie. Zo zal het gedicht op de een of andere manier in zijn handen zijn gekomen. Hieronder een foto van Henry Doyen.

Henry Doyen schreef in “Mes leҫons d’Orgue avec Louis Vierne” dat hij de partituur van “Les Angélus” op de muzieklessenaar van Vierne had zien staan. Ook schrijft hij dat het stuk waarschijnlijk bedoeld was om uitgevoerd te worden bij een reünie van Le Cercle, een groep gelovigen in Parijs die zich met theologische vraagstukken bezig hield. Vierne was daar ook lid van. Hij was, net als Jehan Le Povremoyne, zeer vroom. Ook wilde hij misschien een lezing over het muziekstuk en de tekst “Les Angélus” geven, op het seminarie werden voortdurend sprekers uitgenodigd, zo ook Vierne. Het boek “Mes leçons d’orgue avec Louis Vierne: Souvenirs et témoignages” staat bomvol allerlei wetenswaardigheden, ook over wat Henry Doyen zoal leerde van Vierne. Hierover nog een keer meer.

Het gedicht gaat over de drie “Angelus”, die dus op drie tijden van de dag gebeden worden. Het Angelusgebed in de kerk wordt altijd voorafgegaan door het luiden van de klokken.

Au Matin

Sur ma ville endormie a sonné l’Angélus.
L’Angélus des clochers en hommage à Marie:
Vois comme fuit la nuit et comme le salut de l’Archange
est joyeux sur ma ville endormie.
Comme faon de la biche au revers des côteaux va bondir le soleil!

La maison pauvre ou riche, les arbres, les jardins seront
dorés tantôt et joueront les enfants comme faon de la biche.
Une journée apporte du bonheur ou du tourment au coeur!
Seigneur, je vous adore dans la sublimité des premieres lueurs
du jour et vous bémis une journée encore.

À midi

Au midi qui flamboie et rutile, voici
sur le bruit de cité et des foules,
la joie d’un clair soleil!
Mon Dieu, clament notre merci
les cloches d’Angélus au midi qui flamboie
au milieu de la route où pélerinons
entre l’enfance aimée et la mort qu’on redoute.

Sainte Mère de Dieu, nous nous arrêterons
pour implorer ton aide au milieu de la route.
Car la tâche est immense et lourde pour nos bras,
tes maternelles mains apaisent nos souffrances du midi
jusqu’au soir tombant, guide nos pas aux moissons
de ton Fils où la tâche est immense.

Au soir

Puisque la nuit remonte au ciel et dans nos coeurs,
puisque l’heure est venue où chacun fait le compte
de ses traveaux, de ces douleurs, de ces rancoeurs.
Nous te prions encore puisque na nuit remonte!
O Vierge, sois clémente au dernier Angélus
qui berce le sommeil de la terre en tourmente!
Qu’aux misères du jour nous ne pensions plus!
A nos péchés humains, ô vierge, sois clémente!

Dans la vie eternelle où la nuit ne vient pas emportés
par le vent que seules font les ailes
des divins Angelots nos Ave Maria te chantant
notre amour dans la vie éternelle.

We horen Ilze Grevele-Skaraine en Ilze Reine in de kathedraal van Riga. Ilze Reine speelt daar op het grote Walcker orgel.

In de ochtend

Het Angelus heeft geklonken over mijn slapende stad.
Het Angelus van de torens, in eerbetoon aan Maria:
Zie hoe de nacht weg vliegt en hoe vreugdevol
de begroeting van de aartsengel is over mijn slapende stad.
De zon zal springen, zoals reekalfjes op de heuvels springen.

Het huis, zowel dat van een arm iemand als dat van een rijk, de bomen, de tuinen,
alles zal goudkleurig zijn en de kinderen zullen spelen, net zoals het hindekalf.
Een dag brengt geluk of kwelling in een hart!
Heer, ik aanbid u in de sublimiteit van het eerste daglicht
en vraag uw zegen voor nog een dag.

Op het middaguur

In de stralende middag, boven het lawaai van steden en menigten uit,
Is er de vreugde van een heldere zon.
Mijn God, de Angelusklokken van de stralende middag
verkondigen onze dank, midden op de weg waar we pelgrimeren
tussen de kindertijd waar we van houden
en de tijd van de dood die we vrezen.

Heilige moeder van God, we zullen stilstaan
om uw hulp af te smeken midden op ons levenspad.
want de taak voor onze armen is immens en zwaar,
uw moederlijke armen verzachten ons lijden
van de middag tot de avondschemering.
Leid onze stappen naar uw Zoon, onze taak is zwaar.

In de avond

Omdat de nacht terugkeert aan de hemel en in onze harten,
omdat het uur is aangebroken waarop ieder van ons
de balans opmaakt van zijn of haar werk, verdriet en wrok,
bidden wij opnieuw tot de nacht valt.

O maagd, wees genadig voor het laatste Angelus
dat de gekwelde aarde in slaap sust.
Dat we niet meer denken aan de ellende van de dag!
O maagd, wees genadig voor onze menselijke zonden!

In het eeuwige leven, daar waar de nacht niet komt,
meegevoerd door de wind, die slechts wordt voortgebracht
door de vleugels van de Goddelijke engelen,
zingen onze Weesgegroetjes u onze liefde toe in het eeuwige leven.

Er zijn slechts enkele passages die er enigszins uitspringen. Zoals bij het slot van het eerste deel: “Seigneur, je vous adore dans la sublimité des premieres lueurs du jour et vous bémis une journée encore”.

Vierne maakt hier enkele mooie harmonische uitstapjes om aan te geven dat dit het hoogtepunt van het eerste deel is maar ook dat er iets mystieks gebeurt: luister vooral naar de woorden “la sublimité des premieres lueurs” Tegelijk horen we hoe het opeens licht is: het eerste licht van de dag. Bij het woord “jour” gaat de melodie helemaal de hoogte in. Het is ook de enige zin waar we herinnerd worden aan de schepper “Seigneur.”

De compositie werd onlangs uitgevoerd in de St. Janskerk van Gouda. Dit tijdens een concert in het teken van Maria Hemelvaart, 15 augustus. Nanette Mans zong haar partij vanuit het platform bij het hoofdorgel. Als ware zij de engel Gabriël, zo verkondigde zij vanuit de hoogte de boodschap aan Maria, en wij allen konden meeluisteren. Gerben Budding bespeelde het orgel. Het is een simpele amateuropname gemaakt met de microfoon van een mobiele telefoon vanuit de kerk.

De boeken van Jehan le Povremoyne zijn misschien nog wel ergens tweedehands te krijgen en zullen waarschijnlijk nauwelijks meer gelezen worden. Maar door de prachtige ingetogen zetting van Louis Vierne van “Les Angélus” heeft dat gedicht van hem een eeuwigheidswaarde gekregen.

Geplaatst in Geschiedenis, muziek | Tags: , , , , | Plaats een reactie

De reis van een Romeinse soldaat uit Kempten

In het jaar 15 voor Christus veroverden de Romeinen de voor-Alpen. Ze legden een belangrijke nederzetting aan: Cambodunum, het latere Kempten. We bezochten deze plaats voor de tweede keer, de eerste keer zijn we niet bij het archeologische museum geweest. In dat openluchtmuseum krijg je een idee van hoe het er was in de Romeinse tijd. Pas in de twintigste eeuw werd de omvang van die nederzetting duidelijk, er zijn op verschillende plaatsen in Kempten funderingsresten van wegen en gebouwen en allerlei gebruiksvoorwerpen gevonden. Het aardige van dat museum is dat een deel is opgenomen in de openbare ruimte van de stad zelf, je loopt er zo door heen. Maar de belangrijkste delen zijn alleen toegankelijk via een toegangskaartje. Dat kun je op twee plaatsen krijgen, bij het tempelcomplex en bij het badhuiscomplex. Die liggen best een eind uit elkaar. Wij hebben alleen het tempelcomplex bezocht.

In de tachtiger jaren van de twintigste eeuw, toen het museum werd ontwikkeld, werd besloten om een aantal van de fundamenten letterlijk de ”basis” te laten zijn van gebouwen (met name tempels), zodat we nu kunnen zien hoe deze er mogelijk hebben uitgezien. Daar ging uiteraard een studie aan vooraf. Inmiddels geven de mensen van het park eerlijk toe dat de uitwerking van “fundament tot gebouw” hier en daar niet juist is, het gebouw dat ze er hebben neergezet zag er waarschijnlijk op die plaatsen anders uit in de Romeinse tijd. Maar desondanks: juist door de gebouwen in het echt te laten zien krijg je een beetje het gevoel zelf in de Romeinse tijd te zijn. De bijbehorende uitleg is duidelijk en je leest niet overdreven veel. Je kunt dus makkelijk het een en ander tot je nemen. Ook aan blinden is gedacht. Er is braille toelichting en aan veel voorwerpen mag je voelen. Ook zijn er enkele films te zien.

Je ziet op dit kaartje uit 100 na Christus dat het Gallo-Romeinse tempelcomplex (1) slechts een van de vele plekken was waar aan religie werd gedaan. Op andere plaatsen werden waarschijnlijk vooral plaatselijke godheden vereerd, zo was er een tempel voor de Keltische Epona.

Houten votiefbeeld, gedateerd ongeveer 100 na Christus

De vleugel hoort bij de godin Victoria, de godin van de overwinning, de Haan bij Mercurius, ook de staf met twee slangen en een vleugelpaar aan de top hoort bij Mercurius, de Lier hoort bij Apollo, de helmbos bij Minerva, hoorns bij beschermende huisgoden, adelaar bij Jupiter en de tang bij Vulcanus.

Het meest interessant vond ik persoonlijk een grafsteen die gevonden is in Boedapest en waarvan een kopie staat in dit museum. (Zie hierboven.) De grafsteen is van Claudius Satto. We zien dat deze legionair uit Kempten komt. Een Romeinse naam bestond in de vroege keizertijd bij mensen met burgerrechten uit drie delen: de voornaam, de familienaam en een individuele bijnaam. De bijnaam Satto wijst op een Keltische oorsprong en we kunnen ook uit deze grafsteen afleiden dat hij of zijn vader onder Tiberius Claudius (41-54) het Romeinse burgerrecht moet hebben gekregen. Verder zien we dat hij getrouwd was met Ulpia Ursula. De naam Ursula was in het gebied van de Nederrijn algemeen. Het vermoeden bestaat dus dat Claudius Satto haar in dat gebied heeft leren kennen. Maar pas toen hij uit dienst trad in Boedapest mocht hij met haar trouwen, eerder mocht dat niet. De lauwerkrans op de grafsteen moet gezien worden als onderscheiding.

Op de grafsteen staat ook: Veteranus Legionis X Geminae. X staat voor het tiende legioen, met de bijnaam “Geminae” (tweeling). We weten waar dat legioen allemaal geweest is tussen 68 en 114. Op bovenstaande kaart kun je dat zien. Het is ook gelegerd geweest in Roomburg bij Leiden en in Nijmegen. De rode lijnen staan voor de Rijn (komt bij Roomburg uit waar de Noordzee begint) en de Donau (komt uit in de Zwarte Zee). De zwarte lijn geeft aan welke route Claudius Satto met het legioen moet hebben gevolgd. In Mainz heeft hij wellicht zijn Ursula ontmoet. Ik vind het een prachtige speurtocht om aan de hand van zo’n grafsteen een beeld te krijgen van het leven van een Romeinse soldaat.

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , | Plaats een reactie

Slotconcert

Gijs had de vorige week zijn laatste orgelles en gisteren gaf hij om die reden een slotconcert in de St. Jan van Gouda. Vorige week was niet zomaar zijn laatste les voor de vakantie, nee, hij heeft besloten om helemaal met de orgellessen te stoppen. Het was dus zijn allerlaatste les. Bijna vier jaar geleden was hij begonnen.

Zo stond hij in 2020 te kijken naar het orgel waar hij les op ging krijgen.

Zo tekende hij zijn toekomstige docent

Zo schreef hij hem nog vóór zijn eerste les een briefje

En zo schreef zijn docent hoe zijn eerste les er zou gaan uitzien.

Dat was allemaal in 2020. Gijs was gefascineerd door het orgel, luisterde naar orgelmuziek, keek naar filmpjes van organisten op Youtube en ging orgelstukken naspelen. Zoals de toccata in D-moll van Bach. Gijs speelde hem in A-moll, maar dat deerde hem en de luisteraars niet. Hij luisterde ook naar de Suite Gotique van Boëlmann en probeerde al snel alle delen na te spelen, zelfs het slotdeel, de toccata. En deze fascinatie voor het orgel bleef twee jaar lang duren. De fascinatie werd daarna langzaam minder, ook doordat op de les veel moeilijke dingen aan bod kwamen waar hij steeds minder zin in had. Hij leerde van blad te spelen, maar zelfs nu, na vier jaar, vindt hij dat nog steeds erg lastig en heeft er eigenlijk nooit zin in. Zijn leraar gaf hem steeds de ruimte om ook zonder noten te spelen, liet hem op allerlei manieren improviseren, bijvoorbeeld “in de stijl van”, en hij speelde al improviserende met hem samen, op één orgel, op twee orgels, op orgel en piano. Het maakte alle lessen erg boeiend.

Maar na twee jaar luisterde Gijs bijna nooit meer naar orgelmuziek. Er kwamen andere dingen voor in de plaats. Hij ging luisteren naar Michael Jackson, ging dansen als Michael Jackson. Hij ging het keyboard verkennen en begon daarop te improviseren. Hij ging luisteren naar “Wham”. Hij ging lezen over allerlei popartiesten en zocht alles op  internet op. Hij kreeg een boek over de tachtiger jaren. Zijn fascinatie was opeens een heel andere richting uitgegaan. En nog belangrijker: hij kreeg aansluiting bij andere kinderen door deze nieuwe fascinatie.

Zijn docent die hem vier jaar zo intensief heeft gevolgd gaf hem gisteren twee cadeautjes: een antiquarische uitgave van de bladmuziek van de Suite Gotique van Boëlmann en een CD met orgelstukken, gespeeld op het Cavaillé-Coll orgel van de St. Sulpice in Parijs. Dat orgel kent Gijs heel goed en hij heeft er aardig wat muziek op horen spelen. O.a. muziek gespeeld door Daniël Roth, die hij enkele jaren geleden nog zo meesterlijk imiteerde:

Zijn eigen slotconcert was een concert met wat hobbels. Dezelfde dag dat hij het zou geven belde zijn docent: hij had net te horen gekregen dat er in de kerk een feestelijke diploma uitreiking met toespraken zou zijn, we moesten een alternatief verzinnen voor het slotconcert van Gijs. De enige mogelijkheid deze week was om het te doen op dezelfde dag, maar dan anderhalf uur later. Dat was gisteren. Gijs zou naar Gouda gaan, samen met zijn moeder, broer en zusje. Mijn vrouw en ik besloten om een uurtje eerder al te gaan, en wel met de bus. De bus kon tussen Stolwijk en Gouda opeens niet verder, er was net een ernstig ongeluk gebeurd.

Wij stapten uit de bus en gingen verder te voet: het bleek nog een klein uurtje lopen te zijn. Gijs en zijn familie kon ik bijtijds waarschuwen en zij gingen via een andere route met de auto. Zo was iedereen er uiteindelijk ruim op tijd.

Hé, de hoofdingang was nog open. En wat waren er veel mensen! De diploma-uireiking was dan inmiddels afgelopen, maar het was tijd voor een borrel, die was ook in de kerk! En dat ging met heel veel kabaal gepaard. Er was daardoor een enorm geruis in de kerk, en die ruis was ook nog heel goed te horen boven in de orgelruimte. Ik had een mooie opname van het concert van Gijs willen maken, maar dat zou nu nooit iets kunnen worden, realiseerde ik me. Maar het kon niet anders. Dus speelde Gijs dapper zijn programma.

  1. “Buβ und Reu” uit de Matthäus Passion van Johann Sebastian Bach.
  2. “Komt laat ons deze dag met vuur bezingen”, Pinksterlied van Johann Sebastian Bach, in een bewerking van Christiaan Ingelse
    1. Voorspel (inventie)
    1. Koraal
  3. Improvisatie. Op hoofdwerk en pedaal beginnen met 16-voet en langzaam toenemen tot volle werk. Op bovenwerk o.a. Vox Celeste. Op rugwerk fluiten.
  4. Finale orgelsymphony 4 van Charles Widor.

Vanochtend filterde ik het geruis voor een groot deel weg, maar dat ging ook ten koste van de geluidkwaliteit van de muziek. Van de mooie, zachte registers tijdens zijn improvisatie bleef niets over. Ik vond het bewonderenswaardig hoe dapper Gijs bleef spelen.

Wat een dag! Er was een ongeluk gebeurd onderweg, drie mensen moesten naar het ziekenhuis. Er was veel kabaal in de kerk: honderden blije mensen vierden dat hun schoolcarriëre voorbij was. Gijs maakte muziek en sloot ook iets af, maar kon dat door het kabaal niet echt feestelijk afsluiten.  Ook voor mij was het een afsluiting. Jarenlang hielp ik Gijs met zijn opgaven die hij elke week weer had voor de orgelles. Hij had soms ook op andere orgels les gehad. Soms op het koororgel, ook een keer op het kistorgel, vrij vaak op het Maarschalkerweerd orgel van de Lutherse kerk, enkele keren op het orgel van de Pauluskerk in Gouda en ook twee keer op het orgel van de ontmoetingskerk. Ik leerde die orgels en die kerken ook kennen. Gijs vond het altijd leuk om op een ander orgel te spelen. Elke week bracht ik Gijs naar de orgelles en onderweg hadden we het over van alles. Ik ga dat allemaal heel erg missen.

Er was veel ruis. Zo sluit je toch niet iets af?  Was het eigenlijk wel echt een slotconcert? Ik voel nog de klagelijke klanken van “Buβ und Reu” door de ruis van die middag heen klinken. Klanken die nog maar zes weken geleden ook klonken. Toen waren ze helder, ook door Gijs gespeeld. Ze klonken op een vleugel, hij speelde het stuk van Bach tijdens de uitvaart van mijn zoon.

Ik ga nu boven zelf spelen, ik ga het begin van het Larghetto uit de vijfde orgelsymphonie van Vierne spelen. Die klanken passen misschien nog het beste bij mijn huidige gemoedsstemming.

Geplaatst in kleinzoon | Tags: , , | 5 reacties

Animalia

In de Volkskrant van vanochtend stond een uitgebreid artikel over de stand van zaken met betrekking tot zoektochten naar buitenaards leven op dit moment. Ondanks al de steeds meer geavanceerde methodes schiet het niet echt op. Het meest ontluisterend vond ik de zin: als je met dezelfde technieken naar de aarde zou kijken vanuit Proxima Centauri (de meest dichtbij gelegen ster) zou je vanaf daar niet kunnen zien dat er leven op aarde is….. Dit geeft aan dat er nog een lange weg te gaan valt. Maar moeten we eigenlijk niet heel anders kijken? Moeten we niet juist heel dichtbij kijken?

Dit was een van de thema’s in de film “Animalia” van de Marokkaanse cineaste Sofia Alaoui. Daar komt in naar voren dat het buitenaardse leven feitelijk al onder ons is. Zonder dat het echt zichtbaar wordt gemaakt wordt de aanwezigheid van buitenaardse wezens in de film gesuggereerd. Dieren hebben deze aanwezigheid al door.

Ook gaat de film over “wat en wie is God”.  Hoe angsten in de moskee moeten worden bezworen. Ik moest denken aan Savonarola van wie ik in Ferrara zijn standbeeld zag. Savonarola was een Dominicaan die erg goed kon preken.

Toen zijn orde door de pauselijke troepen in 1479 uit Ferrara werd verdreven stichtte hij een nieuw klooster in Florence. De kloosterkerk zal altijd bomvol, wat kon die man preken! Hij was een beschermeling van Lorenzo de’ Medici, de machtigste man in de Florentijnse Republiek. Toen in 1494 Karel II van Frankrijk Florence dreigde binnen te trekken vluchtten de Medici’s. Savonarola zei dat de mensen moesten bidden om het komende onheil af te wenden. De stad werd vervolgens gespaard en de mensen benoemden uit blijdschap Savonarola tot hun leider. In de zomer van 1497 brak de pest uit in Florence. Elke dag stierven zo’n honderd mensen; maar vreemd genoeg werden de kinderen toen gespaard. De stad was desondanks, of ook juist daardoor in paniek. Hoe kon dit, wat was er aan de hand? Savonarola greep dit feit aan en preekte dat de toekomst van de kerk en maatschappij in de handen van kinderen en jonge mensen lag. Dat soort suggesties zaten ook in de film “Animalia”. De hoofdrolspeelster was zwanger en toen haar kind werd geboren werd er van alles gesuggereerd. Eerder in de film werden de mensen via de TV opgeroepen om massaal naar de moskee te gaan om het onheil dat er aan zat te komen af te wenden. En ook Savanorola wilde in de vijftiende eeuw dat de mensen in Florence mensen massaal naar de kerk gingen en dat ze boete gingen doen. Maar in de loop van de tijd gingen steeds meer mensen twijfelen aan zijn gezag. Uiteindelijk kwam hij voor de rechter. In de rechtszaak luidden de aanklachten tegen Savonarola: ketterij, het veroorzaken van een kerkschisma, het preken over ontoelaatbare zaken en het aantasten van de pauselijke autoriteit. Savonarola en zijn twee medewerkers legden, na martelingen, uiteindelijk een bekentenis af. Het vonnis, dood door ophanging en vuur – werd uitgevoerd op woensdag 23 mei 1498.

In de film Animalia bleven we steken in de fase daarvoor, de fase van dreigend onheil. Het buitenaardse leven was al temidden van je, je zag het niet maar het was er wel. Ook werd er gezegd dat de scheidslijn tussen de zielen van overledenen en de buitenaardse wezens heel dun was. Zo zag de hoofdpersoon behalve vreemde verschijnselen aan de hemel, vreemde gedragingen van honden en vogels, ook haar overleden moeder. Zij leidde een kudde schapen en gesuggereerd werd dat zij feitelijk de incarnatie van het schaap was dat vooraan de kudde aanvoerde. De film speelde ook met aan de ene kant “ aardse dingen” (geld verdienen, met de telefoon communiceren) en aan de andere kant een beangstigende niet-werkelijke wereld. Je werd als kijker tussen die twee werelden in gegooid en mocht het zelf uitzoeken.

Ik vind de gedachtes in de film intrigerend. Ook sommige beelden waren erg mooi, met name die van de sterrenhemels.

Behalve de gewone sterren zag je beelden van een krabnevel, ik herkende hem van de Hubbletelecoop. Die krabnevel, in het echt niet met het blote oog te zien, stond daar opeens levensgroot aan de hemel. Het einde van de film vond ik minder geslaagd. De vier sterren die de Volkskrant aan de film toekende vond ik, met name daardoor, toch wat aan de royale kant. Maar desondanks deed de film een goede poging om de bubbel van onze werkelijkheid in een ander daglicht te plaatsen.

Geplaatst in Geschiedenis, maatschappij, recensie | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Servaasbasiliek

Waan je in de twaalfde eeuw. Die tijd vormde een hoogtepunt in het bestaan van de stad Maastricht, dankzij de goede connecties die er waren tussen de proost en het kapittel van de Servaaskerk en de Rooms-Duits keizer. Je hoort twee responsoria gezongen door de Schola Cantorum Maastricht en kijkt intussen naar een film op basis van eigen gemaakte foto’s.

Zie ook:

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , | Plaats een reactie

Procenten

We liepen door Gouda op weg naar de orgelles.
-‘Opa, ik moet je iets vertellen. Het is voor 88% zeker dat ik met orgelles ga stoppen.’
-‘O ja?’
-‘Ja, maar ik weet het nog niet zeker. Het is voor 50% zeker dat ik over 2 jaar ga stoppen, maar het kan ook eerder zijn.’

We waren in de ontvangstruimte van de kerk. Gijs herhaalde zijn plannen voor de kassamedewerksters achter de balie. Ze waren stomverbaasd.
-‘Ga je dan wat anders doen?
-‘Dat weet ik nog niet.’

Er klonk muziek. Vaak hoor je degene die voor Gijs les heeft spelen. Het klonk niet zoals meestal. Vaak hoor je een beginner en Gijs wist dan meestal gelijk hoever die was.
-‘Gijs, heb je een idee welke muziek je hier hoort?’
-‘Bach, 100% zeker.’

Daar kwam zijn docent naar beneden. Hij was alleen.
Gijs vroeg hem:
-‘Gerben, welke muziek klonk daarnet?’
-‘Wat denk je?’
-‘Volgens mij Bach. Nee, eigenlijk weet ik dat wel  voor 100% zeker!
Gerben zei niks. Hij ging achter het orgel zitten en speelde wat fragmenten uit hetzelfde stuk dat hij net ook speelde.
-‘Bach kun je op heel veel manieren spelen. Vroeger speelden ze het anders dan nu. Luister maar.’
Gerben speelde een stukje met puntige barok-articulaties. Toen het zelfde stuk op een romantische manier.
-‘Ik ga Bach spelen op een romantisch orgel in Keulen. Maar nu een keer niet op de manier van de barok, maar op de manier zoals ze dat in de negentiende eeuw deden. Ik heb hier een uitgave en daar staat precies in hoe je dat moet doen.’
Gijs luisterde geïnteresseerd.

De les begon, Gijs begon te spelen uit de methode maar toen kwam opeens een man binnen. Hij onderbrak de les door even wat te spelen op een paar toetsen van een manuaal.
-‘Het werkt weer, het probleem is opgelost.’
-‘Wie ben jij?’ vroeg Gijs.
-‘Dat is meneer Verduin, hij repareert orgels’
-‘Verduin? Ben jij soms de vader van Leendert Verduin?’
-‘Ja zeker, dat klopt.’
-‘Dan ben jij degene die zei dat als Leendert geen les ging nemen dat hij dan geen orgel meer mocht spelen!’
-‘Inderdaad.’
-‘En klopt het dat hij ook vliegenier had willen worden?’
-‘Ja, dat klopt ook.’
-‘Dat weet ik van de podcast van “alle registers open” ‘.

Geamuseerd luisterden Gerben en ik naar het gesprek. Toen ging de les verder. Gijs speelde maar het ging allemaal nog niet lekker, hij moet dezelfde stukken nog een keer oefenen voor de komende week.

We liepen richting auto.
-‘Dat was bijzonder, dat jij de vader van Leendert Verduin tegenkwam.’
-‘Dat was helemaal niet bijzonder, we raakten gewoon toevallig aan de praat.’

De volgende dag was Gijs weer bij ons.
-‘Opa, ik weet nog steeds niet zeker of ik met orgel ga stoppen. Maar ik ga nu gewoon weer oefenen hoor.’
-‘Waarom wil je eigenlijk stoppen?’
-‘Ja weet je, ik interesseer me nu meer voor popmuziek.’
-‘Maar dat kan allebei tegelijk hoor Gijs. Ik ken meer muzikanten die het allebei tegelijk deden. Ook collega’s. Een collega heeft tot zijn zestiende orgelles gehad, daarna ging hij piano doen en dat werd al snel Jazz op de piano. Maar het leuke was dat hij ook zoveel van klassieke muziek af wist en er ook nog steeds graag naar luisterde. Hij geeft nu trouwens les op de Rock-academie. Zo zie je maar.’

Ik legde hem nog eens uit hoe goed het ook was als je muziek echt studeerde. Je leert er discipline door te krijgen en dat is iets waar je je hele leven plezier van zult hebben. En je krijgt ook heel veel dingen te horen die je anders nooit te horen zou krijgen.

Het was mooi weer. Eigenlijk weer om buiten te spelen. Mijn vrouw stelde voor om naar de speeltuin te gaan. Maar Gijs wilde niet. Hij wilde orgel gaan studeren.
-‘Ga maar vast naar boven, ik kom zo meteen.’
Ik hoorde hoe hij dapper aan dat moeilijke vierstemmige koraal van Bach begon. Met twee stemmen in de rechterhand, een in de linkerhand en een pittige pedaalpartij.

Ik ging hem helpen, want hij begon alweer boos te worden omdat het niet lukte. Weer bespraken we hoe hij dat nu het beste kon oefenen. En hij deed het. Het leverde gelijk iets op.

-‘Zullen we dan nu ook maar gelijk rekenen doen?’ zei Gijs.
Hij krijgt elke week sommen mee naar huis om extra te oefenen. Het ging over procenten. Daar weet hij nu alles van. We deden drie sommen.

Toen vond hij en ook ik het wel weer genoeg. Hij had 40% van de vrije middag gestudeerd, straks ging hij nog 30% minecraft spelen achter het scherm, nu nog 5% klimmen in een boom in de tuin en 20% popmuziek maken in de garage.

O ja, en hij heeft ook nog 5% een orkest staan dirigeren. De musici letten  goed op en het publiek vond vooral het einde van het stuk geweldig!

Geplaatst in kleinzoon | Tags: , | Plaats een reactie

Flötenuhr

Als je over de markt van Gouda loopt hoor je soms niet alleen het carillon van het stadhuis, maar op het hele en het halve uur komen er dan ook poppetjes tevoorschijn terwijl er een carillonmelodietje klinkt, geschreven door Maria Blom. Er is dan een voorstelling te zien van het plechtige moment dat Floris V aan Gouda stadsrechten verleende.

Eind achttiende eeuw was het populair om ook kleinere klokken te programmeren met een muziekstukje, volgens het principe van een draaiorgel. Op een ronddraaiende houten rol waren uitstulpingen gemaakt die zorgden dat op het juiste moment bepaalde tonen klonken. Zelfs de meest vooraanstaande componisten vonden het leuk om voor zo’n zogenaamde “Flötenuhr” te componeren. Beethoven deed het nog in zijn jonge jaren toen hij in zijn geboortestad Bonn woonde, hij schreef toen 5 muziekstukjes bestemd voor zo’n klok. In Wenen schreef Haydn er meer dan 30 en tegen het einde van zijn veel te korte leven schreef ook Mozart enkele stukken voor een dergelijk instrument. Hieronder een afbeelding van een Flötenuhr uit het Zwarte woud dat onlangs is gerestaureerd door Bernard Meier, de klokkendokter uit Antwerpen. Zie ook zijn site klokkendokter, met daar onder meer foto’s van het mechaniek.

Gistermiddag was er een orgelconcert in de Sint Jan van Gouda door het multitalent Ann-Helena Schlüter. Zij speelde “echte orgelmuziek” van Bach, Scheidemann en Ritter. Maar ook drie “Flötenuhr stukjes” van Mozart, Haydn en Beethoven. Deze stukjes waren dus ooit waarschijnlijk te horen in een “Flötenuhr”. Maar nu klonken ze op het orgel. Het stukje van Mozart dat ze speelde laat ik hier horen. Het zal best nog een gezoek zijn geweest naar de meest bruikbare registraties op het Moreau orgel. Maar het lijkt me aardig gelukt.

Het concert begon met de Fantasie in G BWV 572 van Bach. Een boeiend stuk dat vanaf het moment dat het pedaal erbij komt (1:34) van geen ophouden weet, als in een wervelwind wordt je meegesleept door talloze modulaties. Het einde van bijna 2 minuten is werkelijk fantastisch: na een indrukwekkend verminderd septiemakkoord (6:19) wordt er chromatisch naar beneden gezakt in de bas totdat je aankomt op een eindeloos lijkend orgelpunt op de dominant (6:57) welk het triomfantelijke slotakkoord aankondigt. Het zou een interessant stuk zijn om te analyseren met conservatoriumstudenten!

Tijdens de coronapandemie heeft Ann-Helena Schlüter ook niet stilgezeten, ze heeft veel gecomponeerd, waaronder deze “Pandemic Phantasy” voor orgel.

Na het concert liep ik over de markt. De kraampjes werden afgebroken, en ondanks dat het fris was zaten alle terrasjes vol. Daar klonk alweer de “Flötenuhr van Gouda”! Hier hoor je deze in een opname van Henk van Rens uit 2016.

Ann-Helena is zeer actief op sociale media, zo maakte ze nog voor haar concert een kort filmpje voor Youtube over het Moreau orgel en haar ervaring daarmee bij het instuderen van de concertstukken.

Op facebook schreef ze nog veel meer.

Geplaatst in muziek, recensie | Tags: , , , , , , , | Plaats een reactie

Larghetto uit de vijfde orgelsymfonie van Louis Vierne

In 1923 trok Vierne door Zwitserland en Italië om er orgelconcerten te geven, te componeren en vakantie te vieren. In die tijd componeerde hij aan het derde en het vierde deel van zijn vijfde orgelsymfonie. Het derde deel kwam klaar in Lausanne, het vierde deel met als titel “Larghetto” voltooide hij in Stresa in september 1923. Daarover gaat dit artikel.

Stresa ligt aan het Lago Maggiore in Noord-Italië, deels op vier eilanden. Een prachtige locatie voor de nazomer. Het historische centrum van de stad ligt aan de kust. Er zijn daar drie kerken, waarvan de belangrijkste die van de H. Ambrogio en Theodulo is. Het exterieur is sober, het interieur uitbundig. Het doet daarmee aan een vroeg middeleeuwse kerk denken, maar de kerk is gebouwd eind 18e eeuw. In 1964 werd het oude orgel uit 1847 vervangen door een nieuw van de maker Tamburini. Dit orgel wordt ook regelmatig bij concerten bespeeld. In 2022 bespeelde Olivier Latry dit orgel. Vierne speelde dus waarschijnlijk op het negentiende eeuwse orgel in die kerk.

Maar nu terug naar het Larghetto dat Louis Vierne in deze stad componeerde. De muziek van dit stuk raakt me sterk. Ik hoorde het voor het eerst in een emotionele periode en had gelijk allerlei associaties. De muziek deint als een schip in rustig water, heeft iets positiefs, maar tegelijk ook iets mistroostigs. Juist die stemmingsbeelden raakten me op een bijzondere manier. Ik zou me zomaar kunnen voorstellen dat Vierne, toen stekeblind, lang bij het meer heeft gezeten, luisterend naar zijn omgeving, naar de golven, naar het voortdurend bewegende water. Hij schreef het stuk in de moeilijk leesbare toonsoort Fis majeur, waarbij hij zoals gewoonlijk ook nog eens veel moduleert. Het wemelt van de dubbelkruizen. Een half toontje lager, in F, zou het veel makkelijker leesbaar zijn geweest. Vreemd genoeg ervaar ik die toonsoort Fis als de enige juiste, hij past voor mij precies bij het stuk.

Hoe heeft Vierne deze stemming weten vast te leggen? Het eerste thema bestaat uit twee delen, de maten twee tot en met 14 vormen daarbij het eerste deel van dat thema. Na een korte inleiding van 1 maat in het pedaal horen we vervolgens 9 maten lang in datzelfde pedaal een ostinaat patroontje. Dat voelt als een rustige ademhaling: de eerste tel is daarbij de uitademing, bij tel 2, 3 en 4 wordt er telkens maar weer opnieuw rustig ingeademd. Daarboven klinken hemelse registers in de manualen: de voix celeste en de gamba spelen een prachtige melodie begeleid door mysterieuze akkoorden.  De melodie heeft regelmatige maar vooral ook onregelmatige kenmerken. De begintoon, op de tweede tel van de maat, is de none Dis van een hele-toonsakkoord van Cis. Het pedaal heeft slechts twee verschillende tonen: de Fis als grondtoon van de hoofdtoonsoort op de eerste tel, en de “ademende” dominant Cis met een dalende octaafsprong van tel 2 naar 4. De akkoorden boven deze wiegende bas zijn nooit hetzelfde.

De begintoon Dis in de top keert wel vaak terug, maar niet regelmatig: we horen hem dus eerst in maat 2, daarna nog in de maten 4, 6, 9, 12 en 14. In de maten 11-14, het einde van het thema, gaat de bas in het pedaal dan toch bewegen, de ostinaat is even weg. Er ontstaat een crescendo van drie maten, in maat 14 weer een diminuendo. In maat 15 keert de wiegende ostinaat weer terug. Hier begint het tweede deel van het eerste thema dat nu versierd is. Zoals golven regelmatig kunnen zijn, maar nooit helemaal hetzelfde, zo is dat ook met dit thema. Luister naar de eerste 14 maten van het stuk, gespeeld door Hayo Boerma op het Marcussen orgel van de Laurenskerk van Rotterdam

Het hele deel is driedelig, grofweg horen we thema 1, thema 2 en daarna weer thema 1 (sterk gevarieerd). Het tweede thema in het midden is heel anders, het kent ook een andere registratie, en bevat veel hele toons-elementen. Het derde deel is weer gebaseerd op het eerste thema. Dat zit nu in het pedaal. Het stuk eindigt met de zachte klank van het register “nachthoorn”. Luister naar het hele stuk met de partituur erbij, nu in een andere uitvoering. Met je ogen dicht is het nog mooier denk ik. Zie je in gedachten het Lago Maggiore? Of zwanen op de Lek. Of roeiboten op de Rotte….

Meer over Louis Vierne:

Over zijn tragische leven
Louis Vierne in 1914
Franck en Vierne

Geplaatst in muziek | Tags: , , , | Plaats een reactie

Beveiligd: Hemelvaart

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Vul het wachtwoord hieronder in om hem te kunnen bekijken:

Geplaatst in filosofie, kleinzoon, muziek | Tags: , , , | Voer je wachtwoord in om reacties te bekijken.

Zondagmiddag 11 mei 2024

Het is half vijf in de namiddag en ik maak een kleine wandeling. De zon is warm, maar wel een tikkeltje gesluierd. Mijn armen zullen gaan verbranden.

Al heel snel: ja hoor: de kleine karekiet! Een klein ondeugend vogeltje, hij doet zijn naam eer aan.  Een speelse kwetteraar, die veel kabaal maakt. Hij maakt me vrolijk.

Ik loop verder. Daar is de rivier, en daar komt een hele stoet zwanen op me af. Ik tel er 25. Paraderen ze voor mij? Nee, denk ik. Natuurlijk niet.

Ik blijf kijken. Heel langzaam trekken ze van links naar rechts voorbij. Ze lijken te kijken naar de kant. Paraderen ze inderdaad? Paraderen ze voor een stervende zwaan?

Thuis gekomen ga ik op de bank liggen. Youtube heeft een playlist voor me gemaakt. Ik hoor de finale uit de vierde orgelsymfonie van Vierne. Zeer heftige muziek. Ik geef me er aan over en ondanks de felle intensiteit val ik in slaap.

Dan word ik wakker. Welke dag is het? Ik hoor nog steeds orgelmuziek, maar het is niet meer de vierde orgelsymfonie. Ik herken niet wat youtube me inmiddels voorschotelt. Maar ik ben ontroerd: de muziek past prachtig bij de beelden in mijn hoofd. Ze passen bij het beeld van de parade van de zwanen. Ik luister het stuk helemaal af, en daarna nog een keer. Mijn gedachten zijn nog steeds  gesluierd. Is het zondag? Ook de datum ben ik kwijt. De muziek tilde me naar een andere dimensie.

Wat later voel ik me toch enigszins uitgerust. Ik zet de muziek uit. Mijn armen zijn warm, inderdaad een beetje verbrand. Ik kijk naar buiten. Nu ben ik dan eindelijk helemaal wakker. Hé, het is pas zaterdag! Buiten klinkt de roep van een vink. Schalks lacht hij het leven tegemoet.

Geplaatst in filosofie, muziek | Tags: , , | 1 reactie