Onze identiteit

Enkele dagen geleden stond een artikel in de Volkskrant: na onderzoek bleken mensen uit Gelderland zich het minst te identificeren met hun provincie. Ook mensen uit Zuid-Holland voelden zich niet een Zuid-Hollander. Brabanders, Limburgers, Friezen, Zeeuwen enz. voelden zich wel Brabander, Limburger, Fries of Zeeuw. Ze voelden vaak zelfs een sterkere band met de provincie dan met Nederland. In die regio was het identiteitsgevoel met de provincie dus juist erg groot.

Zo’n dertig jaar geleden had ik een collega, helaas veel te jong overleden aan aids. Hij, geboren in Engeland, werkte al een paar jaar in Nederland en sprak perfect Nederlands. Niet alleen Nederlands, veel moderne Europese talen en voor zijn plezier was hij bezig om Chinees te leren. Hij had intussen ook kennis gemaakt met verschillende uithoeken van Nederland en stond versteld over de grote cultuurverschillen binnen zo’n klein lapje grond. En al de taalverschillen, dialectverschillen. Wij vinden dat normaal, hij vond dat bijna onvoorstelbaar.

Hoe komt dat? Ik denk dat een van de oorzaken is dat er in het verleden weinig pogingen zijn gedaan om dialecten de kop in te drukken. In Duitsland, gelijk over de grens hoor je Hoog-Duits. Vroeger had je ook daar veel meer dialecten. Er is een tijd geweest, mede om de Duitse identiteit sinds Bismarck te versterken, dat er vanuit de overheid veel aan werd gedaan om dialecten min of meer te verbieden of belachelijk te maken. Dat is gelukt. Alleen veel tongvallen zijn nog gebleven. Dialecten hoor je nog slechts in enkele uithoeken van Duitsland en natuurlijk in Oostenrijk en Zwitserland.

Terug naar Nederland. Door je dialect te blijven spreken kon je je afzetten tegen de mensen die dat dialect niet spraken. Dat waren in veel gebieden van Nederland de “Hollanders”. Vooral in Brabant en Limburg is dat lang zo ervaren en is dat vaak zelfs nog zo. En dat is niet zo verwonderlijk, als je je bedenkt dat toen vele delen van Brabant en Limburg bij Nederland kwamen rond 1630 of soms nog later, deze gebieden min of meer onder curatele werden gesteld. De katholieke godsdienst werd nog net niet verboden. Wel allerlei uiterlijkheden als beelden en processies. Kloosters werden opgeheven. (Behalve in Maastricht maar dat had een bepaalde historische reden die nu te ver voert). En nog belangrijker: met een katholieke achtergrond mocht je geen bestuursfunctie vervullen. Er werden gereformeerden van boven de rivieren geïmporteerd om recht te spreken, burgemeester te worden. Deze functionarissen moesten lid zijn van de enige ware religie: de gereformeerde kerk. Verder hadden deze gewesten geen recht van meespreken in landelijke aangelegenheden, ze hadden geen provinciezetel bij de Statenvergaderingen. Noord-Brabant was eerder onderdeel geweest van het hertogdom Brabant met Brussel als hoofdstad. De Brabantse cultuur, met de uitbundige gotische stijl als een van de uithangborden (zie de kathedraal van Den Bosch), vormde een groot contrast met de stijve cultuur van de niet versierde kerken van de calvinisten. In Limburg was het eigenlijk nog extremer. Zuid-Limburg was na 1648 nog steeds half Spaans en later (1714) half Oostenrijks. De mensen die woonden in dorpen die bij Nederland hoorden gingen gewoon ter kerke in een Spaanse gemeente enkele kilometers verder en liepen ook daar in de processie mee, omdat de Hollanders dat in hun dorp verboden.

Na de Franse tijd besloot Willem I dat de alweer opgerichte kloosters moesten verdwijnen, liefst doordat de kloosterlingen deze verlieten. Ze kregen dan een staatspensioen als oprotpremie. Anders zouden ze moeten “uitsterven”: er mochten geen nieuwe kloosterlingen meer worden aangenomen. Dat gold toen ook voor het huidige België en Luxemburg. Het cultuurverschil dat er al was, samen met ook nog eens dergelijke maatregelen leidde tot de Belgische opstand met de afscheiding tot gevolg. Nederland wilde in 1839 de Maas als verdedigingslinie behouden, daarom werd bij het afscheidingsverdrag Limburg in tweeën gedeeld. Een deel kwam bij België, een deel bij Nederland. Aan de inwoners werd niets gevraagd. De Nederlandse Limburgers werd zelfs opgedrongen om tegelijk ook lid te worden van de Duitse bond, zodat de Oranje vorsten (als onderdeel van de deal) een deel van het hertogdom Luxemburg mochten houden. (Dat was nl. een té mooi jachtgebied!) De onvrede in Nederlands Limburg bleef. Uiteindelijk moest er dan maar een referendum komen: ‘Limburgers, willen jullie los van Nederland komen te staan en alleen nog lid van de Duitse bond zijn, ja of nee?’ Nederland zou de uitkomst respecteren. ‘Wat moeten wij met dat ellendige lapje grond’ kon je lezen in Hollandse kranten. In de zestiger jaren van de 19e eeuw werd het referendum dan gehouden. De uitkomst was dat Limburg besloot om zich af te scheiden van Nederland. Maar Nederland aarzelde, voerde het besluit vervolgens voorlopig nog even niet uit. Enkele jaren daarna later viel plotseling de Duitse bond uit elkaar. Nederland haalde toch nog opgelucht adem. Limburg met zijn kolen bleef hierdoor bij Nederland…

Toen kwam de eerste wereldoorlog. Nederland ontsnapte. België niet. Ook de oorlogsellende in Duitsland was vreselijk. Eindelijk zagen de Limburgers het voordeel van het Nederlanderschap. Natuurlijk, allemaal toeval, want in 1940 mocht de neutraliteit niet baten. Maar in 1914 was het Hollandse geluk genoeg om langzaam ook in Limburg eindelijk een “Oranjegevoel” te laten ontstaan.

Hoe zit het met een stad als Amsterdam? Inmiddels voelen de meeste Amsterdammers zich vooral Amsterdammer. Ze hebben een hoofdstad- of een Ajax-gevoel. En verder voelen ze zich een beetje lid van de wereld. Door al de culturen. En dat is al erg lang zo. Eind zestiende eeuw is er een geweldige  bevolkingsexplosie geweest in Amsterdam (en een aantal andere Hollandse steden). In tien jaar tijd verdubbelde het inwoneraantal tot meer dan honderdduizend mensen. Antwerpen liep leeg, maar ook uit Frankrijk, Spanje en Portugal kwamen veel asielzoekers. Ze werden warm onthaald. Onder hen waren veel vaklieden, kunstenaars, intellectuelen. Ze spraken vele talen. Uiteindelijk spraken ze allemaal Nederlands. Niet omdat ze een inburgeringscursus moesten volgen maar omdat ze graag aan de maatschappij wilden deelnemen. En Frans, maar dat spraken ze in Berlijn en Maastricht ook. Het Frans was de internationale taal geworden, zoals dat nu het Engels is.

Er lijkt ook nu nog een bijna onuitroeibaar cultuurverschil te blijven tussen verschillende regio in Nederland.. Limburgers hebben een heel andere manier van grappen maken dan Hollanders. Hollandse grappen zijn direct, met veel zelfspot, maar ze zijn ook hard. Hollanders zijn snel en scherp. Als je naar buiten gaat en je komt de buurman tegen dan probeer je gelijk zo grappig mogelijk te zijn (Zoals Groningers zo nors mogelijk niet meer dan ‘moj’ zeggen). De Hollandse buurman moet snel en spits reageren, anders voelt hij zich lullig. In Limburg ga je naar buiten, je zegt goeiemorgen tegen de buurman, begint een praatje, vraagt naar vrouw en kinderen. Die dingen komen bij de Hollandse buurman meestal niet aan de orde. Het is een heel andere manier van met elkaar omgaan. De Limburgers horen dat ook op de Nederlandse televisie. De hardheid, de zelfspot. Het stoot ze af. Ze kijken liever naar Duitse of Belgische zenders. Nog steeds. Ze voelen zich nog steeds vooral Limburger.

In Gelderland zijn de cultuurverschillen binnen de regio te groot. De Gelderse gereformeerden op de Veluwe hebben niets met die katholieke Gelderse boeren met hun carnaval in de achterhoek. En omgekeerd. Dus Gelderland is voor Gelderlanders te weinig een culturele eenheid. Ze voelen zich geen Gelderlander.

Hollanders ervaren alles buiten de randstad een beetje als buitenland. Zeker stedelingen hebben dat. Hollanders voelen zich Hollander en dat is voor hun hetzelfde als Nederlander. ‘Made in Holland’, zo staat het ook op de kaas, en ze bedoelen met ‘Holland’ gewoon ‘Nederland’. Een arrogantie waar niet randstedelingen zich vaak aan ergeren.

Gelukkig hebben we sport. Het nationale voetbal elftal (maar nu even niet…). Schaatsen. Wielrennen. En feesten als Koningsdag. Sinterklaas. Zwarte Piet..

En we hebben gelukkig ook van alles waar we ons heerlijk met zijn allen tegen kunnen afzetten. Zowel Hollanders als Limburgers: we hebben allemaal onze asielzoekers! Smeedt Wilders Nederland dan eindelijk tot een echte eenheid?

Over Pieter Simons

Docent muziektheorie, componist. Interesses: geschiedenis algemeen, kunstgeschiedenis, lokale geschiedenis, muziek en muziektheorie, filosofie, astronomie, fotografie, natuur, wilde bloemen
Dit bericht werd geplaatst in filosofie, Geschiedenis en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Onze identiteit

  1. Inderdaad, Piet: in de jaore die ich les goof in Hilversum vrooge mien collega’s mich in ’t weekend es ich nao mien oajers ging: ‘Ga je nou weer naar het buitenland?’

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s