Hedendaagse Grieken en Romeinen

In de Nieuwe Kerk van Amsterdam is een tentoonstelling te zien met als titel “Rome, de droom van keizer Constantijn”. In de kern gaat deze tentoonstelling over de regeringsperiode van keizer Constantijn, zo rond 300 na Christus. We kunnen vooral zien hoe de vroeg-Christelijke cultuur nog geheel verweven is met die van de Romeinen.

Het beeld is dat die Romeinse invloeden daarna snel werden terug gedrongen en pas weer terug keren in de renaissance. Maar eigenlijk zijn ze nooit echt verdwenen. Vanaf Karel de Grote zien we opnieuw een sterke gerichtheid op de Romeinse cultuur aan het hof en aan het hof gelieerde kloosters. Dat blijft zo doorgaan, vooral ook onder de Ottoonse keizers van de tiende eeuw en de Hohenstaufen van de twaalfde eeuw. Niet lang daarna begint in Italië de renaissance, de bekende her-oriëntatie op de Romeinse tijd in al zijn facetten. Nu ook de steden belangrijk zijn geworden en er in de volkstaal wordt geschreven breidt deze cultuur zich nog sneller uit. Boven de Alpen duurt het wat langer, pas rond 1600 wordt deze oriëntatie ook daar beeldbepalend. In de tweede helft van de zeventiende eeuw spiegelt in Frankrijk Lodewijk XIV zich sterk aan de klassieke cultuur en die invloed werkt weer door in de rest van Europa. Met opgravingen in Pompeï in de 18e eeuw ontstaat er nogmaals een herleving. Op het eind van de negentiende eeuw dreigen stromingen als impressionisme en modernisme de genadeklap te geven aan de klassieke oriëntatie, maar al snel krijgen we toch weer neoclassistische stromingen. In de huidige periode van postmodernisme kan alles, dus waarom niet ook weer terug naar de klassieken? Met andere woorden: komen we er nu nooit een keer van los, en wat is het dat ons iedere keer opnieuw zo trekt? En al snel kun je je de basisvraag stellen: wat is eigenlijk de essentie van die cultuur?

Ik denk zelf dat het klassieke beeld van de renaissance met zijn oriëntatie op de klassieken te eenzijdig is. Twee manieren van in de wereld staan zou je naast elkaar kunnen stellen. Bij de eerste manier zie je dat mensen de wereld zien als een mystiek geheim, waar je op verschillende manieren vat kunt krijgen. Door bidden, meditatie, probeer je er iets dichter bij te komen. Je eigen persoon is onbelangrijk. Deugden worden al gauw geabstraheerd en worden herkend in heilige dingen. Bij sommige volkeren is dat een berg, een rivier. Of een edelsteen, of een ikoon. Of een kruisbeeld met een uitstraling die weinig menselijks meer heeft, maar eerder iets goddelijks. Maria wordt afgebeeld als zetel der wijsheid, niet als moeder of mens. De achtergrond is goudkleurig, onstoffelijk. In het Oost-Romeinse rijk werd deze manier om zaken te benaderen de regel. Je zou dat de Byzantijnse manier kunnen noemen, de Italianen noemen het later de “maniera Greca”. Naar mijn idee verschilt de oude Griekse cultuur daardoor ook in dat opzicht in essentie van de Romeinse cultuur. Bij een Griekse tempel wordt zorgvuldig nagedacht over de mystieke betekenis van getallen, en daarom krijgt hij bijvoorbeeld een bepaald aantal zuilen. De Grieken waren veel meer doordrongen van de basisgedachte van de maniera Greca.

De tweede manier is dat je de méns met al zijn deugden en ondeugden centraal stelt, en vooral praktisch denkt. Een Romeinse tempel heeft vooral een zekere esthetische waarde, of moet pochen door zijn grootte, en moet technisch deugen, niet in elkaar donderen. Hij is menselijk. Goddelijke getalsymboliek is hem vreemd. Afbeeldingen zijn menselijk, uit het leven gegrepen. Zo zien we dat in Pompeï. De Romeinen hielden hier duidelijk van. Onder invloed van het oosten leek het dat deze manier van benaderen na de instorting van het West-Romeinse rijk in West-Europa was verdwenen. Maar vanaf de tiende eeuw al zien we hoe deze benadering schuchter terugkeert. Een van de eerste voorbeelden is het Gerokruis, dat te zien is in de Dom van Keulen. Het is geen waardige Godheid aan het kruis, nee, het is een lijdende mens. En juist boven de Alpen wordt deze manier van denken steeds sterker. De Franciscanen laten menselijke stripverhalen over het oude en nieuwe testament of over heiligen in hun kerken aanbrengen vanaf de dertiende eeuw. Dat is de Romeinse manier, niet vergoddelijken, maar vermenselijken. Beide denkrichtingen blijven intussen nog naast en door elkaar bestaan. Een gotische kathedraal zit boordevol mystieke symboliek. Maar bevat steeds vaker echt menselijke beelden en afbeeldingen. En wat te zeggen van al die prachtige altaarstukken van rond 1500. Ze lijken zo uit het leven gegrepen, zo menselijk. Maar pas op: er schuilen voortdurend addertjes onder het gras. Ze zitten boordevol mystiek en symbolen. De mensen die ze kochten wisten dat, ja liever, ze bestelden hun altaarstukken met die opdracht. En zelfs veel burgerlijke stukken uit de zeventiende eeuw hebben een dubbele bodem, niet als grapje, nee. Het schilderij, hoe menselijk, hoe Romeins het er ook uitzag, het diende tot meditatie en bezinning.

Als wij nu naar die kunst kijken doen we dat in eerste instantie op de Romeinse manier. We kijken naar het plaatje, naar de mensen, naar de voorwerpen. Misschien met een historische blik: ‘goh, ze hadden toen al vorken.’ We kijken wellicht technisch naar lichtval, naar vlakverdeling, naar kleurgebruik. We zien hoe mooi de schilder een mantel kon schilderen. Al die technieken zijn uitgevonden in de renaissance. Hoe beter je dat kon, hoe beter je als kunstenaar was. Daarom spreekt veel mensen de Romeinse kunst ook aan. Je kunt er ook gewoon esthetisch naar kijken. Maar eigenlijk gaat het ook in de renaissance nog steeds om de symboliek, om de boodschap. Als je naar een afbeelding keek werd je tot bezinning gemaand. In kerken uiteraard was dat al helemaal de bedoeling. Het letterlijke plaatje, Sebastiaan met pijlen in zijn buik, kon daarbij helpen. Maar het ging er om dat je de levenswandel van Sebastiaan als voorbeeld ging zien. Standvastigheid tot in de dood. Eigenlijk dus, net als bij de ikonen, je moest gaan bidden bij het beeld. Romeinse beeldtaal met een Griekse intentie.

Als je op die manier naar kunst kijkt zie je heel vaak deze twee elementen. De ene kant is de nuchtere kant, de esthetische, de technische. De andere kant is de ethische, de mystieke, wat wil je iemand meegeven? Ook bij de tentoonstelling in de Nieuwe kerk zie je beide kanten. De beeldtaal is Romeins, menselijk. Maar vaak zit er toch een verborgen boodschap bij. Op veel grafkisten in de tentoonstelling zag je afbeeldingen met Bacchus. Hier een fragment.

dionysus-fragment

Deze God, bij de Grieken Dionysus, is bekend als de god van de wijn, vruchtbaarheid, maar ook van het eeuwige leven, omdat hij door Zeus gered werd toen zijn moeder verbrandde, met hem nog in haar schoot. Zeus stopte hem in zijn dij en daaruit werd hij opnieuw geboren. Dionysus staat zo ook voor de cyclus van het leven. Dionysus zelf staat op bovenstaande afbeelding in het midden, op dit fragment als tweede van rechts, leunend op een sater, dronken van de wijn. Zowel links als rechts van hem worden de vier seizoenen uitgebeeld, rechts zien we op dit fragment alleen de zomer met de arenschoof. Elk seizoen keert in het leven weer terug, misschien dat daarom ook de seizoenen hier dubbel worden afgebeeld. Een detail hieronder: van links naar rechts zien we de winter (het drinken van de wijn uit een schaal), de zomer (graan en sikkel) en de herfst (de geschoten haas)

dionysusgrafmonument-seizoenen

Wat wilden de makers van deze sarcofaag aan de nabestaanden meegeven? Hoop op een tweede leven, zoals ook Dionysus zelf dat kreeg? Of was het alleen maar een mooie afbeelding van wat je in de seizoenen allemaal meemaakte, op een mooie esthetische manier weergegeven? Was het uitbeelden van een dronken Dionysus een vermaning, of juist een aansporing zijn voorbeeld te volgen? Leef er maar op los, want alles is tijdelijk?

Bij de Christenen zien we hoe men  rond 400 de overledene een opstanding toewenste, doordat men het CHi-Rho (Christus symbool) in de vorm van een kruis op het grafmonument plaatste.

chiro-klein

Nog steeds zijn er allerlei kunstwerken die mensen aan het denken willen zetten. Soms op een, wat mij betreft, banale manier zoals de Santa Claus (kabouter buttplug) van Paul Mc Cartey dat moet doen. Dit beeld op het Eendrachtsplein van Rotterdam staat er als een waarschuwing voor de consumptiemaatschappij. Daarnaast zijn er kunstenaars die willen dat een kunstwerk niet meer is dan wat het is en die juist wars zijn van alle mogelijke dubbele bodems. Er zijn nog steeds overal Grieken en Romeinen…

Over Pieter Simons

Docent muziektheorie, componist. Interesses: geschiedenis algemeen, kunstgeschiedenis, lokale geschiedenis, muziek en muziektheorie, filosofie, astronomie, fotografie, natuur, wilde bloemen
Dit bericht werd geplaatst in filosofie, Geschiedenis, kunst, recensie en getagged met , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s