Muzikaal gehoor

Sommige kinderen zijn gefascineerd door ritmes of zelfs door baslijnen. Dat heb ik onlangs gemerkt toen mijn oudste kleinkind van twee jaar iets zat te neuriën en dat bleek de baslijn van een “soundje” op de computer te zijn…Door alles wat je om je heen hoort wordt je muzikaal gehoor gevormd. Door omgevingsgeluiden maar vooral natuurlijk door muziek. Het zingen van liedjes is een van de meest vormende dingen op dat gebied dat je met al heel jonge kinderen kunt doen. Maar natuurlijke voorkeur speelt ook al snel een rol. Elk kind reageert anders. Daarom worden sommige kinderen drummer.

De afgelopen dagen heb ik weer enkele dagen toelatingsexamens afgenomen op het conservatorium. Er kwamen weer veel jonge mensen die graag muziek willen gaan studeren, in dit geval kozen ze voor de opleiding Docent Muziek. Zo eerst even een kopje koffie. Dan haal ik weer een kandidaat van de gang die al voor het lokaal staat te wachten. Een vrolijk, open meisje uit een dorp. Ze speelt dwarsfluit. Ze heeft al acht jaar les. Ik stel me de activiteiten op de muziekvereniging voor. Elke week met de fluit naar de lerares om de opgegeven étude te laten horen. ‘Speel je daar ook samen? ‘ ‘Nee’ is haar antwoord. ‘Wat jammer’ denk ik…

Mijn taak is om te kijken of zij geschikt is voor de opleiding met betrekking tot haar muzikaal gehoor en of ze voldoende ervaring heeft in de omgang met het notenbeeld en met de bijbehorende kennis van de muziektheorie. Oei! Als ik een eenvoudig ritme voor klap imiteert ze dat een tel te laat. Ik doe of ik het niet merk en zet op de juiste tijd een nieuw ritme in. Nu is ze wel op tijd. Het derde ritme, iets moeilijker, met wat syncopen gaat helemaal mis. Zonder iets te zeggen herhaal ik het en probeer met haar in een soort ritmische flow te komen. Het omgekeerde gebeurt. Ze raakt in de war. Ik maak het allemaal weer wat makkelijker en dan lukt het gelukkig wel. Het nazingen van een enigszins klassieke melodie lukt niet. Hoe zou dat komen? Te weinig ervaring met zingen? Straks bij het praktijkdeel moet ze ook zingen. Daar zullen ze er wel achter komen. Ik speel wat akkoorden onder de melodie om hem in een kader te plaatsen. Nu lukt het wel. Dan verander ik de melodie een klein beetje. Hardnekkig houdt ze nu vast aan de eerste melodie. OK. Ik heb drie driestemmige muziekstukjes waar ik uit kan kiezen. Gezien wat ik tot nu toe van haar gehoord heb kies ik voor het makkelijkste stukje met de meest bekende context, een dalende kwintval. Ik vertel haar, dat wat ze nu te horen krijgt “driestemmig” is, en dat ze een van die drie stemmen dient na te zingen. Ik speel eerst nog een keer de eerste maat. ‘Welke stem ga je zingen?’ Ze kijkt me vragend aan. Dit soort opdrachten heeft haar fluitlerares niet met haar gedaan. Ze snapt niet wat ze moet doen. Dan speel ik het eerste akkoord. ‘Zing eens alles wat je hoort.’ Na veel proberen zingt ze de hoogste en de laagste toon. (De terts en de grondtoon van een grote drieklank). De middelste, een kwint, die kan ze niet vinden. Goed, ze kiest uiteindelijk voor de bas, die wil ze nazingen. In plaats van nazingen stel ik voor dat ze eerst nog een keer luistert en de tweede keer als ik het stukje weer speel, heel zachtjes meezingt met de bas. Ik hoor dat ze onmiddellijk na de eerste noot over gaat op noten van de middenstem. Ik realiseer me dat ze een vrouw is en ik vermoed dat ze een “registerdenker” is, dat is iemand die alleen maar kan zingen, dat wat in haar eigen register zit. Zo iemand kan niet een lage stem overzetten naar het eigen register. Ik besluit om het hele liedje een octaaf hoger te spelen. Nu lukt het met veel hulp uiteindelijk. De middenstem blijft een probleem. Dan gaat ze van blad zingen en ritme tikken. Het ritme tikken gaat eigenlijk heel aardig, enkele kleine foutjes, maar dat doet ze goed. Opvallend, want ze kon geen ritmes nadoen! Ook het van blad zingen is niet onvoldoende. Ik vraag nog wat ze bij haar lerares zoal getraind heeft. Ze heeft intervallen leren herkennen. Warempel, dat lukt snel. Kleine secunde, terts, reine kwint, het floept er allemaal uit. Maar als ik dan een overmatige drieklank speel kan ze de tonen ervan niet nazingen. Vragen over de kwintencirkel, over maat en ritme weet ze goed te beantwoorden. Haar basiskennis is voldoende. Ze heeft baat gehad bij haar fluitlessen waardoor ook haar notenbeeld niet slecht is, maar haar muzikale intuïtie is, vind ik,  onder de maat. Daardoor luidt mijn oordeel en dat van mijn meeluisterende collega: afwijzen. Als je al zo lang met muziek bezig bent dan moet de muzikale intuïtie bij voldoende aanleg veel breder zijn ontwikkeld. Waarschijnlijk heeft ze dus, helaas, domweg te weinig aanleg. Bij het praktijkonderdeel bleek dat daarna overigens ook.

Op veel conservatoria worden de studenten op een andere manier getest. De kandidaten zitten in een zaal en krijgen eerst een schriftelijke toets. Daar wordt de kennis van de muziektheorie getest. De vragen zijn voor iedereen hetzelfde, of je nu veel of weinig ervaring hebt met het notenbeeld en de muziektheorie. Daarna krijgen de kandidaten nog een korte mondelinge toets, waarbij vooral het van blad zingen en het ritme tikken wordt getoetst, soms moeten ze ook nog intervallen herkennen. Ik denk dat het meisje dat ik afwees op een ander conservatorium wellicht zou zijn aangenomen.

Andersom komt ook voor. Studenten die hun hele leven alles al op hun gehoor doen en nauwelijks met het notenbeeld bezig zijn geweest. Ze scoren soms fenomenaal goed bij de toets op muzikale intuïtie. Dergelijke personen krijgen bij mijn test veel moeilijkere opdrachten dan het eerstgenoemde meisje. Je wil als examinator weten waar de grens is, wat kunnen ze nog meer! Vervolgens blijken opeens kennis en notenbeeld onvoldoende. Motivatie is dan een belangrijke factor. Willen ze dat wel leren? Ze hebben zich hun hele leven al weten te redden zónder die noten. Maar op een vakopleiding zullen ze er tegen aan moeten gaan. Ze krijgen de kans om een jaar lang goed te oefenen in een vooropleidingsjaar. Daarna krijgen ze opnieuw een zo objectief mogelijk toelatingsexamen. Het blijkt dat een aantal van dergelijke kandidaten in dat vooropleidingsjaar afhaakt. Ze kunnen de discipline niet opbrengen. Hun wil om noten te leren is niet sterk genoeg. Maar ook zijn er studenten die het wél lukt. Dat zijn uiteindelijk de beste studenten. Ze hebben een fenomenaal goed gehoor, omdat ze al hun hele leven alles op hun gehoor hebben gedaan: muziek maken en muziek naspelen. Maar ze hebben ook een sterke discipline waardoor ze ver kunnen komen. Veel van die studenten zijn bij de toelating op andere conservatoria afgewezen.

Wij toetsen de kandidaten op wat ze wél weten, niet op wat ze níet weten. Dat is altijd ons uitgangspunt geweest en dat staat ook zo op de website van de afdeling Docent Muziek. Ik hoop dat dat ook zo zal blijven. Er gaan stemmen op om dat te veranderen. Onze methode zou teveel tijd kosten. Dat zou uitermate jammer zijn.

Over Pieter Simons

Docent muziektheorie, componist. Interesses: geschiedenis algemeen, kunstgeschiedenis, lokale geschiedenis, muziek en muziektheorie, filosofie, astronomie, fotografie, natuur, wilde bloemen
Dit bericht werd geplaatst in muziek, pedagogiek en onderwijs en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s