Bauhaus

De eerste helft van de twintigste eeuw was een roerige tijd: je had maar liefst twee wereldoorlogen en er was natuurlijk de Russische revolutie en de Spaanse burgeroorlog. Maar ook in de wereld van de kunst was er van alles aan de hand. In Spanje noemen ze de tijd vanaf de wereldtentoonstelling van 1888 in Barcelona de tijd van het  Modernismo. In plaats van historiserende of eclectische stijlen werd er op een nieuwe manier gebouwd en kunst gemaakt. In Frankrijk begint de Art Nouveau, in Wenen de Jugendstil. De mensen willen de wereld verbeteren, zie mijn artikel over het Beethovenfries in Wenen. Tot aan de eerste wereldoorlog zien we een stormachtige beweging van “nog verder willen, de kunst helemaal  willen vernieuwen”. Het is de tijd van de “ismes”. Laten we de lijst van stromingen die dan ontstaat voor het gemak maar beperken tot die van het kubisme en die van het  expressionisme. Dan volgt de koude douche van de eerste wereldoorlog.

Met name in Duitsland wil men daarna de draad weer positief oppakken. Zelfs de staat doet mee. Het Bauhaus, gesteund door een regering van linkse partijen wordt in 1919 opgericht in Weimar. Als opvolger van een school voor kunst en een school voor toegepaste kunst. Grote voorman en idealist is de architect Walter Gropius, op dat moment nog getrouwd met Alma Mahler, weduwe van Gustav Mahler. Hoewel er in de hele opzet linkse, soms zelfs communistische sympathieën doorklinken, wenst Gropius dat alle kunststudenten en docenten zich niet met politiek bemoeien. Het Bauhaus gaat zich daarentegen wel bezig houden met de mens zelf, niet alleen met het vak. Iedereen moet loskomen van conventies.

Onderstaande richtlijn voor het vormonderwijs, zoals die door Piet Zwart in de kunstnijverheidsschool in Amsterdam zo’n 10 jaar later wordt geformuleerd, geeft ook belangrijke aspecten van de filosofie aan het Bauhaus weer:

schema-voor-vormonderwijs

De negatieve pool van vormontwikkeling kan zijn dat ze zich richt op de verbeeldingloze, historiserende en passieve geest, die voortkomt uit een burgerlijke levenshouding. En bij cultuurgeschiedenis kan een analyse van vroegere kunstwerken zin hebben als je daardoor inzicht krijgt in de maatschappelijke verhoudingen van die tijd (lees: de invloed van de kerk, van de adel, van de rijke burgerij).

Johannes  Itten, een van de belangrijkste eerste docenten van het Bauhaus, was vegetariër en liep in witte gewaden rond. De vorming van de mens vond hij belangrijker nog dan het leren van technieken. Op een gegeven moment dreigde hij zo ver af te zweven van de ideeën van Gropius dat het tot een conflict kwam en hij ontslag nam. Daarna werd het onderwijs langzaam aan wat meer technisch en nog iets later ook sterk gericht op de buitenwereld: Bauhaus ging kunst verkopen en huizen bouwen. Er  was een atelier voor schilders, beeldhouwers, houtbewerkers, wevers en textielbewerkers. Ook de wereld van grafische vormgeving voor reclame, fotografie, film kwam er bij. Maar ook muziek en dans kregen aandacht. ’s Avonds werd er regelmatig iets opgevoerd en er werden nieuwe vormen van theater ontwikkeld. Kortom er was een enorme boost van levensenergie en het werken aan een positieve toekomst.

In Nederland was in die tijd de groep van de Stijl geboren. Een van de voornaamste vertegenwoordigers, Theo van Doesburg, vertrok voor twee jaar naar Weimar en had veel invloed op het denken daar. De vormenleer zoals Klee en Kandinsky die gingen geven aan het Bauhaus zijn daar een voorbeeld van.

Als je de tentoonstelling “Nederland-Bauhaus” in Boijmans van Beuningen bezoekt wordt je eerst geconfronteerd met enkele basisideeën zoals ze in de propedeuse van de opleiding werden gegeven. Je mag nadenken over vormen, kleuren en de combinatie daarvan en ook zelf enkele dingen uitproberen. Daarna wordt je meegenomen, al ronddwalende, in alle fases die het Bauhaus doorlopen heeft. Je ziet allerlei kunstobjecten als serviesgoed, meubels, gordijnen maar ook zie je pamfletten, lesroosters of foto’s . Ook kom je van alles te weten over de kunstinstituten die invloed hadden op, of die juist werden beïnvloed door de ideeën van het Bauhaus.  Zoals het instituut voor kunstnijverheid in Amsterdam. Je voelt de energie van die tijd door al die documentatie en objecten op je afkomen.

Ik laat slechts twee dingen van deze tentoonstelling zien.

Gelbe Mitte uit 1926 van Wassily Kandinsky.

kandinsky-gelbe-mitte

Pas in 1927 komt er een afdeling “vrije kunst” aan het Bauhaus Inmiddels gevestigd in Dessau). Dit tot grote opluchting van Klee en Kandinsky, die de formele opleiding te beklemmend vonden. De studenten leerden vooral techniek, maar de expressie was tot die tijd erg gericht, met opdrachten als: “hoe kun je spanning creëren die een somber effect heeft met groen, paars, geel , driehoeken en cirkels.“ Misschien is het kunstobject dat je hier ziet daar een voorbeeld van. Het heet “Gelbe Mitte” en wellicht gaat het hier vooral over de werking van de kleur geel in het midden van een schilderij.  Maar het gericht zijn naar het centrum wordt niet alleen door de kleur veroorzaakt maar ook door de beweging die uitgaat van de rechthoeken en gebogen vormen, met name rechts boven in het schilderij. Ook de kleuren blauw en rood hebben een functie in de compositie. Bruin en zwart springen er uit en geven wat hardere accenten.

Piet Zwart, docent aan de kunstnijverheidsschool van Amsterdam,  maakte in 1932 samen met Dick Elffers papieren poppetjes als basis voor illustraties voor een boek van de PTT. Ik vond ze erg geestig. Poppetjes en kostuums maakten ze ook in het Bauhaus. Oskar Schlemmer was daar onder meer mee bezig.

poppetjes

Naar aanleiding van de tentoonstelling heb ik veel gedachten. Ik moest bijvoorbeeld denken aan Arnold Schönberg die bevriend was met Kandinsky. Ook hij was idealist. Hij leidde zangkoren van arbeiders. Hij wilde muzikale werkingen in essentie doorgronden. Zijn leerlingen liet hij vrij. Hij gaf ze alleen les in klassieke technieken. Ik moest ook denken aan de jaren in Rusland vlak na de revolutie. Pas in 1932 wordt door Stalin avant-garde kunst verboden, tot die tijd is er ook in Rusland korte tijd nog het ideaal dat zelfs abstracte kunst de arbeiders kan optillen tot grotere hoogtes. Ik probeer de tijdgeest te doorvoelen. Maar:  in 1932 de stalen hand van Stalin, in 1933 de opruiende hand van Hitler. Baf. Dat betekent onmiddellijk het einde van het Bauhaus. Hoewel de invloed blijft. In Nederland bijvoorbeeld. En uiteindelijk ook in Amerika, als mensen als Gropius na hun vlucht voor de nazi’s zich daar vestigen en er zelfs een universitaire aanstelling krijgen.

De tentoonstelling “Nederland-Bauhaus” loopt nog tot  en met 26 mei 2019. Daarna gaat het museum voor veel jaren dicht door renovatie en nieuwbouw. Men is al bezig, veel ruimtes zijn al dicht. Maar hoogtepunten van de vaste collectie zijn gelukkig nog steeds in het museum te zien. Het grootste deel van de vaste collectie zal daarna grotendeels te zien blijven, verspreid over een aantal instellingen in Rotterdam.

 

 

Over Pieter Simons

Docent muziektheorie, componist. Interesses: geschiedenis algemeen, kunstgeschiedenis, lokale geschiedenis, muziek en muziektheorie, filosofie, astronomie, fotografie, natuur, wilde bloemen
Dit bericht werd geplaatst in kunst, maatschappij, recensie en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Bauhaus

  1. Anoniem zegt:

    Mooie beschrijving van de mooie tentoonstelling.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.