De geschiedenis van het orgel van Cavaillé-Coll in de Philharmonie van Haarlem

Dit artikel had ook een heel andere naam kunnen hebben. Het gaat namelijk voor een groot deel over een verdwenen gebouw in Amsterdam. In 1929 brandde daar een gebouw af dat toen voor Nederlandse begrippen spectaculair was: Het “Paleis voor Volksvlijt”.

Het was bijzonder door zijn bouw, maar ook vanwege zijn functie. Een van de idealistische gedachtes die er achter zat was het verheffen van het volk, iedereen moest in aanraking kunnen komen met allerlei vormen van kunst: muziek, toneel, dans. Daarnaast ging het om het promoten van nijverheid, handel en industrie. Maar omdat in dat gebouw ook een bijzonder orgel werd geplaatst bezit Nederland op dit moment een groot orgel van de meest beroemde orgelbouwer uit die tijd: Cavaillé-Coll. Nu staat dat in Haarlem. Er zijn er nog een paar, maar die zijn allemaal een stuk kleiner. Ik wilde meer weten over dat orgel en ging op zoek. Op internet vond ik een academisch proefschrift, getiteld “Cavaillé-Coll en Nederland” uit 2008, geschreven door René Verwer. Dit proefschrift kun je integraal teruglezen. Ik heb dankbaar gebruik gemaakt van delen hier uit om in beknopte mate iets te kunnen vertellen over dit Cavaillé-Coll-orgel, dat tegenwoordig staat in de Philharmonie van Haarlem en waar herhaaldelijk concerten op plaats vinden. Het wordt ook gebruikt bij het beroemde orgelconcours van Haarlem naast het beroemde orgel van de St. Bavokerk.

Terug naar het “Paleis voor Volksvlijt”, de oorspronkelijke standplaats van het orgel. De grote promotor van dat paleis was de Amsterdamse arts Samuel Sarphati (1813-1866) Er was in heel Nederland en vooral ook in de steden grote armoede en er waren slechte hygiënische omstandigheden. Als huisarts werd hij hier dagelijks mee geconfronteerd. Maar ook op ander gebied wilde hij Nederland vooruit helpen. Na een bezoek aan de “Great Exhibition” in Engeland, de eerste wereldtentoonstelling in 1851, rees bij Sarphati het verlangen om in Amsterdam een soortgelijk evenement te organiseren, om zo de Nederlandse achterstand op het gebied van industrie, landbouw en handel te verkleinen. Met de Delftse hoogleraar Salomon Abraham Bleekrode, die hem in Londen had vergezeld, en de bankier Abraham Carel Wertheim (1832-1897), richtte hij een jaar later “de Vereeniging van Volksvlijt” op. De architect Cornelis Outshoorn (1812-1875) werd na diverse intekeningen om financieel bij te dragen opgedragen een gebouw te ontwerpen in de geest van het “Crystal Palace in Sydenham” en het Parijse “Palais de l’Industrie”. Het Paleis voor Volksvlijt, dat zo tussen 1859 en 1864 verrees, was voor Nederlandse begrippen een noviteit. Het Paleis was een technisch hoogstandje met veel glas en metaal. Sarphati sprak over ‘een Paleis, dat, voor de volksvlijt gebouwd, het volksgeluk zal bevorderen en verspreiden en een nieuw tijdvak van ontwikkeling en vooruitgang, van zegen en voorspoed openen voor geheel het Vaderland’. Op 16 augustus 1864 vond de feestelijke opening plaats door Prins Frederik, broer van Koning Willem II. Leden van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst en het Amstels Mannenkoor onder leiding van Johannes Verhulst voerden Webers Jubelouverture, het Halleluia van Händel en de Lobgesang Cantate op. 52 van Mendelssohn uit. Zeven à achtduizend genodigden, voor een groot deel aandeelhouders, woonden de festiviteiten bij. Het was Sarphati’s streven dat het Paleis zou worden gebruikt voor tentoonstellingen op het vlak van industrie, nijverheid en land- en tuinbouw, maar ook voor kunstmanifestaties van diverse aard. Inderdaad vonden er tal van exposities plaats, zoals van voorwerpen voor de huishouding en ‘het bedrijf van den handwerksman’, bloemen en planten, honden, fotografie, schilderijen, poppen, meubels en ballonvaart. Ook werden in het Paleis de eerste rijwiel- en automobieltentoonstellingen (RAI) georganiseerd. In 1898 kon men er de gouden koets, gebruikt bij de inhuldiging van Koningin Wilhelmina, bewonderen. Op muzikaal terrein waren er tal van opera-, operette- en balletuitvoeringen. Met Fidelio kwam in 1871 de eerste opera in het Paleis ten uitvoer. Vanaf 1890 werd de oostelijke vleugel van het Paleis als schouwburg ingericht. De westelijke aan de Weteringschanszijde handhaafde men als concertzaal.

Een jaar na de opening van het Paleis voor Volksvlijt had Sarphati een beroepsorkest weten te formeren. In de Amsterdamsche Courant van 16 maart 1865 riep de directie beroepsmusici op om te solliciteren naar een te formeren Paleisorkest. Na enkele maanden als harmonie-ensemble te hebben gefunctioneerd, kon op 20 augustus 1865 het volledige Paleisorkest, bestaande uit 65 musici, zich presenteren. Maar men wilde nog meer: ‘wat wij verder wenschen voor het Paleis is, dat in 1875 in zijne muren het 600- jarig bestaan dezer stad moge worden gevierd, als eene hulde van het Amsterdam der toekomst aan het Amsterdam van voorheen. Dat dan een krachtig en welluidend orgel het Paleis versiere en met zijn majestueuse toonen kleur en leven bijzette aan de vertolking der meesterstukken van de groote componisten, opdat de invloed steeds krachtiger worde van de grootsche en bezielende muziek op de luisterende menigte!’ In augustus 1874 werd de eerste stap gezet ter vervulling van deze wens. De aanschaf van een orgel bood de mogelijkheid om het repertoire van het Paleisorkest te verbreden. Er werden meerdere orgelbouwers benaderd, uiteindelijk koos men voor Cavaillé-Coll. Die had op dat moment toevallig een demonstratieorgel in het atelier. Oorspronkelijk was het bedoeld voor het Parijse “Palais de l’Industrie”. Het had ook nog in het “Palais du Trocadéro” terecht kunnen komen, dat 5 jaar later werd gebouwd als onderdeel van de wereldtentoonstelling. Ook daar kwam uiteindelijk een orgel van Cavaillé-Coll terecht welk nu overigens in Lyon staat. (Zie mijn artikel over een stuk van Franck). Maar dat was toen nog niet aan de orde, gelukkig voor Nederland! Omdat de pogingen om het atelierorgel in het Palais de l’Industrie onder te brengen hadden gefaald, was het dus beschikbaar voor Amsterdam dat snel een mooi en groot instrument wilde. Het nieuwe instrument moest namelijk al vóór 27 oktober van hetzelfde jaar worden opgeleverd. Op die dag zou Amsterdam het feit herdenken, dat graaf Floris V zeshonderd jaar eerder aan ‘de lieden wonende te Amestelledamme’ het privilege van tolvrijheid had verleend, waarmee Amsterdam feitelijk stadsrechten had verworven. Op 21 januari stuurde Cavaillé-Coll bestek en tekening van het beschikbare “orgue de tribune” aan de directie. Hangende de besluitvorming over de aanschaf van het orgel werd spoedig onderzoek verricht naar de verbetering van de akoestiek van het Paleis. De constructie van het gebouw, als tentoonstellingsruimte en nu eenmaal niet als concertzaal opgezet, veroorzaakte verwarrende echo’s, met een ondoorzichtige orkestklank als resultaat. In Engeland had men al geconstateerd dat gewelfde constructies in concertzalen menigmaal een diffuse akoestiek opleverden (Londen, Exeter Hall, Saint George’s Hall te Liverpool en Leeds Town Hall). Ook het glazen, koepelvormige plafond van de immense Royal Albert Hall te Londen veroorzaakte een sterke verstrooiing van het geluid. De concertzalen in Birmingham, Bradford en – op advies van Cavaillé-Coll – Sheffield waren van platte plafonds met afgeronde of afgevlakte hoeken voorzien, waardoor de nagalm sterk werd gereduceerd. Men zocht wegen om de akoestiek van grote ruimtes te optimaliseren. In Saint Fin Barre’s Cathedral te Cork (Ierland, gebouwd 1865-1870) waren daartoe in 1873 proeven genomen met het spannen van een netwerk van katoenen draden in de hogere gedeelten van de ruimte, een methode die in de Londense Albert Hall enkele jaren na de bouw eveneens werd toegepast. Hierdoor werd de nagalm aanzienlijk gereduceerd. Op 11 februari 1875 werd deze methode ook in het Paleis met succes aangewend. Nog voordat het aanbrengen van de draden was afgerond merkte het Paleisorkest al een akoestische verbetering: vooral strijkinstrumenten hadden er baat bij omdat de overgang van forte- naar pianoklanken door het uitblijven van de hinderlijke nagalm duidelijker waarneembaar werd. Om het hinderlijk geschuifel van bedienend personeel en bezoekers tijdens concerten te dempen, werden in de gangpaden matten van kokos of zachte stof gelegd. Ook bracht men een groot klankbord boven het orgel aan, waardoor het geluid direct de zaal in werd geleid.

Het orgel werd ingewijd door de beroemde Franse organist en componist Alexandre Guilmant op 26 oktober 1875. Voor de wekelijkse bespelingen op zondagmiddag werd een ‘Vereeniging tot Bevordering van de Orgelmuziek’ opgericht, die op 23 maart 1876 een Nationaal Orgelconcours organiseerde. In het begin was Jos. A. Verheijen de vaste bespeler, maar in 1879 werd de uit Brussel afkomstige Jean-Baptiste de Pauw als paleisorganist benoemd. Vooraanstaande Franse en Belgische organisten kwamen concerten geven, onder wie Alphonse Mailly in 1876, Camille Saint-Saëns in 1876 en 1897, Charles-Marie Widor in 1886 en Louis Vierne in 1895.

Toen het paleis in 1916-1917 gebruikt werd voor mobilisatie in verband met de Eerste Wereldoorlog, werd het instrument gedemonteerd en opgeslagen. Het Cavaillé-Coll-orgel werd van de ondergang gered doordat Louis Robert, inmiddels de Haarlemse stadsorganist, zich het lot van het instrument aantrok. Hij wist in 1915 twee vermogende zakenlieden en kunstliefhebbers, Julius Carl Bunge (de bewoner van Huize Kareol in Aerdenhout) en de oliemagnaat Adriaan Stoop, ervoor te interesseren. Zij werden de sponsors bij de aankoop door de gemeente Haarlem en kwamen overeen om het instrument, dat zeer geschikt is voor muziek uit de Franse romantiek, in de Grote Zaal van het Haarlemse Concertgebouw te plaatsen. Dat gebeurde uiteindelijk in 1922. Geluk bij een ongeluk, want het paleis in Amsterdam brandde in 1929 voor een groot deel af, waardoor ook het orgel verloren zou zijn gegaan.

Aanvankelijk was het orgel in Haarlem weinig succesvol. Men vond dat de akoestiek van de Grote Zaal niet bij het instrument paste. Bovendien had Adema, die het orgel had gerestaureerd, een nieuwe pneumatische tractuur aangebracht die het karakter van het orgel veranderde. De oorspronkelijke windladen met slepen van zwelwerk en pedaal waren uit het orgel verwijderd. Bij verbouwingen werd de tractuur in 1939 gedeeltelijk en in 1965 geheel elektrisch. Ook in 1965 werd één register vervangen, werden diverse registers toegevoegd en kwam er (weer) een nieuwe speeltafel. De orgelkas werd in 1965 bordeauxrood geschilderd. Toen in 2003-2005 het Haarlemse Concertgebouw een grondige verbouwing en uitbreiding tot de ‘Philharmonie’ onderging, werd ook opdracht gegeven voor restauratie van het verwaarloosde orgel. De firma Flentrop heeft het zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat teruggebracht. Diverse verwijderde onderdelen werden teruggehaald uit andere orgels waarin ze inmiddels verwerkt waren. Zo kwamen de windladen terug uit Ottersum. Het enige verwijderde register, de Unda Maris 8′, werd teruggeschonken door de Dorpskerk van Barendrecht. De speeltafel werd gereconstrueerd volgens het authentieke ontwerp. De orgelkas werd geschilderd in de kleurstelling van 1924 (notenhout-imitatie). Zo heeft Nederland nu weer een groot Cavaillé-Coll orgel.

Het orgel is digitaal beschikbaar via het softwareprogramma Sweelinq. Omdat de nagalm in de Philharmonie van Haarlem slechts 2 seconden bedraagt, en de nagalm oorspronkelijk, ook in het Paleis van Volksvlijt, veel meer was hebben de softwaremakers een knop toegevoegd met de naam “Cathédrale”. Als je daar op drukt wordt de nagalm een stuk meer en krijg je een nog beter idee van hoe het orgel in de oorspronkelijke opzet zou moeten klinken. Ik heb zelf deze software en speel bijna dagelijks op dit Cavaillé-Coll-orgel in mijn orgelkamer! Zie hier de dispositie:

Ik laat nu een opname horen, niet gemaakt met de gesamplede klanken van het orgel via Sweelinq,  maar akoestisch opgenomen vanuit de Philharmonie van Haarlem. Gerben Budding speelt daar de eerste orgelsymfonie van Louis Vierne, een stuk dat op dit orgel helemaal tot zijn recht komt!

Onbekend's avatar

About Pieter Simons

Docent muziektheorie. Interesses: geschiedenis algemeen, kunstgeschiedenis, lokale geschiedenis, muziek en muziektheorie, filosofie, astronomie, fotografie, natuur, wilde bloemen. En daarnaast allerlei maatschappelijke dingen als onderwijs en opvoeding
Dit bericht werd geplaatst in Geschiedenis, muziek en getagd met , , , , , , , . Maak de permalink favoriet.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.