Stilte

Mieke Zijlmans schreef in Sir Edmund, een van de zaterdagbijlagen van de Volkskrant, over de betekenis van stilte in de muziek. Een onderwerp dat ook ik erg boeiend vind. Ze vertelt hoe Ligeti aan het einde van een stuk een aantal lege maten noteert. De dirigent blijft door dirigeren maar de musici spelen niet meer. Wat een goede zet! Ik erger me altijd aan het feit dat toeschouwers nog nauwelijks nadat de laatste noot verklonken is al beginnen te applaudisseren. De stilte hoort er, zeker bij een goed, ontroerend stuk, altijd bij. Die mag je niet wreed verstoren. Zaterdag liet Gergiev nadat de laatste noten van het imposante stuk van Goebaidoelina al verklonken waren zijn handen in een spannende dirigeerstand staan om ze pas na een hele tijd te ontspannen. Zelfs toen bleven de mensen nog enkele seconden stil voordat het applaus begon. Dát werkt!

Stilte aan het einde kan soms nog een extra dimensie hebben, als je iets weet over het stuk. “Die Kunst der Fuge” van Bach is een monumentaal werk, dat een ode is aan de scheppingskracht van de mens. Het meesterschap van Bach komt hier ten volle tot zijn recht. Negentien zogenaamde contrapuncti. Het zijn stukken zonder een voorgeschreven bezetting. Je kunt ze als goede organist op een orgel spelen. Je kunt ze ook alleen of met zijn tweeën op een of twee piano’s of clavecymbels spelen. Of een strijkkwartet kan ze uitvoeren. De fuga is als kunstvorm door Bach naar de hoogst denkbare hoogte gebracht. Het is bijna abstracte kunst geworden. Het gaat nergens over. Je kunt er beelden bij hebben als je wilt, maar liever nog zit je ademloos op het puntje van je stoel. In volle overgave laat je de overweldigende constructies over je heen komen. Je verblijft in een kolossale kathedraal, in een immense bijna hemelse ruimte waar het niet stil is, nee, de ruimte is gevuld met een niet menselijke lading. De cultuur van de mens reikt hier naar de natuur van het  goddelijke. Alleen: de laatste fuga is niet af. Deze fuga is blijven steken halverwege. Wat doe je dan als uitvoerende? Laat je hem door iemand afmaken en speel je zo het complete werk? Laat je deze fuga dan maar weg? Nee, veel muzikanten kiezen voor de meest elegante en voor mij ook de beste oplossing. Ze stoppen na de laatste noot die Bach nog aan het papier heeft toevertrouwd. De kathedraal stort daardoor niet in. Hij is wel onaf. De stilte is nu extra beklemmend. Je twijfelt zelfs of klappen na dit alles wel kan. Alles lijkt opeens te veel. Maar de stilte mag ook niet te lang duren. Hij werkt pas echt als hij ook weer overgaat in de orde van de dag. Dus dan toch maar applaus. Daarna klinkt er geroezemoes. De kerk loopt leeg. Alleen de koster blijft nog even peinzend staan voordat hij gaat afsluiten. Er staat trouwens nog iemand bij de toegangsdeur. De deur staat wijd open. Binnen was Bach. Buiten is de hemel.

noto

Hieronder het slot van contrapunctus XIX uit “Die Kunst der Fuge” van Johann Sebastian Bach, gespeeld door Musica Antiqua Köln. De muziek begint op het punt dat er een fugathema inzet op de noten Bb A C B. In het Duits heten deze noten B A C H. Bach zet hier nog eens fijntjes zijn handtekening. Dit thema vormt het geraamte van de architectuur van dit stuk. Tot aan het einde horen we zes keer dit thema met de noten B A C H, daarnaast nog een aantal keren op een andere toonhoogte of gespiegeld. Saen wordt het bouwwerk zo geschraagd. De eerste vier keer is volgens het boekje: origineel in de altviool, beantwoording een kwint hoger in de tweede viool. Na een kort tussenspel komt dit nog een keer: het origineel nu in de eerste viool, de beantwoording in de cello. Er volgt een wat langer tussenstuk, dan komt weer het originele thema in de altviool, maar nu antwoordt de tweede viool een kwart hoger in de omkering (de noten worden gespiegeld).  Bij de volgende twee inzetten zien we twee keer het origineel, maar in de vorm van een zogenaamd stretto: de beantwoording komt veel te vroeg, onmiddellijk al na een tel. Dan is er nog een losse inzet in de omkering in de cello, waarna er een klein slot wordt ingebouwd met een harmonische cadens in de vorm van de functies tussendominant-V-I. Dat stukje eindigt in C. Onmiddellijk daarna zitten we weer in de oude toonsoort D-mineur en komen er nog twee inzetten met de naam Bach, eerst in de tweede viool, een eind verder in het instrument waar deze fuga ook mee begon: in de altviool. Deze mag dan de tragiek van het stuk afmaken door nog drie maten verder te spelen en als enige over te blijven, er rest daarna slechts stilte. Hoe zou Bach verder hebben willen gaan? De lange tonen in de cello suggereren dat hij nu naar het einde toe wilde werken. Maar dat slot mogen we zelf verzinnen.

Luister naar dit stukje van de partituur en luister vooral ook naar het einde, naar de plotselinge stilte. Bij deze registratie duurt de stilte voor mij net enkele tellen te kort. Maar hij gaat wel mooi over in de kabbelende geluiden van stromend water: cultuur wordt natuur!

Kunst der Fuge_0001

Kunst der Fuge_0002

 

Over Pieter Simons

Docent muziektheorie, componist. Interesses: geschiedenis algemeen, kunstgeschiedenis, lokale geschiedenis, muziek en muziektheorie, filosofie, astronomie, fotografie, natuur, wilde bloemen
Dit bericht werd geplaatst in muziek en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s