De Oud-Katholieke kerk in Nederland

De teksten in dit artikel zijn voor een belangrijk deel afkomstig van de site van de Oud-katholieke kerk: https://oudkatholiek.nl/.

Wie iets van de historische wortels van de Oud-Katholieke Kerk van Nederland wil begrijpen, moet drie periodes in de gaten houden: de vroege kerk in de eerste tien eeuwen; de tijd van de hervorming van de zestiende tot de achttiende eeuw; en de moderne tijd vanaf de negentiende eeuw.

De eerste periode. De Oud-Katholieke Kerk oriënteert zich graag op de oude of vroege kerk. Daarmee bedoelt zij de ongedeelde kerk van de eerste tien eeuwen. In die tijd werden de kerken het eens over de belangrijkste bouwstenen van het geloof. De drie belangrijkste waren:

  1. De belangrijkste teksten van de bijbel
  2. er ontstond een kerkelijke ordening van diaken, priester en bisschop die voorgingen in de eredienst en de kerk bestuurden
  3. men formuleerde de belangrijkste punten van geloof in een geloofsbelijdenis

Sinds 1054, het jaar van het zogenaamde Grote Schisma, gingen de Griekse of orthodoxe kerken in het Oosten en de Latijnse of katholieke kerken in het Westen gescheiden wegen. Ondanks pogingen tot verzoening duurt die situatie tot op de dag van vandaag nog voort. De synodale en conciliaire wijze waarop de lokale kerken in de eerste tien eeuwen hun onderlinge band gestalte gaven en in stand hielden, is voor de Oud-Katholieke Kerk nog altijd voorbeeld en leidraad voor haar eigen samenwerking met andere kerken om tot herstel van de eenheid te komen.

De tweede periode is die van de kerkelijke hervorming of Reformatie in de zestiende en de zeventiende eeuw en de voortzetting daarvan in de achttiende. De paus hield er een schitterende hofhouding op na in Rome, dit stoorde velen en men wilde tegelijk tot evangelische eenvoud komen. De protestbeweging tegen de kerkelijke misstanden groeide uit tot een breed verzet, dat als ketterij werd bestempeld, en uiteindelijk tot een heel spectrum aan nieuwe kerken, die naar hun publieke getuigenis tegen de beperking van godsdienstvrijheid als ‘protestantse’ kerken werden samengevat. Ook binnen de katholieke kerk bleef de roep om hervorming aanhouden met als belangrijkste resultaat het Concilie van Trente (1545-1563), waar aanzetten werden gegeven voor wat de katholieke hervorming zou worden. In een poging om de protestantse hervorming tegen te gaan reorganiseerden de koning van Spanje en de paus in 1559 de kerk in de Nederlanden. In de Noordelijke Nederlanden werd het oude bisdom Utrecht aartsbisdom en daaronder waren er nog vijf nieuwe bisdommen: Leeuwarden, Groningen, Deventer, Haarlem en Middelburg. In wat nu Nederland is werden er nog twee nieuwe bisdommen gemaakt: Roermond en den Bosch. Zij vielen onder het aartsbisdom Mechelen.Maar de reorganisatie kwam niet goed van de grond. De protestantse (‘gereformeerde’) religie werd de officiële kerk, gefinancierd uit onteigende katholieke bezittingen. De katholieken vormden soms 30% van de bevolking, maar golden als tweederangsburgers. Ze werden gewantrouwd vanwege hun banden met Rome, maar gedoogd vanwege hun handelsbetrekkingen met katholieke landen. In deze situatie mochten de bisschoppen hun titels niet voeren en hun zetels niet in bezit nemen en al gauw raakten de meeste bisschopszetels vacant.
Om in deze moeilijke situatie te voorzien benoemde Rome apostolische vicarissen voor wat zij ‘de Hollandse Missie’ ging noemen. Op veel plaatsen kwamen priesters, onder wie ook franciscanen en jezuïeten om het kerkelijke leven weer op te bouwen. In hoeverre moest de Katholieke Kerk in de Republiek als voortzetting van de kerk van vóór de hervorming worden gezien? Velen kozen voor een radicalere vorm van heropbouw. In 1702 ontplofte de bom. Rome schorste apostolisch vicaris Petrus Codde (1648-1710) en zette hem twee jaar later af. Codde had zich in Rome niet afdoende weten te verdedigen tegen beschuldigingen die jezuïeten en fransciscanen jarenlang tegen hem hadden ingebracht. De nieuwe apostolisch vicaris die Rome benoemde, werd door toedoen van de leidende geestelijken in de Republiek en dankzij medewerking van de Staten van Holland uit de Republiek verbannen. Er ontstond een impasse die twintig jaar duurde. Gedurende deze tijd kristalliseerden  beide partijen zich uit. De geestelijken en leken die Coddes onschuld verdedigden en die de continuïteit van de Utrechtse Kerk benadrukten noemden zichzelf de “Bisschoppelijke Cleresie”. Zij werd bestuurd door de vier vicarissen die Codde nog had aangesteld, in samenwerking met het Utrechtse Vicariaat en het Haarlemse Kapittel. De partij die de Romeinse oordelen over Codde aanvaarde, accepteerde de status van missiegebied. Als Hollandse Missie of Zending – nu geen neutrale term meer – werd zij bestuurd door de officiële vertegenwoordigers van Rome te Brussel of Keulen en de congregatie “De Propaganda Fide” in Rome, speciaal opgericht voor het bestuur van de katholieke kerk in gebieden zonder katholieke overheid. Zij werden daarmee “Rooms-katholiek”. Maar de rest steunde het gezag van Rome niet meer. De Oudkatholieke kerk, de kerk die een voortzetting van de beginjaren van het Christendom wilde zijn, was geboren. De term Oud-katholiek werd nog niet gebruikt.

De derde periode in de kerkgeschiedenis die voor de Oud-Katholieke Kerk belangrijk is geworden, is de negentiende eeuw, en dan met name rond twee jaren: 1853/54 en 1870. Nadat in 1796 naar Frans voorbeeld de gelijkberechtiging van de kerken was afgekondigd, duurde het tot na de invoering van de Grondwet van 1848 totdat ook de meerderheid van katholieken haar kerk kon inrichten als de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland. Zo kwam in 1853 een nieuwe rooms-katholieke organisatie tot stand met door Rome benoemde bisschoppen. De invoering van de nieuwe bisschoppelijke structuur in 1853 was een kwestie van kerkelijke organisatie. Ernstiger was de afkondiging van het nieuwe dogma van de onbevlekte ontvangenis van de heilige maagd Maria in 1854: die raakte aan het geloof zelf. Volgens de Cleresie kon dat leerstuk niet tot het geloof van de kerk van alle tijden behoren, omdat het pas sinds de twaalfde eeuw bekend was. Het was daarnaast altijd zeer omstreden geweest. Ook was het nu afgekondigd zonder algemeen concilie, dat als vergadering van de gehele kerk de enige instantie was die bindende uitspraken over geloofsvraagstukken kon doen. De bisschoppelijke Cleresie noemde zich nu ‘oud-katholiek’, ter onderscheiding van de katholieken die het nieuwe geloof aanhingen en daarom spottend ‘nieuw-Rooms’ werden genoemd. Hoewel de Oud-katholieken dus al bestonden sinds het begin van de achttiende eeuw werd nu voor het eerst deze naam gebruikt. ‘Nu kan de paus zichzelf net zo goed onfeilbaar verklaren’, verzuchtte de toenmalige aartsbisschop van de Cleresie. En dat was precies wat er zeventien jaar later in 1870 gebeurde.  In verschillende landen ontstond verzet tegen de nieuwe dogma’s, met name bij geleerden in Duitstalige landen waar de kerk toch al doelwit van burgerlijk protest was geweest. Ze werden geëxcommuniceerd en gingen over tot de vorming van kerken. De Nederlandse oud-katholieke bisschoppen wijdden een collega voor de Duitse oud-katholieken zoals ook zij zich noemden, maar daarna duurde het een tijd voordat de betrekkingen een vastere vorm kregen. De Nederlandse Cleresie bekeek de protestbewegingen met groeiende ongerustheid, want in Duitsland en vooral Zwitserland versterkte men de rol van leken ten koste van geestelijken, ging men de mis in de landstaal vieren, kwam men tot vriendschappelijke betrekkingen met anglicanen en orthodoxen en dacht men hardop na – o gruwel! – over de afschaffing van het verplichte priestercelibaat. Uiteindelijk kwamen de drie Nederlandse oud-katholieke bisschoppen en hun collega’s van Duitsland en Zwitserland in 1889 tot ondertekening van de Utrechtse Bisschopverklaring, waarin de principiële uitgangspunten voor hun samenwerking werden verwoord. In de jaren die volgden verstevigde de samenwerking zich. De bisschoppen kwamen samen in hun Internationale Bisschoppen Conferentie, er werden internationale oud-katholieken congressen georganiseerd, er werd een wetenschappelijk theologisch tijdschrift opgericht, priesterstudenten bezochten elkaars opleidingen en pastoors wisselden soms over de landsgrenzen in de vakantie van pastorie.

Met de drie periodes die in het bovenstaande zijn geschetst zijn grondkenmerken van de Oud-Katholieke Kerk gegeven, die ook in de twintigste eeuw hebben doorgewerkt: synodaliteit, bisschoppelijke organisatie van de lokale kerk, bewaren van de oude katholieke leer. Vanuit het besef van de synodaliteit en conciliariteit van de vroege kerk richtte de Oud-Katholieke Kerk in 1920 een landelijke Synode op, zodat alle parochies gingen delen in de verantwoordelijkheid voor het landelijke bestuur. In de jaren zestig van de vorige eeuw kwam er een gelijke en centraal georganiseerde honorering van de geestelijken tot stand, zodat er niet langer sprake was van ‘vette’ en ‘magere’ pastoorsplaatsen. Na langdurig intern synodaal overleg en met raadpleging van andere kerken besloot de Oud-Katholieke Kerk in 1998 dat ook vrouwen toegang hadden tot het bijzondere ambt van diaken, priester en bisschop. Op het gebied van de sacramenten besloot de Oud-Katholieke Kerk dat ook andere huwelijkse relaties dan de klassieke van een man en een vrouw gezegend kunnen worden, hoewel hierover ook onder oud-katholieken nog geen internationale overeenstemming is bereikt.

Jansenisme

De Oud-Katholieken worden soms ook wel “Jansenisten” genoemd. Hoe zit dat?
Cornelius Jansenius (ook wel Jansen genoemd) schreef het postuum uitgegeven boek Augustinus in 1640. Hij legde grote nadruk op de genade van God en de predestinatie (de leer dat God al vooraf bepaalt wie wel of niet gered wordt). Geen eigen kracht: Volgens jansenisten kan de mens het zielenheil niet zelf afdwingen door goede daden; alles hangt af van Gods genade. Er was veel aandacht voor innerlijke vroomheid, strenge zeden en bewuste Bijbelstudie voor leken. De leer vertoonde overeenkomsten met het calvinisme en werd door de paus als ketterij veroordeeld.  De jansenisten lagen vaak in hard conflict met de jezuïeten over de vrije wil en de moraal binnen de kerk.

Toen het Jansenisme in Frankrijk door pauselijke bullen (zoals Unigenitus in 1713) en koning Lodewijk XIV werd vervolgd, vluchtten veel Franse Jansenisten naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De Hollandse Zending (de Katholieke Kerk in de Republiek) was relatief onafhankelijk van Rome en bood onderdak aan deze vluchtelingen. Utrecht werd hierdoor een intellectueel en theologisch toevluchtsoord voor aanhangers van het Jansenisme. Rome bekeek de sympathie van de Utrechtse geestelijken voor de vervolgde Jansenisten met grote argwaan. Toen Rome probeerde de directere controle over het gebied over te nemen en de privileges van het Utrechtse kapittel in te trekken, ontstond een hoogoplopend conflict over kerkelijke autonomie en het recht om een eigen bisschop te kiezen.

In 1723 koos het kapittel van Utrecht zelfstandig een nieuwe aartsbisschop (Cornelis Steenoven), zonder toestemming van de paus. Steenoven werd vervolgens gewijd door een geschorste Franse bisschop, Dominique-Marie Varlet, die zelf nauwe banden had met de Jansenisten. Dit markeerde het officiële ontstaan van wat later de Oud-Katholieke Kerk van Utrecht zou worden genoemd. Wat niet wil zeggen dat de Oud-Katholieke kerk de dogma’s van het Jansenisme over bijvoorbeeld predestinatie overnam. De Oudkatholieke kerk zegt hierover: de mens heeft van God een vrije wil gekregen en de verantwoordelijkheid om in vrijheid te kiezen voor goedheid en waarheid. Verder wil God dat alle mensen worden gered. Zijn genade is een onverdiende gave, maar de mens kan en mag daar in vrijheid op reageren of zich ertegen verzetten. Predestinatie wordt in deze visie niet gezien als een dwingend lot dat mensen uitsluit, maar als Gods liefdevolle roeping en voorkennis die ruimte laat voor de menselijke keuze.

Samenvattend kunnen we zeggen dat de Oudkatholieke kerk allereerst het gezag van de paus van Rome niet erkent en zich synodaal probeert te organiseren zoals dat ook in de eerste eeuwen van het Christendom het geval was. In Nederland zien we dat de gemeenschappen proberen mee te gaan met brede maatschappelijke ontwikkelingen en zo ook vrouwen en homo’s een gelijkwaardige plaats in de kerk geven.

Onbekend's avatar

About Pieter Simons

Docent muziektheorie. Interesses: geschiedenis algemeen, kunstgeschiedenis, lokale geschiedenis, muziek en muziektheorie, filosofie, astronomie, fotografie, natuur, wilde bloemen. En daarnaast allerlei maatschappelijke dingen als onderwijs en opvoeding
Dit bericht werd geplaatst in Geschiedenis, maatschappij en getagd met , , . Maak de permalink favoriet.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.