Atonale muziek

Vind jij atonale muziek mooi? Deze vraag kreeg ik gisteren gesteld toen we over muziek waren aan het praten. Een heel begrijpelijke vraag. Na honderd jaar is de vrije atonale periode van Schönberg of Webern nog steeds nauwelijks toegankelijk voor heel veel mensen. Zelfs de schrijvende muzikanten en Bachliefhebbers Paul Witteman of Maarten ’t Hart begrijpen er niets van. Maarten ’t Hart noemt het een dwaling in de muziekhistorie.
Maar wat is mooi? De Hammerklaviersonate van Beethoven of zijn Grosse Fuge zijn niet mooi. De strijkers moeten buitengewoon heftig in extreme registers de noodkreten van Beethoven ten gehore brengen en als je gewend bent om naar mooie strijkersklanken te luisteren loop je snel weg. Maar wat een samengebalde energie, wat een ongelooflijk spannnend verhaal, wat een plot met een steeds uitgesteld slot. Mooi? Het is maar wat je daar onder verstaat. Maar overweldigend, aangrijpend.

Mooi staat voor veel mensen als welluidend. Zeer welluidende muziek is muzak. De samenklanken zijn zoet, de registers zijn gematigd, de tempi zijn rustig, de melodieën zijn vlak, heerlijk! Nee toch? Verschrikkelijk! Ik zou dus liever in plaats van mooi willen spreken over goede muziek.

Naar iemand als Dufay kun je luisteren met Muzak oren. Welluidende samenklanken, mooi gezongen, bekoorlijke registers. Als je zo luistert kun je het als een behangetje in een 15e eeuwse kerk door een speaker laten horen om de toeristen een goed gevoel te geven. Maar: zo is die muziek niet bedoeld. Bij Dufay gaat het allereerst om het uitbeelden van de tekst, muzikaal om de polyfonie, om de melodielijnen, om de dragende cantus firmus. Om dat te beluisteren zoals het bedoeld is, dat is voor mensen uit de een en twintigste eeuw niet gemakkelijk.

Naar de ‘5 Stücke für Streichquartett op.5’ van Anton Webern moet je ook op een bepaalde manier luisteren. Laten we als voorbeeld het tweede stukje nemen. De samenklanken zijn net als bij Dufay totaal ondergeschikt aan andere muzikale parameters. Als je eenmaal in staat bent de samenklanken die je hoort slechts als een soort ‘behang’ te ervaren en daar verder niet op gefocust te zijn, omdat je dat soort samenklanken niet gewend bent, kun je open staan voor het echte verhaal. Dat moeten ’t Hart en Witteman nog steeds leren. Begin dan om de textuur te ervaren. Er is hier sprake van een vrij eenvoudige gelaagdheid, voorgrond en achtergrond. Bij sommige stukjes is er voor het grootste deel een dragende melodie. Nee, niet een melodie die je makkelijk na zingt. Hij is uitvergroot, de intervallen zijn vaak groot:


Maar dat moet je een beetje zien in de extremiteit van de laatromantiek. Wagner deed dat ook, maar was niet atonaal. Laten we ons nu eens richten op de maat en het ritme van die melodie. Er is geen vaste maat. Net als bij een Gregoriaanse melodie, en feitelijk ook bij melodieën van Dufay: je moet over de maat heen denken. Er zijn slechts ophangpunten in de melodie, dat zijn langere tonen, of rusten. Daar denk je als zanger naar toe. Zoals bij een gedicht dat niet in een metrische cadans staat, maar meer het woordritme van een gesproken verhaal volgt. Zo’n dichtregel wordt dan wel poëtisch voorgedragen, met accenten en andere dynamiek, met subtiele nuances, met versnellingen en vertragingen, met een afbraak naar het einde toe, uiterst geconcentreerd en expressief. Allemaal dingen die bij taal vanzelfsprekend zijn, maar nu bij Webern worden ze omgezet in een woordloos verhaal. Als bij een gedicht van van Ostayen.

Luisteren we nu eens naar de achtergrond. Het blijkt opeens dat deze achtergrond het verhaal ondersteunt. Iedere keer als de melodie een langere toon heeft, een ophangpunt, hoor je een tel erna een akkoord. De achtergrond begeleidt de voorgrond, heel subtiel. Hij ademt mee, over de maat heen. De begeleiding maakt ook duidelijk wat opmaat is, of maakt duidelijk of een motief op een zware tel eindigt. Het eerste motief begint op een licht moment, stijgt als een vraag en eindigt op een zwaar moment. Het tweede motief heeft een veel langere opmaat, maar daalt als een antwoord en eindigt licht. Allemaal dingen die bij taal vanzelfsprekend zijn, maar bij Webern worden ze omgezet in een woordloos verhaal. Je zou er woorden bij kunnen verzinnen, die passen in het ritme van de melodie met de juiste lettergreep-accenten (vet=benadrukt):

Hallo, Hallo? (de vraag)
Ik blijf je zoeken, blijf je zoeken, je zoeken (het antwoord, dat langzaam wordt afgebroken)

Het antwoord wordt twee keer herhaald, maar steeds korter, het wordt afgebroken. Op het einde horen we in het woord ‘zoeken’, een dalende grote secunde. Probeer de melodie eens een aantal keren mee te zingen op bovenstaande tekst en draai intussen onderstaand fragment een aantal keren af:

Hierna wordt “zoeken nog een keer herhaald, maar de dalende grote secunde wordt omgezet in een dalende kleine secunde, over het octaaf heen (een kleine dalende none.) Met een pizzicato wordt het eerste stukje afgesloten. Daarna komt een soort middendeel. Deze dalende kleine secunde (het slot van het uitgebreide antwoord) wordt omgezet in een nieuwe vraag, nu horen we een stijgende kleine secunde.  Als de veranderde hoofdmelodie er dan weer bijkomt wordt er even verder een soort tegenmelodie gemaakt met deze stijgende secunde, waardoor de zetting iets complexer is. Tot slot: het gedicht wordt verstild afgesloten. Prachtig! Luister naar het hele stuk.


Dit is dus het tweede gedicht van vijf. Wat een ongelooflijke expressiviteit, wat een kleinood.

Als een gedicht van van Ostayen…

Een lied (7 juli 1916)

Een vrouw die, een heideheuvel afdalend, kleine, paarse
heidebloemen strooit over het hoofd van de welbeminde
en lacht, zó zijt gij tot mij gekomen
zomerlik reëel, sterke
ziel van buiten, geworden tot mijn ziel;
kracht, die weer buitenwaarts gaat.

Luister naar alle gedichtjes van dit opusnummer. Mooi? Nee, het is eerlijke, goede muziek!

Over Pieter Simons

Docent muziektheorie, componist. Interesses: geschiedenis algemeen, kunstgeschiedenis, lokale geschiedenis, muziek en muziektheorie, filosofie, astronomie, fotografie, natuur, wilde bloemen
Dit bericht werd geplaatst in muziek en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

3 reacties op Atonale muziek

  1. Marius zegt:

    Als ik dit onderwerp met leerlingen op mijn basisschool bespreek, vergelijk ik het altijd met een taal. Het gaat in die lessen niet om atonale muziek, maar meer over muziek die zij allemaal op de hoop ‘klassieke muziek’ schuiven.

    In zo’n les lees ik eerst een mop voor in het Frans. Daarna dezelfde mop in het Nederlands. De kinderen weten niet dat het dezelfde mop is. Ze lachen om de Nederlandstalige mop. Er komt dan een gesprekje op gang. De conclusie is dat de aardigheid (de grap) hen ontgaat doordat ze de taal niet spreken. Ze kunnen de mop in het Frans niet waarderen of begrijpen, terwijl de inhoud ervan toch geweldig leuk is. Dan heb ik een bruggetje naar de waardering voor muziek die zij niet kennen. Zij spreken die taal ook niet.

    Het is overigens wel riskant. Want je kunt op zoveel verschillende manieren muziek beleven. Die muzikale beleving is m.i. te vergelijken met een persoonlijke leervoorkeur. Waar de één leert door een goed voorbeeld ná te doen, leert de ander d.m.v. een instructie uit een boek. Sommige mensen willen zich ook niet verdiepen in muziek, want het moet direct aanspreken. Het is afhankelijk van cultuur, persoonlijke voorkeur, smaak en misschien uiteindelijk zelfs ook wel van intelligentie.

    Ik heb een persoonlijke affiniteit met alles van (heel) lang geleden. Daarom houd ik van oude muziek. Ik heb een soort natuurlijke afkeer van alles wat zich afzet tegen iets wat ik juist kan waarderen. Je ziet in de kunst steeds die beweging van afzetten tegen het voorgaande, en het beïnvloeden van wat komen gaat. Met name dat ‘afzetten tegen het voorgaande’ is iets wat ik heel interessant vind, maar eerlijk is eerlijk… ik vind het ook vaak iets hinderlijks, gefrustreerds hebben.

    Tot slot; als redelijk geoefend luisteraar merk ik wel dat het verrassingseffect van het idioom wat mij zo goed ligt, vrijwel geheel verdwenen is. Dat is een nadeel van de oudere, meer bekende muziek. Een zoektocht naar voor mij nog onbekende oude muziek is op dit moment nog wel bevredigend, maar voor hoe lang nog? In dat opzicht is de nieuwere muziek, spannend, boeiend en ligt er nog een grillige reis voor me.

    Like

    • Wat doe je leuke dingen met je leerlingen!
      Schönberg en Webern zetten zich overigens totaal niet af tegen eerdere muziek. Ze waren fan van Brahms en Mahler. Zelfs zo dat ze een klein kamermuziekgezelschap oprichtten om die muziek aan mensen met weinig geld te kunnen laten horen. Voor dergelijke concerten programmeerden ze ook eigen werk, en werk dat in Wenen niet te horen was van bijv. Debussy. Schönberg heeft arbeiderskoren gedirigeerd en daar allerlei bewerkingen voor gemaakt met hoogromantisch repertoire. Het “zich afzetten tegen” gebeurde wel door mensen als Satie, die zijn voorganger Debussy veel te moeilijk vond en van Duitse muziek al helemaal niets moest hebben. Boulez vond in de vorige eeuw alle muziek van voor 1900 compleet achterhaald en niet de moeite waard.
      De muziek van de tweede Weense school was (en is..) in de kern hoogromantisch, dus eigenlijk “ouderwets”. De nieuwe zakelijkheid is grotendeels aan hen voorbijgegaan. Schönberg zal niets begrepen en ook niets moeten hebben denk ik van de omgekeerde WC-pot van Duchamp… Ken je Wozzeck van Alban Berg, of zijn altvioolconcert? Eigenlijk helemaal in de traditie. Wel atonaal….

      Like

  2. Pingback: Karl Kraus en Wenen in het begin van de twintigste eeuw | Pieter Simons column

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s