Henry Doyen en Louis Vierne

Inleiding

Hoe moet je improviseren
De houding van Vierne t.o.v. tijdgenoten en voorgangers en zijn mening over het compositie onderwijs
.
De Amerikaanse reis van Vierne
Opgegeven orgel-literatuur door Louis Vierne
Het Adagio uit de derde orgelsymfonie
Luisteren naar Live muziek
De muzikale smaak van Vierne en “Carillon de Westminster”
Het leven op het seminarie
Henry Doyen als voorzitter van de kring van Theologen
Lezing van Louis Vierne voor de kring van theologen

Henry Doyen schreef een boek waarin vooral ook zijn orgel- en compositiedocent Louis Vierne een grote rol speelde: “Mes leçons d’orgue avec Louis Vierne – Souvenirs et témoignages.”

Ik schreef er al eerder over. Doyen was behalve priester ook organist en componist, maar zijn muzikale nalatenschap is niet erg indrukwekkend, ik vond bijv.  variaties op een “Noël Ancien”, geschreven voor zijn eigen orgelleerlingen. Het gaat dan uiteraard om een relatief simpel stuk, maar ik vind het vooral erg braaf gecomponeerd. Over hem als componist kan ik daardoor niet echt oordelen. Maar zijn beschrijving van wat hij verder allemaal ziet en hoort, vooral ook de vele dingen die gaan over zijn eigen leermeester, Louis Vierne, vind ik erg boeiend. Over Louis Vierne is op internet niet heel erg veel te vinden, dat kun je terug vinden in de stukjes die ik eerder schreef (zie aan het einde van dit artikel). Mijn eigen inbreng is dat ik een aantal van zijn muziekstukken heb beluisterd, in een context heb geplaatst, heb geanalyseerd en van eigen commentaar heb voorzien. Maar ik blijf nieuwsgierig naar meer aspecten van de “mens Louis Vierne.” Voor mij is hij een van de meest interessante componisten van de toch al zo rijke eerste helft van de twintigste eeuw. Ik heb het Franstalige boek van Henry Doyen nog lang niet uit, maar na een aantal stukjes vertaald en gelezen te hebben begint hij al weer wat meer voor me te leven. Ook over zijn tijd lees je aardige dingen, over het leven van Henry Doyen aan het seminarie bijvoorbeeld. Onderstaande stukjes zijn gedestilleerd uit een aantal delen van dat boek. Zoals Henry Doyen geen systematische aanpak heeft, zo heb ik dat in dit artikel ook niet. Ik heb het een en ander bij elkaar gegrabbeld, vertaald en af en toe wat weggelaten of aangepast. De “ik-persoon” van al deze stukjes is Henry Doyen.

Terug naar boven

Hoe moet je improviseren

Ik zat nog op het seminarie van de paters Karmelieten toen ik ook les had van Vierne, Mijn eerste stukje beschrijft een anecdote tijdens zo’n orgelles. Ik vond het erg moeilijk om op het orgel te improviseren.
– ‘Hoe moet ik beginnen?’
– ‘Ken je de fabel van de kleine beer?’ vroeg Louis Vierne?
– ‘Nee, antwoordde Henri Doyen.
– “Om te lopen,” vroeg de kleine beer aan zijn moeder, “moet ik dan eerst mijn rechterpoot naar voren zetten?” of mijn linker? of mijn beide voorpoten tegelijkertijd? Of de twee achterpoten? of alle vier tegelijk?… En op welke manier?”
– “Om te lopen?” antwoordde de moederbeer: “stop met denken… en loop!”

En omdat het de meester niet aan humor ontbrak, was het op die dag dat we, de laatste subtiliteiten van het contrapunt achterwege latend, moedig begonnen met de studie van… de Fuga!

Terug naar boven

De houding van Vierne t.o.v. tijdgenoten en voorgangers en zijn mening over het compositie onderwijs.

Vierne schreef me een brief in 1924 en ik schrok vooral door zijn strenge beoordeling van César Franck, de meester van… mijn meester, dus een beetje van “onze” geestelijke familie voor ons beiden! Op 9 augustus schreef hij:
-‘Het genie van Franck manifesteerde zich al vanaf het begin, zoals dat van Berlioz en Wagner, in een tijd waarin hun smaak nog niet gevormd was. De Pastorale straalt fantasie uit, de Prière een mooie melodische continuïteit. Minder sterk is het Grote Symfonische Stuk. Franck vervangt daar vaak decoratieve elementen door lyrische vormen en bewegingen waartoe zijn instinct hem onvermijdelijk leidt; maar: daardoor kan zijn gevoelige houding eerder een tekortkoming worden. Deze affectieve neiging leidt ertoe dat in de Finale in Bes de oproep van het begin (pedaal) verzwakt wordt door de rondheid van de melodie, die niet overeenkomt met de krachtige oratorische toets van het thema. Gelukkig eindigt alles met een overvloed aan modulaties en een geniale coda in de vorm van een stretto, de ziel gaat op in een roes, verblind door licht.’

Ik schreef zelf ook composities die Vierne dan beoordeelde. Zo zei hij eens:
– ‘Zeker, uw Angelus is redelijk vaardig geschreven. De harmonische dispositie zou choquerend zijn geweest als je het had overdreven door het schrijven van modieuze trucjes. Zoals het beroemde “gemeten triootje” van d’Indy en zijn school, of de “nonen” van Debussy en andere soortgelijke harmonische recepten. Een compositie mag nooit berusten op de techniek: het gaat om het muzikale en expressieve idee. Daarom is Verdi bijvoorbeeld groot en helemaal niet “middelmatig”, zoals Jean Huré mij heeft geschreven, die zich vergist. Ik bewonder de Tristan van Wagner omdat de componist een nieuwe formule op transcendente muzikale ideeën (melodie, ritme, harmonie, ontwikkeling)  toepast. “Tristan” is bijna Italiaanse muziek, behandeld door een Duitse schrijver van symfonische muziek, met de passie en kleur van een Fransman. Wat een muzikaal genie! Laten we samenvatten: ik waarschuw u tegen “akkoord voor akkoord componeren” en het maken van “schoolmatige verbindingen”, hoe verfijnd ook: het melodische idee, de samenhang met het gesproken woord, de basis vanuit het thema, de zuiverheid van expressie, dat zijn de essentiële zaken, de rest is niet meer dan saus!… Schrijf veel, maar lees, lees, lees nóg meer!….’

Terug naar boven

De Amerikaanse reis van Vierne

Terug naar boven

Opgegeven orgel-literatuur door Louis Vierne

Voor mij was het een vreugde om mijn werk met enthousiasme te kunnen hervatten na zo’n lange onderbreking in militaire dienst. Zeer verstandig liet de meester me alles wat we tot dan toe hadden behandeld  snel herhalen. Misschien zou een van mijn jonge lezers graag willen weten welke volgorde we hebben gevolgd in de eerste vier jaar van de lessen: hier is hij, voor zover als ik het me het kan herinneren: 

1. van Jean-Sébastien BACH ( de basis van alle muzikale studies), zei Vierne: de grote  Partita  (van Peters V), Präludium en Fuga in c mineur; Präludium en Fuga in e mineur (Peters III); Präludium en Fuga in A majeur; de Canzona; de kleine Fuga,  Wiegenlied  in g mineur (g, d, b flat, a, g…); Präludium en Fuga (van Pasen) in C majeur; Fantasie in G majeur; de ultieme Fuga in C majeur. Präludium en Fuga in a mineur; talrijke koralen waaronder het koraal 5 “ Christus lag in Todesbanden” , het koraal 45 ”O mensch, beweine deie Sünde”; het grote koraal  “Credo” (nr. 60); het koraal “ In U is de Vreugde”, enzovoorts; de Toccata, de zogenaamde “dorische”, de Toccata en Fuga in d mineur; het Präludium en Fuga in Es majeur, de zogenaamde “Drie-eenheid”; Präludium en Fuga in D majeur… 

2. van César FRANCK: het Cantabile; Präludium, Fuga en Variaties  (in b mineur); Prière en de Pastorale… 

3. van Charles-Marie WIDOR: het Andante-cantabile van de IVe Symfonie en het begin van het Allegro van de VIe (g mineur)… (onderbroken door de militaire dienst). 

4. van Louis VIERNE zelf: 

– de volledige Mis: Präludium; Introïtus; Offertorium; Sgnus Dei; Communio en Afsluiting (in de vorm van Toccata); 

– de 24 stukken in vrije stijl, in deze volgorde: Droom (e mineur); Klaaglied (c mineur); Meditatie (Es majeur); Epitafium (cis mineur); Präludium (C majeur); Melancholische Idylle (Es mineur); Processie (c mineur); Madrigaal (e majeur); Canzona (a mineur); Präludium (D majeur) en Canon (d mineur) geleerd in dezelfde tijd; Lied (A b majeur); Arabesque (g majeur); Wiegenlied (A majeur); Pastorale (a mineur); Legende (Fis majeur); Carillon (B b majeur); Scherzetto (Fis mineur); Choral (g mineur); Begrafenismars (gis mineur); Epithalame (B majeur); Elegie (Bes mineur); Postludium (b mineur); Vermaak (F majeur).

Sommigen zullen misschien deze volgorde eerder fantasierijk dan logisch vinden? Dat is omdat Vierne terecht dacht dat de gemakkelijkste stukken voor de techniek dat niet altijd ook voor de interpretatie zijn.

Terug naar boven

Het Adagio uit de derde orgelsymfonie

Op mijn verzoek stemde de meester toe dat ik de Finale van zijn Eerste Symphony en vooral het bewonderenswaardige “Adagio” van de Derde (op. 28) (opgedragen aan Marcel Dupré) mocht studeren. Dit laatste stuk is ongetwijfeld een van de mooiste en diepgaandste werken van Louis Vierne, waarin de ellende, het pijnlijke leven van de auteur, het drama van een ziel die gevangen zit in een vijandige wereld in een vernederd lichaam tot uiting komt. De meester was me duidelijk dankbaar dat ik dit “Adagio” met heel mijn hart speelde. Met een zachte melancholie wilde hij me discreet uitleggen om niet alleen de gevoelens die werden uitgedrukt te laten horen (het was niet nodig om daar lang bij stil te staan: overal in dit stuk manifesteert zich die doordringende gevoeligheid die de thema’s en hun ontwikkeling een expressief, ontroerend karakter geven…), maar vooral ook de muzikale opbouw van het Adagio te laten horen. Hij zweeg over de omstandigheden waaronder hij het werk had gecomponeerd: het volstond me te laten weten dat het in 1912 was gecomponeerd; de rest kon ik wel raden… Twee thema’s, beide in cis-mineur. Het eerste, pijnlijk en diep, heeft een religieuze structuur (fis, ais, b, gis…). Na een antwoord, met een rust op de dominant, bevat het een tweede zin die eindigt in cis-mineur. Het tweede, toevertrouwd aan de sopraan, vervolgens aan de bas, bevat een brede en meer ontwikkelde, meer tumultueuze zin, maar niet minder pijnlijk (fis, gis, fis, a, gis, e, fis, gis…). Dit tweede thema wordt eerst uitgebreid in gis-majeur en dan in bes-majeur; het eerste fragment van deze uitbreiding wordt op zijn beurt ontwikkeld en herinnert plotseling aan het liturgische Gregoriaanse thema van  “Lauda Sion” (gis, a, gis, c, b, a, gis). Het eerste thema wordt vervolgens herhaald, met enkele variaties in de modulaties; wat de coda betreft, die is gebouwd op het eerste fragment van het eerste thema (verlaagd en in majeur), in de oorspronkelijke ritmiek; het drukt de overgave en het totale vertrouwen van een vredelievende ziel uit, waarbij het laatste fragment (b, d#, e, c#, b) drie keer wordt herhaald. (Noot Pieter Simons: Ik ben van plan om over dit adagio nog een uitvoerig stukje te schrijven. Maar nu terug naar Henry Doyen:)

Intussen groeide ik langzaam toe naar het priesterschap, in de unieke sfeer van het Seminarie van de Karmelieten waar er, zoals ik al zei, dankzij Pater Verdier en zijn directe medewerkers (de Paters Pressoir, Chéné, Emile Osty, Touzard (de auteur van de Hebreeuwse grammatica, de toekomstige pastoor van Ménilmontant), abt Drioton (al een bekende egyptoloog en zo geestelijk en sympathiek), een wonderlijke familiale geest heerste die ons deed vergeten dat we omringd waren door oude muren: er was een zachte warmte die in harmonie was met wat er intellectueel op ons afkwam, ons zo royaal aangeboden door de verschillende faculteiten van het katholieke instituut.

Terug naar boven

Luisteren naar Live muziek

De muziek, en vooral het bespelen van het orgel, was behoorlijk vermoeiend. Het vergde in elk geval veel discipline en Louis Vierne moedigde me niet alleen aan maar was ook veeleisend. Maar het had bij mij een waardevolle balans tot gevolg en ik hoefde me niet meer die gewetensvragen te stellen die me even hadden gekweld bij het verlaten van Conflans…  En het bracht me meer. Het was te danken aan Pater Verdier (en, wanneer hij het zelf niet kon, aan Pater Chéné) dat ik heel veel muziek kon beluisteren. De “Vijfde”, de “Zesde” en de “Negende” van Beethoven, evenals zijn “Mis in D”; het “Requiem” van Berlioz; de “H-moll Messe”, van J.S. Bach, werk van Mozart, Fauré en Rabaud, en ik zal er altijd dankbaar voor zijn hoeveel Pater Verdier heeft bijgedragen aan mijn muzikale vorming door me mee te nemen naar Concerten in Keulen, Lamoureux, of op het Conservatorium…

Terug naar boven

De muzikale smaak van Vierne en “Carillon de Westminster”

Wat was nu de muzikale smaak van Vierne? Hij had een klassieke geest, maar tegelijk was er sprake van een vleugje romantiek. Hij hield meer van delicate, zachte, melancholische werken en speciaal van de helderdere en warmere delen die beter aansloten bij zijn temperament, zonder daarbij af te dingen op wat hij “het effect van massa” noemde, zoals de geluidmassa’s van het orkest, of van een groot koor. Elk jaar vestigde hij onze aandacht op de sluitingsceremonie van de “Eeuwigdurende Aanbidding”, in de Notre-Dame, omdat alleen mannen werden toegelaten tot deze imposante en prachtige “fakkelprocessie” die de mooiste vieringen in Lourdes opriep: Hij hield van deze vurige en mannelijke manifestatie van ons geloof in de aanwezigheid van de Hostie en wie zou dit ooit kunnen vergeten als hij het had meegemaakt: duizenden en duizenden diepe en sonore stemmen die de “Zoon van David” aanprezen en zijn koninkrijk proclameerden… Ik spreek hier over de jaren 1915-1930. Louis Vierne hield van deze afsluitceremonie en vroeg vaak om de “slang van lichtjes” te laten beschrijven die door de schepen van de kathedraal, gehuld in de nacht, zwenkte. Terwijl een praatgrage vaste gast zich eens enthousiasmeerde over dit “lichtsprookje”, fluisterde een andere bekende van de tribune in zijn oor: “Maar u vergeet dat u met een blinde praat!” De meester, die niet doof was, riep: “Laat maar, ik houd ervan dat men me beschrijft wat er beneden gebeurt.”

Als afsluiting van een van die ceremonies (was het een avond in december 1927?) gaf Louis Vierne in de Notre-Dame de eerste uitvoering van zijn beroemde “Carillon de Westminster”, een stuk dat net zo beroemd zou worden als het stuk van “Longpont”. Het is een van de weinige keren dat ik heb gezien dat de geestelijkheid en de gelovigen niet gelijk na de dienst naar de uitgang liepen: iedereen, tot grote frustratie van de koster en de sacristijnen “die zoiets nog nooit hadden gezien”, wachtte rustig het einde af en velen gaven een kleine ovatie voor de meester toen hij van het orgelkoor af maar beneden kwam.

Terug naar boven

 Het leven op het seminarie

In het seminarie van de Karmelieten, net zoals in alle seminaries, waren er “diensten” (= een “dienst” is geen karwei, zeggen de scouts) en die zijn er waarschijnlijk nog steeds? Een seminarist is verantwoordelijk voor het afhandelen van de post, een andere voor de sacristie, weer een andere voor het refectorium… Het is een teken van vertrouwen van de leiding voor degene aan wie men deze eer toevertrouwt, die soms een last kan worden, maar die iedereen met vreugde (en trots?) vervult…

Wat mij betreft, kreeg ik tijdens mijn laatste drie jaren in het seminarie een aantal van deze “taken” of “diensten” toevertrouwd, en in het laatste jaar had ik er vier of vijf! Wilde men me een beetje uit de theologische overpeinzingen of liever uit “mijn muziek” halen? Ik dacht dit later: op dat moment moest ik me wel bezighouden met praktische zaken en dat kon alleen maar een grote dienst voor mezelf zijn: het dagelijkse leven bestaat uit talloze details!

Sommige functies (zoals die van “refectorius”) vereisten een zekere… handigheid en heel wat vriendelijke autoriteit om geaccepteerd te worden door een bijeenkomst waar alle naties van de wereld samenkwamen, aangezien we ook buitenlandse medebroeders hadden die uit alle hoeken van de wereld kwamen! Vader Verdier had in dit opzicht (geniale vondst) de “refectorius”, een belangrijke persoon in de maison, de zorg toevertrouwd om elk kwartaal de “wand groepen” op te stellen, groepen van drie of vier onder leiding van een “groepsleider” die verantwoordelijk was: op de uitgaansdagen gingen we waar we maar wilden en er was geen controle georganiseerd, aangezien, zoals ik al zei, de geest van de maison samengevat kon worden in die drie woorden van Vader Verdier: “Vertrouwen, Geweten, Noblesse”…

Iedereen moest voor het einde van de middag terug zijn, maar je kunt je voorstellen dat sommigen, verzadigd van lessen of conferenties, verlangden om lange wandelingen te maken in de buitenlucht, zo ver mogelijk van Parijs, terwijl anderen, rustiger of minder sportief, zich vooral in de winter tevredenstelden met een klein museumbezoek… niet te ver weg…

De “refectorius” moest al deze zaken conciliëren door zijn lijsten op te stellen, maar hij moest ook zorgen dat de groepen echt verschillend waren (Vader Verdier hechtte veel belang aan het feit dat we elkaar zo goed mogelijk leerden kennen) voordat hij ze telkens ter goedkeuring aan de Overste presenteerde.

Ik heb veel geleerd tijdens het uitoefenen van deze delicate functie gedurende drie jaar, die geleidelijk tot stand kwam terwijl ik probeerde iedereen te plezieren, voor zover mogelijk. Het is een van de meest waardevolle dingen geweest die ik heb geleerd tijdens mijn priesterlijke vormingsjaren…

Een van de belangrijkste zorgen van de Overste was ook dat alle leerlingen van het Seminarie van het Katholieke Instituut later, in het priesterschap, in staat zouden zijn om publiekelijk op een aangename en effectieve manier te spreken, zich “te laten horen” in alle betekenissen van het woord. Daartoe was er in het Seminarie, in de zaal der Handelingen, elke maandag van 18.30 tot 19.30 een “preekavond” waar iedereen, om de beurt, op de stoel van de beschuldigde moest zitten voor het liefdadige maar genadeloze Areopagus van zijn medebroeders.

Twintig minuten lang moest men zijn “preek” geven of, voor de jongsten, hun “toespraak”; er was vervolgens een onmiddellijke kritiek door een medebroeder die op het laatste moment was aangewezen, daarna door een directeur van het seminarie, en tenslotte door Vader Verdier zelf die, indien nodig, te strenge of te absolute kritiek corrigeerde, verzachtte en vervolgens altijd op meesterlijke wijze, vol finesse en met voorzichtigheid, soms ook met vastberadenheid, helderheid en precisie zelf commentaar gaf. Hij voelde goed aan hoezeer deze oefeningen, hoe leerzaam ook, voor sommigen een ware opgave bleven.

Terug naar boven

Henry Doyen als voorzitter van de kring van Theologen

Om ervoor te zorgen dat iedereen zich met meer vertrouwen en gemak kon uiten, had de Superior twee Kringen ingesteld in het Seminarie: die van de “Filosofen” en die van de “Theologen”: daar kon men vrijuit praten met confraters van dezelfde leeftijd en cultuur, onder de enige verantwoordelijkheid van de “Voorzitter” van de Kring. Wijs en als een voorzichtig man, reserveerde de Vader Verdier zich elk jaar het recht om de Voorzitter van de “Filosofen” (de jongsten van het Seminarie; de cursussen duurden drie jaar aan de Faculteit der Filosofie) te kiezen, maar hij liet het aan de heren Theologen (wiens studies vier jaar duurden) om zelf de confrater te kiezen die zij geschikt achtten om de groep te leiden. Elk jaar werden er dus verkiezingen gehouden.

Zo had ik achtereenvolgens gezien dat de Heren André Jacquemin (momenteel bisschop van Bayeux), André Fougerat (bisschop van Grenoble) en toen ik in de theologie kwam (oktober 1926), Charles de Provenchères (nu aartsbisschop van Aix) tot voorzitter werden gekozen. In 1927-1928 was het M. Pierre Baron die werd gekozen. De toekomstige Superior van het Collège Stanislas in Nice, die een vrolijke confrater vol ondeugendheid en humor was, kunstschilder en dichter in zijn vrije tijd, geestig als geen ander, gaf ons destijds al het gevoel dat hij echt “een vernieuwer” was… Natuurlijk bleven de onderwerpen die werden aangesneden zeer serieus (ik herinner me dat zijn grootste bezorgdheid de eenheid der Kerken was), maar alles werd luchtig, ontspannen en weinig celebraal gedaan. In juni 1928 moest hij worden opgevolgd. Het was toen dat hij het originele en volkomen onverwachte idee kreeg, “echte verkiezingen” te houden voorafgegaan door een ” verkiezingscampagne”!

Ik heb altijd van dit soort grappen gehouden en zoals ik van tijd tot tijd meester Louis Vierne de laatste kleine (of grote) nieuwtjes uit het Seminarie vertelde (hij vond dat geweldig), zei ik op een mooie dag: “Ik heb zin om me als communistische kandidaat te presenteren”!
“Tuurlijk,” antwoordde hij, spottend, “de groet is links” (!)
Ik spaarde de lezer alle details van deze pittoreske “campagne” waarin ik de kampioen en de woordvoerder was van alle “arbeiders” van het huis (tuinmannen en schilders of vrijwillige schoonmakers, misdienaars, enz.). Was ik zelf niet tegelijkertijd organist, maar ook postbode, refectorier, maître d’hôtel, ambtenaar van het arbeidsbureau, enz.?

De grote dag kwam. Ik had hier en daar affiches of slogans opgehangen die ik grappig vond, niet meer dan dat. Natuurlijk beloofde ik, als elke respectabele kandidaat, bergen en wonderen met flink wat overdrijving omdat ik absoluut zeker was dat ik toch niet gekozen zou worden!

Ik werd gekozen… met een indrukwekkende meerderheid!

Ik was nogal van mijn stuk gebracht. Ik stelde me gerust door te denken dat Pater Verdier vast zou eisen dat er nieuwe, meer “serieuze” verkiezingen zouden worden gehouden… Heel oprecht, voelde ik me niet in staat deze verantwoordelijkheid op me te nemen. Ik was dan ook verbluft toen de Superior me liet roepen en de stemming met zijn autoriteit bevestigde door me te verzekeren dat aangezien mijn confraters vertrouwen in mij hadden, hij niet zag waarom hij, evenals de Heren Directeuren, dat vertrouwen ook niet in mij zou betonen? – “Je hebt de hele vakantie om na te denken over je thema van het jaar: probeer te voldoen aan de verwachtingen van je confraters en laat met je glimlach een beetje meer samenhang ontstaan bij sommigen die erg intellectueel zijn en zich te veel op zichzelf terugtrekken; laat ze praten in je vergaderingen. Als je, net als je voorgangers, externe persoonlijkheden uitnodigt voor gesprekken of lezingen, vergeet dan niet me daar van tevoren over te informeren…”

En ik verliet het kantoor, behoorlijk bezorgd. Natuurlijk was de eerste externe spreker die ik wilde vragen voor een bijzondere lezing Louis Vierne, die dat onmiddellijk met veel plezier accepteerde. Ik was al een beetje gerustgesteld.

Tot mijn grote verbazing, want ik verwachtte oprecht niet deze duidelijke blijk van sympathie, werd ik na een jaar herkozen, wat Louis Vierne amuseerde, die zonder aarzelen alle bijzonderheden rond de stemming wilde horen. “Zo kan ik eindelijk de belofte houden die ik je een jaar geleden heb gedaan,” zei de meester, zich opnieuw excuserend dat hij niet bij de vergaderingen kon zijn. Het is namelijk zo dat de vergaderingen van de Kring slechts om de zondag  één keer konden plaatsvinden, ’s ochtends, vrij vroeg (8.15) vóór de grote mis in Notre-Dame, of, als het een externe spreker betrof, op woensdag na de wandeling, rond 18.30. Deze uren waren niet echt gunstig voor de meester, wiens hart jaar na jaar fragieler werd. Desondanks nam hij er notitie van en had hij al verschillende keren interessante gesprekken gehad met pater Sanson van het Oratorium, die toen predikant van de Notre-Dame was en die Vierne met enthousiasme had gehoord tijdens een lezing van de beroemde religieuze: “van de ongerustheid van een Chopin naar de sereniteit van een César Franck”. Aan de andere kant, toen ik dat jaar weer op mijn orgelles kwam, zag ik op de muziekstandaard van de meester een manuscript staan met de titel “Les Angélus”, voor zang en orgel op gedichten van Jehan le Povre Moyne…: wat me heel nieuwsgierig maakte. Was het voor zijn “lezing”? Zou Vierne nu dan eindelijk een lezing willen houden voor de kring?

Terug naar boven

Lezing van Louis Vierne voor de kring van theologen

« Welke titel denk je te geven aan je lezing? » had ik, een beetje verlegen, aan Louis Vierne gevraagd om het tijdig aan te kunnen kondigen en vooral deze titel aan Pater Pressoir (de nieuwe Overste van de Karmelieten) door te geven. Deze laatste, net als zijn voorganger, wilde altijd van tevoren de namen en titels van de “erxterne” sprekers die door de Kring van Theologen waren uitgenodigd, kennen, evenals het thema van hun lezing; dat was, dat zullen we toegeven, volkomen normaal…
– « Je weet goed dat de titel altijd het laatste is wat je vindt en meestal pas als je je werk hebt afgerond, » antwoordde de Meester met een glimlach. Toen hij zag dat ik nogal verward was, voegde hij eraan toe:
– « Bovendien zal het geen lezing zijn, maar een simpel gesprek: ik voel helemaal niet de behoefte om te preken voor zo’n geleerd gezelschap »
Deze licht ironische woorden werden met een bepaalde toon uitgesproken… Ik was overigens helemaal niet bezorgd. Bernard Gavoty heeft eens terecht opgemerkt hoe Vierne de gaven bezat buitengewoon inspirerend over te komen « Opgeleid in alle takken van menselijke kennis, was Vierne, wanneer hij zich in zijn element voelde, in staat om het podium een uur lang in zijn eentje te bespelen zonder daarin te verzwakken. Het was een genot om hem te horen praten; hij had een vlotte spreekstijl, heldere gedachten en de juiste woorden. Op sommige dagen bereikte hij een zodanige virtuositeit dat je je kon afvragen of het niet om een tekst ging die hij uit zijn hoofd had geleerd, zo perfect was de cadans van zijn spraak. Hij sprak eindeloos, gebruikmakend van een rijke maar precieze woordenschat: het juiste beeld, de scherpe opmerking en nooit met van die slordigheden die zo vaak voorkomen bij belezen mensen. Het was niet dat hij zich niet had voorbereid; bij hem was deze verbale luxe spontaan: een prachtige cultuur, een onvermoeibare nieuwsgierigheid prikkelden hem daartoe, evenals een zekere elegantie om de Franse taal te laten klinken, puur voor het plezier, zoals alleen een kunstenaar dat kan waarderen. We luisterden met open mond.
 De lezing van Louis Vierne had de volgende titel :
— « Hoe interpreteer ik mijn rol als organist van het grote orgel, en wat verwacht ik, als lekenorganist, van mijn geestelijkheid?  “
Meerdere keren had de Meester zijn ideeën hierover met mij gedeeld en zijn (volledig persoonlijke) mening was me vertrouwd en dierbaar geworden voor de toekomstige priester-organist die ik was. Echter, om de gedachte van Louis Vierne goed te begrijpen, moet men altijd de fysieke en morele beproevingen in gedachten houden die hij op zijn pad tegenkwam, gedurende zijn hele leven… Hij was misschien, meer dan anderen, voorbereid om het dogma “bewonderenswaardig” van de Communie der Heiligen te begrijpen, te aanvaarden en  lief te hebben: ‘Mijn hart, het is een grote begraafplaats’, had hij op een avond van ontmoediging geschreven maar heel snel had zijn geloof in God, in de Voorzienigheid, en uiteindelijk zijn vertrouwen in betere dagen de overhand gekregen. Zo sprak hij die avond over “de grote orgels als de gevoelige verklankers van het verhaal van de onzichtbare Kerken”. Moeten we niet de geest van de kathedraalbouwers  benaderen, die immers, precies bij de poort en op de grote roosvenster van de avond (dat wil zeggen bijna overal in Frankrijk en in ieder geval bij Notre-Dame, op de plaats van de orgeltribune) de symbolische, realistische of gestileerde voorstelling van de triomferende of lijdende Kerken plaatsten? Voor Vierne werd het hoofdorgel zo dan de ene keer de Kerk van de Hemel, en dan weer de vergadering van de Heiligen uit het Vagevuur, die in een mystieke, nobele, grandioze en altijd ontroerende dialoog antwoord gaven aan de strijdende Kerk die zich in het koor of het schip van de kathedraal bevond. Er waren veel “intellectuelen”, bij de toehoorders. Toch kwam niemand op het idee om dit een te romantische of een te absurde gedachte te vinden: velen onder ons zagen er eerder een soort symboliek à la Claudel in… Dat kwam denk ik ook omdat Louis Vierne accenten wist te leggen die zowel onze geest als ons hart wisten te raken…
En dan de tweede vraag:
— « Wat verwacht de organist van zijn geestelijkheid »? Hier nam de humor van de meester, zoals gewoonlijk, snel de overhand. Aangezien hij veel had gereisd, kon hij het zich veroorloven om geestige anekdotes te vertellen. Hij zorgde ervoor om niet veel te zeggen over de Notre-Dame zelf, waar de organist (zoals het geval is in grote kerken) met verschillende autoriteiten te maken heeft: met de Kardinaal-Aartsbisschop (toen was dat Kardinaal Dubois, een onderscheiden prelaat die van mooie ceremonies hield, een liturgische geest had en het spel van de Meester wist te waarderen: had hij hem niet voor Pasen 1924 de kruis van Ridder van Sint Gregorius de Grote laten verkrijgen), maar ook met het Kapittel, dat zeer gehecht was aan tradities, met de Vicaris-generaal en zijn Vicarissen, en tenslotte met de Kapelmeester die, helaas! toen nog geen directeur van de Maîtrise was! Het zou echter gemakkelijk voor Vierne zijn geweest om ons de moeilijkheden te vertellen die hij bij Notre-Dame had ondervonden vanaf het begin van zijn carriëre: hij deed dat niet uit beleefdheid, hij volstond met ons te wensen niet tegelijkertijd van verschillende parallelle autoriteiten afhankelijk te zijn, uit angst de één te behagen terwijl de ander ontevreden is… Een andere, eveneens korte toespeling die alleen door ingewijden kon worden begrepen… (dat wil zeggen, alleen door mij in dit geval) had het grote en oprechte verdriet van de Meester benadrukt dat hij de Benedictijnen van Solesmes niet had kunnen beluisteren, over wie zijn oude vriend, Charles Tournemire, zo vaak en met zoveel enthousiasme sprak! Er is geen twijfel dat dit (gemiste) bezoek gevolgd zou zijn door veel andere bezoeken en wie weet of Louis Vierne in de laatste tien jaren van zijn leven niet op een andere manier had geïmproviseerd of zelfs een werk had geschreven over een van de gregoriaanse melodieën die hij misschien op een minder oppervlakkige manier had gehoord en begrepen, als hij ook de kans had gekregen om vertrouwdheid met Solesmes te ontwikkelen? Wat was er namelijk gebeurd, kort nog voor de lezing van Vierne?  Louis Vierne was ontvangen bij goede vrienden die hij in de Sarthe had… Het was toen vakantie: het weer was prachtig, dus erg warm. De gelegenheid deed zich voor om naar Sablé en Solesmes te gaan om de monniken te horen; men had geregeld om daar aan te komen op het moment van de Vespers van deze zomerse zondag. Er was toen in de Abdij een portier met nogal grove manieren: zo had hij me op een dag, toen ik bij hem een rozenkrans kocht en vroeg of deze stevig was (ik wilde geen prullaria zoals je die op pelgrimsoorden vindt), met een nors accent geantwoord: “Ik weet het niet; ik heb mijn krachten er niet op uitgeprobeerd!…”  — Ik had glimlachend betaald… Helaas was hij de dienstdoende persoon toen Louis Vierne zich aanbood om bij de vespers te zijn. Aangezien Vierne blind was, werd hij aan de arm geleid: een dienst die altijd als een eer werd beschouwd door de jonge meisjes, zijn jonge leerlingen. Het was dus het meisje van het huis dat hem leidde, “Mademoiselle, u kunt niet naar binnen!” — “Maar waarom dan niet?” — “U heeft blote armen, dat is niet gepast” (het meisje had inderdaad korte mouwen). — “Maar ik leid Louis Vierne, de organist van de Notre-Dame van Parijs!” — “Ken ik niet!”. Zeer gekwetst door deze weinig hoffelijke ontvangst, trok de Meester zich terug, zeer teleurgesteld… Ik weet dat de Abt van Solesmes, dom Cozien, erg boos was toen hij later van het voorval vernam, maar verloren kansen komen nooit terug… en in dit geval was dat inderdaad definitief.
‘Wat verwacht ik, als lekenorganist, van mijn geestelijkheid?’, vervolgde Vierne, zich tot ons richtend, ‘dat ze gastvrij en goed zijn, dat ze de tijd nemen om zich een beetje om mij te bekommeren, dat ze me de liturgie uitleggen en de rol die ik daarin moet spelen, dat alles in plaats van zich slechts te beperken tot het regelen van mijn honorarium, ik wil me niet tot een administrator wenden, hoe toegewijd en welwillend ook, dat wil zeggen tot een “pastoor” die vooral bezorgd is om de goede gang van zaken in zijn kerk; wat ik eerst en vooral verwacht, is om met een “priester” te maken te hebben…’

Precies, Louis Vierne had het geluk er een te vinden in de persoon van de abt Renault die ook kapelmeester van de Notre-Dame was geweest van 1905 tot 1926. Dit is hoe hij over hem spreekt in zijn Memoires: “Een curieuze en sympathieke figuur is deze abt die alle snaarinstrumenten bespeelde, de muziek met passie liefhad en al zijn vrije tijd aan de muziek wijdde. Deze goede abt was vol enthousiasme, die, om de kosten van muziekuitgaven te vermijden (het budget was aanzienlijk ingekrompen na de Wet op de Verdeling), vaak ’s nachts koormateriaal of instrumentale partijen kopieerde. Soms gaf hij de dirigeerstok aan een vriend en nam hij de alt, de viool of de contrabas. Wanneer er een interessant werk in Parijs werd uitgevoerd, sprong hij op om het te gaan beluisteren en ik verzeker je dat hij een goede luisteraar was.  Hoe vaak heeft hij me niet vergezeld naar huis na een repetitie, waarbij hij onze wandeling verlevendigde met vaak onverwachte en schilderachtige opmerkingen! Degenen die hem gekend hebben en dit lezen, zullen zich dat zeker herinneren, want hij was spraakzaam en hield ervan zijn enthousiasme met zoveel mogelijk vrienden te delen. Nauwelijks was deze abt geïnstalleerd of hij droomde ervan om het koororgel, dat in vrij erbarmelijke staat verkeerde, te laten restaureren. Omdat hij niet snel genoeg de volledige middelen kon vinden die nodig waren voor deze opknapbeurt, betaalde hij een deel uit eigen zak; zo liet hij de ontbrekende registers aan het oude orgel toevoegen, waardoor het instrument op 21 registers kwam… Men ziet dat de abt zijn bescheiden middelen spendeerde aan plezier van een bijzondere aard; de rest ging naar liefdadigheid; soms verenigde hij beide door arme muzikanten hun instrument terug te geven, dat ze uit armoede hadden weggedaan.”

Vierne vervolgde zijn lezing: “de goedheid, de naastenliefde en de heiligheid zijn bescheiden. Deze abt hield van mij, en ik gaf hem zoveel mogelijk muzikaal terug. Gedurende zesendertig jaar is er nooit ook maar iets geweest die dit wederzijdse gevoel verstoorde. Op het pad van mijn leven, rijk aan allerlei hindernissen, heb ik hem altijd hetzelfde gevonden, vurig en enthousiast, genereus en optimistisch, altijd bereid om te antwoorden als hem gevraagd werd te helpen, ondersteunen, of te troosten. Deze man is werkelijk twee keer door genade geraakt, in zijn apostolische priesterschap en in zijn geloof in de missie van de Kunst.”
Ik denk dat dit citaat, waarin we Vierne in zijn geheel herkennen, de heldere en lucide geest van de Meester goed weergeeft, iemand die met zijn eigen grote hart snel ontroerd is als hij contact heeft met een nobel en intelligent iemand of met een mooie ziel.

Terug naar boven

Zie ook:

Het leven van Louis Vierne
Het Larghetto uit de vijfde orgelsymfonie van Louis Vierne
Louis Vierne in 1914
Franck en Vierne
Het Angelus
Stèle pour un enfant défunt – gedenkteken voor een overleden kind
Ludwig van Beethoven en Louis Vierne
Henry Doyen over zijn eerste lessen bij Louis Vierne
Tournemire, Vierne en Duruflé: drie muzikale vrienden

Onbekend's avatar

About Pieter Simons

Docent muziektheorie. Interesses: geschiedenis algemeen, kunstgeschiedenis, lokale geschiedenis, muziek en muziektheorie, filosofie, astronomie, fotografie, natuur, wilde bloemen. En daarnaast allerlei maatschappelijke dingen als onderwijs en opvoeding
Dit bericht werd geplaatst in Geschiedenis, muziek, pedagogiek en onderwijs. Bookmark de permalink .

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.