Pro Deo

Het is 23 januari 1724 in Leipzig. Het is bitterkoud. Om half zeven in de ochtend luiden de klokken van de Nicolaikirche.  Het is nog donker, maar de straten zijn verlicht. In 1701 werd namelijk straatverlichting ingevoerd, met 700 olie-lantaarns, gemaakt naar Amsterdams voorbeeld. Om 7 uur zijn alle zangers en instrumentalisten gearriveerd. Intussen hoor je overal het geratel van koetsen over de straatstenen. Dames en heren achter gesloten raampjes, iedereen is dik ingepakt want het zal koud zijn in de kerk. Maar vrijwel niemand ontbreekt. Voor de wekelijkse cantatedienst met Bach. Daar hoor je te zijn. Het is een sociaal gebeuren, een wekelijks ontmoetingsfeest.

nicolaikirche

Bach leefde in een tijd dat het heel populair was om in de preek en dus ook in de bijbehorende cantate het einde der tijden te beschrijven. Dit thema was in zwang bij zowel de katholieken, Luthersen als Gereformeerden. Heel erg populair was het vooral bij de piëtisten, een nieuw soort sekte die bijeenkomsten organiseerde waar niet zozeer de predikanten het voor het zeggen hadden maar het gewone volk, en, dat was nieuw: vooral ook vrouwen. Er kwamen zelfs lekenbijeenkomsten, die vergelijkbaar waren met de officiële Lutherse diensten. De mensen stimuleerden elkaar om zo godvruchtig mogelijk te leven. Ze probeerden dat toch ook weer in een soort gezamenlijkheid te doen, door zelfvoorzienende weeshuizen, scholen, ziekenhuizen op te richten. Het grootste initiatief in dat opzicht kwam uit Halle, waar theologen van de universiteit deze nieuwe vroomheid propageerden. Hoe mensen leefden, maar ook vroom bleven tot op hun sterfbed, dat was het grote voorbeeld voor de andere gelovigen. Uiterlijk vertoon en opera waren taboe. De weeskinderen van Halle mochten zelfs niet met een bal spelen…

Bach was zeker geen piëtist in die zin dat hij uiterlijk vertoon afwees. Bach wilde juist, net als eerder iemand als Monteverdi dat deed, door uiterlijke middelen het woord van God overbrengen. Zoals de Franciscanen in de dertiende en veertiende eeuw, of de pausen in de zeventiende eeuw ook graag heel aanschouwelijke taferelen wilden laten zien aan de mensen om bij iedereen het geloof te versterken. Maar Bach deed dat met muzikale middelen. Volgens John Eliot Gardener is Bach zijn roeping als operacomponist mis gelopen. Als hij in Dresden of in Hamburg aan het hof had gewerkt was hij waarschijnlijk de grootste operacomponist van zijn tijd geweest.  Maar in zijn toewijding en godvruchtigheid, persoonlijke omgang met de bijbel, was Bach wel degelijk een soort piëtist.

De predikanten van de Thomaskirche en van de Nicolaikirche, waar beurtelings de cantatevieringen werden gehouden, hadden vaak moeite met de theatrale aanpak van Bach. Maar de burgemeesters vonden het meestal prachtig en hielden hem de hand boven het hoofd. Sinds hij nu zo’n 9 maanden in Leipzig werkte was het muzikale niveau met sprongen omhoog gegaan. Leipzig was vooral een handelsstad, waar veel mensen van buiten kwamen. Ook de koning van Saksen was er regelmatig.  Vooral tijdens de jaarmarkt, wanneer alle herbergen overstroomden met kooplieden uit alle mogelijke windstreken, wisten de mensen niet wat ze hoorden. De burgemeester was trots op de nieuwe cantor.

In de school die bij de Thomaskirche hoorde werden de zangers en instrumentalisten opgeleid. Om te zingen en te spelen in de diensten op zon- en feestdagen. De instrumentalisten hadden verder nog betaald werk in koffiehuizen en bij grote tuinfeesten in de zomer. Leipzig had ook een operahuis gehad, maar dat was bij de komst van Bach al enige jaren daarvoor gesloten. Maar Bach maakte op zijn manier toch ook weer een beetje opera…

Alle onderstaande fragmenten  worden gezongen door het Monteverdi Choir en gespeeld door de English Baroque Soloists olv John Eliot Gardener, zie ook http://www.monteverdi.co.uk/shop
Cantate BWV 20 gaat het over het einde der tijden: “O Ewigkeit, du Donnerwort”. Een waarschuwing aan de mens: er wordt angst ingeboezemd, het einde kan verschrikkelijk zijn, dus doe nu al je best! Op het einde van het openingskoraal  waarschuwen de trombones met snerpende tonen dat het einde nu echt aanstaande is.

Of wat vinden we van de twee engelen die een op zich “prachtig” duet zingen in gezelschap van een dolende pelgrim: “Man kann noch diese Nacht den Sarg vor deine Türe bringen” (het is mogelijk dat vannacht nog je doodskist wordt bezorgd): Bach laat de met de hand getrokken lijkwagen klinken terwijl hij over de straatstenen schuurt, en de zenuwachtige tekst en onrustige ritmiek geven de luisteraar een bijzonder onbehaaglijk gevoel. Uit dezelfde cantate.

Zo ook is de strekking van cantate BWV 73, “Herr wie du Willt” die op deze 23 januari werd gezongen.  De tekst van het openingskoraal is een bekende tekst van Kaspar Bienemann uit de zestiende eeuw, vandaar het archaïsche “willt”. Het slotkoraal komt van de laatste strofe van het gedicht van Ludwig Helmbold “Von Gott will ich nicht lassen.” De rest van de tekst is waarschijnlijk door Bach zelf geschreven, zo suggereert althans dirigent en Bachkenner John Eliot Gardener. De inspiratie voor de cantates wordt meestal uit de bijbellezingen van die dag gehaald. Dit keer wordt uit Matthëus gelezen: Jezus geneest een melaatse. De ellende van deze man strekt tot voorbeeld: hij blijft desondanks in Christus geloven en dat moeten wij ook doen. Tot in onze dood.

Wat bij deze cantate opvalt is de kernzin: “Herr wie du willt“. Dit blijft de kerngedachte in alle delen. Bach laat ons de voortdurende twijfel van de gekwelde ziel ervaren, de ziel die zweeft tussen wanhoop, hoop en overgave. En dit blijven we voelen tot aan het slotkoraal van de cantate, daar waar eindelijk de overgave de boventoon voert. Over  klankschildering en retorica gesproken: luister eens naar het laatste recitatief. De tekst ”Herr wie du willt” is nu vervangen door de tekst  “Herr so du willt”, wat naar mijn gevoel net iets meer het definitieve karakter van de wil van God moet weergeven:

Herr, so du willt, so presst, ihr Todesschmerzen, die Seufzer aus dem Herzen, wenn mein Gebet nur vor dir gilt. We horen het uitbeelden van de laatste snik, het er uit persen van de laatste zuchten uit het hart:

Herr, so du willt, so lege meine Glieder in Staub und Asche nieder, dies höchst verderbte Sündenbild. Hier wordt uitgebeeld hoe een lichaam tot stof en as wordt gereduceerd:

Herr, so du willt, so schlagt, ihr Leichenglocken, ich folge unerschrocken, mein Jammer ist nunmehr gestillt. We horen het slaan van het lijkenklokje, waarna de volledige overgave volgt, eindelijk is het lijden voorbij:

Januari en februari waren ook toen al de maanden waar veel mensen ziek waren en waarschijnlijk ook veel mensen stierven. Het was elke dag prijs van arm tot rijk. En het was bitterkoud. De ellende en de boodschap waren dus heel direct en moesten wel hun uitwerking hebben. Na deze muzikale introductie van de preek, gedurende een kwartier mochten de zangers en instrumentalisten de kerk verlaten. Stilletjes verlieten ze met kleumende handen, de muziek en de instrumenten in hun handen, het gebouw. De vele honderden kerkgangers moesten nu nog de preek van een uur bijwonen. Over hetzelfde thema.

Op vrijdag en zaterdag werd steeds elke gloednieuwe cantate gerepeteerd. Zo ook dus in deze januariweek van 1724. Twee weken later zou Anna Magdalena Bach van alweer een kind bevallen. Er was geen vaderschapsverlof.  Bach voerde de cantate vakkundig uit. En moest onmiddellijk alweer aan het werk. Tot aan de vastentijd moest hij nog een aantal cantates schrijven. En tegelijk was hij al bezig met de voorbereidingen van de Johannes Passie die op Goede vrijdag uitgevoerd ging worden. Eigenlijk bedoeld voor de Thomaskirche waar meer ruimte voor het spel was. Maar de predikanten waren onverbiddelijk. Drie jaar eerder was afgesproken dat de paasdienst om en om in de Nicolaikirche en de Thomaskirche moest plaats vinden. En dit jaar was de Nicolaikirche aan de beurt. Bach schikte zich, maar bedong wel wat extra ruimte.  De zangers en muzikanten werden niet betaald. Ze deden het voor de kerk, of misschien ook wel voor de muziek van Bach. Leven was lijden. Ze deden het pro deo. Maar wat een mooie muziek…. Inderdaad: Pro Deo!

Over Pieter Simons

Docent muziektheorie, componist. Interesses: geschiedenis algemeen, kunstgeschiedenis, lokale geschiedenis, muziek en muziektheorie, filosofie, astronomie, fotografie, natuur, wilde bloemen
Dit bericht werd geplaatst in muziek en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Pro Deo

  1. (HENNY) IK VOELDE ME WEER EEN BEETJE DAAR…

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s