Nieuwe klanken

Als mijn oudste kleinzoon zit te improviseren weet je soms niet wat je hoort. Zo was hij al een tijd bitonaal bezig op de piano en ik besloot het op te gaan nemen. De bas maakte gebruik van een stukje hele toonstoonladder: F#, G#, Bb, C. Hier speelde hij een ostinaat figuurtje mee. De rechterhand speelde witte toetsen, vooral van C naar beneden tot F. Het lijkt dan meer op een lydische toonladder van F dan op een normale majeurtoonladder. Samen klonk het prachtig, bitonaal en met bijzondere toonladders. Het geheel zal wel ontstaan zijn door zomaar wat te rommelen, maar het beviel hem, hij bleef er een tijdje mee doorgaan. Toen ging hij ook in de rechterhand enkele tonen van de ostinaat spelen. Het eindigde na wat gerommel in de bas met een virtuoos patroontje, nu duidelijk gebruik makend van louter tonen van de toonladder van C, alles in de rechterhand. Hij is duidelijk patroontjes aan het zoeken, maar ook speelt hij met toonladders en moderne klanken, kortom: hij is van alles aan het ontdekken.

Vandaag stuurde zijn moeder me een stukje dat begon op een klein orgeltje dat aangestuurd wordt door op een slangetje te blazen. Dat had hij gekregen van een oom en tante voor zijn verjaardag. Een leuk ding om mee te spelen als er geen stroom is. Je moet er wel behendigheid in krijgen, net als bij het spelen op een harmonium. Maar als een waar organist schakelde hij al snel over naar een ander manuaal, dat van zijn keyboard. En daar speelde hij een soort eigen gemaakte oefening: hoe kom ik via een triller tot een slotformule.

Geplaatst in autisme, muziek | Tags: , , | 1 reactie

Het dubbelgraf in de Munsterkerk van Roermond

Het is dit jaar precies 800 jaar geleden dat de Munsterkerk van Roermond werd ingewijd. Zeven jaar nadat de stad verwoest was door Otto IV van Brunswijk. Dit omdat Gelre Frederik II, diens tegenstrever, had gesteund bij het verwerven van de Duitse koningskroon. Roermond was namelijk onderdeel van het graafschap Gelre dat in die tijd veel invloed had in het Rooms-Duitse rijk. Uiteindelijk won Frederik II, hij werd tot koning en later Rooms-Duits keizer gekozen. De graaf van Gelre liet Roermond herbouwen en tegelijk werd het de belangrijkste stad van Oppergelre. De bouw van kerk en klooster waren een onderdeel van deze opwaardering.

Maar het had zomaar kunnen gebeuren dat de kerk er nu niet meer gestaan zou hebben. Weg met die oude zooi! Met dit devies is er vanaf de Franse revolutie tot zelfs op de dag van vandaag omgegaan met veel historisch erfgoed. Het huidige Nederlands Limburg werd na de inname in 1794 al snel geannexeerd door Frankrijk. Ook de gebieden van Limburg die toen bij de staten van Nederland hoorden. De rest van Nederland werd afgekocht: na betaling van een behoorlijk geldbedrag aan de revolutionairen zagen de Fransen af van de annexatie van die gebieden. Maar Limburg bleef in de kou staan. In de negentiende eeuw werd dit deel van Nederland door sommigen in den Haag nog een jammerlijke strook grond genoemd, zo van: ‘wat moeten wij ermee’. Het desastreuze gevolg was dat adel en kerk in de geannexeerde gebieden op zijn Frans bejegend werden. Er was zelfs korte tijd sprake van het verbod op elke godsdienstige uiting. Zonder enig mededogen werden alle kloosters opgeheven en onderdelen van het interieur vernietigd of verkocht. Tweeduizend boeken uit de rijke bibliotheek van het kartuizer klooster van Roermond verdwenen. Hier waren enkele honderden middeleeuwse handgeschreven boeken bij. Nooit meer terug gevonden, waarschijnlijk weggegooid, maar vooral ook uit elkaar gehaald. De mooie plaatjes kon je los verkopen. Zo ging het ook met altaar-retabels. Drie of meer afbeeldingen die oorspronkelijk bij elkaar hoorden: het werden losse schilderijtjes voor de kunstmarkt, voor verzamelaars. De gebouwen werden afgebroken of kregen een nieuwe bestemming. Kerken waren geschikt als paardenstal voor de Franse militairen. Of er werd een timmerwerkplaats van gemaakt.

Toen de Fransen weg waren duurde het nog lang voor er weer kloosters mochten komen. Willem I verbood het. Dus werden sommige gebouwen alsnog afgebroken. Sommige kloosterkerken werden parochiekerk, zoals gebeurde in Maastricht met de Servaas en de OLV-kerk. In Roermond gebeurde dat met de Munsterkerk, die een soort dependance werd van de kathedraal. De abdijgebouwen van al die opgeheven kloosters kregen ook een nieuwe functie. Soms werd er een school van gemaakt, zoals met de gebouwen van de dominicaner abdij in Maastricht.  De munsterabdij in Roermond verging het slechter. Tijdens de Franse bezetting werd het abdissenhuis gebruikt als gevangenis terwijl de overige gebouwen dienst deden als kazerne. Toen de gevangenis midden 19e eeuw naar elders verhuisde, werd het abdissenhuis en enkele andere bouwvallig geworden panden gesloopt. Wat overbleef waren de gebouwen rond de kloostergang tot ook deze in 1924 gesloopt werden. Weg was de rijke historie van dit aloude klooster uit het begin van de dertiende eeuw. De kerk staat er nog, maar ook deze is behoorlijk toegetakeld. Na een brand in de zeventiende eeuw moest een toren worden afgebroken en deze werd toen vervangen door een baroktoren met koepel. Bij de restauratie van de kerk door Cuijpers kreeg de kerk een fantasie-achtig neogotisch uiterlijk, waarbij de baroktoren werd afgebroken en er twee nieuwe hoge torens voor in de plaats kwamen.

Ook binnen in de kerk verdween veel van wat nog herinnerde aan eerder. In de baroktijd waren er veel altaren in de kerk. We weten nu niet eens meer waar ze waren, alleen dat ze er waren. Er is zo ontzettend veel verloren gegaan, dat de dingen die er wel nog zijn vaak moeilijk geïnterpreteerd kunnen worden. Toch zijn er nu voor het eerst serieuze pogingen gedaan om dat voor elkaar te krijgen. In een boek met 18 uitvoerige artikelen door telkens andere deskundigen ontstaat er toch een plaatje, maar waardoor de boosheid over hoe achteloos en onverantwoordelijk er met het historisch erfgoed is omgegaan alleen nog maar groter wordt.

We zullen het er mee moeten doen. Wat hebben we wel? Er zijn restanten van middeleeuwse muurschilderingen, er zijn spectaculaire relikwieën met omhulsel, er is nog een zeer oud schilderij, er zijn nog beeldhouwwerken, er zijn grafzerken. En heel dominant aanwezig: er is een dubbelgraf met de graven van de stichters van de abdij, graaf Gerard III van Gelre en Margaretha van Brabant. Ook de moeder van de graaf, Richardis van Beieren, is er begraven. Zij was de eerste abdis en dochter van hertog Otto I van Beieren en Agnes van Loon. Zij huwde in 1186 met graaf Otto I van Gelre. De Gelderse graven hadden nauwe banden met de cisterciënzer orde, met name met het klooster Kamp. Samen met haar man was Richardis lid van de gebedsgemeenschap van de abdij van Altenberg. Eind 12e eeuw had Otto I het plan zelf een cisterciënzer klooster te stichten maar had dit niet ten uitvoer gebracht. Tien jaar na het overlijden van haar man wilde Richardis toetreden tot deze orde. Omdat Gelre geen cisterciënzer klooster bezat stichtte haar zoon graaf Gerard III in 1218 in Roermond het Onze-Lieve-Vrouwenmunster. Richardis werd zoals gezegd de eerste abdis van deze vrouwenabdij. Zij overleefde het grafelijke echtpaar. De graaf en gravin overleden in 1229 respectievelijk 1231.  Richardis werd in de kerk begraven en het grafelijke echtpaar kreeg zelfs een praalgraf in de vorm van een dubbelgraf.  Alles wijst er op dat toen de kerk gebouwd was het van het begin af aan bedoeld was dat deze als grafkerk voor in ieder geval de stichters bestemd zou zijn. Op zich heel bijzonder, omdat in een Cisterciënzerklooster oorspronkelijk niemand begraven mocht worden, en zeker niet in de kerk. In de loop van de dertiende eeuw werden deze regels versoepeld en niet lang nadat het echtpaar overleden was werden de regels zelfs overtroefd door een bul van de paus die het begraven in dergelijke kloosterkerken toestond. Had Richardis dit voor elkaar gekregen? Zij vertoefde vlak voor haar dood aan het hof van de paus in Rome. Toch duurde het nog lang voordat er ook nog andere mensen in deze kerk of in de abdij werden begraven. Begraven laten worden in de kerk was op zich heel lucratief voor het klooster, daar moest een aanzienlijke som geld voor worden betaald. Maar heel lang nog moest het klooster het vooral hebben van de inkomsten op het innen van geldelijke bijdragen, afkomstig van aflaten. Iedereen die de kloosterkerk bezocht kreeg tegen betaling een aflaat. Dit was al bij de stichting van het klooster zo geregeld.

De Munsterkerk en de Munsterabdij  werden aanvankelijk gebouwd aan de rand van de stad, maar na een stadsuitbreiding kwam het geheel midden in de stad te liggen en zo bepaalden kerk en klooster eeuwen lang het beeld van het centrum. Nu staat gelukkig de kerk er nog.

En het dubbelgraf van de stichters, op de oorspronkelijke plaats in de viering van deze kerk, blijft imponeren.

Zie ook: De Munsterabdij van Roermond, W Books 2020. ISBN 978 94 625 8379 5

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , , , | 3 reacties

De F

-‘Opa, de F doet het niet meer.’
-‘De F?’
-‘Ja, deze.’
Hij zong een F.
-‘Dat is toch een F?’
-‘Ja, inderdaad.’
-‘En dit dat is toch een C? En dit een B?
Hij zong een C en een B.

Hij liet horen wat ik eigenlijk al lang wist. Hij heeft een absoluut gehoor. Wat is een absoluut gehoor? Dat je iets op exact de goede toonhoogte vanuit je geheugen kunt nazingen, en dat ook nog kunt koppelen aan notennamen. Dat eerste deed hij al jaren, maar omdat hij nu ook weet hoe de toetsen op piano of keyboard heten kan hij aan die klanken notennamen geven.

Ik ging met hem naar zijn kamer om te kijken wat er met de F aan de hand was. Op zijn keyboard stak de F tweegestreept vervaarlijk omhoog en er was geen beweging in te krijgen. Ik keek er onder en zag dat de uitstekende toets ergens in zou moeten klikken, maar dat lukte niet. Pas een week later toen de F het nog steeds niet deed kreeg ik met een schroevendraaier voor mekaar om het onderste deel ietwat naar achteren te drukken en warempel, het lukte. De F deed het weer.

Hij weet dan wel hoe een F klinkt maar met het noten lezen wil het nog niet vlotten. Wel componeert hij af en toe. In een razend tempo trekt hij wat lijntjes en voorziet die van noten, mollen en nog wat andere tekens. Trots liet hij me een nieuwe compositie zien.

  • ‘Wat betekent dat, “Bachtellen”?
  • ‘Zo heet het stuk.’
  • ‘En wat betekent 15k?’
  • ‘Dat is een zelfverzonnen naam. Zo heet het stuk als tweede naam.’
  • ‘OK.’ Kun je het ook spelen?
  • -Hmm. Zo?

Hij ging achter het keyboard zitten en ging ter plekke wat improviseren. Het leek op geen meter op wat daar op papier stond.

  • ‘Wat jij speelt klinkt heel anders als wat je hebt opgeschreven. Zal ik dat eens proberen op te schrijven?’

Ik had goed geluisterd naar het begin en schreef uit mijn hoofd de eerste maten op van wat hij net gespeeld had. Hij speelt veel met de sound van kerkorgel. Binnenkort mag hij een keer op een echt kerkorgel spelen! Thuisgekomen zette ik het stukje in Sibelius en stuurde het aan hem op. Hij heeft sinds kort een eigen email-adres. Hij vond het mooi. Maar het wordt nu toch echt tijd om dat noten leren serieus aan te pakken.

Op de lessenaar van de piano staan de bagatellen opus 126 van Beethoven. Die ben ik weer eens aan het studeren. En opeens viel het kwartje. “Bachtellen” was natuurlijke bagatellen! Hij had dat zien staan, had geen flauw idee wat dat betekende en had er iets van gemaakt: “Bachtellen”! Wat een mooi woord eigenlijk. Ook stond in dat stuk een paar keer cresc. Ook dat kende hij niet maar hij voegde het aan zijn manuscript toe, “crenc”.

De F is weer gerepareerd. Ik ben even keyboarddokter geweest. Er zijn ook echte dokters en verplegers. Als er op school een ongeluk is gebeurd  gaat in razend tempo een ambulance die kant uit. Hij stopt vlak voor de school. De juf, of is het de moeder, staat voor de ambulance (ulance kun je niet meer zien) en is helemaal ontdaan: wat erg! Een verpleger spreekt de vrouw bemoedigend toe. De andere ontfermt zich over het arme kind. Maar het komt vast weer goed. Net als met de F.

Geplaatst in autisme, muziek, pedagogiek en onderwijs | Tags: , | 3 reacties

Een eeuwigdurende kalender

In Padua en Venetië zag ik in het verleden klokken die mijn aandacht trokken. Ik noemde het astrologische klokken, alhoewel astrologie soms hooguit een opvallend aspect was van het instrument. Op die klokken was veel meer te zien dan de tijd. Ik zag iets vergelijkbaars in een boek dat ik onlangs kocht. In dat boek werd een pagina besproken van een middeleeuws brevier uit de dertiende eeuw. Het was een kalender die ging over de maand juni.

kalenderkalender2Onder het origineel staat een transcriptie, vervaardigd door Rob Dückers. Er staan veel intrigerende dingen in. Eigenlijk is slechts een ding snel duidelijk: elke dag van de maand is gekoppeld aan een heilige. Maar er valt veel meer af te lezen.

Zoals ik zei stamt de pagina waarschijnlijk uit een brevier, een handboek met allerlei geestelijke teksten voor een priester.  Door te kijken naar welke heiligen er in deze kalender staan durft Dückers te beweren dat de kalender afkomstig is uit de omgeving van Roermond en ook dat hij waarschijnlijk vóór 1295 tot stand gekomen moet zijn. Hoe is hij daar achter gekomen? Door te kijken naar welke heiligen er allemaal op staan. Het zijn namelijk bijna allemaal heiligen die lang niet overal vereerd werden. Zo staat Servaas er op, maar niet als een speciale heilige. Speciale heiligen worden in het rood weergegeven. In heel het bisdom Luik werd Servaas vereerd, maar alleen in Maastricht was het een bijzondere feestdag. Quirinus van Sescia op 4 juni is in Utrecht een speciale heilige. Hier staat hij er wel op, maar niet als speciaal. Ook ontbreekt Lebuinus, die op een Utrechtse kalender niet zou ontbreken. De kalender komt dus zeker niet uit Utrecht. Medardus op 8 juni werd met name in Wessem en Thorn vereerd. Deze kalenderpagina komt zo deducerende vrijwel zeker uit een brevier gemaakt voor iemand die werkzaam was in de ruime omgeving van Roermond.  Dückers vindt het niet onaannemelijk dat hij gemaakt is voor de Munsterabdij van Roermond. Persoonlijk lijkt de abdij van Thorn mij ook een goede kandidaat. En hoe komt Dückers aan zijn idee: gemaakt vóór 1295? Omdat het feest van de apostel Barnabas vanaf 1295 een universele feestdag werd moet de kalender dus eerder zijn gemaakt. Anders zou zijn naam immers in het rood zijn weergegeven.

Op de kalender staan 30 rijen, logisch want juni heeft 30 dagen. Deze rijen zijn weer verdeeld in zes kolommen. De vijfde kolom zagen we al. Daar staan de namen van de heiligen die bij de betreffende dag horen. Wat betekenen de gegevens in de andere kolommen?

Kolom 1 gaat over de maanstanden. Die kun je niet in een jaarkalender zetten, die zien er immers elk jaar anders uit. Maar via het zogenaamde gulden getal kun je dat wel bepalen. Dat komt omdat elk jaar er in dat opzicht om de negentien jaar precies hetzelfde uit ziet. Er zijn zo 19 gulden getallen, en die staan in de eerste kolom. Je moet nu weten wat het gulden getal is van het jaar dat je de kalender gebruikt (bijvoorbeeld V) en dan weet je dat het op de dag waar V staat nieuwe maan is. Alle andere maanstanden kun je daaruit afleiden (telkens zeven dagen later of eerder). Deze negentienjarige cyclus was ik zelf al een keer tegengekomen toen ik zo’n 25 jaar geleden zelf een digitaal planetarium in elkaar knutselde.)

Kolom 2 geeft de relatie met de dag van de week aan.  Je ziet zeven letters die zich steeds weer herhalen, de letters staan voor de dagen van de week. Maar elke letter kan de zondag zijn. Via een formule, gerelateerd aan het gulden getal, kun je uitrekenen welke letter voor een zondag in dat jaar staat, en dan weet je gelijk ook de andere weekdagen. (Voor dat laatste heb ik zelf ooit een leuk hulpmiddel ontwikkeld: een kalender die je vanaf het jaar 532 tot ver in de toekomst laat zien welke dag van de week bij welke datum hoort: historische kalender).

Kolom 3 gaat over de dagen van de maand, maar dan de dagen zoals ze geteld werden in de oude Romeinse kalender. De Romeinen telden niet van 1 tot en met 30. De eerste dag van de maand heette Kalenda, en werd afgekort tot KL. De maand is verdeeld in periodes die lopen van Kalenda naar Idus en Nonas. Alle andere dagen van de maand werden gerelateerd aan een van deze ijkpunten, je had het bijvoorbeeld over de tweede dag voor de Idus. In oude geschriften wordt hier maar zeer weinig gebruik van gemaakt. Meestal had men het over de feestdag van Bonifacius, of “het gebeurde “twee dagen voor de feestdag van Bonifacius”. De Romeinen zouden zeggen: “het gebeurde de Nonas van Juni”.  Nog een voorbeeld: wij zeggen “11 juni”, zij zeggen: “de feestdag van de apostel Barnabas”, de Romeinen zeiden: “de derde dag voor de Idus van Juni”. Achter de grote KL van Kalenda staat ook nog dat de maand juni 30 dagen telt en dat de maancyclus 29 dagen duurt. Dat laatste is natuurlijk altijd zo, maar het betekent voor de gebruiker dat als het bijvoorbeeld op de eerste volle maan is, dat het dat op de dertigste weer zal zijn.

Kolom 4 laat zien hoe er Romeins geteld werd: Zoveel dagen voor N (Nonas), of zoveel dagen voor Id (Idus) of zoveel dagen voor de volgende kl (Kalenda). Ze telden dus in principe naar het volgende ijkpunt toe, niet er vanaf. (Niet “twee dagen na de Idus van juni”)

In kolom 5 staan naast de namen van de heiligen nog enkele interessante details. We zien hoe vermeld wordt op welke dag de zon naar het dierenriemteken kreeft gaat (“Sol in cancrum”). Wat werd er toen bedoeld met zon in kreeft? De dierenriemtekens verschuiven geleidelijk t.o.v. de seizoenen. Rond het jaar 0 kwam het begin van de zomer globaal overeen met de echte stand van zon in kreeft. Inmiddels, zo rond het jaar 2000, is dat een dierenriemteken terug, tweelingen. In 1250 dus ergens daar tussen in. Vanuit de astrologie wordt zon in kreeft helemaal niet meer gekoppeld aan de stand van de zon ten opzichte van de vaste sterren, maar aan de zonnewende. Het symbool kreeft staat dan voor de eerste maand van de zomer, zoals ram staat voor de eerste maand van de lente. Dus wat bedoelden zij met zon in kreeft? Ik denk: het begin van de zomer, zoals dat ook in de astrologie wordt gezien. Maar dan zou dat hetzelfde moeten zijn als het zonnewendepunt (“Solsticium”), dat echter in deze kalender drie dagen later is geplaatst . Die drie dagen verschil zijn misschien te verklaren als we er van uit gaan dat ze keken naar de dag van het jaar dat de zon het allervroegste opkomt, dat is namelijk ongeveer drie dagen voor het solsticium. Toch blijven er ook dan nog vragen. We leven in de tijd van de Juliaanse kalender. Die liep rond 1250 maar liefst 7 dagen achter. Dat verschil was opgelopen vanaf de invoering in 532. Het verschil werd pas door paus Gregorius opgeheven aan het einde van de zestiende eeuw. Werd het solsticium bij deze kalender bepaald door hoe dat in 532 was vastgesteld en werd het sindsdien maar zo gelaten? De echte zonnewende was dan volgens de Juliaanse tijdrekening in 1250 zeker niet 20 juni!
In die vijfde kolom staat ook twee keer een hoofdletter D. Die zou aangeven dat de bewuste dag “slecht” was, een dag die niet gunstig was voor veel dingen.
In juni zijn er twee feestdagen (duplex festum): het feest van de geboorte van Johannes de doper (op de vier en twintigste) en het feest van Petrus en Paulus (op de negen en twintigste).

Kolom 6 geeft informatie over de status van de heilige. Je kunt hier lezen hoeveel lezingen er gezegd of gezongen moesten worden. (iij l’ betekent 4 lezingen, ix l’= 9 lezingen).

Het is een mooie en interessante pagina waar uiteraard nog veel meer over te vertellen valt.  Hij is gemaakt nog voor de tijd van de bekende getijdenkalenders die we vooral kennen van de gebroeders van Limburg en die artistiek gezien belangwekkend zijn. Enkele elementen van zo’n kalender besprak ik al eens toen ik het had over het getijdenboek van Visconti.  Hier gaat het om een vrij eenvoudige pagina uit een brevier die ons een beeld geeft over wat een geestelijke die er gebruik van maakte allemaal kon leren uit zo’n boek. Maanstanden, feestdagen, zondagen. Iets zoals je later in de Enkhuizer almanak kon vinden. Maar zo’n boek maken was heel duur in die tijd. Dat deed je niet elk jaar, de boekdrukkunst moest nog uitgevonden worden. Dus verzonnen ze een list. Ze maakten iets dat, als je zuinig was, een mensenleven mee zou kunnen gaan: een eeuwigdurende kalender.

  • De liturgische kalender van de Roermondse Munsterabdij vóór de oprichting van het eerste bisdom Roermond, Rob Dückers. Uit: De Munsterabdij van Roermond, Wbooks 2020. ISBN 978 94 625 8379 5
Geplaatst in Astronomie, Geschiedenis | Tags: , , , , , | 2 reacties

Pinksteren

Als ik mijn oudste twee kleinkinderen ophaal van hun school komen we langs de Oud-Katholieke kerk. Een mooi gebouw dat er uitziet zoals een kerk er hoort uit te zien. Er stond een bordje: “de kerk is open”. Ik zei tegen mijn kleinkinderen:

  • ‘De kerk is open.’
  • ‘Jaah, zullen we naar binnen gaan?’

Voor de jongste hoefde het niet zo.

  • ‘Ik vind het een beetje eng.’

maar de oudste was gelijk enthousiast, zijn broertje was zo overgehaald. Dus we parkeerden de fietsjes vlak bij de ingang. Eerst sprak ik ze nog een keer toe:

  • ‘Je moet hier heel stil zijn, je mag alleen maar zachtjes praten. Ook niet de akoestiek uitproberen.’

Dat was wat veel gevraagd, maar het ging toch al beter dan enkele maanden geleden in de Hervormde Kerk. Zachtjes luisterde hij naar de a-klanken van zijn stem. Zijn broertje was doodstil en keek zijn ogen uit. Toen wilden ze gaan rennen. Ik  probeerde hen met een handgebaar tegen te houden en fluisterde:

  • ‘Kijk daar zit een mevrouw, die is aan het bidden. We moeten heel stil zijn, anders storen we haar.’
  • ‘Echt?’

Zij zat geknield op de hoek van een bank enkele rijen verder richting het altaar.. Hij liep op haar af en ging recht voor haar staan. Daarbij keek hij haar  onderzoekend aan, recht in de ogen. Vervolgens liep hij naar me terug.

  • ‘Opa, ze is niet aan het bidden, ze heeft haar ogen open.’

Ik fluisterde dat je op allerlei manieren kan bidden, dat je dat kan doen met je ogen dicht en ook met je ogen open.

  • ‘Kom we gaan weer naar buiten.’

We waren weer een ervaring rijker en gingen naar de auto. Onderweg naar ons huis vroeg ik aan de jongste over zijn belevenissen op school en heel het onderwerp kerk en bidden was weer voorbij. Maar een week later vroeg de oudste aan mij:

  • ‘Opa, wat betekent Pinksteren eigenlijk? ‘

Ik dacht even na. Van Pasen weet hij intussen al het een en ander. Ik vertelde:

  • ‘Toen Jezus dood was waren al zijn leerlingen helemaal in de war. Ze hadden altijd alles samen gedaan. Hij leerde hun heel veel. Maar nu was hij dood, wat nu? Op een keer waren ze allemaal bij elkaar in een gebouw en toen gebeurde er iets vreemds. Ze voelden opeens de geest van Jezus. En toen werden ze blij. Hij was dood, maar hij was er toch nog op de een of andere manier. Dat vonden ze zo’n fijn gevoel dat ze besloten om van deze gebeurtenis een feestdag te maken. En ze noemden die feestdag Pinksteren.

Je zag hoe hij dit verhaal in zich opnam en vroeg daarna niet verder. Later die dag, of was het misschien enkele dagen later, zei hij vanuit het niets:

  • ‘Ik ga een brief aan Jezus schrijven.’

Verwonderd keek ik hem aan maar reageerde niet. Gisteren vonden zijn ouders onder zijn bed de bewuste brief aan Jezus. Wat een mooie plek om hem neer te leggen! Zo’n brief stop je niet in de brievenbus want dat is niet nodig. Onder zijn bed, dan zou Jezus hem wel vinden, toch? Hij ontroerde me. Of je nu gelovig bent of niet, die jongen is zo puur!

brief-aan-jezus

Geplaatst in autisme | Tags: , | Een reactie plaatsen

Leonardo da Vinci en Josquin des Prez

portretjosquin

Dit portret schilderde Leonardo da Vinci in Milaan en het vermoeden bestaat dat hij hier Josquin des Prez heeft afgebeeld.

Wie was de beste kunstschilder die er rond 1500 leefde? En wie was toen de beste componist? Ik zeg Leonardo da Vinci en Josquin des Prez. En ik denk dat veel kenners het met me eens zullen zijn. Leonardo da Vinci leefde van 1452 tot 1519, Josquin des Prez van 1450 tot 1521. Zij waren dus leeftijdgenoten, maar ze waren meer dan dat. Toen Leonardo da Vinci in Milaan in dienst van de Sforza’s werkte (1482-1499) was ook Josquin een tijdlang verbonden aan het zelfde hof. (1480-1489). Wat was dat voor een tijd en wat deden ze daar?

Om te beginnen: ze leefden in een zeer grillige tijd. De theoloog Savoranola, dominicaan in een klooster in Ferrara, vluchtte in 1482 met ordeleden naar Florence toen de paus met pauselijke troepen de stadstaat belaagde. In Florence was deze Savonarola erg succesvol met zijn boetepreken, de kerk van zijn klooster zat voortdurend bomvol. Toen Florence bedreigd werd door Franse troepen vluchtte Piero de Medici, de heerser van Florence, naar Venetië en Savonarola nam de macht over. Hij wist met zijn charisma bij de Fransen na de capitulatie af te dwingen dat Florence geen enorme afkoopsom hoefde te betalen. Maar hij liet er geen gras over groeien. Nu hij de macht had wilde hij het openbare leven helemaal hervormen. Er kwamen allerlei soberheidsmaatregelen en in zijn boetepreken veroordeelde hij de rijken. Ook moest heel veel kunst er aan geloven. Werken van bijvoorbeeld Donatello belandden op de brandstapel. Veel kunstenaars ontvluchtten dan ook de stad. Leonardo was gelukkig al in 1482 naar Milaan verhuisd omdat hij in Florence beschuldigd was van sodomie. Uiteindelijk won in Florence vier jaar later toch weer de oude macht, ook met behulp van de paus die Savonarola in de ban had gedaan. de Medici’s kwamen terug en Savonarola kwam op de brandstapel terecht. De zaken waar hij tegen ageerde, onder meer ook de misstanden in de kerk, bleven sluipend aanwezig. Het was niet voor niets dat Luther in 1517 zich los maakte van de Roomse kerk. Verder zien we hoe de Franse koning zijn invloed in Italië ging uitbreiden. Hij nam in 1499 Milaan in, de hertog vluchtte. Leonardo ging toen weer terug naar Florence waar hij zijn loopbaan was begonnen. Daar ging hij oorlogstuig maken voor Cesare Borgio, de hoofdfiguur in “La Principe” van Macchiavelli. (Met Macchiavelli was Leonardo trouwens goed bevriend. ) Leonardo reisde met Borgio mee en ervoer de buitengewoon wrede manier hoe hij met de leiders van veroverde steden omging. Dat maakte dat hij ook stopte met zijn militaire opdrachten.

In dat zelfde decor van bedreigde stadstaten, afwisselend strenge zedigheid, soms een fijnzinnig hofleven zoals dat in Ferrara of losballige orgiën, daarin leefde ook Josquin des Prez. Van veel van zijn werken weten we niet wanneer hij ze gecomponeerd heeft, maar wel van het “Ave Maria”, misschien wel het mooiste muziekstuk dat hij gemaakt heeft. Hij maakte het in Milaan. Daarover zo meteen meer.

maagd op de rotsen

In 1483 schilderde Leonardo, eveneens in Milaan “de Maagd op de rotsen.” Het was een opdracht van de “broederschap van de Onbevlekte Ontvangenis” om een altaarstuk te schilderen voor de Franciscaner kerk. Hij schilderde het middenstuk, andere schilders beschilderden de zijpanelen. Er op staan Maria, het kind Jezus, de jonge Johannes de Doper en een engel. Het gaat om een apocriefe scene over de ontmoeting van de heilige familie met Johannes als ze op weg zijn naar Egypte, nadat koning Herodus tot de kindermoord had bevolen. Hij heeft twee versies geschilderd. De eerste versie, die nu in het Louvre hangt, heeft hij waarschijnlijk verkocht toen er gedoe kwam over de betaling. Later heeft hij de tweede versie dan alsnog voor de broederschap gemaakt. Die tweede versie hangt nu in de National Gallery in Londen. We zien hier boven de eerste versie.

In die tijd was het nog controversieel dat Maria onbevlekt ontvangen zou zijn. Met name de Franciscanen hebben deze stelling ten zeerste gepromoot, en ook in dit schilderij zou dat idee op de een of andere manier aanschouwelijk gemaakt moeten worden, zo was de opdracht. Letterlijk luidde de opdracht: Maak een afbeelding met Maria. haar gewaad van goudbrokaat op karmozijn, in olieverf afgewerkt met fijne vernis. Daarbij het kind Jezus omringd door engelen en de twee profeten. Leonardo deed waar hij zin in had: hij liet de profeten weg, maakte slechts één engel (voor wie waarschijnlijk zijn jonge geliefde model stond) en haalde Johannes de doper erbij. Zo koos hij voor een mooie landelijke scene die weinig met de opdracht te maken leek te hebben. De profeten, waarschijnlijk Jesaja en Nephi, waren belangrijk in het verhaal. Ze moesten een soort testamentisch bewijs van de maagdelijkheid van Maria vormen. We lezen namelijk in het oude testament bij Jesaja: ‘Zie, de maagd zal zwanger worden. Zij zal een Zoon baren en Hem de naam Immanuel geven’ (Jesaja 7:14), en bij Nephi: Zie, de maagd die gij aanschouwt, is de moeder van de Zoon Gods, naar het vlees’ (1 Nephi 11:18).

Iets van die gedachte zien we misschien op het eerste gezicht toch nog. We zien een grot van kale rotsformaties waaruit op magische wijze bloemen ontspringen. We hebben het idee te kijken in het binnenste van de aarde. De figuren voor de grot baden in een warm licht, maar in de beschaduwde grot is het angstaanjagend donker. Leonardo da Vinci schreef eerder al eens over een mysterieuze grot waar hij tijdens een wandeling was langs gekomen. Het schijnt trouwens dat de onderdelen van de grot met een nauwkeurige geologische accuratesse zijn geschilderd, ze zijn duidelijk naar de natuur weergegeven. Ook de planten kloppen, ze staan uitsluitend op stukken zandsteen die zo ver geërodeerd zijn dat er wortels in kunnen doordringen. Ze staan nergens in het harde gesteente. Ook de soorten die je ziet komen in hetzelfde jaargetijde voor. Maar tegelijk is er sprake van symboliek: om de zuiverheid van Christus weer te geven wordt vaak een witte roos gebruikt, in dit geval kiest hij voor een witte stengelloze sleutelbloem. Vaag zichtbaar zien we boven de linkerhand van Maria een rozetje lievevrouwebedstro. Volgens een van de legenden zou Jozef deze plant gebruikt hebben als bed voor het kindje. Maar vreemd genoeg lijkt verder het verhaal vooral te gaan over Johannes de Doper, een van de favoriete thema’s van Leonardo. Johannes zit op zijn knieën met zijn handen eerbiedig gevouwen en Jezus zegent hem, zijn andere hand rust op een steen. Het lichaam van Maria lijkt in een draaiende beweging bevroren, ze kijkt naar Johannes en houdt een hand beschermend over het hoofd van haar kindje. Met de andere hand houdt ze liefdevol Johannes vast. De engel met zijn mooie krulhaar wijst naar Johannes en de andere hand rust ook op een steen. Het lijkt wel een oefening in gebaren en handhoudingen, een oefening die hij nog uitgebreider lijkt te herhalen als hij enkele jaren later het Laatste Avondmaal schildert.

handen

Zoals we zagen was de onbevlekte ontvangenis nog geen gemeengoed in de kerk en waren vooral de Franciscanen bezig om dat idee te promoten. Als we kijken naar de tekst van het Ave Maria zoals Josquin die gebruikte bij zijn compositie uit 1483, dan zien we daar ook een aantal verwijzingen naar die onbevruchte ontvangenis. Deze onderdelen komen in het officiële weesgegroetje, waarvan de tekst uit de elfde eeuw stamt, niet voor. Ik heb de betreffende passages vet weergegeven. Zou ook Josquin een opdracht kunnen hebben gehad van dezelfde broederschap? Het lijkt erg waarschijnlijk.

Ave Maria, gratia plena,
Dominus tecum, virgo serena.
Ave, cuius conceptio, solemni plena gaudio,
Caelestia, terrestria, nova replet laetitia.
Ave, cuius nativitas nostra fuit solemnitas,
Ut lucifer lux oriens verum solem praeveniens.
Ave pia humilitas, sine viro fecunditas,
Cuius annuntiatio nostra fuit salvatio.
Ave vera virginitas, immaculata castitas,
Cuius purificatio nostra fuit purgatio.
Ave, praeclara omnibus angelicis virtutibus,
Cuius fuit assumptio nostra fuit glorificatio.
O Mater Dei, memento mei. Amen.

Wees gegroet Maria vol van genade,
De Heer is met u, serene Maagd.
Gegroet, gij wiens conceptie, vol grote vreugde,
De hemel en de aarde vervult met nieuwe blijdschap.
Gegroet, gij wiens geboorte voor ons een groot feest werd,
Als de verlichtende morgenster anticipeert u op de ware zon.
Gegroet, trouwe nederigheid, die vruchtbaar was zonder man,
Van wie de aankondiging tot onze redding zou leiden.
Gegroet, ware maagdelijkheid, onberispelijke kuisheid,
Uw zuiverheid zou tot onze reiniging leiden.
Gegroet, glorieuze met al uw engelachtige deugden,
Uw liefdevolle bescherming zou tot onze verheerlijking leiden.
O moeder van God, denk aan me. Amen.

Josquin maakt hier gebruik van allerlei zettingstechnieken. Virtuoos wordt elk tekstdeel op een andere manier gezet. Maar opvallend is hoe het tekstdeel dat over de maagdelijkheid van Maria gaat er uitspringt:
Ave vera virginitas, immaculata castitas, cuius purificatio nostra fuit purgatio.
We horen hier een koraalzetting, alle stemmen hebben hetzelfde ritme, met uitzondering van de tenor, die telkens net een tel later komt. Het is een prachtig effect. Het doet me denken aan een passage in de Mariavespers van Monteverdi, waarin muzikaal wordt uitgebeeld dat alle mensen voor God gelijk zijn en de verschillen door hem weggepoetst worden. (Ut collocet cum principibus). Door zo’n verschuiving hoor je hoe dissonanten oplossen. Hier zou je dat kunnen interpreteren als “hoe haar zuivere maagdelijkheid bij ons tot zuiverheid leidt, wij worden door haar gereinigd”. Heel mooi is ook hoe aan het einde van die zin de maagdelijke zuiverheid van Maria nog even helemaal eenstemmig in de alt overblijft in het woord “purgatio” (reinheid). Koortechnisch mooi hoe het Gabrieli Consort er hier voor kiest om dat fragment op slechts een o-klank te zingen, maar ik denk dat Josquin echt wel gewild zou hebben dat je hier duidelijk het woord “purgatio” zingt, zoals ook in de partituur staat. Juist in die dingen laat Josquin zien dat hij de opdracht van de broederschap, het uitdragen van het mystieke wonder van de maagdelijkheid van Maria, begrepen heeft.

Ik schreef al eerder een artikel over deze compositie, zie de link onder aan deze pagina. Josquin heeft het ook met een afwijkende tekst op muziek gezet zoals je daar kunt zien. Bovenstaande versie heeft hij veel later ook nog bewerkt, hij wordt dan zesstemmig in plaats van vierstemmig. Dat was toen mode en er moest brood op de planken. Mooi gedaan, maar de originele versie uit Milaan vind ik veel mooier. De uitvoering die ik in dat eerdere artikel liet horen, (niet die ik toen live hoorde), dezelfde vierstemmige, is weer heel anders dan deze. Mijn ideale uitvoering zou een mix tussen deze twee uitvoeringen kunnen zijn. Hier boven hoor je het Gabriëli consort in een uiterst trage maar bijna engelachtige mystieke uitvoering. In dat andere artikel zingt het Gents vocaal ensemble hetzelfde stuk onder leiding van Philip Herrewhege, sneller maar met een heel natuurlijke tekstuitdrukking.

Josquin en Leonardo komen in Milaan met “de Maagd op de Rotsen” en het “Ave Maria” op een heel bijzondere manier opeens heel dicht bij elkaar. Misschien waren zij wel de twee grootste genieën van hun tijd. Ik stel me zo voor dat ze allebei in die Franciscaner kerk zijn en luisteren naar de opdracht van de broederschap. Leonardo broedt op de draai die hij er aan wil geven. Eerdere ideeën kan hij er wellicht in kwijt. Josquin luistert naar de akoestiek van de ruimte en kent de schola die hij kan gebruiken om het motet bij een Mariafeest in te wijden. Ik heb niet kunnen achterhalen of de betreffende kerk nog bestaat, ik vermoed van niet. Wel bestaat nog de zwaar beschadigde en nadien gerestaureerde Dominicanerkerk waar Leonardo enkele jaren later het Laatste avondmaal voor schilderde. Beide kunstenaars hadden het uitstekend naar de zin in het ruimhartige kunstminnende milieu waar ze toen in verkeerden. Leonardo da Vinci woonde in een niet gebruikt kasteel van de hertog en had daar ook een groot atelier waar hij niet alleen kon schilderen maar ook al zijn installaties voor hoffeesten kon ontwikkelen. En ook Josquin werd gewaardeerd en had waarschijnlijk de beschikking over een aantal goed getrainde zangers. Maar intussen borrelde en gistte het in Europa steeds meer. De zestiende eeuw met al zijn omwentelingen zat er aan te komen. Maria vluchtte naar Egypte. Leonardo en Josquin wisten nog niet wat de toekomst hen zou bieden. Maar even was het leven maagdelijk mooi.

Zie ook:
De Mona Lisa van Leonardo da Vinci
Leonardo die niet kon rekenen
Het laatste avondmaal van Leonardo da Vinci
Het Ave Maria van Josquin des Prez

Geplaatst in Geschiedenis, kunst, muziek | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

De Mona Lisa

De musea mogen binnenkort weer open, zoals ook de kerken weer open mogen. Dit alles wel nog met restricties. Veel kerken zijn trouwens al open: je kunt er naar binnen lopen om te bidden. Zoals dat vroeger normaal was. De meeste musea hebben gelukkig een website waar het een en ander virtueel te zien is. Op de site van het Louvre is er een onderdeel waarbij een aantal werken van het museum tot in detail kunnen worden bekeken, ook het beroemde schilderij “Mona Lisa”. Je kunt dan details zien die ook besproken worden in het boek “Leonardo da Vinci” van Walter Isaacson. In dat boek worden maar liefst 21 pagina’s gewijd aan de Mona Lisa. Het is het laatste onderdeel van het een na laatste hoofdstuk. De dingen die hij daar zegt lijken een logisch vervolg te zijn van al de dingen die in eerdere hoofdstukken al voorkomen, zoals in de hoofdstukken over zijn anatomische studies, of over zijn onderzoek naar de stroming van water, watervallen en irrigatie. In muziekstukken is de Coda vaak een hoogtepunt. Het deel over de Mona Lisa is een soort eerste Coda van het boek. Er komen er nog twee. Zo eindigt het boek met drie hoogtepunten.

Leonardo voltooide voor zover we weten slechts 16 schilderijen, en bij een deel daarvan was hij ook niet de enige schilder die er aan werkte. Dit met name bij de eerste schilderijen die hij in de werkplaats van Andrea del Verrocchio in Florence maakte. Toen hij daarna naar Milaan ging om aan het hof van Ludovico Sforza te werken was hij vooral iemand die allerlei toestellen en decors ontwierp die gebruikt werden bij feestelijke gelegenheden ter vermaak van de hertog, zijn hofhouding en zijn gasten. Honderd jaar later toen Monteverdi aan het hof in Mantua zijn eerste opera’s schreef klaagde hij dat de ontwerpers van decorstukken en effect beogende apparaten meer in aanzien stonden dan hij, die de muziek schreef. Leonardo kreeg aan dat hof waarschijnlijk ook al goed betaald.

Vanaf zijn vroege jeugd was hij iemand die alles wilde weten over anatomie, over hoe dingen werken, zoals het vliegen van een vogel. Hij maakte honderden tekeningen, die niet altijd een duidelijk doel hadden. Maar al gauw zag men dat hij ook verstand had van architectuur, beeldhouwkunst en schilderkunst. Hij ontwierp in Milaan het grootste ruiterstandbeeld aller tijden. Voor de bouw ervan had hij gigantisch grote hijsinstallaties en allerlei ander materieel nodig. Hij begon aan het beeld, maar het kostte hem zoals gewoonlijk veel tijd. Uiteindelijk was het benodigde brons opeens voor iets anders nodig, namelijk om er kanonskogels van te maken. De Fransen die even later Milaan veroverden, schoten als een soort sport het kleinere prototype van dat ruiterstandbeeld, dat wel al klaar was, aan diggelen. Er is daardoor geen enkel beeld van zijn hand bewaard gebleven. Als hij sprak over beeldhouwkunst en over schilderkunst noemde hij de eerste kunstvorm minderwaardig aan de laatste. Juist het subtiel kunnen werken met allerlei soorten kleur maakte de schilderkunst voor hem superieur. Zijn schilderijen waren altijd ontstaan uit een opdracht maar hij kon er, als hij tevreden over zijn werk was, geen afstand van doen. Zijn meest geliefde schilderijen nam hij steeds mee op reis. Onderzoek heeft uitgewezen dat hij daaraan nog bleef schaven, het was voor hem blijkbaar nooit af.  Sommige werken kon hij natuurlijk niet mee nemen, zoals de opdracht uit 1503 om een wand te beschilderen in het Palazzo Vecchio in Florence. Het moest de slag bij Anghiari verbeelden, een van de weinige veldslagen die de Florentijnen wonnen. Hij werkte er jaren aan, kreeg stevige aanbetalingen maar toen hij kans zag om terug naar Milaan te gaan liet hij het met het grootste gemak onaf achter. Wel zijn er veel tekeningen van dat grootse schilderij bekend zodat we er ons achteraf een goed beeld van kunnen vormen. Het had een enorm dynamisch geheel moeten worden, het was eigenlijk meer een bewegingsstudie dan een mooi statisch verhaal waar de renaissancekunstenaars zo goed in waren. Hij was zijn tijd vooruit. Waar de veel jongere Michelangelo nog mooie duidelijke lijnen schilderde om de objecten in hun omgeving te plaatsen, schilderde Da Vinci naar de natuur: lichtval, subtiele overgangen, al dat soort dingen waren voor hem essentieel. De sfumato-techniek, het vervagen van contouren, is door hem uitgevonden en door  Rafaël en navolgers omarmd.

Door zijn obsessie voor beweging onderzocht hij tot in detail uit wat er allemaal gebeurde als iemand iets zei. Ook de tong van de specht was een afzonderlijk studie object. Hij maakte altijd “to-do lijstjes” en op een van die lijstjes lezen we: “onderzoeken hoe de tong van de specht werkt”. Dit heeft hij ook zeer uitgebreid gedaan en hij trok er een aantal conclusies uit. Zijn wetenschappelijk anatomische onderzoeken, toegelicht met tekeningen, zijn nog steeds indrukwekkend. Hij had het idee ooit een encyclopedie te gaan maken waar al die dingen een plaats zouden krijgen.

laatste-avondmaalMaar niet alleen de puur technische kanten van beweging hadden zijn interesse: hij wilde ook weten wat er gebeurde met ogen, neus, wang, lippen of ledematen als iemand boos, verdrietig, blij, opgetogen was. Zijn beroemde “Laatste Avondmaal” is een schilderwerk waarin hij dat probeerde toe te passen. De menselijke psyche en de typologie van karakters zijn daar weergaloos vormgegeven. In de abdij van Tongerlo staat een reproductie uit 1507, waar hij misschien zelf nog mede aan gewerkt heeft (zie hierboven). Deze reproductie is in veel betere staat dan het sterk gehavende originele exemplaar van Milaan. Een van de best betaalde mensen aan het hof van Ludovico Sforza was een astronoom. Ook Leonardo maakte gebruik van zijn diensten. Hoewel er geen bewijs voor is, is het zeer aannemelijk dat Leonardo bij het schilderen van dit werk de psychologie van de karakters zoals ze bij de tekens van de dierenriem beschreven worden heeft proberen weer te geven. De kennis die hij verwierf met betrekking tot de menselijke psyche heeft hij ook toegepast in portretten: het moesten menselijke portretten zijn, niet geïdealiseerd. Ook in dat opzicht had hij ideeën die pas in de baroktijd meer algemeen werden.

“De mikrokosmos is een weergave op een ander niveau van de makrokosmos”. Dat idee heeft hij zijn hele leven omarmd. Op een gegeven moment  ging hij de loop van rivieren vergelijken met de menselijke bloedsomloop. Hij onderzocht fanatiek alle vormen van stromingen, watervallen, draaikolken en probeerde er achter te komen wat het equivalent daarvan was bij de mens. Hij ontdekte de functie van het hart als een soort pomp en dacht dat zo iets ook met water aan de hand moest zijn. Uiteindelijk kwam hij er achter dat het water op de toppen van de bergen daar terecht komt door waterdamp in wolken. Hij verliet toen ook het idee van een soort “hartpomp in de aarde”. Maar de aarde die gevoed wordt door het stromende water bleef voor hem een equivalent van het bloed dat vanuit het hart de mens voedt.

Leonardo da Vinci had krullend haar en zo ook zijn minnaars. Hij vond de kronkelingen en spiralen die hij zag in krullend haar fantastisch. Zoals hij draaikolken tekende bij het weergeven van de zondvloed, zo schilderde hij ook fanatiek haarlokken.

monalisaEn dan terug naar dat ene schilderij waar al deze dingen lijken samen te komen: de Mona Lisa. Als onderlaag heeft hij dik loodwit aangebracht. Een klein deel van het licht dat door de verflagen heen komt wordt door dat loodwit weerkaatst wat allerlei subtiele mogelijkheden geeft.  Voor de schaduwen op het gezicht gebruikte hij glaceerlaagjes met heel weinig pigment in de olie, en hij werkte daar met een zeer fijne penseel. Ook brengt hij deze penseelstreken doelbewust onregelmatig aan waardoor de textuur van de huid nog meer levensecht wordt. In een passage in een aantekenboek schrijft hij: “Als je een portret wilt maken, doe dat dan bij onbestemd weer of als de avond valt. Je kunt dan veel meer zachtheid en verfijning waarnemen.“ Mona Lisa was een vrij eenvoudige vrouw, niet van adel. Zij was de vrouw van een zijdehandelaar. Het weergeven van haar kleding was dus belangrijk. Het portret, dat overigens nooit is afgeleverd, moest ook een reclamefunctie hebben. Haar jurk bolt zacht, het licht valt op de verticale vouwen en rimpels. De mosterd- en koperkleurige mouwen stralen met een zijdeachtige glans die verblindt door zijn schoonheid. In de halslijn van haar jurk zien we twee rijen geknoopte spiralen, waartussen gouden ringetjes zijn verweven die het licht vangen.

monalisadetail2bDan zien we in de volgende rij knopen in de vorm van kruisen, van elkaar gescheiden door steeds twee zeshoekige windingen. Behalve in het midden, daar zijn het er drie omdat er een subtiele vouw in de jurk is. Het haar is bedekt met een sluier als teken van zedigheid. Deze is bijzonder transparant.  Het landschap op de achtergrond kun je er doorheen zien en waar de jurk er onder aanwezig is krijgt deze een donkerder kleur. Het haar valt in golven over haar schouder met een waterval aan krullen.

monalisadetail1bDe ragfijne sluier doet denken aan het mistige landschap op de achtergrond. We zien alles als het ware door een sluier. Het landschap is een uiting van het levende en kloppende lichaam van de aarde. Haar aderen zijn de rivieren, haar wegen de pezen, haar rotsen de beenderen.

monalisadetail3bVolg je met je ogen het kronkelende pad van de rivier rechts zoals dat na de brug op ons afkomt, dan lijkt dat wel op de zijden halsdoek die Lisa over haar linker schouder heeft gedrapeerd. De plooien van de doek lopen bijna recht. Totdat ze haar borst bereiken en wat gaan draaien en kronkelen, bijna identiek aan hoe Leonardo stromend water tekent. De kronkelweg links maakt een bocht alsof hij recht op haar hart afgaat. Haar jurk net onder de halslijn rimpelt en stroomt langs haar romp naar beneden als een waterval.

Waar komt het beroemde Mona-Lisa-effect vandaan, het gevoel dat wanneer je aan het schilderij voorbij loopt zij jou overal steeds lijkt aan te kijken. Dit schijnt te komen door de meesterlijke beheersing van de kunstenaar van het aanbrengen van schaduwen en het gebruik van licht. En wat is er aan de hand met haar goddelijke glimlach? In de tijd dat Leonardo aan het schilderij werkte bracht hij nachten door in het lijkenhuis onder een ziekenhuis, waar hij de huid van lijken vaak laag voor laag weg sneed om spieren en zenuwen te kunnen zien. Hij wilde weten hoe een glimlach anatomisch werkt. Zo schrijft hij bij anatomische tekeningen uit 1508 nauwkeurig wat al die spieren doen, welke bijvoorbeeld de lippen doen tuiten. Maar hij maakte op dat vel ook een eenvoudig, onduidelijk tekeningetje (midden boven) met een minzame glimlach. Was dat een voorstudie?

lippenstudie

Er valt nog veel meer over dit schilderij te vertellen. Net als over de figuur Leonardo da Vinci. Walter Isaacson schrijft 21 pagina’s over de Mona Lisa, de rest van het bijna zeshonderd pagina’s tellende boek geeft een schat aan verdere informatie over deze kunstenaar en zijn werk. Ik heb nog een andere biografie over hem, deze is van Matthew Landrus. Het aardige van dat boek is dat het maar liefst dertig uitneembare facsimele’s bevat van zeldzame documenten.

De Mona Lisa is terecht misschien wel het allerbelangrijkste kunstwerk van zijn tijd. De enorme technische mogelijkheden die de kunstenaar had worden in dit portret virtuoos geëtaleerd en het hele wezen en denken van de Homo Universalis Leonardo da Vinci, balt zich in dit schilderij samen.

  • Leonardo da Vinci, de biografie. Walter Isaacson. Uitgeverij Unieboek, het Spectrum, ISBN 978 90 00 36423 7, Ook als e-book of als luisterboek verkrijgbaar.
  • De geheimen van Leonardo da Vinci. Het verhaal over zijn leven en werk met 30 uitneembare facsimele’s van zeldzame documenten. Matthew Landrus, http://www.boekenwereld.com, ISBN-10:90 215 8476 X
Geplaatst in kunst | Tags: , , , | 1 reactie

Leonardo da Vinci kon niet rekenen. Mijn kleinzoon ook niet.

Leonardo da Vinci leefde in een tijd dat het hebben van Moorse slavinnen in de hogere kringen heel normaal was, dat pausen van verschillende maîtresses kinderen hadden, dat oorlog voeren en  het martelen van politieke tegenstanders aan de orde van de dag was. Hij zelf was een bastaard en kon daardoor niet in aanmerking komen voor bepaalde ambten. Hij was vegetariër maar heeft diverse openbare secties op het lichaam van ter dood gebrachte misdadigers bijgewoond. Ook ontleedde hij zelf allerlei vogels, schapen en koeien. Omdat hij iets wilde weten over de  botten, de organen, de zenuwbanen, de spieren of het bewegingsapparaat. Vooral omdat hij het wilde wéten, maar ook omdat hij het misschien kon toepassen in een schilderij of omdat hij een uitvinding in zijn hoofd had. Hij maakte vrijwel nooit iets af. Hij maakte onder meer oorlogswerktuigen of ontwierp irrigatiewerken die nooit gebruikt zijn, Bijna al zijn schilderijen zijn onaf. Ook als kunstenaar was hij onbetrouwbaar. Al heel snel was hij alweer in iets anders geïnteresseerd. Hij had niet de Latijnse school  maar de abacusschool doorlopen. Het plan was dat hij in Florence een technisch beroep zou gaan uitoefenen. Met algebra en rekenen heeft hij heel zijn leven moeite gehad, maar zo gauw hij iets kon visualiseren was hij ongeëvenaard. Hij was een kei in alle vormen van meetkunde. Hoewel hij wist dat je bepaalde problemen met de zuivere wiskunde kon oplossen tekende hij liever alles en onderzocht zo hoe iets in elkaar zat. Omdat hij niets afmaakte verdiende hij bijna niets. De meest lucratieve opdrachten liet hij lopen omdat hij er domweg geen zin in had. Toch was hij geliefd, ook bij zijn opdrachtgevers. Hij was welbespraakt en buitengewoon innemend.

Onwillekeurig moest ik bij het lezen van de biografie van deze duivelskunstenaar door  Walter Isaacson aan mijn oudste kleinzoon denken. Bijna altijd is hij vrolijk, goedlachs en welbespraakt. En in veel opzichten is ook hij begaafd. Zo heeft hij een bijzonder goed muzikaal gehoor. Maar door zijn karakter en zijn autisme komt dat er nog niet altijd even goed uit. Als je hem een betere vingerzetting op de piano laat zien wil hij dat best wel proberen, maar als ik hem daarna weer zijn stukken zie spelen past hij dat dan niet toe. De vingerzettingsoefeningen die ik hem geef  met toonladders en drieklankbrekingen oefent hij nauwelijks en als ik er dan weer een keer bij ben blijkt hij het toch weer op zijn eigen manier te doen. Er zit iets in hem dat ik van mezelf herken: “op deze manier gaat het toch ook? En ik vind dat minstens zo handig.” Alleen je loopt vast, dat weet ik door schade en schande inmiddels en dat weet hij nog niet. Piano spelen is voor hem muziek maken en toonladders spelen is dat niet. Moeilijke passages er uit lichten en die eindeloos oefenen is geen muziek maken: hij speelt het hele stuk veel liever nog weer meerdere keren in zijn geheel en loopt vervolgens steeds weer vast bij de moeilijke passages. Het is hem bijna niet aan het verstand te peuteren. Noten lezen: hij wil er nog niet echt aan. Maar zijn muzikale gehoor is verbluffend. Laatst transponeerde hij een stuk naar een andere toonsoort. Hij weet nog niks van toonsoorten, maar door veel te improviseren weet hij inmiddels wat de afstanden betekenen en dat past hij dan door goed te luisteren toe. En alles wat hij mooi vindt probeert hij na te spelen, liefst ook met twee handen.

Ook het tekenen heeft iets vluchtigs. Hij tekent heel erg goed, perspectief, grote lijnen, hij zet de contouren van een tekening in een handomdraai op papier. Maar de meeste tekeningen blijven onaf, hij raakt opeens afgeleid en daarna gaat hij niet meer verder met die tekening, liever maakt hij daarna weer een andere. Als hij een filmpje heeft gezien, een boek heeft bekeken of buiten onderweg iets  tegen is gekomen: hij wil het tekenen. Voortdurend heeft hij ideeën en hij kan dan bijna niet wachten om het op papier te zetten. Een enkele keer rondt hij het wel af en gaat het zelfs inkleuren, maar ook dat is hij meestal al snel weer zat.

Twee tekeningen van de afgelopen week: Zijn tantes zijn op weg naar Madurodam, daaronder: een patiënt die wordt verzorgd en die daarna naar het ziekenhuis zal worden vervoerd.

tantes-in-trein

patient-naar-ziekenhuis

“Iets tekenen” is voor hem  een manier om vat op dingen te krijgen. Nog meer doet hij dat misschien in zijn kinderspel, vooral ook in zijn toneelspel. Toen hij de paus het “Urbi et Orbi” had zien uitspreken in een lege Pieterskerk ging hij voor paus spelen. En hij hield daarbij ook een toespraak en vertelde over allerlei dingen, ook over de coronacrisis. Hele monologen kan hij dan houden.

Lezen, schrijven, alles met taal doet hij moeiteloos. Maar waarom heeft hij zo’n moeite met rekenen? Hij kan al jaren tellen, ook achteruit of in een andere taal. Als vierjarig jongetje was hij al gefascineerd door de getallen op hectometerpaaltjes. Maar de sommen uit “wereld in getallen” vindt hij heel erg lastig. Als ik hem dan help bij zijn huiswerk merk ik om te beginnen dat hij snel is afgeleid door de plaatjes. De afbeeldingen moeten sommen visualiseren maar voor hem zijn het afbeeldingen op zich waar hij naar kijkt en waarbij hem dingen opvallen: vorm, kleur en ook dingen die naar zijn idee niet kloppen. De som zelf, daar is hij dan subiet  niet meer mee bezig. Dan zijn er dingen die hij niet snapt qua visualisatie: je ziet een klok, daarop is het 10 uur. Nu moet je op een streep met 24 vakjes bij “de 10”- dat vakje arceren. Dan zie je op een andere klok dat het 2 uur is. Nu moet je alle vakjes tot 2 uur arceren. Dan moet je in nog weer een ander vakje invullen hoeveel uur het is van 10 tot 2 uur. En zo worden alle mogelijk sommen op telkens weer andere manieren gevisualiseerd. Ik denk dat hij in dit geval erg gebaat zou zijn met domweg leren klok kijken. Niet meer en niet minder, totdat hij van alles door heeft hoe dat werkt. Dan vraag je hem doodleuk als je een klok hebt laten lopen van 10 tot 11 uur. Hoeveel uur later is dat? En ook dat eindeloos, zonder visualisaties. Zo vaak tot hij het principe door heeft. Idem met optellen en aftrekken, gewoon heel veel doen, de enige ondersteuning bij veel van die sommetjes zou een telraam kunnen zijn. En alles zo vaak doen totdat elk sommetje net als een tafel iets is dat je “gewoon weet”. En geen dingen laten doen die hem afleiden.

Maar hij is wel geïnteresseerd in dingen om hem heen en daar kun je gebruik van maken. Hoe lang is je wijsvinger? Meet het maar. En je potlood, je liniaal? Leer hem dat je tegen 10 cm ook 1 dm kunt zeggen. En tegen 100 cm 1 meter. Laat hem grotere dingen meten. Eerst globaal door pasjes te maken. Zoek maar eens uit hoe groot een pas moet zijn om een meter te stappen. Poe hei, lukt dat niet? Zullen we dan twee pasje maken om een meter te lopen? Hoe klein moeten twee pasjes zijn om samen een meter te zijn? Ga maar eens 10 meter lopen, Telkens twee pasjes is een meter. Dat vindt hij leuk. Net als voor elke maaltijd tot honderd tellen. Samen met zijn broertje en zusje lopen ze al tellend vrolijk kringetjes rond de keukentafel. Vijftig meter schat ik…

Ook is hij geïnteresseerd in spoorboekjes. Helaas bestaan die niet meer maar dan gaan we er toch gewoon eentje maken? Met alle treintijden op de lijn Gouda Goverwelle – Den Haag Centraal. Links zet je eerst de namen van de treinstations. Boven van links naar rechts de vertrektijden van zowel de sprinters als de intercity’s. Met aparte kleuren, bijvoorbeeld zwart door de week, zaterdag blauw, zondag rood. Zo iets moet natuurlijk mooi worden afgewerkt. Met NS-kleuren en het NS-logo erbij. Als je hem kent kun je veel dingen aanboren die leuk zijn en waarvan hij tegelijk dingen leert die nodig zijn.

Leonardo da Vinci was vegetariër, mijn kleinzoon heeft een eetfobie. Vegetariër zijn, dat was rond 1500 zeer ongebruikelijk. Nu mag je eten wat je wil, voor ieders smaak, allergie of fobie is er wel wat te verzinnen. Ik denk trouwens dat Leonardo helemaal niet zo’n slecht leven heeft geleid. Hij droeg opzichtige kleren, was homofiel en had een vriend, deed alleen de dingen die hij leuk vond en was bij veel mensen geliefd. Hij onderzocht met veel passie hoe de wereld in elkaar zat en tekende het van zich af. Hij schijnt ook zeer verdienstelijk de lier bespeeld te hebben. Zo mag je hopen dat ook in deze tijd mijn kleinzoon zijn weg zal vinden. Vooral in zijn muziek en tekenen is hij gelukkig. Hij is nog steeds heel kwetsbaar omdat hij zo anders is en veel dingen van de wereld om hem heen niet snapt. Maar door zijn talent en de fantastische mensen om hem heen gaat hij het vast wel redden. Een van de grootste genieën aller tijden kon immers ook niet rekenen.

 

 

Geplaatst in autisme | Tags: , , , , | 3 reacties

De natuur op zijn mooist

Mijn moeder zei altijd: de mooiste tijd om wilde bloemen in de natuur te bewonderen is de periode van mei tot en met de eerste helft van juni. Ik denk dat het ook de mooiste tijd is om te luisteren naar zangvogels. En een van de mooiste plekken om dan te vertoeven zijn de duinen van Oostvoorne. Deze bloemen en nog veel meer zag ik daar:

Rietorchis, Zenegroen, Bosaardbei, Akelei, Salomonszegel, Lelietje-der-Dalen, Rolklaver, Wondklaver, Ossetong,  Watermunt, Dagkoekoeksbloem, Tormentil, Bosviooltje, (Bladeren van) Brede Orchis, Boterbloem, Gewone Vleugeltjesbloem, Grasklokje en de Welriekende Nachtorchis. Vooral de prachtige bloesem van de meidoorn is nu overweldigend. En wat ik hoorde mag je zelf proberen te determineren:

Geplaatst in bloemen, natuur | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Wordt het weer beter?

weer

wolken

Ik krijg een warm gevoel van Angela Merkel

Een longarts zegt: de kans is groot
een werkend vaccin dat komt er niet.
De zon schijnt buiten, mijn vest is dicht.

De kleine dokter snuift Urticalcin.
Emmanuel Macron schildert vergezichten.
Mijn beeldscherm tovert hemelse toppen.
Het bloeiende gras wuift alles weg.

De Zweden hopen op groepsimmuniteit.
Wit-Rusland weet: zonder visum geen virus.
De zon kijkt om en is verdwenen.
Wolken, donker, waaien zij over?

De vogels lijken het twitteren verleerd.
Maar kijk, ik klik op prachtige bloemen.
Een zon die schijnt, een open vest.

Geplaatst in maatschappij | Tags: , , | Een reactie plaatsen