Het altaar-retabel uit de Sint Jan van den Bosch

Met mijn vrij reizen dag van de NS toog ik een week geleden vanuit Utrecht naar het zuiden. De voorspelling was: in het noorden motregen, in het uiterste zuiden veel zon. Dus ik besloot om een antiquariaat in Heerlen te gaan bezoeken en daarna te kijken wat ik nog meer wilde. Door een aanrijding met een persoon, zoals dat altijd respectvol wordt genoemd, stond ik vlak voor den Bosch twee en een half uur stil. Ik stapte daarom maar in Den Bosch uit en bezocht om te beginnen het Brabants Museum.

Ik zag er drie tentoonstellingen. Die me het meest is bijgebleven is die met werk van Tim Walker. Zijn groteske, maar wonderschone meer dan levensgrote foto’s, daar kon je niet om heen. Ook waren er enkele sculpturen van hem te zien. Onwillekeurig moest ik opeens weer denken aan de persoon die zich net deze ochtend voor de trein had geworpen. Wat kan er allemaal omgaan in een brein. Sommigen kunnen het niet meer aan. Tim Walker weet zijn gedachten te sublimeren in dit soort beelden.

tim-walker2Daarna ging ik naar de kathedraal, de beroemde Sint Jan.

stjanWat een kerk is dat toch, hij blijft imponeren door zijn overdadige Brabantse gothiek!  Na een rondje er omheen gelopen te hebben ging ik naar binnen. Terwijl  tientallen mensen de kerststal bezochten heb ik als enige een tijdlang staan kijken naar het altaar-retabel uit het begin van de zestiende eeuw.

altaarstukHet houtsnijwerk komt uit een Antwerps atelier, de geschilderde zijpanelen zijn van Luikse makelij. In Kalkar kun je in de “Nicolai Kirche” maar liefst 8 complete altaarstukken uit de periode 1400-1620 bewonderen, stuk voor stuk van zeer hoge kwaliteit. Daar steekt dit altaarstuk maar pover bij af. Het heeft ooit gestaan in de Sint Anthoniskerk van Boxmeer, is daarna in particuliere handen terecht gekomen en het is tot slot in het begin van de twintigste eeuw  door de Sint Jan aangekocht.

Al kijkende vielen me een aantal details op. Bij de kruisdraging zie je hoe voor Christus uit iemand staat (of  knielt), gericht naar Christus. Het is een vrouw, zij houdt iets langwerpigs vast. En het meest merkwaardig: wat heeft zij over haar schouder. Is het een dier?

detail-altaarstuk

Maar nee, een paar uur slapen doet wonderen. Ik werd na het schrijven van dit blog midden in de nacht wakker en wist het: natuurlijk! Het is de heilige Veronica! Ze wil Christus het zweet van zijn hoofd wissen. Op haar rug, dat is waarschijnlijk een soort draagzak, gemaakt van dierenhuid. Daar zal ze straks de doek in opbergen. Veronica is een heilige die in de bijbel nergens voor komt. Maar er is zelfs een kruiswegstatie aan haar gewijd, het moment dat ze het gezicht van Jezus dept met een doek. Op Heiligennet staat het verhaal in geuren en kleuren. Veronica, die eigenlijk Faustina heette, was de voedster van de inmiddels ernstig zieke keizer Tiberius en had gehoord van de wonderen van Jezus, dus ging naar hem op zoek. Het detail van het verhaal dat gaat over dit moment:

Faustina spuwt op de grond en stort zich in het gewoel. Tenslotte vindt ze een plekje vooraan in de menigte; hier komen ze straks voorbij. Ze heeft geen enkele moeite diegene te herkennen over wie ze intussen al heel wat gehoord heeft. In haar ouderdom weet ze wat mensen allemaal kunnen doormaken; ze ziet zijn gelaat. Een intens gevoel van medelijden doorstroomt haar. Daar gaat haar laatste hoop; de laatste mogelijkheid om de keizer van een verschrikkelijk lot te redden. Tiberius mag dan gehaat zijn bij velen, zij heeft hem gevoed en op haar schoot gehad; hij is zoveel als haar kind. In de rauwe drukte schuiven als in een waas de gezichten van haar Tiberius en deze Jezus over elkaar heen. Ze ontworstelt zich aan het gedrang, en weet zich naar voren te werken; ze grist haar hoofddoek af en dept daarmee het bebloede gezicht van deze man. Heel even – het is alsof de hele wereld één moment ophoudt met bewegen – ziet Hij haar dankbaar aan. Dan wordt Hij weer voortgeslagen; en zij wordt weggetrokken door woeste soldaten.

Nog andere dingen zijn me opgevallen bij dit altaar-retabel. Bij de kruisiging zelf, het centrale houtsnijwerk, valt me op dat de twee moordenaars niet allebei aan een apart kruis weerszijden van Christus hangen, maar dat ze aan het zelfde kruis zijn bevestigd.

kruisigingEn dan de panelen. Bij het paneel met de scene van de gevangenneming zie je hoe Christus geheel omsloten tegen de grond is gewerkt en door meerdere personen wordt vastgehouden.

gevangennemingKijk je iets lager naar hetzelfde paneel dan raak je in de war. Wie is die persoon met dat blauwe kleed? Zo te zien aan zijn voeten kan het Christus niet zijn, want dan zou iemand zijn nek hebben omgedraaid. Het klopt gewoonweg niet. Is het naderhand gereviseerd en verkeerd overgeschilderd of is het gewoon geklungel? Ook dat rare handje rechts van dat blauwe kleed. Waar komt dat vandaan?

gevangenneming2

Historische elementen vind ik altijd leuk om naar te kijken. Zoals de kleding van de soldaten. Maar ook hun lansen en de flambouwen. In archiefstukken lees je vaker dat er vooral bij feestelijkheden gewag wordt gemaakt van het grote aantal flambouwen dat werd ontstoken. Zo zagen die er dus uit.

flambouwenDe zon is in Den Bosch die dag niet gaan schijnen. Maar ik had weer veel gezien, veel dingen om over na te denken.  Zoals de dingen waar ik mee begonnen was, in het Noord-Brabants Museum. De prachtige foto’s en sculpturen van Tim Walker, met de titel “the Garden of Earthly Delights“. Geïnspireerd op het werk van Jeroen Bosch. Nog tot 25 februari te zien.

tim-walker

 

 

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

De vroege ochtend

Mijn vader stond altijd vroeg op. Toen mijn moeder was overleden stond hij meestal al voor 5 uur op en maakte gelijk een ochtendwandeling van een uur. Wat zal hij veel genoten hebben! ‘Het is de mooiste tijd van de dag’, zei hij altijd. Ik ben net als hij ook een vroege vogel. Maar in de winter hoef je niet zo heel vroeg op te staan om al van veel dingen te kunnen genieten.

Onderstaande film van 21 januari 2018 maakte ik iets na half acht.  In het ZZO staan Jupiter en Mars. De zon moet nog opkomen boven de Lek. Het is nog steeds erg hoog water, de uiterwaarden zijn bijna helemaal ondergelopen. Het geluid van de ganzen dat je hoort, dat hoor je bij ons de hele nacht door. Het stoort helemaal niet, het is zelfs rustgevend in de verdere stilte, zeker op de zondagochtend.

Jupiter komt op dit moment rond 4 uur op in het ZO en is al heel snel daarna te zien als een prachtige “dwaalster” boven de horizon. Mars komt een kwartiertje later op maar is veel minder helder. Op het tweede shot in de film zie je hoe Mars inderdaad een rode waas heeft. Dat zagen de oude Grieken en Romeinen al en maakten hem daarom tot oorlogsgod.

Het eerste shot is een close-up van Jupiter. Ik wil ook heel graag weer zijn grote manen een keer zien, en proberen om ze op de gevoelige plaat vast te leggen. Dan zal ik om te beginnen eerder op moeten staan. En het blijft de vraag of dat met mijn camera gaat lukken. Ik zag ze lang geleden enkele keren met mijn verrekijker. Eigenlijk moet je daarvoor een telescoop gebruiken.  En een ideale omgeving hebben. Misschien over 5 weken in Zuid-Frankrijk?

 

Geplaatst in Astronomie, natuur | Tags: , , , | 3 reacties

Moeder

webern-foto1912Anton Webern (Foto uit 1912) wordt nog steeds door veel muziekhistorici beschouwd als de wegbereider van het serialisme. Het serialisme is een stroming die vooral in de vijftiger en zestiger jaren van de 20e eeuw zeer populair was, met als bekendste vertegenwoordigers Stockhausen en Boulez. Een academische manier van omgaan met muziek. Emotie  speelt bij deze muziek nauwelijks een rol.

Anton Webern heeft niet geweten dat hem die rol is toebedeeld, wegbereider van emotieloze muziek. Vrijwel alle werken van Webern zijn namelijk sterk expressief. Ook zijn latere dodecafone werken. En luister je naar zijn werken van voor de eerste wereldoorlog dan kun je er al helemaal niet om heen: Webern is een romanticus die zijn gevoelens wil uiten.

De moeder van Anton Webern was Amelie Geer. Wie was Amelie Geer? Als je haar opzoekt op internet valt er vrijwel niets over haar te vinden. Alle sites waar er iets over haar staat praten wikipedia na: “Amelie Geer was a competent pianist and accomplished singer.” Webern kreeg toen hij vijf jaar oud was van haar pianoles. En zij liet hem ook cello studeren. Aan haar heeft hij te danken dat hij van muziek zijn beroep mocht maken. Zijn vader, bouwkundig ingenieur,  wilde liever dat hij een degelijk beroep zou krijgen,

Uit een bron op papier weet ik dat Amelie Geer in 1906 in Klagenfurt is overleden. Haar zoon Anton studeerde toen nog muziekwetenschappen bij Adorno aan de universiteit van Wenen en had in die stad ook compositieles van Arnold Schönberg. Daarna werd hij in diverse steden dirigent van amateur-orkesten. In 1913 keerde hij weer terug naar Wenen. In dat jaar schreef hij een gedicht over zijn moeder.

Schmerz immer
Blick nach oben
Himmelstau
Erinnerung
Schwarze Blüten
Auf Herz
aus Mutter

Pas in de laatste regel kun je lezen dat hij het over zijn moeder heeft. Had zij eeuwige pijn? Of heeft hij zelf eeuwige pijn bij de herinnering aan haar? De blik is naar boven gericht. Dauw van de hemel. Betraande ogen, zo voel ik. Herinnering. Zwarte bloesem, op het hart, ontspruit uit zijn moeder. Zwarte bloesem doet me denken aan rouw, of verwelkte bloemen. Je kunt met al deze woorden op meer manieren associëren. Maar je ervaart in dit gedicht een zeer persoonlijke ontboezeming.

In datzelfde jaar schrijft hij drie Bagatellen voor strijkkwartet. Het eerste en derde deel voegt hij bij vier bagatellen die hij al twee jaar eerder schreef, en laat het geheel uitgeven als “6 Bagatellen op.9”. Maar de middelste bagatelle is een stuk voor strijkkwartet en zangstem, op eigen tekst, zoals hierboven weergegeven. Hij vindt het te persoonlijk. Hij laat dit stuk daarom weg. Het is tijdens zijn leven nooit uitgegeven. Maar hij gooit het ook niet weg. Het is bij de nalatenschap terug gevonden. En het is een van de meest aangrijpende expressionistische uitingen welke ooit is geschreven. (Uitvoerenden: Quatuor Diotima, Sandrine Piau, sopraan.)

Schmerz immer
Blick nach oben
Himmelstau
Erinnerung
Schwarze Blüten
Auf Herz
aus Mutter

Het gedicht is duidelijk tweedelig: Het tweede deel begint bij de tekst “Schwarze”, en krijgt niet alleen vanwege de alliteratie een link met het begin, “Schmerz”, maar ook vanuit de muzikale context: ritme en toonhoogte. Het laagste deel, sterk afrondend vormt het woordje “Erinnerung”. Uiteindelijk staat dat woord centraal in het gedicht, maar ook in de muziek. Het gaat om een herinnering, een herinnering aan zijn moeder neem ik aan. “Blick nach oben” gaat licht omhoog, zoals in het tweede deel “Auf Herz”. Maar de hoogste noten worden gevormd door de lettergrepen die er na komen. In het eerste deel zijn dat “Himmel”, in het tweede deel “Aus” (Aus Mutter). Het afrondende woord Mutter vormt de clou, maar is tegelijk ook een klacht. Je zou het wat mij betreft iets dramatischer mogen zingen, zoals een kind ook om zijn moeder kan zeuren: “Má…..ma.” Bij Mutter is “Muuu” als in een dergelijke klacht verlengd, een secunde lager volgt het korte “ter”.

 

Geplaatst in muziek | Tags: , , | 2 reacties

Ons Heem

Dinsdag had mijn vrouw een afspraak bij de huisarts en zou daarom later op haar werk komen. Zij werkt op een Montessori basisschool. Toen ze er later op die ochtend arriveerde sprak ze even met de juf die haar had vervangen.

– ‘Geweldig, die klas. Alle kinderen weten wat ze moeten doen. Ze gaan aan de slag, iedereen met iets anders, ze helpen elkaar.Eigenlijk heb ik niet veel meer gedaan dan hier en daar wat aan de kinderen gevraagd en verder heb ik 1,5 uur verbaasd om me heen gekeken. Ja, dit is echt Montessori-onderwijs. Het bestaat dus nog!’

Mijn vrouw vond het natuurlijk hartstikke fijn maar verwonderde zich tegelijk dat deze collega dat zo ervoer. Blijkbaar was dat niet in alle klassen zo. Ik heb ook meerdere malen in het verleden in haar klas gekeken op andere scholen en had die zelfde verwondering: wat een heerlijke sfeer, zelfstandigheid en bedrijvigheid. Op mijn verzoek heeft ze een tijdlang een website bijgehouden waar ze af en toe iets van haar ervaringen op zette. Dat doet ze al een hele tijd niet meer. Jammer, want ze vertelt mij nog steeds de meest fantastische verhalen. Je kunt die verhalen uit het verleden bekijken op www.rietjeblijdorp.nl

Jammer genoeg weet zij dat het echte Montessori-onderwijs de afgelopen tien jaar zwaar onder vuur is komen te liggen. Omdat de volgende dingen mis gaan: de directie is niet altijd meer Montessoriaans, er zijn steeds meer leerkrachten die het vak te weinig beheersen en tot slot: er is druk vanuit de maatschappij om resultaatgericht te werken. Lees: “kies een beproefde klassikale, methode, laat de kinderen met die methode werken en zorg dat de cito-scores omhoog gaan. Vast onderdeel: oefenen voor de cito.“ Dat alles is vooral prachtig voor de naam van de school op internet.

Mijn vrouw heeft ook les gegeven op de opleiding die nieuwe Montessori-leerkrachten aflevert. Onlangs hoorde ze dat deze opleiding verkort was tot slechts een jaar.  In haar tijd duurde die opleiding nog  maar liefst vier jaar!. Dit soort ontwikkelingen  lijkt haar voor de toekomst van dit soort onderwijs funest.

Waarom? Het Montessori-onderwijs is zo opgezet dat elk kind zich in eigen tempo allerlei stof kan eigen maken. Maria Montessori heeft in het begin van de twintigste eeuw materialen ontworpen die nog steeds fantastisch zijn. De kern bij die materialen is:

  • Zorg dat de leerlingen zich focussen op een bepaald probleem of een leerstof-onderdeel.
  • Geef ze de mogelijkheid tot variatie om lang te oefenen met dat materiaal.
  • Het materiaal is zo van opzet dat je snel leert begrijpen wat je eigenlijk aan het doen bent.
  • Ook is er een soort controle van de fout ingebouwd, zodat de kinderen het zelf merken als er iets  niet goed gaat.

De leerkracht moet niet alleen weten hoe je een materiaal aanbiedt, maar ook hoe je varieert, en vooral ook: hoe zit de totale leerlijn in elkaar. Wat is de beste volgorde, hoe kun je zo nodig versnellen of biedt je de juiste extra stof aan. Dat soort dingen leer je op de Montessori-opleiding.

De kern van het Montessori-onderwijs is de zogenaamde kosmische opvoeding: draag zorg voor je medeleerling, de volwassenen, en voor je omgeving. Vanaf de kleuterafdeling wordt dat geleerd: zorgen voor plantjes, dragen van materialen, of dingen als kasten afstoffen en servies afwassen. En de kinderen krijgen zo snel als kan een grote verantwoordelijkheid. Je ziet kleine kleuters trots met een dienblad met echt servies er op lopen. In de klas wordt er niet alleen achter het eigen tafeltje gewerkt, maar ook op kleedjes op de grond. Kinderen mogen door de klas lopen om iets dat ze nodig hebben te halen. Iedereen loopt zeer voorzichtig om die kleedjes heen. De combinatie van verantwoordelijkheid krijgen, vertrouwen krijgen en zorg leren geven maakt dat de kinderen zich snel goed gaan gedragen en dat pestprotocollen en dergelijke meestal niet nodig zijn.

Montessori leerkracht zijn vergt zo nogal wat van een juf of meester. Het is niet vanzelfsprekend dat alles vanzelf en goed gaat. Je moet vertrouwen leren geven door zelf ook vertrouwen te hebben in de kinderen. Je moet de kinderen erbij helpen dat ook zij veel vertrouwen in zichzelf en de ander krijgen. Ook leer je ze  hoe belangrijk het is dat je leert van fouten. Maar verder moet je je als docent veel dingen eigen maken. De klassenorganisatie is uitermate belangrijk, je moet goed leren observeren en analyseren.  Waar is welke hulp het beste?

Veel gaat er helaas steeds meer mis. De Montessori scholen kiezen er dan al snel voor om maar over te stappen op klassikale methodes. Het Montessori-materiaal ligt vervolgens ergens  te verstoffen als remedial teaching materiaal. De leerstof komt weer centraal te staan in plaats van het individuele kind. Voordat mijn vrouw op de huidige school is gaan werken heeft ze deze negatieve ontwikkeling in drie jaar tijd op drie verschillende Montessori scholen waargenomen. Doodzonde.

Intussen blijft men overal het wiel uitvinden. Ik las op internet dat er een experiment op een aantal scholen is met “Slimfit”. Een onderwijsconcept dat eveneens beoogt om het individuele kind centraal te stellen. Maar nu zonder klassen: Vier leerkrachten zijn verantwoordelijk voor de ontwikkeling van 80 kinderen. In een schoolgebouw met veelsoortige ruimtes die door de kinderen op verschillende manieren gebruikt kunnen worden. Ik heb het evaluatierapport gelezen dat na een aantal jaren is opgemaakt en door de regels heen merk je dat het niet allemaal rozengeur en maneschijn is. Er worden toch weer leeftijdsgroepen gecreëerd en in de ochtend wordt er gewoon klassikaal gewerkt, ’s middags pas volgens het vernieuwde concept. Alleen: beide concepten zijn in de kern tegenstrijdig. Ook zijn de leerkrachten niet geschoold en leren met vallen en opstaan hoe het zou kunnen of moeten werken. Een dapper initiatief maar ik heb behoorlijke twijfels.

onsheem1

Tot mijn grote verrassing kwam ik onlangs een tijdschrift tegen dat zo in de periode na de tweede wereldoorlog een tijdlang is uitgegeven. Het heet “Ons Heem”. Ik ben in het bezit van de 6e en 7e jaargang: 1957 en 1958. Het kernidee is: stel het individuele kind centraal, en schaf de klassikale methodes voor geschiedenis, biologie en aardrijkskunde af. Ontwikkel zelf je onderwijs vanuit je directe omgeving: “het Heem”.  Daarnaast kun je het Heem ook deels gebruiken voor rekenen en taal. Hoe kun je plattegronden maken van je school, laat de kinderen maar meten en tekenen. En hoe kun je als kind tabellen leren  lezen en hoe zou je deze zelf kunnen maken? Door de status van de bushalte om de hoek met de klas te gaan bestuderen! De kinderen gaan veel naar buiten maar er wordt ook veel in huis gehaald. Elk seizoen komt er een seizoenbakje dat samen met de kinderen wordt gevuld met allerlei onderdelen uit de natuur waar je over kunt praten en waarvan je de ontwikkeling kunt bestuderen. En wat vind je van de suggesties voor het samenstellen van  een winterboeket: mooie takken met knoppen, bladeren, takken met bessen, maiskolven, lisdodden, rietpluimen, enzovoort. Omdat het boekje op Zuid-Limburg is gericht lezen we ook wat er overwintert in de grotten en die grotten moet je dan uiteraard gaan bezoeken.  Ook wordt er een boswandeling beschreven met wat je daar niet allemaal kunt tegenkomen. En er is heel erg veel te vertellen over de vaderlandse geschiedenis vanuit je directe omgeving. Dat moet je als onderwijzer dan wel zelf ook weten of je eigen maken. Elke straat heeft zijn verhaal, soms alleen al door de naam. In het tijdschrift staan veel geschiedenisverhalen vanuit het Heem. In Limburg zijn er vanuit de geologische gesteldheid van de bodem  veel mogelijkheden om nog weer andere interessante dingen te laten ontdekken. En wat kun je ook nog leuke dingen doen met klei, steenkool, krijt…

Ik had nog nooit van het tijdschrift en de onderwijsbeweging die erbij hoort gehoord en weet niet hoe lang en hoeveel scholen hier mee hebben gewerkt. Maar ik vind de ideeën die ik las sympathiek.

Ik heb drie pagina’s die gaan over de methodische aanpak van hun onderwijsconcept gekopieerd. Veel ideeën zijn nog steeds actueel. Eigenlijk had ik best wel onderwijzer willen zijn in een school met dat concept..

onsheem2

onsheem3

onsheem4

Geplaatst in Geschiedenis, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , , | 2 reacties

Leven na de dood

Mijn vader is nu al meer dan vijftien jaar geleden overleden. Hij was een zeer wijs , uiterst eenvoudig en bescheiden mens. Een voorbeeld, domweg door zijn levenswijze: niet zeuren, niet klagen maar hard werken, en dat vooral voor de toekomst van zijn kinderen. En hij kon goed naar ons luisteren en ons of zijn vrouw zo nodig een advies geven. Bij voor mij cruciale beslissingen is hij een belangrijke factor geweest. Ik kan ze allemaal opsommen. Maar nu is hij al vijftien jaar dood. Toch is hij voor mij nog steeds een voorbeeld en inspiratiebron.

Toevallig zag ik in de namiddag een programma van de NCRV, “Jacobine op zondag”. Het ging over de bijna-dood-ervaring. Twee ervaringsdeskundigen en een cardioloog die over dat onderwerp een boek heeft geschreven waren de gasten.

In de Volkskrant van afgelopen zaterdag schreef Arnon Grünberg in zijn voetnoot een stukje met als kop “religie”. Daarin schrijft hij dat wetenschapsfilosoof Kitcher zegt dat religie beantwoordt aan ‘ons verlangen naar onsterfelijkheid’. Zijn eigen zinnetjes daarna zijn vooral ook interessant:  ‘De interpretatie van Kitcher is verfrissend nu religie vaak wordt gezien als pure achterlijkheid en voertuig van ongewenste repressie – gewenste repressie heet beschaving.’

Ik denk dat Grünberg atheïst is en ik ben dat ook. Althans: ik heb geen enkele voorstelling van een God, ik ben ook niet Christelijk of kerkelijk, maar ik geloof wel in een leven na de dood. Waarom? Puur instinctief, vanuit een zekere ervaring en door na te denken. Het leven is volkomen onbegrijpelijk. Geen enkele wetenschappelijke verklaring is er voor te geven. Dus waarom zou er dan geen andere vorm van leven kunnen zijn? Vrijwel elke beschaving gaat uit van een leven na de dood. Volgens Grünberg vanwege ons verlangen naar onsterfelijkheid. Ik geloof dat niet. Ik heb ooit een documentaire gezien die ging over een Afrikaans volk, helaas weet ik niet meer om welk volk het ging. De leden van dat volk konden het zich niet voorstellen dat wij niet in een leven na de dood geloofden. Het was voor hun een net zo vanzelfsprekende realiteit als het eten van een kop soep. De stamleden hadden niet alleen een soort contact met elkaar zoals wij dat kennen, maar ze konden ook door in trance te geraken in contact komen met stamleden op afstand en ook met overleden stamleden. Het was doodnormaal. ‘Hebben jullie dat niet? Kennen jullie dat niet?’ Ze waren oprecht verbaasd. Dit alles was geen fake, maar levensecht. Ik geloofde het. Zoals ook mijn moeder contact had met haar vader, en zelfs met onze hond toen die dood was. Ze vertrouwde het mij toe. ‘Hebt u dat wel eens tegen anderen gezegd’,  vroeg ik haar? ‘Nee’, antwoordde ze me, ‘ze geloven me toch niet.’ Als er één mens slim, nuchter, maar ook doodeerlijk was dan was het mijn moeder wel. Ik geloofde haar. Rationeel omdat ik haar kende, maar ook puur intuïtief. Zo geloof ik ook de verhalen van de twee mensen die ik vandaag in het programma van Jacobine zag. Hun verhalen waren voor mij geloofwaardig.

Alle mensen met een bijna-dood-ervaring veranderen. Ze kijken totaal anders tegen de dingen aan. Een gemeenschappelijk kenmerk is dat ze merken dat echte liefde het enige is dat er toe doet.

Wetenschappers denken dat alles te verklaren valt door rationele processen in de hersenen. En daarmee is het dan afgedaan. Dat ze tunnels zien en contact hebben met overledenen en dat ze zich zelf zien buiten hun lichaam: allemaal hallucinaties. Dat ze daarna een ander mens worden is voer voor weer andere wetenschappers, daar bemoeien ze zich niet mee. Het kan gewoon niet dat er een vorm van leven na de dood is, dus proberen ze alles nuchter te verklaren. Zo van zenuwen, bloedbanen, stresshormonen en dat soort dingen.

Waarom is er leven? Wat is leven? Wat was er voor het leven? Geen wetenschapper kan het vertellen. Ze weten alleen dat het leven ophoudt en dat er geen andere vorm van leven is als dat wat wij kennen. Punt uit, klaar.

Religie is weer wat anders. Yuval Noah Harari zegt in zijn boek “Homo Deus”: religie geeft een allesomvattende omschrijving van de wereld en biedt ons een heel specifieke deal met vooropgestelde doelen. God bestaat. Hij vindt dat we ons op een bepaalde manier moeten gedragen. Als je God gehoorzaamt mag je naar de hemel. Als je hem niet gehoorzaamt zul je branden in de hel. Deze deal is zo duidelijk omschreven dat de samenleving er algemene normen en waarden mee kan opstellen die het menselijke gedrag reguleren.’

En Spiritualiteit is nog weer wat anders. Die komt voort uit het dualisme. ‘Volgens het dualisme schiep de goede god zuivere, eeuwige zielen die in een gelukzalige geesteswereld leefden. Maar de boze god – soms Satan genoemd – schiep een andere wereld, een materiële. Het dualisme zegt dat de mensen deze materiële boeien moeten verbreken en terug naar de geesteswereld moeten reizen, die ons volslagen onbekend is, maar waar we van nature thuishoren. Tijdens deze zoektocht moeten we alle materiële verleidingen en deals afwijzen. Deze zoektocht op weg naar een onbekende bestemming noemen we een spirituele reis, afgeleid van spiritus, wat ‘geest’ betekent.’

Een bijna-dood-ervaring is voor degenen die het ervaren hebben het begin van een spirituele reis. Ze worden er een beter mens door. En omdat bijna niemand hen gelooft lijkt het of ze een geloof belijden. En een geloof belijden wordt ook wel religie genoemd. Maar dat is het dus niet.

Er zijn ook spirituele mensen die wel een religie gebruiken als handvat, maar toch vooral een spirituele reis proberen te maken. Door liefde te geven aan de medemens. Het hele Christendom is vergeven van de voorbeelden. En als deze mensen dan stoppen met het proberen te winnen van zieltjes, dan zijn het voor mij goede inspiratiebronnen. In dat licht gezien is religie niet het streven naar onsterfelijkheid zoals Kitcher dat zegt. Religie is dan de handleiding die het maken van een spirituele reis makkelijker kan maken. Maar dan wel een handleiding die geen regels oplegt maar slechts handvaten geeft. Iets van: ‘zo kun je het doen. Kijk maar naar deze voorbeelden.’

Natuurlijk kan ook het besef van een leven na de dood troost bieden. De onsterfelijkheidswens komt dan weer dichtbij. Maar de juiste spirituele reiziger zal daar niet mee bezig zijn. Die is met het hier en nu bezig. Hoe kan hij daar een positieve rol in spelen.

Mijn vader was een en al goedheid. Hij geloofde niet in een leven na de dood. Maar hij was ook niet bang voor de dood. Hij is voor mij nog steeds een spiritueel voorbeeld.

Geplaatst in filosofie | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Kloostertuin

26 maart 1971 verhuisde ik van mijn geboortedorp naar Maastricht. Ik studeerde in die stad inmiddels al 2,5 jaar en was eindelijk op mezelf, ik was de koning te rijk. Mijn vader legde op mijn kamertje in de Lenculenstraat een gaskachel aan en met grotendeels oud meubilair uit mijn ouderlijk huis was ik toch nog een beetje thuis. Het was er heerlijk rustig, ik woonde aan de achterkant van het huis en mijn raam zag uit op de tuin van het klooster van de Augustinessen. De Zusters Augustinessen beschrijven hun kloosterleven met de volgende woorden:
Gehoor geven aan een roeping van God, In gemeenschap leven, In gemeenschap bidden, In gemeenschap werken, samen je geluk vinden in het gelukkig maken van anderen.
Hoe? Door gastvrij te zijn en te delen.
In Maastricht waren ze tot 2005 actief in het werk in opvangtehuizen.

klooster augustinessen

Dat alles wist ik toen niet. Ik zag ze vaak door de tuin lopen. In het voorjaar wemelde het daar van de zangvogels, en de zusters hielden van klassieke muziek. Heel vaak klonken er prachtige klanken tot in mijn kamer, ik herinner me vooral de klanken van pianoconcerten van Mozart.

Hieraan moest ik vanochtend denken toen ik naar buiten keek. De zon was net opgekomen en stond rood in het Zuid-Oosten. Maar al dagen zijn koolmeesjes uiterst bedrijvig bezig, soms als paartje, soms ook in groepjes. En uit de radio klonk de muziek van Hildegard von Bingen. Prachtige muziek in Gregoriaanse stijl uit de twaalfde eeuw. Hier een impressie hoe dat vanochtend was, en stel je er ook de kloostertuin van de Augustinessen in de Lenculenstraat of de kloostertuin van Hildegard in het Duitse Bingen bij voor

Geplaatst in Geschiedenis, muziek | Tags: , , | 7 reacties

Mooie hoedjes in de tijd van het Rijke Roomse Leven.

Als je nu op zondag in mijn woonplaats Lekkerkerk bent dan zul je enkele keren per dag een zwerm zwartgeklede mensen, met hoed, hoedjes en jurken door de straten zien lopen. Ook zie je dan kinderen in keurige zwarte kledij, meisjes in jurken en met een schattig hoedje, mannen en jongens in deftige pakken. Het lijkt wel een folkloristische optocht. Voor buitenstaanders lijkt het inderdaad een en al folklore, maar niets is minder waar. Je bent in een van de plaatsen van de zogenaamde “bible belt”. Er lijkt hier sinds de tweede wereldoorlog nog niets veranderd.

In Limburg waren dit tot in de zestiger jaren van de twintigste eeuw normale taferelen. Met dat verschil: In Lekkerkerk zie je slechts een minderheid van de bevolking zo op straat lopen. In mijn geboortedorp Swalmen liep iedereen er zo bij. 99% van de inwoners was Rooms-Katholiek. Mijn opa van moederskant ging zondags altijd naar de Hoogmis van 9 uur. Wij gingen, net als mijn oma trouwens, altijd naar de vroegmis van half 7. In het zondagse pak. Twee van de vier kinderen gingen na afloop met oma mee naar haar huis om daar te ontbijten. Liever gezegd: we gingen met zijn tweetjes alleen, want oma bleef nog een tijdlang op het kerkplein kletsen met allerlei bekenden voordat ze over de “Aaje waëg” en langs de “Heier kapél” huiswaarts toog. Opa was zich dan nog aan het aankleden voor de Hoogmis. En het kwam af en toe voor dat hij dan zijn hoed niet kon vinden. “Wo is miene hood, wo is miene hood!” IJsberend en scheldend liep hij door het huis zonder zelf te zoeken terwijl iedereen die verder in huis was koortsachtig naar zijn hoed zocht. Dan toog hij pico bello kerkwaarts: in het zwart met een mooi gesteven hoed. Ook door de week kwam je vaak priesters of nonnen in hun opvallende kledij tegen. De pastoor of kapelaan ging regelmatig op huisbezoek en met een steelse blik controleerde hij het katholieke gehalte van het huisgezin: kruisbeelden en andere devotiebeelden moesten er zo wie zo zijn. Ze zullen ook wel af en toe bij heel arme mensen op bezoek zijn geweest. Die werd dan een gulden of iets dergelijks uit het armenpotje toegestopt.

ordo diviniIk bezit thuis een “Ordo Divini Officii Recitandi” uit 1896 van het bisdom Roermond. Dat was een boek waar de priesters in konden vinden welke heilige op welke dag vereerd moest worden met welke gezangen. Ook stonden de officietijden er in, letterlijk gelieerd aan de tijd van zonsopkomst en ondergang, dus door het hele jaar door anders! De vespers, het gebed na zonsondergang, was op 1 januari om 10 voor 5 ‘s middags, op 21 juni om kwart voor negen ‘s avonds. Ook stond er in hoeveel inwoners elke parochie had en wie de pastoors, kapelaans en vicarissen waren. Wie dit boek in gebruik heeft gehad weet ik niet, ik denk uit enkele dingen af te leiden dat het iemand uit een dorpje in de buurt van Sittard was. Maar het had net zo goed iemand uit Swalmen kunnen zijn. Het leuke van dit boekje is dat er behalve de officiële gegevens, zoals de gedrukte, ook andere dingen in stonden. Het hele boek door heeft iemand met potlood er allerlei dingen in gekliederd. Meestal gaat het om financiële zaken. Zo staat er ergens:

armenDe twee linker rijtjes gaan over de ontvangsten en uitgaven m.b.t. de armen. Over welke tijdsperiode het gaat is niet duidelijk. Het zou een maand maar wellicht ook een jaar kunnen zijn. Behalve de drie gulden die ontvangen zijn van vrouw Scholt. gaat het om bedragen die wel eens in een collectebus in de kerk zouden hebben kunnen zitten, die bijv. eens per drie maanden geleegd werd.  In die perioden zat er dan respectievelijk Fl.15,35, Fl.18,01, Fl.3,67 en Fl.13,56 in. In diezelfde periode is er zeven keer iets ten behoeve van de armen uitgegeven, misschien wel tijdens zo’n huisbezoek. Bij deze uitgaven gaat het steeds om hele bedragen  afgerond tot op 10 cent. Een keer is er maar liefst een bedrag van Fl.7,- uitgekeerd. Desondanks bleven de inkomsten ruim boven de uitgaven. Behalve dit was er waarschijnlijk ook nog een Vincentius vereniging, waarbij de leden contributie moesten betalen. Op een van de pagina’s zien we de volgende teksten en cijfers:

armen2Ik probeer bovenstaande pagina te interpreteren. Ik lees: armen 20 maal 20 en daarna tot drie keer 20 maal 30. Stel dat er 20 personen lid zijn van bijv. de Vincentius vereniging en stel dat het eerste kwartaal de contributie 20 cent bedroeg, maar de daaropvolgende drie kwartalen verhoogd tot 30 cent, dan is er aan inkomsten gegenereerd 20×20, 20×30, 20×30 en 20×30 cent. Daarnaast is er nog een eenmalige gift geweest van Fl.4,50. Het geheel van de inkomsten bedraagt zo Fl.26,50. Maar we lezen ook: 29,38 “uit te Deelen”. Een vreemd bedrag om uit te delen, aan wie?  Aan de armen dus, want daar begint de pagina mee.

huwelijkEen belangrijke inkomstenbron voor de parochie waren de te lezen missen, en vooral ook de huwelijksmissen. Het Huwelijk “Palant” leverde op: om te beginnen de ceremonie en paperassen zelf:  Fl12,-. De Mis kostte Fl.5,- (waarschijnlijk voor de pastoor of kapelaan). De koster (die waarschijnlijk ook het orgel bespeelde) ontving Fl.3,50 en de orgeltrapper Fl.0,50. Er was in die parochie toen dus nog geen elektrisch orgel.

Wanneer de pastoor of koster deze financiële dingen heeft opgetekend is niet duidelijk. Er wordt nog van de oude spelling gebruik gemaakt. Het zal dus waarschijnlijk ergens voor de tweede wereldoorlog geweest zijn. Het betreffende boek is dan wel in 1896 uitgegeven maar misschien nog lang daarna in gebruik geweest, totdat het als een soort kladboek gebruikt werd om de financiën in op te tekenen. Ik denk dat in de zestiger jaren van de vorige eeuw nog veel dingen hetzelfde zijn geweest.

Veel mensen hadden het niet breed. Zo’n  potje voor de armen was zeer gewenst. Maar de mensen waren het meest gebaat bij de “Naoberhulp”.  Er waren ongeschreven regels hoe je met je buren omging. Natuurlijk om directe hulp om iets bij iemand te lenen, maar vooral ook in geval van nood. Bij ziekte, brand of bij overlijden. Een zeer naaste buur ging dan in de hele omgeving alle huizen langs om te vertellen wie er was overleden en om een bijdrage in de begrafeniskosten te vragen. Op de deur van het huis van de overledene kwam een zwarte strik. Zo wie zo hoorde je alle nieuwtjes van het dorp ’s zondags na de Mis. De vrouwen vormden groepjes op het marktplein en bleven daar soms wel een half uur staan. Na de Hoogmis gingen de café’s open en daar gingen de mannen een biertje drinken en hun “mannen-nieuwtjes” uitwisselen. Iedereen kende iedereen en wist bijna alles van elkaar. De sociale controle was erg groot, nog meer dan die van de pastoor of de kapelaan. Maar daar tegenover stond de onvoorwaardelijke plicht tot hulp, niet alleen als een Christelijke deugd, maar als een sociaal noodzakelijke. De mensen wisten dat ze elkaar nodig hadden. Eeuwen achter elkaar waren ze geknecht door allerlei overheden en geteisterd door oorlogsgeweld. De búren, dáár moest je het van hebben.

Wat is daar nu nog van over? Op zondag zijn de winkels open en op de kerkpleinen lijkt het soms wel elke week kermis. De mensen in de dorpen kennen elkaar minder goed dan vroeger. Maar nog steeds is er een sterke gemeenschapszin, wat in Swalmen blijkt uit het al jaren op vrijwilligers draaiende zwembad. En gelukkig is de Vincentius vereniging niet meer nodig. De folklore zien we nog bij Vastenavond. De zondagse kleren en de mooie hoedjes zijn verdwenen. Daarvoor moet je naar de “Bible belt”.

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen