Wat maakt de Servaaskerk van Maastricht uniek?

servaasEen collega vroeg me laatst: het valt me op dat je vaak kerken vergelijkt met de Servaaskerk van Maastricht. Nu valt dat wel mee denk ik, maar ik doe dat al snel als het over Romaanse kerken gaat. Immers de Servaas, ook een Romaanse kerk, ken ik erg goed. Mijn collega kreeg ook de indruk dat de Servaaskerk daardoor op Europees niveau een hoog aanzien moest hebben gehad. Ik denk dat het wel zo is dat de Servaaskerk, die zo rond het jaar 1000 gebouwd werd, op dat moment in ieder geval een groot aanzien had binnen het Oost-Frankische keizerrijk. Dat begon al bij de voorganger van de huidige Servaaskerk rond 800. (Die heeft misschien wel erg geleken op een kerk uit de tiende eeuw die ik zag in Paray-le-Monial, in Bourgondië, zie hier onder.)

karolingische kerk

Karel de Grote had besloten om vanwege zijn jicht Aken tot zijn vaste verblijfplaats te maken. Hij bouwde er een palts en een paltskerk, de laatste staat er nog. Zijn raadgevers waren ook proost van het kapittel van Servaas en deze trachtten de kerk op een hoger voetstuk te plaatsen. Ze schonken aan het kapittel kostbare relieken uit Rome en ze lieten door een kundige smid de Servaassleutel smeden. Deze kun je nog steeds bewonderen in de schatkamer van de Servaas. Het smeedwerk is verwant met het smeedwerk van het hekwerk in de paltskapel in Aken. Toen kwamen er roerige tijden, de Noormannen kwamen ook naar de contreien van het huidige Zuid-Limburg. Wat er allemaal precies gebeurde, veel is in de vergetelheid geraakt. Maar In de tweede helft van de tiende eeuw, de tijd van de drie grote keizers Otto I, II en III, stond zeker het Rijnland en het naburige Aken weer hoog in aanzien.

Als een belangrijk element van zijn binnenlands beleid streefde Otto I naar een versterking van de macht van de kerkelijke autoriteiten, voornamelijk bisschoppen en abten, dit ten koste van de adel die zijn macht bedreigde. Hoe doe je dat? Vooral door het recht om bisschoppen te mogen benoemen nadrukkelijk te laten gelden. Hij benoemde op cruciale plaatsen vooral familieleden tot bisschop. En ook zorgde hij ervoor dat kapittelkloosters direct onder zijn bestuur stonden, deze kloosters en kerken waren de zogenaamde “Eigenkirchen”. Verder benoemde hij voogden. Dat waren wereldlijke managers van kerkelijke landgoederen, die het recht hadden op een bepaald aandeel in de landbouwproductie en in andere opbrengsten. En daarvan ging weer een deel naar de keizer zelf. De voogden behielden hun positie alleen als ze in de gunst bleven bij de keizer. Hun functie was niet erfelijk. Zo was ook het kapittel van Servaas rijks-onmiddellijk. Het bezat veel eigendommen en een groot deel van de opbrengst ging naar de kanunniken. De keizer benoemde ook de proost van het kapittel.

Om zijn opvolging te waarborgen liet Otto I zijn zoon Otto II al tijdens zijn leven kronen en in 967  tot mede-keizer benoemen. Otto II die een bijzonder goede opvoeding had gehad (door de aartsbisschoppen van Keulen en Mainz) huwde in 972 met de Byzantijnse prinses Theophanu, nicht van de Oost-Romeinse keizer. Al snel werd Otto geconfronteerd met een opstand in Lotharingen. In 977 bood hij zijn neef toevlucht aan toen die uit Frankrijk was verbannen en benoemde hem tot hertog van Neder-Lotharingen. In 979 vielen Karel en Otto Frankrijk binnen. Karel riep zichzelf in Laon uit tot koning van het West-Frankische rijk (het huidige Frankrijk), maar kreeg nauwelijks steun van de adel. In 991 werden Karel en zijn gezin gevangen genomen door verraad van bisschop Adalbero van Laon. Ze werden opgesloten in Orléans en Karel stierf daar een jaar later. In 1001 werd hij herbegraven in de kleine crypte van de Sint-Servaasbasiliek te Maastricht. Waarom daar? De nieuwe Servaas moest nog gebouwd worden, maar de crypte was toen waarschijnlijk al klaar. Werd deze Romaanse kerk daarna zo groot vanwege het koningsgraf? Het zal zeker ook met de strategische ligging van Maastricht te maken hebben gehad, bij een belangrijke oversteekplaats over de Maas. In 1039 werd de nieuwe Servaaskerk gewijd in aanwezigheid van keizer Hendrik III, bisschop Nithardu van Luik, en bisschop Gerardus van Kamerijk. Bij die gelegenheid werden de relieken van de stichters, de heilige Monulfus en Gondulfus, verheven. (Opnieuw geheiligd en begraven.) Vooral de aanwezigheid van de Rooms-Duitse keizer geeft aan dat de Servaas opnieuw  zijn aandacht had.

De Salische keizers die het daarna een eeuw lang voor het zeggen hadden waren minder gericht op de regio Rijn en Maas, maar dat veranderde toen keizer Barbarossa van de familie Hohenstaufen zo rond 1150 aan de macht kwam. Toen werd de Servaaskerk vergroot, verfraaid en alles rond de heilige Servaas werd opgetuigd door middel van sculpturen, schilderingen, het vervaardigen van de noodkist en het laten schrijven van een Nederlandstalig verhaal, de legende van Sint Servaas. Servaas werd onderdeel van de keizerlijke propaganda in de investituurstrijd met de paus. Voorbeelden voor deze verfraaide kerk kwamen van andere kerken. In Bourgondië vierde de Romaanse stijl onder invloed van het klooster van Cluny hoogtij.

paray-le-monial-noordzijdeparay-le-monialDe kerk van Paray-le-Monial (bouw van 1092-1109) schijnt een verkleinde uitgave te zijn van de beroemde kerk van Cluny waar we alleen nog maar tekeningen van hebben. Deze verkleinde uitgave is al indrukwekkend genoeg, vooral door de imponerende uitbouwen aan de koorzijde met hoge en lagere absiden. Vanuit de westkant gezien zien we twee ingebouwde torens rond het toegangsdeel en een vieringtoren vlak voor het koor.  Er zijn slechts oppervlakkige overeenkomsten met de kerk van Servaas. die een eeuw eerder werd gebouwd. Van binnen is de kerk van Paray-le Monial veel indrukwekkender dan de Servaas, vooral door de prachtige pilaren. De sculpturen die nog resten zijn daarentegen weer minder fraai dan die van de Servaaskerk. De beeldhouwers die de proost van de Servaas had weten te strikken, dat waren uitzonderlijk goede handwerkslieden.

Maar de Servaaskerk is vooral ook uniek door de bouw van het westwerk met op de tweede verdieping de zogenaamde keizerzaal. Zo iets zie je in vrijwel geen enkele Romaanse kerk. Het schijnt dat de abdijkerk van Nijvel , gewijd in 1046, er ook een heeft gehad. In 1940 is deze kerk zeer beschadigd en daarna gerestaureerd. Het originele westwerk is toen behoorlijk aangepast, de keizerzaal is toen helaas verdwenen.

abdijkerk NijvelMaastricht heeft overigens in de Middeleeuwen een speciale band gehad met Nijvel vanwege de Heilige Gertrudis die daar begraven ligt. In de voormalige kruisherenkerk, nu hotel, wordt het levensverhaal van Sint Gertrudis afgebeeld. Zij is de patrones van de reizigers.

Elke Romaanse kerk heeft zijn eigen charme. Ik vind de kleine uitgeleefde kerk van Sémelay in Bourgondië prachtig door vooral zijn unieke sculpturen, die zeker een eeuw ouder zijn dan die van de Servaas.

semelay

De Romaanse kerken in de Pyreneeën die ik bezocht vind ik op hun manier ook geweldig, zoals de abdijkerk van Saint-Martin-du-Canigou en Saint-Michel-de-Cuixa.

martin-du-canigou

cuixa

De Servaaskerk op het Vrijthof straalt ondanks alle latere aanpassingen en de verloren gegane schilderingen, sculpturen (deels) en kerkschatten nog steeds de grandeur uit die keizer Barbarossa en de proost rond 1150 aan de kerk wilden geven. Een kerk als de Servaaskerk hoort in deze tijd een groot orgel te hebben, maar het is zonde dat daardoor het zicht op het unieke westelijke deel grotendeels verloren gaat. En dat er zelfs bij rondleidingen vrijwel nooit een bezoek wordt gebracht aan de unieke kapitelengalerij achter het orgel. of aan de keizerzaal daarboven, dat is eigenlijk ongehoord. Als je op die plekken ooit een keer geweest bent, en je dan deze bijzondere plekken in gedachten voorstelt terwijl je in de kerk bent en naar het westen kijkt, of als je kijkt naar de eveneens nog bestaande fenomenale toegangspoort van rond 1200, het zogenaamde bergportaal, maar zeker ook als je je de verdwenen dingen probeert voor te stellen: het koor van het laatste kwart van de twaalfde eeuw, met de schilderingen,  de sculpturen, de noodkist op het hoogaltaar, omgeven door een Romaans retabel, dan is deze kerk meer dan bijzonder.

De achteruitgang begon al in de dertiende eeuw. Nog voordat Frederik II, de laatste grote Hohenstaufer, aan de macht kwam, was de kerk al overgedaan aan de hertog van Brabant. Voor hem was deze kerk slechts een van de vele kerken in zijn hertogdom. De Maasovergang waar hij tegelijk ook meester van werd was voor hem het enige echt interessante deel van zijn nieuwe bezit. Pogingen om van Servaas een universele heilige te maken strandden waardoor ook de pelgrimage een deuk opliep. De kerk en het kapittelklooster bleef in Maastricht dan wel de belangrijkste en ook de rijkste religieuze instelling, maar de bouw van grote gotische kerken zoals die van de Sint Jan van Den Bosch of de Romboutskathedraal van Mechelen, eveneens in Brabant, maakten van de Servaas opeens een niemendalletje.

Maar voor mij is ze nog steeds veel meer dan dat. Het is een kerk met een belangwekkende geschiedenis, waarvan de schitterende afspiegeling op een aantal plekken nog steeds is te zien, zoals in een van de drie cryptes. Daar ligt niet alleen Servaas begraven maar ook Karel van Lotharingen, korte tijd koning van Frankrijk

crypte

Zie ook:

 

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , | 1 reactie

Met de nieuwe sprinter

De onvoorstelbare mogelijkheden en onmogelijkheden van een autistisch kind kom je weer eens tegen als je de hele dag met hem optrekt. Mijn oudste kleinzoon was een hele dag bij me. ’s Middags zouden we de deur uit gaan. Wat doe je als je weg wilt gaan maar je hebt je schoenen ergens in huis uitgetrokken en ze staan niet daar waar je dat zou verwachten. Zoeken. Dan loop je tegen twee dingen aan: a: hij kan niet zoeken. b: hij komt na twee seconden al allerlei interessante dingen tegen die hem boeien waardoor elke vorm van zoeken onmiddellijk stagneert. Hij weet niet meer dat hij aan het zoeken was. Opa gaat dus zoeken maar hij vindt ze ook niet. Maar dat is zijn probleem toch?
-‘Je was toch aan het zoeken, ga eens verder zoeken.’
Hij doet weer een dappere poging maar na twee seconden loopt hij weer iets anders tegen het lijf. Ik weet trouwens dat hij niet kan niet zoeken. Hij kan ergens met zijn neus boven op staan en het nog niet zien. Als tweejarige waren paasfeestjes met eieren zoeken niet aan hem besteed. En als zesjarige kan hij dat nog steeds niet. Maar uiteindelijk lagen de schoenen op een plek waar ook ik met mijn globale blik compleet overheen gekeken had: op een speelmat met een schutkleur tussen autootjes en andere voorwerpen met een vergelijkbare kleur. Globaal lag daar gewoon wat speelgoed. Ook zijn schoenen, zoals bleek.

We zouden met de trein gaan, maar hij was opeens veel minder enthousiast dan in het verleden. Wat bleek: hij was bang dat de trein door een tunnel zou gaan rijden. Compleet nieuw. Ik dacht dat hij alleen bang was voor metro’s. We zijn in het verleden naar veel plaatsen met de trein gegaan en nooit repte hij van te voren over mogelijke angsten voor tunnels. Ik bezwoer hem dat er op het bewuste traject geen tunnel zou zijn. Wat bleek: vlak achter Utrecht, nog voor Vaartse Rijn, was er een viaduct. De trein reed er onder door in een iets verlaagd spoor. Hij keek vlak voor dat viaduct toevallig naar buiten.
-‘O nee, o nee!’ Zijn gezicht schoot in een kramp, hij hield de handen voor zijn ogen en na enkele seconden spiekte hij voorzichtig door zijn vingers heen om te zien hoe erg het allemaal zou zijn. We waren het viaduct alweer voorbij. Ik vertelde dat het geen tunnel was maar een viaduct dat van boven dicht was waardoor het even op een tunnel leek. Een groot deel van de heenreis was hij bezig met de terugreis omdat hij dan weer langs “dat viaduct” zou komen. Hij sprak zichzelf moed in:
-‘Maar nu weet ik het, dan is het niet zo erg’. Precies. Desondanks bleef hij het herhalen op de terugweg.
-‘Wanneer zijn we weer bij het viaduct, zijn we nu alweer bij het viaduct?’
Een van de belangrijkste doelen, naast een kort bezoekje aan zijn tante, was het treintraject tussen Den Bosch en Tilburg met de “nieuwe sprinter.” Opgetogen zag hij dat alles klopte, zoals op de filmpjes. We zaten in een eerste klascoupé, helemaal alleen en spontaan begon hij te vertellen wat hij allemaal zag.
-‘Wacht even, dan neem ik het op.’
Ik pakte mijn telefoon en begon de vlog te registreren. Als een bijna volleerde NS journalist demonstreerde hij de nieuwe elementen van nieuwe sprinters: er is een supersonische WC, er zijn grotere bagagerekken, er is een handige knop om de deur open te maken, de deur naar de machinistenkamer is nu niet van geblindeerd glas maar het is een mooie blauwe deur, er zijn stopcontacten enzovoorts.

Toen kwamen we bij zijn tante. De onderbuurman heeft een lieve hond.
-‘O nee, o nee!’ Het lieve beest bleef stil onder een kast liggen en maakte geen aanstalten om op te staan. Maar mijn kleinzoon was als de dood dat hij zou komen snuffelen. Uiteindelijk hoorde de onderbuurman de paniek en nam de hond mee naar zijn appartement.
Boven gekomen was er de poes van zijn tante.
-‘O nee, o nee! Hij wil vast aan me snuffelen.’ De poes werd naar het balkon verbannen waar ze jammerlijk tegen het glas aan bleef staan krabben. Maar nu waren de gevaren voorlopig geweken. Tot we weer weg gingen. Er waren nog twee gevaren. Om te beginnen de steile trap naar beneden, die half open was. Maar tegelijk de angst dat de hond er weer zou zijn. Met veel liefde en geduld wist hij deze voor hem zo angstaanjagende en gevaarlijke route af te leggen.
Terug in de trein. Over zo’n 40 minuten zouden we weer vlak bij Utrecht zijn. We zaten nog geen twee minuten in de trein:
-‘Zijn we al bijna bij het viaduct?’ Hoe je jezelf gek kunt maken. Gelukkig was er de nodige afleiding onderweg. Hij ving een gesprek op tussen twee jonge mannen, ik had het niet gevolgd. Hij stond op, liep naar ze toe:
‘In Veenendaal Centrum stópt geen intercity, wel in Veenendaal de Klomp.’ De twee jongens bleken het daar over te hebben en verbaasd keken ze naar het jonge ventje.
– ‘Ik zou het maar aannemen, want hij weet er alles van,’ grapte ik naar de jongens. Mijn kleinzoon herhaalde zijn suggestie en voegde er nog wat details aan toe.

We kwamen bij het viaduct. Hij hield zijn ogen open en zag precies wat er allemaal gebeurde.
-‘Het was geen tunnel, maar gewoon een viaduct,’ zei hij toen de trein er voorbij was. Ik vroeg of hij het eng had gevonden.
-‘Nee hoor’. (Pff..)
Het laatste stuk van de treinreis zaten we in een andere trein (een koploper, voor de kenners) in een gesloten coupé. Er zat een vrouw bij het raampje en een man twee stoelen verder bij de deur.
-‘Hoe gaat deze trein, is dit “voor”?’ vroeg hij aan de vrouw. Hij bedoelde: als hij zou gaan zitten tegenover die mevrouw of hij dan vooruit zou rijden. Dat was niet het geval.
-‘O jee, mag ik dan op uw plaats zitten?’ Dat mocht en ik prees de aardige mevrouw. Ze zei wel dat we in een stiltecoupé zaten. Dat kende hij maar dat vindt hij wel erg moeilijk. Hij had al gezien dat het erg druk was, dus een andere coupé opzoeken was geen optie. Het lukte hem dus niet om stil te zijn. Hij begon te vragen hoe de mevrouw heette. En wat voor werk ze deed. Ze bleek bij de NS te werken! En ze wist alles van treinen, zo bleek. Mijn kleinzoon vertelde over al de treinen waar hij in gezeten had. Zoals in de nieuwe sprinter.
-‘Weet je hoe die trein officieel heet, welke letters dat zijn?’, vroeg de mevrouw.
Dat wist hij. De man keek op en luisterde geamuseerd. Hij bleek ook bij de NS te werken. Hij was testmachinist. Hij had met alle mogelijke treinen, ook die in het treinmuseum, gereden. En hij had ook de nieuwe sprinters in Tsjechië getest. Mijn kleinzoon had films van die testen gezien. Het werd een geanimeerd gesprek tussen drie kenners. Af en toe zag mijn kleinzoon een trein voorbij rijden.
-‘Kijk, een SLG-tje.’ De testmachinist en de mevrouw wisten waarover hij het had.
-‘Zijn jullie getrouwd’. Nee, ze kenden elkaar niet en hadden elkaar nog nooit ontmoet. De mevrouw zei dat als hij niet over treinen was gaan praten ze waarschijnlijk ook nooit geweten hadden dat ze allebei van de NS waren. Hij wilde graag weten waar ze woonden. Het had niet veel gescheeld of ze hadden nog hun telefoonnummers uitgewisseld. Maar wij moesten er uit.

Hij was doodmoe na die enerverende middag. Maar hij had het wel leuk gevonden. Voor het eten wilde hij nog even een trein tekenen. Die mislukte. Gelukkig had hij die ochtend een tekening gemaakt die wel was gelukt. Van het continent Dukoo. Je kunt van alle landen ook zien welke vlag ze hebben. En ze zingen er ook allerlei volksliederen. Je kunt er trouwens ook met de nachttrein komen.

dukoo

 

Geplaatst in autisme, pedagogiek en onderwijs | Tags: , | 2 reacties

Landen en talen

Nog maar heel kort geleden, en nu nog steeds af en toe, tekende mijn oudste kleinzoon behoorlijk realistisch, uit zijn hoofd(!), bijvoorbeeld Europa, of de continenten van de aarde of de contouren van Nederland. En hij vond het heerlijk om alles na te zingen wat hij hoorde. Maar opeens lijken landen en continenten die níet bestaan veel leuker. En ze zingen in die vreemde landen ook veel mooiere muziek dan bijvoorbeeld in België.
Maar ook bij zo’n “ouderwetse” tekening laat hij bijzondere details zien: Zuid-Amerika en Afrika passen in elkaar. Immers vroeger zaten ze aan elkaar vast!

aard

En boven het vasteland van Nederland daar staan op de meeste landkaarten vijf waddeneilanden aangegeven. Inmiddels weet hij beter, maar op deze tekening heeft hij Rottum, Rottumerplaat en Rottumeroog nog niet ontdekt. Dat komt nog!

nederland

-‘Hoe praten ze in Zuid-Afrika?’
Ik zocht op youtube enkele sites waarop je Zuid-Afrikaans kon horen. Geweldig vond hij het. En al die Aziatische talen waar je geen touw aan kunt vast knopen. Nog mooier.
-‘Zijn er mensen in Nederland die Chinees kunnen praten?’
-‘In Nederland wonen best veel mensen die uit China komen en die nu ook Nederlands kunnen spreken.’ En ik vertelde hem over de documentaire die een jaar geleden op TV was van Ruben Terlou die door China trok en met heel veel mensen gewoon Chinees kon praten. En over Paulien Cornelissen die heel goed Japans kan spreken. Maar Zuid-Koreaans, dat leek hem ook wel wat. De afgelopen twee dagen was hij bij ons. Op de terugweg naar huis in de auto hield hij hele verhalen in het Zuid-Koreaans. Met intonaties, alsof het helemaal echt was. Niet slechts een enkel zinnetje. Nee, hele verhalen!

Gisteren in de auto waren zijn broertje en zusje er ook bij. Zijn broertje van vier vond het wel grappig, dat Zuid-Koreaans van hem. -‘Ik vind het wel grappig dat jij zo raar praat.’ Maar de jongste van twee jaar vond het maar niks: ‘Ik vind dat eng’. OK, besloten wij als grootouders, dan doen we maar een ander spelletje.
De middelste van vier jaar heeft altijd goede ideeën.
-‘Ik heb een idee. Iedereen mag na elkaar een liedje zingen.’ Hij bepaalde ook de volgorde en hoe vaak iedereen aan de beurt zou komen. Hij voorzag dat na elk drie beurten we wel aan het einde van de autorit zouden zijn.

Mijn oudste kleinzoon mocht beginnen. Hij ging echt heel mooi zingen, maar in een vreemde exotische taal en met exotische melodieën. En het leek wel alsof hij niet kon stoppen dus ik voerde ter plekke de regel in: ‘als opa gaat klappen dan mag de volgende.’ De middelste was na deze solo aan de beurt maar zo verbouwereerd dat hij slechts uiterst zacht wat kon stamelen en hij zei toen maar:
-‘Ik weet het niet meer.’ Waarschijnlijk had hij inmiddels spijt van het door hem geïnitieerde spelletje. Zo’n prachtige solo weggeven, zoals zijn broer dat had gedaan, dat zou hem never nooit lukken. Hij kende zijn eigen beperkingen. -‘Jij mag’. Hij regelde dat nu het zusje van twee jaar aan de beurt was. Zij zong keihard over bomen, auto’s, koeien en schapen, helemaal in de geest van de liedjes van oma, die zij af en toe zingt als we in de auto zitten. Ze had behoorlijk de smaak te pakken. Dus ook zij moest weer door mijn klappen gestopt worden.
De oudste zong daarna weer een totaal ander liedje dat hij ter plekke verzon in alweer een andere taal, maar nu was het een heel gevoelig en zacht liedje. Ontroerend mooi, wat jammer dat ik het niet heb opgenomen. Zijn broertje die na het klappen weer aan de beurt was bleek nog steeds verlegen te zijn. Ik zei dat je ook iets mocht zingen wat al bestaat, mijn vrouw begon spontaan “Poesje zeg wat doe je” te zingen
-‘Nee, nee, ik weet het al!’
Heel zachtjes maar met zijn mooie sopraanstemmetje zong hij het liedje van ‘Poesje mauw’ en uiteraard werd dat gevolgd door een groot applaus. We konden uitstappen en verder naar huis gaan.

Ook bij papa en mama tekent de oudste al dagen fantasielanden. En met papa samen is het gieren en brullen om de mooie exotische namen die hij erbij verzint. Zoals de landen in het continent Eetananortsliezanu: Iootwees. En in Haqstamnt ligt niet alleen Larie maar ook Laaraa. Wat is de gewone wereld eigenlijk saai opeens…

fantasieland1

fantasieland2

Geplaatst in autisme, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , | 1 reactie

De zwaartekracht volgens Einstein

In een café in Woerden zaten enkele jonge mannen aan de bar.
-‘Zo, ik ga er maar weer eens vandoor. Ik ga naar Schoonhoven, naar een lezing over de zwaartekracht.’
Zijn kameraden keken hem bijna verbijsterd aan.
-‘Over de zwaartekracht?’ Hoofdschuddend keken ze elkaar aan.
-‘Zou je niet liever gewoon nog een biertje nemen?’
Deze anekdote hoorde ik vlak voordat professor Bergshoeff in een uitverkocht zaaltje zou gaan beginnen met zijn lezing.

professor-‘Dit is de eerste keer dat ik optreed in een uitverkochte zaal’, grapte hij. En de grapjes zouden de hele lezing door blijven gaan. Professor Bergshoeff probeerde op een toegankelijke manier de moeilijke natuurkundige materie aan de man te brengen. De zwaartekracht was al beschreven door Galileo Galilei en Newton had er wetten bij weten te maken. Hier kon je een aardig eindje mee komen. Maar het was Einstein die in 1919 alles opnieuw en veel beter wist te beschrijven. De lezing eindigde met vier foto’s. Een auto uit 1919 en een sportauto van nu. Een trein uit 1919 en de Thalys. Een vliegtuig uit 1919 en een Boeing van de KLM. Het bewuste handgeschreven document van Einstein en dit zelfde document nogmaals: het had nog niks van betekenis ingeboet en was nog net zo actueel als in 1919. Dit om aan te geven hoe indrukwekkend het was wat Einstein had weten te formuleren.

Heb ik nieuw dingen gehoord die avond? Ja zeker. En dingen die ik wel wist maar die nogmaals op een aantrekkelijke manier werden uitgelegd. Op een gegeven moment zei professor Bergshoeff: we leven in een zwart gat. Iets wat hij verder niet uitlegde maar wat wel nog steeds bij me blijft door zingen. Hij vertelde dat als de natuurkundige wetten die wij kennen kloppen, en we hebben geen betere, dan moet er veel meer in de ruimte zijn dan wij weten. Slechts 4% is enigszins bekend. 0,4%, dat zijn de melkwegstelsels met daarin alle sterren en planeten, 3,6% dat is intergalactisch sterrenstof, 21% dat is donkere materie die er moet zijn maar die nog nooit is aangetoond en 75% = zwarte energie. Ook van dat laatste heeft hij niet uitgelegd wat dat is, hij heeft zijn lezing behoorlijk moeten inkorten omdat het anders te laat zou worden. Dus alleen al daardoor bleven er vragen over.

Zwarte gaten worden meestal groter maar: kunnen ze ook kleiner worden en zelfs verdwijnen? Professor Bergshoeff vermoedt dat zwarte gaten op de lange duur weer verdwijnen. Er lekt voortdurend iets uit weg en dat zou tot gevolg kunnen hebben dat ze ook weer verdwijnen. Dit zou Stephen Hawkins in ieder geval al min of meer hebben aangetoond.  En waar zijn de huidige natuurkundigen met name naar op zoek? Dat blijken heel veel dingen te zijn. Zo is hij zelf jarenlang bezig geweest met een zoektocht naar antideeltjes. De theorie is dat elk deeltje een soort dubbelganger heeft. Maar deze zoektocht is nog zonder resultaat gebleven. Na de ontdekking van het al vijftig jaar geleden voorspelde Higgsdeeltje wordt er nu gespeurd naar vergelijkbare deeltjes. Maar hij acht het minstens zo waarschijnlijk dat, al zoekende naar deze deeltjes, dingen ontdekt worden waar nu nog totaal niet aan gedacht wordt. Onbekende zaken die de natuurkundigen aan het denken zullen zetten en die misschien tot nieuwe opzienbarende conclusies kunnen leiden. Veel natuurkundigen breken zich momenteel het hoofd over het volgende vraagstuk: hoe is de theorie van de kwantummechanica te verenigen met de relativiteitstheorie van Einstein? De theorie van het kleine is op dit moment in conflict met de theorie van het grote. De kwantummechanica gaat vooral over positieve en negatieve lading en hoe deeltjes op elkaar reageren. De wetten van de zwaartekracht lijken daar niet te werken. De wetten van de zwaartekracht werken wel waar positieve en negatieve lading met elkaar in evenwicht zijn. De aarde heeft geen lading en daardoor draait hij stabiel in een baan om de zon. Het verenigen van beide theorieën zou baanbrekende nieuwe inzichten tot gevolg kunnen hebben.

Maar wij leven in een zwart gat? In een zwart gat is de materie zo sterk op elkaar gedrukt dat de zwaartekracht zo groot is dat de fotonen, de bestandsdeeltjes van licht, niet meer kunnen ontsnappen. Wij kunnen niets meer zien, het inwendige van een zwart gat kan ook niet naar buiten kijken. Is hetgeen we in ons leven zien misschien uitsluitend dat wat er in ons zwart gat zit? Kunnen we slechts raden wat daar buiten nog zou kunnen zijn? Een zwart gat lijkt angstaanjagend, maar als je er zo naar kijkt heeft het ook wel iets geruststellends. Het bakent alles af, je weet gewoon niet beter.

Nadat professor Bergshoeff op het einde zijn lofrede over de theorie van Einstein uit 1919 had gehouden, zoals ik al eerder zei, werd er nog een proef gedemonstreerd. Als een magnetron aan staat dan maken elektromagnetische golven het voedsel warm. De golflengte van die golven is afhankelijk van de stand (kilowattuur) van de magnetron. Bij grote golflengtes wordt dát gedeelte in de magnetron warm, waar de uiteindes van de golflengtes het voedsel raken. Dat probleem kun je omzeilen door kortere golflengtes in te stellen (een hogere stand) en/of door het voedsel rond te laten draaien op een plateau. zodat elk deel regelmatig in het bewuste golfdeel terecht komt.

magnetronEr stond een magnetron op het podium. De draaitafel was verwijderd. Op een vel bakpapier werd over de hele lengte regelmatig gemalen kaas gestrooid. Dit werd in de magnetron gezet. De magnetron kreeg een zodanige stand, dat de kaas om de zes cm door de elektromagnetische golven geraakt zou moeten worden. Na een minuut “bakken” ging het deurtje open. Het bleek dat de kaas koud was gebleven, op twee plekjes na, op 6 cm van elkaar. Die waren bruin geworden. Als natuurkundige kon hij hiermee uitrekenen hoe groot de lichtsnelheid was, en dat bleek exact te kloppen met de bekende lichtsnelheid. Hij had aangetoond dat in Schoonhoven het licht net zo snel gaat als op de rest van de aarde. Met die wetenschap werden we naar huis gestuurd. De tweede geruststellende gedachte. Na de mededeling dat we gelukkig in een zwart gat leven…

De jonge man nam nog een biertje en liet alles tot zich doordringen. Zou hij hier mee aan kunnen komen in Woerden?

Geplaatst in Astronomie, maatschappij | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Toulouse en de kerk van Saint-Sernin

In een boek over Romaanse kunst zal ongetwijfeld een foto staan van de “Saint-Sernin”, een kerk in Toulouse. Afgelopen maandag heb ik deze kerk bezocht. En tegelijk heb ik nog enkele andere dingen in de stad gezien. De kerk is zeker niet de oudste Romaanse kerk van Europa, immers alleen al in Maastricht staan twee Romaanse kerken die nog iets ouder zijn. Maar deze kerk is bijzonder groot en heeft model gestaan voor veel latere Romaanse kerken. Veel pelgrims op weg naar Santiago de Compostella deden Toulouse aan en zagen dan de Saint-Sernin en nog enkele Romaanse kerken, zoals de kathedraal Saint Étienne. Deze laatste kerk is later tot een gotische getransformeerd.

sernin westfront

sernin nw front

Toulouse heeft in de middeleeuwen een sterk verlangen naar zelfstandigheid gehad. En dat kreeg het ook, een eigen enigszins onafhankelijk stadsbestuur. Maar dat stadsbestuur had in het begin niets te vertellen over de Saint-Sernin en de erbij gelegen burcht: deze kerk viel onmiddellijk onder pauselijk gezag. De stad was ommuurd, de Saint-Sernin lag buiten die muren maar had samen met de burcht een eigen omwalling. Zo had je in Toulouse pauselijk, stedelijk en grafelijk gezag. Halverwege de twaalfde eeuw werd het geschil bijgelegd en kwam ook de Saint-Sernin onder stadsbestuur te staan. De graaf was ook baas, hij was vooral de baas van heel de regio. In de dertiende eeuw was hij sympathisant van de katharen. De paus stuurde Dominicus naar de stad, maar ondanks zijn preken bleven de katharen hun nieuwe geloof trouw. Hun leiders leefden in armoede en waren zo een aansprekend voorbeeld voor vooral de arme mensen. Maar ze weigerden ook een eed af te leggen en waren zo ongrijpbaar voor de rechterlijke macht. Vooral dat laatste was een reden om de sekte te verbieden en uiteindelijk zelfs alle aanhangers uit te roeien. De bescherming van hen door graaf Raymond werd hem zelf fataal, uiteindelijk kwam het grafelijke gebied in zijn geheel onder koninklijk gezag.

Op een groot plein in Toulouse zien we het “Capitole”, het gemeentehuis. Dit gemeentehuis is gebouwd in de achttiende eeuw, maar het staat er in plaats van een al veel ouder gebouw uit de dertiende eeuw. Dat gebouw diende om stad en regio te besturen. Er zetelde een raad van eerst 12, daarna 24 en later juist weer minder bestuurders, de zogenaamde “Capitoules”. Ook was er een rechtbank en een gevangenis. In de tijd van de koninklijke macht was er een hofmaarschalk, en ook de munt was in het gebouw gevestigd. Het was zo een gebouw waarin de gemeente, de regio en zelfs het land samen de baas waren. Deze functies bleven zo tot 1793, toen de Franse revolutionairen het ook in Toulouse voor het zeggen kregen. Vanaf toen werd het Capitole een gemeentehuis.

capitole

De heilige Sernin, ook wel Saturnin, was de eerste bisschop van Toulouse. In 250 na Christus stierf hij de marteldood omdat hij weigerde om aan de Romeinse goden te offeren. Volgens de legende werd hij aan een offerstier vastgebonden. Deze stier sleepte hem door de straten van Toulouse. Toen deze door de noordelijke poort de stad verliet en op de huidige locatie van de basiliek was aangekomen, brak het touw en bleek Sernin dood. In Toulouse is er nog een Rue du Taur, die uitkomt op de Place Saint-Sernin. Twee vrouwen hebben hem de volgende nacht op de plaats waar hij dood gevonden was begraven en later werd er boven zijn graf een eerste kerk gebouwd. In de elfde eeuw, met de bouw van de huidige Romaanse kerk, werd het lichaam in een mooi versierde kist geplaatst die op het altaar kwam te staan. Tijdens de Franse revolutie is deze kist geroofd en omgesmolten, net als de meeste andere relikwie-houders. Nu is er een nieuwe kist gemaakt die onder een barok baldakijn nog steeds op het hoogaltaar staat. Wel is het oude altaar uit de elfde eeuw nog bewaard gebleven. Dat staat nu achter in de kerk.

altaar

altaar detail

En uit die tijd is er ook nog een kostbare relikwie-kast, gemaakt van email in Limoges, met een stuk hout van het “echte kruis” bewaard gebleven. Te zien in de crypte.

relikwie heilige kruis

De Saint-Sernin is een echte pelgrimskerk. Je kon vanuit de zijbeuken helemaal om het hoogaltaar heen lopen, en zo dus de kist met de relikwie van de heilige zien. Al biddend liep je langzaam verder, zonder dat je de diensten van de kanunniken hoefde te storen. Het kon er druk zijn, dus er was een portaal waar je naar binnen ging en na deze rondgang ging je door een ander portaal weer naar buiten. Nu kun je dat nog steeds, maar je ziet een andere kist onder een barok baldakijn op het hoogaltaar.

interieur

graf st sernin

De kerk is voor het grootste deel in een nog originele Romaanse stijl. Maar zoals gezegd, vooral in de tijd van de Franse revolutie is er veel verloren gegaan van het interieur. Toch zijn er nog veel kapitelen bewaard gebleven en gerestaureerd, oude schilderingen zijn weer zichtbaar gemaakt, en ook kun je nog de timpanen boven de drie poorten (twee zuidelijke en een westelijke) bewonderen. Op een van de sculpturen hoog in de kerk zien we hoe de heilige bisschop door twee engelen wordt meegetroond naar de hemel.

relief engelen sernin

Op een van de zuidelijke timpanen zien we iets dergelijks, maar tegelijk zien we hoe het volk zich twee aan twee, omhoog kijkend, naar hem in de hemel richt. Wat vreemd: links beneden kijken de twee mensen niet naar elkaar toe gericht naar boven, maar nu met de gezichten van elkaar afgewend. Is er iets fout gegaan bij de restauratie of zit hier een diepere bedoeling achter? Ik denk dat er iets fout is gegaan.

timpaan-detail

Wat me in de kerk ook opviel was op enkele plaatsen een Majestas Domini in Romaanse stijl. Heel vergelijkbaar met de Majestas Domini uit de zelfde tijd in de Servaaskerk van Maastricht boven de toegangsdeur in het noorden van de kerk. De symbolen van de vier evangelisten, staan op een iets andere plek. In Toulouse van linksboven met de klok mee: Johannes (adelaar), Mattheüs (engel), Marcus (leeuw) en Lucas (stier). In Maastricht beginnen we linksboven bij de engel, verder is de volgorde wel identiek.

majestas domini

majestas domini maastricht

De kerk van Saint-Sernin heeft niet veel langer dan een eeuw onder uitsluitend pauselijk gezag gestaan. Als dat langer had geduurd, dan had je ook in deze stad, net als in Auch en Maastricht een vorm van tweeherigheid gehad. Maar nog voor het moment dat heel Toulouse onder koninklijk gezag kwam te staan, was het met de vrijstaat “Saint-Sernin” al gedaan.

Op “Plan de Toulouse” staan 23 locaties in het oude centrum die je kunt bezichtigen. Ik heb er slechts twee gezien. Als ik weer in de buurt ben moet dat aantal uitgebreid worden wat mij betreft.

Op internet heb ik weinig kunnen vinden over de geschiedenis van Toulouse, zelfs niet op Franstalige sites. Pascal Charron schreef een mooi handzaam boekje met veel afbeeldingen. Een groot deel van de Franse tekst heb ik in het Nederlands vertaald (er is alleen een Franstalige versie te koop). Die vertaling kun je hier vinden.

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , , , | 2 reacties

Henric van Veldeke en zijn muziek

Onze eerste minstreel Henric van Veldeke, geboren nabij Hasselt in Belgisch Limburg, was in de tweede helft van de twaalfde eeuw een erudiet persoon en nog lang diende hij andere minstrelen tot voorbeeld. Hij kende naast het Nederlands van die tijd ook Latijn, Frans en Hoogduits. Latijn is logisch, hij zal een goede opleiding aan een kapittelschool hebben gehad. Leerde hij daar ook Frans? Waarschijnlijk wel. Henric van Veldeke begon zijn loopbaan in dienst van het kapittel van Servaas in Maastricht die hem de opdracht gaf om de legende van het leven van Servaas te schrijven in dichtvorm, in het Nederlands. Dat heeft hij met verve gedaan en schreef zo, nog voor de Vlaamse dichter van Maerlant een halve eeuw later, verzen in het Nederlands.

Toen hij later in Duitsland woonachtig was ging hij in het Hoogduits schrijven, en zo kennen ze hem in het huidige Duitsland: als de eerste Duitse dichter. Hij schreef in het Duits naast liederen de Enéide, het verhaal van Dido en Aeneas, en gebruikte daarvoor als basis een net gereed gekomen Franstalige versie. De versie van Henric van Veldeke springt er in positieve zin uit. Duidelijk is dat hij ook Frans kon lezen. Maar hij maakte geen vertaling, maar gebruikte naast de bestaande Franse ook de originele Latijnse tekst van Ovidius. Waarschijnlijk heeft hij zijn opleiding gehad aan de kapittelschool van Sint Truiden. Zijn familie had connecties daarmee, en het blijkt dat veel sculpturen uit die abdij verwantschap hebben met sculpturen die in dezelfde tijd in de Servaas zijn gemaakt. Wibald van Stavelot, Franstalig, zwaaide er de scepter.

Het boek ”Henric van Veldeke en zijn muziek” vormt de basis van dit artikel. Het eerste hoofdstuk schetst de politieke situatie, en die is in dit geval van groot belang, omdat Henric van Veldeke waarschijnlijk een rol speelde in de politieke spelletjes van die tijd. Het ging er vooral om: wie was belangrijker, de paus of de keizer. In het Oost-Romeinse rijk was de keizer nog steeds belangrijker dan de patriarch, en de Rooms-Duitse keizer wilde dat model nu voor eens en voor altijd vastgelegd hebben, ook voor zijn eigen rijk. De paus daarentegen was steeds meer bezig om zich ook wereldlijk gezag toe te eigenen. Het gebied van de pauselijke staat breidde zich steeds verder uit. De strijd ging nu vooral hier over: wie mocht de bisschoppen aanstellen? De figuur van Servaas was een middel voor de keizer en zijn raadgevers, onder wie de proost van het Servaaskapittel, om in deze investituurstrijd hun gelijk te halen. Servaas was een bisschop die voldeed aan het ideale model. En in een verhaal moest dat nog aannemelijker worden gemaakt. De legende van het leven van Servaas moest dus worden opgeschreven. Tegelijk kon het kapittel hier ook ter plekke wat mee: het was een van de manieren om Servaas te promoten en pelgrims naar Maastricht te lokken. In precies dezelfde tijd werd het westwerk van de kerk gebouwd en werden geraffineerd vormgegeven kapitelen gehouwen. Ook werd er een vergulde kist gemaakt die op het altaar kwam te staan, de zogenaamde Noodkist, met het gebeente van de heilige. Het altaar werd versierd. De symboliek van de profeet Zacharias als een soort vooraankondiging van Servaas moest dienen om de politieke doelen van keizer en kapittel ook in beeld te vangen. Ook op andere plekken, zoals door middel van het nog steeds beroemde timpaan in het westelijke deel van de kerk werd Servaas gepromoot. En niet veel later werd opdracht gegeven tot de bouw van een enorm nieuw portaal aan de zuidkant, het zogenaamde bergportaal. Daarin kon je zelfs in een stamboom zien hoe belangrijk en heilig Servaas wel niet moest zijn, hij was familie van niet minder dan Maria, de moeder van Jezus!

In de andere hoofdstukken van het boek gaat het over de bouwkundige zaken die laten zien dat er een connectie bestond tussen bijvoorbeeld Maastricht en Sint Truiden, maar ook tussen Maastricht en Duitse gebieden zoals de Wartburg in Eisenach. Henric van Veldeke was in dienst van de graven van Loon en zo kwam hij op veel plaatsen. Aan de hand van het Maastrichtse getijdenboek wordt de hoofse cultuur van die tijd belicht, die we sterk terug zien in zijn minneliederen. Een ander belangrijk hoofdstuk gaat over de taal van Henric van Veldeke. Aannemelijk wordt gemaakt dat de overgeleverde tekst, afkomstig van een afschrift uit latere tijden, dicht bij het origineel komt. Er blijkt namelijk nog een fragment van het origineel te bestaan, en dat is exact gelijk aan het overeenkomstige deel in de latere afschrijving. We kunnen dus met een zekere mate van zekerheid concluderen dat de rest ook hetzelfde als het origineel is. Ook lijken er aanwijzingen te zijn dat de Duitstalige gedichten eerst in een taal die nog dicht bij het Nederlands staat zijn geschreven en pas later zijn verduitst. Aan de hoofse liederen, de Servaaslegende en aan de Enéis worden aparte hoofdstukken gewijd. Zo is er zelfs naar aanleiding van het verhaal van van Veldeke een stripverhaal gemaakt in 1474, dat zich thans in het nationale museum van Wenen bevindt.

eneis wenen

De minneliederen van Servaas zijn ook vaak van afbeeldingen voorzien. Onderstaande afbeelding verbeeldt Veldeke terwijl hij onder een boom aan het dichten is.

veldeke als minnezanger

In de twee laatste hoofdstukken wordt onderzocht of er reconstructies mogelijk zijn van de praktijk van de minnezangers uit die tijd, waarbij ook muziek wordt gebruikt. En niet alleen wordt gekeken naar de muziek van de minneliederen, ook wordt onderzocht hoe de meer verhalende gedichten zoals de Servaaslegende of het verhaal van Dido en Aeneas zouden hebben kunnen klinken. De minnezangers maakten veelal gebruik van vaak voorkomende bouwstenen, zogenaamde contrefacten. Dat helpt om tot een soort reconstructie te kunnen komen. Hieronder een stukje uit de Enéis van van Veldeke. Waarschijnlijk klonk er ook een begeleiding bij van misschien een luit.

Dido woelt in haar bed en kan van verliefdheid de slaap niet vatten. (Berlijn, Pruisische staatsbibliotheek)dido in bed

muziek

Owee, heer Aeneas. wat was ik machtig, toen ik u voor de eerste keer tegenkwam. En dat ik u heb gezien in dit land, dat moet ik zeer beboeten.‘ (‘Giwaltig’ kun je misschien ook vertalen als ‘overweldigd’. ‘engelten = ontgelden’)


Afgezien van mijn zangkunsten die niet al te best zijn, heb ik toch grote twijfels of het zo ongeveer geklonken heeft. Alle geleerde navorsingen ten spijt, zou onderstaande versie, die ik spontaan verzin, niet dichter bij het origineel komen?

Het is een buitengewoon rijk boek, mooi vorm gegeven en met prachtige platen. Ik ben dit artikel begonnen met Henric van Veldeke en de Servaaslegende, daar eindig ik dan ook mee. Hieronder een fragment uit dat dichtwerk, het deeltje dat gaat over het belang van Servaas: Karel de Grote wilde al dat iedereen naar Maastricht kwam!

Doen coninck Karle ende sijne man
den seghe dae alsoe ghewan
– daer hem God dede ghenade –
doen waert hij des te rade
dat hij sijne boden sande
in Vranckrijke tot sijnen lande.
Doe hem God loeste uuter noet
den busscoppen hijt ontboet
clercken ende gheleerden,
abden ende bekeerden.
Mit goeden trouwen hij dat dede
ende bat hon mit soeter bede,
den heren van Vranckrike,
ende ontboet hon vriendelike
wie dat heme erganghen was,
datten God ende Sinte Servaes
uuter sorghen verloeste
ende ghenadeliken trooste.
Hij ontboet hon sijne holde
op dat hon God gheven wolde
ter zielen dat ewich liecht,
dat sij voeren te Triecht
ende Sinte Servaes den werden
verhieuen uuter eerden
ende hoechden ende eerden
ende sijnen loff vermeerden,
want hoem die eer wale betam
ende hij heme te hulpen quam
doen hoem des noet was;
want hem der goede Sinte Servaes
uuter sorghen verloeste
wijseliken hijt bedachte.
Dat Karle gheboden hadde soe
des waren die keersten voele vroe.
Zodra koning Karel en zijn mannen
daar dankzij Gods genade
de zege hadden behaald,
besloot hij
boodschappers te sturen
naar zijn land, Frankrijk.
Toen God hem uit de nood had gered,
liet hij bisschoppen,
klerken, geleerden, abten
en kloosterlingen bijeenroepen.
Oprecht vertelde hij
de Franse heren
in vriendelijke bewoordingen
hoe het hem vergaan was
en hoe God en Sint Servaas
hem genadevol
te hulp waren gekomen
en uit de nood hadden verlost.
Hij beval hen in Gods genade aan
– opdat Hij hun zielen
het eeuwige licht wilde geven –
en riep hen op naar Maastricht te gaan
teneinde de dierbare Sint Servaas
te diens eer en glorie
en ter vermeerdering
van diens roem te verheffen;
Servaas kwam die eer waarlijk toe,
omdat hij Karel te hulp was geschoten
toen dat noodzakelijk was.
Omdat de goede Sint Servaas
hem van zijn zorgen had verlost,
kwam hij op dat verstandige idee.
De gelovigen waren zeer verheugd
over Karels opdracht.
  • Henric van Veldeke en zijn muziek, onder leiding van Herman Baeten. Alamire, ISBN 90-6853-203-6.
  • In de schaduw van de keizer, Hendrik van Veldeke en zijn tijd (1130-1230). Jozef D. Janssens. Walburgpers. ISBN 978-90-5730-528-3
  • Order and confusion, Fred Ahsmann, Clavis, kunsthistorische monografieën deel XXIV, 2017. ISBN 978-90-75616-13-2

Gerelateerde artikelen:

 

Geplaatst in Geschiedenis, taal | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

De wereld

-‘Ik ga het hele zonnestelsel tekenen zei mijn oudste kleinzoon. ‘
Leuk dacht ik, weer eens wat anders dan al die treinen. Even later kwam hij de tekening laten zien.
zonnestelsel
-‘Kijk ik heb ook een komeet getekend.’
In de buurt van Saturnus zag je een komeet op weg naar de zon. Hij had al een staart.  En je zag nog enkele banen van kometen, dwars op die van de banen van de planeten. Hij had naast de acht planeten en hun baan ook de baan van Pluto getekend, die meer elliptisch is. Hij vindt net als ik dat Pluto veel wordt verwaarloosd sinds hij is gedegradeerd tot dwergplaneet. En natuurlijk zie je ook tussen Mars en Jupiter de asteroïdengordel. De banen met zwart potlood, de planeten en de zon had hij allemaal een kleurtje gegeven met kleurpotloden. Natuurlijk de juiste kleur, Uranus een beetje groenachtig en Neptunus blauw.

Hij ging weer naar zijn tekenplek, zijn broertje van vier zat intussen achter de computer in de tekstverwerker een verhaal te tikken. Ook daar moest ik naar kijken. Ik leerde hem hoe je de letters weer kon verwijderen met backspace. Dat was leuk.

grinzingEen nieuwe tekening was klaar, met potlood. Op de achterkant van een weggegooid stuk papier, zoals gewoonlijk.
-‘Dit is in Oostenrijk’.
Verwonderd vroeg ik me af hoe hij hier bij kwam. Hij was ooit enkele jaren geleden in Zwitserland geweest, maar Oostenrijk?
-‘Waar in Oostenrijk?’ probeerde ik.
-‘In de hoofdstad. Ja het is aan de rand van de hoofdstad, daar kun je de bergen goed zien.’
-‘De hoofdstad van Oostenrijk is Wenen. Aan de rand van die stad kun je inderdaad goed bergen zien’.

Ik ben daar  enkele keren geweest, een keer vanuit een hotel in Neuwaldegg. Al lopende was je bij het heuvelachtige Wiener Wald. En met een bus kon je helemaal over de Höhenweg tot aan de Kahlenberg rijden en had je vanuit de hoogte een prachtig uitzicht over de stad. En te voet kon je afdalen door de bossen of door wijngaarden naar Grinzing. Vanuit de bossen boven Grinzing kon je op sommige punten in de verte de heuvels weer zien liggen als je terug keek richting Kahlenberg. De tekening van mijn kleinzoon moest dus over Grinzing gaan. Ik haalde nog wat foto’s tevoorschijn van toen ik in Grinzing was. En kreeg gelijk zin om er weer naar toe te gaan.

wenen1

wenen2De huizen in Grinzing lijken niet op de huizen van de tekening van mijn kleinzoon. Ook zie je daar de bergen anders. Zijn tekening deed me meer denken aan Innsbruck. Dat ligt helemaal in een dal en je ziet vanuit de stad onmiddellijk de hoge bergen. Maar dat doet er niet toe. Hij wist dat er in Oostenrijk ook bergen waren, net als in Zwitserland. En ik zou trouwens niet alleen weer een keer naar Wenen willen maar ook naar de prachtige locatie die hij verzonnen had.

Zo mijmerende bedacht ik me waarom ik Wenen zo’n stad vind waar ik me thuis voel. Is het vanwege deze mooie locatie aan de rand van het Weense woud? Is het vanwege de culturele tradities van met name de tijd rond 1800 en rond 1900? Is het vanwege het aangename en het beste openbare vervoer dat ik van een grote stad ken? Is het vanwege de vele musea op de meest mooie locaties waarvan ik hooguit de helft tijdens mijn vijf bezoeken gezien heb? Is het omdat iedereen een beetje afstandelijk maar tegelijk heel beschaafd is? Is het omdat het net als Maastricht een conservatieve tevredenheid uitstraalt? Amsterdam, Berlijn, Parijs bruisen. Wenen veel minder waardoor het er aangenaam rustig is. En ik heb veel moeite met onrust en een overdaad aan toeristen. Maar in Wenen proef je op elke straathoek geschiedenis. Beethoven, Schubert, Bruckner, Mahler, Schönberg, Siegmund Freud: je kunt je proberen voor te stellen hoe het er was in hun tijd en je loopt op plekken waar zij ook liepen. Ik kan me helemaal verliezen in dat soort fantasieën.

Mijn kleinzoon loopt in zijn fantasie door een leuke voorstad van Wenen. Ik stel me zo voor dat hij op zijn manier daar ook van geniet. Maar soms gaat hij ook naar de maan of naar Mars. Ik ga een enkele keer met hem mee. We hijsen ons in ons ruimtepak en vanaf beneden aan de trap stijgen we op. Vanaf het grote bed fantaseren we dat we boven op de Olympus Mons zijn en over heel Mars kunnen uitkijken. Dat moet daar probleemloos kunnen, er is op Mars immers geen hinderende atmosfeer. En als de zon is ondergegaan zien we gelegen op onze rug de mooie blauwe aarde als een prachtig object aan de hemel. En heel veel sterren. Zelfs UY Scuti kun je daar met het blote oog zien. Na een tijdje dalen we weer met de raket af en komen terug. Hij tekent daarna misschien  iets van wat hij daarboven gezien heeft. Of iets anders van de grote fascinerende wereld.

Zijn broertje had intussen een nieuw verhaal getikt. Een verhaal van twee pagina’s. Met uitsluitend de letter X.
-‘Kijk!’ zei hij trots. Hij had de grote-mensenwereld getikt. Twee velletjes met een geheimzinnige X. De wereld die ook hij steeds meer gaat verkennen.

Geplaatst in Astronomie, autisme, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Zwemles

Lachend en met een tekening in zijn hand kwam mijn oudste kleinzoon me tegemoet bij het schoolplein. We moesten nog even wachten op de klas van zijn jongere broertje. Even later kwam er nog een lachend en stralend jongetje aanrennen.
-‘Wat heb je gemaakt?’
aardeMijn oudste kleinzoon had een tekening in zijn hand. De hele aarde stond er op. Met de namen van de werelddelen en van sommige landen erbij. Rusland stond er twee keer op want hij weet dat als je de aarde “uitklapt” je dan opnieuw bij Rusland uitkomt, zo stond het ook bij ons thuis op de wereldkaart. De hele wereld en alles er op en er aan blijft hem boeien. Hij kijkt de laatste tijd regelmatig naar een filmpje met de tien snelste treinen van de wereld. De allersnelste komt uit Japan, dus nu weet hij ook waar Japan ligt. En ook Zuid-Korea.
– ‘Oef’, zei ik.  ‘De noord- en zuidpool heb je omgewisseld. Dat is niet erg hoor. We kunnen het zo meteen met tippex uitvegen, dan kun je het als je wil verbeteren. Toen kwam er een warrig verhaal hoe het kwam dat hij dat omgewisseld had, iets van “heel vroeger”.  Aan de tippex-behandeling zijn we niet meer toegekomen. Thuis werd er piano gespeeld. En er werden bouwwerken met duplo gemaakt. Zijn broertje hielp me met aardappelen snijden, met een scherp mes, trots en behendig. We gingen eerder dan normaal eten, want hun moeder kwam al vroeg met hun zusje zodat ik met mijn oudste kleinzoon naar zwemles kon.

Hij is al regelmatig met ons, grootouders, mee gaan zwemmen en durfde heel langzaam steeds meer. Totdat er iets gebeurd was waardoor hij heel erg angstig werd. Volgens zijn moeder heeft het te maken met dat hij een keer water in zijn mond kreeg en bijna moest overgeven. Hij is uiterst bang voor overgeven. Laatst had de halve familie buikgriep, hij weet dan niet meer waar hij het zoeken moet van de angst dat iemand gaat overgeven. Sinds die negatieve ervaring met dat water is hij ook heel bang onder de douche. Zijn ouders hebben een heel aardige, geduldige en lieve badjuf gevonden. Essentieel was dat hij grond onder zijn voeten bleef voelen. Maar zelfs drijven op een plank durfde hij inmiddels, als hij bij het gaan staan maar al snel weer grond voelde. Dat was voor hem essentieel. Die zwemles met die juf kon niet meer, het was in een buitenbad. Nu werd er naarstig gezocht naar een nieuwe locatie.

Dat werd een sportschool waar ook in kleine groepjes en zelfs individueel les werd gegeven. Samen met mij ging hij er voor de eerste keer naar toe, heel enthousiast, helemaal niet bang.
-‘Je kunt er staan hè opa?’
-‘Dat weet ik niet, ik ben er nog nooit geweest, maar ik neem aan van wel.’
Het centrum heette “Health club”.
-‘Wat betekent dat opa?’
-‘Dat betekent “gezondheidsclub”. Het is een gebouw waar je aan allerlei sporten kunt doen waar je gezond van wordt.’
-‘Waarom zeggen ze niet gezondheidsclub?’ Dat was ik helemaal met hem eens. We werden door een vriendelijke medewerker naar het zwembad gebracht. Onderweg liepen we door een heel grote fitnessruimte. Allerlei bodybuilders waren daar bezig. Eerst moest hij zich omkleden.
-‘Is het zeehondje ook mee?’ Het zeehondje is een van onze vier knuffels die er bij horen. Zeehondje houdt erg van zwemmen.
-‘Ja, hij is “zogenaamd” mee’, antwoordde ik.
-‘Zeehondje’, sprak hij tot het zogenaamde zeehondje, ‘ga jij ook zwemmen?’
Ik zette mijn zeehondjesstem op en zei:
‘Jazeker, ik spring er gelijk in. Ik vind zwemmen superleuk’.
En zo babbelde mijn kleinzoon een tijdje met het zeehondje terwijl hij zich uitkleedde. De bodybuilders die zich ook aan het verkleden waren keken enigszins bevreemd onze kant uit maar daar trokken we ons niets van aan.
-‘Nu moet je me goed helpen onthouden. In dit kastje zitten jouw kleren, welk nummer staat er op?
‘-‘Elf acht’.
-‘Heel goed, en dat is dan honderd achttien.’ Hij keek nog even naar het getal.
-‘Daarnaast staat honderd twintig’ zei hij spontaan. Waw, dacht ik. Gelijk doorhebben dat als er drie cijfer staan het eerste de honderden aangeeft!
We liepen naar het zwembad. In het bad waren twee kinderen, allebei met een aparte instructeur. Hij liep naar een van beiden toe, welke ook zijn juf bleek te zijn:
-‘Waar is het ondiepe?’
-‘Hier is geen ondiepe.’
Huilen schreeuwen. Het zwembad bleek een aardige akoestiek te hebben… . Ik nam hem op schoot. Toen de juf klaar was met het meisje zei ze vanuit het water:
-‘Kom maar eens naar me toe.’
Het huilen werd intenser.
-‘Dat wil ik niet.’
-‘Ja, we gaan eerst kurken omdoen, dan kun je niet zinken.’
Dat wilde hij ook niet. Ik ging met hem naar de kurkenmand. Uiteindelijk tilde ze hem zachtjes in het water. Hij bleef compleet verkrampt huilen, hoe lief ze ook tegen hem deed. De conclusie: hij kan alleen “één op één” les hebben voorlopig, zeker tien lessen lang.
-‘Hou oud is hij?
-‘Zes jaar’.
-‘Dan moet hij het toch wel kunnen?’  Ik zei nog eens dat hij autistisch was en dat leeftijd geen enkele norm was. Zijn ouders moesten er maar nog eens over denken.

Blij en opgelucht gingen we weer naar de kleedruimte.
-‘Dit gaat het niet worden’, zei hij tegen de bodybuilders. ‘Je kunt daar niet staan’.
Ze moesten lachen en probeerden hem uit te leggen dat hij het al heel snel niet meer eng zou vinden. Ik bemoeide me niet met het gesprek.
-‘Kijk, daar staat cijfer 100!’ En daaronder 99!’ Hij was alweer geland. We reden naar zijn huis. Onderweg waren we allebei stil.
-‘Slaap je?’ vroeg ik. Door het achteruitkijkspiegeltje leek hij in slaap te zijn gevallen.
-‘Nee hoor, ik zit alleen een beetje scheef.’

Ik had hem beloofd dat hij nog even op mijn tablet Google Earth mocht doen.
-‘Opa, schrijf je mount met ou of au.’
Ik begreep wat hij bedoelde.
-‘Met ou.’
Hij tikte mount everest in. En met streetview keek hij vervolgens over al de andere bergen uit.
-‘Opa, past de Mount Everest in de Olympus Mons?’
-‘Ja zeker, de Olympus Mons op Mars is de hoogste berg van het hele zonnestelsel. Dan is de Mount Everest opeens een heel klein bergje.

Zijn broertje en zusje waren al naar bed. Nu was hij ook aan de beurt. Vanmiddag gaat hij met hen en opa en oma naar een zwembad waar hij wel  kan staan. Het zeehondje zal ook wel weer mee willen.

Geplaatst in autisme, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , | 1 reactie

Amarcord

amarcordIk was vrijdag om 5 uur bij een Mis. Een mis waarin geen preek, geen collecte, geen consecratie en waarin ook geen communie was. Het was een mis die helemaal gezongen werd, hij was opgebouwd rond de hoofdbestanddelen Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus/Benedictus en Agnus Dei. En daarvoor en er omheen waren er inclusief toegift nog 8 stukken, 13 in totaal dus. Religieuze muziek die geschreven is in de middeleeuwen, in de renaissance en in de moderne tijd. Alles was puur vocaal zonder enige begeleiding. Ik luisterde naar de vijf heren van Amarcord. Bijna elk stuk in die namiddag klonk even mooi. Het was een prachtige Mis, in de natuurlijke ambiance van de OLV-basiliek. En wat een mooie keuze van stukken:

Thomas Tallis – Te lucis ante terminum
Guillaume de Machaut – Kyrie uit ‘La Messe de Nostre Dame’
Sidney Marquez Boquiren – Gloria
Gregoriaans – Liberasti nos uit ‘Moosburger Graduale’
Orlando di Lasso – Litaniae Beatae Mariae Virginis a 4
Francis Poulenc – Quatre petites prières de Saint Francois d’Assise
Johannes Ockeghem – Credo a 5
Gregoriaans – O Crux splendidior
William Byrd – Sanctus uit ‘Mass for Five Voices’
John Tavener – The Lamb
Gregoriaans – De profundis uit ‘Moosburger Graduale’
Marcus Ludwig – Tenebrae uit ‘Drei Gedichte von Paul Celan’

Als toegift klonk: “OtЧe Иaш (Onze vader) van Nikolaj Nikolajewitsch Kedrow

Al deze stukken staan ook op een CD. De CD heet “Tenebrae” , genoemd naar het stuk van Marcus Ludwig. Op deze CD staan naast deze 13 stukken nog 8 andere stukken, de Mis is daar dan als het ware nog uitgebreider. Bij het programma in Maastricht ontbrak bijvoorbeeld het Agnus Dei uit een manuscript uit 1410. Wel hoorden we een ander Agnus, “the lamb” van John Tavener. Behalve alle teksten staan in het CD-boekje mooie toelichtingen.
Welk stuk vond ik nu echt het mooiste? Het was zo verschillend allemaal. Misschien wel het Credo van Ockeghem, of het kwetsbare “the Lamb” van Tavener, of het indringende “Tenebrae” van Marcus Ludwig?

boquirenNee, ik heb gekozen voor het Gloria van de Filippijnse componist Sidney Marquez Boquiren. De zangers van Amarcord hebben hem tijdens een tournee in Amerika leren kennen.  Hij schreef voor hen een stuk waarin vooral ook de lengte van de adem van de mens, in dit geval van geschoolde zangers, een van de parameters is. Het werd in de OLV-basiliek gezongen terwijl de uitvoerenden in een cirkel stonden waardoor ze elkaar goed konden zien en horen. Ze probeerden af en toe samen de klank als het ware als een lichtstraal de hoogte in te sturen. Het enige tekstdeel van het Gloria dat gebruikt werd was de beginzin: Gloria in Excelsis Deo: Eer zij God in den Hoge. Gloria-eer, is vanaf de baroktijd een uitbundig woord, het hele gloria is dan ook meestal een uitbundige lofzang. Bij Boquiren horen we eerst inderdaad nadrukkelijk en uitbundig het woord “gloria”, maar daarna horen we vooral “de eeuwigheid”. Niet zozeer wat mij betreft “in den hoge”,  maar vooral een heel wijds, ruimtelijk, niet aards en bijna eeuwig eerbetoon. Het stuk eindigt heel mooi verstild, het verstomt in de ruimte.

Voor de mensen met een muziek-achtergrond: ik heb het stuk auditief geanalyseerd en deze analyse staat hier onder, cursief weergegeven. Sla het rustig over!

Wat voor samenklanken hoor je en is er sprake van een toonsoort? Toen ik nog les gaf in muziektheorie aan het conservatorium liet ik mijn leerlingen experimenteren met samenklanken en toonladders om ze vertrouwd te laten raken met een meer modern idioom. Een van de oefeningen was dat ik ze een zes of zeventonige toonladder liet verzinnen. Daarmee gingen ze componeren. In het hele stuk mocht uitsluitend gebruik worden gemaakt van die tonen, zowel in melodisch opzicht, maar ook in harmonisch opzicht: alle zeven tonen mochten eventueel zelfs allemaal tegelijk als samenklank gebruikt worden. Het blijkt dat je dan vanzelf die drie-, vier-, vijf-, zes- of zevenstemmige samenklanken gaat accepteren als een logische eenheid. Er gebeurt relatief weinig door die beperking, maar je kunt gebruik maken van registers, je kunt samenklanken verleggen, je kunt ze uitdunnen enz. En verder kun je vooral ook muziek maken met melodie en ritme. Het samenklank idioom vormt door zijn beperking een gewaarborgde eenheid. Of de muziek verder interessant is wordt bepaald door hoe je er verder mee om gaat. Het lijkt wel of Sidney Marquez Boquiren deze opdracht, die ik indertijd aan mijn studenten gaf, op zijn manier heeft uitgewerkt. Hij gebruikt, op één uitzondering na, helemaal op het einde van het stuk, uitsluitend de 7 tonen van de oorspronkelijke mineurtoonladder van A.

Gloria. De eerste drie en een halve minuut horen we alleen het woord “gloria”, “eer”. Het stuk begint met een grote drieklank van F, FAC, maar tegen de C klinkt een snerpende B. Een grote drieklank met een scherp randje dus. De A in deze drieklank blijft de basis, deze blijft namelijk  voortdurend als een lange toon  doorklinken en wordt zo tot een  basistoon. In de loop van de eerste minuut komen er nog meer “witte toetsen” bij: eerst de G in een dalend loopje AGF, dan AEG waarbij de E en de G samen met de A en C blijven doorklinken. Dan wordt de laagste toon een D: DEGA. Het loopje AGFE, een dalend motiefje is de voorbode van nu een aantal snelle motiefjes van achtste noten, nog steeds wordt uitsluitend het woord Gloria gezongen. Elk motiefje heeft twee noten en twee lettergrepen: Glo-rja, Glo-rja enz. Alleen de noten D, E, F en G worden gebruikt, met daarbij telkens de lange toon A. Het geheel wordt opeens veel zachter, korte motiefjes met dit materiaal, dan een langer motief, bijna een melodie: ABCDE, de laatste E echter een octaaf lager. Met dit idee wordt gespeeld: BCDEF, nu de laatste twéé tonen een octaaf lager. Nog even gaat hij met iets dergelijks door.

In excelsis. Op 3:30 minuut horen we voor het eerst de tekst “in excelsis”: GA C—–B. “Cel” van” Excelsis” is de hoge C die langgerekt is en tegelijk is het de hoogste toon, een letterlijke tekstuitbeelding dus van “in den hoge”.  Het register wordt hierna veel breder, er komen heel lage bastonen bij waardoor de hoogte van “excelsis” des te beter overkomt. De lange bourdontonen worden nu gevormd door een lage A met een kwint hoger een E, de andere heren zingen in motiefjes “Gloria in excelsis”, gebruik makend van nog steeds uitsluitend “witte toetsen”. Het woord “excelsis” wordt door de drie hoogste stemmen voortdurend in verschillende motiefjes herhaald, met steeds twee tonen op de lettergreep “cel”. Dit steeds zachter, er onder blijft de kwintenbourdon klinken.

Gloria in excelsis. Na twee keer nadrukkelijk “in excelsis, in excelsis” komt weer de langere tekst “gloria in excelsis”, waarbij de vijf zangers homoritmisch zingen, steeds vier-of vijfstemmige akkoorden met minstens een scherpe dissonant erin. Nog steeds uitsluitend tonen van de diatonische toonladder van A.

In excelsis Deo. Op 5:13 komt voor het eerst het woord “deo”, achter “in excelsis”: AAB—-FGA—A (In Ex-Cel—–Cihies De—O). Onmiddellijk daarna wordt het woord “deo” nog enkele keren herhaald. Nu werkt het stuk naar het einde toe.

Gloria. Zacht begint “Glo” eenstemmig op een lange A, er komt later een Hoge E bij, dan een D, opnieuw vanuit de kale A, nu ook nog een F en een G. Nog een keer opnieuw vanuit de A, maar nu komt er voor het eerst een echt nieuwe toon bij, een lage F# die zachtjes knerpt tegen de er boven liggende G. Dit akkoord werkt als een soort dominant, die heel sereen en superzacht de gezamenlijke A als slottoon voorbereidt.

Het hele concert, zonder toegift,  is nog terug te beluisteren: ga naar https://www.nporadio4.nl/gids-gemist/2019-09-22
Het is het eerste deel van het avondconcert waarop nog twee andere concerten te horen zijn, alle drie zijn ze opgenomen tijdens het festival Musica Sacra.

Geplaatst in muziek, recensie | Tags: , , , , | 1 reactie

Musica Sacra

Gisteravond waren er op radio 4 drie concerten te horen zoals ze de afgelopen dagen in Maastricht hebben geklonken tijdens het festival  Musica Sacra. Bij een van die drie opnames was ik aanwezig. Ik hoorde ook nog een ander concert dat niet is opgenomen. Daarnaast maakte ik nog een speciale media-ervaring mee, ook tijdens het festival. Alles wat ik meemaakte was van hoge kwaliteit, verrassend en er was een wereldprimeur te horen. Hulde aan de medewerkers van radio 4 die hier aanwezig waren. Schande dat er niemand van de Volkskrant bij was. De maandagochtendkrant die ik net gelezen heb bevatte ook nu weer veel recensies van culturele dingen in vooral Amsterdam, maar geen enkel artikel ging over een van de culturele hoogtepunten van de afgelopen dagen in Maastricht.

Ik was er vrijdag. Ik had ingetekend op “Waar je ook gaat, daar ben je” van Mariël Vaartjes en Ali-Ben Horsting. Voor het schoolplein van een basisschool in de Begijnenstraat kon je je aanmelden. Je kreeg een koptelefoon op en moest gaan zitten op een bank in het er tegenover gelegen park. De eerste vijf minuten werd je, genoeglijk zittend in de schaduw onder een grote boom, auditief  warm gemaakt om als pelgrim een bidweg te gaan volgen. Er bestaat in Maastricht een eeuwenoude pelgrimsroute. Die wordt nog steeds elke zaterdag gelopen door de broederschap van Onze-Lieve-Vrouw. De leden van deze broederschap dragen flambouwen en zijn gehesen in hun broederschapskostuum. Vóór hen lopen de pastoor en een of meer diakens. Achter de kleurrijke broederschap lopen dan de pelgrims. Ze volgen samen de eeuwenoude bidweg. Deze zelfde route liep ik nu ook, maar dan met een koptelefoon op en helemaal in mijn eentje. Je kwam niemand van de andere deelnemers tegen, iedereen vertrok met vijf minuten afstand van elkaar. De makers probeerden om je al lopende het gevoel te geven dat je een middeleeuwse pelgrim was. Er staan op de route veel Mariabeeldjes, met daarop telkens een andere voorstelling. Bij elk beeldje bleef je stilstaan en werd je gewezen op dingen die je kon zien en je kon dan op jouw manier proberen om contact te maken met je innerlijk. Voordat je bij het begin van de bidweg bij de Basiliek was aangekomen was je nog even een middeleeuwse pelgrim, nog een buitenstaander, die langs pesthuizen, slachterijen en hoerenbuurten liep. Met alle bijbehorende geluiden.. Maar vanaf het moment dat je aan de echte bidweg begon bij de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek werd je een biddende pelgrim. De muziek en de teksten, het ritmische lopen, moesten je helpen om je naar binnen te keren. Je was steeds op jouw manier aan het bidden. Je ging je leven overdenken om zo gelouterd weer bij de basiliek terug te kunnen keren. Naar mijn persoonlijke ervaring waren de makers daar goed in geslaagd. De timing van het lopen was perfect, je werd vanzelf van straat naar straat geleid. De muziek, geluiden en de tekst die je door de koptelefoon hoorde waren mooi op elkaar afgestemd.

irene-kurka’s Avonds om 10 uur zong Irene Kurka in de keizerzaal van de Servaas. Ik had dat concert uitgekozen vanwege de locatie maar ook om de combinatie van oude en nieuwe muziek. Hildegard von Bingen had ik daar al eerder gehoord, nu hoorde ik de muziek gezongen door slechts één vrouwenstem. Daarnaast waren er nog drie moderne muziekstukken te horen, waaronder een speciaal voor haar geschreven stuk door de Litouwse componist Vykintas Baltakas: Incantatio. Het was tegelijk de wereldpremiëre van dat stuk. Jammer dat er geen opname van is, ik zou het vaker willen horen. Het klonk heel ritmisch, het was onmiskenbaar op Litouwse volksmuziek gebaseerd, het was heel expressief en energiek. Dat kon je van alle stukken zeggen die Irene Kurka zong. Wat een stembeheersing, wat een geluid! Ook de acht liederen van Hildegard von Bingen werden uiterst geconcentreerd, mooi en expressief gezongen. De tekst was helemaal doorvoeld. Ze zong onder meer “O Virtus sapientiae”, een antifoon voor het feest van de heilige drie-eenheid. Dit feest was in de tijd van Hildegard von Bingen nog geen verplichte feestdag, dat werd het pas in de veertiende eeuw. Het werd gevierd op de eerste zondag na Pinksteren. Het “omcirkelen” in de tekst slaat op “de Heilige Geest”, die net een week eerder, bij het feest van Pinksteren, centraal stond in de liturgie. Nu gaat het om de combinatie van Vader, Zoon en Heilige Geest. Maar de Heilige Geest, de derde,  is overal aanwezig.

O virtus Sapientiae,  –  o deugdzame wijsheid
quae circuiens circuisti  –  die al omcirkelende omcirkelt
comprehendendo omnia  –  en daarbij alles omsluit
in una via, quae habet vitam,  –  in die ene weg, welke het leven bezit
tres alas habens, –  je hebt drie vleugels
quarum una in altum volat,  –  waarmee je naar de hoogte stijgt
et altera de terra sudat,  –  en je de wereld verlaat
et tertia undique volat.  –  en de derde is overal aanwezig
Laus tibi sit, sicut te decet,  – lof zij u, zoals u toekomt
O Sapientia.  –  o wijsheid

Aan het concert dat ik om vijf uur hoorde in de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek besteed ik een apart blog.

Hier meer over Hildegard von Bingen.

 

Geplaatst in muziek, recensie | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen