De Servaaskerk van Maastricht en Karel de Grote

De streek in het zuiden van Limburg en de omgeving van Aken is al vanaf de Romeinse tijd in trek vanwege de thermale baden. In Heerlen is een enorm Romeins badcomplex opgegraven, nu het middelpunt van het thermenmuseum. Ook Valkenburg heeft zijn thermae 2000, een groot wellness centrum op basis van de minerale heetwaterbronnen die uit de diepe kalklagen omhoog borrelen.

Karel de Grote had last van jicht en ook hij ontdekte de weldadige werking van deze bronnen. Daar wilde hij graag vaak zijn. Hij besloot om Aken tot centrum van zijn rijk te maken en er een groot deel van het jaar te gaan wonen.

Nog voor de tijd van Karel de Grote lagen er in die streken al een aantal Merovingische kroondomeinen. Een van die domeinen was een gebied rond Maastricht. Het werd beheerd door het in de achtste eeuw gestichte kapittel van Sint Servaas.  Niet zo lang daarna werd een belangrijk raadgever van Karel de Grote, Alcuinus,  abt van dit Servaasklooster. Een andere raadgever en opvolger van Alcuinus, Eginhard, werd op zijn beurt ook weer abt. Maastricht was nog een zeer onbeduidende plek,  maar door deze nieuwe abten werd de status van het gebied behoorlijk verhoogd. Eginhard schonk zeer belangrijke relieken, die van de heiligen Marcellinus en Petrus,  aan het kapittelklooster. Deze relieken zaten in een houder in de vorm van een triomfboog (De Eginhardboog), met daarboven weer een kruis. Hier is helaas slechts een afbeelding van bewaard gebleven, het origineel is verloren gegaan.

einhardsboog fictieve opstelling

einhardsboog-achterkantNa Karel de Grote ontstond er een rommelige tijd. Zijn rijk werd gesplitst, en na nog wat verdelingen werden in 870 bij het verdrag van Meerssen de nieuwe grenzen vastgesteld. Maastricht kwam te liggen op de grens van het Oost- en West-Frankische rijk. Tegelijk was het de enige plek waar je de Maas kon oversteken. Om twee redenen was de plek dus van strategisch belang. Karel van Lotharingen, de heerser over het hertogdom Lotharingen in het Oost-Frankische rijk, wilde meer. Hij ambieerde het koningschap van het West-Frankische rijk (=Frankrijk). Hierin werd hij gesteund door de Oost-Frankische keizer Otto II, en hij belegerde op een gegeven moment Parijs. Maar: hij werd verraden en gedood. In 1001 werd hij herbegraven in de Servaaskerk, waar zijn graf zich nog steeds bevindt. Waarschijnlijk werd door deze herbegraving Maastricht nog eens nadrukkelijk opgeëist als stad die toebehoorde aan het Oost-Frankische rijk.

grafkarelvanlotharingen

Rond het jaar 1000 werd besloten om een nieuwe grotere kerk (de huidige) te bouwen. De volgende twee eeuwen stonden zowel in het teken van de bouw van die kerk ,van de vele uitbreidingen en versieringen als het op gang brengen van de pelgrimage naar het graf van Sint Servaas.  De nieuwe Servaaskerk werd in 1039 ingewijd in aanwezigheid van de Rooms-Duitse keizer Hendrik III en maar liefst 12 bisschoppen. Jocundus, een Noord-Franse dichter, kreeg de opdracht om het levensverhaal van Servaas op te schrijven. In dit in het Latijn geschreven werk kunnen we lezen hoe de heilige Servaas familie is van niemand minder dan Jezus Christus zelf (!) en hoe Karel de Grote op voorspraak van Servatius een belangrijke slag wint. Zo werd de band met Karel de Grote opnieuw aangehaald. Als in de twaalfde eeuw Keizer Frederik Barbarossa Karel de Grote heilig laat verklaren straalt er ook iets van die Heiligheid af op Maastricht.  De datum van de heiligverklaring werd onmiddellijk vanaf die tijd elk jaar ook in de Servaas gevierd. Met behulp van o.a. de machtige raadgever en kanselier van Barbarossa, Christian von Buch, tevens proost van het Servaaskapittel, werd  Maastricht verder in de vaart der volkeren opgestoten.  De kerk werd uitgebreid en versierd en ook werd de Nederlandstalige versie van de Servaaslegende geschreven.  Over die nieuwe aanpassingen in de kerk uit de tweede helft van de twaalfde eeuw plus die van het begin van de dertiende vertel ik later meer.

Het aanzien van Maastricht zal sindsdien nooit meer zo hoog zijn. De twaalfde eeuw is de gouden eeuw voor Maastricht. De stad zelf begon te bloeien, vooral ook door de groei van de pelgrimsstroom. Nog voor in het begin van de dertiende eeuw in Aken een prachtige kist werd gemaakt voor het lichaam van Karel de Grote (de “Karlsschrein”) werd in Maastricht al een prachtige kist gemaakt voor het lichaam van Servatius. Deze “noodkist” werd in processie door de stad gedragen gedurende vele eeuwen, telkens als de stad weer eens in nood verkeerde. Maar zonder de uitstraling van het fenomeen Karel de Grote hadden Maastricht en de Servaaskerk rond 1200 nooit zo’n groot aanzien kunnen hebben.

noodkist02

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

De Servaas van Maastricht en de Wartburg van Eisenach

wartburgWaarvan kent men de Wartburg van Eisenach? Misschien weet men dat dit het beroemde kasteel  was waar de zangwedstrijden van de minnezangers werden gehouden in de middeleeuwen. En misschien weet men ook dat Richard Wagner hier zijn opera Tannhaüser op heeft gebaseerd. Anderen weten misschien dat Luther toen hij vervolgd dreigde te worden daar zijn toevlucht zocht en in het kasteel het nieuwe testament in het Duits vertaalde. Maar weinigen zullen weten dat dit kasteel ook op enkele manieren een relatie heeft met Maastricht.

De eerste relatie is een zeer complexe. Om die te kunnen begrijpen moet je allereerst iets weten over de politieke situatie in een groot deel van Europa in de tweede helft van de twaalfde eeuw. Al een hele tijd was er een machtsstrijd gaande tussen de Rooms-Duitse keizer en de paus. De keizer wilde boven de paus staan. Zoals dat ook in het Oost-Romeinse rijk het geval was: de Byzantijnse keizer stond boven de patriarch. De keizers wilden zich dan wel door de paus laten kronen in Rome, maar tegelijk wilden ze zelf het recht hebben om bisschoppen te mogen benoemen. Nu steeds meer feodale heren als hertogen en graven erg machtig begonnen te worden was het voor de keizer belangrijk om in bepaalde gebieden een verzekerde macht te kunnen blijven uitoefenen. Daarvoor leenden zich de talrijke prinsbisdommen: bisdommen waar de geestelijk heer, de bisschop, tegelijk ook wereldlijk heer was. De keizer wilde hen benoemen.

Frederik Barbarossa wilde daarom voor eens en altijd de macht van de pausen reduceren. Met een groot leger viel hij Italië binnen. Opperbevelhebber was Christian von Buch, aartsbisschop van Mainz en tevens rijkskanselier en de belangrijkste raadgever van de keizer. Deze prinsbisschop kwam oorspronkelijk uit Thüringen. En deze Christian von Buch was tevens de proost van het Servaaskapittel van Maastricht! Hij nam met zijn leger (veel Brabanders!) Rome in, de paus werd verjaagd, een nieuwe paus  werd aangesteld en zowel de paus als het stadsbestuur erkenden het volledige gezag van de keizer. De triomf van de rijkskanselier was volledig. Het Servaaskapittel was rijksonmiddellijk, viel dus direct onder de keizer. Christian von Buch besloot om de kerk verder uit te bouwen en te versieren. Onder zijn bewind werden de Romaanse kapitelen van het westwerk vervaardigd en kwam ook de keizerzaal tot stand. Ook werd er een symbolisch dubbel-reliëf in steen uitgehouwen. Dat werd geplaatst voor het altaar in het westen van de kerk, het keizerlijke, wereldse deel van de kerk. Toen de beeldhouwers klaar waren met hun imposante werk werden ze, waarschijnlijk ook op advies van diezelfde Christian von Buch, naar Thüringen gestuurd om daar het paleis op de Wartburg en de bijbehorende kapel te decoreren.

kapiteelwartburgHiernaast een door de Maastrichtse beeldhouwers versierd kapiteel in de Wartburg

Daarna togen ze nog naar de stad Eisenach zelf, vlakbij de Wartburg, waar net de Georgenkirche gereed was gekomen. Ook deze kerk hebben ze van kapitelen voorzien in dezelfde stijl zoals we die nu ook nog in de Servaas van Maastricht kunnen zien. Na deze klus gingen ze waarschijnlijk weer terug naar Maastricht waar ze nog wat aanvullende werkzaamheden in de Servaas en O.L.V. kerk verrichtten. Christian von Buch maakte naam, en via hem ook keizer Barbarossa.

Dit alles is komen vast te staan door bestudering van allerlei bronnen en vergelijking van de beeldhouwwerken. (Zie met name: Basiliek St. Servaas Maastricht. Aart J.J. Mekking. De Walburg Pers,Zutphen. ISBN 906011.339.X. 1986 Clavis stichting Publicaties Middeleeuwse kunst, Utrecht. Bijdragen tot de kennis van de symboliek en de geschiedenis van de bouwdelen en de bouwsculptuur tot ca 1200. ) Waarom was Maastricht zo belangrijk voor de keizer? Daarover vertel ik in een volgend blog meer.

van-veldeke-aeneisEr is nog iets. Ook weer in dezelfde tijd, de tweede helft van de twaalfde eeuw, kreeg  Henric van Veldeken de opdracht om de Servaaslegende op rijm te zetten. Het allereerste proza in het Nederlands, meer dan duizend verzen. Dit nog voor de Nederlandstalige werken die later van Maerlant zou schrijven. Van Veldeken vertrok nadien naar Duitstalige gebieden. Hij kon zoals bleek ook in het Duits gedichten schrijven. Behalve minneliederen schreef hij een Duitse versie van de Aeneïs, het  liefdesverhaal van Dido en Aeneas van Vergilius, waar later de Engelse componist Purcell zijn beroemd geworden opera op baseerde. Maar nu komt het: De Aeneïs, waar Van  Veldeken het meest bekend door zou worden, schreef hij in de Wartburg in Eisenach! De Duitsers noemen tegenwoordig “Heinrich von Veldeke” de eerste “minnesanger”, hét voorbeeld voor latere troubadours als Oskar von Wolkenstein. Hierboven een afbeelding uit De Aeneïs van Heinrich von Veldeken. In de verzen van deze dichter staat het romantische liefdesleven centraal zoals je kunt zien. Hij was al bijna een renaissance-dichter. Maar zijn loopbaan was begonnen in Maastricht. Daar staat terecht zijn standbeeld.

veldeke-stanbeeld

Geplaatst in Geschiedenis, kunst, taal | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

Wildemannen

tapisserie-strassbourg-1420Veel mensen kennen het beroemde tapijt van Bayeux. Dat is gemaakt in 1068 en toont de slag bij Hastings, waarbij Willem de Veroveraar vanuit  Normandië Engeland binnen viel. Als je bovenstaand tapijt bekijkt dat zo’n 350 jaar later is gemaakt denk je in eerste instantie dat er ook zo iets is afgebeeld. Het hangt tegenwoordig in het museum voor toegepaste kunst (MAK) in Wenen. Waar het tapijt van Bayeux maar liefst 70 meter breed is gaat het hier om een fragment van een tapijt van 2,5 meter breed. Hoe groot het origineel is geweest is niet bekend. Het tapijt is afkomstig uit Strassbourg. In 1420 was dat een stad die sterk in opkomst was. De bouw van de gotische kathedraal was in 1179 begonnen en werd in 1439 afgerond. Inmiddels hadden zich talloze kunstenaars in de stad gevestigd.

Er op staat een merkwaardige afbeelding, het blijkt geen historische afbeelding te zijn zoals we zien in Bayeux. Het tapijt heeft in Wenen de naam: Gastmahl der Wilden Leute und Erstürmung der Minneburg gekregen. Het object kwam ter sprake bij een les over de internationale gotiek bij de cursus middeleeuwse kunst en cultuur die ik op dit moment volg. “Wilde Leute”, of “wildemannen” werden in die tijd vaker afgebeeld. Oorspronkelijk hadden ze een uiterst negatief imago, ze werden gezien als een soort struikrovers die in het wild woonden en die er uit zagen als behaarde beesten zonder kleren. Steeds meer werd dat beeld van de wildemannen positiever, het waren mensen die nog dicht bij de natuur stonden, net als kluizenaars. Zo werd ook Maria Magdalena als een “wildevrouw” uitgebeeld met allemaal haren over haar hele lichaam. Dit naar aanleiding van de legende dat ze de laatste dertig jaar van haar leven in een woestijn in Frankrijk geleefd zou hebben.

De wildemannen op dit tapijt hebben niet duidelijk haren van top tot teen, maar ze hebben een soort gestreept pak aan, dat dan wel loopt van hun nek tot aan hun blote voeten. Het zijn geen wildemannen, ze hebben zich verkleed als wildeman. En ze hebben zich ook verkleed als hoogstaande edellieden. Op een draak zit een koning. Daar achter zien we nog enkele draakachtige beesten en een leeuw. In hun handen dragen de zogenaamde wildemannen wapentuig dat ze zo uit het bos hebben gehaald, takkenbossen met bloemen er aan. Ook op de punt van een lans zit een bloem.

Ze stormen op een burcht af waar ze worden opgewacht door ook weer wilde edellieden die hen verwelkomen met: ook al weer bloemen. Op twee banderollen kunnen we (gedeeltelijk) lezen wat de twee vechtende partijen elkaar te melden hebben. Het lijkt alsof de afbeelding een soort parodie op het hoofse leven is. In hoofse kringen werd er vooral ook met woorden gevochten, met gedichten en men maakte elkaar het hof op een elegante manier. Op het linker deel zien we iets van dat ze van “dat ze van plan zijn buit te gaan halen” (but gewin). Op het rechter zien we “dat de burcht goed beschermd is” (wol behut)

tapisserie-strassbourg-1420-detail1

tapisserie-strassbourg-1420-detail3Behalve de ruiters op hun draken en leeuw ziet ook het struikgewas beneden in beeld er merkwaardig uit. Je ziet meerdere dieren, een wolf, vos, konijn, een grote vogel, een eekhoorn. Gedeeltelijk half verstopt maar ze lijken er meer opgeplakt dan dat er iets realistisch van uit gaat. Een soort kinderlijke weergave.

tapisserie-strassbourg-1420-detail2De ophaalbrug bij het kasteel is omhoog getrokken en je ziet vissen zwemmen in de gracht. Ook weer heerlijk kinderlijk.

tapisserie-strassbourg-1420-detail4In de tent links wordt gegeten en enkele dienaren trekken nog aan een touw om de tent overeind te houden. Links van die tent zie je nog een gedeelte van een andere burcht met daaromheen eveneens een gracht. De burcht heeft de naam: “In Rosenblut(?)” (Rozenbloesem?) Hier lijkt het er vreedzaam aan toe te gaan. Je ziet een soort prinses met in haar hand een waaier. Boven op de burcht staat een speelman met een blaasinstrument.

Het geheel moet wellicht een soort toernooi voorstellen.

Koningen en ridders gaan mekaar zogenaamd als gekken te lijf, verkleed dus als wildemannen, gezeten op een draak of een ander wild beest. De hele wereld lijkt trouwens wel een gekkenhuis. Maar uiteindelijk moet je om alles lachen, de heren imponeren elkaar slechts met takken en met bloemen. Het is gewoon onderdeel van een hoofse klucht. Zoals het  spel dat in Maastricht in de Maas werd opgevoerd waarschijnlijk al vanaf de middeleeuwen en waarvan we een verslag hebben uit 1717

Zo kun je lekker fantaseren over het hoofse leven bij een feest aan een hof. De heren en dames namen het er goed van en voor hen werd een toneelstukje opgevoerd. Met onschuldige wildemannen.

Vannacht heeft Trump raketten afgeschoten op een vliegveld in Syrië. Zou ik dat ook maar als een klucht kunnen beschouwen. Het gaat hier niet om lansen met een bloem aan de punt. Voor Trump lijkt het misschien nog een spel. Maar ik ben bang dat dit spelletje in tegenstelling tot het tafereel op het tapijt nog een zeer vervelend staartje gaat krijgen. Hoofse omgangsvormen zijn ver te zoeken bij de hedendaagse wildemannen.

Geplaatst in filosofie, Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Voorjaarssalade

voorjaarssaladeHet is weer de ideale tijd om in de keuken met ingrediënten uit de natuur te werken. Zo heb ik de vorige week een heerlijke brandnetelsoep gemaakt. Vandaag liep ik door ons natuurgebiedje vlak bij ons huis en zag heel veel paardenbloemen en veldkers. De veldkers is trouwens alweer bijna aan het einde dus: nu of nooit. Ik plukte van allebei een handvol. De blaadjes van de paardenbloemen zijn erg bitter maar schijnen heel gezond te zijn. Paarden zijn er dol op. Ik beperkte me tot twee blaadjes. Van de veldkers plukte ik meer, eigenlijk kun je de hele plant eten, blaadjes, stengel en bloempjes. Het lekkerste zijn de blaadjes. Ze smaken als tuinkers maar nog iets sterker. Af en toe snoep ik gewoon ook wat als ik in de natuur ben.

Thuisgekomen ging ik meteen een salade maken. Ik werk altijd erg impulsief en gebruik dingen die ik meestal op het moment zelf verzin. Onze koelkast bevat altijd veel groenten. Je kunt veel lang bewaren, als je het maar op de goede manier doet. Nooit iets in plastic bewaren, dan bederft het snel. Als ik de boodschappen inruim dan haal ik dus gelijk overal het plastic vanaf. Ook melk, karnemelk e.d. kun je vrij lang bewaren, als je maar zorgt dat het dopje er niet op zit. Als een fles lang gesloten is dan gaat alles snel gisten. Dat zelfde geldt voor jam. Ik hoef vrijwel nooit iets weg te gooien en heb toch altijd veel keus.

Hoe gaat dat als ik ga koken? Zoals gezegd heel impulsief. Mijn vrouw zegt altijd dat ik af en toe in de spiegel moet kijken. Dat had ik nu ook moeten doen, de hele dag zat mijn trui al half in mijn broek. Tja, dat schijnt bij mij te horen…

Ik ging aan de slag en het hele proces waar ik van te voren nauwelijks over had nagedacht heb ik gefilmd. Na vier en een halve minuut was de salade klaar. Heerlijk, zei mijn vrouw, en dat vond ik zelf ook.

Geplaatst in natuur, recepten | Tags: , , , , | 2 reacties

De jongste dag

Drie dagen geleden is mijn schoonvader begraven. Hij was een buitengewoon godvruchtig persoon met een rotsvast geloof. Toch waardeerde ik hem vooral in zijn dagelijkse uitingen. Eenvoud, soberheid, vriendelijkheid, begaan met het lot van iedereen en zorg voor natuur en milieu. Vooral ook in zijn eigen omgeving. Hoewel hij van reizen en lezen hield was zijn wereld vrij besloten. Lezen was vooral het lezen van de bijbel of andere godsdienstige boeken en hij las uitsluitend een Christelijke krant. Reizen: liefst naar plekken waar de mogelijkheid was om een dienst bij te wonen die aansloot bij hoe hij dat gewend was. De grote onoverzichtelijke wereld was daardoor wat overzichtelijker. Als emeritus predikant was hij tot voor enkele jaren geleden ook nog zielzorger van gemeenteleden: hij bezocht zieken, zong aan hun ziekbed psalmen en sprak bemoedigende woorden. In de geest van hem deden wij dat nu voor hem. Hij kon nauwelijks meer spreken en zijn ogen waren meest gesloten, maar je merkte dat het wel binnen kwam. Ondanks zijn leeftijd, 98 jaar, was zijn doodsstrijd nog langer dan verwacht.
Het omgaan met de dood is voor ons een veel minder vanzelfsprekend verschijnsel dan dat het honderd jaar geleden of nog langer geleden was. Mensen troosten, zieken en stervenden, gebeurde binnen een Lutherse of Gereformeerde gemeente in de achttiende eeuw zeker wekelijks. Al de kerkcantates van Bach doen bijna niet anders: voortdurend proberen ze tot troost te zijn.
Vanochtend luisterde ik naar cantate BWV 161: “Komm du schöne Todesstunde”, in een uitvoering van het Monteverdi Choir met the English Baroque soloists onder leiding van Sir John Eliot Gardener. De opname is gemaakt in 2000 in Santiago de Compostella. zie ook http://www.monteverdi.co.uk/shop
De cantate is geschreven voor de zestiende zondag na Pinksteren, als in het evangelie de opwekking van de doden op de jongste dag centraal staat. De strekking is vooral: het hebben van de wil tot sterven, het hebben van de wil om naar de hemel te gaan. Bach schreef deze cantate al in Weimar en hij behoort daarmee tot zijn eerste cantatecyclus. Het mooiste deel vind ik het recitatief van de tenor met als tekst van Salomo Franck:

Welt, deine Lust ist Last, dein Zucker ist mir als ein Gift verhasst, dein Freudenlicht ist mein Komete, und wo man deine Rosen bricht, sind Dornen ohne Zahl zu meiner Seele Qual. Der blasse Tod ist meine Morgenröte, mit solcher geht mir auf die Sonne der Herrlichkeit und Himmelswonne. Drum seufz ich recht von Herzensgrunde nur nach der letzten Todesstunde. Ich habe Lust, bei Christo bald zu weiden, ich habe Lust, von dieser Welt zu scheiden.

Salomo Franck werkte net als Bach aan het hof van de hertog van Weimar en leverde de tekst van bijna alle cantates van Bach uit zijn tijd in Weimar. In dit recitatief horen we mooie retorische tegenstellingen: lust-last, suiker-vergif, vreugdelicht-komeet (een komeet werd in die tijd gezien als een onheilsbrenger), niet de bloemen van de roos, maar zijn doornen. De laatste zinnen luiden: Uit de grond van mijn hart verlang ik naar de dood, ik wil heel graag naar de weilanden van Christus en deze wereld achter me laten (scheiden van). Dat “scheiden” wordt uitgebeeld in de muziek die naar beneden gaat en stil valt.

Bijzonder vind ik ook het slotkoraal:

Der Leib zwar in der Erden von Würmern wird verzehrt, doch auferweckt soll werden, durch Christum schön verklärt, wird leuchten als die Sonne und leben ohne Not in himml’scher Freud und Wonne. Was schadt mir denn der Tod?

Deze tekst van Christoph Knoll vertelt: als het lichaam van een dode weer wordt opgewekt zal het licht geven als de zon en zal het zonder nood in zijn hemelse vreugde en gelukzaligheid zijn, ook al is het in een eerder stadium in de aarde door wormen verteerd.
Het eenvoudige koraal met een melodie die sterk lijkt op de melodie ”O Haupt voll Blut und Wünde” wordt versierd door een blokfluit die voor mij uitbeeldt hoe de dode meegevoerd wordt naar de hemel, helemaal omsloten en beschermd. Ik vind deze cantate buitengewoon goed passen bij hoe ik denk maar vooral ook wens dat mijn schoonvader zijn laatste uren heeft doorgebracht.

Geplaatst in filosofie | Tags: , , , , | 3 reacties

In het hart van de renaissance

In Rijksmuseum Twente is nog tot in juni de tentoonstelling “In het hart van de renaissance” te zien. Centraal staan een aantal Italiaanse kunstenaars, enkele met klinkende namen als Rafaël, Titiaan, Tintoretto, Bellini.

De insteek van de tentoonstelling is:  wat betekent renaissance eigenlijk. En hoe kunnen we dat via de bij elkaar gebrachte schilderijen zien. Ik heb zelf op een iets andere manier gekeken. Ik heb geprobeerd bij enkele schilderijen een context te vinden die voor mij prikkelend was. Zo heb je een aantal schilderijen met een liturgisch onderwerp. Meestal gaat het dan om onvolledige altaarstukken, die om welke reden dan ook ooit uit elkaar gehaald zijn. Jammer. Je mist dan vaak interessante achtergrondgegevens. Bijv. een dedicatie van burgerlijke opdrachtgevers kan dan ontbreken. Maar ook het grotere liturgische programma is dan onbekend. Ik vind het nog steeds erg jammer dat er zo weinig altaarstukken in de wereld compleet zijn en ook zelden in hun natuurlijke context, een kerk dus, te zien zijn. Prachtige uitzonderingen zijn de altaarstukken in de Nicolaikirche van Kalkar. En op dit moment is er ook een tentoonstelling in de O.L.V. kathedraal in Antwerpen, waar ik twee keer geweest ben. Nog tot ergens in het najaar zijn daar een vrij groot aantal oorspronkelijke gilde-altaarstukken te zien, geleend uit musea. Zeer de moeit waard!

Maar ik dwaal af. In Enschede werd ik getroffen door een aantal schilderijen waar Maria op centraal stond, vaak ook Maria met kind. Over vijf van die schilderijen wil ik op mijn eigen manier iets vertellen.

Het oudste van deze vijf voorstellingen is een Maria met kind van Bellini uit 1470. Bellini, een uitgesproken Venetiaanse schilder, staat bekend om zijn kleurgebruik. Ik heb prachtige dingen van hem gezien in Venetië. Maar ook het schilderij dat ik nu bespreek vind ik erg mooi.

bellini 1470

Heel ingetogen bidt Maria bij de baby, Jezus. Deze ligt met één hand op zijn buik, de andere ligt op zijn borst. Hij slaapt maar heeft toch al een ernstige blik, alsof hij zich bewust is van wat hem nog te wachten staat. Ook Maria kijkt niet blij. Juist die ingehouden blik, die lijkt aan te geven dat ze allebei zorgen hebben, vindt ik ontroerend. Het ligt er niet dik boven op maar het ís er wel, daardoor is het er juist des te sterker. De blauwe lucht gaat via witte wolken over in het witte kussen waar Jezus op ligt. Het rood van de mantel van Maria vormt een mooi contrast. Maria is dicht bij het kindje maar houdt hem niet vast. Zij bidt voor hem. Ook Jezus is vlak bij zijn moeder maar ligt daar tegelijk eenzaam en al een beetje gekweld. Een prachtig verlaten en toch intiem moment!

Dan hangt er ook een klein schilderij van Rafaël. Het schijnt te stammen uit een groter geheel dat bij een aardbeving verloren is gegaan.  Het schilderij van Bellini was uit 1470, dit schilderij stamt uit 1502.

rafael 1502

Hoe anders is de blik van Maria hier! Ze glimlacht naar Jezus, en ook Jezus kijkt hier een stuk vrolijker. Jezus zit in zijn blootje op een kussen en houdt een anjer vast, die hem door zijn moeder is aangereikt. In de andere hand heeft zij er nog een. Maria heeft haar rossige haar opgebonden en daaromheen zie je een doorzichtige, uiterst fijne sluier, waarvan een uiteinde over haar schouder dwarrelt. Haar kleren zijn veel natuurlijker dan de kleren die Bellini Maria liet dragen, daar is bijvoorbeeld  haar cape meer gestileerd. Ze draagt nu geen duidelijke hoofdbedekking, afgezien dan van die bijna onzichtbare sluier. Maria is niet buiten, maar bevindt zich in een eenvoudige woning. Door het raam zien we een kasteel. Een mooi, liefdevol, perfect geschilderd dubbelportret.

lotto1522

In 1522 schildert Lotto dit deel van een altaarstuk. Behalve moeder en kind zien we links Johannes de doper, herkenbaar aan zijn half blote lijf en de kleren van een kluizenaar, maar vooral ook aan zijn herdersstaf en de wimpel met daarop de tekst “agnus dei”, lam gods. Deze woorden zou hij volgens de bijbel uitgesproken hebben toen hij Jezus aanwees: ‘zie het lam gods’. Rechts zien we de heilige Catharina van Alexandrië. Een van de meest geliefde heiligen, vaak bij Maria afgebeeld, herkenbaar door vooral het attribuut, het rad, waarop zij is gemarteld. Om haar hoofd draagt zij een bloemenkrans. Onduidelijk is voor mij om welke bloemen het gaat. De soort vertakking doet denken aan een soort haagwinde of aan penningkruid, maar zowel de bloemkleur (als van cichorei), de vorm en ook de bladvorm kloppen niet. Catharina was wijs en ook nog eens ongelooflijk mooi en is als maagd gestorven. Maar kijk eens wat bijzonder: een eekhoorntje dat samen met Catharina naar Jezus kijkt. Een eekhoorn kan vliegensvlug vanaf de grond naar de hoogste top van een boom snellen. Die eigenschap maakt het tot een dier dat staat voor een wezen dat mensen begeleidt van de aarde naar de hemel, en dus een begeleider is van de dood. Jezus houdt zich aan Maria vast en staat op een klein doodskistje. Ik denk dat deze eekhoorn de toeschouwer wijst op de vergankelijkheid van het leven. Ik ben dit symbool naar mijn weten nog nooit ergens anders bij een liturgische afbeelding tegen gekomen. Het doodskistje staat natuurlijk gelijk al voor de smartelijke dood van Jezus in de toekomst. Jezus en Maria houden elkaar liefdevol vast. Jezus kijkt in de verte, maar zowel Maria als Johannes de doper richten zich tot ons, ze kijken ons aan. Ze geven aan dat zij bereid zijn om als een bemiddelaar te fungeren tussen ons en God. Een mooi schilderij vol symboliek.

lottodetail 1530

Bovenstaand schilderij, eveneens van Lotto, is een detail van een groter schilderij waarop de aanbidding van de herders wordt uitgebeeld. Ik heb dit detail er uitgelicht omdat ik nog nooit eerder heb gezien hoe de net geboren Jezus zit te spelen met een lam. Jezus ziet daar feitelijk zich zelf, het onschuldige lam, het symbool van zijn onschuldige offerdood. Hij kijkt het lam aan, pakt het bij zijn kop en het lam kijkt terug. Beiden zien een spiegelbeeld van de toekomst.

savoldo 1538

Het laatste schilderij waar ik iets over wil vertellen is een afbeelding met de annunciatie, geschilderd door de kunstenaar Savoldo in 1538. God de Vader stuurt vanuit de hemel de Heilige Geest in de vorm van een duif richting Maria, terwijl de engel Gabriël haar komt vertellen dat ze zwanger zal worden van een kind. Maria wordt gestoord in haar gebed als ze de engel plotseling gewaar wordt.  Ze heeft één hand op haar buik, daar komt straks het kindje Jezus te zitten. Met haar andere hand maakt ze een zegenend gebaar, alsof ze het toekomstige kindje nu al alle goeds toe wenst. De engel heeft een bloem in zijn  hand die je vaker op dit soort afbeeldingen ziet. Het is een bloem met zeven kroonblaadjes. Het zou de dryas octopetala kunnen zijn, tegenwoordig een beschermde plant uit Zuid-Europa. Het gaat dan om een witte roos, en daarmee zien we hoe Gabriël zowel onschuld, reinheid als kuisheid schenkt aan Maria. Wat een prachtige doorzichtige vleugels heeft de engel trouwens! Hij gaat nederig op een knie zitten, wetende hoe belangrijk Maria is en nog gaat worden, als de moeder van de zoon Gods. De plek waar dit alles plaats vindt is een soort tempel, en we zien een vlammetje. Het vlammetje komt uit een soort olievaatje, zodat we een godslampje zien, een lampje dat altijd moet blijven branden. De schitterende engel en ook Maria steken sterk af tegen de donkere achtergrond. Mooi!

Naast de schilderijen die ik net besprak zijn er ook veel afbeeldingen te zien van burgerlijke personen, echte portretten. Meestal staand of zittend. Met kunstige dure kleren aan. Mooi geschilderd, vooral ook de lichtval die de kleur van de plooien overal een beetje anders maakt. De renaissance is de tijd dat de mens centraal komt te staan en dat spat er van af. Maar vooral gaat het in die tijd, zeker in Italië, om de geïdealiseerde mens. Behalve bij helle-voorstellingen zijn al deze mensen mooi, mooi van bouw en proporties. En dat mooie zie je ook aan de perfecte manier van schilderen. Het vak wordt beheerst. Maar het echte drama is nog nergens aanwezig. Dat gaan we pas in de barok zien. Wel dus de beheerste, verborgen dramatiek en als die je raakt dan kom je denk ik in het hart van de renaissance.

Geplaatst in kunst, recensie | Tags: , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Onaangenaam klassiek

Op radio 4 klinkt elke ochtend het programma “de Klassieken”. Klassieke muziek, met luchtige tussendoortjes en spelletjes. Welke muziek hoor je daar? Aangenaam klassiek. Ook moderne muziek, bijv. de muziek van Arvo Pärt. Dan wel niet zijn vroege muziek, nee vooral de enigszins mystiek aandoende latere muziek, altijd consonant en welluidend. De klassieken draait deze muziek juist omdat hij welluidend is. Deze muziek schrikt niet af, de mensen gaan niet snel naar een andere zender. Je kunt intussen rustig converseren of wat anders doen. Wat kunnen we van muziek uit de twintigste eeuw verwachten bij dit radioprogramma? Vooral Franse muziek van Ravel, Poulenc of Satie. Die gaat er in als koek. Je hoeft je als luisteraar weinig in te spannen. Kenmerkend voor veel van die muziek is dat het muziek zonder een verhaal is. Muziek die vaak gebaseerd is op een leuk wijsje, op een dansje, het is vooral ook muziek met een aangenaam sfeertje, het is mooie en mooi geïnstrumenteerde of geörkestreerde muziek. Deze muziek is echt “aangenaam klassiek”. Bij “De klassieken” hoef je meestal trouwens niet echt naar muziek te luisteren. Je hoort gewoon muziek. Het is een programma dat er voor zorgt dat muziek als een reukverfrisser de ruimte binnen komt. Deze muziek mag niet te nadrukkelijk zijn. De muziek moet passen bij de kleuren van het bankstel en het goed doen bij de gordijnen.

Welke muziek is aangenaam klassiek? Barokmuziek! Die was daar ook voor bedoeld. Lekker samen spelen, het gaat nergens over, dat is vaak gewoon gezellige tafelmuziek. Of de salonmuziek van de vorige eeuw: veel muziek van Chopin, Mendelssohn, Schubert en Schumann is eveneens uitermate geschikt als een verdovend, aangenaam geluidsdecor. Bij de Weense klassieken van rond 1800 zijn Haydn en Mozart bijzonder favoriet. Veel van de muziek van Mozart is geschikt om tot rust te komen of om de baby te laten ophouden met huilen.

Een ander verhaal is de muziek van Beethoven. Mijn moeder snapte niets van die muziek en vond hem al snel te hard of te dissonant. Geen goede achtergrondmuziek dus. Ik heb een conservatoriumdocent gehad die zei: ‘je kunt aan zijn muziek goed horen dat Beethoven doof was. Als hij die muziek zelf gehoord zou hebben was hij zich rot geschrokken.’ Beethoven hoor je dus veel minder op Radio 4. Veel van de muziek van Beethoven is “onaangenaam klassiek”.

Wat wilde Beethoven hier in godsnaam mee, wat is eigenlijk de ziel van die man? Beethoven is een van de eerste componisten die probeerde via instrumentale muziek een verhaal te vertellen. En dan bedoel ik niet composities als de “ouvertüre Egmond” waar je de bijl hoort vallen op de grote markt van Brussel. Ook bedoel ik niet de “pastorale symfonie” waar een onweer wordt uitgebeeld in klank. Ik bedoel de stukken waar Beethoven een boeiend samenhangend verhaal probeert te vertellen, zonder dat je je daar een concrete voorstelling van hoeft te maken. Hij doet dat al bij zijn eerste pianosonates die hij schreef toen hij nog niet zo lang in Wenen was. Maar de verhalen worden steeds interessanter. De prachtigste verhalen klinken in zijn latere pianosonates, de laatste cellosonates en vooral in de laatste zes strijkkwartetten. Ongeschikte muziek om het servies goed bij tot zijn recht te laten komen. Deze muziek dwingt je om óf de radio uit te zetten óf om hem juist harder te zetten, en vervolgens het verhaal met al je geopende zintuigen tot je te nemen. Het is muziek waarbij je kwaad wordt als in de concertzaal mensen al beginnen te klappen bij het nog uitsterven van het laatste akkoord. Je moet ademloos in je stoel zitten en na afloop bijna net zo uitgeput zijn als de geconcentreerde spelers. Luisteren naar muziek wordt een sport.

Zou ik mijn moeder nog hebben kunnen uitleggen wat de muziek van Beethoven, zelfs nu nog in deze tijd, zo (in mijn ogen) “goed” maakt? Ik weet het niet. Je moet om te beginnen willen luisteren naar een verhaal. Je geesteshouding moet niet zijn: “mooie muziek”. De muziek is gewoonweg niet mooi. Maar de muziek is wel zó ontzettend goed… Luister je naar het eerste fugathema van de “Grosse Fuge” op. 133 dan zal je als je niet de goede luisterhouding hebt zo snel als je kunt weg willen lopen.

Als je er nu nog bent en het hele fragment hebt afgeluisterd dan heb je denk ik de juiste luisterhouding. Beethoven speelde naast piano ook altviool. Hij wist heel goed hoe hij voor strijkers moest schrijven. Hij wist dus ook dat dit stuk niet mooi was, dat het niet aangenaam zou klinken, maar hij wilde dat de strijkers op het puntje van hun stoel met alle kracht in hun lijf dit thema, met het tegelijkertijd klinkende tegenthema, lieten horen en van het ene hoogtepunt naar het volgende hoogte- of dieptepunt zouden voeren. Beethoven schreeuwt het uit!

Dat brengt me bij het verhaal van dit stuk. Het heet: “Grosse Fuge”, oftewel, “Grote fuga”. Over de fuga schreef Beethoven eens: ‘een fuga schrijven kan iedereen. In mijn studententijd heb ik er dozijnen geschreven. Maar in een fuga ook nog gevoel leggen, dat kunnen niet veel mensen.’ En niet alleen gevoel moet er in liggen. Beethoven spot met alle conventies rond het begrip fuga. Een fuga is opgebouwd rond een thema, dat afwisselend wordt overgenomen door andere partijen. Een fuga begint zo eenstemmig, dan wordt hij tweestemmig enz. Zo’n blok met inzetten waar het thema voortdurend ergens aanwezig is heet een “doorvoering”. Doorvoeringen worden vaak onderbroken door zogenaamde divertimenti, sequens-achtige passages waar het thema niet aanwezig is.

Tot zover de conventie. Wat doet Beethoven? Hij besluit een uiterst simpel thema te laten contrasteren met een aantal andere thema’s, waardoor je telkens een zogenaamde dubbelfuga krijgt. Hieronder de vier thema’s.

themas-op133

In de inleiding introduceert hij het eenvoudige hoofdthema en het lyrische derde thema dat pas later opduikt.

Na deze inleiding volgt onmiddellijk de eerste dubbelfuga met thema 1 en 2, zoals we die net gehoord hebben.

Vervolgens horen we even thema 3 (al in de inleiding voorgesteld) en even later klinkt daar het hoofdthema 1 tegenaan.

Als deze twee thema’s stevig van alle kanten bekeken zijn komt er een totaal nieuw deel, een soort scherzo, dat even later gaat fungeren als thema 4 waarna Beethoven er alweer het hoofdthema 1 tegenover plaatst. Ook nu weer voert hij de muziek op tot een nieuw hoogtepunt.

Na dit alles volgt er een coda. Hierin lijkt het scherzothema 4 terug te keren, maar nu zonder de spannende confrontatie met thema 1. Pas op het einde van dit deel, nu niet als hoogtepunt maar als rustige afsluiting, het hoofdthema 1 er doorheen met pizzicato noten.

We zijn er nog niet. Het stuk is begonnen met een introductie van twee thema’s. Het lijkt of hij nu ook deze introductie gaat herhalen, waarin even later ook nog thema 2 terugkeert en na een kort hoogtepunt volgt een vrij eenvoudige slotzin met een krachtig einde.

Eigenlijk hebben we te maken met een redevoering. Met een spannend verhaal, waarin je overtuigd moet worden als luisteraar. Beethoven spreekt tot ons. Wat zegt hij?

  1. Hier ben ik! Dít is mijn statement. Geen speld tussen te krijgen. Alhoewel? Ik zeg het jullie nog een keer, maar nu een stuk zachter en vriendelijker. En ik stel er iets anders, iets lyrisch tegenover.
    (De luisteraar wordt nieuwsgierig gemaakt. In de retoriek heet dit een “narratio”. Omdat tegelijk het onderwerp (met twee van de thema’s, thema 1 en 3) wordt geïntroduceerd zou je het ook als titel van de redevoering kunnen bestempelen.)
  2. Ik ga het jullie uitleggen. Ik heb drie dingen te vertellen.
    (Er volgen maar liefst drie argumentatio’s, al dan niet voorafgegaan door het voorstellen van een standpunt. Argumentatio is in de leer van de retorica: de stellingen van een redevoering worden beargumenteerd)

    1. Om te beginnen dit. Wat ik jullie allereerst vertel, dat is niet niks. Ik ben er vast van overtuigd dat het zo is. Dit móet je horen. Het gaat mij en hopelijk ook jullie echt door merg en been. En ik blijf doorgaan, of je het wil of niet, totdat je het echt begrijpt.
      (De eerste argumentatio, het uitwerken van een of meer standpunten, is bijzonder fel: we worden meegesleept in duizelingwekkende vaart met het hoofdthema en het tegenthema tot er geen speld meer tussen te krijgen is.)
    2. Van de andere kant. Laten we het eens rustig van een andere kant bekijken. Alhoewel. Als het er op aan komt, in combinatie met wat ik hier voor zei, kan ik toch niet echt stil blijven!
      (De tweede argumentatio stelt om te beginnen een ander thema aan de orde, het rustige en lyrische thema 3, gaat dit ook van alle kanten bekijken en confrontreren met thema 1)
    3. Begrijpen jullie het al een beetje. Kom aan. Er zit ook een vrolijke kant aan het verhaal. Dat ga ik je nu vertellen. Zo is het dus. Maar vergeet niet wat ik eerder zei. Uiteindelijk keren we toch weer terug naar de essentie.
      (De derde argumentatio stelt opeens een heel ander thema aan de orde, thema 4, en ook nu volgt er weer een doorkauwen van dat thema en daarna nog een confrontatie met thema 1.)
  3. Ik heb het voornaamste verteld.
    (Na dit alles komen er 2 samenvattingen, maar die af en toe toch weer in overdonderende oprispingen ontaarden. )

    1. Ik blijf er bij dat er een vrolijke kan aan het verhaal zit.
      (De eerste samenvatting houdt zich met thema 4 bezig.)
    2. Maar, let op, ik som nog een keer de hoofdzaken op. Begrijp je ze? En vergeet niet: uiteindelijk moet er wel naar gehandeld worden potverdorie!
      (De laatste samenvatting begint weer met de punten van het begin, thema 1 en 3, en sluit dan af met een wervelend slot waarin vooral thema 2 een rol speelt. )

Luister en kijk naar het Alban Berg kwartet, waar ook alle eerdere fragmenten door gespeeld werden.

Ook de sonatevorm van Beethoven, waarin meestal het eerste deel van een instrumentaal stuk in is geschreven, kun je vaak als een soort redevoering beschouwen. Wil je er meer over weten? Kijk op https://www.ppsimons.nl/sonatevorm-beethoven

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , , | 2 reacties