Eenvoud in de Muziek (2)

Ooit had ik een student die Mozart verschrikkelijk vond om naar te luisteren, ‘zó voorspelbaar’ vond hij. Voorspelbaar? Dan denk ik zelf eerder aan veel barokcomponisten. Maar hij heeft in zoverre een punt: Mozart klinkt meestal heel vanzelfsprekend. Overigens ken ik ook veel werk van hem dat helemaal niet zo vanzelfsprekend klinkt. Wat te zeggen bijvoorbeeld van zijn pianofantasie in C klein? Maar wat we vooral ook bij Mozart zien: hij gebruikt vaak minimale middelen met maximale resultaten. Hoe speelt hij het klaar om het eerste menuet van strijkkwartet K.V. 464 te baseren op slechts twee motieven, zonder dat dat naar mijn idee verveelt?

Hieronder een korte analyse, die interessant is voor degenen die het kunnen volgen. Voor wie dat al snel te ver voert maar die wel noten kan lezen: ga naar het einde van deze column, daar zie je het begin van dit menuet in noten, met kleurtjes in de partituur.

Maar voor de liefhebbers eerst nog enkele details. Als je naar dit menuet luistert hoor je gedurende het hele stuk frases van telkens twee maten, die weer grotere eenheden van 4 maten vormen.

Maat 1-8. In de eerste vier maten horen we motief 1 en zijn sequens:

mozartmotief1a

Er is geen opmaat, het muziekstuk begint gelijk op de tel. Maar toch is er al een zekere differentiatie binnen dat motief. De eerste maat vormt een stralende figuur: lang-kort. De tweede maat vormt een hopfiguur: kort lang. (Waarbij de lange noot genoteerd is als een kwart met kwart rust. Als je hier een halve noot met staccototeken er op zou noteren heb je ook visueel deze hopfiguur). Deze tegenstelling levert in de loop van het stuk mooie mogelijkheden op. Stel dat motief 1 ritmisch gezien  twee keer uit een stralende figuur zou hebben bestaan, dan was het stuk waarschijnlijk al snel erg vervelend geworden:

mozartmotief1b


Motief 1 begint melodisch gezien stijgend en eindigt uiteindelijk een kwart hoger dan de eerste toon, de totaaltendens is dus ondanks het dalende slot: omhoog.

Motief 2 vormt hierop een dalend antwoord. Maar tegelijk zien we nieuwe ritmes. Om te beginnen de drie kwartnoten met staccatotekens erboven, die een aanloop vormen naar de dalende maat die dan komt. Deze dalende maat heeft een enigszins huppelend ritme noor de snelle punctering op de tweede tel. Als je goed luistert is deze tweede maat in de kern ook weer een soort hopfiguur, door de sterke benadrukking van de tweede tel:

mozartmotief2

Na het eerste, brede en elegante motief 1 huppelen we in maat 3 en 4 zo op een grappige manier verder. Een opvallend contrast. Ritmisch hebben we in deze vier maten nu drie tot vier gegevens. De eerste maat begint met een stralende figuur, de tweede maat vormt een hopfiguur, dat wordt allemaal herhaald, in maat 5 zien we drie staccatotonen als aanloop naar tot slot een versierde hopfiguur in maat 6. Deze twee maten worden ook weer herhaald. (7-8)
Zo horen we in de eerste 8 maten ritmisch iets als dit: stra-lend, hóppa, stra-lend hóppa, tak tak tak hóppapepa, tak tak tak hóppapepa.

mozartmotief1+2

Maat 9-15. Na deze acht maten gaat het een en ander veranderen. Het eerste motief keert terug, maar de tweede maat is nu opeens een secunde hoger dan eerst, en nu komt in 11-12 niet een sequens, maar een modulerende variant. Intussen wordt in de altviool en de cello dit eerste motief gecombineerd met het tweede motief. De zetting is daardoor relatief gezien meer complex geworden. Maar we horen over deze twee maten nog steeds een beweging naar het hóppa motief in maat 10 en 12. Tot nu toe dus klinkt dat in alle even maten. Het menuet danst nog steeds heerlijk door! De volgende 4 maten zijn nog een beetje complexer, want nu wordt de zetting polyfoon: we horen nog maar alleen het eerste motief, maar achtereenvolgens door de vier strijkers in een soort canon. Daardoor horen we voor de eerste keer het hop-element en het stralende element van dat motief tegelijkertijd. (zie de partituur onderaan deze column)

Maat 16-28. We zijn in het voorafgaande deel gemoduleerd van A majeur naar E majeur. Deze 12 maten staan in deze nieuwe toonsoort en zijn voornamelijk gebaseerd op motief 2. De altviool spiegelt het dalende motief waardoor er een stijgende variant ontstaat. Samen met de cello vormt deze combinatie een canon ten opzichte van viool 1 en 2 die het originele tweede motief spelen. Deze speciale canon horen we van 16-19. In 20-28 wordt dat idee verder ontwikkeld, waarbij de laatste vier maten feitelijk een klein slotzinnetje vormen. Aardig is hoe in dat slotzinnetje ook ritmisch alles samengevat wordt: 25: 1e viool de staccatonootjes, 26 het versierde hopmotief, 27 het versierde stralende motief met in de tweede viool en de cello tegelijkertijd nogmaals de staccatonootjes, en tot slot: de laatste maat horen we slechts een toon. Voor de eerste keer eindigt er een motief óp de tel . Dat maakt dat het stuk voelt als helemaal afgerond.

Wat zien we dus samenvattend bij dit hele deel?
8 + 8 + 12 maten.

  •  Eerste 8 maten twee motieven van elk vier maten.
  • Middendeel is modulerend, we zien eerst een combinatie van beide motieven en daarna een soort canon met het eerste motief.
  • De laatste 12 maten vormen een enigszins polyfone ontwikkeling, voornamelijk gebaseerd op het tweede motief. Op het einde nog een homofoon slotzinnetje van 4 maten.

Alles is gegroepeerd in kleinere stukjes van twee maten die zich twee aan twee samenvoegen tot weer 4 maten. Dit maakt dat we het hele menuet mee kunnen blijven dansen. Door simpele technieken als combinatie van motieven, canonische effecten en omkeringen van motieven wordt de opbouw verhelderd en blijft die tot het einde interessant, ondanks het feit dat er maar twee motieven een rol spelen, die vrijwel voortdurend samen of alleen aanwezig zijn. Dát is Mozart. Super eenvoudig, maar toch boeiend.

Het hele menuet heeft de vorm A A B A’ B A’. We hebben nu pas het A deel gehoord. Na dit menuet komt nog een tweede menuet, en dan wordt het eerste menuet weer herhaald. Als je wilt proberen de totale vorm ook te volgen van de twee menuetten:

A A B A’B A’  C C D C’D C’   A B A’

Het A deel staat hieronder in noten, motief 1 met rode noten, motief 2 met groene noten.

mozartdeelA

Geplaatst in muziek | Tags: , , | 1 reactie

De Harmonie der Sferen

Pythagoras bestudeerde de lengte van snaren op een lier in relatie met hun toonhoogte. Hij ontdekte dat de verhouding van de lengte van de verschillende snaren zich op een bepaalde manier verhield tot de  hoogte van de tonen die hij hoorde. De lengte van de snaren is omgekeerd evenredig met de frequenties (de trillingsgetallen) van deze snaren. Wat hoorde hij?

toonladder1

Toen kreeg hij een mystieke ingeving, terwijl hij tijdens een nacht naar de sterrenhemel keek. Opeens voelde en hoorde hij de vibraties van alle planeten. Hij hoorde de harmonie der sferen, en die had een relatie met muziek. Dát probeerde hij op te schrijven. (Dit volgens Jamblichus  die de leer van Plato met die van Pythagoras probeerde te verenigen). Zo probeerde Pythagoras de tonen van een toonladder te koppelen aan de toen bekende planeten (waaronder zon en maan). Na hem deden Plato, Cicero en vooral Boethius dat ook. Het hele idee is tot in de 18e eeuw, zelfs nadat Copernicus ontdekt had dat alles om de zon draait, populair gebleven. Al die geleerden kwamen overigens tot iets andere toonladders. Pythagoras had zelfs een toonladder die meer dan vier octaven in beslag nam omdat hij zag hoe de maan in een maand om de aarde draait maar Saturnus er 30 jaar over doet. Zijn navolgers gingen op dit idee door, maar zij kwamen allemaal tot een toonladder die binnen het octaaf bleef. Bij Boethius zag de toonladder er als volgt uit.

toonladder3Vanuit de witte toetsen van de piano gezien begon deze toonladder dus op de A. Voor het octaaf werd de sterrenhemel zelf genomen.

Vanaf de aarde gezien was de eerste sfeer die van de maan, die overigens net als de andere sferen ook een kleur had. Daarna kwam de sfeer van Mercurius en zo voort. Het hele firnament bestond uit sferen. De laatste sfeer was de hoogste, de sfeer van de sterren, ook wel de hemelsfeer genoemd. Vaak werd deze hemelsfeer nog een keer in drieën gedeeld, waardoor er in totaal 10 sferen waren. (Denk ook aan de drie hemelsferen bij Geertgen tot Sint Jans, zie een eerder blog). Deze sferen waren in evenwicht: ze vormden “de harmonie der sferen”. Om de aarde klinkt eeuwig hemelse muziek. Is dat het wat ik altijd voel…

In eerdere blogs heb je kunnen zien hoe ook ik planeten koppel aan tonen van een toonladder. Maar mijn uitgangspunt is anders dan dat van Boethius. Ik ga uit van de muzikale werking van de positie van de toon in de toonladder. De werking van tonen in een toonladder denk ik als muziektheoreticus redelijk te doorgronden. Zo kan ik, zonder planeten er bij te halen, over elk interval wel iets vertellen, wat het doet in een toonladder en vandaar hoe dat zijn uitwerking heeft in allerlei muziek. Maar nu komt het: deze werking koppel ik aan de bestaande symboliek die hoort bij zon, maan en planeten. Deze symboliek, in de oudheid geformuleerd, komt voort uit de waarnemingen van de mensen indertijd als ze keken naar de bewegingen en andere verschijningsvormen van deze planeten. Kijk in deze tijd maar eens naar de ochtendhemel. Venus zie je als de meest heldere planeet, schitterend in al zijn  pracht. Zijn baan is als enige vrijwel cirkelvormig, dus buitengewoon volmaakt en harmonieus. (Ook dat hadden ze in de oudheid al waargenomen, hoe grillig was bijv. de baan van Mars). Venus schrijft onzichtbaar, met zijn terugkerende conjuncties met de zon, pentagrammen aan de hemel. Dat zie je pas na jarenlange waarnemingen. In welk dierenriemteken staan Zon en Venus bij hun conjuncties? Na vijf conjuncties staan ze op dezelfde plek! Het pentagram is klaar. Voilà: het is niet moeilijk om in Venus de godin van de schoonheid te zien. En dan komt mijn natuurkundige maar vooral ook muzikale waarneming. Dat pentagram, met diagonalen in de verhoudingen van de gulden snede, is gebaseerd op het getal vijf. Maar natuurkundig hoort het getal vijf ook bij de grote terts. De vierde boventoon van een toon is de terts en zijn trillingsgetal is vijf keer zo hoog dan dat van de basistoon. Zo zie ik de terts als een interval dat bij Venus hoort. Maar de muzikale gelijkenissen zijn nog overtuigender: hoe “voelt” een terts? De terts staat in de eerste plaats voor het fenomeen “kleur” in de muziek. Terts maakt majeur of mineur. En zo kun je naar alle tonen kijken, zie mijn eerdere blogs.

Zo ziet mijn hemelse toonladder er uit:

toonladder4

Ik ervaar het als een verrijking dat, wanneer ik kijk naar een planeet of naar de maan, het zien daarvan kan koppelen aan muzikale verschijnselen. Ik kíjk niet alleen naar de sterrenhemel. Net als Pythagoras, Plato en Boethius hóór ik de sterrenhemel. Ik hoor de harmonie der sferen….. De achtergrondmuziek bij dit filmpje wordt gevormd door een door mij gemaakte muziekcollage op basis van psalmzettingen van Charles Ives.

Geplaatst in Astronomie, filosofie, muziek | Tags: , , , , , | 1 reactie

De dubbele moraal

Een van mijn ooms, allang overleden, was Indonesië veteraan. Hij is soldaat geweest tijdens de politionele acties. Ik hoorde hem als kind daarover eenmaal zeggen: ‘je moet niet weten wat wij daar allemaal uitgevreten hebben’. Dat waren letterlijk zijn woorden, het is me altijd bij gebleven. Laatst was er een reportage over een bloedbad tijdens die politionele acties waarbij een veteraan toegaf betrokken te zijn geweest bij een executie, zonder vorm van proces, van 120 Indonesiërs. Een van de geïnterviewden vertelde dat men deze mensen niet gevangen kon houden. Als men hen weer los zou laten dan zouden zij zich weer tegen de Nederlanders keren. Doodschieten was de enige optie. Zo keek Milosovic ook naar de mannelijke bevolking van Scebrenica. Doodschieten is de beste optie. Hij is voor het gerechtshof in Den Haag gekomen. Nederland is voor zijn militaire verleden nog niet eens bereid om zijn excuses aan te bieden…. O ja. Bij die politionele acties zijn 2.500 Nederlandse soldaten gesneuveld. 100.000 tot 150.000 Indonesiërs hebben het niet overleefd.

Decennialang is het Midden-Oosten vol gepompt met wapens. De grote wapenleveranciers zijn Amerika, Rusland en Frankrijk. Daar is veel geld aan verdiend. Nu schreeuwen we moord en brand als die wapens ook tegen ons gebruikt worden… Er zijn zelfs mensen die vinden dat we meer wapens moeten leveren aan bepaalde groepen. Een van de meest verstandige mensen op dit moment is Obama. Hij wil stoppen met die verschrikkingen en kijken of er op een andere manier dan met nog meer wapens een einde aan de verschrikkingen gemaakt kan worden.

Terrorisme in Frankrijk. Hoe vaak heb ik nu niet al gelezen of gehoord: ‘ik begrijp het niet’. Helaas, als je naar de geschiedenis kijkt zijn deze acties niet nieuw en geen uitzondering. De basis oorzaken zijn in dit geval frustratie en eergevoel. In het klein zien we dat ook als de oorzaak voor het verschijnsel bloedwraak. Je bent als man beledigd en dat schreeuwt om vergelding. Op een iets hoger niveau hebben we stammenoorlogen. Nu is het zelfs de stam IS tegen het westen…. IS is beledigd. Het westen verklaart hen nu zelfs de oorlog. Oorlog! staat er met grote koppen op voorpagina’s. Ook deze bloedwraak moet weer, nu weer door ons, vergolden worden. Maar het gaat nu niet meer met messen of met een bijl maar met machinegeweren…. Of met drones. Of met bommen. Af en toe zien we beelden van de excessen van IS. Verschrikkelijk. Zelden zien we de gevolgen van de bommen en verwoestingen van het vrije Libische leger, de troepen van Assad of van de bommen van Rusland. Gegarandeerd nog verschrikkelijker. Doe als Obama, wees verstandig en ga onderhandelen!

Helaas, ik voel me niet solidair met het westen omdat ik te goed weet hoe het westen deels de oorzaak is van de problemen. We kunnen er bijna niet objectief naar kijken, we zien alles door een bril die volkomen gekleurd is door ons vertekende en zelfs geïndoctrineerde beeld. De bril van de fundamentalisten ziet er heel anders uit, hun waarheid is met hun bril net zo legitiem als onze waarheid is door onze bril. Maar ja. Wij zijn de goeden. We verdedigen de zogenaamde Westerse waarden. We zijn calvinisten die leven zoals God ons geboden heeft. We kunnen geen fouten maken. Daarom hoeven we ook niet te biechten, dat verschijnsel kennen we niet eens. Laat staan ons verontschuldigen…. God weet dat wij het bij het rechte end hebben. Hij is ons goedgezind. Daarom hebben wij het hier ook goed. Daarom is het vandaag koopzondag. Zelfs dat vindt onze God tegenwoordig goed. En daarom hadden wij vanochtend allemaal wat in onze schoen van Sinterklaas en gaan we over een paar weken kerstinkopen doen in Düsseldorf.

Geplaatst in Geschiedenis, maatschappij | Tags: , , , | 4 reacties

De ring van Saturnus en hoe Bach Oudjaar viert

saturnusVan de planeet Saturnus vallen in vergelijking met andere planeten vier dingen op: om te beginnen zijn er de ringen. Die zijn bij deze planeet zeer opvallend. Ze werden al in de zeventiende eeuw ontdekt door Galileo Galilei. Ik zag ze zelf toen ik jaren geleden een kleine telescoop had. Ook de andere reuzenplaneten hebben ringen, maar die zijn veel minder opvallend en zijn pas in de zestiger jaren van de twintigste eeuw ontdekt. Ten tweede het soortelijk gewicht van de planeet. Saturnus is als enige planeet lichter dan water. Er is een vaste kern, die naar buiten toe vloeibaar wordt en uiteindelijk wordt hij gasvormig. De overgang tussen atmosfeer en planeet zelf is niet duidelijk. Ten derde draait hij in slechts 10 uur om zijn eigen as. Binnen een saturnusjaar (30 aardse jaren) passen grofweg zo’n 10000 Saturniaanse dagen. Ook is nog opvallend hoeveel energie de planeet uitstraalt. De aarde moet het voor de energievoorziening vooral van de zon hebben, Jupiter geeft zelf evenveel energie af als dat hij van de zon ontvangt, maar Saturnus is zelf een echte energiebron. Hij geeft liefst twee keer zo veel energie aan zijn omgeving af als dat hij zelf van de zon ontvangt.

Hoe werd in vroeger tijden deze planeet vanaf de aarde ervaren? Met het blote oog is hij nog goed te zien, maar hij is tegelijk de laatste van de zogenaamde buitenplaneten die je kan zien. Hij loopt zeer langzaam door de dierenriem. Hij lijkt nauwelijks te bewegen. Langzaam gaat hij door alle dierenriemtekens, maar over een teken doet hij meer dan 2 aardse jaren.  Deze trage baan om de zon symboliseert voor mij een soort afpalen van ruimte en tijd, Saturnus staat zo ook voor vadertje tijd. Als de donkere tijden zijn aangebroken, het jaar afgelopen is en ook de oogst binnen is, dan is het tijd om de winterwende te vieren. Dat waren in de Romeinse tijd de Saturnaliën. Kerst, Oud en Nieuw zijn daaruit voortgekomen. Het jaar is ermee afgelopen. Saturnus grensde ook de week af, het was de laatste dag van de week, de zaterdag, saturnusdag. Ook ruimtelijk was Saturnus de begrenzer, daarbuiten was er niets meer. Je kwam dan in de verst verwijderde ijle hemelsferen. Saturnus bakent zo zowel de week, het jaar, maar ook de wereld af.

saturncronusDe god Saturnus wordt vaak afgebeeld met sikkel of zeis. Dit omdat hij ook als de god van de landbouw werd beschouwd. Natuurlijk doet deze zeis ook weer denken aan de dood, het einde van een cyclus (jaar, week). In Italië werd op een gegeven moment bij de Romeinen Saturnus zeer vereerd. De Saturnaliën, eerst 17 december, later uitgebreid tot 3 dagen, vormden de enige officiële feestdagen van de Romeinen. Saturnus, nadat hij door Jupiter verstoten was, vestigde zich in Italië. Daar ging hij het land regeren samen met koning Janus (naar deze laatste is januari genoemd.) Onder leiding van deze koningen was het land zeer vredelievend (het kende geen bezit) en welvarend, door de landbouw die Saturnus introduceerde.

Wat doet een ring? Een ring omringt, omheint, perkt af. We zien dus aan de hemel hoe Saturnus niet een zeis hanteert als attribuut, maar een ring. Saturnus is zoals we zagen de god van de landbouw, de welvaart. Hij geeft. Saturnus als hemellichaam is de enige planeet die meer energie geeft als neemt. Hoe wonderlijk lijkt ook dit dus overeen te komen, terwijl dat bij de Romeinen nog onbekend was en ze ook nog nooit de ring van Saturnus gezien hadden, laats staan dat ze iets wisten van zijn energiehuishouding.

Is er ook een muzikale equivalent van Saturnus? Volgens mij is dat de vierde toon van de toonladder. Waarom wil een willekeurige melodie gebaseerd op de zeven witte toetsen van het klavier automatisch naar de C? Natuurkundig komt dat door boventonen, en daardoor getalverhoudingen. Je kunt ook zeggen: C komt voort uit F en uit C zelf komt dan weer G voort. Daarom is C de centrale toon. F, ook wel de subdominant genoemd, stelt het verleden voor, daar komen nl. zowel C als G uit voort. De F is de toon die het meest nadrukkelijk thuis hoort in wat ik zou willen noemen het subdominantgebied. (Samen met vooral ook de D maar ook de wisseldominant en nog andere akkoorden die op de dominant gericht zijn). Dat ervaar ik als een wereld die geheimzinnig ver weg is, die niet gericht is op het oplossen naar de tonica, maar die wel  nodig is om tot een afronding te komen. Als je daar bent voel je de spanning langzaam toenemen. Het doel en hoogtepunt van die voelbare spanningstoename is het bereiken van de dominant. De dominant wordt dan soms nog eens benadrukt door een orgelpunt of door vertragingsakkoorden die hem extra spannend maken. De slottonica vormt de oplossing, de echte ontspanning.

De Romeinen waren bang dat als de bladeren van de bomen vielen, de oogst was binnengehaald, het koud werd, dat het dan afgelopen was. Het seizoen was voorbij. Was daarmee ook het leven voorbij? Ze smeekten om alles weer terug te laten keren. Er werd geofferd aan Saturnus. In een orgastische dans werd vanaf 17 december het moment voorbereid dat de dagen weer zouden gaan lengen. Dat moment kwam dan op 21 december. De dominant  werd bereikt. We zijn bij Jupiter, we houden de spanning nog even vast en lossen deze dan op, het seizoen is afgerond en de cyclus kan weer hernomen worden. Deze angst, dit bezweren van die angst, maakt ook dat we nu nog steeds vuren maken of vuurwerk ontsteken. Het moment van de komst van dominant en tonica wordt afgeteld: 10, 9 8, 7, 6, 5, 4, 3, 2, 1: gelukkig nieuwjaar! Saturnus staat voor Oudjaar. Hij is nodig om nieuwjaar mogelijk te maken. Zoals C de F nodig heeft om via de kwint centraal te staan.

Een klein voorbeeld bij Bach. Uit Wolhtemperiertes Klavier deel I, het preludium in C#m.  De maten 35-38 worden beheerst door het subdominant gebied. Op de laatste tel van 38 komt heel kort de dominant, onmiddellijk gevolgd door slechts een maat tonica.

De daarop volgende fuga in C#m is een nog mooier voorbeeld. Op de tweede maat van maat 94 begint een zogenaamd stretto: alle fuga-inzetten volgen elkaar dan sneller op. Precies op dat punt begint dan tegelijkertijd een lang subdominant gebied, dat duurt tot en met maat 104. In 105 komt dan eindelijk de dominant die als een soort orgelpunt uitgesmeerd wordt over zeven maten (met in maat 107 even een wisselakkoord rond dat orgelpunt), tot slot volgen vier maten orgelpunt op de tonica. Deze hele passage van 22 maten bevat zo voor de helft (elf maten) een subdominantgebied, dan horen we zeven maten een dominantgebied en  tot slot vier maten een tonicagebied.

Hier onder een link naar een aparte pagina  met zowel het preludium als de fuga achter elkaar. Ik houd bijzonder veel van deze uitvoering van Sjvatoslav Richter omdat hij nauwelijks barokversieringen maakt en de kracht van de noten van Bach helemaal voor zich laat spreken. De partituur loopt met de muziek mee, vooral bij de fuga is het leuk om de verschillende thema’s en motieven, die van verschillende kleuren zijn voorzien, mee te volgen.

Geniet bij deze Bach tot twee keer van de nadering van oudjaar en van het feest van nieuwjaar dat daarop volgt!

Geplaatst in Astronomie, muziek | Tags: , , , , , , | 1 reactie

8 november 2015, een mooie dag

6:45. Eigenlijk was het een dag te laat voor de samenstand van de maan met Venus en Mars, maar 7 november was het bewolkt, nu was het mistig helder. Helder genoeg om op één lijn van boven naar beneden Jupiter, Mars, Venus en de Maan te zien staan. De dag begon al goed. Was dit het mooiste moment van deze dag?

conjunctie 8november

11:00 De mist was al lang verdwenen en had plaats gemaakt voor een beetje zon, afgewisseld met toch vooral ook wolken. Heerlijk voor een wandeling aan zee. Op naar Goeree, de duinen bij Ouddorp. De duinen zijn hier heel anders dan die bij Oostvoorne of bij Rockanje. Ik zag bijv. geen kardinaalsmuts, maar wel sporkehout en hondsroos. En heel veel braamstruiken, vooral dauwbramen. Alle fasen van bloem tot verdorde besjes waren nog aanwezig. En ook eetbaar en boordevol vitamine C: duindoorn. Honderden struiken, boordevol rijpe besjes.

bramen

duindoorn

13:00 Een heel veld met zeepostelein, met daartussendoor af en toe een plantje van de zeewolfsmelk. Ik las op internet: zeepostelein groeit op plaatsen waar andere planten het niet uit kunnen houden: op het strand of tussen de basaltkeien aan de onderkant van dijken. Je vindt hem vooral op plaatsen waar aanspoelsel ligt te vergaan. Dat gebruikt hij als meststof. Hij heeft regenwater nodig om te ontkiemen, maar daarna kan hij ook zonder. De dikke leerachtige, vettig aanvoelende blaadjes beschermen hem tegen uitdroging. In de herbarius van Fuchs van rond 1500 kennen ze wel postelein, daar porceleyne genoemd. Voor veel dingen bruikbaar. Je maag wordt sterk als je het in een salade mengt. Gorgelen met het sap is goed voor gekwelde zielen. Maar zeewolfsmelk dat is andere koek, dat moet je niet in je mond stoppen! Het bereikt in Nederland zijn noordelijkste leefgebied. Enkele tientallen jaren geleden zag je het alleen bij Oostvoorne, door het zachter wordende klimaat komt het nu ook al op de wadden voor. Maar het is nog steeds zeldzaam. Het staat op de rode lijst. Hier zag ik meerdere plantjes staan. Net als bij de andere soorten wolfsmelk bevat het van binnen wit sap. Het is  behoorlijk giftig, maar is wel een uitstekend middel om wratten te laten slinken. Elke dag gedurende een week insmeren met wat wolfsmelk en de wrat is weg. Ik heb het als kind ervaren, toen deed ik het met de cypreswolfsmelk die er erg op lijkt.

zeepostelein

cypreswolfsmelk

14:00. Strand en schelpen. Veel meer soorten schelpen als op het strand van Rockanje. Mosselen, en grote kokkels met veel kleurvariatie. We zagen veel zandbanken maar geen zeehonden. En een bijna leeg strand. Ruimte!

strand

15:00 Goederede. Wat een heerlijk dorp. Net iets minder uitgestorven dan Ouddorp op zondag. Heerlijke lunchplek!

goederede

18:00 Net op tijd thuis voor podium Witteman. Met als gast onder meer de asielzoeker des vaderlands, (zo noemde hij zich zelf, hij is al acht jaar asielzoeker..) Rodan Al Galidi uit Irak. Prachtige gedichten. Ook een erg geestige man. Asielzoekers hebben per dag recht op drie condooms en vier aspirientjes. De Nederlandse asielzoeker heeft per dag dus recht op drie orgasmes en vier keer hoofdpijn..
De componist des vaderlands Willem Jeths had op een collage van enkele gedichten koormuziek geschreven. Ik vond de gedichten zonder muziek sterker. Vooral ook was het mooi hoe hij zelf een gedicht voorlas. (“het is mooi en fijn om hier jong te zijn”). Dat kwam binnen…
Je kunt een en ander terughoren:  http://www.npo.nl/podium-witteman/08-11-2015/VPWON_1239740 (bij de stand 45:30 begint het onderwerp)

20:00. De door mij meegenomen schelpen zijn gewassen. Ik moest denken aan het boekje van Nijntje aan zee, waar mijn oudste kleinzoon van twee zo gek op is. Hij raakt niet uitgekeken op de pagina met de schelpen. Dick Bruna die voornamelijk primaire kleuren gebruikt en de tekening op de schelpen vereenvoudigt. Maar toch is een en ander deels terug te vinden in het echt. Ik verheug me er al op als hij over enkele dagen met de schelpen komt spelen. Hij gaat ze dan allemaal een voor een bekijken en bevoelen. Na elke schelp komt hij ze dan met een blij gezicht aan mij of mijn vrouw laten zien. Nog een keer feest!

schelpen

Geplaatst in Astronomie, natuur | Tags: , , , , , , , , , , , | 3 reacties

Muziek en Dans

De meeste filmmuziek wordt apart gecomponeerd voor de bijbehorende film. Maar er zijn ook cineasten die bestaande muziek gebruiken. Zoals de gebroeders Taviani in Padre Padrone indertijd het klarinetkwintet van Mozart gebruikten. Met Mozart kunnen ze elke willekeurige stemming die ze willen oproepen ook tevoorschijn toveren. Iets dergelijks zien we bij de film Amadeus. Het begin van de ouvertüre van Don Giovanni heeft een ongelooflijk effect bij het moment dat de grote onbekende (Salieri?) ’s avonds aan de deur staat om een requiem te bestellen bij Mozart.

Bij moderne dans wordt zeer veel gebruik gemaakt van klassieke muziek. Maar dans en muziek zijn normaal gesproken onafscheidelijk, je kunt muziek niet op een zelfde manier als in een film gebruiken, als louter sfeermaker. Dans vraagt om beweging in de muziek. En de sfeer van de muziek en de sfeer van de dans komen normaal gesproken overeen. Dat is tegenwoordig lang niet altijd meer zo. De choreografen van nu experimenteren met de verhouding tussen deze media. De beide werelden sluiten niet meer automatisch naadloos op elkaar aan. Als de muziek in een driekwartsmaat staat hoef je dat in de dans niet terug te zien.

Hoe ervaar je dat als kijker en luisteraar? Gisteren was ik in het Zuiderstrandtheater in Scheveningen bij drie stukken van het Nederlands Danstheater 2. De jonge generatie dansers, van wie een enkeling binnen enkele jaren mag doorstromen naar NDT 1, het hoofdgezelschap. Alles is van topniveau, ook hier.

Bij het eerste stuk van de choreograaf Johan Inger had ik in het programmaboekje gelezen dat Schuberts muziek voor hem ging over romantische relaties, waar de componist tot op zijn dood naar verlangde. Iets dergelijks wilde hij ook met zijn dans laten ervaren. Het stuk heet “One on One”, het onderzoekt hoe duetten en de evolutionaire stadia in de relaties die zij portretteren zich ontvouwen.  Zou je de muziek weglaten en alleen naar de dans kijken, met een danskennersoog, en dat heb ik niet, dan zou je dat waarschijnlijk goed hebben kunnen ervaren. Maar de (live gespeelde) muziek stond voor mij bijna los van de dans, ik kreeg ze niet aan elkaar gekoppeld in mijn hersens. Ja inderdaad, Schubert was ook hier op en top romanticus, melancholicus. De bewegingen van de dansers waren voortdurend hoekig. De armen leken snelle vierkanten in de ruimte te maken, die voor mij vloekten met de meestal ronde muziek. Toch bleef ik geboeid. Door het decor. De vloer was bezaaid met een soort grijsachtig fijn piepschuim. Dansen door en over dat materiaal gaf het geheel een extra lading. Ook het licht was mooi, en het beeld van de dansgroeperingen was esthetisch aantrekkelijk. En de drie fragmenten waren knap aan elkaar gelast. Qua grote vorm waren muziek en dans dus wel een eenheid.

Hoe anders beleefde ik het tweede stuk, “sleight of hand”, van Sol Leon en Paul Lightfoot. Nu waren muziek en dans voor mij weer een volkomen eenheid. Je kon het geheel ervaren zonder dat je hersens gespleten gekweld werden. Het tweede deel uit de tweede symfonie van Philip Glass tovert een donkere spookachtige klank uit het orkest. Contrabassen en laag koper hebben een prominente rol. De acht dansers hadden een zwarte outfit en de belichting en decor gaven je het gevoel op een andere planeet terecht te zijn gekomen, spannend, onheilspellend. Een geweldige vondst was de voortdurende aanwezigheid van twee dansers als een soort reuzenpop in een processie in Baskenland. Alleen, ze bleven op hun plaats. Lange tijd waren ze ook versteend in een houding alsof ze onderweg waren. Op het hoogtepunt van de muziek van Glass gingen ze vervaarlijk zwaaien en buigen met het bovenlichaam, het paste wonderwel bij elkaar. De muziek van Glass uit de periode van deze symfonie heeft een heel ander minimalgehalte dan eerdere muziek, er valt veel meer te beleven, er zit een veel klassiekere structuur in, en dat maakt hem voor mij veel interessanter dan zijn eerdere muziek. Een dergelijk proces kun je ook zien bij collegacomponist John Adams. Eigenlijk denk ik dat de tweede symfonie van Philip Glass nog beter tot zijn recht komt samen met deze dans dan wanneer je hem alleen maar hoort. Net als soundtracks van films. Met de film erbij is het toch leuker.

Het laatste stuk dat we zagen en hoorden was “Aureum” van Medhi Walerski. Het largo van de sonate no 3 van Chopin werd als dansmuziek gebruikt. In het middendeel van deze dans werd er gedanst op een lang geluidstapijt van elektronische klanken, die voortgekomen waren uit een akkoord van Chopin, na een tijd werd er weer geleidelijk terug gekeerd naar Chopin. Op zich knap gedaan kwam het geheel daardoor voor mij toch wat eclectisch over, de sfeer van Chopin was in het middendeel compleet verdwenen. Twee muziekstijlen door elkaar die wel heel erg ver van elkaar afstonden. Bij de dans was het voornaamste contrast in dat middendeel dat het kwartet dansers nu werd opgenomen in een grote groep en toen Chopin terugkeerde kreeg de groep weer een ondergeschikte rol toebedeeld. Volgens de toelichting zou de dans moeten gaan over “hoe de kloof tussen intieme emoties en het obsessieve tempo van het collectief te overbruggen? Hoe kan de magie in onze wederzijdse, onvermijdelijke leegte gedeeld worden? Vergelijk het met de parelwitte schuimlaag langs de kustlijn.”

Tja. Mooie gedachtes. Mooi decor. Mooie belichting. Mooie vloeiende bewegingen die wonderwel pasten bij Chopin. Parelwitte schuimlaag langs de kustlijn? Het zuiderstrandtheater staat aan zee. In de twee pauzes kon je door de grote glazen ramen prachtig naar buiten kijken. Met op de achtergrond het geroezemoes van de mensen om je heen, met de jazzy klanken van de barpianist. Binnen was er keuvelende gezelligheid. Buiten stormde het. Als een Schubert aan de piano die de boze, driftig zwaaiende buitenwereld, probeert te bezweren met zijn zoete klanken…

Geplaatst in muziek, recensie, theater | Tags: , , , , , , , , , | 2 reacties

Mercurius

andrea_mantegna_louvre (1)Mercurius, de bode der goden en de god van de handel. Bij de Grieken was Hermes de bode der goden. Mercurius en Hermes worden vaak als equivalenten van elkaar gezien. Mercurius reist als God voortdurend door de lucht. Beweging was ook toen al gezond, deze god wordt op afbeeldingen meestal atletisch weergegeven. Op een eerder blog liet ik hem zien, geschilderd door Andrea Mantegna in de 16e eeuw. (Hiernaast rechts op het schilderij, met het paard Pegasus).

Een eeuw later wordt hij gebeeldhouwd door Giovanni da Bologna in Florence, op een enigszins maniëristische manier, met een beweeglijke en een sierlijk gekromde houding.

Giambologna,_mercurio“Giambologna, mercurio” Wikimedia Commons – Louvre Parijs. Het betreft een kopie, het origineel is verdwenen.

De Nederlander Adriaen de Vries was een leerling van deze Giovanni en maakte eveneens een beeld van Hermes (Mercurius). Hij beeldt het moment uit dat Hermes op aarde in opdracht van Zeus de wonderschone koningsdochter Pschyche gaat halen, als bruid voor de god Eros. Hij maakte het beeld in dienst van keizer Rudolf II (1552-1612),  die aan het begin van de 16e en 17e eeuw zijn hoofdstad Praag tot een belangrijk centrum van cultuur maakte. Hij trok veel maniëristische kunstenaars naar de stad zoals de beeldhouwer Adriaen de Vries. In dit werk probeert Adriaen de Vries zijn meester te overtreffen. Onmogelijke lichaamshoudingen zijn een van de visitekaartjes van maniëristen. Zo ook hier. De boodschappende God is de enige die net nog  met een voet in contact staat met de grond. De twee figuren vormen een “knoop van lichamen”, waarbij we een vloeiende, golvende spiraal zien die naar boven is gericht en de toeschouwer een bijna gewichtloos gevoel geeft. Een beeld dat je volgens mij ook het beste van alle kanten kunt bekijken. Óp naar het Louvre..

Devries-mercurius louvre

Mercurius is in de astronomie de planeet die het meest dicht om de zon heen draait. Daarnaast is het ook nog eens de kleinste planeet. Omdat de planeet vanuit de aarde gezien altijd zo dicht bij de zon staat is hij in Nederland zelden makkelijk te zien. Soms is hij net als Venus avondplaneet. Je moet hem dan in de schemering vlak boven de horizon zoeken. Maar een dag later is hij alweer dichter bij de zon. Na een aantal dagen wordt het dan een morgenster: je moet hem dan in de schemering aan de ochtendhemel zoeken. Daarna gaat hij weer richting de zon en het hele spelletje herhaalt zich, hij is letterlijk de “bode der goden”. De zon kun je zien als de hemel. Van daaruit reist Mercurius schijnbaar rusteloos op en neer.

Thuis heb ik nog een oude windows XT computer staan, met daarop ook nog werkende DOS-programma’s. Er staat ook een fantastisch astronomisch programma op uit 1993, waarmee je o.a. animaties kunt laten zien van allerlei hemelverschijnselen. Als je vanuit de aarde naar de zon kijkt, elke keer op hetzelfde tijdstip, en dat gedurende enkele maanden, dan zie je hoe de maan elke maand een keer langs de zon schuift (nieuwe maan), maar ook hoe Mercurius zich van de ene kant van de zon (de avond-kant) naar de ochtendkant beweegt en omgekeerd. Ik heb van een stukje animatie een opname gemaakt. Let op de zigzaggende Mercurius.

Tja, en hoe zit dat in de muziek? In de majeurtoonladder zie ik de tweede toon als een soort Mercurius. In melodisch opzicht kan deze II door naar de III of terug naar de I. Er is geen leidtoon zoals bij VII-I, hij kan even makkelijk beide kanten op. De tweede toon, de toon boven de grondtoon, de secunde, staat voor mij voor het melodisch principe in de muziek. Een melodie is logischerwijs opgebouwd uit secundes. De meeste melodieën beginnen bij de grondtoon, gaan omhoog, en keren uiteindelijk op de een of andere manier terug naar de grondtoon. Het principe melodie is heel duidelijk verwant met het fenomeen spraak: als je iets vertelt zie je dat de toonhoogte van je stem wat stijgt en op het einde weer daalt. Melodieën doen eigenlijk niets anders dan dat principe uitvergroten. Mercurius is ook de God van de welsprekendheid. Met een vlotte babbel kun je ook makkelijk dingen verkopen: hij is niet voor niets ook de god van de handel!

Mercurius-muziek is dus vooral melodische muziek, muziek waarbij het verschijnsel melodie belangrijker is dan andere parameters. De melodie van een muziekstuk is het onderdeel dat het meest verwant is aan taal. Je kunt een melodie neurieën, hij blijft in je kop zitten. Iedereen kent dat wel, zo’n liedje dat je niet meer kwijt raakt. “Yesterday” van de Beatles bijv. “Toreador” van Bizet. Mozart schreef ook melodieën die je niet meer kwijt raakt. Heel vanzelfsprekende wijsjes, die soms een ingenieus muziekstukje opleveren. Toen ik onderstaand menuet op mijn les behandeld had hoorde ik bij het weggaan bijna alle studenten neurieën…

Wees dus gewaarschuwd!

Geplaatst in Astronomie, Geschiedenis, kunst, muziek | Tags: , , , , | 5 reacties

Een conjunctie van Venus en Mars. En over Mantegna in Mantua

Het huwelijk van Venus en Mars, met de zegenende aanwezigheid van Jupiter. Zo beleefde ik vanochtend de sterrenhemel tegen half zeven, het was al een beetje aan het schemeren. Ik heb er een foto van gemaakt. Dat is niet zo makkelijk. Rechts boven zie je Jupiter schitteren, lager, net onder een tak zie je Venus. Ongeveer even helder. Als een zwak lichtje zien we links van Venus de planeet Mars, een klein beetje roodachtig.

conjunctie 31 oktober 2015-2

Hoe komt het toch dat ik zo ontroerd kan zijn als ik dit soort beelden zie? Venus en Mars staan zo dicht bij elkaar dat je van een nauwe conjunctie kunt spreken. Oorlog en vrede. Geweld en wijsheid. Agressie en liefde. Nu broederlijk naast elkaar.

Dit beeld deed me denken aan een schilderij dat nu in het Louvre hangt van Andrea Mantegna. Het sierde ooit de studiolo van Isabelle d’Este in Mantua. Een studiolo is een soort privévertrek voor een vorst of vorstin, waar deze zich kan terugtrekken. In de studiolo van Isabelle d’Este waren oorspronkelijk nog veel meer prachtige schilderijen te zien, die later verkocht of geroofd zijn. Het schilderij dat ik bedoel is gemaakt ter gelegenheid van het huwelijk tussen Francesco II Gonzaga en Isabella D’Este.

andrea_mantegna_louvre (1)

Rechts zien we Mercurius en het gevleugelde paard Pegasus. Voor kenners van sterrenbeelden, Pegasus is ook als sterrenbeeld aan de hemel zeer vaak te zien als het zogenaamde pegasusvierkant. Als je bij een mooie heldere nacht op zoek bent naar het dichtstbijzijnde melkwegstelsel (het Andromeda-stelsel) kun je dat via het Pegasusvierkant makkelijk vinden. Wat je dan ziet is de zo genoemde andromedanevel. Je kunt hem zelfs met het blote oog zien, in Nederland overigens zelden door de licht- en luchtvervuiling.

muurschildering_straat

Andrea Mantegna, die ook de muren van de hele stad Mantua beschilderde (hier en daar nu nog restanten te zien!) schilderde voor de studiolo het liefdespaar Mars en Venus. Ze staan op de hemelse berg Parnassus. Cupido, het zoontje van Venus, schiet met een blaaspijp pijltjes om de aanwezigen verliefd te maken. De stijl van Mantegna, eind 15e eeuw, is sterk beïnvloed door die van van Eijck en van der Weyden. Mantegna was eerder in dienst van de hertog van Ferrara. In diens kasteel hingen werken van o.a. van der Weyden. Door een reizende kunstcriticus uit Napels rond 1460 waren de grootste kunstenaars van zijn tijd: op de eerste plaats Jan van Eijck, dan kwamen twee Italianen, dan kwam Rogier van der Weyden.

Francesco II Gonzaga (1466 –1519) was hertog van Mantua van 1484 tot zijn dood in 1519. Hij won de slag bij Fornavo op 6 juli 1495. Dit gevecht ging tussen een Italiaanse liga met Francesco Gonzaga als opperbevelhebber tegen het leger van de Franse koning Charles VIII. Deze laatste werd nu definitief naar de andere kant van de Alpen teruggedrongen. Ter herinnering bestelde Francesco een schilderij bij Mantegna voor de kapel “Santa Maria della Vittoria”.

andrea_mantegna_louvre_kapel_santa_maria_della_vittoria

Op dit schilderij liet hij zich zelf afbeelden als ridder, geknield voor de troon van Maria, die hem, net als het kindje Jezus, zegent. De mantel van Maria wordt vastgehouden door de aartsengel Michael en de heilige Joris, beiden de “soldaten van Christus”.  De hertog vereenzelvigde zich zelf met de oorlogsgod Mars, dat deed hij dus ook al op zijn huwelijksschilderij. Daarnaast zien we de hoofden van de patroonheiligen van Mantua, de heilige Andreas en Longinus. Longinus is de soldaat die het bloed van christus, vermengd met zand, opvangt en naar Mantua brengt en in een potje begraaft. Dit potje wordt rond 800 weer opgegraven. Rechts zit Elisabeth geknield, de zus van Maria, met bij haar als baby Johannes de Doper. Elisabeth staat voor zijn vrouw Isabelle die op dat moment een eerste kind heeft van twee jaar, een meisje. De eerste zoon wordt 5 jaar later geboren. Het schilderij is nu eveneens te zien in het Louvre. Isabelle is voor de hertog Venus. En terecht. Isabelle kwam zelf van Ferrara, een verfijnd hof, waar ze een goede opleiding had gehad. Een intelligente en kunstzinnige vrouw. Zij haalde ook Mantegna naar Mantua.

Ik was jaren geleden in Mantua. Mantua ligt aan de voet van de alpen, nog net niet in de povlakte, maar het kan er ’s zomers bloedheet zijn. En vochtig, benauwd. Monteverdi klaagde erover bij diezelfde hertog. Het was een van de redenen dat hij naar Venetië ging na de dood van de hertog. Dat het een ongezonde atmosfeer was vonden wij toen ook. Het stikte er van de muggen. Toch heb ik er heel goede herinneringen aan. Vooral ook aan het bezoek aan het buitenverblijf van de hertog, Palazzo Te, met de prachtige decoraties van Romano.

Francesco II, de stoere oorlogszuchtige ridder, Isabella de fijnzinnige en kunstzinnige Venus. Ook aan de hemel dus, met de oppergod Jupiter erbij. De conjunctie van Venus, Mars en Jupiter is nog enkele ochtenden te zien bij helder weer. In het ZO. Dat komt niet zo vaak voor. Over een week komt ook de maansikkel er bij. Dan is het feest compleet!

Geplaatst in Astronomie, Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Onze identiteit

Enkele dagen geleden stond een artikel in de Volkskrant: na onderzoek bleken mensen uit Gelderland zich het minst te identificeren met hun provincie. Ook mensen uit Zuid-Holland voelden zich niet een Zuid-Hollander. Brabanders, Limburgers, Friezen, Zeeuwen enz. voelden zich wel Brabander, Limburger, Fries of Zeeuw. Ze voelden vaak zelfs een sterkere band met de provincie dan met Nederland. In die regio was het identiteitsgevoel met de provincie dus juist erg groot.

Zo’n dertig jaar geleden had ik een collega, helaas veel te jong overleden aan aids. Hij, geboren in Engeland, werkte al een paar jaar in Nederland en sprak perfect Nederlands. Niet alleen Nederlands, veel moderne Europese talen en voor zijn plezier was hij bezig om Chinees te leren. Hij had intussen ook kennis gemaakt met verschillende uithoeken van Nederland en stond versteld over de grote cultuurverschillen binnen zo’n klein lapje grond. En al de taalverschillen, dialectverschillen. Wij vinden dat normaal, hij vond dat bijna onvoorstelbaar.

Hoe komt dat? Ik denk dat een van de oorzaken is dat er in het verleden weinig pogingen zijn gedaan om dialecten de kop in te drukken. In Duitsland, gelijk over de grens hoor je Hoog-Duits. Vroeger had je ook daar veel meer dialecten. Er is een tijd geweest, mede om de Duitse identiteit sinds Bismarck te versterken, dat er vanuit de overheid veel aan werd gedaan om dialecten min of meer te verbieden of belachelijk te maken. Dat is gelukt. Alleen veel tongvallen zijn nog gebleven. Dialecten hoor je nog slechts in enkele uithoeken van Duitsland en natuurlijk in Oostenrijk en Zwitserland.

Terug naar Nederland. Door je dialect te blijven spreken kon je je afzetten tegen de mensen die dat dialect niet spraken. Dat waren in veel gebieden van Nederland de “Hollanders”. Vooral in Brabant en Limburg is dat lang zo ervaren en is dat vaak zelfs nog zo. En dat is niet zo verwonderlijk, als je je bedenkt dat toen vele delen van Brabant en Limburg bij Nederland kwamen rond 1630 of soms nog later, deze gebieden min of meer onder curatele werden gesteld. De katholieke godsdienst werd nog net niet verboden. Wel allerlei uiterlijkheden als beelden en processies. Kloosters werden opgeheven. (Behalve in Maastricht maar dat had een bepaalde historische reden die nu te ver voert). En nog belangrijker: met een katholieke achtergrond mocht je geen bestuursfunctie vervullen. Er werden gereformeerden van boven de rivieren geïmporteerd om recht te spreken, burgemeester te worden. Deze functionarissen moesten lid zijn van de enige ware religie: de gereformeerde kerk. Verder hadden deze gewesten geen recht van meespreken in landelijke aangelegenheden, ze hadden geen provinciezetel bij de Statenvergaderingen. Noord-Brabant was eerder onderdeel geweest van het hertogdom Brabant met Brussel als hoofdstad. De Brabantse cultuur, met de uitbundige gotische stijl als een van de uithangborden (zie de kathedraal van Den Bosch), vormde een groot contrast met de stijve cultuur van de niet versierde kerken van de calvinisten. In Limburg was het eigenlijk nog extremer. Zuid-Limburg was na 1648 nog steeds half Spaans en later (1714) half Oostenrijks. De mensen die woonden in dorpen die bij Nederland hoorden gingen gewoon ter kerke in een Spaanse gemeente enkele kilometers verder en liepen ook daar in de processie mee, omdat de Hollanders dat in hun dorp verboden.

Na de Franse tijd besloot Willem I dat de alweer opgerichte kloosters moesten verdwijnen, liefst doordat de kloosterlingen deze verlieten. Ze kregen dan een staatspensioen als oprotpremie. Anders zouden ze moeten “uitsterven”: er mochten geen nieuwe kloosterlingen meer worden aangenomen. Dat gold toen ook voor het huidige België en Luxemburg. Het cultuurverschil dat er al was, samen met ook nog eens dergelijke maatregelen leidde tot de Belgische opstand met de afscheiding tot gevolg. Nederland wilde in 1839 de Maas als verdedigingslinie behouden, daarom werd bij het afscheidingsverdrag Limburg in tweeën gedeeld. Een deel kwam bij België, een deel bij Nederland. Aan de inwoners werd niets gevraagd. De Nederlandse Limburgers werd zelfs opgedrongen om tegelijk ook lid te worden van de Duitse bond, zodat de Oranje vorsten (als onderdeel van de deal) een deel van het hertogdom Luxemburg mochten houden. (Dat was nl. een té mooi jachtgebied!) De onvrede in Nederlands Limburg bleef. Uiteindelijk moest er dan maar een referendum komen: ‘Limburgers, willen jullie los van Nederland komen te staan en alleen nog lid van de Duitse bond zijn, ja of nee?’ Nederland zou de uitkomst respecteren. ‘Wat moeten wij met dat ellendige lapje grond’ kon je lezen in Hollandse kranten. In de zestiger jaren van de 19e eeuw werd het referendum dan gehouden. De uitkomst was dat Limburg besloot om zich af te scheiden van Nederland. Maar Nederland aarzelde, voerde het besluit vervolgens voorlopig nog even niet uit. Enkele jaren daarna later viel plotseling de Duitse bond uit elkaar. Nederland haalde toch nog opgelucht adem. Limburg met zijn kolen bleef hierdoor bij Nederland…

Toen kwam de eerste wereldoorlog. Nederland ontsnapte. België niet. Ook de oorlogsellende in Duitsland was vreselijk. Eindelijk zagen de Limburgers het voordeel van het Nederlanderschap. Natuurlijk, allemaal toeval, want in 1940 mocht de neutraliteit niet baten. Maar in 1914 was het Hollandse geluk genoeg om langzaam ook in Limburg eindelijk een “Oranjegevoel” te laten ontstaan.

Hoe zit het met een stad als Amsterdam? Inmiddels voelen de meeste Amsterdammers zich vooral Amsterdammer. Ze hebben een hoofdstad- of een Ajax-gevoel. En verder voelen ze zich een beetje lid van de wereld. Door al de culturen. En dat is al erg lang zo. Eind zestiende eeuw is er een geweldige  bevolkingsexplosie geweest in Amsterdam (en een aantal andere Hollandse steden). In tien jaar tijd verdubbelde het inwoneraantal tot meer dan honderdduizend mensen. Antwerpen liep leeg, maar ook uit Frankrijk, Spanje en Portugal kwamen veel asielzoekers. Ze werden warm onthaald. Onder hen waren veel vaklieden, kunstenaars, intellectuelen. Ze spraken vele talen. Uiteindelijk spraken ze allemaal Nederlands. Niet omdat ze een inburgeringscursus moesten volgen maar omdat ze graag aan de maatschappij wilden deelnemen. En Frans, maar dat spraken ze in Berlijn en Maastricht ook. Het Frans was de internationale taal geworden, zoals dat nu het Engels is.

Er lijkt ook nu nog een bijna onuitroeibaar cultuurverschil te blijven tussen verschillende regio in Nederland.. Limburgers hebben een heel andere manier van grappen maken dan Hollanders. Hollandse grappen zijn direct, met veel zelfspot, maar ze zijn ook hard. Hollanders zijn snel en scherp. Als je naar buiten gaat en je komt de buurman tegen dan probeer je gelijk zo grappig mogelijk te zijn (Zoals Groningers zo nors mogelijk niet meer dan ‘moj’ zeggen). De Hollandse buurman moet snel en spits reageren, anders voelt hij zich lullig. In Limburg ga je naar buiten, je zegt goeiemorgen tegen de buurman, begint een praatje, vraagt naar vrouw en kinderen. Die dingen komen bij de Hollandse buurman meestal niet aan de orde. Het is een heel andere manier van met elkaar omgaan. De Limburgers horen dat ook op de Nederlandse televisie. De hardheid, de zelfspot. Het stoot ze af. Ze kijken liever naar Duitse of Belgische zenders. Nog steeds. Ze voelen zich nog steeds vooral Limburger.

In Gelderland zijn de cultuurverschillen binnen de regio te groot. De Gelderse gereformeerden op de Veluwe hebben niets met die katholieke Gelderse boeren met hun carnaval in de achterhoek. En omgekeerd. Dus Gelderland is voor Gelderlanders te weinig een culturele eenheid. Ze voelen zich geen Gelderlander.

Hollanders ervaren alles buiten de randstad een beetje als buitenland. Zeker stedelingen hebben dat. Hollanders voelen zich Hollander en dat is voor hun hetzelfde als Nederlander. ‘Made in Holland’, zo staat het ook op de kaas, en ze bedoelen met ‘Holland’ gewoon ‘Nederland’. Een arrogantie waar niet randstedelingen zich vaak aan ergeren.

Gelukkig hebben we sport. Het nationale voetbal elftal (maar nu even niet…). Schaatsen. Wielrennen. En feesten als Koningsdag. Sinterklaas. Zwarte Piet..

En we hebben gelukkig ook van alles waar we ons heerlijk met zijn allen tegen kunnen afzetten. Zowel Hollanders als Limburgers: we hebben allemaal onze asielzoekers! Smeedt Wilders Nederland dan eindelijk tot een echte eenheid?

Geplaatst in Geschiedenis, maatschappij | Tags: , , , , , | 1 reactie

Herfstwandeling

Zaterdag gaf Midas Dekkers in de Volkskrant op zijn onnavolgbare wijze een recept voor een goede herfstwandeling. In de herfst is de natuur op zijn best: alles is gedaan, laat vallen die blaadjes! Als je gaat wandelen: ‘kijk niet om je heen. Het gaat er om dat je niet afgeleid wordt. Je kop moet leeg. Lekker doorslenteren zonder te stoppen, liefst in een beukenbos want die blaadjes, die ritselen zo lekker.’

herfstbos

Met mijn vrouw was ik een lang weekend in de Ardennen. Het ideale gebied voor zo’n herfstwandeling. Maar: het was zó verschrikkelijk mooi, en ik zag zó veel, dat ik wel heel erg ging slenteren en voortdurend vergat om door te lopen. Ik zag dat de natuur nog steeds bezig was, hij wás helemaal nog niet klaar! De natuur deed alsof alles gewoon doorging. Inderdaad, ik zag wel heel veel blaadjes, nog steeds bezig met hun dansende tocht naar beneden. Maar opeens zag ik ook heel andere dingen. Ik zag enkele bijna rijpe frambozen. Die zijn in juni, uiterlijk juli rijp. Maar deze deden nog steeds hun best. En ik zag allerlei planten die gewoon aan het bloeien waren. Nog aan het wachten op insecten? Of net als bij mensen, gewoon door blijven gaan, ook al is de kans op voortplanting verkeken? De berenklauw was zelfs net pas in knop, sommige berenklauwen hadden net al wat bloemetjes. En zo waren ook de brem, de speerdistel, de daslook, en de avondkoekoeksbloem nog in bloei. Op sommige plekken rook het naar marjolein. Ik waande me weer even in de zomer, in de Alpen waar ik enkele maanden geleden was. Ja, daar stond de grote geurverspreider, hij was een beetje vochtig door de mist, maar stond gewoon in bloei. Natuurlijk, we zagen ook veel bessen, paddenstoelen, wilde appeltjes, uitgebloeid koninginnekruid. Maar heel opvallend, veel laatbloeiers.

laatbloeiers

Maar waar ik zeker niet aan voorbij had willen slenteren zonder er naar te kijken waren de rotsen. Als ik in Zuid-Limburg langs krijtrotsen loop of hier in de Ardennen langs leisteenwanden: ik speur altijd naar mogelijke fossielen. En ja hoor, het was weer raak. En een mooie ook nog! Leisteen is in elkaar geperste klei, en tussen die perslagen zitten vaak houtstengels of bladafdrukken van miljoenen jaren geleden. Maar dit leek wel een schelp! Ik ken dat wel van krijtrotsen, krijt is opgebouwd uit geperste schaaldieren en daar wil ook nog wel eens af en toe een fossiel van een schelp tussen zitten. Maar nu in een leisteenlaag? Ik denk dus dat het geen schelp maar iets anders is. Wie het weet mag het zeggen.

fossiel

In de bossen waren veel bomen gemerkt. Die zullen binnenkort gekapt worden. In de verte hoorden we de zaagmachine al. Maar langs de Ourthe waren er andere kappers actief: bevers!

beversporen

doorkijk

Terug naar het oude stadje Durbuy, met zijn kasteel en voormalige klooster. Geen bevers, maar wel ander wild. Op de menukaart.
En Nederlands is voor veel Franstaligen nog steeds niet gemakkelijk….

vrijkamers

Buiten bloeien de bloemetjes. Binnen: tijd voor een chambre libre!

Geplaatst in natuur | Tags: , , , , , | 2 reacties

De planeet Mars, Napoleon en de leidtoon

Heb je wel eens gehoord hoe de planeet Mars klinkt? Luister dan naar onderstaand fragment

De bovenste toon van het eerste akkoord is een leidtoon. Dat is voor mij Mars. Deze leidtoon lost in dit geval op, daarna hoor je hem nog een keer met weer een oplossing.

Binnen een toonladder van zeven tonen functioneert meestal de zevende toon als een leidtoon voor het er op volgende octaaf. Het is een dwingende toon. Zo gauw je die zevende toon hoort wil je hem oplossen en dan kom je op de grondtoon van de toonladder uit. Die zevende toon zit ook als terts in het zogenaamde dominantseptiemakkoord. Die terts wil eveneens stijgend oplossen. Bij een toelatingsexamen Conservatorium kun je met dat gegeven leuk spelen en bij kandidaten het gevoel voor dat soort dingen testen.

Dit verschijnsel kan natuur- en wiskundig beredeneerd worden, maar de werking beschrijven is een gevoelskwestie. Ik probeer drie keer de werking te beschrijven aan de hand van steeds andere muzikale situaties.

  1. De recht-door-zee-werking: Jongens: er is geen speld tussen te krijgen, het stuk is af. We horen dat bijv. in een van de thema’s van het laatste deel van de eerste symfonie van Brahms.
    Hier is het inderdaad helemaal recht toe zee-af. Het kan ook wat subtieler, door bijv. eerst een tijdje met het gegeven te spelen: het stuk lijkt af te stevenen naar het einde, maar dat gebeurt toch niet. Lekker puh.
    brahms-symfonie-1
    Luister twee keer naar bovenstaande melodie, uit dezelfde symfonie. De eerste keer hoor je een fragment, zonder begeleidende akkoorden. Het stuk lijkt zowel bij de eerste leidtoon-grondtoon, als bij de laatste twee keer leidtoon-grondtoon af. Als we dan luisteren naar versie twee, de orkestratie van Brahms, dan horen we hoe hij bij de eerste leidtoon en grondtoon zodanige akkoorden plaatst dat het niet af is. Pas op het einde wel.

  2. Vraagstelling. Bach speelt vaak met het effect van het slotakkoord. Dit heeft dan een analoge werking met wat de tekst suggereert. Soms bijv. eindigt hij op een heel smartelijk akkoord, waarna de zanger een smartelijk stukje begint. Bij het fragment uit kantate 73 dat we nu gaan horen horen we op het einde bij het woord “Freudenwort” (woord van vreugde) een akkoord, met als hoogste toon een leidtoon: het hele stukje zegt eigenlijk: alles wat hier voor gezegd is vraagt heel duidelijk om slechts één ding, de oplossing. In de tekst suggereert Bach hier: volg gewoon blijmoedig wat Christus zegt, en dan komt alles op zijn pootjes terecht (Leidtoon: oplossing). Het stukje wat daarna komt, dat niet in de onderstaande opname staat, verwoordt deze positieve manier van denken.
  3. Dwingend zijn. In het volgende voorbeeld een stukje van een pianosonate van Mozart. (KV333, tweede deel). We horen een aantal stijgende leidtonen die niet in de toonladder thuishoren en die oplossen, maar ze lossen nu niet naar de eerste toon van de toonladder op, maar bijv. naar de tweede toon. Dat maakt dat je melodisch in dit geval stijgende chromatiek krijgt. (Kleine stijgende melodische lijntjes) Na twee maten hoor je de stijgende leidtonen afwisselend in de bas of de bovenstem zitten, de bas gaat zo wie zo in kleine stapjes omhoog. Uiteindelijk wordt het fragment met een duidelijke slotformule afgerond. Ook deze stijgende chromatiek heeft iets dwingends. Ook dat is een voorbeeld van de werking van de kracht van de zevende toon van een toonladder.

De stijgende leidtoon vertegenwoordigt zo een aantal algemene werkingen, hij suggereert: “recht door zee”, “krachtig” zijn, “vragen om een duidelijk antwoord”, “doelgericht”, “dwingend” zijn.

Na de Franse revolutie, en vooral ook vanaf het moment dat Napoleon aan de macht kwam, kwam er een nieuw soort krijgstactiek. Napoleon liet zeer brede linies met soldaten vormen, die doelgericht moesten afstevenen op de vijand. Als de voorste laag soldaten gesneuveld was werd deze onmiddellijk door een volgende laag soldaten aangevuld. En zo maar doordrammen. Het kostte erg veel mensenlevens maar deze tactiek was buitengewoon effectief. Napoleon had zeer grote legers om deze tactiek te kunnen volhouden, steeds moesten er wel nieuwe lichtingen soldaten opgeroepen worden. Dat kon dankzij de door hem ingestelde dienstplicht. De huurlingenlegers van Oostenrijk en Pruisen waren er niet tegen opgewassen.

Dit onbesuisde en heldhaftige gedrag hoort bij de oorlogsgod Mars. Zo keken ook de Romeinse soldaten naar de hemel en zagen soms de rode planeet. Nu nog zien we als we er gevoelig voor zijn misschien het bloed van deze soldaten in. We voelen wellicht ook de kracht van de onbesuisde leidtoon. Doelgericht, óp naar de overwinning. Óp naar de grondtoon…

mars-woestijn

Geplaatst in Astronomie, filosofie, muziek | Tags: , , , | 2 reacties

Atonale muziek

Vind jij atonale muziek mooi? Deze vraag kreeg ik gisteren gesteld toen we over muziek waren aan het praten. Een heel begrijpelijke vraag. Na honderd jaar is de vrije atonale periode van Schönberg of Webern nog steeds nauwelijks toegankelijk voor heel veel mensen. Zelfs de schrijvende muzikanten en Bachliefhebbers Paul Witteman of Maarten ’t Hart begrijpen er niets van. Maarten ’t Hart noemt het een dwaling in de muziekhistorie.
Maar wat is mooi? De Hammerklaviersonate van Beethoven of zijn Grosse Fuge zijn niet mooi. De strijkers moeten buitengewoon heftig in extreme registers de noodkreten van Beethoven ten gehore brengen en als je gewend bent om naar mooie strijkersklanken te luisteren loop je snel weg. Maar wat een samengebalde energie, wat een ongelooflijk spannnend verhaal, wat een plot met een steeds uitgesteld slot. Mooi? Het is maar wat je daar onder verstaat. Maar overweldigend, aangrijpend.

Mooi staat voor veel mensen als welluidend. Zeer welluidende muziek is muzak. De samenklanken zijn zoet, de registers zijn gematigd, de tempi zijn rustig, de melodieën zijn vlak, heerlijk! Nee toch? Verschrikkelijk! Ik zou dus liever in plaats van mooi willen spreken over goede muziek.

Naar iemand als Dufay kun je luisteren met Muzak oren. Welluidende samenklanken, mooi gezongen, bekoorlijke registers. Als je zo luistert kun je het als een behangetje in een 15e eeuwse kerk door een speaker laten horen om de toeristen een goed gevoel te geven. Maar: zo is die muziek niet bedoeld. Bij Dufay gaat het allereerst om het uitbeelden van de tekst, muzikaal om de polyfonie, om de melodielijnen, om de dragende cantus firmus. Om dat te beluisteren zoals het bedoeld is, dat is voor mensen uit de een en twintigste eeuw niet gemakkelijk.

Naar de ‘5 Stücke für Streichquartett op.5’ van Anton Webern moet je ook op een bepaalde manier luisteren. Laten we als voorbeeld het tweede stukje nemen. De samenklanken zijn net als bij Dufay totaal ondergeschikt aan andere muzikale parameters. Als je eenmaal in staat bent de samenklanken die je hoort slechts als een soort ‘behang’ te ervaren en daar verder niet op gefocust te zijn, omdat je dat soort samenklanken niet gewend bent, kun je open staan voor het echte verhaal. Dat moeten ’t Hart en Witteman nog steeds leren. Begin dan om de textuur te ervaren. Er is hier sprake van een vrij eenvoudige gelaagdheid, voorgrond en achtergrond. Bij sommige stukjes is er voor het grootste deel een dragende melodie. Nee, niet een melodie die je makkelijk na zingt. Hij is uitvergroot, de intervallen zijn vaak groot:


Maar dat moet je een beetje zien in de extremiteit van de laatromantiek. Wagner deed dat ook, maar was niet atonaal. Laten we ons nu eens richten op de maat en het ritme van die melodie. Er is geen vaste maat. Net als bij een Gregoriaanse melodie, en feitelijk ook bij melodieën van Dufay: je moet over de maat heen denken. Er zijn slechts ophangpunten in de melodie, dat zijn langere tonen, of rusten. Daar denk je als zanger naar toe. Zoals bij een gedicht dat niet in een metrische cadans staat, maar meer het woordritme van een gesproken verhaal volgt. Zo’n dichtregel wordt dan wel poëtisch voorgedragen, met accenten en andere dynamiek, met subtiele nuances, met versnellingen en vertragingen, met een afbraak naar het einde toe, uiterst geconcentreerd en expressief. Allemaal dingen die bij taal vanzelfsprekend zijn, maar nu bij Webern worden ze omgezet in een woordloos verhaal. Als bij een gedicht van van Ostayen.

Luisteren we nu eens naar de achtergrond. Het blijkt opeens dat deze achtergrond het verhaal ondersteunt. Iedere keer als de melodie een langere toon heeft, een ophangpunt, hoor je een tel erna een akkoord. De achtergrond begeleidt de voorgrond, heel subtiel. Hij ademt mee, over de maat heen. De begeleiding maakt ook duidelijk wat opmaat is, of maakt duidelijk of een motief op een zware tel eindigt. Het eerste motief begint op een licht moment, stijgt als een vraag en eindigt op een zwaar moment. Het tweede motief heeft een veel langere opmaat, maar daalt als een antwoord en eindigt licht. Allemaal dingen die bij taal vanzelfsprekend zijn, maar bij Webern worden ze omgezet in een woordloos verhaal. Je zou er woorden bij kunnen verzinnen, die passen in het ritme van de melodie met de juiste lettergreep-accenten (vet=benadrukt):

Hallo, Hallo? (de vraag)
Ik blijf je zoeken, blijf je zoeken, je zoeken (het antwoord, dat langzaam wordt afgebroken)

Het antwoord wordt twee keer herhaald, maar steeds korter, het wordt afgebroken. Op het einde horen we in het woord ‘zoeken’, een dalende grote secunde. Probeer de melodie eens een aantal keren mee te zingen op bovenstaande tekst en draai intussen onderstaand fragment een aantal keren af:

Hierna wordt “zoeken nog een keer herhaald, maar de dalende grote secunde wordt omgezet in een dalende kleine secunde, over het octaaf heen (een kleine dalende none.) Met een pizzicato wordt het eerste stukje afgesloten. Daarna komt een soort middendeel. Deze dalende kleine secunde (het slot van het uitgebreide antwoord) wordt omgezet in een nieuwe vraag, nu horen we een stijgende kleine secunde.  Als de veranderde hoofdmelodie er dan weer bijkomt wordt er even verder een soort tegenmelodie gemaakt met deze stijgende secunde, waardoor de zetting iets complexer is. Tot slot: het gedicht wordt verstild afgesloten. Prachtig! Luister naar het hele stuk.


Dit is dus het tweede gedicht van vijf. Wat een ongelooflijke expressiviteit, wat een kleinood.

Als een gedicht van van Ostayen…

Een lied (7 juli 1916)

Een vrouw die, een heideheuvel afdalend, kleine, paarse
heidebloemen strooit over het hoofd van de welbeminde
en lacht, zó zijt gij tot mij gekomen
zomerlik reëel, sterke
ziel van buiten, geworden tot mijn ziel;
kracht, die weer buitenwaarts gaat.

Luister naar alle gedichtjes van dit opusnummer. Mooi? Nee, het is eerlijke, goede muziek!
https://www.youtube.com/watch?v=ELAKF8ZxDmg

Geplaatst in muziek | Tags: , , | 3 reacties

Mozart of Bach?

Op radio 4 had je een aantal weken de mogelijkheid om je lievelingscompositie op te geven. De volgende week wordt deze hart- en ziellijst gedraaid. Bach is weer nr. 1 met de Mattheus passie. Mozart nr. 2 met het requiem. Vanochtend op radio 4 een goede morgen met een bekende Nederlander (Hans Ablij). Hij komt voor zich zelf uit bij de opera’s van Mozart, met als absolute topper Don Giovanni. Geen slechte keuze wat mij betreft! Uitgangspunt bij de hart en ziellijst is ontroering. De muziek moet je buik raken, niet je hersens. Logisch dat het lijdensverhaal van Bach en het treuren om de doden bij Mozart hoog eindigen. Opvallend is dat geen uitgesproken romantische componisten 1 en 2 worden. In  de romantiek ging het toch vaak juist om dat onderbuikgevoel. Terwijl zeker Bach ook bekend staat om zijn juist ingewikkelde composities, zoals zijn orgelstukken of de Kunst der Fuge. Ik kan emotioneel worden als ik naar de Kunst der Fuge luister. Hoe kan dat? Ik denk: omdat je opeens onderdeel wordt van een universum, omdat je een gevoel van nietigheid krijgt, zoals wanneer je eenzaam hoog in de bergen staat. Tussen onbegroeide rotsen. Naar een sterrenhemel kijkt in de woestijn. Veel componisten lukt dat pas als ze wat ouder zijn. De laatste pianosonates van Beethoven hebben meer diepgang dan eerdere als de bekende Mondscheinsonate of  de Appassionata. De allerlaatste pianosonate van Beethoven eindigt zelfs verstild, iets wat heel bijzonder is bij Beethoven, en zeker bij een laatste deel. Bartok schreef zes strijkkwartetten. Allemaal stukken met veel diepgang. Maar het zesde is weergaloos. Webern schreef niet veel. Hij was een zoeker. Een van zijn laatste werken is zijn strijkkwartet op. 28. Dit kwartet brengt je in een soort microscopische, ja misschien zelfs atomische wereld. Het is zeker geen academische muziek. Seriëlisten van na 1945 maakten van Webern een academicus. Maar Webern maakte ook in dit werk uiterst expressieve muziek! Luisteren, je afsluiten voor je omgeving en er in opgaan. Voor mij zijn dit voorbeelden van stukken die mij heel diep raken zonder dat er directe verwijzingen zijn. Een hart en ziellijst zonder tekst.

Bach, Kunst der Fuge

Beethoven pianosonate nr. 32 ,,eventueel vanaf 9:58 minuten (laatste deel, duurt dan nog ruim 20  minuten)

Bartok strijkkwartet nr.6. Eventueel vanaf 22:30 minuten (4e deel)

Webern strijkkwartet op. 28

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

Geertgen tot Sint Jans

Wat heerlijk zo’n museumjaarkaart. Je kunt gewoon naar binnen lopen en een half uurtje naar enkele geliefde objecten kijken. In museum Boijmans van Beuningen doe ik dat af en toe, en ik loop dan zo wie zo altijd langs een van de meest fantastische schilderijen die ik ken.

geertgen tot sint jansHet is een afbeelding die wordt toegeschreven aan Geertgen tot sint Jans. We zien Maria met kind, in een soort mandorla, met daaromheen engelen. Maria kijkt liefdevol naar haar kind, maar in haar blik zit ook al het stille verdriet, wetende wat het kind allemaal nog zal moeten meemaken. Ze is evenwel al gekroond, zoals ze vaak wordt afgebeeld wanneer ze ter hemel is opgenomen na haar dood. Maria staat op de maansikkel en daar onder zien we een draak. Op andere soortgelijke afbeeldingen zien we soms ook in plaats van een draak een slang. Dit verwijst naar het Bijbelboek Openbaring, waarin Johannes schrijft over een vrouw ‘met de maan onder haar voeten’. De maansikkel is een symbool van kuisheid. De draak of slang herinnert aan wat eertijds in het aards paradijs gebeurde. Eva werd verleid door de slang (draak, duivel) en daardoor was de gehele mensheid verdoemd. Maria houdt deze draak met Christus in haar armen in bedwang, Eva is omgezet in Ave (de omgekeerde letters.) Ave Maria staat daardoor ook voor de redding van de mensheid. De maansikkel, ook het Romeinse symbool bij de godin Luna, staat voor kuisheid.
Maar het meest bijzondere van dit schilderij is wat we buiten de mandorla zien. Ongelooflijk. Je moet er dichtbij gaan staan. En dat kan in Boijmans. Ik ben bijna steeds de enige die daar staat te kijken.
vijf engelenDirect rond Maria zien we zogenaamde serafijnen. Serafijnen zijn engelen die het hoogste in rang zijn en dus het dichtste bij Maria mogen staan. Ze bevinden zich in geel-oranje-achtig licht. Ze hebben zes vleugels. In de iets verdere sfeer zien we nog een aantal engelen, nu met allemaal werktuigen waarmee Christus in de lijdenstijd is gemarteld (de zogenaamde arma Christi). We zien de doornenkroon, de geselpaal, de hamer, de spijkers, de spons, de lans en het kruis. Het meer rood-paarse licht symboliseert het bloed en lijden van Christus. Daarbuiten nog een sfeer, in een nog meer donkere, wat paarsachtig licht, nu zien we musicerende engelen. Die staan het meest dicht bij de aarde. Hoe verder van de hemel, hoe donkerder het wordt. We zien aardse instrumenten, o.a. belletjes, harp, trompet en rechtsboven als je goed kijkt zelfs een spinet. Christus zelf heeft ook belletjes en musiceert met de engelen mee. Op wikipedia staat over dit schilderij:
De verheerlijking van Maria is een schilderij dat veelal wordt toegeschreven aan de schilder Geertgen tot Sint Jans. Hierover bestaat onder wetenschappers echter geen consensus. Het bevindt zich in de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Het schilderij moet ooit deel van een tweeluik geweest zijn – het andere paneel, dat zich in de collectie van de National Galleries of Scotland bevindt, stelt De kruisiging met de heiligen Hieronymus en Dominicus voor.
Het schilderij verbeeldt de maagd Maria gezeten op een maansikkel, het symbool van de kuisheid. Ze verplettert de draak, symbool van het kwaad. Maria wordt omringd door passiewerktuigen en engelen. Onder haar voeten is een sophia-symbool, de maan, waaronder een draak, symbool voor de bedwongen Lucifer.
Het geheel is een verwijzing naar het Evangelie volgens Johannes 12:1: En daar werd een groot teken gezien aan de hemel, een vrouw bekleed met de zon, en de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren.
Rondom Maria wordt muziek gemaakt: in de binnenste cirkel zijn engelen te zien, daaromheen wordt musica sacra gezongen blijkens de teksten, en weer daaromheen instrumentale musica humana. Opmerkelijk is met name de aanwezigheid van een klavecimbel-achtig instrument in de rechterbovenhoek van een schilderij van rond 1500

Over de maker op wikipedia: Over Geertgen tot Sint Jans is niet zo veel bekend. Hij zou in Leiden geboren zijn rond 1460/1465. Volgens Karel van Mander, in zijn Schilderboeck, was hij een lekebroeder in het klooster van Sint Jan in Haarlem (waaraan hij zijn naam ‘tot Sint Jans’ dankte), was hij een leerling van Albert van Ouwater en stierf hij jong, op ongeveer achtentwintigjarige leeftijd.

Feitelijk moet Geertgen tot Sint Jans dan ook Jan Joest gekend hebben, die in een eerder blog van mij over de Nicolaikirche van Kalkar voorkwam. Jan Joest is in Haarlem geboren en gestorven, en zal van ongeveer dezelfde generatie als Geertgen tot Sint Jans zijn geweest. Allebei zeer bijzondere kunstenaars! Als je dan toch naar de tentoonstelling van Bosch tot Brueghel in Boijmans gaat, loop dan ook eens naar de vaste collectie, die heel intiem in kleine ruimtes staat opgesteld. En geniet van dit zeer bijzondere kleinood.

Geplaatst in kunst | Tags: , , , , , | 2 reacties

Graafmachine

Gisteren was ik bij museum Boijmans van Beuningen, niet bij de tentoonstelling ‘van Bosch tot Bruegel’, maar bij de vaste collectie. Nou ja, vaste collectie? Het eerste wat je tegen komt als je door de oude hoofdingang naar binnen gaat is een ‘toren van Babel’ van Ted Noten. En even verder een ruimte met een grote zandbak waar op dat moment een miniatuur graafmachine zand verplaatst, eveneens ontworpen door Ted Noten. Hieronder zie je op de achtergrond iets van de toren van Babel en op de voorgrond de zandbak met graafmachine, allebei dus van Ted Noten.
bulldozer ted noten
Ik moest onmiddellijk aan mijn oudste kleinzoon denken. Dát zou hij leuk vinden. Hij is ruim 2 jaar inmiddels en helemaal gefascineerd door kranen, bulldozers en dat soort spul. Hier zou hij rustig 10 minuten naar kunnen blijven kijken.
Ted Noten is van huis uit sieradenmaker, maar begeeft zich dus ook op het pad van andere vormen van beeldende kunst. Ik ga dan altijd weer nadenken over het fenomeen “kunst”, als ik dit soort kunstobjecten tegen kom. Zijn ‘toren van Babel” heeft iets weg van de ‘merz’ kunstwerken van Kurt Schwitters van ongeveer 90 jaar eerder. Kunstwerken op basis van afvalmateriaal. Dat was toen nieuw en paste in de Dada-gedachte, maar dat doe je toch niet meer, was nu mijn eerste gedachte? Zelfs niet als je er een leuk verhaaltje bij verzint: dit vertelt Ted Noten er zelf over:

Ik merk dat ik moeite blijf houden met veel vormen van conceptuele kunst, alhoewel er in dit geval ook nog een esthetisch element bij aanwezig is. De toren van Babel van Ted Noten staat er netjes bij. Het kan soms vermakelijk zijn, zoals het kijken naar een echte graafmachine kan boeien, of een bijtje op een bloem ook leuk is om naar te kijken. Dat doe ik dan dus ook regelmatig, maar niet in het museum. Nee, ik ga met mijn kleinzoon naar de Lek of Hollandse IJssel, daar valt genoeg te beleven!

bulldozer

Geplaatst in kunst, recensie | Tags: , , , , | 3 reacties

Oren en ogen in de 21e eeuw

Wat komt er tegenwoordig niet allemaal op je af aan beelden. Film, foto’s, reclame. Iedereen maakt films en foto’s. De mensen willen in het algemeen onmiddellijk aangesproken worden op gevoelens. ‘Oh wat mooi’. ‘Verschrikkelijk, die foto’s uit Syrië’. Op facebook zijn het vooral de gezellige en grappige foto’s en video’s. Of het spreekt onmiddellijk je gevoel aan, of het is oppervlakkig. Ruimte om een beeld te ervaren op andere manieren lijkt er bijna niet te zijn. In musea gaat het daar wel meestal om, dan wordt je aangemoedigd om te kijken zoals in de bijgevoegde teksten wordt uitgelegd. Gaat ook niet automatisch. Als het om kunst gaat van voor 1600 dan is het meestal kerkelijke kunst. De kunstwerken zijn in dat geval in musea te zien buiten de originele context. Dat maakt het nog moeilijker.

Enigszins vergelijkbaar is het met de geluidscultuur. Buiten de filmmuziek is muziek iets dat je meestal mee moet kunnen zingen of dansen of het is puur achtergrondmuziek. Het heeft een makkelijke ordening, zinnen van  8 maten en het nummer staat in een duidelijke maatsoort. Klassieke muziek is vanaf de klassieke tijd meestal harmonisch van aard, alle melodieën staan in een duidelijke harmonische context, met begeleiding. Soms wordt er nog teruggegrepen op oudere vormideeën, zoals de fuga, maar de fuga bij Mozart of Mendelssohn is vormtechnisch veel meer geordend, de muziek is geperst in een 8+8 maten model, en daardoor makkelijker harmonisch te volgen. In de loop van de 19e eeuw wordt alles complexer om vanaf Debussy compleet nieuwe wegen in te slaan. Deze nieuwe wegen grijpen soms zelfs terug op oude principes van de middeleeuwse muziek, zoals die van het Gregoriaans.

Kern van het Gregoriaans is een eenstemmige melodie, die niet in een maat staat. Zo volgt bijv. een Gregoriaans introitus meestal het tekstritme, waarbij bepaalde lettergrepen uitvergroot worden, versierd worden zo je wilt. Als zo’n melodie in de middeleeuwen in een klooster gezongen werd door een groep monniken dan klonk het als één stem. Dit doordat iedereen precies gelijk inademde en de tekst als een soort groot gezamenlijk instrument uitademde. Het ervaren van die gemeenschappelijkheid op muzikaal gebied, maar vooral ook het ervaren van de inhoud van de tekst, dus samen beleven wat er gezongen wordt, dat is de kerngedachte van deze muziek. De melodieën zijn niet te persen in een voor-nazin structuur. Ook klinken er geen akkoorden en zijn ze theoretisch op veel manieren te harmoniseren, maar dat zou dan een grillig harmonisch verloop opleveren, zonder richting. Het tempo is onregelmatig, zoals ook het tempo van een geproken tekst onregelmatig is, met ogenschijnlijk grillige versnellingen en vertragingen.

Totaal anders als dat wij met onze 21e oren gewend zijn als we naar muziek luisteren. Plak daar dan ook nog eens een ingetogen, spirituele dimensie bij. Het is logisch dat deze muziek vaak niet begrepen wordt. En ook als de muziek vanaf de elfde eeuw steeds vaker meerstemmig wordt is het niet de soort meerstemmigheid zoals wij die nu kennen.

Wat ik hierboven schrijf is gebaseerd op eigen ervaring. Na een jaar conservatorium en enkele maanden hoofdvak theorie zei mijn hoofdvakleraar theorie indertijd tegen mij: ‘jij moet eens veel Bach gaan spelen’. Dat ben ik gaan doen. En juist door het veel te doen ontdekte ik wat melodisch denken is, wat polyfonie vermag. Daarna stapte ik in een werkgroep oude muziek. Ik dook helemaal in de principes van Gregoriaanse muziek, die ik oppervlakkig vanuit mijn opvoeding al kende. Maar nu pas was ik er echt aan toe. Je moet niet harmonisch denken, dat moet je bij die muziek vergeten. Er zijn echter zo ontzettend veel andere elementen die we verleerd zijn, die daarvoor in de plaats komen. Als je er tenminste voor open staat. Naarmate ik ouder werd dacht ik ook steeds meer het spirituele aspect te begrijpen. Hier hielp voor mij ook de beeldcultuur uit die tijd bij. De beelden zijn niet natuurgetrouw. Tot rond 1450 is de beeldtechniek nog enigszins onbeholpen. Maar de beelden proberen bijv. goddelijke waardigheid uit te stralen. Je moet de bijbel kennen en weten wat de boodschap is. Die probeert de kunstenaar centraal te stellen.

majestas domini maastricht servaasZo is het ook in de muziek. Het aardige is, dat als je eenmaal zo ver bent om dat te kunnen ervaren je ook veel meer van de vroege atonaliteit van iemand als Anton Webern gaat begrijpen. Anton Webern studeerde harmonieleer bij Schönberg en daarnaast muziekgeschiedenis aan de universiteit van Wenen. Daar studeerde hij af op Heinrich Isaac, een kunstenaar van rond 1500..  Dat heeft hem naar mijn gevoel ook in zijn composities sterk beïnvloed. En schilderijen van Kandinsky of Klee, ook daar zitten denk ik elementen in die verwant zijn met middeleeuwse principes. Daarover later een keer meer…

Luister bij onderstaand stuk eens naar de aparte melodieën. Het hele stuk heeft een bekende tekst voor de gelovige. Deze tekst is een formule, een bezwering zo je wilt. Je hoort een ritueel. Een ritueel verpakt in serene schoonheid. Schoonheid die je ervaart door het geheel met gesloten ogen te beluisteren. Hoor de prachtige melodieën in al de stemmen, laat je meevoeren in de onregelmatige ritmiek, die niet aan een maat gebonden lijkt en probeer vooral niet harmonisch te luisteren. Daar gaat deze muziek niet om. Of nog intenser, als je dat kunt: zing in dezelfde ademhaling als die van de opname, als was je een monnik, een van de stemmen mee.

Johannes Ockeghem, Kyrie uit de mis Prolationum, gemaakt aan het Franse hof rond 1470.

Heer ontferm u over ons

ockeghem prolationum mis kyrie

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , | 2 reacties

Muzikale ervaringen in Kalkar

Je weet niets van kunst, niets van de bijbel, niets van technieken. Je kijkt zo onbevoordeeld mogelijk naar een schilderij waarop de opwekking van Lazarus wordt uitgebeeld. Je laat alles diep in je ziel doordringen. Als je dat lukt: je krijgt een muzikale, ja goddelijke sensatie.

Zo probeert een vriend van mij, die veel van kunst af weet allereerst te kijken naar een kunstwerk. Mij overkomt dat ook af en toe. Ik had het in ieder geval toen ik de aanbidding van de wijzen zag in de dom van Keulen van Stefan Lochner uit 1440, of de pala di san Giobbe van Bellini in Venetië, uit 1487. Kunst die je kunt bekijken vanuit het handwerk, maar die je ook kunt ervaren als muziek, met een hogere, enigszins mystieke dimensie.

apostel met zaagDe St. Nicolaikirche van Kalkar biedt zeer vele mogelijkheden om dergelijke ervaringen te hebben. We waren er gisteren. Ik ben er nog vol van. Ik licht er twee uit. De “Dufay” van Kalkar is voor mij een anonieme kunstenaar die de apostelen met Christus maakte, waarschijnlijk oorspronkelijk afkomstig van een inmiddels verdwenen doxaal. Ook de apostel Johannes is verdwenen, maar de overige beelden staan boven op de koorbanken, voor het hoogaltaar van Meister Arnt, Jan van Halderen, Meister Loedewich en Jan Joest, waarover dadelijk meer. Het zijn eenvoudige beelden en als je iets weet van de iconografie zie je om welke apostelen het gaat. Dat is de oppervlakte. Maar je ervaring kan verder gaan. Zo zie je hier de apostel Simon. Hij wordt meestal met een zaag afgebeeld. Maar in al zijn eenvoud ervaar je als je er voor openstaat de ziel van de kunstenaar die zich inleeft in deze eenvoudige visser die zijn leven dienstbaar maakt aan dat van zijn leermeester. Als je dat voelt, dan heb je een muzikale ervaring zoals wanneer je luistert naar een cantus firmusmis van Dufay uit dezelfde tijd. Je kent de iconografie, in de tenor zit een bekende melodie en die hoor je als kapstok. Maar de ziel van de muziek zit in de andere stemmen, vooral in de sopraan. Die probeert te communiceren, die zegt meer dan alleen wat je in de tenor al weet. De andere stemmen zingen het ingetogen verhaal van de gelovige kunstenaar. Dat is de nieuwste kunst van die tijd, de opvolger van de vorige nieuwe kunst, ars nova.  Maar het blijft goddelijke kunst. De communicatie is voor ons 21e eeuwers niet vanzelfsprekend. Wij hebben dat verleerd. Zoals ook het kijken naar die anonieme beelden uit 1450 niet vanzelfsprekend is.

Rond 1500 is in Italië de renaissance op zijn hoogtepunt. Leonardo da Vinci en Rafael maken er de dienst uit. Zij maken goddelijke kunst, niet te evenaren, iedere kunstenaar uit die tijd werd er door overdonderd. Maar wat vinden we van Jan Joest, die 20 schilderijen maakte voor het hoogaltaar van Kalkar. Je kunt er maar 10 tegelijk zien, de andere 10 zie je als het altaar met het beeldhouwwerk in het midden gesloten wordt, in de kersttijd. Dan zie je de verborgen schilderijen van Jan Joest met o.a. het hele kerstverhaal.

janjoeskleinMaar nu zie je bij een van de andere tien bijv. de opwekking van Lazarus. Je herkent het verhaal, Lazarus is al dood en wordt door Christus tot leven gewekt. In de geest van de Vlaamse primitieven (Jan Joest heeft voordat hij naar Kalkar kwam een tijd in Brussel gewerkt) zien we veel meer dan het verhaal uit het nieuwe testament. We zien hoe trots het stadhuis van Kalkar op de achtergrond wordt getoond. (Staat er nog steeds, in de Ratskeller kun je heerlijk eten). We zien hoe mensen zich afwenden met hun hand of doek voor de mond: Lazarus was echt dood, hij stinkt al. We zien op de voorgrond levensechte details als zand, opzij geschoven om het graf van Lazarus te openen, en bloemetjes. Op de grafsteen staat al geschreven wanneer Lazarus overleden is, zoals dat in de tijd van Jan Joes gebruikelijk was om op grafstenen van zijn tijdgenoten te zetten.

janjoesdetailToch is ook dit nog steeds de oppervlakte. De ziel van het schilderij zit hem voor mij in de blik van Lazarus, die opkijkt naar Christus, en in Christus, die die blik beantwoordt. Daarin zit dezelfde goddelijkheid die ik bij Lochner en bij Bellini ervoer, dat is voor mij de goddelijke ervaring die ik nog steeds bij het Ave Maria van Josquin kan hebben, vooral als vlak voor het einde de bas een octaafsprong maakt, zich opricht naar Maria (memento mei..!), om haar te smeken om te bemiddelen tussen mij, eenvoudige mens, en Christus, als de tijd gekomen is.

Geplaatst in Geschiedenis, kunst, muziek | Tags: , , , , , , , | 5 reacties

Bloedmaan

bloedmaan4-klein
Huiveringwekkend, betoverend, bloedstollend…
Daar stond hij dan, in het holst van de nacht. Elke dag is hij altijd al een beetje anders, hij komt steeds een uur later op, heeft per dag een iets ander gezicht, maar nu veranderde hij in een nacht tijd van een zilveren reus geleidelijk in een bloeddorstig monster, om daarna zijn reuzengestalte weer aan te nemen.
maan1-4
Het was de moeite waard om hier voor uit bed te komen. Als kind al, toen er nog nauwelijks luchtverontreiniging was en ook de lichtvervuiling minimaal, ging ik bij heldere nachten naar buiten en bestudeerde de sterrenhemel. Ik wilde nieuwsgierig alles weten, maar tegelijk ervoer ik en besefte ik diep de nietigheid en de oneindigheid van alles. Zo is er duizenden jaren door de mensen naar de hemel gekeken. Na de zon was de maan het meest indrukwekkend. De zon zorgde voor dag en nacht en we konden de seizoenen ermee meten. Maar de maan had altijd iets geheimzinnigs, iets veranderlijks. De helft van de tijd aan de daghemel, maar dan meestal niet of nauwelijks te zien, de andere helft aan de nachthemel. En bij volle maan, zoals afgelopen nacht, zelfs de hele nacht. De maan werd zo vooral symbool van de nacht, van duistere, geheimzinnige dingen. Zeker de volle maan geeft veel licht, dat kon je met name gisteravond weer goed zien. Enorme schaduwen in de polder en een prachtige weerschijn op de rivier de Lek. Maar het is een glanzend, zilverkleurig licht. De maan maakt weemoedig, speelt in op ons gemoed. En als je toch al in een bepaalde bui bent worden alle gevoelens, verdriet, woede, angst erdoor versterkt.
In de muziek hebben veel componisten hier iets mee gedaan. Bijv. de hele liederencyclus Pierrot Lunaire van Schönberg is hierop gebaseerd. In een andere column wil ik daar graag een keer op in gaan. Maar nu wil ik het eerst hebben over meer algemene aspecten zoals ik die in de muziek met de maan associeer.

Voor mij staat majeur voor de zon, mineur voor de maan. Majeur is stabiel, de boventonen van een toon leveren samen met die van zijn onderkwint en bovenkwint een majeurtoonladder op. De mineurtoonladder is hiervan afgeleid, maar minder stabiel. Mineur is allereerst de zogenaamde paralleltoonladder. Dat is de aeolische toonladder. Deze heeft een heel andere sfeer, maar door het ontbreken van een leidtoon is deze minder stabiel. Aeolisch heeft de neiging over te gaan in majeur. Om deze toch wat meer stabiel te maken zien we dat zo ongeveer vanaf de barok mineur heel vaak een leidtoon krijgt. We noemen dat harmonisch mineur. Dat is een erg spannende toonladder. Veel barokke, klassieke en romantische componisten kozen deze toonladder als ze wat meer dramatische muziek wilden maken. In de balkan ontstond de zigeunertoonladder, met nog een extra leidtoon, en nog wat dramatischer.

Maar als componisten uiterst smartelijke muziek willen schrijven, maken ze vaak gebruik van harmonisch mineur met ook nog een verlaagde tweede toon, zodat je ook nog een dalende leidtoon voor de grondtoon er in hebt zitten. Dat is voor mij de bloedmaantoonladder. Akkoorden, gebouwd op deze verlaagde II worden ook wel Napelse akkoorden genoemd. Napels, de stad van de opera maar vooral ook van de weemoedige en dramatische opera.

Je ziet, mineur heeft vele gezichten, veel grillige kleuren, zoals de maan vele schijngestalten heeft.

che debbo far2Hendrik Andriessen schreef twee madrigalen op een Italiaanse tekst van Petrarca (Canzonieri nr 268) voor vierstemmig gemengd koor en orkest. Hieronder de tekst, de vertaling en de muziek (in een slechte opname, maar toch). Schrijnende, bloedstollende, muziek, geschreven met akkoorden die horen bij de toonladder van de bloedmaan. Het orkest begint al met een Napels akkoord, en als het koor erbij komt horen we dat weer

Che debbo far
Che debbo far che mi consigliamore? Volgia me glocchii miei sospiriascolta.
Guai sono stati glianni ei giornie l’ore a seguitar costei chin fuga’e volta?

Wat moet ik doen, wat raadt ge me, geliefde? Richt uw ogen op mij, luister naar mijn klachten.
Ach, zijn de jaren, dagen en uren vergaan met het volgen van degene die op de vlucht was?

Morteo mercè sià fin al miodolore.
Rendimi s’esser può Liberae sciolta l’alma d’ogni suo ben spoglatae priva. Che sospirando vadi riva in riva.

Moge dood of erbarmen het einde zijn van mijn smart.
Geef mij de ziel terug, van ieder goed beroofd, en bevrijd mij, die zuchtend gaat van kust naar kust. (vertaling overgenomen van http://www.cantatekooralmere.nl/doku/andriessen.htm)

Geplaatst in Astronomie, muziek | Tags: , , , , , , , | 5 reacties

Jupiter

De Grieken en Romeinen hadden een oppergod, Zeus alias Jupiter. Deze God was ook aan het firnament vertegenwoordigd. Het was na Venus de meest heldere planeet, maar Venus kon geen oppergod zijn. Venus was dan wel meer helder dan Jupiter, maar deze planeet was sterk aan de zon gebonden, ze was altijd ochtend- of avondster. Je kon deze planeet nooit midden in de nacht zien. Jupiter daarentegen maakte een geleidelijk rondje om de zon en controleerde met zijn sterke planetenglans systematisch het hele firnament. De aarde draait in één jaar om de zon, maar Jupiter draait in bijna 12 jaar om de zon. Jupiter heerst in een cyclus van 12 jaar.
Waar doet dat aan denken? Wel, aan de 12 chromatische tonen van de toonladder bijv., of aan de 12 maanden van het jaar. Of aan de kwintencirkel, de 12 kwinten die bijna 7 octaven zijn. Jupiter hoort naar mijn gevoel bij de kwint. De kwint heeft in de muziek meerdere eigenschappen. Als je vanuit een majeur toonsoort moduleert kom je meestal in een toonsoort terecht die een kwint hoger ligt. Dat was de standaard procedure zo’n beetje vanaf 1700-1850, ruwweg de classicistische periode. Daarvoor en daarna ook, maar vooral daarna wilden de componisten bewust het toonspectrum uitbreiden en anders, sneller, spannender moduleren. De meest natuurlijke nieuwe toonsoort is echter die van een kwint hoger.
Maar naast dat modulatie-aspect kennen we ook de zogenaamde cadens: een akkoord op de kwint van de toonsoort wil terugkeren naar het tonica-akkoord, (G wil naar C, Een authentieke cadens is iets dat met V-I eindigt.) Veralgemeniseerd: het klinkt heel natuurlijk als akkoorden via een dalende kwintbeweging elkaar opvolgen, de zogenaamde kwintval (bijv. E-A-D-G-C). In de jazz en popmuziek nog steeds een van de meest voorkomende akkoordprogressies. Deze twee richtingen van de kwint, stijgen bij modulaties en dalen bij cadens en kwintval, maken de kwint buitengewoon krachtig.

jupiter en de kwint
De kwintencirkel staat voor een architectonisch bouwwerk, en voor mij is feitelijk het idee van een compleet en samenhangend muziekstuk hetzelfde. Ik bedoel niet de samenhang die een tekst schept. Neem de tekst van de mis, zet die op muziek en je hebt een muziekstuk. De samenhang wordt dan evenwel vooral gemaakt door de tekst. Nee, ik wil het zo: neem een motief en werk dat uit tot een samenhangend instrumentaal muziekstuk van bijv. een half uur. Om dat te kunnen moet je bij mensen als Bach zijn (in zijn fuga’s bijvoorbeeld), maar nog meer bij Beethoven. Hij is de meesterarchitect van de componisten, hij kiest een bouwsteentje en daar komt alles uit voort. Je kunt al zijn symfonieën, concerten, kamermuziek op die manier analyseren en staat telkens weer versteld hoe buitengewoon hecht al deze composities in elkaar zitten. Niet iedereen ervaart dat even sterk, je moet je zelf niet teveel laten meeslepen door details. Het vergt ook een bepaalde luisterhouding, die hoort bij een bepaalde geesteshouding. De Jupiterhouding zou ik willen zeggen. Tot in zijn late strijkkwartetten blijft Beethoven in de kern trouw aan dit principe, maar de architectuur verandert met de jaren, wordt grilliger, wordt spannender zo je wilt. Maar het gebouw stort nooit in elkaar, het staat als een huis. Elke sonatevorm is herkenbaar, maar nooit hetzelfde.
Als voorbeeld een vroege pianosonate van Beethoven, een schoolvoorbeeld van de klassieke sonatevorm. De sonatevorm berust op een aantal principes:
1. Tonale principe: Tegenstelling tussen hoofd-toonsoort en dominant-toonsoort
2. Afwisseling stabiel/instabiel: 1e thema (stabiel), overgangszin (instabiel), 2e thema (stabiel), doorwerking (instabiel).
3. Contrast tussen motieven, vooral hoofdmotief uit 1e thema en hoofdmotief uit 2e thema
In de hierna afgebeelde wavevorm zie je globaal het vorm-idee: Expositie, herhaling expositie, doorwerking, reprise. Je ziet gelijk ook waar de architect het bouwwerk aanpast, in de reprise is het tweede thema bijv. veel langer en eindigt nog met een uitbundig slot welk in de expositie ontbreekt.
sonatevormop10-1

Jupiter of zijn Griekse evenknie Zeus wordt vaak afgebeeld met een scepter, een offerschaal, een adelaar, een bliksemschicht en een wereldbol. Als een adelaar overziet Jupiter het hele bouwwerk van de wereld waar hij met een scepter over heerst, maar een en ander gaat met spanning en strijd gepaard (offerschaal en bliksemschicht). De bouwwerken van Beethoven zijn machtig maar ook spannend en niet makkelijk tot stand gekomen, als we de biografieën van deze kunstenaar mogen geloven…

Geplaatst in Astronomie, filosofie, muziek | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Drie maal een beeldenstorm in de Oude kerk van Delft

Als je een tijd in Rome vertoeft en gevoelig bent voor de retorische boodschap van alle gebouwen en beeldhouwwerken uit de barok dan moet je wel haast tot de conclusie komen: het Rooms Katholicisme is het enige ware geloof. Zo is ook de Nieuwe kerk van Delft er op gericht om je een waar patriot te laten voelen en vooral ook een aanhanger te zijn van de oranje dynastie. In de Nieuwe Kerk staat op de meest heilige plaats, waar bij de katholieken het altaar staat, op het koor, het grote oranjemonument. Daaronder liggen bijna alle Oranje vorsten en een aantal van hun familieleden begraven, vanaf de vader des vaderlands, onze vader, Willem de Zwijger. Willem is onze verlosser. Ook zijn nazaten hebben een goddelijke status. Over opvolger Maurits lezen we bij het graf van Hugo de Groot: Maurits kan de politieke en godsdienstige eenheid bewaren en straft de Remonstrantse leiders zwaar. Van Oldenbarnevelt sterft op het schavot, Hugo de Groot krijgt levenslang. (Maar ontsnapt zoals we weten). Er had ook kunnen staan: er was een machtsstrijd gaande tussen de stadhouder Maurits en de raadspenionaris Oldenbarnevelt. De stadhouder wist op een handige manier het gepeupel voor zich te winnen door aan de kant van de contraremonstranten te gaan staan en daarna een bestuurlijke staatsgreep te plegen. Dat had tot gevolg dat het eerdere ideaal van een zekere godsdienstvrijheid om zeep werd geholpen. Nederland werd een extreem calvinistische staat. Oldenbarnevelt, Hugo de Groot en talrijke andere vrijdenkers werden gedood, opgesloten, verbannen of gingen zelf op de vlucht. Dit dank zij onze tweede Oranjevorst. Maar natuurlijk, zo mag je het niet zeggen… De hele kerk is eigenlijk, ook al door bijv. het Wilhelminaraam of het prins Willemraam, een groot Oranje propaganda monument.

De oudste parochiekerk van Delft is evenwel niet de Nieuwe kerk, maar de Oude kerk, waarvan de bouw al begon in 1240. De oorspronkelijk eenbeukige hallenkerk werd begin 16e eeuw vergroot, de bedoeling was om er drie beuken van te maken, maar de derde beuk kwam nooit gereed. Er staat: het is onbekend waarom dat deel niet werd afgemaakt, het zal geldgebrek zijn geweest maar vooral ook de godsdienstige veranderingen die er aan zaten te komen. Ik denk zelf dat het tweede argument toen nog niet speelde, dat lijkt me te veel achteraf terugredeneren. De parochiekerken waren de trots van de parochianen. De hetzes en opruiïngen kwamen pas veel later. Geldgebrek lijkt mij de meest aannemelijke en voornaamste oorzaak.

In 1566 kwam de beeldenstorm. Hoe rijk zal deze kerk niet versierd zijn geweest? De spaarzame dingen uit die tijd die deze geweldsgolf overleefd hebben en nu meest in musea staan geven nog een indruk. Maar: de preekstoel uit 1543 overleefde de beeldenstorm. Zijn redding was: hij stond niet vooraan bij het koor, maar in het midden van de kerk. Dat hoorde prachtig bij het nieuwe ideaal van de protestanten: de bijbellezing vanaf de preekstoel, dat is het waar het om gaat, dat moet letterlijk centraal staan. Dus hij mocht daar blijven staan. Bovendien: op de preekstoel waren naast Johannes de Doper de vier evangelisten afgebeeld, de schrijvers van de bijbel. De afbeeldingen zijn prachtig in hout gesneden, in één vlak, maar toch ruimte suggererend. Zie de afbeelding van de evangelist Lucas.

preekstoel oudekerk delft lucas

Toen kwam er een tweede beeldenstorm. Rond 1800, toen Nederland een patriottische republiek was (zonder Oranjevorsten…) en een vazalstaat van Frankrijk, besloot men om in het kader van de leus “vrijheid, gelijkheid, broederschap” dat de afgebeelde familiewapens van de edelen die in de kerken begraven waren moesten worden verwijderd. Van veel prachtige grafstenen werden de familiewapens toen weggehakt. Sommige stenen wisten de dans te ontspringen, doordat nazaten de stenen tijdig hadden omgedraaid.

Na de beeldenstorm van 1566 werden in de meeste protestantse kerken de stenen doopvonten verwijderd en vervangen door een eenvoudige schaal. Maar In de oude kerk van Delft staat weer een stenen doopvont. Helaas heeft die een derde beeldenstorm niet kunnen doorstaan. Op de doopvont, afkomstig uit een katholieke kerk, stonden de woorden “St. Lucas”. Heiligen (St.), daar doen ze bij de protestanten niet aan. Dus ook dit mooie kleinood moest nog een kleine beeldenstorm ondergaan…. (ST = weggekrast)

doopvont oude kerk delft

Maar dit alles is natuurlijk niets bij de beeldenstormen waarvan we af en toe foto’s zien in Syrië. Beeldenstormen horen bij de gevoelens van het volk. Christelijke kerken horen bij het gehate westen. Zoals heiligen hoorden bij de gehate katholieken. Het uiten van dit soort gevoelens, daar is Nederland altijd erg goed in geweest. Denk niet alleen aan de beeldenstormen maar ook aan bijv. de lynchpartij van de gebroeders de Witt in 1672.

De wil van het volk is eng en gevaarlijk. Ik heb liever een verlicht despoot aan de macht die wijs is en het voor het zeggen heeft. Volgens mij zou Willem-Alexander een fijne dictator zijn. Dat zou goed zijn voor Nederland, voor ons onderwijs, voor de zorg en, ik weet het eigenlijk wel bijna zeker, ook voor de kunst…

Geplaatst in kunst, maatschappij | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Eenvoud in Muziek (I)

Heb je wel eens geluisterd naar de klacht van Iros? Schrijvers van liedjes met een verhaal of musicalcomponisten zouden dat allemaal eens moeten doen. Rond 1600 ontstaat de opera en alle liedjes van nu met een verhaal er omheen zijn feitelijk schatplichtig aan de verworvenheden uit die tijd. De grootste meester in die begintijd was Claudio Monteverdi. Hij was iemand die werkelijk kon spelen met het materiaal. (Ook overigens bij zijn geestelijke werken zoals bij de beroemde Mariavespers of bij zijn polyfone wereldlijke zangstukken zoals de eerste 4 boeken met madrigalen). Bij alles stond bij hem de verstaanbaarheid, doorzichtigheid maar vooral ook de werking van de tekst centraal.

In 1640 schreef hij in Venetië zijn twee na laatste opera, Il Ritorno di Ulysse in patria. Odysseus keert na vele omzwervingen terug naar zijn vaderland, het eiland Ithaka. Hij treft daar een aantal vrijers aan rond zijn vrouw, die allen azen op zijn bezit door met deze Penelope te willen trouwen. Iros, een knecht, wordt door deze vrijers volgestouwd met eten om hem te laten spioneren. Uiteindelijk schiet Odysseus deze vrijers allemaal dood en de overgebleven Iros klaagt dat hij nu niet meer verwend wordt. Met deze klacht van Iros start de derde acte. Monteverdi geeft voortdurend blijk dat hij niet alleen dramatisch een meester is, maar ook een groot gevoel voor humor heeft. Indirect neemt hij zich zelf in de maling. Zijn klacht van Arianne, uit een eerdere opera, is in die tijd buitengewoon succesvol. Overal staat het muziekstuk op het klavier en wordt met veel passie gezongen. De tekst daar is globaal gesproken: ‘laat mij toch sterven, wat heeft het nog voor zin…’ De klacht van Iros heeft hetzelfde thema maar alles is nu vol zelfspot. (De toeschouwers zouden moeten denken: ‘zielig, dat je niet meer vetgemest wordt, we hebben met je te doen…’, maar feitelijk denkt iedereen: ‘eigen schuld dikke bult’…) Hieronder een klein fragment.
Klacht van Iros. “Il ritorno di Ulysse”, opera van Claudio Monteverdi.

monteverdi-iros

Bovenstaand fragment is illustratief hoe Monteverdi om gaat met recitatieven in de opera. De kracht van de werking is gelegen in twee aspecten: de ritmiek van de zangstem, en de kracht van de akkoorden. De ritmiek is zo dat, vaak zelfs met schijnbare maatwisselingen, het natuurlijke ritme van de spreektaal wordt gevolgd, maar de expressieve mogelijkheden binnen een zin worden uitvergroot. “O herinnering aan de droevige dingen die ik zag”. Melodisch gebeurt er niets, is het vergelijkbaar met bijv. een Gregoriaans litaniegezang. Ritmisch wordt er even stilgestaan bij de lettergrepen “bran”, “ro” en “vis”. Maar het dramatische “dolorosa” krijgt de mogelijkheid om alle expressielaatjes daarbij open te trekken. Harmonisch zien we beweging: het begint met een mineur akkoord, de rimenbranza (herinnering)  is droevig. Dolorosa: de zanger blijft dezelfde toon (E) zingen maar nu is dat een dissonant, en een stevige ook nog:  een Majeur 7 in een bewegend doorgangsakkoord. Op de lange toon van dat dissonante akkoord kan de zanger stevig uithalen en er dramatiek in leggen. Het woordje vista, enigszins neutraal, wordt soms met een majeur, soms met een mineur akkoord begeleid, afhankelijk van de interpretatie. (Hier E-groot). De timing van de begeleiding is in principe vrij. De instrumentalist zit niet te tellen, maar te luisteren naar de tekst en bij de belangrijke woorden gaat hij mee door daar een akkoord neer te zetten. Deze principes zijn super eenvoudig: schrijf een makkelijke melodie, volg ritmisch de spreektaal, maar zorg dat je expressieve momenten in de tekst uitvergroot. Harmonisch zien we slechts een beperkt aantal, maar wel effectieve akkoorden die steeds op het juiste moment neergezet worden.

Hier de hele klacht in een uitvoering van Les Arts Florissants o.l.v. William Christie met Robert Burt als Iros

Geplaatst in muziek | Tags: , , | 1 reactie

Barbara

Zaterdag was ik met mijn vrouw in Middelburg. Wat een heerlijke stad om door heen te slenteren. Vooral ook om historie te voelen, te zien.

gasthuiskerk middelburgWe liepen langs de christelijk gereformeerde kerk in het centrum en op een bijbehorend bordje stond dat hier vóór de reformatie een Gasthuis met kapel gestaan had. Het gasthuis was inmiddels verdwenen maar de kapel, nu dus christelijk gereformeerde kerk, staat er nog. Gasthuis en kapel waren gewijd aan de H. Barbara en een beeldje uit de tijd van de bouw van de kapel stond nog in een nis. Er bij stond als jaartal 1492.

barbara middelburg 1492-kleinZou dat beeldje ook uit 1492 komen? In dat geval: het beeldje heeft dan de beeldenstorm overleefd. Bij nazoeken is dat niet onmogelijk. In 1566, toen de beeldenstorm in Vlaanderen begon, sloeg die al snel over naar Walcheren. Middelburg en nog een aantal plaatsen bleef dit lot bespaard. Maar: een vriend van me  zag het meteen, nee dus!  De stijl klopte niet. En toen ook ik zelf wat beter keek, wat heeft ze in haar hand? Barbara heeft meestal een toren in haar hand, maar dit is denk ik de zalfpot van Maria Magdalena. Wat doet Maria Magdalena in een nis van de Barbarakapel?

Nu iets over het gebouw. Tot 1866 bleef het Barbaragasthuis als ziekenhuis van Middelburg bestaan, toen kwam er nieuwbouw. De bijbehorende Barbarakapel heeft in de loop van de tijd verschillende functies gehad, o.a. hervormde kerk vanaf 1589, even weer katholiek in 1789, vanaf 1845 gereformeerd.

Ik probeer me een beeld van de geschiedenis te vormen en in dit geval van de tijd dat de kapel gebouwd is. Columbus had net Amerika ontdekt. Hij reisde terug naar Spanje en moest helemaal omvaren richting Barcelona omdat in het zuiden van Spanje toen nog de arabieren het voor het zeggen hadden. Behalve Zuid-Spanje was het grootste deel van Europa katholiek, ja Rooms-Katholiek. Beeldjes van Barbara werden overal gemaakt. Beeldhouwers werkten vaak vanuit eerdere voorbeelden, net als schilders. De ateliers van Brussel en Antwerpen waren beroemd en daar kon je zien hoe het moest. Barbara, vroeg-Christelijke heilige, wordt meestal weergegeven met een toren. Haar vader sloot haar op in een toren omdat ze haar Christelijke geloof niet wilde afzweren.

barbara 3maalIk heb het beeldje van Middelburg naast echte Barbara-beeldjes uit de tijd van de bouw van de kapel gezet. Links zie je het hoofd van “de Barbara uit Middelburg”, in het midden die van de Onze Lieve Vrouwe Basiliek van Maastricht en rechts een fragment van een Barbarabeeld dat te zien is in het Catharijneconvent van Utrecht. Dit laatste beeld komt uit Mechelen. Het beeld uit Maastricht komt van een anonieme maker uit waarschijnlijk Maastricht of omgeving, van het beeldje uit Middelburg weet ik noch de tijd noch de plaats waar het gemaakt is.  De “Barbara uit Maastricht” draagt een kroon en houdt een ronde toren vast met een spitse top. De “Barbara uit Mechelen” heeft een wat meer ovaal gezicht, de toren is hoekig met een meer stompe spits en haar hoofddeksel lijkt op een soort pet. De “Barbara uit Middelburg” heeft een hoofddeksel zoals denk ik gebruikelijk was in de gegoede kringen in die tijd.
Hoe is hun blik? De “Barbara uit Middelburg” kijkt een beetje wezenloos, weinig uitgesproken. Maar afgezien dat het om een Maria Magdalena gaat is alles van het Middelburgse beeldje een beetje nep. De Maastrichtse Barbara kijkt hovaardig, standvastig maar ook enigszins triest, de “Barbara uit Mechelen” vind ik vooral een zielige blik hebben. In haar zie je vooral “de eenzaamheid van de toren”. Persoonlijk vind ik die uit Maastricht het meest geslaagd: Barbara heeft minachting voor haar vader, is standvastig, maar tegelijk eenzaam. Vooral die standvastigheid is iets wat de gelovigen als voorbeeld dienden te nemen.

Terug naar de tijd van de bouw van de kapel. In 1492 was er al een zekere crisis in de kerk, er waren zeer veel praktijken die in strijd waren met de christelijke wetten, zoals echtbreuk, overspel en allerlei andere vormen van wetteloosheid. Het werd daarna alleen nog maar erger, niet voor niets zien we hoe Luther en Erasmus hier over schrijven en praten in het begin van de 16e eeuw. Maar er waren ook kloosters die, onder invloed van de broeders van het Gemene leven van Deventer (Geert Groote), eenvoud en christelijke deugden opnieuw uitdroegen. In rijke steden gaven gilden en broederschappen veel geld uit aan het versieren van hun kerken en ziekenhuizen met altaren, beelden,  schilderijen en meer. Ook waren er rijke kapittels en kloosters. Zij waren meestal de opdrachtgevers.

In de Katholieke kerk is Barbara een van de Veertien Noodhelpers. Daarnaast is zij patrones van mijnwerkers en bergbouwers (ze werd als door een wonder door een berg opgenomen om aan de vervolging van haar vader te onstnappen), architecten (de toren), ijzerbewerkers (ze stierf door het zwaard) en hoedenmakers (hoed is hier het symbool van bescherming, ze neemt je “onder haar hoede”). Ze wordt ook aangeroepen bij brand (ze overleefde nl. de brandstapel.)

Zo wist je dat wanneer je als zieke werd opgenomen in Middelburg in het Barbara Gasthuis, dat je niet alleen verpleegd werd, maar dat ook de Heilige Barbara voor je zorgde.

We slenterden langzaam verder. Er is nog veel meer te zien in Middelburg…

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , | 3 reacties

Is William Turner een impressionist?

In Zwolle en Enschede is op dit moment een dubbeltentoonstelling rond de schilder William Turner. Er zijn vier globale thema’s: vuur, water (Zwolle) en aarde, lucht (Enschede). Ik bezocht het tentoonstellingsdeel in Zwolle in museum de fundatie en maakte een aantal foto’s. (Dat wordt toegestaan)

Om te beginnen, iets wat je eigenlijk al lang wist werd weer eens bevestigd: Turner is een fenomeen die je helemaal pakt als je er voor open staat. Wat een vakman, maar ook wat een tovenaar met kleuren en ook: wat weet hij een sterke expressie te leggen in zijn schilderijen! De werken van hem tussen 1795 en 1850 werden steeds geplaatst naast andere schilderijen, van schilders uit meestal heel andere periodes, vooral van landschapsschilders uit de 17e  tm 21e  eeuw. De contrasten met heel modern of ouder waren in het algemeen sterk, zo zijn golven bij achttiende eeuwse hollandse schilders een soort gestileerde pakketjes, terwijl golven bij Turner heel echt en levendig zijn. De abstractie bij moderne schilders werkt eerder vervreemdend, wat golven van Turner nooit doen. Maar de enigszins impressionistische golven van iemand als Mesdag komen al meer in de buurt. Veel mensen, waaronder ik, vragen zich af of Turner niet al een soort impressionist was. De teksten bij de tentoonstelling proberen vooral van Turner een romantische schilder te maken.

Romantiek is drama, de romanticus probeert de toeschouwer bij de strot te grijpen en vooral een spannend en enigszins onbehaaglijk gevoel te geven. Impressionisten werken snel, ze willen het licht en de sfeer vangen van een bepaald moment en dat zo natuurgetrouw mogelijk weergeven, vaak in pastelachtige tinten. Ik vind persoonlijk dat Turner allebei die kenmerken van zowel romantiek als impressionisme sterk in zijn werken weet op te roepen. Hij moest nog werken in een atelier, maar tegelijk wilde hij op de plek zelf zijn om zijn potloodschetsen te maken, zo zelfs dat hij wilde voelen hoe het op zee was en hij tekende ooit de zee, vastgebonden aan de mast van een schip. In zijn atelier werkte hij een en ander vanuit zijn geheugen uit met kleur. De impressionisten werkten in de regel in de vrije natuur met verftubes en maakten ter plekke hun schilderingen. Impressionisten als Monet waren niet bezig met dramatiek, nee, ze wilden juist een soort objectieve werkelijkheid van een landschap weergeven. De dramatiek kwam pas weer terug bij de generatie schilders die symboliek in hun werken brachten (vrouwen, slangen) waardoor je weer opnieuw een onbestemd en onbehaaglijk gevoel kreeg. Daarna kwamen de expressionisten bij wie drama centraal stond en zijn we op een bepaalde manier weer terug bij wat de romantici ook wilden. Maar de verschillen tussen sommige romantici, impressionisten, symbolisten en expressionisten zijn soms moeilijk te zien.

Bij Turner viel me ook op dat hij gebruik maakte van een schetsboek. Bij een bezoek aan Dordrecht tekende hij van alles wat hij zag, zoals een koets.

Uit schetsboek Dordrecht

schetsboek dordrecht

Schetsboek Beethoven fragment m.b.t. op. 27,2

schets uit schetsboek Beethoven

Beethoven, vijf jaar eerder geboren dan Turner, deed dat ook, bijna al zijn wat grotere werken zijn gemaakt op basis van diverse eerder gemaakte muzikale schetsen. Ik kreeg nog meer associaties bij Turner met het werk van Beethoven. Beethoven heeft duidelijk drie periodes in zijn oeuvre. De meer klassieke periode die nog aansluit bij Haydn, (maar waarbij hij toch al de nieuwe dramatiek introduceert) de middenperiode met grote werken als de meeste symfonieën, pianoconcerten enz., en de late periode waarbij Beethoven steeds moeilijker toegankelijk wordt en voor sommigen al enigszins abstract begint te worden. Bij Turner zien we ook nog een enigszins klassiek begin:

Fisherman at sea, 1796

Fishermen at Sea exhibited 1796 Joseph Mallord William Turner 1775-1851 Purchased 1972 http://www.tate.org.uk/art/work/T01585

Fishermen at Sea exhibited 1796 Joseph Mallord William Turner 1775-1851 Purchased 1972 http://www.tate.org.uk/art/work/T01585

Dan komt er een meer dramatische middenperiode:

The eruption of the souffrier mountains 1812

the eruption of the souffrier mountains

Tot slot een late periode waarbij de schilderijen bijna abstract worden en lijnen en kleuren die lucht en water uitbeelden centraal staan en concrete onderwerpen vrijwel verdwijnen. (Zie voorbeeld aan het eind van deze column)

  • Hoe anders is dat bij een schilder als Barend Cornelis Koekkoek, van wie ook een schilderij in de vaste collectie van de fundatie aanwezig is. Het schilderij is van 1840 en leg dat dan eens naast zo’n bijna abstract werk van Turner uit die  tijd. Koekkoek is een meester in het weergeven van de avondstemming en het licht, maar het plaatje met de koeien heeft nog totaal niets van dat abstracte van Turner. Het is alsof Turner een laat werk van Beethoven op het doek zet en Koekkoek het begin van de ouvertüre de Hebriden van Mendelssohn.

Barend Cornelis Koekkoek, landschap met ruiters en vee 1840

10

Diabelli variatie 21 van Beethoven

William Turner, seascape with distant coast, omstreeks 1840

seascape with distant coast

Ga zelf kijken zou ik zeggen. Zeer de moeite waard!

Geplaatst in kunst, muziek, recensie | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Vier maal de bewening van Christus: meester Arnt van Kalkar

Een van de beroemdste werken van Arnt van Kalkar staat in de Nicolai Kirche in Kalkar: het St. Joris altaar met zeven scenes uit het leven van St. Joris. Ook zien we in die kerk het “Hochaltar”.  In die kerk staat zeer veel middeleeuws werk, deels dus van meester Arnt. Dat ga ik binnenkort bekijken. Ook de koorstoelen van hem in Kleef staan nog op hun oorspronkelijke plaats. In de kerk van Venray staan maar liefst negen beelden van hem. Maar ook kunnen we het een en ander terug vinden in musea.
bewening christus 4 x
Hierboven zien we vier maal een detail uit de bewening van Christus, allemaal te zien in een kerk en daarnaast drie verschillende musea. Twee van de vier worden toegeschreven aan Arnt van Kalkar. Als je zo kijkt, welke denk je dan dat niet aan hem wordt toegeschreven? Het meest afwijkende lijkt de sculptuur rechts boven. De twee linker afbeeldingen laten een vergelijkbare houding zien van de Christusfiguur. Alleen is het net of er twee momenten zijn vastgelegd. Maria ondersteunt met haar linkerarm op de afbeelding linksboven de linkerarm van Christus, links beneden heeft ze diens hand gepakt en heeft ze zich meer naar hem toegekeerd. De houding van de rechterarm en ook de vorm is op beide afbeeldingen bijna identiek. Ook de vorm van hoofd en bovenlijf zijn erg vergelijkbaar. De twee afbeeldingen beneden hebben een bijna exact gelijke opbouw, en dat zie je vooral als je naar meer kijkt dan alleen bovenstaand detail (zie eerdere column). Ze zijn allebei van vergelijkbare grootte, gemaakt in opdracht van het kartuizer klooster van Roermond. Rechts is een kartuizer monnik zichtbaar met boven hem zijn patroonheilige, ook de kleding van Maria, alles is zeer vergelijkbaar. Maar de sculptuur rechtsboven heeft een heel andere opbouw. Christus wordt niet door Maria vastgehouden, zij staat er biddend bij. Vroeger werd ook deze aan Arnt toegeschreven, de nieuwste inzichten maken duidelijk dat dat toch niet zo is.

Met de klok mee, beginnend links boven:

  • Boijmans van Beuningen Rotterdam, anoniem rond 1500, schenking van Beuningen 1922
  • Nicolai Kirche Kalkar, detail Hochaltar, Meister Loedewich, 1490-1492
  • Musée de Cluny, Parijs, Arnt van Kalkar omstreeks 1483, verworven 1861, afkomstig van het kartuizer klooster van Roermond
  • Rijksmuseum Amsterdam, afkomstig van het Kartuizer klooster van Roermond, Arnt van Kalkar 1480

In Boijmans staat dus een retabel van een onbekende meester. Bij de objectgegevens zien we dat het 59 x 38  cm is. Het object in het rijksmuseum is 54 x 40, dus vergelijkbaar van grootte. Van het object van Roermond weten we dat het onderdeel is geweest van een devotiekast met dichtslaande deuren. Boven de sculptuur hebben nog drie kruisen gestaan, de gaten waar ze in stonden zijn nog zichtbaar. Ook de kast met beschilderde deuren is verdwenen. In Musée de Cluny is alles nog in de oorspronkelijke toestand behouden. Zou de sculptuur van Boijmans een vergelijkbare functie hebben gehad? Er is geen duidelijke opdrachtgever te zien, zoals een kartuizer monnik in Amsterdam en Parijs.
Nog enkele vergelijkingen, links Boijmans, rechts Rijksmuseum

vergelijking boijmans rijksmuseum
bewening boijmans-bergdetailsKijk nu eens naar de bergen op de achtergrond. Bij de sculptuur van het Rijksmuseum is alles globaler, we zien keien, een doodshoofd, botten. Bij Boijmans (hier links) zien we in het berglandschap als je goed kijkt nog nuances, linksboven zie je nog enkele mensen, een lopende persoon met een staf of iets dergelijks in zijn hand, een (geknield?) iemand op de grond met een hoed op zijn hoofd. Nog opmerkelijker, wat meer naar het midden: een “bewening” in het klein: vijf figuren buigen zich over een lichaam. Van drie is het hoofd beschadigd. Je moet goed kijken om deze “mini-bewening” te zien en als zodanig te identificeren, maar toen het ooit geverfd was was het waarschijnlijk allemaal veel duidelijker.

Een ander detail: kijken we naar Maria met Christus, dan valt op: bij Boijmans Maria’s blik is niet intens verdrietig, ook niet die van de andere Maria. Nog een detail: in de linkerarm van Christus zien we vooral pezen. Hieronder Maria met Christus bij Boijmans
bewening boijmans-maria met christus
In het rijksmuseum: de blik van Maria is voor mij meer doorleefd, ondanks het ontbreken van de polychromie. Onder de huid van de arm van Christus zien we dikke aderen. Verder: het lichaam van Maria is hier wat meer getailleerd en ook haar borsten komen duidelijker naar voren. Maria in het rijksmuseum:

bewening rijksmuseum maria met christus
Of dit soort verschillen wijzen op een andere kunstenaar of op een andere fase in het kunstenaarschap? Moeilijk te zeggen. Ook kan het zijn dat het werk bij Boijmans van een leerling van Arnt van Kalkar is, want die heeft hij meerdere gehad, sommigen werd groot na de dood van hun meester (bijv. Hendrik Douverman, o.a. maker van het “Sieben Schmerzen” altar in Kalkar.) Hoe het ook zij, het is aardig om op deze manier een aantal vergelijkbare taferelen, gemaakt in dezelfde tijd naast elkaar te kunnen zien, nu in een kerk en in drie musea. Het is dezelfde tijd als die van het Eton Choirbook waar ik laatst een concert van bijwoonde, gezongen door het Huelgas ensemble. Ik probeerde toen om me die tijd wat beter voor te stellen. Misschien helpen deze afbeeldingen daar ook een beetje bij. Kunstenaars, in dienst van profane opdrachtgevers, die zich proberen in te leven in de voorstellingen die ze moeten uitbeelden in muziek of hout.

De “bewening” die er van de vier “beweningen” het meeste uitspringt als afwijkend is die in de Nicolai Kirche van Kalkar. Hij is onderdeel van het Hochaltar dat door Arnt von Kalkar tussen 1490 en 1492 is begonnen. Het concept door meester Arnt was al snel klaar en een groot deel van de uitwerking ook, toen meester Arnt plotseling overleed. Het is afgemaakt door de uit Marburg afkomstige Ludwig Jupan (in Kalkar noemden ze hem Meister Loedewich). Na stilistisch onderzoek is nu komen vast te staan dat de voetwassing op de predella van meester Arnt zelf nog is en ook een groot deel van de kruisingingsscene. De andere twee scenes op de predella zijn van Jan van Halderen en het grootste deel van het retabel zelf is dus van Meister Loedewich. Deze bewening is waarschijnlijk wel nog ontworpen als schets door meester Arnt zelf. Feitelijk dus zijn allerlaatste. De uitwerking uiteindelijk was zo’n 15 jaar later klaar dan de twee Roermondse kartuizer retabels. Maria Magdalena houdt een hand vast van Christus. Maria vouwt haar handen in gebed. De derde Maria droogt haar tranen met een doek. Drie mannen staan er omheen, misschien ook geportretteerde opdrachtgevers voor de bouw van het Hochaltar in Kalkar, leden van de O.L.Vrouwen broederschap? Meester Arnt was zelf bezig met de kruisigingsscene en al de smart die daarbij hoort in het hout te snijden, zie hier onder. Leed en pijn uitbeelden dat kon hij, dat zien we misschien nog beter op het losse kruisbeeld dat hij maakte voor het Dominicanen klooster van Kalkar, nu te zien in Neerbosch Nijmegen. Maar na deze laatste kruisigingsscene, toen ging ook voor hem het licht uit. Zoals Bach ruim 250 jaar later zijn laatste fuga schreef en deze net niet kon afmaken…

Kalkar_st_nikolai_bewening hochaltarkruis hochaltar kalkar 1491kruis dominicanerklooster kalkar klein

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , | 3 reacties

De toonladder, de getempereerde stemming, het getal π (pi) en de Franse revolutie

De grootvader van mijn grootvader is geboren op 30 oktober 1806. Zijn iets oudere broer is geboren op “6 frimaire in het jaar 14”. 6 frimaire (wintermaand) was de dag van “Mâche” (Veldsla) Een aantal lezers herkent in die laatste namen de benamingen zoals ze gehanteerd werden bij de Republikeinse kalender. Veldsla: In plaats van heiligen en christelijke feesten had men in de Franse tijd alledaagse zaken aan de dagen gekoppeld, elke dag had zijn eigen “iets”.

Beide broers uit mijn voorgeslacht zijn in Beesel (Limburg) geboren. Het oudere broertje is geboren 27 november 1805, maar op 1 januari 1806 is de republikeinse kalender opgeheven, en werd de Gregoriaanse kalender in ere hersteld,  waardoor mijn bet-overgrootvader gewoon op 30 oktober is geboren. De revolutionairen hadden in 1792/93 wilde ideeën, het hele leven moest overzichtelijk en dus decimaal worden. Zo hadden ze weken van 10 dagen bedacht. Wel hielden ze de maanden nog aan, maar deze waren allemaal exact 30 dagen lang, dus goed deelbaar door 10 en zo dus toch nog overzichtelijk. Om het jaar rond te krijgen waren er nog 5 of 6 sansculotten (zo noemden ze de resterende dagen die nog over waren.) Ondanks het feit dat dit systeem in de hele republiek (waar van 1794 tot 1814 Limburg ook bij hoorde) er in werd geramd wilde het maar niet wennen. Het voelde onnatuurlijk, het klopte gewoon niet voor je gevoel. Eerst schafte men daarom de nieuwgemaakte weekindeling weer af en daarna ook de maandindeling. Heerlijk, het klopte weer! Iedereen haalde opgelucht adem.

Maar wat is er zo logisch aan de ons bekende tijdsindeling? De mens zag waarschijnlijk al in de prehistorie in zijn tijdsbeleving enkele duidelijke ankerpunten.

  1. Na ruim 365 dagen begonnen de dagen steeds weer te lengen: een jaar was voorbij.
  2. Binnen dat jaar waren er vier duidelijke momenten aan te wijzen: de kortste dag, het moment dat dag en nacht even lang zijn maar de dagen nog steeds lengen, de langste dag, en ten slotte het moment dat dag en nacht even lang zijn maar de dagen steeds korter worden. Die ankerpunten zijn er nog steeds: het begin van de winter, lente, zomer en herfst.
  3. Het is nieuwe maan, eerste kwartier, volle maan en laatste kwartier. Dat duurt ruim 29 dagen. We noemen die periode een maand.
  4. 12 maanden is vrijwel een jaar
  5. De periode van nieuwe maan naar eerste kwartier is iets meer dan 7 dagen, ook alle andere periodes hebben die lengte.
  6. Zo delen we een jaar in in weken en maanden en seizoenen. Alles klopt nét niet. (12 maanden is niet precies een jaar, dus er moet gesmokkeld worden, 4 x 7 dagen is niet precies een maand)

Er is een frappante analogie met muzikale indelingen. Er zijn namelijk 12 verschillende tonen (de chromatische toonladder) en de meeste toonladders hebben 7 tonen. Dat heeft een natuurkundige oorzaak. Het geheim is: 27 is ongeveer gelijk aan (3/2)12. 2 staat voor een octaaf . 27 staat zo voor 7 octaven boven elkaar. 3/2 staat voor de kwint, 12 kwinten boven elkaar (3/212) blijkt ongeveer dezelfde toon op te leveren als wanneer je 7 octaven op elkaar stapelt. Probeer maar uit op de piano.

pianoklavier
Maar: het klopt nét niet! Het verschil is het getal PI, oftewel de zogenaamde komma van Pythagoras.  In de tijd van Bach heeft men besloten dat het wel moest kloppen en werden klavierinstrumenten zodanig gestemd dat het uitkwam. Elk interval moest om dit voor elkaar te krijgen een pietsie onzuiver gestemd worden en voilá: men kwam uit. Een revolutie in de muziek want daardoor kon men bijv. eindeloos moduleren en allerlei nieuw harmonische wendingen gebruiken, de muziek is toen revolutionair veranderd. Sindsdien gebruiken we deze “getempereerde” stemming. En dus:

  • De 12 kwinten zijn tegelijk de basis van de zogenaamde kwintencirkel.
  • De zeventonige toonladder komt uit een ander principe voort: een centrale toon heeft een onderkwint (zijn oorsprong) en een bovenkwint (zijn vervolg). De voornaamste boventonen van een toon zijn de grote terts en de kwint. Zo is een majeur drieklank een bevestiging van de boventonen van een enkele toon. De drie majeurdrieklanken van de onderkwint, de centrale toon (tonica) en de bovenkwint vormen samen een majeur toonladder (met C als centrum: FAC (onderkwintakkoord), CEG (tonica-akkoord), GBD (bovenkwintakkoord).

De majeurtoonladder symboliseert zo de week, zoals de chromatische tonen zouden kunnen staan voor de 12 maanden.

In de negentiende en vooral ook twintigste eeuw zijn er allerlei experimenten gedaan met nieuwe toonladders en met meer of minder tonen in een octaaf, of zelfs toonladders zonder octaaf. Opvallend is dat we dan altijd de neiging hebben om dat soort toonladders exotisch te vinden, toonladders die een bijzonder effect hebben omdat ze zo afwijken van “het systeem”, van dat wat het meest logisch lijkt te zijn. Een enkeling wilde zelfs een revolutie bereiken, zó zou het eigenlijk moeten (kwarttonen in plaats van halve tonen). Maar luister naar de muziek van vandaag: een toonladder heeft nog steeds in de kern 7 tonen en een octaaf is verdeeld in 12 gelijke stukjes. Per cultuur wordt er wel anders met die 7 tonen omgesprongen: er worden er soms 2 weggelaten om zo een meer rein effect te hebben, de spannende intervallen van overmatige en kleine secunde ontbreken in dat geval (we hebben het over de pentatonische toonladder). Of er wordt lekker om enkele van die 7 tonen chromatisch heen gedraaid (bluestoonladder), maar de kern is ook dan nog steeds 7-tonig. Of je kunt op een andere toon beginnen, waardoor het stuk mineur wordt. En je kunt ook nog majeur en mineur mengen.

Hieronder prelude 2 uit boek 1 van Debussy en Louange  à l’éternité de Jesus van Messiaen. De hexatonische toonladder van Debussy of de octonische van Messiaen lijken misschien nog het meest op het decade-idee van de Franse revolutionairen, maar nu gaat het om rigoureus een nieuwe symmetrische indeling van het octaaf. Maar niemand zou willen dat die toonladders voor vast i.p.v. het natuurlijke 7-tonige 12-tonige stelsel komen. Het was een leuke tussenfase. Zoals 1793-1806….

Geplaatst in filosofie, Geschiedenis, muziek | Tags: , , , , , , , , , , | 3 reacties

Cultureel erfgoed. De bewening van Christus in Amsterdam en Parijs

Niet alleen in Syrië verdwijnt aan de lopende band cultureel erfgoed. In het nog niet eens zo verre verleden gebeurde dat ook in onze streken op grote schaal. Denk maar eens aan de machtige burcht van Valkenburg in Zuid-Limburg waar nu nog slechts een ruïne van over is. Het was een van de grootste burchten van NW Europa. Na de verovering door de Hollanders in de tachtigjarige oorlog werd hij uit strategische overwegingen zonder enige vorm van wroeging opgeblazen. Wat er naar aanleiding van godsdienstige twisten of ideeën kan gebeuren met cultureel erfgoed zien we natuurlijk in de tijd van de beeldenstorm, maar ook tijdens de periode van het bewind van Jozef II in de tachtiger jaren van de achttiende eeuw is heel wat cultuur erfgoed verloren gegaan. Zo werd het Kartuizerklooster van Roermond door Josef II opgeheven omdat dat een in zijn ogen onnuttig klooster was. (Alleen kloosters waar zieken werden verzorgd of onderwijs werd gegeven mochten blijven). De 3633 boeken van de kloosterbibliotheek werden verkocht en raakten verspreid over de wereld en zijn nu in de meeste gevallen nog steeds zoek. Een klein aantal is  in Wenen teruggevonden en staat nu daar in de “Nationalbibliothek”. Van genoemde boeken waren ongeveer 1000 exemplaren geschreven of gekopieerd in de 14e, 15e en 16e eeuw. De inventarislijst is er wel nog, we weten nog wat er ooit gestaan moet hebben…

De Kartuizer monniken hadden allemaal een eigen vrij ruime “cel”. Zo’n cel moet je zien als een grote kamer (er konden wel twaalf stoelen staan) met een aangrenzende kleine tuin. Alles was ommuurd, waardoor er grote privacy mogelijk was. Hier werd niet alleen in stilte gebeden maar ook getuinierd en gelezen. Elke monnik had tientallen boeken in zijn kamer uit de gezamenlijke bibliotheek. Ook was er in elke cel een werkplaats waar bijv. boeken werden geschreven of ingebonden, of er was een timmermanswerkplaats,  enz.: elke monnik had zo zijn eigen ding. Ook dat is na de inventarisatie in 1786 nauwkeurig opgetekend. Elke monnik had ook devote schilderijen of beelden of beeldengroepen in zijn kamer, ter inspiratie bij het gebed.

karthuizer bewening kleinEen zo’n beeldengroep uit zo’n cel bevindt zich nu in het rijksmuseum van Amsterdam: de bewening van Christus. We zien links Maria Magdalena (zonder arm) met boven haar Johannes de Evangelist. Tegen de rots aan zien we Maria Kleophas en Maria Salomas. Rechts, geknield op de grond, de opdrachtgever (en waarschijnlijk eerste bezitter) van het werk, een kartuizermonnik met achter hem zijn patroonheilige, misschien  Petrus? Het Kartuizerklooster had ook landerijen en boerderijen in het naburige Swalmen, en zo kwam het betreffende beeldhouwwerk van 54 bij 40 cm terecht in een kapelletje aldaar, waar het pas veel en veel later herkend werd als een zeldzaam mooi stuk. Na onderzoek werd het verkocht aan het rijksmuseum in 1956. Het is van de hand van Arnt van Zwolle en gemaakt rond 1480.

cluny-kalkar-1Arnt van Zwolle werkte toen nog in Kalkar (later ging hij naar Zwolle) en maakte in dezelfde tijd een vergelijkbaar stuk, eveneens voor het Kartuizer klooster van Roermond, nu in de collectie van Musée de Cluny in Parijs. In 2009 zag ik het betreffende stuk daar voor het eerst in het echt en maakte een detailfoto (zie onderaan deze column) De enorme gelijkenis viel meteen op. Maar ook zien we in Parijs dat het is geverfd. De polychromie van het beeldhouwwerk uit Roermond is verdwenen. (Er zijn wel aantoonbare resten). Verder zien we dat de groep onderdeel is van een soort drieluik: het houten tafereel heeft in het midden gestaan en kon afgesloten worden met twee deuren. Op de binnenkant van die deuren is in zes taferelen het lijdensverhaal geschilderd. Als stadsachtergrond herkennen we de middeleeuwse stad Kranenburg, niet zover van Kalkar waar de werkplaats van heer Arnt was. Waarschijnlijk heeft het stuk van het rijksmuseum uit het klooster van Roermond ook in een dergelijke setting gestaan. Het kastje zal dan inclusief onderstuk ongeveer een meter hoog geweest zijn, dus bijna twee keer zo hoog als dat het nu is.

Hoe is dat stuk dat we nu in Musée de Cluny zien daar terecht gekomen?  Het klooster van Roermond werd in 1786 opgeheven, veel kunstschatten raakten zoek of raakten verspreid over de wereld, vooral zien we hoe ook een aantal boeken met name in Wenen opdoken. De bewening van Christus in Musée de Cluny is daar pas in 1861 aangekocht. De geschiedenis van de voormalige stadsverblijfplaats van de kloosterlingen van het beroemde klooster van Cluny en de oprichting van het museum in de negentiende eeuw zijn nauw verbonden met de familie van Sommerard. Hoofd adviseur van de Rekenkamer. Alexander Sommerard  (1779-1842) had grote belangstelling voor de middeleeuwen. Hij begon met een verzameling aan te leggen van Middeleeuwse kunst en in 1832 bracht hij die onder in het gebouw van het huidige Musée de Cluny. Na zijn dood in 1843 liet hij “Hôtel de Cluny” en zijn collecties, rijk aan bijna 1.500 objecten, na aan de staat. In 1882 is er een catalogus samengesteld met wetenschappelijke annotaties. Wellicht dat daar nog in te vinden is hoe het museum aan het prachtige retabel uit Roermond is gekomen. Ik zou deze catalogus graag eens willen inzien…

Gelukkig is er tegenwoordig meer aandacht voor historisch erfgoed. Maar alle erfgoed blijft kwetsbaar. In tijden van bezuinigingen kan in één keer verloren gaan wat in vele jaren moeizaam is opgebouwd. Zoals de nationale bibliotheek van bladmuziek (vorig jaar opgeheven). En in Rotterdam het Onafhankelijk Toneel (wat maakten zij toch prachtige voorstellingen, zoals ooit een wonderschone uitvoering van La Coronazione di Poppea van Monteverdi en talloze andere prachtige producties.) Heel veel erfgoed staat nog steeds onder vuur.

karthuizer bewening detail-parijsEn: in de vaste opstelling van het middeleeuwse deel van het rijksmuseum stond de eerste twee keer dat ik daar was ook het beweningstafereel uit Roermond. Het nog bijna geheel intacte tweelingetje  in Musée de Cluny in Parijs staat altijd op zaal, het is daar een van de topstukken. Zeer de moeite waard!

Bronnen:

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

De grote terts

Luister eens naar het begin van het vierde pianoconcert van Beethoven..

Waarom is dit zo’n prachtige muziek die onmiddellijk heel rijke gevoelens oproept. De sfeer wordt bepaald door de pianoklank, het gebruikte register, het (enigszins rubato) tempo, de vrije dynamiek, het ritme, maar vooral ook: het begin van de melodie met de terts bovenin. Deze terts wil je meezingen, het is de toon die nostalgie oproept, hij maakt allerlei gevoelens los. Hoe anders had dit begin geklonken als bijv. de grondtoon, of de kwint in de melodie had gestaan in het begin:

beethoven4-versies

. De terts heeft dus een heel speciale werking. Een terts kan groot of klein zijn, en de sfeer verandert onmiddellijk. Natuurkundig is de terts de boventoon die als eerste nieuwe komt na de kwint. 1:2 is octaaf, dan 1:3 = kwint (boven octaaf), dan 1:4 is 2e octaaf, dan 1:5 is terts (hier weer boven). In de eerste boventonen zitten zo naast het octaaf ook de kwint en de grote terts. Deze terts kunnen we dus associëren met het getal 5. Het getal 5 is de basis van de gulden snede verhouding. Nemen we bijv. een pentagram (vijfpuntige ster) dan snijden de diagonalen zich volgens de verhoudingen van de gulden snede.

PentagramDit pentagram komen we ook in de astronomie tegen, en wel op een heel bijzondere manier. De planeet Venus zien we vanuit de aarde steeds naar de zon toebewegen en weer van de zon af. Soms is de planeet zo aan de ochtendhemel te zien, soms aan de avondhemel, maar nooit zo heel ver weg van de zon. Op het punt dat zon en venus elkaar kruisen (een zogenaamde samenstand of conjunctie) kunnen we dat punt aftekenen in zijn baan tegen de achtergrond van de zodiac. Iedere keer als deze conjunctie plaatsvindt is dat een ander punt. Maar na 6 keer zijn we terug op het oorspronkelijke punt. De 5 conjuncties daarvoor vormen samen een exact pentagram. Het is net alsof Venus voortdurend een pentagram aan de hemel tekent!

De gulden snede staat voor een bekoorlijke verhouding, die voor je gevoel mooi is en klopt (zoals de zijden van een A4 in balans zijn.) Leonardo da Vinci tekende al hoe ook de verhoudingen in het menselijk lichaam op de gulden snede gebaseerd zijn. Venus was bij de Grieken en Romeinen de planeet van de schoonheid, liefde, kunsten.

Weer laat de muziek ons op een heel bijzondere manier ervaren, wat al in de natuur zit opgesloten en op heel veel andere manieren manifest wordt. Luister ook eens naar de prachtige begintoon van het eerste lied uit de Winterreise (Gute Nacht) van Schubert (“Fremd bin ich eingezogen”. ) En kijk eens zo gauw het helder is naar de avond- of ochtendhemel, naar de meest heldere planeet, Venus, die prachtig door zijn dikke atmosfeer het licht van de zon weerkaatst. (Op dit moment, 4 september 2015 zul je vroeg uit bed moeten, want Venus is nu morgenster. In het OZO staat hij zo rond 5 uur vrij laag aan de horizon, vlakbij de minder heldere roodachtige Mars). En probeer te voelen wat de Grieken en Romeinen voelden, alleen al bij het kijken naar dit wonder van de natuur..

 

Geplaatst in Astronomie, filosofie, muziek | Tags: , , , , , , , , , , | 6 reacties

King Arthur eind 17e eeuw en nu

Maandagavond heb ik de concertante opera King Arthur van Purcell door de zangers van Vox Luminis en de spelers van La Fenice gehoord in Tivoli Vredenburg. Over zang en spel vooral veel lof, alhoewel vooral de balans voor de pauze niet altijd in orde was. Omdat we dichtbij de uitvoerenden zaten konden we niet alleen auditief maar ook visueel genieten van het spelplezier. Vooral de zowel dirigerende als blokfluitspelende leider Jean Tubéry was een genot om naar te kijken. Hij kon overigens ook nog een aardig mondje Nederlands laten horen na afloop. Je verwacht bij de titel King Arthur een hoop drama en een plot, of intriges, zoals bij bijv. die andere beroemde opera van Purcell “Dido en Aenaeas”. Maar de teksten (boventiteld weergegeven, erg prettig) waren niet zeer hoogstaand. We hoorden vooral veel aanmoedigingen tot het bedrijven van de liefde en weinig subtiele toespelingen m.b.t. de daad. Enkele aria’s en ook koorgedeeltes waren wel zeer fraai getoonzet met dramatisch uitgewerkte instrumentaties. In de oorspronkelijke uitvoering, een toneelstuk afgewisseld met muziek zang en dans is er overigens wel meer een verhaal te ontdekken. Bij deze uitvoering stond de muziek centraal en waren er tussendoor slechts enkele zeer korte verbindende teksten. Eigenlijk zou je het hele verhaal al goed moeten kennen om de lijn al luisterende, ondanks de boventiteling, te kunnen volgen.

Het blijkt dat dit stuk in de tijd van Purcell een buitengewoon groot succes was, en dat succes zal denk ik niet alleen door de muziek gekomen zijn, maar vooral ook door de patriottische inhoud van het toneelstuk waarbij uiteindelijk de lof en superioriteit van Brittannië buiten kijf staat en bezongen wordt. Vergelijk bijv.”Das Glorreiche Augenblick”, van Beethoven uit 1814, speciaal voor het Weense congres gecomponeerd om de grenzen binnen Europa na de val van Napoleon te regelen. De bijval bij dat stuk was zo groot dat het applaus tijdens de uitvoering soms de muziek overstemde. De tekst van Weissenbach gaat over lof en eer aan de congresgangers, de deelnemende monarchen en het visioen van een na deze bloedige oorlogen vereend Europa (“Was nur die Erde Hoch und Hehres hat, in meinen Maurern hat es sich versammelt: der Busen pocht! Die Zunge stammelt! Europa bin ich – nicht mehr eine Stadt…..” Het stuk van Purcell uit 1690 is geschreven vlak na de glorious revolution waarbij onze stadhouder Willem III samen met Mary het land ging regeren. Nadat de katholieken het even voor het zeggen hadden gehad (en dat weer na het preutse regime van Cromwell, waarin niets mocht en dat dat nu weer wel zo was bleek zeer uit de tekst!!) was het nu weer tijd voor de protestanten. Pikant detail: de librettist had zich tot het katholicisme bekeerd…

Wat voor mij bleef waren uiteindelijk dus voornamelijk enkele mooi uitgewerkte aria’s en koorstukken, die het waarschijnlijk minstens zo goed doen los van het verhaal en in een ander concertformat. Maar toch aardig om meegemaakt te hebben.

Wie het concert wil horen: het is opgenomen door radio 4 en wordt woensdag 2 september om half negen uitgezonden en is daarna waarschijnlijk ook nog via internet terug te beluisteren.

Geplaatst in muziek, recensie, theater | Tags: , , , , , , , , | Plaats een reactie

Het octaaf

Het grootste wonder in de muziek is misschien wel het ervaren van het octaaf. Twee tonen vormen een octaaf als de trillingsgetallen van die tonen de verhouding 1:2 vormen. Ieder mens ervaart dan feitelijk 2 dezelfde tonen, bijv. als mannen en vrouwen samen het volkslied zingen zeg je niet dat je twee melodieën hoort. Ze zingen dezelfde melodie. Zouden ze de melodie in kwarten zingen bijv. (trillingsgetal 3:4) dan zou je wel twee melodieën ervaren. Als we niet zouden ervaren dat een octaaf dezelfde toon is, dan zou er in melodisch opzicht gewoonweg geen muziek bestaan. Nu hebben we A-B-C-D-E-F-G-A’-B’-C’-D’ etc. zouden we A’ niet als dezelfde toon ervaren als A, dan zou na de G niet A’ B’, C’ maar de tonen H, I, J enz. komen en dan zouden we aan het hele alfabet nog niet eens genoeg hebben: de hoeveelheid verschillende tonen zou oneindig zijn en slechts beperkt worden door het waarnemingsvermogen van onze oren. Door het ervaren van het octaaf is er een gesloten systeem. In dat gesloten systeem waar t.o.v. een grondtoon elke toon (ook de chromatische) zijn vaste positie en betekenis heeft, is het verschijnsel herhaling al ingebakken.

Het ervaren van muziek is een gevoelskwestie, het lijkt puur intuïtief te werken, er lijkt geen wiskunde aan te pas te komen. Toch is de basis natuurkundig. Deze natuurkundige basis wordt dus gevoeld, ervaren, beleefd.

Geboorte, leven, dood, alles is begrensd. Maar de natuur herhaalt zich. Ons leven is een octaaf. Het lijkt logisch dat er meerdere octaven van leven zijn?

Geplaatst in filosofie, muziek | Tags: , , , | 2 reacties

Engelse muziek van rond 1500

https://www.ppsimons.nl/browne-fragment.mp3

huelgas-etonchoirbookGistermiddag heb ik een concert bezocht van het festival Oude Muziek. In de domkerk van Utrecht zongen de leden van het Huelgas Ensemble onder leiding van Paul van Nevel enkele gezangen uit het Eton Choirbook. Het concert was in zoverre bijzonder: het ging om voor mij onbekende muziek uit Engeland van tijdgenoten van iemand als Josquin Desprez. De muziek was duidelijk herkenbaar als muziek uit de hoogrenaissance, maar ook weer zoveel anders als bijv. de motetten van Josquin of Isaac. Wat opviel: de muziek was erg grillig en er werd soms gespeeld met tekstklanken (“oe” heel zacht en laag, “eh’ harder en in een hoger register bijv.) en er waren nog andere manieren om tot klankkleuren te komen, ook door de harmonie (soms opvallende dissonanten). Tegelijk beseffende dat het liturgische muziek was die ingepast zou moeten worden in een dienst was de setting deze middag natuurlijk totaal anders. Bijna anderhalf uur lang hoorden we zang aan een stuk door, soms zelfs verschillende zettingen op dezelfde tekst. Van de originele context klopte daardoor natuurlijk niets. Kunnen wij met 21e eeuwse oren luisteren naar deze muziek zoals die bedoeld is? Ik probeer het. Waren de componisten zelf ook erg religieus zoals bijv. Bach dat was? Ik waag het enigszins te betwijfelen, er was veel gedonder in die tijd in kerken en kloosters, ook in Engeland. Waren het gewoon broodschrijvers, die het wel een sport vonden om met elkaar te concurreren over de origineelste zettingen? Ik zou in ieder geval de religieuze context er een keer bij willen horen, de muziek als onderdeel van een dienst, dan proberen op te gaan in de tekst en de mystieke achtergrond. Maar ja, we leven in de 21e eeuw…

Een deel van de gezangen heeft het Huelgas ensemble al eerder op CD gezet. Fragmenten kun je afspelen op http://www.amazon.co.uk/The-Eton-Choirbook-Huelgas-Ensemble/dp/B00BVJZLDU. Ook op spotify kun je het een en ander vinden.

Geplaatst in muziek, recensie | Tags: , , | Plaats een reactie