
Wie is van Biema Nijkerk?
In een boek met de verzamelde gedichten van Heinrich Heine, deel 1 en deel 2 in één band, staat vooraan in het boek, in een fraai handschrift, de naam van een vroegere eigenaar: “Van Biema Nijkerk”. Het woordje “van” is hier onderdeel van de familienaam. Het boek stamt uit de boekenkast van mijn schoonouders. Waarschijnlijk was het ooit van mijn schoonmoeder, die in mei 2015 overleed.
Nieuwsgierig als ik ben wil ik weten wie “van Biema Nijkerk” is, zou dat nog te achterhalen zijn? Ik weet het nu vrijwel zeker. Door de speurtocht die ik maakte ken ik voor mijn gevoel opeens een heel andere familie. En het voelt zelfs al een beetje als mijn eigen familie.
We zitten in de tijd vlak na Napoleon. In Wenen wordt er vergaderd over de toekomst van Europa. Besloten wordt dat Nederland een koninkrijk wordt en ook nog eens twee keer zo groot als de eerdere republiek. België, Luxemburg en het grootste deel van het huidige Nederlands Limburg worden er aan toegevoegd. Vlak over de grens bij Groningen verhuisde in die tijd de koopmanszoon Eliazer Meijer Israel Rosen vanuit Leer, Duitsland naar Amsterdam. Woensdag 12 april 1815 trouwt hij met Elisabeth Emanuel Nijkerk, dochter van een Amsterdamse procureur. Hij is pas 19 jaar en zijn bruid is 23 jaar oud. De eerstvolgende zeven jaar worden er vijf kinderen geboren. Dan komt er nog een nakomertje, april 1829. Helaas, de moeder van inmiddels 37 jaar oud sterft in het kraambed. Daar zit vader Rosen met vijf kinderen tussen de vijf en twaalf jaar en ook nog eens met een pasgeboren baby. Het jongste kindje is voor hem voor eeuwig verbonden met de smartelijke dood van zijn vrouw. De baby, een meisje, heet Elisabeth. Zij groeit met haar broers en zussen op en hoort de verhalen over haar moeder die ze nooit gekend heeft. Zij is het zesde kind, trouwt omstreeks 1854 en krijgt tussen 1856 en 1866 acht kinderen. Na de dood van haar man (voor augustus 1874) besluit ze om het zesde van haar acht kinderen te hernoemen, als eerbewijs aan haar te vroeg gestorven moeder. Haar onlangs overleden man heette “van Biema”, alle acht kinderen heten dus ook van Biema, maar het zesde kind, een jongetje, laat ze hernoemen tot “David Henry van Biema Nijkerk”. Haar moeder heette immers Nijkerk. Dat kon je op aanvraag laten regelen, het moest eerst in de staatscourant worden afgekondigd zodat eventueel mensen bezwaar konden aantekenen, de koning moest het goedkeuren en dan besliste de rechter dat de naamsverandering in gang gezet kon worden. Hieronder een klein fragment uit het koninklijk besluit van 15 september 1875
David Henri Van Biema Nijkerk is in Amsterdam op 20 december 1863 als David Henri van Biema geboren en stamt uit een Joodse familie. Zijn vader overleed dus al vrij vroeg, in ieder geval voor augustus 1874. (In de staatscourant van die datum wordt zijn vrouw als weduwe genoemd). In 1868 bij het failliet gaan van zijn bedrijf leeft hij nog. Davids moeder overlijdt pas in 1916. Hij wordt goedgekeurd voor militaire dienst op 18-jarige leeftijd maar heeft geld genoeg om zich te laten vervangen. Hij is als jonge man zeer ondernemend en heeft een handelsgeest, net als zijn vader en grootvader. In 1888 wordt hij mede vennoot van een maatschappij die handel drijft in koloniale producten. Drie jaar later begint hij samen met zijn drie jaar jongere broer Isidor van Biema een eigen bedrijf, eveneens in koloniale waren. Tussen 1897 en 1902 is hij een van de vier directeuren van “de Distel”, een aardewerkfabriek. In een namenlijst van Amsterdam van 1915 zien we hoe David dan inmiddels koffie-importeur is. In Amsterdam woont hij vlak bij het Vondelpark, net als zijn broer Isidor. Nog enkele familieleden, onder wie zijn moeder kunnen we in 1915 in de binnenstad van Amsterdam traceren. Het koffie-importbedrijf bevindt zich aan het Rokin.

David Henri trouwt in 1892 met Pauline Bernadine Elisabeth Jacobson (1871-1950).Zij krijgen samen slechts één kind, Emma. Emma wordt geboren 22 oktober 1893, in Amsterdam. Het leven van David Henri van Biema Nijkerk en diens vrouw lijkt harmonieus te verlopen. Ze hebben een badhuis in Zandvoort waar ze regelmatig in de zomermaanden naar toe gaan. Dat kan alleen als je vrij vermogend bent. Op 23 jarige leeftijd (1916, midden in de eerste wereldoorlog) trouwt dochter Emma met de vijf jaar oudere Hendrik Jonker, die 5 juni 1888 in Batavia geboren werd en waarschijnlijk een bekende van de familie was door de handel in koloniale waren van haar vader. Het jonge stel krijgt twee zonen: Reijnier Frederik Jonker (19-3-1917) en Eduard Arthur Jonker (16-7-1920). De jongste zoon wordt in het echte leven maar ook in mijn verhaal een held!
Helaas. David en zijn vrouw gaan in 1922, na een huwelijk van 30 jaar uit elkaar. Twee jaar later gaan Emma en haar man ook uit elkaar. Triest, zeker de scheiding van Emma en Hendrik. Hun kinderen zijn pas 4 en 7 jaar oud. Wat was de oorzaak? Het jonge echtpaar is met hun kinderen naar Frankrijk verhuisd. Emma keert met alleen het jongste kind terug en gaat in Hilversum wonen. Kon ze niet aarden in Frankrijk? Ik weet het niet. Zoon Eduard Arthur gaat in Hilversum naar de lagere en middelbare school. De oudste zoon is
waarschijnlijk in Frankrijk gebleven. Bij het overlijden van David van Biema Nijkerk in 1951 staat deze kleinzoon (inmiddels 34 jaar) vermeld als wonende met zijn vrouw B. Grosfillex (een Franse naam die veel voorkomt in Zwitserland en Frankrijk in de Franse Alpen) in Gex Ains. In 1980 en ook in 1989 woont hij daar nog steeds.
De oorlogstijd.
Hoe zou deze joodse familie de oorlog doorgekomen zijn? Broer Isidor is al in 1930 in Brussel overleden. De moeder van Emma, mevrouw Jacobson, bevond zich juli 1939 in Engeland (ze hadden daar een huishoudhulp die in die maand overleed) en zal daar waarschijnlijk ook tijdens de oorlog zijn gebleven. Ik vermoed dat dochter Emma met haar moeder is meegegaan naar Engeland. In 1937 woonde Emma in Hilversum. Na de oorlog woont zij daar samen met haar moeder. Mevrouw Jacobson overlijdt in 1950.
Vader “David van Biema Nijkerk” is zeker in 1940 al in Amerika. Ook in 1934 was hij al een keer in Amerika in Pennsylvania, daar wordt hij in de Altoona Tribune genoemd als “GUEST AT LOCAL HOME D. H. Van Biema Nijkerk of 1.00 1 Hilversum”. Hij overlijdt in Milwaukee in 1951.
Met een aantal broers en zussen van David is het echter niet goed afgelopen. Zijn oudste zus Sarah Bertha overlijdt 85 jaar oud 22 februari 1941 in een kamp in Driebergen-Rijsenburg. Eduard sterft als oorlogsslachtoffer in Den Haag 16 december 1942. Carolina wordt gedeporteerd naar Sobibor en overlijdt daar 20 maart 1943, 77 jaar oud. Zus Henriette sterft 85 jaar oud, vrijdag 11 juni 1943 in kamp Westerbork. Ik ben bang dat het met nog veel meer leden van deze familie slecht is gegaan. Voor de oorlog woonde in Amsterdam ook nog minstens een oom “van Biema”. Verder waren er ook in Groningen meerdere “van Biema’s”. Hoe het ook zij, in 1947 was er nog maar een persoon met die naam en wel in Gelderland. In 2007 is deze naam net als de naam “van Biema Nijkerk” in heel Nederland verdwenen. In het buitenland komt “van Biema” wel nog voor.
De oudste zoon van Emma zat wellicht toen al in Frankrijk. De jongste zoon van Emma was zoals gezegd Engelandvaarder. Hij vertrok met acht anderen op 25 juli 1943 en kwam op 30 juli in Engeland aan. Daar werd hij vliegenier bij de Royal Aircraft en streed met de Engelsen mee tegen de nazi’s.
Het boek met de gedichten van Heinrich Heine.
In 1947 wordt bij een bevolkingstelling de naam “van Biema Nijkerk”slechts één keer in Nederland aangetroffen. Dat is natuurlijk Emma. Zij is nu uiteraard overleden. Het is dus zeker dat het boek met gedichten van Heine, met de handgeschreven naam “van Biema Nijkerk”, ooit van Emma of nog waarschijnlijker van haar vader is geweest.
Hoe zijn mijn schoonouders er aan gekomen? Er staat geen datum van uitgave in het boek maar een antiquariaat schat dat het rond 1876 is uitgegeven. Het is gedrukt door H.C.A. Thieme, Nimwegen. “Nimwegen”, niet Nijmegen, op zijn Duits dus. Voor dit soort Duitstalige boeken was er natuurlijk ook een Duitse markt. Deze kleinzoon van de stichter van de drukkerij in Arnhem drukte daar boeken tot 1898. De uitgever is Hendrik Altmann, Rotterdam. Hij had daar een boekhandel en gaf zelf ook boeken uit. In zijn familie zien we enkele kunstschilders, die o.a. in het begin van de negentiende eeuw allerlei taferelen in en om Rotterdam hebben geschilderd. Hendrik Altmann zelf overleed in 1884. Het geschatte jaar van uitgave 1876 lijkt aannemelijk. Een aantal jaren daarna zal David het hebben gekocht of gekregen. Misschien als cadeau van zijn schoonfamilie uit Rotterdam?
Zoals we al zagen was David van Biema Nijkerk een zeer ondernemend type, iemand met een echte koopmansgeest. Maar ook zien we dat hij in het bezit is van kunst. In 1931 wordt er een catalogus gemaakt m.b.t. een veiling van kunstwerken. Een van de onderdelen in die catalogus is “de Parijse kunstcollectie van David van Biema Nijkerk”. (Deze catalogus uit 1931 is nog in te zien in de bibliotheek van Gent). Hij is dan al negen jaar gescheiden en heeft waarschijnlijk zoals velen sterk te lijden van de beurskrach van 1929. Hij wil er denk ik weer boven op komen door een deel van zijn kunstverzameling van de hand te doen. Misschien zijn er ook wel kunstwerken van een van de kunstschilders Altmann bij! Graag wil ik die catalogus in Gent een keer inzien! Waarom staat er trouwens “Parijse” kunstcollectie? Dochter Emma en toen nog haar man Hendrik Jonker woonden enige tijd met hun zeer jonge zoons in Frankrijk, is er een link? Ik vermoed dat David ook een tijd in Parijs heeft gewoond. Allemaal vragen waarvan de antwoorden wellicht meer over hem kunnen vertellen en misschien ook meer over zijn relatie tot kunst en poëzie.
Dan lezen we nog dat het Amsterdamse bezit van David in 1942 door de Duitsers is geconfisqueerd. Waarschijnlijk was David toen hij naar Amerika ging nog van plan terug te keren. Hij was gescheiden en zijn enige kind ook. Davids bezittingen werden beheerd door Lippmann, Rosenthal & Co., Amsterdam. Zou bij het Amsterdamse bezit ook het onderhavige boek zijn geweest? Hij heeft het dan waarschijnlijk niet meegenomen naar Amerika.
De Duitsers hebben het denk ik verkocht. Het boek zou zo maar in een boekhandel in Rotterdam terecht hebben kunnen komen, de woonplaats in die tijd van mijn schoonouders. In 1942 of 1943. Daar lag het dan. Mijn schoonmoeder hield van poëzie. Ze stuitte op een mooi boek met verzen van Heinrich Heine. Zij was in 1943 21 jaar oud en ze had een baan bij een verzekeringsmaatschappij. Ze verdiende eindelijk eens wat zakgeld. Ze kocht het boek. Een heerlijk kleinood!
Heinrich Heine, David van Biema Nijkerk, Eduard Jonker en mijn schoonvader.
Na de oorlog ging mijn schoonmoeder trouwen en het echtpaar kreeg negen kinderen. Ze kwam niet veel meer toe aan het lezen in haar mooie boek. Het boek ziet er misschien ook daarom nog steeds prachtig uit. Mijn schoonvader werd in de oorlog opgepakt vanwege verzetswerk en is opgesloten geweest in Vught, later in Dachau. Hij heeft de oorlog overleefd. Onlangs was hij nog bij een herdenking. Inmiddels zijn zij allebei overleden.
Hij is van dezelfde generatie als Eduard Jonker, de jongste kleinzoon van David van Biema Nijkerk. Eduard Arthur Jonker vluchtte naar Engeland en ging van daar uit mee helpen met het verzet. Iets van de levens van deze Engelandvaarder en dat van mijn schoonvader komt zo samen in het boek. En dan de schrijver van het boek, Heinrich Heine.
Ook Heinrich Heine was net als David een jood. Verschoppeling in Duitsland. Behalve de prachtige gedichten waar bijv. Schubert en vooral Schumann muziek bij hebben gemaakt schreef hij ook over maatschappelijke dingen en had hij een zeer opvallende sociaal ingestelde visie. Heine vond een tweede vaderland in Frankrijk. Het Frankrijk ook van de schoonzoon en een kleinzoon van David. David van Biema Nijkerk zelf vond zijn tweede vaderland in Amerika. Kleinzoon Arthur Jonker heeft er vijf dagen over gedaan om vanuit Nederland in Engeland te komen. Er was een storm die het schip terug naar Nederland dreigde te blazen. Hij overleefde de storm van de zee en die van het nazisme en hielp mee met de bevrijding van Nederland.
Eduard Arthur Jonker bij de opening van het Engelandvaardersmuseum in Noordwijk, 4 september 2015

Meer dan vier jaar speurde Eddy Jonker kranten af en probeerde hij adressen van nazaten te achterhalen. Alles om te voorkomen dat de heldendaden van de Engelandvaarders in de vergetelheid zouden geraken. Zijn inspanningen en die van vele vrijwilligers hebben in een nieuw museum geresulteerd.
Eddy Jonker vertelt over zijn Engelandvaart en de opgedane levenslessen
Die Heimkehr (1823-1824)
11.
| “Eingehüllt in graue Wolken, Schlafen jezt die grossen Götter Und ich höre, wie sie schnarchen, Und wir haben wildes WetterWildes Wetter! Sturmeswüthen Will das arme Schiff zerschellen Ach wer zügelt diese Winde Und die Herrenlosen Wellen Kann’s nicht hindern, das es stürmet Dass da dröhnen Mast und Bretter, Und ich hüll’mich in den Mantel, Um zu schlafen wie die Götter” Heinrich Heine
|
Gehuld in grauwe wolken Slapen nu de grote goden En ik hoor hoe ze snurken En we hebben onstuimig weerOnstuimig weer, woedende storm Zal het arme schip verbrijzelen Ach wie beteugelt deze winden En de golven zonder heer Het maakt me niet uit dat het stormt Dat mast en planken kraken Ik hul me in de mantel Om te slapen als de goden Heinrich Heine
|
Bovenstaand verhaal is gebaseerd op talrijke documenten die ik meestal op het internet heb gevonden, die ik heb gedownload van een aantal sites (met name vanuit het Amsterdams archief en vanuit het Nederlands militieregister) of die ik toegestuurd heb gekregen. (Zoals het prachtige document van het Amsterdams archief waarin je kunt lezen dat David van Biema een nieuwe naam krijgt, als hij pas elf jaar is.) Sommige dingen van mijn verhaal zijn zeker, andere zijn slechts vermoedens, zoals de manier waarop het boek in handen van mijn schoonouders is gekomen of de reden van de naamsverandering van David van Biema. Wie graag de originele documenten wil bestuderen: het grootste deel heb ik chronologisch gerubriceerd en achter elkaar gezet in een pdf-document
Inmiddels is Eddy Jonker op 99-jarige leeftijd overleden


Europa heeft diepe kloven. Het hele oppervlak is in kleine gebiedjes onderverdeeld door deze kloven. Die zijn ontstaan doordat Jupiter (=Zeus!!) aan Europa trekt waardoor er veel aardbevingen zijn. Europa is voortdurend in beweging. De grenzen van de kloven veranderen. Soms zie je nieuwe kloven over oude kloven.




Toen de haven van Ravenna begon te verzanden en steeds verder van de zee af kwam te liggen raakte het zijn belangrijkste functie kwijt: poort naar het oosten. Dat werd vanaf toen Venetië. Een zelfstandige stadstaat met een republikeinse staatsvorm. De doge, een soort president, werd gekozen door een groep notabelen. De stad werd zeer rijk door de handel en veroverde een groot deel van de gebieden rond de Middellandse zee ten Oosten van Venetië. Door zijn grote macht en agressieve houding was de stadstaat vaak in conflict met concurrent Genua aan de west-kant van Italië, maar ook met de pauselijke staat of met het hertogdom Milaan. Door zijn enorme rijkdom trok het talloze kunstenaars aan. Niet de minsten. Denk aan Bellini, Titiaan, Tintoretto of de muzikale geweldenaren Monteverdi en later Vivaldi. Het graf van deze componisten kun je in enkele kerken in de binnenstad zien, zoals het graf van Monteverdi in de Frari kerk (Een enorme gotische kerk van het franciscaner klooster, met de meest weelderige fresco’s versierd door allerlei beroemde kunstenaars.)
Toen er alternatieve routes kwamen naar het oosten en ook naar Amerika, de tijd van Columbus, en later de tijd van de VOC, toen begon de invloed van Venetië te tanen. Maar het blijft zelfs nu nog een stad met een enorme aantrekkingskracht, doordat het op allemaal eilandjes, verbonden met bruggetjes, is gebouwd. En door zijn talloze steegjes. Het is een soort Amsterdam van het zuiden, zowel door zijn koopmansachtergrond als door zijn kanalen en grachten.



















Aan de buitenkant vallen allereerst de twee classicistische klokkentorens op, gebouwd tussen 1665 en 1672. Ze zijn 44 meter hoog. Er zijn drie toegangspoorten, met gietijzeren hekwerken. De middelste bevat de letters AM (Ave Maria), de kerk is zoals gezegd gewijd aan Maria. Zij is ook de patroonheilige van het diocees Auch. In de rechter toren hangt een klok van 9700 kg, in de linker toren hangen acht kleinere klokken. Ooit waren er aan de buitenkant beelden te zien van opdrachtgevende aartsbisschoppen, die zijn tijdens de Franse revolutie vernield. De plekken waar deze beelden gezeten hebben zijn nog zichtbaar. Kijk je naar wat je rond de kathedraal nog meer kunt zien: de oudere Armagnac toren (voormalige gevangenis en nu archief) en het jongere bisschoppelijke paleis (nu prefectuur) vallen het meeste op.
Gaan we naar binnen dan zien we twaalf pilaren, welke staan voor de twaalf apostelen. Opvallend is dat het orgel geplaatst is boven het altaar.Zo wordt het koorgedeelte met de buitengewone koorstoelen van de kanunniken compleet afgescheiden van het schip.
Deze koorstoelen zijn naast de glas-in-lood ramen het meest bijzondere interieur element van de kerk. Ook het houten altaarretabel in een zijkapel is de moeite waard.
Op een van de koorstoelen zie je deze afbeelding uit het oude testament: Anna ontmoet Joachim bij de gouden poort. Ik heb dit altijd een verschrikkelijk verhaal gevonden. Joachim wordt door de gemeenschap verstoten omdat hij zijn vrouw Anna geen kind kan geven. Een van de grootste schandes in dergelijke culturen, nog steeds. Wat moet dat erg zijn. Ook voor Anna. Maar dan krijgt Anna de hemelse boodschap om naar de gouden poort van de stad te gaan en daar zal ze na lange tijd Joachim weer zien. Ze hebben gemeenschap en Anna krijgt een kind. En wat voor een kind. Maria! Ik zie als ik er lang naar kijk vooral hoe Anna vol smart naar haar intens droevige man kijkt. Wat een prachtig beeld. Dit is een detail van slechts één koorstoel. Een groot kunstenaar was hier aan het werk!
De tweede afbeelding die ik wil noemen is een detail van het eerder genoemde altaarretabel. De kerk is opgedragen aan Maria. We zien helemaal bovenaan in het retabel hoe daar een verhaal wordt uitgebeeld. Een kind wordt geboren. Dat zal niet Jezus zijn maar Maria zelf. Immers, Jezus zou volgens de bijbel enigszins armoedig geboren zijn in een stal. Maar dit ziet er behoorlijk luxe uit. Het kindje wordt overgedragen aan een andere vrouw, zo te zien zijn deze vrouwen moeder en grootmoeder. Alweer Anna! Verder staat er een warm bedje en lopen er veel bedienden rond. Een andere vrouw is een doek aan het warmen boven een vuur. Er is zoveel te zien dat je niet goed weet waar je kijken moet. Mijn docent kunstgeschiedenis noemde die manier van weergeven maniërisme. Dat zou kunnen kloppen, het retabel dateert van rond 1600. Ik vind het mooi. Het illustreert het algehele gevoel als je in zo’n kerk rondloopt. Waar moet je in godsnaam kijken? Er zijn bij de glas-in-lood ramen en de koorstoelen ontzettend veel details te zien. Meer dan honderd koorstoelen! We kregen een boekje mee. Als je alles zou gaan bestuderen dan had je daar een dagtaak aan. Dat deed ik toen ik er onlangs was dan ook niet. Ik bekeek enkele details, maar: vooral probeerde ik de kerk “te voelen”. Hoe voelt de ruimte. Kan ik de tijdgeest van de makers voelen? Hoe was het daar in de tijd dat de koorbanken bezet waren door de kanunniken? Elke kanunik, in zijn pij, met zijn eigen misericorde onder zijn zitvlak.
De kerk was voor hun alleen. Zelfs als er mensen in het schip stonden: zij zagen de hoge heren niet. Het moet een zeer rijk kapittel geweest zijn. Logisch, het was een aartsbisdom. En Auch was de graanschuur van Zuid-Europa. De kerk staat er nog steeds. Nu als parochiekerk. En als toeristische trekpleister. Wij waren vrijwel de enige bezoekers. We zweefden als het ware van hot naar her in deze maniëristische omgeving. Maar het was er rustig. En veilig. Buiten stond 
Als je naar de geschiedenis van de stad Auch kijkt dan zijn er opvallende parallellen aan te wijzen met de Nederlandse stad Maastricht. Maastricht ken ik goed, ik heb er jaren gewoond. Vooral zijn er parallellen in de historische ontwikkeling van beide steden. Auch is nu de hoofdstad van een departement met de grootte van twee keer Limburg. Het heeft 22000 inwoners. Maastricht is de hoofdstad van Limburg, maar Maastricht heeft 122000 inwoners, vijf keer zo veel als Auch. Dat is het verschil tussen een dichtbevolkt land als Nederland en een relatief dunbevolkt land als Frankrijk.
Verder waren er regelmatig ruzies tussen de kerkelijke autoriteiten en de wereldlijke heersers. Het wapen van de stad getuigt zelfs vandaag nog steeds van de strijd tussen de rode rechtopstaande leeuw (symbool van Armagnac) en het lam (het symbool van de aartsbisschoppen). Dit alles doet me sterk aan de tweeherigheid van Maastricht denken… In 1301 werd er in Auch een document opgesteld om de rechten van de mensen plechtig te bevestigen door Bernard VI, graaf van Armagnac, en de aartsbisschop Amanieu II. Dit moest ook zorgen dat de wereldlijke en geestelijke autoriteiten niet voortdurend in conflict kwamen. Deze overeenkomst bleef geldig tot de Franse revolutie van 1789. In Maastricht werd “de alde caerte” in 1287 getekend, waarbij een aantal rechten van de Luikse bisschop en de Brabantse hertog werden vastgelegd. Het belangrijke document werd bewaard in een van de torens van de OLV basiliek en bleef geldig tot de Fransen de macht overnamen in 1794. Toch werkte een en ander niet altijd. In 1379 was er bijv. in Auch een geschil over de graanmolen van de bisschop die daar de zeggenschap over wilde blijven houden. Dat hadden ze in Maastricht beter geregeld. Er was gewoon zowel een “hertogmolen” als een “bisschopsmolen”. De bisschop verkocht na een tijd de rechten aan een bakkersgilde. De molen bestaat en functioneert overigens nog steeds, maar nu als particuliere molen..
In Maastricht kun je op het Vrijthof de Sint Jan beklimmen. Je ziet dan wat de ernaast gelegen Servaas-kerk ook ziet: Maastricht en het prachtige Zuid-Limburgse land.


el van Richard Crocker. Crocker begint dit artikel met een citaat uit het werk “Opuscula musica” van Hermann. Hermann had muziektheorie geleerd van zijn leraar Berno die alle Gregoriaanse muziek in acht modi had geplaatst. Berno was waarschijnlijk de belangrijkste muziek expert in zijn tijd. Hermann gaf handvaten om de acht modi in een melodie te kunnen herkennen. Hierbij maakte hij gebruik van de finale (slottoon) maar ook van tetrachord en hexachord (kwart en sext) in de melodie.
heeft gedicht, en hij is dan ook de eerste die ze van een melodie heeft voorzien. Waarschijnlijk is ook het “Veni creator spiritus” van zijn hand. Er lijkt weinig twijfel dat, zelfs indien deze werken later zijn gewijzigd, ze gebaseerd zijn op liederen geschreven door Hermann von Reichenau.
Het gezelschap ‘Ordo virtutum’ bestaat al sinds 1989. We zaten er boven op en konden alles tot in de perfectie zien en horen. De oprichter en leider Stefan Johannes Morent (op foto hier onder) las de muziek subtiel vanaf zijn tablet maar zong meestal uit het hoofd. Ook speelde hij soms fluit of draailier. Verder werden sommige gezangen begeleid door Susanne Ansorg. Zeer subtiel en muzikaal op haar vedel. Maar vooral ook: wat een prachtige mannenstemmen en mooie samenzang van de vier heren, die soms solo en soms samen musiceerden! Hildegard von Bingen, gezongen door mannen, waarom niet! De muziek is meestal veel virtuozer dan de bekende Gregoriaanse gezangen. Soms eindigde een gezang meerstemmig met grondtoon, kwint + octaaf, wat een mooi effect was. Ook hoorde je bij een enkel lied een voortdurende bourdon op de draailier. Allemaal al aankondigingen van de latere meerstemmigheid.

Geniet ervan met gesloten ogen, probeer je het zaaltje vlakbij het Mozarthuis voor te stellen waar nog steeds kamermuziek wordt uitgevoerd, ik heb er twee keer eerder een concert bijgewoond. De stukken werden uitgevoerd in de Sala Terrena. Mozart zelf heeft er trouwens ook vier jaar eerder gewoond. Het gebouw van de Duitse ridderorde was toen net klaar, gebouwd in Venetiaanse renaissancestijl. Bisschop Coleredo sponsorde de concerten aldaar en was zelf een groot liefhebber van de muziek van Mozart. De perfecte locatie dus nog steeds. Met een glunderende papa Leopold (die een jaar later sterft) en een oprecht verbijsterde Haydn (‘hoe krijgt hij het voor elkaar…’).

Er zijn binnen in de kerk nog enkele dingen die me steeds weer raken. Allereerst, gelijk links, nog in de Mérode kapel, zie je een stenen reliëf met de zogenaamde “eed op de relieken”. Deze afbeelding stamt uit de twaalfde eeuw. De kerk werd ook voor wereldlijke zaken gebruikt, de pachters van het kapittel kwamen jaarlijks langs om de balans op te laten maken. Voor ze over de opbrengst van de landgoederen met de deken van het kapittel overleg pleegden moesten ze een eed afleggen. Er was aan de oostkant van de kerk een kleine ruimte die daarvoor gebruikt werd die je van buitenaf kon bereiken. Dit reliëf is afkomstig uit die ruimte.






Hij heeft eerder betoogd dat het hem meer dan waarschijnlijk lijkt dat ook de planeten (dwaalstarren) leven bevatten, vergelijkbaar met dat op aarde. Met “ze” bedoelt hij de bewoners van de planeten. Ook zullen ze muziek maken, maar omdat ook op aarde op heel veel verschillende manieren muziek gemaakt wordt, zal het daar ook wel anders zijn. Verder geeft hij nog een kleine inleiding over het verschijnsel consonant en dissonant of over het vermijden van kwintparallellen. Over de komma van Pythagoras:zegt hij
De afbeelding in de Volkskrant (Foto van Mark van der Kroeg en Femke de Vrij) van de zich “omprogrammerende” huidcellen is erg fascinerend. ‘Het lijkt wel of je de ontploffing van een ster ziet’ staat er in de toelichting. Ook lijkt het op jaarringen in een boom. Het schijnt ook erg te lijken op de zogenaamde neurale buis, het brein in wording dat je na een paar maanden vindt in embryo’s. Microkosmos en macrokosmos, ook Huygens zag al de overeenkomsten. En hij legde net als ik een link met muzikale ervaringen. ‘Kijk maar naar de details’, lezen we in de Volkskrant bij de toelichting van de foto. ‘Die draden rondom. Dat zijn de axonen, de elektriciteit geleidende staarten van hersencellen. De draden zijn geordend als jaarringen in een boom, net als in de menselijke cortex. De slierten die van binnen naar buiten lijken te zwiepen zijn de radiale glia, speciale sleepkabels die de hersencellen naar de juiste plaats dirigeren. En die vage plek in het midden is de bron: de plek waar de cellen ontstaan’


Arnon Grünberg schreef dinsdagochtend in de volkskrant een erg leuk stukje over Johanisten. Het was me recht uit het hart gegrepen. Daarover zo dadelijk meer. Maar zoals gewoonlijk krijg ik dan allerlei associaties. Ik dacht aan de orde van Johannieters. Een ridderorde, opgericht nog voor de eerste kruistocht in 1023 in Jeruzalem, die tot doel had pelgrims te beschermen die naar het H. Land reisden. Johannes de Doper was de schutspatroon. De kruisvaarders die rond 1100 met Godfried van Bouillon meekwamen schonken de orde veel geld en goederen. Toen de orde van de tempeliers werd opgeheven vervielen al hun bezittingen ook aan de Johannieters. Rond 1300 was het een orde met bezittingen en vestigingen van ridders door heel Europa. Ongelooflijk rijk en machtig. Op bovenstaand kaartje zie je waar de vestigingen in onze streken waren.





Maar de tijdgenoot Jeroen Bosch is niet vergeten. Op een van zijn schilderijen, het doek waarop hij de aanbidding der koningen uitbeeldt zien we op de achtergrond een stad, en men denkt dat dat den Bosch is.
Voor die stad zien we twee groepen cavalerie met rode vaandels. Sophie Tutelaers vermoedt dat het om Gelderse troepen gaat, die Jeroen Bosch waarschijnlijk ook wel een keer gezien heeft. Den Bosch is overigens nooit veroverd of belegerd in die jaren. Dat in tegenstelling tot Oldenzaal, Steenwijk, Utrecht en den Haag, of de dorpen in de Alblasserwaard, allemaal gebieden van de grote Gelderse vijand Bourgondië. Ze werden door van Rossum platgebrand.
Hoe zag Jeroen Bosch er uit? Naar aanleiding van de lezing van Sophie Tutelaers in den Bosch denk ik het te weten: Hij had dan bijv. een grote spitse neus. Op diverse schilderijen komt die persoon terug en men denkt dat Jeroen Bosch zich daar zelf heeft geschilderd. Hier zoals je hem kunt zien in de rechter benedenhoek van het schilderij: “Johannes op Patmos”.





Hij liet er een huiskapel bouwen, net als in zijn zomerhuis in het naburige Boukoul, het tegenwoordige “Zuidewijck Spick”. Gul steunde hij allerlei plaatselijke instanties en kerken en gaf beurzen aan arme jongelieden. (belangrijkste bron: “het huis Dever te Lisse”)
Op een afbeelding in een getijdenboek van de Visconti’s van eind 14e eeuw wordt dat moment weergegeven. In de omlijsting zie je de wapenschilden van Visconti, maar ook konijntjes: het ultieme vruchtbaarheidssymbool


Jezus zit bij de glimlachende Anna op schoot en speelt met de mantel van Maria. Maria kijkt recht naar voren, zoals het hoort als ze zit op de zetel der wijsheid. In haar handen heeft ze een palmtak. Maar wie is de wijste? Anna is hier voor mijn gevoel belangrijker dan Maria….Wat kan ik lang kijken en genieten hoe Jan van Steffeswert dit alles liefdevol heeft weergegeven.

Begin van een vraag.
Vraag-(voorlopig) antwoord.
Duidelijke vraag.
Smart.
Berusting en sterke overgave.
De afbeeldingen van deze kleine manen stellen nog niet veel voor, maar als je je realiseert hoe klein ze zijn en hoe verschrikkelijk ver af ze staan, dan is het nog een wonder dat we toch al een “persoonlijke” indruk kunnen krijgen. Ja, persóónlijk. Want net als alle planeten zijn ook de manen van planeten eigen entiteiten met een eigen naam. Allemaal afkomstig uit de Griekse en Romeinse mythologie. Pluto (bij de grieken Hades) is de god van de onderwereld. Nadat in de 18e en 19e eeuw Uranus en Neptunus waren ontdekt volgde in de 20e eeuw Pluto. Nog steeds volgde men bij de naamgeving de lijn die de Romeinen al hadden aangegeven: planeten staan voor goden. En Pluto was zo verschrikkelijk ver weg, dat kón alleen maar de God van de onderwereld zijn, dus Pluto. Toen pas veel later Charon, en nog later de kleinere maantjes werden ontdekt, bleef men in die sfeer. Als Grieken of Romeinen stierven gaven ze de overledene een muntje mee. Met dat muntje konden ze de veerman Charon betalen, die hen de rivier de Styx overzette om zo in de onderwereld te kunnen komen. De moeder van de veerman Charon is Nix, de godin van de duisternis en de nacht. Kerberos is de driekoppige hellehond, die de ingang van de onderwereld bewaakt. Hydra is het veelkoppige monster dat door de held Hercules werd verslagen als een van zijn 12 werken. Hydra is een dochter van Typhon, ook een monster, welk ooit de heerschappij met Zeus bestreed en na de overwinning van Zeus werd opgesloten onder de Etna. Af en toe hoor je hem nog brullen en vuur spuwen… Hydra is door Hercules verslagen, maar leeft nog voort als een van de maantjes van Pluto.


De schatkamer van de Sint Servaaskerk te Maastricht bezit twee opvallende reliekhouders in de vorm van een struisvogelei. Volgens Sigismund Tagage in zijn hoofdstuk over “schatkamers” in “kunst ambacht en volksgebruiken in Zuid-Limburg” sprak dat in de late middeleeuwen sterk tot de verbeelding van de pelgrims. Struisvogels kende men van de bestiaria uit die tijd. Het waren bijzondere vogels omdat ze de eieren niet bevruchtten. Ze legden een ei in het zand en lieten het weken liggen. Dan, de eerste keer dat de ster Canopus ’s avonds in het oosten verscheen, gingen de struisvogels terug naar hun ei en verwarmden het tot het ging barsten en er een jong geboren werd. De associaties voor de middeleeuwse mens waren duidelijk. De struisvogel symboliseert Maria, die onbevlekt moeder werd van een kind. De geboorte van dat kind werd aangekondigd door een ster, welke de wijzen volgden om de nieuwe koning te vinden. Daarnaast is een ei een vruchtbaarheidssymbool, denk maar aan Pasen. En een struisvogelei: waw! Zo groot! Het was een geweldig voorwerp om kostbare relieken in te bewaren. Men kende het niet en er werden allerlei mooie verhalen bij verteld waar de pelgrims van smulden en mee thuis konden komen. Twee van die reliekhouders uit de vijftiende eeuw kunnen we nog bewonderen in de schatkamer. En aan het Vrijthof tegenover de Servaas, op de hoek van de Platielstraat, werd een herberg gesticht met de naam “in den ouden Vogelstruys”. De pelgrims konden daar blijven eten en slapen.
Canopus is de een na helderste ster van de hemel. Zeer opvallend en tot de verbeelding sprekend. De meest heldere ster is Sirius, die je in onze streken ook kunt zien, vooral tijdens de wintermaanden. Canopus is een witte reuzenster die relatief dichtbij staat. Alle sterren bewegen door onze melkweg. In hun baan staan ze soms dichterbij of soms wat verder van onze zon vandaan. Canopus staat nu duidelijk iets verder af dan eerder, waardoor Sirius relatief gezien tijdelijk nog meer helder lijkt. We hebben het overigens over duizenden jaren dat het duurt voordat die relatieve helderheid iets is veranderd!

Hier een deel van de kaart van Gelre, Jacob Aertsz kaart10 – Le Duche de Gueldres, ongeveer 1660. Het westen ligt boven, zuiden links. De veldtocht tot Nijmegen van Karel de Stoute volgen we via de blauw omcirkelde plekken van links naar rechts.
“Grafkarel” by Paul Hermans uit nl. Licensed under CC BY-SA 3.0 via Wikimedia Commons –
De groep “Ausdauer” maakte rond dit gegeven een prachtig muziektheaterstuk. Gisteravond was de premiere in theater de Kikker in Utrecht. Vier muzikanten, in het stuk genoemd “the God Squad”, samen met een toneelspeelster, zangeres, muzikante (Gabby Bakker). Eigenlijk een solovoorstelling met prachtige live muziek.



Kijk je naar de tronende Madonna van hem (rechts) of naar die van zijn meester Cimabue (links) dan zie je hoe Giotto al veel meer een echt perspectief kan weergeven en ook veel beter overweg kan met het schilderen van de plooien van een jurk. Zijn schilderingen zijn duidelijk driedimensionaal, en de gezichten en gebaren zijn gebaseerd op nauwkeurige observatie. Giotto heeft geschilderd in o.a. Florence, Assisië en Napels, maar nu beperk ik me even tot de magistrale fresco’s in de Scrovegnikapel van Padua, die hij waarschijnlijk ergens tussen 1303 en 1305 schilderde. Hij schilderde de lijdensweg van Jezus, episodes uit het leven van Maria, de zeven deugden en de zeven doodzonden. En je kunt niet heen om de grote afbeelding van het laatste oordeel, pontificaal in het westelijk deel van de kapel.



Betelgeuze is elke avond schitterend te zien als er geen wolken zijn. Het is een van de sterren van het sterrenbeeld Orion. Bovenstaande foto maakte ik eergisteravond. Bij ons vakantiehuisje in Het Leuken, een buurtschap van Well. Ongeveer naar het oosten moet je kijken in de vroege avond. Rechts boven zien we daar het genoemde sterrenbeeld Orion, een soort rechthoek met in het midden een schuin rijtje met drie sterren. Betelgeuze is de ster linksboven van deze rechthoek. Dit sterrenbeeld met onze wijze ster is de hele nacht te zien. En schuift langzaam naar het zuiden in de loop van de nacht en gaat in het NW onder.









Het huidige gebouw in Dijon dient nu als (gratis!!) kunstmuseum.












