Op radio 4 klinkt elke ochtend het programma “de Klassieken”. Klassieke muziek, met luchtige tussendoortjes en spelletjes. Welke muziek hoor je daar? Aangenaam klassiek. Ook moderne muziek, bijv. de muziek van Arvo Pärt. Dan wel niet zijn vroege muziek, nee vooral de enigszins mystiek aandoende latere muziek, altijd consonant en welluidend. De klassieken draait deze muziek juist omdat hij welluidend is. Deze muziek schrikt niet af, de mensen gaan niet snel naar een andere zender. Je kunt intussen rustig converseren of wat anders doen. Wat kunnen we van muziek uit de twintigste eeuw verwachten bij dit radioprogramma? Vooral Franse muziek van Ravel, Poulenc of Satie. Die gaat er in als koek. Je hoeft je als luisteraar weinig in te spannen. Kenmerkend voor veel van die muziek is dat het muziek zonder een verhaal is. Muziek die vaak gebaseerd is op een leuk wijsje, op een dansje, het is vooral ook muziek met een aangenaam sfeertje, het is mooie en mooi geïnstrumenteerde of geörkestreerde muziek. Deze muziek is echt “aangenaam klassiek”. Bij “De klassieken” hoef je meestal trouwens niet echt naar muziek te luisteren. Je hoort gewoon muziek. Het is een programma dat er voor zorgt dat muziek als een reukverfrisser de ruimte binnen komt. Deze muziek mag niet te nadrukkelijk zijn. De muziek moet passen bij de kleuren van het bankstel en het goed doen bij de gordijnen.
Welke muziek is aangenaam klassiek? Barokmuziek! Die was daar ook voor bedoeld. Lekker samen spelen, het gaat nergens over, dat is vaak gewoon gezellige tafelmuziek. Of de salonmuziek van de vorige eeuw: veel muziek van Chopin, Mendelssohn, Schubert en Schumann is eveneens uitermate geschikt als een verdovend, aangenaam geluidsdecor. Bij de Weense klassieken van rond 1800 zijn Haydn en Mozart bijzonder favoriet. Veel van de muziek van Mozart is geschikt om tot rust te komen of om de baby te laten ophouden met huilen.
Een ander verhaal is de muziek van Beethoven. Mijn moeder snapte niets van die muziek en vond hem al snel te hard of te dissonant. Geen goede achtergrondmuziek dus. Ik heb een conservatoriumdocent gehad die zei: ‘je kunt aan zijn muziek goed horen dat Beethoven doof was. Als hij die muziek zelf gehoord zou hebben was hij zich rot geschrokken.’ Beethoven hoor je dus veel minder op Radio 4. Veel van de muziek van Beethoven is “onaangenaam klassiek”.
Wat wilde Beethoven hier in godsnaam mee, wat is eigenlijk de ziel van die man? Beethoven is een van de eerste componisten die probeerde via instrumentale muziek een verhaal te vertellen. En dan bedoel ik niet composities als de “ouvertüre Egmond” waar je de bijl hoort vallen op de grote markt van Brussel. Ook bedoel ik niet de “pastorale symfonie” waar een onweer wordt uitgebeeld in klank. Ik bedoel de stukken waar Beethoven een boeiend samenhangend verhaal probeert te vertellen, zonder dat je je daar een concrete voorstelling van hoeft te maken. Hij doet dat al bij zijn eerste pianosonates die hij schreef toen hij nog niet zo lang in Wenen was. Maar de verhalen worden steeds interessanter. De prachtigste verhalen klinken in zijn latere pianosonates, de laatste cellosonates en vooral in de laatste zes strijkkwartetten. Ongeschikte muziek om het servies goed bij tot zijn recht te laten komen. Deze muziek dwingt je om óf de radio uit te zetten óf om hem juist harder te zetten, en vervolgens het verhaal met al je geopende zintuigen tot je te nemen. Het is muziek waarbij je kwaad wordt als in de concertzaal mensen al beginnen te klappen bij het nog uitsterven van het laatste akkoord. Je moet ademloos in je stoel zitten en na afloop bijna net zo uitgeput zijn als de geconcentreerde spelers. Luisteren naar muziek wordt een sport.
Zou ik mijn moeder nog hebben kunnen uitleggen wat de muziek van Beethoven, zelfs nu nog in deze tijd, zo (in mijn ogen) “goed” maakt? Ik weet het niet. Je moet om te beginnen willen luisteren naar een verhaal. Je geesteshouding moet niet zijn: “mooie muziek”. De muziek is gewoonweg niet mooi. Maar de muziek is wel zó ontzettend goed… Luister je naar het eerste fugathema van de “Grosse Fuge” op. 133 dan zal je als je niet de goede luisterhouding hebt zo snel als je kunt weg willen lopen.
Als je er nu nog bent en het hele fragment hebt afgeluisterd dan heb je denk ik de juiste luisterhouding. Beethoven speelde naast piano ook altviool. Hij wist heel goed hoe hij voor strijkers moest schrijven. Hij wist dus ook dat dit stuk niet mooi was, dat het niet aangenaam zou klinken, maar hij wilde dat de strijkers op het puntje van hun stoel met alle kracht in hun lijf dit thema, met het tegelijkertijd klinkende tegenthema, lieten horen en van het ene hoogtepunt naar het volgende hoogte- of dieptepunt zouden voeren. Beethoven schreeuwt het uit!
Dat brengt me bij het verhaal van dit stuk. Het heet: “Grosse Fuge”, oftewel, “Grote fuga”. Over de fuga schreef Beethoven eens: ‘een fuga schrijven kan iedereen. In mijn studententijd heb ik er dozijnen geschreven. Maar in een fuga ook nog gevoel leggen, dat kunnen niet veel mensen.’ En niet alleen gevoel moet er in liggen. Beethoven spot met alle conventies rond het begrip fuga. Een fuga is opgebouwd rond een thema, dat afwisselend wordt overgenomen door andere partijen. Een fuga begint zo eenstemmig, dan wordt hij tweestemmig enz. Zo’n blok met inzetten waar het thema voortdurend ergens aanwezig is heet een “doorvoering”. Doorvoeringen worden vaak onderbroken door zogenaamde divertimenti, sequens-achtige passages waar het thema niet aanwezig is.
Tot zover de conventie. Wat doet Beethoven? Hij besluit een uiterst simpel thema te laten contrasteren met een aantal andere thema’s, waardoor je telkens een zogenaamde dubbelfuga krijgt. Hieronder de vier thema’s.

In de inleiding introduceert hij het eenvoudige hoofdthema en het lyrische derde thema dat pas later opduikt.
Na deze inleiding volgt onmiddellijk de eerste dubbelfuga met thema 1 en 2, zoals we die net gehoord hebben.
Vervolgens horen we even thema 3 (al in de inleiding voorgesteld) en even later klinkt daar het hoofdthema 1 tegenaan.
Als deze twee thema’s stevig van alle kanten bekeken zijn komt er een totaal nieuw deel, een soort scherzo, dat even later gaat fungeren als thema 4 waarna Beethoven er alweer het hoofdthema 1 tegenover plaatst. Ook nu weer voert hij de muziek op tot een nieuw hoogtepunt.
Na dit alles volgt er een coda. Hierin lijkt het scherzothema 4 terug te keren, maar nu zonder de spannende confrontatie met thema 1. Pas op het einde van dit deel, nu niet als hoogtepunt maar als rustige afsluiting, het hoofdthema 1 er doorheen met pizzicato noten.
We zijn er nog niet. Het stuk is begonnen met een introductie van twee thema’s. Het lijkt of hij nu ook deze introductie gaat herhalen, waarin even later ook nog thema 2 terugkeert en na een kort hoogtepunt volgt een vrij eenvoudige slotzin met een krachtig einde.
Eigenlijk hebben we te maken met een redevoering. Met een spannend verhaal, waarin je overtuigd moet worden als luisteraar. Beethoven spreekt tot ons. Wat zegt hij?
- Hier ben ik! Dít is mijn statement. Geen speld tussen te krijgen. Alhoewel? Ik zeg het jullie nog een keer, maar nu een stuk zachter en vriendelijker. En ik stel er iets anders, iets lyrisch tegenover.
(De luisteraar wordt nieuwsgierig gemaakt. In de retoriek heet dit een “narratio”. Omdat tegelijk het onderwerp (met twee van de thema’s, thema 1 en 3) wordt geïntroduceerd zou je het ook als titel van de redevoering kunnen bestempelen.) - Ik ga het jullie uitleggen. Ik heb drie dingen te vertellen.
(Er volgen maar liefst drie argumentatio’s, al dan niet voorafgegaan door het voorstellen van een standpunt. Argumentatio is in de leer van de retorica: de stellingen van een redevoering worden beargumenteerd)- Om te beginnen dit. Wat ik jullie allereerst vertel, dat is niet niks. Ik ben er vast van overtuigd dat het zo is. Dit móet je horen. Het gaat mij en hopelijk ook jullie echt door merg en been. En ik blijf doorgaan, of je het wil of niet, totdat je het echt begrijpt.
(De eerste argumentatio, het uitwerken van een of meer standpunten, is bijzonder fel: we worden meegesleept in duizelingwekkende vaart met het hoofdthema en het tegenthema tot er geen speld meer tussen te krijgen is.) - Van de andere kant. Laten we het eens rustig van een andere kant bekijken. Alhoewel. Als het er op aan komt, in combinatie met wat ik hier voor zei, kan ik toch niet echt stil blijven!
(De tweede argumentatio stelt om te beginnen een ander thema aan de orde, het rustige en lyrische thema 3, gaat dit ook van alle kanten bekijken en confrontreren met thema 1) - Begrijpen jullie het al een beetje. Kom aan. Er zit ook een vrolijke kant aan het verhaal. Dat ga ik je nu vertellen. Zo is het dus. Maar vergeet niet wat ik eerder zei. Uiteindelijk keren we toch weer terug naar de essentie.
(De derde argumentatio stelt opeens een heel ander thema aan de orde, thema 4, en ook nu volgt er weer een doorkauwen van dat thema en daarna nog een confrontatie met thema 1.)
- Om te beginnen dit. Wat ik jullie allereerst vertel, dat is niet niks. Ik ben er vast van overtuigd dat het zo is. Dit móet je horen. Het gaat mij en hopelijk ook jullie echt door merg en been. En ik blijf doorgaan, of je het wil of niet, totdat je het echt begrijpt.
- Ik heb het voornaamste verteld.
(Na dit alles komen er 2 samenvattingen, maar die af en toe toch weer in overdonderende oprispingen ontaarden. )- Ik blijf er bij dat er een vrolijke kan aan het verhaal zit.
(De eerste samenvatting houdt zich met thema 4 bezig.) - Maar, let op, ik som nog een keer de hoofdzaken op. Begrijp je ze? En vergeet niet: uiteindelijk moet er wel naar gehandeld worden potverdorie!
(De laatste samenvatting begint weer met de punten van het begin, thema 1 en 3, en sluit dan af met een wervelend slot waarin vooral thema 2 een rol speelt. )
- Ik blijf er bij dat er een vrolijke kan aan het verhaal zit.
Luister en kijk naar het Alban Berg kwartet.
Ook de sonatevorm van Beethoven, waarin meestal het eerste deel van een instrumentaal stuk in is geschreven, kun je vaak als een soort redevoering beschouwen. Wil je er meer over weten? Kijk op https://www.ppsimons.nl/sonatevorm-beethoven
Een tijd geleden zag ik een prachtige projectie van de zonsondergang in de achterruit van onze auto. Een soort hologram. Niet de echte zonsondergang, maar wel een die ik op dat moment als echt en prachtig ervoer. Over echtheid en werkelijkheid ging het in twee verder heel verschillende artikelen in de Volkskrant van afgelopen zaterdag.
Officieel zitten we nog in de winter maar vandaag voelde je toch dat de lente er aan zit te komen. Maar bij dit weer is het niet alleen overdag heerlijk. Ook de avonden en de nachten zijn verrukkelijk. Vanavond om half acht liep ik naar buiten, de dijk op en het eerste wat ik hoorde was een uil. Daarover heen schreeuwden talloze meeuwen. Nog meer op de achtergrond hoorde je de zware dreun van een naderende boot op de Lek. Door de wolken kwam af en toe de nu bijna volle maan tevoorschijn. En in het WZW stond nog steeds een prachtige Venus. En wat een heerlijke geuren bereikten mijn neus. Kan dat, frisse lucht ruiken? Met er doorheen een beetje de geur van verbrand hout. Een houtkachel ergens in de buurt. Maar dat moet je er bij fantaseren. Bij de plaatjes en bij de geluiden. Heb ik ook iets gevoeld? Ja zeker, een heel klein beetje vocht. Neerslaande waterdruppels, de dauw van de komende ochtend. Daarom rook het dus zo fris. En er was nauwelijks wind. Hij komt er aan. De lente!
De film is niet diepgaand, van elke culturele groep die werd bezocht kreeg je veel te weinig mee. De oorzaak is gelegen in het feit dat de gezinsleden toen ze op weg gingen helemaal niet van plan waren om een film te maken, maar na vijf jaar hebben ze dat achteraf toch gedaan. De shotjes waar gezinsleden op staan hebben ze bij de editing zelfs moeten destilleren uit opnames die kinderen op hun eigen camera gemaakt hebben. Desondanks heeft de film indruk op me gemaakt. Enkele hoofdpersonen, zoals de inmiddels overleden sjamaan Nowaten, deden mooie uitspraken. “We hebben de wereld niet ontvangen van onze voorouders, we lenen hem van onze kinderen.”
Bij deze man, lid van een indianenstam in Noord-Amerika, verbleven ze maar liefst vier jaar. Daarna bezochten ze nog mensen in o.a. Kenia, Namibië, Australië, Ecuador en Ierland. Een van de kinderen vroeg zich af: waarom wordt dat regenwoud eigenlijk gekapt? Vanwege het geld dat sommige mensen daarmee verdienen. Ze kon het zich niet voorstellen.







In Zweden zijn onderzoeken gedaan naar boomringen van bomen die groeiden tussen 500 en 2004. De bomen en ringen worden dikker als het tussen april en augustus warmer is. Op basis hiervan kan de jaarlijkse gemiddelde temperatuur worden berekend. Uit dit onderzoek blijkt dat de jaren rond 1800 qua temperatuur te vergelijken waren met nu, rond 1700 en rond 1900 was het beduidend kouder. Na 1900 ging de temperatuur weer omhoog. De middeleeuwse warme-top lag tussen 950 en 1050. Het was toen waarschijnlijk warmer dan nu.
Het sediment in noordelijk IJsland geeft ook duidelijke informatie. Hieruit blijkt dat er een warme periode was in de Romeinse tijd maar ook tussen 1000 en 1300. Ook is de kleine ijstijd zeer goed zichtbaar

Op het schilderij zien we links boven een tempel die refereert aan het priesterschap van Zacharias en de hierboven beschreven gebeurtenissen in de tempel. Maar daar in is ook een houten retabel te zien, duidelijk uit de tijd van het schilderij van Boijmans. In die tijd was het gebruikelijk om, als je het kon betalen, een altaarretabel te laten snijden door een beeldsnijder. Goede beeldsnijders die dat konden waren er niet zo veel. In Antwerpen waren toentertijd de beste beeldsnijders van Europa en als je het kon betalen liet je daar iets maken en het in je stad bezorgen. Daarnaast was het gebruikelijk, als dat retabel klaar was, om dat af te kunnen dekken met geschilderde panelen. Die kon je openklappen: aan de binnenkant zag je dan in schitterende kleuren taferelen die vaak ongeveer dezelfde voorstelling hadden als het houtsnijwerk van het retabel. De buitenkant werd ook beschilderd: heel vaak in grisaille (grijstinten). Dat maakte het openen van het retabel extra feestelijk: het houtsnijwerk kwam tevoorschijn maar ook de beschilderde binnenkant. Een enkele keer, zoals bij het hoogaltaar van Kalkar, waren zowel buiten- als binnenkant van de panelen in kleur. Zo hebben we daar nog steeds 20 schitterende panelen, waarvan je de helft tegelijk kunt zien (geopend 10, of gesloten 10). Waarom schildert de maker van het paneel dat we hier zien in de tempel van Zacharias een altaarretabel in de joodse tempel? Ik vermoed dat dat het wel eens hetzelfde retabel zou kunnen zijn waar hij de panelen bij aan het maken was. Logischerwijs zou dan ook in dit beeldsnijwerk het leven van Johannes de Doper verbeeld moeten zijn. Jammer genoeg zijn de afbeeldingen te onduidelijk om daar zekerheid over te krijgen.
Op dat laatste zien we hoe Johannes de doper Jezus aanwijst als “het Lam Gods”. Andere afbeeldingen die er nog meer geweest moeten zijn: “Johannes als kluizenaar in de woestijn, levend van sprinkhanen” en waarschijnlijk ook “de dood van Johannes”, waarbij meestal zijn afgehakte hoofd op een schotel wordt getoond. Waarschijnlijk zijn deze en nog meer afbeeldingen van ditzelfde altaar verloren gegaan.

En bij een detailfoto van Venus zie je fel het weerkaatste zonlicht op de dikke dampkring van Venus, maar je lijkt ook iets van de dampkring, wolkenpartijen, zelf te kunnen zien. Het gaat daar behoorlijk wild tekeer met stormen van honderden kilometers per uur, die gebroken worden door de enorme bergtoppen op Venus, vele malen hoger dan de hoogste bergen op aarde. De zo lieflijk ogende planeet is in werkelijkheid een ware hel, de dampkring bevat uiterst giftige gassen. Spannend om met enige fantasie hier iets van terug te zien, zomaar, met een aardige fotocamera.
Acht metershoge grisailles. Wat betekenen ze? Waarom zijn deze geschilderd? Nieuwsgierig loop je onderzoekend door de zaal en probeert er achter te komen.



Bij dit schilderij staat overigens een voor mij enigszins merkwaardige toelichting:


Terwijl ik dit schrijf valt er natte sneeuw, meer regen dan sneeuw en huilt er een stormachtige wind rond het huis. Bij het uit de brievenbus halen van de krant dacht ik twee dingen: 1 = “brrrr, snel weer naar binnen” en 2: “vandaag is het echt slecht weer, thuis blijven!” Is dit voorspeld? Ja zeker! Iets dergelijks suggereerde de krant afgelopen zaterdag al. Voor vrijdag stond er een ikoontje met regen en sneeuw. Wat is er nog meer wel of niet uitgek omen van de voorspellingen toen? Eigenlijk waren de voorspellingen best goed. Drie kleine missers:
Er valt erg veel te vertellen, ook over de verdere opzet van dit bijzondere boek. Het wemelt van de verwijzingen naar Gian Galeazzo Visconti. Zijn hoofd wordt vaak slinks verwerkt in een liturgische tekening. Ook zien we vaak een van de emblemen, het zonnerad of het kenmerkende slangenembleem.
Joachim zit droevig zijn lot te betreuren nadat hij is verstoten uit de gemeenschap. In de landelijke omgeving zijn enkele herders te zien. Een van die herders zit in een ravijn met enkele koeien.
Verder zien we een aantal schapen. Helemaal boven in beeld in de verte een hut met een rieten dak. Joachim staat er twee keer op. Een keer zoals gezegd treurend tussen de schapen, de tweede keer zien we hoe hij luistert naar een engel die aan hem verschenen is.

In die vlechten zien we steeds een luipaard, iedere keer op een andere manier weergegeven. Staat dit luipaard wellicht voor gevaar, de gevaarlijke woestenij waar hij zich met de herders bevindt? Is er mogelijk een bijbelse verwijzing? Is het de kloeke kordate slagkracht van Gian Galeazzo die hier wordt weergegeven? Of is het gewoon een leuk detail zonder enige betekenis?
De blauwe en soms roze bloemetjes zijn de lelies van het Franse hof, waar Gian Galeazzo aan gelieerd is. Hij had namelijk de titel Comte de Vertus / Graaf der Deugden, naar het graafschap Vertus in Champagne dat hij door zijn huwelijk met Isabella van Valois had verkregen.
We zien de emblemen van Visconti: de slangen (biscia) in de hoekpunten en er tussen in telkens het zonnerad. De biscione of biscia is te herleiden tot het Italiaans voor ‘grote slang/grasslang’ of het Milanees voor ‘adder’ (bissa). De beeltenis stelt een slangachtig wezen voor dat een mens baart.



Voor het gordijn open gaat hoor je al een hele tijd hoe er op het podium een piano wordt gestemd. ‘Daar zijn ze ook laat mee’ is je eerste gedachte. Dan gaat het gordijn open en ja hoor, de piano wordt nog steeds gestemd. Het hoort bij de voorstelling weet je nu zeker. Heel subtiel komen er tijdens het stemmen en testen van de intervallen flarden kerstliedjes. Geniaal gedaan en tegelijk hilarisch. De stemming zit er in. “de kerststemming.” Freek lijkt elk jaar beter te worden. Behalve zijn geweldige theatrale vondsten, timing, humor, aankleding is er ook nog de diepgang die je bij de meeste collega’s mist of ze komt bij hen voor mij vaak gezocht over. We weten na gistermiddag veel meer over zijn familie en kerstgewoonten maar vooral ook schildert Freek de Jonge weer raak wat de kerngedachte van deze kerstmis zou moeten zijn. Daar kan geen enkele preek tegenop. Zijn vader, predikant, zou er alsnog trots op worden. Op die momenten was de zaal dan ook, zoals ook Freek opmerkte, muisstil. Een keer was ik echt ontroerd en biggelden er enkele tranen over mijn wangen. Misschien was ik wel de enige in de zaal. Hij zong het liedje “mijn vader gaat op stap” van Toon Hermans, dan wel op zijn eigen manier, maar ik voelde de eer die hij bewees aan zijn al lang overleden voorganger. Die eer was welgemeend en dat ontroerde me.


In maat 19 en volgenden wordt het gecombineerd met zijn omkering: de rechterhand speelt in achtsten steeds een dalende grote terts gevolgd door de stijgende kleine terts, de linkerhand heeft steeds het origineel.



Fra Bartolommeo schijnt op tijd de wijk te hebben genomen en zo de dans ontsprongen te zijn. Maar hij heeft nog lang in angst moeten leven. Twee jaar lang heeft hij niet geschilderd en zich terug getrokken.

Voor het stadhuis van Rotterdam staat het standbeeld van een van de grootste staatsmannen die Nederland ooit gekend heeft: Johan van Oldenbarnevelt. Rotterdam kent aan personen die een belangrijke betekenis voor de stad hebben bijna jaarlijks de ‘Van Oldenbarneveltpenning’ toe. In het verleden is die penning toegekend aan mensen als Eduard Flipse, Jan Tinbergen en Valeri Gergiev.





Ook bij ons op de dijk staan enkele woningen al tijden leeg, en een enkel huis wordt ook hier langzaam opgegeten door de natuur. In enkele jaren gaat dat al hard. Na duizend jaar is er niet veel meer van over. Na tienduizend jaar is het vrijwel weg. Na miljoen jaar weet niemand meer dat daar ooit iets gestaan heeft.














Barack Obama wist hoe hij zijn publiek kon inpakken, zoals we kunnen zien in deze video. Daar moet je een bepaalde persoonlijkheid voor hebben, maar je kunt ook veel dingen leren. Cicero, de eerste en misschien wel meest beroemde redenaar ooit schreef over die kunst al boeken. En die boeken bleven een inspiratiebron voor latere generaties. Als advocaat moet je niet alleen de rechtsregels kennen maar je moet ook een gloedvol betoog kunnen houden. En de dominee of de pastoor moet zijn gemeente of parochie met een goed gevoel naar huis kunnen sturen, zo van: ‘we gaan er weer een weekje tegen aan’. Hoe ziet zo´n redevoering er dan uit, en wat moet je doen om hem uiteindelijk over het voetlicht te kunnen brengen? De regels in de boeken over retorica zeggen er dit over:


In het museum Plantin Moretus zag ik twee boeken uit de zestiende eeuw liggen die gaan over de schrijfwijze en uitspraak van het Nederlands in die tijd. Het eerste boek is uit 1581 en geschreven door Pontus Heuterus. (Pontus de Huyter): “Schat der Nederduitscher spracken” De schrijver, geboren in Delft, heeft een bewogen leven geleid: hij was een van de martelaren van Gorcum, maar hij is wonderbaarlijk aan de dood ontsnapt, waarschijnlijk omdat hij had aangegeven het katholieke geloof af te zullen zweren. Vanuit de kerker van Den Briel ging hij naar Jabbeke in Vlaanderen. Ook daar moest hij al snel weer vluchten voor de calvinisten.. Uiteindelijk kon hij zich, toen de Spanjaarden weer stevig de touwtjes in handen hadden, in St. Truiden vestigen waar hij in 1602 overleed. Maar in al zijn omzwervingen door Europa raadpleegde hij vele archieven. De kennis zo opgedaan leidde tot een boek over de geschiedenis van Bourgondië. Maar ook schreef hij een boek dat ging over “het Nederlands”. Hij probeerde deze taal te standaardiseren, door elementen uit het Vlaams, Brabants, Hollands, Gelders en Kleefs er in te verwerken. Hij schreef de Nederlandse woorden op en vertaalde ze in het Frans en Latijn. Het boek is in 1581 in Antwerpen uitgegeven. Er is nog een antiquarisch exemplaar van te koop. Dat ligt in een antiquariaat in Brederode. De vraagprijs is 15000 euro…
Er lag nog een ander boekje in het museum, getiteld “twe-spraack”, geschreven door Hendrik Laurenszoon Spieghel. Dat is drie jaar later uitgegeven door de rederijkerskamer”In liefde bloeyende”, De drukker was Cornelis Plantijn, die een dependance van “Plantin Moretus” in Leiden runde. Dat boek staat integraal op internet! Het behandelt de basisregels van de notatie en de uitspraak van de “Nederduytsche” taal in 1584. Het woord “twe-spraack” duidt op de vorm van het boek: alle notatie- en spraakregels worden besproken door twee mensen die met elkaar in gesprek zijn (G=Gedeon en R = Roemers). In de samenvatting hierna wordt op die tweespraak overigens niet meer ingegaan.
Eigenlijk is er alleen een verschil met betrekking tot de notatie van lange klinkers. Bij Huygens, niet overal consequent trouwens, zien we de regel dat een korte klinker gevolgd door slechts een enkele medeklinker, of als laatste van een woord, uitgesproken moet worden als een lange klinker: “weten”, “adel”, “zadel”, “stelen”, “scha”, “gev’op”. Zoals nu nog steeds dus. De enige uitzondering is “leenen”. Spieghel zegt al dat dit gebruik bestaat, maar hij wil dat liever niet. Hij pleit voor e = e en ee = ee enz., op welke plek dan ook. Verder zien we de “ó” van Spieghel nergens terug. Dat betekent dat sommige o-klanken wellicht als oa zouden moeten worden uitgesproken. Helaas is dat nauwelijks te achterhalen. Misschien was in de tijd van Huygens de uitspraak op dat gebied inmiddels al zo ontwikkeld dat de “oa” al was verdwenen.
Onlangs was mijn zwager enkele dagen in Nederland. Hij woont al zeer geruime tijd in Frankrijk. Het viel hem op hoe in winkelstraten, maar ook op de televisie, in advertenties of in het spraakgebruik van vooral jongere mensen zoveel woorden waren “ver-engelst”. Hij zei dat dat in Frankrijk hier en daar ook al een beetje begon, maar dat het in Nederland toch wel ongelooflijk sterk was. Bij TV-programma’s zien we voortdurend een “battle” en onlangs hoorde ik dat woord jonge kinderen in hun eigen spel ook al gebruiken. Is het een kwaliteit? Maxima koppelde er ooit zelfs de identiteit van de Nederlanders aan en kreeg toen half Nederland over zich heen. Onze eigenwaarde werd er blijkbaar door aangetast: “zo zijn wij niet!”
Wieteke van Zeil schreef vandaag in de Volkskrant een mooi artikel met als titel ‘Koreaan’ van Rubens was Chinees. Op een schilderij uit 1617 dat Rubens maakte voor de Jezuïtenkerk van Antwerpen (thans Carolus Borromeüskerk) staat een oosters type afgebeeld, dat voorheen als een Koreaan werd bestempeld maar nu een Chinees blijkt te zijn. Een van de personen op dat schilderij heeft Rubens eerder apart getekend. Dat schilderij was in 2013 in het Getty museum van Los Angelus middelpunt in een feest ter herdenking van de banden tussen Korea en het westen. De man op de afbeelding van Rubens draagt een hoed van gevlochten paardenmanen en een wijde jas. Volgens het artikel van Wieteke van Zeil is dat de kleding van Chinese geleerden en later ook van kooplieden die er geleerd willen uitzien. Maar nu is ontdekt dat de tekening ook is afgebeeld in een liber amicorum van Nicolaas de Vrise uit Middelburg. De Chinees zet zelf zijn naam en datum erbij: Yppong, vrijdag januari 1601, dus ouder dan de tekening van Rubens. Hierboven de afbeelding van het liber amicorum en rechts daarnaast de tekening van Rubens, nu in het Getty museum.
Wilhelm Schubert von Ehrenberg maakte een schilderij van een deel van het interieur niet lang na de dood van Rubens. Behalve het altaar maakte Rubens een serie schilderijen die de plafonds van de zijbeuken, beneden en boven, decoreerden. (Je kunt er op de afbeelding van von Ehrenberg vaag iets van zien). Taferelen uit oude en nieuwe testament.
De complete altaardecoratie is behouden gebleven maar de tientallen plafondstukken van de zijbeuken zijn bij een brand verloren gegaan. Wel kennen we nog de ontwerp tekeningen en van enkele schilderijen ook de proefversie. Voor officiële opdrachten maakte hij die altijd. Daarnaast maakte Rubens twee enorme schilderijen die moesten dienen om twee Jezuïten uit de beginjaren van de orde te verheerlijken: men wilde dat ze heilig werden verklaard. Op één schilderij werd Ignatius van Loyola afgebeeld, de stichter van de orde. Op het andere Franciscus van Xaverië, een van diens medewerkers. Dat schilderij hangt tegenwoordig in het Kunsthistorisches Museum van Wenen. We zien Franciscus preken over het Christendom. Dat wordt hoog in de lucht verbeeld: engelen houden een kruisbeeld vast, Maria houdt in een hand de wereldbol en in een andere hand de kelk. Achter Franciscus houdt een andere Jezuït de bijbel in de hand. Er is zo te zien door toedoen van Franciscus net een wonder gebeurd. Enkele mensen kijken ongelovig naar twee mannen die uit de dood lijken op te staan, nog gehuld in lendedoeken. Anderen richten zich vol ontzag naar de hoog tronende Franciscus. In een tempel worden afgoden vereerd. In paniek storten duivels en afgoden-vereerders zich ter aarde als ze de macht van het Christendom ervaren: ze worden getroffen door felle stralen die uit de hemel afdalen, afkomstig van het als een amulet werkende kruis.
Een van de heidenen die wellicht bekeerd wordt op het schilderij is de “Chinees” van Rubens. Het is de eerste keer in het westen dat een Chinees is afgebeeld, zeker vijftig jaar eerder dan eerst werd aangenomen. Ook weer aardig om te zien hoe van de oorspronkelijke tekening die door Rubens is gekopieerd, de houding van de “Chinees” op dit schilderij is aangepast. Dat kennen we van hem. Hij maakte altijd eerst aparte afbeeldingen van personen en voorwerpen. Soms gebruikte hij ook afbeeldingen van mensen of dingen die hij al eerder had getekend. Daarna plaatste hij alles in de gewenste houding op zijn schilderij. Hij was een meester in het driedimensionaal weergeven van tekeningen. Nu eens liet hij je er van voren naar kijken, maar vaker vanaf opzij, net hoe het hem uitkwam. Voorwaarde voor Rubens was altijd: de persoon moest dynamisch worden weergegeven: je moest kunnen aflezen wat hij dacht en wilde, niet alleen door zijn gezichtsuitdrukking, maar ook door de weergave van zijn houding. Zo ook bij deze Chinees. De Chinees is duidelijk onder de indruk, hij deinst achteruit: ‘wat gebeurt hier!’
Het sap van de reuzenberenklauw tast je huid aan, en in combinatie met zonlicht kan dat zeer ernstige gevolgen hebben. Als je het in je ogen krijgt kun je er zelfs blind van worden. Vreemd genoeg is de beste bestrijdingsmethode: laat er schapen grazen, die zijn dol op de bladeren.

Paddenstoelen lijken altijd uit een andere wereld te komen, zeker ook de grote stinkzwam. Kabouters zijn dol op bos-champignons. En vliegenzwammen die gebruiken ze als speeltuig, daar kun je lekker op wippen.




We kwamen trouwens geen kabouters tegen. Daarom gingen we maar naar Exloo, naar kabouterland.
Het kruid ogentroost komt voor in vochtige, duinachtige of heide-achtige landschappen en in bepaalde bergstreken. De Latijnse naam is Euphrasia, wat letterlijk “blijdschap” betekent. Ik wist niets van de naam Euphrasia maar ik heb persoonlijk altijd een blij gevoel gekregen als ik dat plantje zag, waarschijnlijk omdat het zo klein is maar toch opvalt in zijn vorm en kleur en staat in gebieden waar ik altijd graag ben. Het is een plantje uit de helmkruidfamilie, en net als zijn broertje de “ratelaar” is het een halfparasiet, d.w.z. het haalt zijn voedsel door zijn eigen wortels in de wortels van grassen te boren en deze leeg te zuigen. Natuurbeheerders zijn in het algemeen blij met deze halfparasieten omdat ze de vergrassing tegen gaan. Al in de middeleeuwen werden er medicinale werkingen toegekend aan het plantje. In de “Nieuwen Herbarius” van Fuchs uit 1543 wordt beschreven hoe je het plantje moet gebruiken:


Gisteren was ik in een gebied dat me aan dat paradijsje deed denken. De Kampina heide. Grote, talrijke vennen en aan de oevers: veenmos en gagel!
Héérlijk die geur. Daarom alleen al wil ik er snel weer een keer naar toe. Ik heb jammer genoeg geen jeneverbes struweel gezien. Maar wel bosbessen die voor de tweede keer vruchten droegen.
En heel veel kastanjes. Én aan de rand van het gebied opeens zes reeën! Mijn dag was weer helemaal goed.
Heden ten dage hebben de meeste mensen met een dergelijke tekst problemen, want wie kan nog makkelijk Latijn lezen? Verder: als je je echt verdiept in dergelijke teksten dan blijkt het vaak “Potjeslatijn” te zijn. De universele taal Latijn kreeg in Europa allerlei plaatselijke aanpassingen, die meestal voortkwamen uit vermengingen met de plaatselijke taal, maar vooral ook kwamen er zinsconstructies in terecht die meer aansloten bij de taalstructuur van de lokale spreektaal. Het werd inderdaad “Potjeslatijn”. Cicero zou er van gruwen. Maar: iedereen begreep het, het was “Latijn” genoeg om je verstaanbaar te kunnen maken. En zo kon je overal terecht.






ort achtergrond. De basissfeer is overal gelijk. Het gaat vooral om het geheel. Het ochtendlicht rechts boven contrasteert met de donkere sfeer van de boerenkar en de jager met hond sluipen letterlijk in het duister in de richting van de nog niets vermoedende fazanten die Rubens meesterlijk heeft verstopt in het lover. Er is dus eigenlijk heel veel te doen: een boer brengt met zijn vrouw zijn kalf naar de markt en een jager jaagt op vogels. Maar het hele schilderij straalt rust uit. Al die activiteiten zijn niet anders als vliegende vogels of als een opkomende zon.



Maar voor we naar Rotterdam gingen beklommen we nog een andere hoogte. De kerktoren van Lekkerkerk. Het kerkplein was veranderd in een gezellig terras met kraampjes en levende muziek. Oergezellig. De klim was spectaculair! Vooral vanwege de zeer smalle trappetjes. Eerst kwam je bij een ruimte die ooit als gevangenis is gebruikt. De plaatselijke rederijkerskamer hield er in kostuum reclame voor de vereniging. Het schijnt dat deze gevangenis gebruikt werd om mannen die hun vrouw geslagen hadden in op te sluiten. Daar stond een straf van twee dagen eenzaamheid op. Dat waren nog eens tijden! We klommen verder omhoog. Mooi om het mechaniek van het kolossale uurwerk te zien, met al zijn raders en gewichten. Weer een stuk hoger liep je vlak langs de luidklok. Je kon hem makkelijk aanraken.
Om hem voorbij te komen moest je over een uiterst smalle richel lopen, gelukkig kon je je daar wel goed vasthouden. En uiteindelijk helemaal boven was er plaats voor maximaal vier mensen om van het uitzicht te genieten. Mensen die er aan kwamen moest je waarschuwen dat ze nog even moesten wachten voor ze de laatste trap op gingen, er was geen plaats meer. Heel erg leuk, prachtig uitzicht!





isen. Daar tussen in lag het Gulickse Tegelen, zuidelijker het Gulickse Sittard en ook Luik was nog een belangrijke speler meer westelijk. In detail was alles zeer versnipperd. Swalmen, dat bij Oostenrijk hoorde had een echt drie-, bijna vijflandenpunt (Oostenrijk, de Staatse Republiek en het Hertogdom Gulick) bij Grietjesgericht (“Elmperbos”). Ging je wat westelijker, schuin naar het noorden de Maas over (Kessel), dan was daar een vierde land: Pruisen. Daaronder lag weer het land van Horn, dat aan een vijfde souverein toebehoorde: Luik.

Er zijn drie Romaanse of pre-romaanse kerken in Reichenau. De oudste is die van Maria en Marcus, in 724 gewijd, maar compleet herbouwd begin negende eeuw. Ook daarna zijn er nog veel dingen veranderd en toegevoegd. In 871 is er na de schenking van de relieken van Marcus in het westen een tweede absis aangebouwd, de zogenaamde Marcus absis. Nog weer honderd jaar later wordt in dat deel een tweede dwarsschip aangelegd. In de twaalfde eeuw worden in het middenschip bogen gerealiseerd. In 1236 wordt na een brand een nieuw dak gemaakt, een zogenaamd noormannendak, een dak in een soort omgekeerde bootvorm.(zie bovenstaande afbeelding). Het oostelijke deel bleef sinds 816 onveranderd, totdat in 1453 de absis vervangen werd door een laatgotisch koor. Het oudste deel is nu de oostelijke viering en het er bij gelegen dwarsschip uit 816. Op onderstaande foto van de huidige kerk is een en ander vrij duidelijk te zien.
Oorspronkelijk was de kerk alleen aan Maria opgedragen, maar toen het bijbehorende klooster reliquiën van de H. Marcus ontving werd het een kerk voor Maria en Marcus. In de schatkamer staat de zilveren kist met de resten van het lichaam van de apostel. Concurrent dus van Venetië…
Reichenau kent daarom ook enkele extra feestdagen: 15 augustus, Maria ten Hemel opneming en 25 april, de feestdag van Marcus. In de kerk en in de schatkamer valt veel te zien, zoals het enige originele boek van de honderden die er in het klooster van Reichenau gemaakt zijn, een bijbel uit de 8e eeuw. In het museum kun je ook kopieën van heel oude muziekhandschriften die in Reichenau gemaakt zijn zien.

De meest bijzondere kerk is evenwel de jongste kerk, de kerk die gewijd is aan St. Joris. De kerk is in het bezit van het hoofd van St. Joris. Maar het bijzondere is vooral het feit dat deze kerk uit de tiende eeuw daarna vrijwel ongewijzigd is gebleven.
Rond het jaar 1000 is de kerk compleet beschilderd. Deze schilderingen zijn weliswaar overschilderd rond 1400, maar in de jaren 1982-89 is alles weer zo goed mogelijk in de oorspronkelijke staat terug gebracht. Alleen de twee plaatsen links en rechts waar eerder een groot koorhek was geplaatst konden niet hersteld worden. Sinds kort worden de schilderingen klimatologisch beheerd. De kerk kan slechts twee keer per dag onder leiding van een gids bezichtigd worden om de klimaatomstandigheden niet onnodig te verslechteren. Zoals gezegd zijn er honderden boeken in Reichenau vervaardigd, velen zijn bewaard gebleven en in diverse bibliotheken en musea over heel de wereld worden ze bewaard. De schilderingen van de St. Georgskirche komen wonderwel overeen met afbeeldingen uit de Egbert Codex (980) en vooral ook met die uit het Evangelarium van Otto III (iets later). De parallellen zijn zo groot dat de schilders deze afbeeldingen niet alleen gekend moeten hebben maar wellicht zijn het dezelfde kunstenaars geweest die ze gemaakt hebben. Waar op sommige plekken de schilderingen in de kerk zo vervaagd zijn dat je niet meer goed ziet wat er gestaan heeft kun je dat door de Egbert codex of het Otto Evangelarium moeiteloos aanvullen.



Ik kocht een met de hand gemaakt astrolabium. Je kunt er óf de tijd mee bepalen óf de breedtegraad mee opzoeken, zodat je weet waar je je bevindt. Dit afhankelijk van hoe je het instrument gebruikt. Erg leuk. Het is een van de instrumenten die