Verticale trappen en horizontale strepen

Het was best nog wel koud, en het was al bijna vier uur in de middag. Desondanks zag  het bijna zwart van de mensen. Grote groepen mensen met een koptelefoon op hun hoofd en een begeleider voorop met een bordje. Ik hoorde hen onderling praten. Het verschil tussen Chinees, Japans of Koreaans kan ik niet goed onderscheiden. Dat soort talen was in ieder geval in de meerderheid. Verder hoorde ik veel de Franse taal. Wij manoeuvreerden ons door de menigte, mijn oudste kleinzoon op zijn fiets.

Enkele maanden geleden viel hij op school van een klimtoestel, recht op zijn rug. Sindsdien heeft hij een soort hoogtevrees ontwikkeld. Bij ons thuis had ik het in eerste instantie nog niet zo gemerkt. De gewone trap naar de eerste verdieping heeft leuningen en is niet zo steil. De keldertrap is steiler, daar heeft hij al meer moeite mee en hij gaat daar tegenwoordig, net als zijn jongste zusje, achterstevoren naar beneden, voetje voor voetje. Toen kwamen we een maand geleden in Hofwijck, het voormalige buitenverblijf uit de zeventiende eeuw van Constantijn en zijn zoon Christiaan Huijgens. Waarom waren er toen van die steile trappen zonder leuning? Hij vond het doodeng. Gisteren was het dieptepunt, of liever gezegd “hoogtepunt”. We bezochten de bezoekmolen van Kinderdijk. We gingen naar binnen en hij zag de trap, zonder leuning en heel steil omhoog. ‘Nééé!’ Hij wilde gelijk weer naar buiten. Hier hadden we dus 23 euro voor betaald… Plus nog vijf euro parkeerkosten. Pff. Met veel overredingskracht hebben we toch nog op enkele verdiepingen kunnen kijken hoe alle mensen daar vroeger in zo’n molen leefden. We zagen de bedstee van de ouders, het kinderkamertje, de keuken met de ouderwetse kachel. Maar als we de trap weer op of af gingen… Het lukte uiteindelijk met veel geduld van vooral mijn vrouw. Tot irritatie dan wel van enkele Franse bezoekers die een hele tijd moesten wachten voor ook zij konden klimmen…

madeliefjes Wat was hij blij toen we weer buiten waren! Daar ging hij uitgeput in het gras zitten en begon madeliefjes te plukken. Ik voelde hoe hij de rust nodig had. Wat kan de natuur dan goed werken! De hele terugreis was hij daarna doodstil.

Hoe hier mee om te gaan om dit niet weer tot een bijna onoverkomelijke fobie te laten worden? Net als de muggenfobie, de metro met opa-en oma-fobie of de hondenfobie. Het is doodzonde want vroeger was hij hooguit voorzichtig, maar durfde uiteindelijk bijna alles. Vol zelfvertrouwen ging hij altijd elke nieuwe uitdaging weer aan.

Thuisgekomen zat hij na het eten bij me op de bank en we hebben samen filmpjes van planeten bekeken. Hij schurkte heerlijk gezellig tegen me aan en had weer volop praatjes.

Hij bleek ondanks de gevaarlijke toestanden toch heel veel van alles wat hij gezien had in zich opgenomen te hebben. Vooral  van de buitenkant. Bij zijn ouders aangekomen ging hij tekenen. Hij tekende het bruggetje naar de bezoekmolen met daar achter de molen. En hij tekende nog meer huizen, die in zijn beleving dichterbij waren dan in het echt. En een vrachtboot op de Lek. Uit welk land komt die boot? Vraag het maar aan hem.
-‘Die boot komt uit Duitsland. Kijk maar naar de vlag! Die uit België heeft verticale strepen. Die uit Duitsland heeft horizontale strepen. En de volgorde van de kleuren is daar ook net anders. Zo zie je dat.’

bezoekmolen

boot

Geplaatst in kleinzoon, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , | 1 reactie

Molens in Flevoland

molen flevolandNiet alleen bij de luizenmoeders doen ze aan thema’s, maar op de basisschool van mijn oudste kleinzoon ook. Elke klas heeft een land gekozen en bij de kleuters is dat Nederland. Er hangt een lange slinger met allemaal vlaggetjes van Nederland. Ook hebben ze het gehad over de molens van Kinderdijk.

Toen ik hem gisteren ophaalde zag hij vlakbij de school een molen van zo’n halve meter. De wieken konden echt draaien.
-‘Ik wil ook zo’n molen, mag dat opa?’
Misschien in de tuin bij een kabouter of zo moest ik denken, nee, ik houd daar helemaal niet van en ik denk dat hij er waarschijnlijk ook zo op is uitgekeken. Geen molen van een halve meter dus. Misschien een keer een heel kleine, we zien wel. Ik ging niet op zijn vraag in en even later had hij al weer heel andere dingen gezien.

molen1Thuisgekomen stierde hij direct naar zijn vaste tekenplek en begon te tekenen. Het vlaggetje van Nederland ontbreekt niet, zelfs met vlag en wimpel. Op de achtergrond zie je een spoorlijn.
-‘Dat is de lijn die van Flevoland naar Overijssel gaat’, liet hij me weten. Op de voorgrond zie je een N-weg. Op een bordje schreef hij N210 en hectometer nummer 1,1.
-‘Hebben ze in Flevoland ook een N-210 opa?’
-‘Wel N-wegen, maar andere nummers’, antwoordde ik.
Even was hij in vertwijfeling zo te zien aan zijn gezicht. Ik zei:
-‘Eigenlijk staat “N210” daar heel klein, dat kun je tóch niet goed lezen, dus dat lijkt me niet zo erg.’
Opgelucht beaamde hij het. Het was gewoon een andere N-weg, de lettertjes waren domweg te klein om ze te kunnen lezen. Nog enkele details: het huis achter de molen is van de molenaar, hij woont daar. En de N-weg gaat met een viaduct over een andere weg heen. Die lokale weg gaat richting spoor, maar daar aangekomen draait hij met het spoor mee naar rechts.

Vlak voor het eten maakte hij nog een tekening. Hij had zo’n honger dat hij deze onafgemaakt liet liggen. (Normaal gesproken móet die eerst af).

molen2Na het eten vroeg ik of hij de tekening nog af wilde maken. Nee, hij was klaar. Hij had getekend hoe iemand door het raam van een molen naar buiten kijkt en ook hoe het er uitzag als je van buiten naar binnen kijkt. Rechts beneden was hij duidelijk nog bezig met weer een ander molen-achtig tafereel. Ik opperde: zullen we een dezer dagen eens naar de bezoekmolen van Kinderdijk gaan? Daar mag je ook in, dan kun je in het echt zien hoe het er daar uit ziet.
-‘Jááá!’

Wordt vervolgd

Geplaatst in kleinzoon, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , | 3 reacties

Paus Gregorius IX en keizer Frederik II

oorkondeIn de Maasgouw deel 1 van 2019 staat een artikel van Jaap van Moolenbroek over een pauselijke oorkonde uit 1228. De oorkonde is bestemd voor een of meerdere kloosters van de Dominicanen. Wat staat er op? Als een klooster zich bevindt in een gebied dat is geëxcommuniceerd (in de pauselijke ban gedaan omdat er dingen gebeuren die de paus niet ziet zitten) dan mogen de kloosterlingen binnen hun klooster nog onder bepaalde voorwaarden toch hun godsdienstige plechtigheden laten plaats vinden. Dat kwam blijkbaar  nogal eens voor, want deze oorkonden werden veel verstrekt. Deze oorkonde is gevonden in het archief van het voormalige klooster van Kloosterrade (Rolduc). De monniken die daar indertijd verbleven waren geen Dominicanen. Het blijft gissen hoe de oorkonde daar ooit is terecht gekomen. In “de Maasgouw”, het kwartaalblad van de LGOG kun je er meer over lezen.

Toen ik in het artikel het jaartal “1228” zag en de naam “paus Gregorius IX” moest ik onmiddellijk denken aan het boek dat ik momenteel lees, een Duitstalige biografie over het leven van Keizer Frederik II. Deze keizer leefde in dezelfde tijd als Gregorius IX en hij is enkele keren door deze paus geëxcommuniceerd. En niet alleen hij, hele gebieden raakten in de ban. Deze keizer en paus lagen regelmatig met elkaar in de clinch.

Keizer Frederik II, kleinzoon van de beroemde keizer Barbarossa, groeide op in Sicilië en was zonder meer een wonderkind te noemen. Hij sprak op zijn veertiende al vele talen (volgens enkele bronnen maar liefst 9!!)  en het schijnt dat hij zich in zes talen ook schriftelijk kon uitdrukken. Zijn ouders en grootouders heeft hij nooit gekend en hij is opgegroeid en onderwezen door voogden, waarbij ook de toenmalige paus, Honorius III sterk betrokken was. Zijn moeder had voor haar kind afgezien van het ambt van Rooms-Duits keizer, dat door haar vader en grootvader nog uitgeoefend was.. Frederik was daarom “slechts” koning van Sicilië. Daar hoorde ook de laars van Italië bij. Als knaap van amper 14 begon hij een diplomatieke reis naar het noorden en wist tot ieders verbazing alle Duitse vorsten achter zich te krijgen en werd door hen vervolgens tot Rooms-Duits keizer benoemd. De Paus kroonde hem in Rome. Een van de voorwaarden was wel dat hij een kruistocht zou gaan ondernemen naar Jeruzalem. Gregorius IX, vanaf 1227 de opvolger van Honorius III, begon het gevaar te zien van deze Frederik II voor zijn kerkelijke staat. Hij voelde zich steeds meer ingesloten: vanaf het noorden door talloze Rooms-Duitse rijkjes die zich aan de keizer hadden gelieerd en vanuit het zuiden door het koninkrijk Sicilië. Hij kwam een datum overeen dat Frederik met zijn kruistocht moest beginnen. Frederik begon vol goede moed pelgrims en soldaten op te roepen. De havenstad Brindisi, van waaruit vertrokken zou worden kon het niet aan, zoveel pelgrims, bisschoppen en vorsten kwamen er naar toe. En tot overmaat van ramp brak er een besmettelijke ziekte uit waardoor het aantal kruisvaarders sterk werd gedecimeerd. Ook Frederik II werd ziek. Dus hij vertrok niet op de afgesproken datum, waarop Gregorius IX hem onmiddellijk in de kerkelijke ban deed. Afspraak was afspraak. Dat was in 1228, het jaar van bovengenoemde oorkonde. Een jaar later vertrok Frederik alsnog. Gregorius benoemde tijdens zijn afwezigheid in Lombardije allerlei bisschoppen tot kardinaal, dit om het noorden van Italië pausgezind te maken. De bisschoppen van Sicilië ontsloeg hij van hun eed van keizertrouw, en hij begon in Zuid-Italië het gerucht te verspreiden dat Frederik II gesneuveld was. Niets van dat alles bleek naderhand te kloppen. De jongeling, die bekend was met de taal, gewoonten en de wetenschap van de arabieren werd hartelijk ontvangen door de sultan. Een exemplarische anecdote verhaalt hoe hij op een ochtend aan de sultan vroeg waarom er al enkele dagen niet meer voor gebed naar de moskee werd opgeroepen. De sultan antwoordde dat hij dat had verboden uit respect voor zijn Christelijke gast die zich daar misschien aan zou kunnen storen. Frederik II verzocht hem daarop om zijn gebruiken weer te hervatten. Immers hij was te gast en diende zich aan de gebruiken van het land van zijn gastheer aan te passen.  Na dagen van vriendschappelijke gesprekken over allerlei zaken,vooral ook over wetenschap waar ze allebei zeer in waren geïnteresseerd, kregen de onderhandelingen handen en voeten: Jeruzalem mocht vanaf dan bezocht worden door zowel christelijke, mohammedaanse als joodse pelgrims. Frederik II werd zelfs tot koning van Jeruzalem gekroond. En bij de verdere besprekingen sprak hij  een termijn van 10 jaar af gedurende welke tijd er minimaal vrede zou zijn in Jeruzalem. Wel liet hij een krijgsmacht van onder meer ridders van de Duitse orde achter. Beladen met geschenken keerde hij terug naar Italië waar de geschrokken bevolking: ‘hij leeft nog!’, zich onmiddellijk juichend achter hem schaarde, de paus in verwarring achterlatende. De hele wereld keek verwonderd toe hoe hij dit alles zonder ook maar één veldslag voor elkaar had weten te boksen.

Frederik richtte zich daarna de eerste jaren uitsluitend op zijn koninkrijk Sicilië. Dit wist hij in korte tijd om te vormen. De macht van de adel werd gebroken, ook de kerkelijke macht werd aan banden gelegd, hij stichtte de universiteit van Napels en liet juristen opleiden die het koninkrijk moesten besturen. Dat bestuur lag nu compleet in handen van leken. Eerder schreef ik dat hij zelfs de taal standaardiseerde.

gregoriusIX

Gregorius IX reikt de “decretales” uit. Decretales zijn rechtstukken, ze kunnen gaan over allerlei soorten recht. Schilderij van Raffaelo Sanzio. (1483-1520). (Stanza della Segnatura, Palazzi Pontifici, Vaticaanstad)

Gregorius IX intussen was ook nog met van alles bezig. In 1228 (hetzelfde jaar van de oorkonde van Rolduc!..) werd door hem Franciscus heilig verklaard, maar diens testament, waarbij de orde zich moest organiseren op een heel andere manier dan gebruikelijk, werd door de paus nietig verklaard.  Verder hield hij zich bezig met het bestrijden van de ketterij van de katharen, die hun bolwerk hadden in Zuid-Frankrijk en in de omgeving van Milaan. In de orde van Dominicanen, gesticht door Dominicus Guzman, vond hij het perfecte werktuig om deze mensen een kopje kleiner te maken. De inquisitie, die hij invoerde, had hij eigenlijk afgekeken van Frederik II. Toen de keizer zich weer een tijd in het noorden ophield werd hem een keer voorgelegd: ‘hoe om te gaan met de joden’. Er was namelijk een geval, en waarschijnlijk zouden het er zelfs meer zijn, waarbij  joden christelijke kinderen ontvoerden en offerden. Dat en andere gebruiken zouden door de Talmoed, het heilige boek van de joden, worden aangemoedigd. Frederik II was zeer belezen maar hij was ook diplomatiek slim. Hij liet theologen de Talmoed onderzoeken. Zelf nam hij ook plaats achter de jurytafel en iedereen was geïmponeerd door zijn kennis. Er kon niets gevonden worden waaruit het offeren van mensen gerechtvaardigd zou worden. Er bleek zelfs ergens in de Talmoed te staan dat bij een dierenoffer de dieren niet onnodig mochten lijden. Ook het betreffende geval van de kindermoord werd onderzocht en uit niets bleek dat er joden bij betrokken waren. De joden werden dus volledig vrijgesproken. Het vonnis werd, hier en daar weliswaar knarsetandend,  geaccepteerd. De joden hadden weer enkele decennia lucht….

Gregorius IX nam deze manier van rechtspreken over. Een tribunaal moest kijken of de betreffende persoon schuldig was. De inquisitie werd geboren. De tribunalen werden geleid door Dominicanen, die bekend stonden om hun rechtlijnigheid. Zij kenden de bijbel van haver tot gort. Ze werden niet voor niets predikheren genoemd. De honden (canes) van de heer (dominus): dominicanen. Maar bij die tribunalen ging het er al snel niet meer zo heel fijngevoelig aan toe. (Bij de beeldenstorm van Maastricht hadden de beeldenstormers het indertijd vooral gemunt op het klooster van de Dominicanen, dat bekend stond om zijn strenge preken en onderwijs. Luther werd vooral door die ordeleden sterk bestreden als een gevaarlijke ketter.)

Gregorius IX was ook overtuigd van het bestaan van heksen. Hij beschreef zelfs letterlijk hoe een zitting van heksen er uit zag. Inclusief de zwarte kat. Het gevolg was het begin van grootschalige heksenvervolgingen en het uitroeien van zwarte katten. Sommige historici denken dat daardoor ratten vrij spel kregen en besmettelijke ziekten makkelijker konden worden overgedragen. De beesten hadden door het doden van al die katten veel minder natuurlijke vijanden. Mogelijk heeft dat bijgedragen aan de zwaarte van de latere pestepidemieën.

Gregorius IX overleed in 1241, negen jaar voor zijn belangrijke tegenstrever Frederik II.

Literatuur:

    • Keizer Frederik II, een moderne wetenschapper uit de middeleeuwen. Ben J.P. Crul. Uitgeverij Omniboek, ISBN 9789401910200.
    • Ernst Kantorowicz. Kaiser Friedrich der zweite. Greif-Bücher.  Klett-Cotta, 1991 ISBN 3-608-95807-X
    • Historie der Pausen, Archibald Bower. Vertaald uit het Engels, Amsterdam 1763

 

Meer over Frederik II:

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , , , , , , , , | 6 reacties

Pasen en de maan

Al in de vroege oudheid, in de vierde eeuw na Christus, is afgesproken dat Pasen zou vallen op de eerste zondag na de eerste volle maan in de lente.

vollemaanHier hoort veel symboliek bij, zoals het feit dat de volle maan staat voor het vetgemeste lam, en het lam dat weer staat voor de dood en verrijzenis van Christus.  Verrijzenis en het begin van de lente zijn ook symbolische equivalenten: al het groen dat uit de grond “verrijst”. De eerste maand van de lente is de astrologische maand van het dierenriemteken ram: de zon staat dan zoals men zegt “in Ram”. Het mannelijke schaap dat woest en onbesuisd overal tegen aan ramt, als een onbesuisde lente.

Hoe wist men nu wanneer precies de lente begon? Geleerde astronomen moesten dat uitrekenen. Dat leverde soms discussies op, het ging in die tijd nog niet zo makkelijk als dat het tegenwoordig kan. De lente begint namelijk precies op het moment dat de zon loodrecht boven de evenaar staat en op de hele wereld de dagen en nachten overal exact gelijk zijn: de zogenaamde equinox (equi = gelijke, nox = nacht). In 525 na Christus is de regeling vereenvoudigd. De kerkelijke lente zou beginnen niet “exact” op het moment van de equinox, maar “ongeveer”. Besloten werd dat elk jaar de “kerkelijke” lente zou beginnen, simpelweg, op 21 maart. Maar het astronomische moment van de equinox kan op 20, 21 of 22 maart vallen, dat komt door de aanwezigheid van wel of geen schrikkeljaar. Dan werd er ook nog eens gerekend met de Juliaanse kalender. Dat betekende dat in de loop van de tijd de echte datum maar liefst 11 dagen ging afwijken van de astronomische tijd. Dat geleidelijk gegroeide verschil werd met de invoering van de Gregoriaanse tijdrekening, waar we nu nog steeds mee rekenen, weer recht gezet. Ik had mijn verhaaltje al klaar toen ik las dat Jona Lendering er een veel uitgebreider artikel over heeft geplaatst. Zeer de moeite waard:
https://mainzerbeobachter.com/2019/03/24/waarom-is-het-geen-pasen/

Dit jaar was een van die zeer zeldzame jaren dat de vereenvoudiging van 525 na Christus ook echt iets uitmaakte. De equinox viel op 20 maart 21:58 uur. De volle maan op 21 maart, ’s nachts om 2:43 uur. Officieel is het vandaag dus de eerste zondag na de eerste volle maan van de lente: dus het zou Pasen moeten zijn. Maar men rekent volgens de afspraken van 525: de eerste zondag na de eerste volle maan na 21 maart. Pasen is het pas over vier weken..

Enkele jaren geleden maakte ik een programmaatje waarmee je kunt uitrekenen hoe de historische dagen van de week waren. Bijvoorbeeld je leest dat Columbus op 12 oktober 1492 bij de Bahama-eilanden komt en de inwoners indianen noemt, omdat hij dacht India bereikt te hebben. Wat voor een dag was dat? Een zondag, maandag?  Of op welke dag van de week ben jezelf geboren? Het programmaatje waarmee je dat kunt uitrekenen heb ik online gezet, je vindt het hier.
(Het werkt met “google sheets”. Op telefoon of tablet moet je dat programma dan wellicht eerst nog downloaden. Om iets in te voeren moet je op het ikoontje “bewerken klikken. Misschien maak ik het programma in de toekomst nog een keer opnieuw in html met javascript. Dan werkt het altijd en overal..)

Geplaatst in Astronomie, Geschiedenis | Tags: , , , | Plaats een reactie

Lente

-‘Morgenavond om 10 uur begint de lente!’
Zo sprak ik eergisteren.
-‘Hè opa, dat kán toch niet. De lente is toch niet op ‘n  úúr?’
Ik begreep wat hij bedoelde. Hij is jarig in de lente, het kan toch niet lente zijn om tien uur. Ik vertelde hem dat het heel lang lente is, maar je kunt wel precies zeggen wanneer de lente begint. De lente begint namelijk als de zon precies boven de evenaar staat. Hij hoorde het woord evenaar en pakte de globe.
-‘Dit is toch de evenaar opa?’
Dat had hij goed onthouden. We hadden het er ooit over gehad. Toen hij de globe daar toch zo in zijn handen had ging ik verder over het begrip lente. Ik liet met de globe zien hoe de aarde scheef staat. En toen hield ik in mijn ene hand een denkbeeldige zon vast. Dat vond hij maar niks.
-‘Wacht even opa, ik pak de zon’.
Hij pakte een geel balletje en hield dat op de plaats waar ik eerst de denkbeeldige zon hield.
-‘Let op’, vroeg ik nu, ‘waar schijnt de zon nu het meeste, op welk deel van de aarde?’
Hij bestudeerde de plek waar ik naar wees.
-‘Op Zuid-Amerika’.
-‘OK, dan is het daar nu zomer. En kijk, zie je hoe hier veel minder zon komt? Daar wonen wij. Daar is het nu winter. En, let op!
Heel langzaam bewoog ik de aarde een stukje om het balletje heen en zei intussen, ook heel langzaam ‘januari, februari, maart..’
-’20 maart. Nú schijnt de zon recht op de evenaar. Nú begint de lente. En hij staat er helemaal precies om 10 uur vanavond. De mensen hebben afgesproken zo gauw dat zo is, dán begint de lente.’
Ik bewoog weer een stukje verder.
-‘Kijk, nu komt hier de meeste zon. Zie je, hier wonen wij. Bij ons begint nu de zomer en is het juist in Zuid-Amerika winter.’
Ik maakte het rondje af. Het is moeilijk te snappen, dat realiseerde ik me. Maar even later zei hij:
-‘Dát ga ik tekenen.’

zon-en-aardeHij pakte een stuk papier en tekende de aarde met de zon. Ik kon op de tekening nog niet goed zien dat het  lente was. Maar hoe teken je dat? Maakt niet uit, hij verwerkte het op zijn manier. Zoals hij ook de tram gaat tekenen als we daar in gezeten hebben. Leren begint met nieuwsgierigheid. Daarna moet de informatie verwerkt worden. Hij verinnerlijkt dingen door ze te tekenen. Of soms gaat hij ze ook na spelen. Hij loopt dan in gedachten door de kamer, al bewegende met zijn armen. Zijn ogen kijken dan uiterst wazig. Alsof hij in trance is. Vaak ook neuriet of zingt hij erbij. Hij is dan letterlijk in de zevende hemel.

Vanmiddag hoorde ik voor de eerste keer dit jaar een aantal grutto’s. Ook nu in de schemering zingen er veel vogels. Het is lente, zowel op de aarde als in de hemel.

 

Geplaatst in kleinzoon, natuur, pedagogiek en onderwijs | Tags: , | 3 reacties

Voetbaltraining

Hoe uit je een frustratie? Wij volwassenen gaan dan soms schelden of zelfs met dingen smijten. Toen ik als kind een blokfluit had gekregen wilde ik er ook op kunnen spélen maar daar moest je toch echt eerst die gaatjes voor dicht zien te krijgen. Als het dan na zoveel keer proberen weer niet lukte smeet ik het ding door de keuken, ik kan het me nog steeds herinneren. En huilen kon ik ook. Mijn moeder was af en toe radeloos. Ook dat weet ik nog. Dus als mijn oudste kleinzoon onbedaarlijk moet huilen kan ik me daar van alles bij voorstellen.

Zijn huilbuien zijn soms vergelijkbaar met hoe het bij mij werkte, maar meestal zijn ze direct terug te voeren op zijn autisme. Afgelopen zondag was ik bij zijn ouders en we zouden buiten gaan voetballen. Eindelijk was dat weer mogelijk, alhoewel: het was stervenskoud door de snerpende wind.
-‘Wie wil er mee voetballen?’
Mijn oudste kleinzoon was gelijk enthousiast. Voetballen vindt hij leuk, vooral sinds mijn vrouw hem beetje bij beetje een aantal spelregels heeft uitgelegd. We spelen dan soms op een echt veldje in een speeltuin, zoals hieronder op de foto. Maar meestal achterom bij ons huis. Aan de ene kant fungeert daar de deur van de garage als doel waar een van de spelers bij gaat staan, aan de andere kant is er nog een doel met een natuurlijke stenen wand waar de andere speler bij gaat staan. Twee doelen, dus, als in het echt en zoals ook in het speeltuintje. En mijn kleinzoon weet al dat je als keeper de bal met de handen mag pakken, en dat je ook kunt proberen elkaar de bal af te pakken, maar dan moet je lopen en mag je de bal alleen met je voeten aanraken. En zo kent hij nog enkele regeltjes. Heerlijk vindt hij het.
voetballen-‘Jááá! Ik wil meedoen!’
Enfin, alle drie de kinderen hadden er wel zin in, papa en ik ook. Papa had een goed idee. We zouden een vierkant vormen. Dan zou iedereen aan de beurt komen, ook de kleintjes van twee en drie. De jongste zou dan bij mij meedoen.
-‘Nee, nee, nee. Zo gáát voetbal niet!’
-‘Maar luister, als we het zo doen dan kunnen de andere twee kinderen ook meedoen.’
-‘Nee, nee, dat gaat niet, dat wil ik niet!’
Papa plaatste de middelste van de drie kinderen op een plek, zocht zelf ook een positie op en zo probeerde hij met iedereen een vierkant te formeren. Hij dacht: laten we het gewoon uitproberen, dan zal hij zien dat het vanzelf leuk wordt. Maar dat moet je bij iemand met autisme dus niet doen. We gingen toch vóetballen? Hij schreeuwde de hele buurt bij elkaar, ging gillend tegen een boom aan staan, en bleef erbarmelijk huilen. Het was ontroerend om te zien hoe de andere twee kindjes hem wilden troosten, zij konden zijn verdriet niet aanzien. Uiteindelijk besloot papa:
‘Wil je niet liever op de skelter, dan gaan wij wel voetballen?’
-‘OK.’
Maar toen wilde de rest ook op de skelter…

Mijn vrouw was er niet bij geweest en ik vertelde later tegen haar het voorval. Wat natuurlijk de oorzaak was: hij was niet van te voren voorbereid op deze situatie. Mijn vrouw deed twee suggesties: van te voren vertellen, niet dat je gaat vóetballen (want die term is beladen, daar heeft hij een vast omschreven voorstelling van), maar dat je met de voetbal een soort voetbaltráining gaat doen. Dat doen ze bij een echte voetbaltraining ook: je gaat dan allemaal apart staan in een vierkant, en probeert de bal zo recht mogelijk naar iemand toe te schoppen. En die doet dan ook weer naar een volgende speler. En dat moet je met zijn allen daarna heel vaak doen, zo oefen je hoe je recht kunt trappen naar een andere speler. En daarna zou je met hem moeten doornemen of hij snapt wat de bedoeling is en dan pas aan de gang gaan. Wat je ook had kunnen doen, gelijk na de eerste driftbui van ”dit wil ik niet”, met hem afspreken: ‘OK, we gaan het precies doen zoals jij het wilt. En na tien minuten stoppen we en gaan we het doen zoals ik het wil. Ik zal dan straks uitleggen hoe dat gaat. Vind je dat goed?’

Vermoedelijk had hij dat goed gevonden. Zo werkt het: dat soort flexibiliteit dat nu van hem gevraagd werd, helaas, dat is net hetgeen dat mensen met autisme niet hebben. Ze raken hun zekerheid kwijt en daar wordt dan zeer heftig op gereageerd. Je zult zo’n situatie dus vóór moeten zijn door een goede voorbereiding, en als het dan toch gebeurt zul je altijd eerst in zijn denken mee moeten gaan om hem zijn zekerheid te geven. In dit geval hadden we dus eerst moeten voetballen zoals hij het gewend was.

Gisteren was hij na school bij mij. Hij wilde buiten voetballen. Gelukkig, hij was nog niet zo gefrustreerd dat hij überhaupt niet meer wilde voetballen. We hebben gevoetbald zoals hij het gewend was. Vandaag komen de andere kindjes ook. We gaan misschien vanmiddag proberen om een voetbaltraining te organiseren..

Geplaatst in kleinzoon, pedagogiek en onderwijs | Tags: | 3 reacties

Zonder titel

gijs-station

Geplaatst in kleinzoon, pedagogiek en onderwijs | Tags: , | 2 reacties

Op de maan

tekening-maan

Ik probeerde om de tekening die mijn oudste kleinzoon had gemaakt te snappen.
-‘Hé, ik zie een ruimtevaarder!’
-‘Ja, dat ben ik.’
-‘OK. Ik zie een ruimtepak en een helm, volgens mij ben je op de máán.’
-‘Ja dat klopt. Kijk maar, ik spring in de lucht. Op de maan kun je heel hoog springen.’
Ik zag dat de bewuste astronaut op de tekening met de voeten van de grond was.
-‘En wat is dat daar?’ Ik wees naar een soort doosje met streepjes rechts beneden op de tekening.
-‘Dat zijn spekkoekies.’
-‘Spekkoekies?’
-‘Ja. Spekkoekies. Die kun je vinden op de maan. Die zijn heel lekker.’
-‘Dat klinkt goed. En rechts boven, dat is de aarde?’
-‘Ja, die kun  je nu zien als een grote bol als je op de maan bent. Hij is dan veel groter als de zon.’
-‘OK, dat snap ik. En ik zie dat je Pluto ook kunt zien?
-‘Ja je kunt hem zien zonder telescoop. Want de maan heeft geen atmosfeer.’
-‘En links zie ik de raket. Maar wacht even, die gaat al vertrekken, toch?’ Ik wees naar het vuur dat uit de uitlaat kwam.
-‘Die is warm aan het draaien, ik ga bijna weg.’
-‘En wat is dat rode dat je in je handen houdt?’
-‘Dat zit op een apparaatje, dat heb ik bij me. Als de wijzer rood wordt dan is er iets mis.
-‘Iets mis? En hoe los je dat dan op?’
-‘Dat doen heel aardige aliens. Die helpen me dan. Kijk (en nu tekent hij ter plekke links boven een grijs vierkant.) Dit is de heenweg, en toen zat ik in de raket. (Hij tekent helemaal links boven een klein raketje). En ik ging toen naar de maan (de maan wordt in twee seconden nog een keer, ook in dat vierkant, geschetst). En toen werd de wijzer rood en ging de raket niet verder. (Hij wijst naar de rode wijzer.) Toen kwam er een heel aardige alien.’
Ik was benieuwd hoe hij aan het verhaal van die aliens kwam, en ook van die spekkoekies natuurlijk.
-‘Van wie heb je van die aliens gehoord? Heb je op school met iemand zo iets gespeeld?’
-‘Nee hoor.’
-‘Hoe weet je dat dan, dat van die aliens.’
-‘Dat weet ik van die ene alien’
-‘Van die ene alien? Maar hoe kan dat dan?’
-‘Kijk opa.’ Heel wijs keek hij me aan. ‘Het zit zo. Die ene alien die weet álles van álle aliens. Dus die kan me gewoon ook álles vertellen.’ Hoewel ik dit heel logisch vond klinken snapte ik het eerlijk gezegd nog steeds niet.

Zijn broertje en zusje waren ook bij ons op bezoek. Opeens wilde hij naar boven en vroeg of zijn broertje ook mee wilde. Dat wilde die wel, maar toen wilde zijn zusje uiteraard ook. Die is pas twee, dus ik ging mee de trap op. Toen ik met mijn kleindochter eindelijk boven was gearriveerd bleken we met zijn allen op de maan te zijn. De drie astronauten gingen spekkoekies eten. En ze gingen “stuiteren”, dat kun je daar goed, ze gingen heel hoog springen, op de grond maar vooral ook op het logeerbed. De kleinste pakte een gordijn en hield het al springende vast: “hop, hop, hop, hop.” Het gordijn was na vier sprongen nog heel en en het zat ook nog vast aan de rails . Mijn oudste kleinzoon werd steeds meer opgewonden en de mede-astronauten ook.  De middelste astronaut had twee knuffels in zijn armen die ook mee omhoog sprongen, het werd een steeds dollere boel daar op de maan. Een eindje verder op verkenning werd een krater in een krater ontdekt. Maar die was nu weg. De jongste astronaut beaamde de bevindingen. ‘Krater geweest.’ Een asteroïde bleek daar te zijn neergestort en die had de eerdere kraters weer laten verdwijnen. Ook keken alle astronauten bewonderend naar dat mooie hemellichaam dat ze aan de hemel zagen: de aarde. ‘Kijk’ zei ook de jongste astronaut.

Toen besloot de gezagvoerder dat ze weer naar de aarde terug zouden gaan. Professioneel werd er in het Engels van achteren naar voren geteld. Het geluid van het aftellen klonk als een echo in de cabine. Maar de jongste astronaut wilde nog niet terug. Dus probeerde ze het aftellen te verstoren. Tja, dat lukte haar niet:
-‘Zero!’ Daar ging de raket. Of, of, of toch niet…? O nee, o nee: de raket was kapot. Wat nu, wat nu! Paniek in de tent. De middelste astronaut zou dat wel even fixen. Hij weet alles van technische oplossingen. Hij werkt immers in zijn vrije tijd bij brandweerman Sam. Maar het was al niet meer nodig: de alienvriendjes waren er ook al gekomen. Uitgelaten van vreugde toen alles weer werkte daalde de raket dan eindelijk af. En iedereen had al snel weer vaste voet aan de grond. Pfff.

Ja, inderdaad. Dat was maar goed ook. Want niet alleen in de ruimte spookte het. Ook op aarde bleek het stevig te stormen…

Luister en huiver bij dit spannende avontuur….

Geplaatst in Astronomie, kleinzoon, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , | 3 reacties

Politeia

athene school der wijzen

In dit schilderij van Rafael, de school van Athene, zien we centraal de filosoof Plato lopen en met opgeheven arm naar boven wijzen, naast hem zijn leerling Aristoteles die naar voren wijst. Hoewel beide wijsgeren wiskunde, meetkunde en astronomie belangrijk vonden is het toch vooral Aristoteles die als voorvader van de moderne wetenschap wordt gezien. Hij begon met het nauwkeurig onderzoeken van alle dingen op aarde. Plato geloofde in reïncarnatie en wilde vooral dat de mens op zoek ging naar “de rechtvaardigheid” om later in een nieuw leven makkelijker tot de waarheid te kunnen komen. Hij was zogezegd met meer verheven dingen bezig, Aristoteles juist met aardse dingen. Verder zien we op dit schilderij hoe allerlei leerlingen van deze wijsgeren aan het schrijven, studeren en aan het converseren zijn. De dialoog stond centraal bij Plato, zoals hij dat zelf weer geleerd had van Socrates. Het schilderij bevindt zich in het Vaticaan in Rome.

Gisteren heb ik een studiedag “Politeia” gevolgd. Politeia, in het Nederlands vaak vertaald met “de Staat” is een van de meest invloedrijke boeken uit de oudheid. Het boek is geschreven door Plato, ongeveer 380 voor Christus, in Athene. Fréderique Petit, de verzorger van deze studiedag, beweerde dat veel filosofen van de laatste drie eeuwen zwaar schatplichtig zijn aan dit werk. Voor een aantal onderdelen van dat boek zal dat zeker kunnen gelden, maar de delen waar politici mee aan de haal zouden kunnen gaan zullen vast niet door al die filosofen omarmd zijn geweest. Zoals het deel over de opvoeding, waarin culturele zuiveringen centraal staan? De menselijke geest mag niet verdorven raken dus alles wat ook maar enigszins verderfelijk is moet worden uitgebannen. Plato laat Socrates zo via zijn beroemde techniek van “kennis opdoen” via vragen stellen aan zijn vrienden, letterlijk “kennis baren” (de moeder van Plato was vroedvrouw), en hij laat allerlei maatregelen heel logisch klinken. De volgende dialoog gaat over toonsoorten (modi) in de muziek. Socrates stelt de vragen en manipuleert deze zodanig dat de door hem gewenste antwoorden vanzelf volgen. Deze ingekorte en door mij vrij weergegeven dialoog gaat zo:

  • “Is het zo dat bepaalde toonsoorten hevige emoties kunnen oproepen?”
  • “Ja dat is zo.”
  • “En is het goed dat onze kinderen dergelijke emoties hebben?”
  • “Nee dat lijkt me niet goed.”
  • “Zouden we die toonsoorten dan niet moeten verbieden?”
  • “Ja dat is dan misschien wel het beste.”
  • “Zouden we de instrumenten dan niet zodanig moeten aanpassen dat ze zo gestemd zijn dat die toonsoorten niet meer te spelen vallen?”
  • “Dat zou best wel eens de beste oplossing kunnen zijn.”

Zo worden de modi dorisch en mixo-lydisch uitgebannen en de snaren van harp en vedel in theorie aangepast. De fluit valt moeilijker aan te passen. Fluitmuziek mag daarom dan ook alleen maar door herders op de velden gespeeld worden, niet meer op andere plekken. Naar mijn weten is het gelukkig bij ideeën gebleven. Maar het meest enge onderdeel van de politeia is de selectie die er gemaakt moet worden bij kinderen. Kinderen van “gouden en zilveren” ouders (de mensen van de hoogste elite die ook de leiders voortbrengen en de ouders van soldaten) mogen alleen nog maar opgevoed worden door speciaal daarvoor aangestelde opvoeders. Alleen de ouders met de laagste beroepen (ijzeren en bronzen ouders) mogen hun kinderen nog zelf opvoeden. Kinderen met afwijkingen zullen zo wie zo weg geselecteerd moeten worden. (Wat er met die kinderen moet gebeuren daar heeft Plato het niet over…) En wat vinden we hier van? (in eigen woorden weergegeven)

  • “Mogen kinderen van gouden ouders trouwen met kinderen van ijzeren ouders?”
  • “Ja, dat zou toch moeten kunnen lijkt me.”
  • “Je kruist toch ook niet een terriër met een sint Bernardshond?
  • “Nee, dat is waar”.
  • Of hoe krijg je de beste paarden?
  • Ja, door selectief te fokken.
  • En hoe krijg je dus de beste mens?
  • Door de beste mensen te laten trouwen met de beste mensen?
  • Juist, door selectie. Zo zou het met de mens moeten gebeuren.”

Athene wordt als bakermat van de westerse democratie beschouwd. En daarbij wordt vaak Plato aangehaald als een van de voorvechters van die democratie. Als je Politeia goed leest blijkt dat Plato niet veel moest hebben van democratie. Hij vond dat het land het meest gebaat was bij een vorm van aristocratie. Maar dan wel een heel ander soort aristocratie dan die waar wij meestal aan denken. De aristocratische elite bestaat bij hem uit mensen die sober leven en zich helemaal richten op wat het beste is voor de samenleving. Zij zelf mogen daar nooit iets aan verdienen, persoonlijk bezit is compleet onbelangrijk. Maar zij maken wel de dienst uit. Vanuit een ijzeren regime met soldaten zorgen ze dat het land of de stadstaat veilig is. Essentieel is de opvoeding van de kinderen van de twee hoogste maatschappelijke klassen, die overgelaten moet worden aan mensen met een aristocratische achtergrond. Het zijn de wijzen. In deze heilstaat zijn conflicten min of meer uitgebannen. Plato ziet dat een dergelijke maatschappij waarschijnlijk op een gegeven moment niet stand zal houden. Er komen dan binnen de elite op een gegeven moment toch weer eerzuchtige mensen. Dan zal heel snel ook het bezit weer binnensluipen en de volgende stap is dat de mensen met het meeste bezit de macht in handen nemen en die macht ook willen blijven houden. De rest van de bevolking wordt uitgebuit. Uiteindelijk zal ook dat niet stand houden. Het volk komt in opstand en de machthebbers moeten vluchten of worden gedood. Er ontstaat een democratie. Helaas, dat is het ook niet. Want door de vrijheid en gelijkheid ontstaat er besluiteloosheid en ontstaan er allerlei conflicten. Het is waanzin als je ook de minder geletterden laat meedenken over wat het beste is voor de gemeenschap. Uiteindelijk staat een sterke man op die het heft in handen neemt. Het volk is de chaos zat en zal zonder morren achter deze dictator gaan staan. Hoe lang dat mogelijk duurt, daar laat Plato zich niet over uit. Ook niet over wat er daarna gebeurt.

Plato was een groot denker. Maar ook een manipulator. Hij liet al zijn ideeën door Socrates formuleren. Het klinkt allemaal heel aannemelijk en dat is dan ook zijn bedoeling. Hij richtte er een school mee op die honderden jaren lang bleef bestaan en mensen tot filosoof moest opleiden. Het boek Politeia zal in die school ter sprake zijn gekomen, in ieder geval oefende men om te filosoferen vanuit de dialoogvorm, net als in dit boek. Andere interessante ideeën van Plato waren zijn ideeënleer, en de leer over de ziel: hoofd, hart en buik. In de ideeënleer gaat het over ware kennis. Van alle dingen op aarde is er een prototype aanwezig in de metafysische wereld (het verschijnsel paard, het verschijnsel boom, het verschijnsel tafel enz.). De mens dient goed te leven en goed leven betekent gericht zijn op ware kennis. Iedereen moet datgene doen wat hij het beste kan. Over dingen nadenken kan niet iedereen. Dus niet iedereen kan filosoof worden. Om dingen te bereiken moet je bepaalde deugden cultiveren die passen bij de ziel: matigheid (buik), moed (hart) en wijsheid (hoofd). Als je die dingen goed traint ontstaat vanzelf datgene waar alles om draait: rechtvaardigheid. En Plato denkt dat iedereen al voor zijn geboorte weet wat rechtvaardigheid is. Op het moment dat je incarneert in een lichaam raakt die kennis op de achtergrond en moet je je deze opnieuw eigen maken. Dat is eigenlijk de kern van je bestaan. Mensen die dat opnieuw geleerd hebben zijn bij een volgende reïncarnatie in het voordeel. Zij zullen het zich eerder weer opnieuw eigen maken.

Het boek zelf is meerdere keren vertaald en uitgegeven. Gerard Koolschijn heeft een toegankelijke vertaling geschreven die echter niet volledig is. De onderdelen bijvoorbeeld die gaan over muziek heeft hij weggelaten. In het Engels is de uitgave met als titel “The Republic” vanuit diverse vertalers, met en zonder commentaar, van goedkoop (10 euro) tot duur (150 euro) tweedehands te vinden via boekwinkeltjes.nl. Je kunt het boek ook helemaal gratis en voor niets online lezen, met vóór elk van de tien hoofdstukken een commentaar op het betrokken hoofdstuk van de hand van Marsilio Ficino (1433-1499). Dit commentaar is opgedragen aan en gericht tot Lorenzo de’ Medici, die Ficino’s leerling is geweest. Marcilio Ficino is de eerste geweest die het volledige werk van Plato in een Latijnse vertaling weer toegankelijk heeft gemaakt voor de Westerse denkwereld.

Dit en andere online klassieke boeken vind je op http://www.arsfloreat.nl/
Politeia / Plato ; vertaald uit het Grieks door de School voor Filosofie, Amsterdam : De Driehoek. – (Verzameld werk / Plato ; 10) Uitgegeven in samenwerking met de Stichting Ars Floreat.

Hieronder plaats ik een fragment uit de samenvatting van Marcilio Ficino van hoofdstuk 3, namelijk dat deel dat over muziek gaat. In het boek zelf zul je nog veel meer details over dit onderwerp aantreffen die interessant zijn, maar deze samenvatting geeft aardig weer waar het om gaat. Dit doe ik voor mijn lezers die net als ik in muziektheorie en muziekgeschiedenis zijn geïnteresseerd.

Vervolgens gaat hij van de eerste vorm van muzische kunsten – dat wil zeggen de dichtkunst -over op de volgende muzische kunsten, die hij in drie aspecten verdeelt. In de eerste plaats is er de tong, die de musici de stem noemen en die een algemeen klankbeeld geeft, waarbij de allerlaagste en de allerhoogste tonen buiten beschouwing worden gelaten. In de tweede plaats is er de harmonie die uit de zangstem voortkomt en die bestaat uit het aanhouden van een zuivere samenklank in de klankmodulaties van een hoge, lage en middenstem. Zo zijn er vier soorten stemmen: laag, hoog, half hoog en half laag. Bovendien is er sprake van vier verhoudingen. De dupla is twee staat tot een, de sesquialtera is drie staat tot twee, de sesquitertia is vier staat tot drie en desesquioctava is negen staat tot acht. De samenklank van het octaaf volgt de dupla-verhouding, die van de quint de sesquialtera, die van de kwart de sesquitertia en de gehele toonsafstand de sesquioctava. Maar daarover elders meer. Ten derde is er het ritme, dat een ordening inhoudt van bewegingen tijd, zoals uit het tweede boek van de Wetten blijkt. Wanneer je de zangstemmen in een bepaalde harmonische verhouding hebt gebracht, ontstaat er de behoefte aan ritme, waardoor het mogelijk wordt de beweging en de tijd van hoge, lage en middenstemmen te onderscheiden, zowel afzonderlijk als onder elkaar. Onder beweging vallen zachte, heftige en rustige bewegingen. De tijd onderscheidt zich in lang, kort en neutraal door middel van lange, korte of neutrale accenten. Zie hierbij hoe de basis gevormd wordt door verschillende begrippen, want de behoefte bepaalt de betekenis. Zo krijgen we vanuit een fundament een grondslag, vanuit grondslag gewicht, vanuit gewicht vooruitgang en vanuit vooruitgang een eindpunt. Vervolgens moeten we de vormen van de negen meest voorkomende consonanten en dissonanten beschouwen. Allereerst is er het consonante in de rede dat een voorstelling is die overeenstemt met de waarheid zelf van een ding. De dissonant hiervan is de valse voorstelling, die juist niet overeenstemt met de waarheid. Ten tweede is er het consonante in de verbeeldingskracht dat het gevolg is van de werking van de rede. De dissonant hiervan is het gevolg van invloeden van buiten af. Ten derde is er het consonante in het gevoel als gevolg van de aan maat gebonden rede, terwijl de dissonant een ongebreidelde verbeeldingskracht is. Ten vierde is er het consonante in goed taalgebruik, terwijl de dissonant slecht taalgebruik is, afhankelijk van een goed gebruik van de rede dan wel een chaotische verbeelding. Ten vijfde is er het consonante in de zang, dat bestaat uit het goed weergeven van een tekst, terwijl door de dissonant ervan een tekst slecht wordt weergegeven. Ten zesde zijn er het consonante en de dissonant in de slaap waarin een gezang wordt nagebootst. Ten zevende is er het consonante in de bevallige dans, terwijl de dissonant ervan de onbevalligheid voortbrengt. Ten achtste is er het consonante in de onderlinge samenhang van alle onderdelen van het lichaam, dat mooi is om te zien en alertheid aan den dag legt bij gymnastiek. Ten negende bestaat het consonante in allerlei vormen van kunst; het bestaat uit verhoudingen die in de muziek zijn terug te vinden. Deze negen vormen zijn een verwijzing naar de negen Muzen. Bedenk dat de beste harmonie voortkomt uit een door maat geleide geest. Die harmonie wordt vervolgens nagebootst en door herhaling vermenigvuldigd. Daarom beveelt Plato ons aan ons voortdurend te oefenen in het luisteren en kijken naar het consonante in de dingen, waardoor de geest standvastig wordt in plaats van hoogmoedig of geïrriteerd of behaagziek. Ook wordt de geest door het zoeken naar het consonante vastberaden gemaakt, niet gebroken door pijn of smart noch verward door medelijden of klagend door gebrek. Plato raadt ons dus een serieuze en standvastige levenshouding aan, waarbij hij uitersten afwijst, dat wil zeggen alles wat de geest opjaagt of week maakt. Ook veroordeelt hij een versnippering in verscheidenheid; in plaats daarvan prijst hij bovenal de eenvoud. Hij is van mening dat harmonie bovenal in de ziel aanwezig is. Het is alsof de ziel een bepaalde goddelijke harmonie is, en om het op Platonische manier te zeggen: ze is van nature bekend met de klank van een hemelse harmonie. Het lichaam bestaat evenzo uit een bepaalde harmonie en ook de geest. Bovendien veroorzaakt de fijne en subtiele samenklank van stemmen een beweging die doordringt in de fijnere delen van de geest. Hierdoor wordt de zanger geroerd en ook de ziel wordt meegenomen, waardoor het gemoed van de toehoorder geraakt wordt. Zo raakt de ene ziel de andere en langzamerhand wordt de mens gevuld met een gevoel voor maat. Let ook op hoe Plato vorm geeft aan de gemeenschap, niet alleen met burgerlijke regels, maar ook met godsdienstige regels, en hoe hij altijd een gevoel van maat met moed gepaard laat gaan, zoals hij uitvoerig in de dialoog De Staatsman uitlegt. Besef ook hoezeer hij seksueel genot als een dissonant beschouwt en het volledig loskoppelt van legitieme uitingen van liefde die altijd op schoonheid en harmonie zijn gericht. Hij legt een grote nadruk op het beoefenen van muziek en gymnastiek, want die zijn van doorslaggevende betekenis, omdat iedereen ermee in aanraking komt. Muziek versterkt en geeft vorm aan de ziel en aan de geest, terwijl gymnastiek het lichaam vorm geeft dank zij de kracht van de geest. Een goede ziel komt immers niet voort uit een goed lichaam, maar een goed lichaam komt voort uit een goede ziel. Bovendien zegt hij dat eenvoudige muziek de gezondheid van de ziel zeer ten goede komt, zoals een eenvoudige levenswijze het lichaam gezond maakt. Maar muziek met een ingewikkeld klankbeeld is zowel voor lichaam als voor geest schadelijk. Zolang de mensen sober leven, hebben zij niet de hulp nodig van artsen en van medicijnen. Plato verfoeit alle mogelijke vormen van bijgeloof met betrekking tot de zorg voor het lichaam en ten aanzien van het gebruik van vele verschillende geneesmiddelen. De voortdurende behoefte aan de zorg van artsen en juristen is volgens Plato het bewijs van een slecht functionerende gemeenschap. Hij beschrijft de functie van de arts en van de rechter. Als rechter kiest hij iemand uit die een goed verstand heeft, die bezonnen is en die een zekere leeftijd heeft bereikt. Hij zal bovendien beschikken over een grote dosis menselijke ervaring zowel in goede als in slechte zaken. (enz.)

Geplaatst in filosofie, Geschiedenis, maatschappij, muziek | Tags: , , , | Plaats een reactie

De basis van het Italiaans en het afschaffen van het Nederlands

Waarom spreken de mensen in Italië niet Frans?  Het had zomaar gekund. In de elfde en twaalfde eeuw sprak men aan het hof van Palermo Frans. De andere talen in het koninkrijk Sicilië, dat zich uitstrekte in Zuid-Italië tot voorbij Napels,  waren Arabisch, Grieks en een allegaartje van Italiaanse dialecten.

De afgelopen week werd bekend dat de Vrije Universiteit Amsterdam gaat stoppen met de opleiding Nederlandse taal en letterkunde. Emeritus hoogleraar van de Universiteit van Amsterdam Marita Mathijsen schreef er een verhaal over dat ik van harte kan aanbevelen:

https://maritamathijsen.wordpress.com/2019/02/28/waarom-juist-de-vu-zich-diep-moet-schamen/

Ik probeer me voor te stellen of zo iets in Frankrijk of Duitsland mogelijk zou kunnen zijn. Het vak Duitse taal- en letterkunde afschaffen op de universiteit van Berlijn… Op dit moment lees ik een boek geschreven door Ernst Kantorowicz over Kaiser Friedrich II. (Nee niet de Pruisische koning uit de achttiende eeuw, maar de Rooms-Duitse keizer uit de dertiende eeuw).

kantorowiczKantorowicz studeerde economie in Berlijn, en later Arabisch, Islamitische cultuur, algemene geschiedenis en geografie in Heidelberg. Het boek over keizer Frederik II is geschreven in 1927, in nauwe samenspraak met de toen zeer bekende Duitse schrijver Stefan George over wie ik al een keer eerder schreef.  Het resultaat was een boek met een poëtische taal, en zonder voetnoten. Onmiddellijk werd het boek om die reden door vakgenoten verketterd. Het zou te onwetenschappelijk zijn. Dat liet Kantorowicz zich niet zeggen, hij schreef in 1931 een tweede omvangrijk boek, met uitsluitend citaten en bronnen, als aanvulling op het echte boek. In 1938 is hij als jood gevlucht naar Amerika en daar aangesteld aan de universiteit van Berkeley. In 1949 weigerde hij  de anticommunistische loyaliteits-eed aldaar te tekenen.  Hij had geen enkele communistische sympathie maar was een principieel man en voelde de beklemmende  overeenkomstigheid met de verordeningen die er in Nazi-Duitsland waren geweest.  Naar aanleiding daarvan vertrok hij naar Princeton, waar hij een nieuwe aanstelling kreeg. Vlak voor zijn dood in 1963 wilde men het boek “Kaiser Friedrich der Zweite” een herdruk geven en men vroeg hem om toestemming. Hij heeft daar over getwijfeld omdat er inmiddels nog meer bronnen beschikbaar waren uit die tijd en het boek dus eigenlijk een aanvulling behoefde. Maar ook twijfelde hij of de poëtische stijl van zijn boek, onder invloed van Stefan George, nog wel paste in die tijd. Na enig aandringen stemde hij toch toe. Het boek is in 1964, 1985 en 1991 vrijwel integraal herdrukt. 649 pagina’s, klein lettertype, geschreven in een enigszins archaïsch maar ook poëtisch Duits. Tegelijk getuigende van een grote wetenschappelijk kennis. En eigenlijk moet je ook nog eens een enorme kennis hebben van de wereldliteratuur om alles wat er in dit boek staat op waarde te kunnen schatten. Hij kent duidelijk bijvoorbeeld heel goed meerdere werken van Dante. Maar ook is hij zeer goed op de hoogte van latere renaissance schrijvers, of van schrijvers uit de achttiende en negentiende eeuw. Ik kocht het boek omdat ik meer wilde weten over de tijd van keizer Frederik II. En daar weet ik nu ook veel meer over en ik hoop al verder lezende nog veel meer te weten te komen.  Ik zal er in een later blog zeker op terug komen. Maar ik weet ook meer over de Duitse taal, en vooral over de Duitse taal van begin twintigste eeuw. Gewoon door het boek te lezen. Prachtige volzinnen, bijzinnen, vol met mooie klanken. Wat een rijkdom! In 1990 is er over deze schrijver een biografie verschenen, in het Frans! De schrijver is Alain Boureau.  Gelukkig is deze biografie al snel ook in het Duits vertaald. Dat lees ik veel makkelijker. Die schaf ik misschien ook nog eens aan.

Ik citeer nu een fragment uit het boek van Kantorowicz, waarin verteld wordt hoe een Italiaans dialect door Frederik II tot hoftaal wordt gemaakt. (De eerste helft van pagina 300). Enige kennis vooraf is noodzakelijk: keizer Frederik II was ook koning van Sicilië, dat toen niet alleen het eiland omvatte maar ook zuid-Italië (Apulië), zo’n beetje tot aan de kerkelijke staat. Hij was van vaderskant de kleinzoon van de Rooms-Duitse keizer Barbarossa, en hij was zoon van de Rooms-Duitse keizer Hendrik II (die hij nooit gekend heeft) . Van moederskant stamde hij af van de Normandische Siciliaanse vorsten. Een van zijn maatregelen in die tijd was dat hij in het koninkrijk Sicilië huwelijken met buitenlanders verbood. Nu wilde hij de taal gaan standaardiseren.

Die Frage: wie der Kaiser wohl „auf den Gedanken gekommen sei  für seine Dichtungen provenzalischer Art den heimischen apulisch-sizilischen Dialekt zu verwenden, ist daher gleichfalls müßig: daß er Staats-und Volksgründer war, ist Erklärung genug. Von den staatsmännisch so hoch begabten Normannen wird ja sogar berichtet, sie hätten — obwohl verfrüht und verfehlt — den Versuch gemacht, in Sizilien das Französische einzuführen „gens efficiatur ut uns”, auf daß Ein Volk geschaffen werde. Und das gedachten sie durch die Sprache des Hofs zu erreichen, der sich noch um die Mitte des zwölften Jahrhunderts in der Königsburg von Palermo des Französischen bediente. Es entsprach nun ganz und gar der Art Friedrichs II, daß er, der den Schwerpunkt des Königreichs von der sprachverwirrten Insel nach dem einsprachigen Festland verlegt hatte, nicht von außen eine fremde Sprache für die höfische Dichtung und Festlichkeit hereinholte, sondern daß er wie stets aus dem vorhandenen Rohstoff selbst das Notwendige herausgriff und für seine Zwecke umprägte. Und daß er dies tat, dafür zeugt wiederum der ihn preisende Dante: „Obwohl nämlich die eingeborenen Apulier gemeinhin roh reden, so haben doch einige ihrer Erlauchten geschmeidig gesprochen, indem sie ihren Sängen höfischere Wendungen einfügten.” Durch das Glätten und Höfisch machen der ordinären Sprache hatte Friedrich ll. mit seiner Schule den gemeinen Dialekt des Landes also zu jenem volgare illustre, der festlichen Sprache des Hofs und der Dichtung erhoben, hatte das Volgare dem niederen Bereiche entrissen, die Sprache des Volks als eine selbständige anerkannt und gleichzeitig die Gemeinschaft des Volkes in sich und die mit dem Herrscher „neuer Züchtung” hergestellt. Wieweit Friedrich II. dabei zweckbewußt vorging: aus „Staats-raison” wie die Rassen- so die Spracheinheit des Königreichs herzustellen, das wäre hier gleichgültig angesichts der Tatsache selbst, daß er zwar nicht Sprachschöpfer Italiens wurde — der war Dante — wohl aber Italiens wichtigster Sprachbereiter. Und auch eine solche Wirkung ist in Verbindung mit einem Weltkaisertum vollkommen einzigartig in der abendländischen Geschichte: selbst unter kleineren Monarchen findet sich kaum ein entsprechender Vorgang.

In een vrije vertaling:

Hoe kwam de keizer in godsnaam op het idee om voor zijn provinciaalse gedichten het Apulisch-Siciliaanse dialect te gebruiken: een afdoende verklaring is dat hij de stichter van een staat en van een volk was. Van de op staatsgebied zo begaafde Noormannen wordt  bericht dat ze, hoewel te vroeg en tevergeefs, een poging hadden gedaan om in Sicilië het Frans in te voeren. ‘Gens efficiatur ut uns’, opdat het volk tot een eenheid wordt. En dat dachten ze te bereiken door de taal aan het hof vast te leggen, waar men in het midden van de twaalfde eeuw nog Frans sprak. Geheel volgens zijn aard verlegde de keizer het zwaartepunt van het koninkrijk van het veeltalige eiland naar het meer eentalige vasteland, en ook past het in zijn aard dat hij niet een taal van ver weg ging invoeren maar keek naar wat er al was en dat voor zijn doeleinden ging gebruiken. En dat hij dat inderdaad deed, daarvan getuigt de hem prijzende Dante: ‘hoewel de geboren en getogen Apuliërs in het algemeen een ruwe taal bezigen, zijn er enkele doorluchtigheden die de taal heel soepel spreken door in hun gezangen hoofse wendingen in te lassen.’ Door het glad strijken en hoofs maken van de volkstaal had Frederik II het gangbare dialect van het land omgetoverd tot een “Volgare Illustre”, had het opgetild tot hoftaal en de taal die bij feestelijke gelegenheden werd gebezigd, had de taal verheven uit zijn lage stand, had de spraak van het volk als een zelfstandige taal erkend en daardoor het volk tot een gemeenschap, een “nieuwe kweek” gemaakt. In hoeverre hij daar doelbewust  op uit was, vanuit een soort “Staats-raison”, om te komen tot zowel een soort rassengelijkheid als een taalgelijkheid is eigenlijk niet eens zo belangrijk. Hij werd dan wel niet de schepper van het Italiaans, die eer komt aan Dante toe, maar hij was wel de belangrijkste wegbereider voor het Italiaans als eenheidstaal. Dat is in relatie met een keizerfunctie geheel uniek in de geschiedenis van het westen. Zelfs bij een kleine monarch zal je nauwelijks een dergelijk voorbeeld aantreffen.

Hier lezen we kortweg dat de hoogstaande Normandische voorgangers van de keizer als koningen van Sicilië, van het Frans de hoftaal hadden gemaakt.  En ze hadden eigenlijk gewild dat deze taal ook door iedereen gesproken werd. Maar er waren veel talen op het eiland door de grote populatie Arabieren, Grieken en mensen die verscheidene Italiaanse dialecten spraken. Frederik II deed een nieuwe poging. Hij schafte het Frans aan het hof af en maakte een van de meest voorkomende Italiaanse dialecten niet alleen tot de hoftaal, maar ook tot de taal van de poëzie. Ook hij zelf ging verzen schrijven in deze taal. Hij koos voor het Italiaans van het vasteland  (Apulië) omdat op het eiland de spraak te verschillend was. Hiermee bereidde hij de weg voor renaissancedichters als Dante. (De taal uit Florence van Dante en Petrarca werd zo sterk door velen nagevolgd dat hierdoor onbedoeld “het Italiaans” ontstond.) Even verder op in het boek lezen we overigens dat bij het schrijven van actes, net als in de rest van Europa, nog lang het Latijn in gebruik bleef.

Behalve de inhoud van dit fragment, dat naar mijn idee hoogst belangwekkend is (nog voor de tijd van Petrarca en Dante werd een begin gemaakt met het standaardiseren van de Italiaanse taal), wil ik ook nog enkele dingen zeggen over de Duitse taal van Kantorowicz. Zijn omgang in die tijd met Stefan George, een man die uitsluitend poëzie heeft geschreven en gedichten vanuit het Italiaans (Dante), Engels (Shakespeare), Frans (Baudelaire) en Nederlands (Albert Verwey) in poëtisch Duits wist om te zetten, zal zeker van invloed zijn geweest. Woorden als “sprachverwirrten Insel“, “staatsmännisch“, “verfrüht und verfehlt” hebben niet alleen een bepaalde betekenis, maar ook een mooie klank en assonantie of alliteratie. Het boek is daardoor niet alleen inhoudelijk interessant en erudiet, maar ook in literair opzicht de moeite waard.

Keizer Frederik, die zes talen sprak, ging verzen schrijven in zijn geboortetaal, het Italiaans. In Nederland schrijven popzangers vrijwel uitsluitend in het Engels. Zoals ook de reclamewereld zichzelf overschreeuwt met Engelse termen. Als je je eigen taal veronachtzaamt ben je hip. De universiteiten kunnen niet achterblijven, weg met het Nederlands, ook zij willen hip zijn. En de taal Nederlands studeren? Waanzin, waarom zou je. Wie heeft er nog interesse in een Lodewijk van Deyssel of een Bilderdijk, een Hadewich of een Constantijn Huijgens? Wij houden er van om krakkemikkig Engels te spreken en te schrijven. Om Nederlands te studeren moet je naar Duitsland. Daar wordt dat vak nog gegeven. In Oldenburg (Saksen) bijvoorbeeld kun je Niederlandistik studeren. Of aan de universiteit van Keulen. Of ga eens naar de stadsbibliotheek van Wenen. Daar vind je honderden Nederlandstalige boeken. Literatuur. Echt waar!

boek

Ernst Kantorowicz. Kaiser Friedrich der zweite. Greif-Bücher.  Klett-Cotta, 1991 ISBN 3-608-95807-X

Meer over Frederik II:

Geplaatst in Geschiedenis, taal | Tags: , , , , , , , , | 5 reacties

De natuurfilm

Terwijl ik dit schrijf luister ik naar het programma “Tussen hemel en aarde” op radio 4. In  dit programma hoor je vooral liturgische muziek. Gregoriaanse muziek en muziek van Bach zijn altijd vaste prik. Terecht naar mijn overtuiging. Wat je ook veel hoort in dat programma, zoals ook deze week, is muziek van Arvo Pärt.  Liturgische muziek dient volgens deze programmamakers niet hard te zijn, of zeker niet moeilijk. Je zult nooit een deel uit de Missa Solemnis van Beethoven horen bijvoorbeeld . Nu hoor ik op dit moment makkelijke, maar “harde” muziek van Poulenc tot mijn verbazing. Ik vind het al luisterende vreselijke muziek, niet omdat hij “hard is” maar omdat de tekst slecht wordt behandeld. Er wordt op geen enkele manier rekening gehouden met de natuurlijke accenten. En de muziek wordt na het harde begin stilaan zoetsappig en kitscherig. Sorry voor de liefhebbers.. Smaken verschillen zullen we maar zeggen. Zoetsappig kan altijd in dit programma. Pärt doet het daarom altijd goed. De vroege werken van deze componist zullen trouwens ook nooit op het programma staan. Dat zijn namelijk veel spannender muziekstukken met tegelijk veel power.

Gisteren keek ik naar een natuurprogramma op Geographic Channel. Ik stoorde me aan de muziek, die op een quasi dramatische manier de beelden moest ondersteunen. Zonder die muziek was het best een aardig programma in mijn ogen.  Maar helaas, mijn oren vonden de combinatie maar niks. Om dezelfde reden heb ik vaak een hekel aan Amerikaanse speelfilms. De gelikte achtergrondmuziek die je dan bijna altijd hoort stoort me mateloos.

Als ik zelf een natuurfilmpje heb opgenomen dan zet ik daar het liefst geen muziek bij maar houd ik het bij de natuurgeluiden. Die spreken voor zich. Soms maak ik een filmpje op basis van foto’s, een soort bewegende diavoorstelling. De bijpassende natuurgeluiden ontbreken dan. Dan toch maar muziek? En welke? Ik heb dit al diverse keren gedaan, onder meer op basis van eigen composities. Die waren er niet voor gecomponeerd maar ik had ze al. Toch bleken modern klassieke stukken vaak wonderwel te werken bij natuuropnames.

Nu heb ik muziek van Boulez gezet bij een diafilmpje dat ik onlangs maakte in Oostvoorne. Boulez componeerde altijd bijna abstract, enigszins emotieloos voor zover dat überhaupt mogelijk is. Als je hiernaar luistert kun je dat op meerdere manieren doen. Je kunt proberen vat te krijgen op vorm en textuur. Dat lukt als je er vaker naar luistert en je je er voor open stelt. Je hersens zijn dan uiterst geconcentreerd en actief bezig. Maar je kunt de muziek ook als een organisch geheel over je heen laten komen en onbewust besef je dan dat de muziek logisch in elkaar zit, maar toch ook onverwacht en grillig is. De muziek is dan als de natuur. Misschien is dat de reden dat ik deze combinatie met mijn natuurfilmpje best geslaagd vind. Het tweede korte filmpje is een echte film met uitsluitend de originele natuurgeluiden, diezelfde dag gemaakt.

 

Geplaatst in Film, muziek, natuur | Tags: , , , , | 6 reacties

Bauhaus

De eerste helft van de twintigste eeuw was een roerige tijd: je had maar liefst twee wereldoorlogen en er was natuurlijk de Russische revolutie en de Spaanse burgeroorlog. Maar ook in de wereld van de kunst was er van alles aan de hand. In Spanje noemen ze de tijd vanaf de wereldtentoonstelling van 1888 in Barcelona de tijd van het  Modernismo. In plaats van historiserende of eclectische stijlen werd er op een nieuwe manier gebouwd en kunst gemaakt. In Frankrijk begint de Art Nouveau, in Wenen de Jugendstil. De mensen willen de wereld verbeteren, zie mijn artikel over het Beethovenfries in Wenen. Tot aan de eerste wereldoorlog zien we een stormachtige beweging van “nog verder willen, de kunst helemaal  willen vernieuwen”. Het is de tijd van de “ismes”. Laten we de lijst van stromingen die dan ontstaat voor het gemak maar beperken tot die van het kubisme en die van het  expressionisme. Dan volgt de koude douche van de eerste wereldoorlog.

Met name in Duitsland wil men daarna de draad weer positief oppakken. Zelfs de staat doet mee. Het Bauhaus, gesteund door een regering van linkse partijen wordt in 1919 opgericht in Weimar. Als opvolger van een school voor kunst en een school voor toegepaste kunst. Grote voorman en idealist is de architect Walter Gropius, op dat moment nog getrouwd met Alma Mahler, weduwe van Gustav Mahler. Hoewel er in de hele opzet linkse, soms zelfs communistische sympathieën doorklinken, wenst Gropius dat alle kunststudenten en docenten zich niet met politiek bemoeien. Het Bauhaus gaat zich daarentegen wel bezig houden met de mens zelf, niet alleen met het vak. Iedereen moet loskomen van conventies.

Onderstaande richtlijn voor het vormonderwijs, zoals die door Piet Zwart in de kunstnijverheidsschool in Amsterdam zo’n 10 jaar later wordt geformuleerd, geeft ook belangrijke aspecten van de filosofie aan het Bauhaus weer:

schema-voor-vormonderwijs

De negatieve pool van vormontwikkeling kan zijn dat ze zich richt op de verbeeldingloze, historiserende en passieve geest, die voortkomt uit een burgerlijke levenshouding. En bij cultuurgeschiedenis kan een analyse van vroegere kunstwerken zin hebben als je daardoor inzicht krijgt in de maatschappelijke verhoudingen van die tijd (lees: de invloed van de kerk, van de adel, van de rijke burgerij).

Johannes  Itten, een van de belangrijkste eerste docenten van het Bauhaus, was vegetariër en liep in witte gewaden rond. De vorming van de mens vond hij belangrijker nog dan het leren van technieken. Op een gegeven moment dreigde hij zo ver af te zweven van de ideeën van Gropius dat het tot een conflict kwam en hij ontslag nam. Daarna werd het onderwijs langzaam aan wat meer technisch en nog iets later ook sterk gericht op de buitenwereld: Bauhaus ging kunst verkopen en huizen bouwen. Er  was een atelier voor schilders, beeldhouwers, houtbewerkers, wevers en textielbewerkers. Ook de wereld van grafische vormgeving voor reclame, fotografie, film kwam er bij. Maar ook muziek en dans kregen aandacht. ’s Avonds werd er regelmatig iets opgevoerd en er werden nieuwe vormen van theater ontwikkeld. Kortom er was een enorme boost van levensenergie en het werken aan een positieve toekomst.

In Nederland was in die tijd de groep van de Stijl geboren. Een van de voornaamste vertegenwoordigers, Theo van Doesburg, vertrok voor twee jaar naar Weimar en had veel invloed op het denken daar. De vormenleer zoals Klee en Kandinsky die gingen geven aan het Bauhaus zijn daar een voorbeeld van.

Als je de tentoonstelling “Nederland-Bauhaus” in Boijmans van Beuningen bezoekt wordt je eerst geconfronteerd met enkele basisideeën zoals ze in de propedeuse van de opleiding werden gegeven. Je mag nadenken over vormen, kleuren en de combinatie daarvan en ook zelf enkele dingen uitproberen. Daarna wordt je meegenomen, al ronddwalende, in alle fases die het Bauhaus doorlopen heeft. Je ziet allerlei kunstobjecten als serviesgoed, meubels, gordijnen maar ook zie je pamfletten, lesroosters of foto’s . Ook kom je van alles te weten over de kunstinstituten die invloed hadden op, of die juist werden beïnvloed door de ideeën van het Bauhaus.  Zoals het instituut voor kunstnijverheid in Amsterdam. Je voelt de energie van die tijd door al die documentatie en objecten op je afkomen.

Ik laat slechts twee dingen van deze tentoonstelling zien.

Gelbe Mitte uit 1926 van Wassily Kandinsky.

kandinsky-gelbe-mitte

Pas in 1927 komt er een afdeling “vrije kunst” aan het Bauhaus Inmiddels gevestigd in Dessau). Dit tot grote opluchting van Klee en Kandinsky, die de formele opleiding te beklemmend vonden. De studenten leerden vooral techniek, maar de expressie was tot die tijd erg gericht, met opdrachten als: “hoe kun je spanning creëren die een somber effect heeft met groen, paars, geel , driehoeken en cirkels.“ Misschien is het kunstobject dat je hier ziet daar een voorbeeld van. Het heet “Gelbe Mitte” en wellicht gaat het hier vooral over de werking van de kleur geel in het midden van een schilderij.  Maar het gericht zijn naar het centrum wordt niet alleen door de kleur veroorzaakt maar ook door de beweging die uitgaat van de rechthoeken en gebogen vormen, met name rechts boven in het schilderij. Ook de kleuren blauw en rood hebben een functie in de compositie. Bruin en zwart springen er uit en geven wat hardere accenten.

Piet Zwart, docent aan de kunstnijverheidsschool van Amsterdam,  maakte in 1932 samen met Dick Elffers papieren poppetjes als basis voor illustraties voor een boek van de PTT. Ik vond ze erg geestig. Poppetjes en kostuums maakten ze ook in het Bauhaus. Oskar Schlemmer was daar onder meer mee bezig.

poppetjes

Naar aanleiding van de tentoonstelling heb ik veel gedachten. Ik moest bijvoorbeeld denken aan Arnold Schönberg die bevriend was met Kandinsky. Ook hij was idealist. Hij leidde zangkoren van arbeiders. Hij wilde muzikale werkingen in essentie doorgronden. Zijn leerlingen liet hij vrij. Hij gaf ze alleen les in klassieke technieken. Ik moest ook denken aan de jaren in Rusland vlak na de revolutie. Pas in 1932 wordt door Stalin avant-garde kunst verboden, tot die tijd is er ook in Rusland korte tijd nog het ideaal dat zelfs abstracte kunst de arbeiders kan optillen tot grotere hoogtes. Ik probeer de tijdgeest te doorvoelen. Maar:  in 1932 de stalen hand van Stalin, in 1933 de opruiende hand van Hitler. Baf. Dat betekent onmiddellijk het einde van het Bauhaus. Hoewel de invloed blijft. In Nederland bijvoorbeeld. En uiteindelijk ook in Amerika, als mensen als Gropius na hun vlucht voor de nazi’s zich daar vestigen en er zelfs een universitaire aanstelling krijgen.

De tentoonstelling “Nederland-Bauhaus” loopt nog tot  en met 26 mei 2019. Daarna gaat het museum voor veel jaren dicht door renovatie en nieuwbouw. Men is al bezig, veel ruimtes zijn al dicht. Maar hoogtepunten van de vaste collectie zijn gelukkig nog steeds in het museum te zien. Het grootste deel van de vaste collectie zal daarna grotendeels te zien blijven, verspreid over een aantal instellingen in Rotterdam.

 

 

Geplaatst in kunst, maatschappij, recensie | Tags: , , , , , | 1 reactie

Jan Huijgen

Naast ons huis hebben we een zandstrandje. Heerlijk om daar dezer dagen met onze kleinkinderen in het zand te spelen. Door de vroeggeboorte van onze inmiddels vijfjarige kleinzoon heeft hij nog steeds enkele problemen, vooral met zijn spierspanning. Zelf graven in het zand met zijn handen is een simpele truc om de handspieren te trainen en het is ook nog eens leuk. Afgelopen dinsdag hebben we grachten gegraven en met stukjes droog riet bruggetjes gemaakt. Woensdag hadden we een emmertje bij ons. Ik begon spontaan daarmee een zandkasteel te maken welk mijn jongste kleinzoon van drie jaar van een poort voorzag die hij er in ging uitgraven. De instorting is ook leuk om te bestuderen en: hoe valt het zaakje daarna nog te renoveren? Hij houdt van dit soort ontdekkingen en uitvindingen.
– ‘Ik heb een idee!’
Hij kijkt om zich heen en verzint dan iets dat al dan niet tot een oplossing leidt.

Dat wilde mijn oudste kleinzoon ook wel, zandkastelen maken met een emmertje. Het bleek dat het met droog zand niet lukte dus wat dieper graven naar nat zand. De triomf dat het toen wel lukte!

– ‘ Hier woont koning Ptolemaeus!’
Ik keek hem verwonderd aan. Dat hij die naam nog kende. In een van zijn favoriete astronomieboeken staat een hoofdstuk over de geschiedenis van de astronomie en het begint bij Ptolemaeus. Hij ziet er zo deftig uit dat ik, toen hij nog geen twee jaar oud was, van deze meneer een koning maakte. Me niet realiserende dat Ptolemaeus ooit voor hem een koning zou worden die uiteraard in een kasteel leeft. Inmiddels heeft hij veel meer astronomieboeken en eigenlijk heeft hij dat oude en ook enigszins verouderde boek uit de tachtiger jaren van de vorige eeuw al lang niet meer onder ogen gehad. Maar hij weet het nog precies. Het volgende zandkasteel was klaar.
– ‘Hier woont Copernicus!’ Hierna volgde:
– ‘Hier woont Galileo Galilei. Is Galileo zijn voornaam en Galilei zijn achternaam opa?’
Het vierde kasteel was klaar.
– ‘Hoe heet die meneer ook al weer die op een mevrouw lijkt?’
Ik moest diep nadenken.
– ‘Ticho Brahé?’
– ‘Ja Ticho Brahé, die bedoel ik.’

kastelen geleerden Het vijfde zandkasteel.
– ‘Hier woont Jan Huijgen.’
– ‘Jan Huijgen?’ vroeg ik verwonderd.
– ‘Ja, die Titan heeft ontdekt.’
– ‘O je bedoelt Christiaen Huijgens.
– ‘ Ja. Christiaen Huijgens.’

Thuis bij zijn ouders ging hij verder fantaseren. Een van zijn lego-poppetjes werd omgedoopt tot Christiaen Huijgens.

hofwijckMaar: gisteren samen met zijn broertje gingen we het echte kasteel van Christiaen Huijgens bezoeken: Hofwijck.  Met de trein kon je daar komen, en vanuit station Voorburg kon je het al zien liggen. Daar zagen we onder meer een van de telescopen van Christiaen Huijgens. Waarmee hij als eerste de ringen van Saturnus en zijn  grootste maan Titan ontdekte.

Zijn jongste zusje van twee zong gisteravond: ‘Jan Huijgen in de ton, met een hoepeltje erom, Jan Huijgen, Jan Huijgen..  ‘ Mijn  oudste kleinzoon vertelde me dat hij weer een keer naar het kasteel van Christiaen Huijgens wilde. En ook weer een keer naar Artis. En nog eens naar Madurodam. En naar tante Nellie.

Geplaatst in kleinzoon, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , | 4 reacties

Drie spannende sterren uit het sterrenbeeld schorpioen

Aan de ochtendhemel kun je op dit moment drie heldere sterren zien van het sterrenbeeld schorpioen. Het gaat om de sterren Alpha, Beta en Delta Scorpi. De helderste, Alpha, is de rode reus Antares. Stel dat je Antares op de plek van onze zon zou zetten, dan zou zijn middellijn de baan van de planeet Jupiter omvatten, dus de planeten Mercurius, Venus, Aarde, Mars en Jupiter zouden worden opgeslokt door deze reus. De atmosfeer van Antares is daarentegen zeer ijl, de hete gaswolk is veel dunner in zijn samenstelling dan die van onze zon. Antares vormt samen met een tweede veel kleinere ster een dubbelster.
Antares is eigenlijk een afkorting van Ant-Ares, tegenpool van Ares, de Griekse naam van de oorlogsgod Mars. Antares is zoals gezegd een rode superster, die rode kleur heeft ook de planeet Mars. De beet van de schorpioen is venijnig…

Een andere ster van Schorpioen die je goed kunt zien is Delta Scorpi, met de mooie bijnaam Dschubba. Met deze ster is iets bijzonders aan de hand. Vanaf 2000 is hij  opeens een stuk helderder geworden. Het blijkt dat er in dat jaar plotseling grote gas-uitbarstingen waren op de ster. Bij onderzoek bleek dat hij een van zijn maatjes te dicht genaderd was: de ster is namelijk onderdeel van een viertallig stelsel, vier sterren die op een complexe en daardoor dus best wel gevaarlijke manier om elkaar heen draaien. Deze gas-explosies hebben maar liefst vijf jaar geduurd . Dschubba is inmiddels al weer wat minder helder geworden maar nog steeds beter te zien dan in de jaren voor 2000.

Tot slot hebben we nog Beta scorpi, Graffias, ook een dubbelster, die in slechts zes dagen samen met zijn partner een rondje draait.

Al deze sterren kun je dezer dagen laag aan de ZZO hemel zien zo rond half zeven. Deze foto maakte ik vanochtend om 6:40 uur. Links zie je Jupiter. Onder aan de foto heb ik een afbeelding geplakt die je laat zien waar deze sterren van schorpioen staan. De “partners” van deze twee dubbelsterren of van de vierdubbelster Dschubba kun je overigens alleen met sterke telescopen zien.

ochtendhemel-schorpioen

Verder is op de vroege ochtend ook Venus nog steeds goed te zien, heel laag in het ZO. En wat was er ook een mooie sfeer in het water van de Lek.

venus-lekeenden-lek

Ik maakte ook een close-up opname van de afnemende maan. In deze fase kun je met een verrekijker of telelens prachtig een aantal kraters zien

maan

 

 

Geplaatst in Astronomie, natuur | Tags: , , , , , | 1 reactie

Lijn 14

Toen we zes dagen geleden in Artis waren en zo langs de diverse dierenverblijven liepen vroeg mijn oudste kleinzoon regelmatig:

  • Hebben jullie geen papier bij je?
  • Waarom?
  • Ik wil tekenen.
  • Wat wil je dan tekenen?
  • Ik wil lijn 14 tekenen.

Andere kinderen hadden waarschijnlijk enkele van die bijzondere dieren willen tekenen maar hij had er zeer weinig belangstelling voor. Die dag draaide voor hem om het planetarium, om de treinreis en om de tram. Dezelfde avond nog bij zijn ouders ging hij aan de slag. Ook toen hij de week daarna weer enkele keren bij ons was. De tram van lijn 14 van het GVB is blauw-wit. Hij heeft een eigen logo en de letters GVB staan daarbij, opzij van de tram.

logo-gvb

gvb-lijn14

Op de eerste tekening met als titel Ansturdam (voor hem fonetisch) zien we rechts een man met een rolkoffer lopen. Het logo met daarbij de letters GVB opzij van de trams is goed te zien. We zien twee trams van lijn 14, eentje gaat volgens hem de andere kant uit om te keren.

amsterdam1

Op de tweede tekening zien we lijn 4 en 14. Alhoewel de opstapplaats van lijn 14 opzij van het centraal station is heeft hij bij deze tekening ook een stukje van de voorkant van CS getekend.  Hij kan dat nauwelijks gezien hebben. Maar toch zijn hem blijkbaar enkele dingen opgevallen, waarschijnlijk vanuit de tram toen hij helemaal achteraan op de bank zat en achteruit kon kijken. Je ziet een van de torentjes van het station van Cuijpers.

amsterdam3

Ik vermoed dat hij een soort fotografisch geheugen heeft. Hij herinnert zich zoveel. Ik kan het hem niet nadoen, alhoewel ik in het verleden soms hele tijden heb staan staren naar dat station. Ik denk dat hij inmiddels afgelopen week meer dan 10 keer dergelijke taferelen met het GVB heeft getekend. Die innerlijke drive dat als hij iets in zijn kop heeft dat gelijk ook wil! Ik herken het. Hij heeft zich even moeten beheersen. We hadden geen papier en stiften bij ons de vorige week. Maar met zijn geheugen is weinig mis.

Geplaatst in kleinzoon, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , | 3 reacties

Luizenmoeder

Natuurlijk moeten de klassen kleiner, moeten de lokalen groter om passend onderwijs vorm te kunnen geven en moeten er weer meer kinderen naar het speciaal onderwijs verwezen kunnen worden. Maar ook het niveau van de leerkrachten moet omhoog. Slimme leerkrachten zouden namelijk  niet zo met die onzin bezig zijn die de leraren zich tegenwoordig zelf op de hals halen.

  • ‘Welke ouders helpen morgen en overmorgen in de avond mee om alle ramen van de school in sinterklaassfeer te schilderen?’
  • ‘Welke ouders helpen morgenavond om de Sint -spullen weer op te ruimen en de ramen schoon te maken?’
  • ‘De Kersttijd komt er weer aan. Dat betekent dat de hele school opgeleukt moet worden. Wie komt ons leerkrachten daar komend weekend bij helpen?’

En dan hebben we het nog niet over kinderpostzegelacties, NL doet, schoonmaakdagen, uitjes die er geregeld moeten worden, meelopen met de avondvierdaagse, cadeautjes die men maakt voor jarige kinderen en ga zo maar door. Van wie moet dat allemaal? Dat staat niet in de wet, feitelijk doen de leerkrachten zich dit allemaal zelf aan. Waarom? ‘Dat soort dingen doet iedereen’. Als een leerkracht voorzichtig oppert om een van deze dingen af te schaffen dan komt het grootste deel van het team in opstand. ‘Dit is toch leuk?’

luizenmoedersDan zijn er de verslagen, drie keer per jaar. Vroeger kregen wij een rapport met cijfers. Een keer per jaar werden de ouders uitgenodigd om over het rapport te praten. Nu wordt alles cryptisch omschreven in veel te ruime vakjes. Alle teksten worden gecontroleerd door een collega op spelfouten (ja die staan er vaak bij bosjes in!) en andere  inconsistente dingen. Desondanks zijn er bij de verslaggesprekjes met de ouders, drie keer per jaar, altijd weer onduidelijkheden en moeten vaak te hoge verwachtingen van ouders bijgesteld worden. Het maken van de verslagen is niet een kwestie van één avond, nee daar gaan weken in zitten. Waarom? Omdat leerkrachten denken dat het zo beter is. Ik denk dat je net als vroeger alle onderdelen gewoon  in een cijfer kunt vangen. Maak daarnaast een algemeen ruim vakje waarin  je iets meer over het kind en zijn ontwikkeling zegt.  Klaar is Kees. Als er glashard zesjes en vijfjes staan dan is het voor de ouders duidelijk dat het kind geen hoogvlieger is. Met veel achten en negens is uiteindelijk VWO erg waarschijnlijk. Men is te bang om dat soort dingen aan te geven. Wat een onzin. Hiermee veroorzaak je een hoop onnodig gepruttel, narigheid en vooral extra werk. En speciale kinderen vallen vaak niet in een rapport te vangen. Over die kinderen praat je als professional en kijkt samen met de ouders naar wat het beste is. Schriftelijke rapporten, in welk format dan ook,  zijn in die gevallen alleen maar verwarrend en misleidend.

Er werd onlangs weer gestaakt. Moeten de leerkrachten staken? Daar zijn redenen voor want er zal meer geld naar het onderwijs moeten. Maar er moet meer gebeuren. Van binnen uit. De schoolcultuur is in veel gevallen afgegleden naar een onacceptabel luizenmoederniveau.

Geplaatst in maatschappij, pedagogiek en onderwijs | 2 reacties

Het Higgsdeeltje en buitenaards leven

Er is een filmpje op youtube dat gaat over “alles”, van klein tot groot. Het begint met het higgs-deeltje en het eindigt bij het universum.  Na onder andere een “theepot” en een “monitorscherm” komt in het begin van dat filmpje ook ergens “de mens”. ‘Dat ben ik!’ zegt mijn oudste kleinzoon dan steevast. Maar hij vraagt ook:  ‘wat is dat, een higgsdeeltje?’

Dat valt nog niet zo eenvoudig uit te leggen. Vroeger bij natuurkunde leerden we al over atomen die uit protonen, neutronen en elektronen bestonden. Maar sindsdien is er veel meer ontdekt, vooral vanuit de theoretische natuurkunde en de verschillende testen in deeltjesversnellers. Wat zit er namelijk nog meer in een atoom? Fotonen, gluonen, fermiondeeltjes, het higgsdeeltje en het nog niet bewezen graviton-deeltje. Fermiondeeltjes zijn er in 24 soorten en er zijn ook combinaties. Dat maakt dat er eigenlijk honderden deeltjes nog bestaan buiten proton, elektron en neutron. Maar het higgsdeeltje, dat al in 1964 werd voorspeld en in 2012 ook vrijwel zeker werd aangetoond, is een zeer bijzonder deeltje. Alle andere deeltjes krijgen massa door het higgsdeeltje. Het higgsdeeltje maakt materie mogelijk.

In de Volkskrant van zaterdag 16 februari 2019 staan drie wetenschappelijke artikelen die aan elkaar verwant zijn. We zien een prachtige foto van de deeltjesdetector bij Genève die in onderhoud is. De betekenis van alles dat je op de foto ziet wordt uitgelegd. Fundamentele deeltjes zoals  higgsdeeltjes moeten hier worden gedetecteerd. Deze worden zichtbaar als met snelheden van bijna de lichtsnelheid protonen op elkaar botsen.

Het tweede artikel staat op de volgende pagina’s: over superlasers. Laserstralen worden nu bijvoorbeeld al gebruikt om lenzen van een oog te slijpen. Maar superlasers moeten in de toekomst nog veel verfijnder handelingen kunnen verrichten om bijvoorbeeld isotopen te maken bij de behandeling van kanker. Maar vooral ook wordt er fundamenteel onderzoek mee gedaan, om donkere materie te kunnen vinden. Wetenschappers denken nog steeds dat 85% van de materie in het heelal donkere materie moet zijn, omdat anders de sterke zwaartekracht van sterrenstelsels niet verklaard kan worden.  Als je in vacuüm schiet met een superlaser zou je normaal gesproken geen materie moeten tegenkomen maar als er donkere materie bestaat kan die wellicht op die manier worden aangetoond. Deeltjes die geraakt worden door een superlaserstraal gaan over in de vierde fase: ze worden niet vast, vloeibaar of gas, maar verworden tot plasma.  Daardoor ontstaat een sterk elektrisch veld dat deeltjes meesleurt: er ontstaat een deeltjesversneller die in de toekomst de enorme deeltjesversneller van Genève onnodig zal maken, een die veel kleiner is en een die allerlei toepassingen mogelijk maakt. Het meest utopische idee is dat een dergelijke laser bij het beschieten van vacuüm effecten gaat opleveren die ons inzicht geven hoe materie en licht op fundamenteel niveau met elkaar omgaan.

Bouw van een superlaser in Roemenië

superlaserEr is een wereldwijde race bezig met het maken van superlasers. De concurrenten bevinden zich in Brighton (Amerika), Shang Hai (China), Nizjni Novgorod (Rusland), Osaka (Japan) en Magurele (Roemenië, namens de Europese unie).  China is op dit moment het meest ver.

Het derde artikel vond ik misschien nog wel het meest intrigerend: “Nederlandse vinding kan buitenaards leven meten”.  De titel is zo veelbelovend dat het eigenlijk een kop op de voorpagina had moeten zijn, maar als je verder leest zie je dat het nog heel wat voeten in aarde heeft voordat we zover zijn. Een promovendus aan de VU in Amsterdam heeft gemeten dat organisch weefsel een unieke handtekening achterlaat in licht. Levende weefsels kiezen tijdens hun groei voor één vorm, bijvoorbeeld bij de aanmaak van eiwitten. Door die systematiek weerkaatst licht op een kenmerkende manier.  Nu kijken ze vanuit het dak van de universiteit naar buiten en het apparaat ziet bomen.  Maar als over ongeveer 10 jaar visuele telescopen ontwikkeld zijn die zelfs licht vanaf exoplaneten kunnen ontrafelen, dan kunnen we in principe met dit apparaat op zoek gaan naar tekenen van leven buiten de aarde.

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , , | 1 reactie

Artis

Voor de meeste mensen is Artis een dierentuin. Niet zo voor mijn oudste kleinzoon.
-‘Ik wil later naar de maan. Kan dat opa?’
-‘Dat zal niet zo makkelijk zijn. Er is al meer dan dertig jaar niemand meer op de maan geweest.’
-‘Toch wil ik naar de maan.’
-‘Dan zul je naar de astronautenschool moeten gaan als je groot bent. En dan moet je heel veel leren. En héél héél misschien mag je dan tegen die tijd mee naar de maan.’
-‘Ik wil naar de astronautenschool.’

Deze conversatie hebben we nu geregeld gehouden gedurende het afgelopen half jaar, mijn oudste kleinzoon en ik. Inmiddels neemt hij genoegen met slechts een simpele ruimtetrip want hij wil de aarde zien vanuit de ruimte.  En gelukkig, hij lijkt steeds meer realistisch te worden.
-‘Als het niet lukt dan wil ik machinist worden. Want ik houd ook heel veel van treinen. Of misschien wordt ik wel iemand die de wissels regelt.’

Gisteren hebben we met zijn vieren een ruimtereis gemaakt. Mijn kleinzoon van drie, mijn oudste kleinzoon van vijf, mijn vrouw en ik. Dat kon in het planetarium van Artis. Waar we eerst met de trein naar toe gingen. Op het station van Amsterdam Centraal keek hij niet alleen zijn ogen uit maar luisterde hij ook zijn oren uit. Hij hoorde in de verte een geluid.
-‘Dat is een dubbeldekker opa, die optrekt.’
Jammer, ik had hem al gemist.  Maar ik weet bijna zeker dat hij gelijk had. Voor hem is het leven een totaalervaring, alles komt even hard bij hem binnen, zowel auditieve als visuele prikkels. Wij kunnen filteren, hij niet of nauwelijks.

Maar toen gingen we, nog voordat hij de astronautenschool doorlopen had,  alsnog een ruimtereis maken.

planetarium artisIn het planetarium van Artis ga je bijna vanzelf helemaal achteruit hangen in je stoel. Boven je is de sterrenhemel. Geluiden completeren de ervaring. Van te voren hadden we gezegd dat hij alleen zacht mocht praten. Want er werd van alles verteld over wat er gebeurde en ook andere mensen wilden dat graag kunnen horen. Dat was te veel gevraagd.

-‘Kijk ik zie de Grote Beer. Kijk de Orion.’
We zagen de aarde vanuit de ruimte alsof we in het ISS zaten. Maar we gingen al snel verder. We zagen Saturnus heel dicht bij komen. We bleven maar verder reizen.
-‘Pluto!’
Voortdurend riep hij door de zaal met zijn schelle stem alles wat hij herkende. En af en toe vroeg hij iets. Hij hield mijn hand stijf vast.
-‘Opa zijn we nog in Artis?’ Maar dan weer: ‘kijk, Andromeda! ‘
Het  Andromedamelkwegstelsel verscheen in beeld. Er zijn miljoenen melkwegstelsels. Ze zien er allemaal anders uit. Voor een buitenstaander lijken ze wellicht op elkaar. Niet zo voor mijn kleinzoon. Hij zag de Krabnevel, de Orionnevel enzovoort.
-‘Zijn we nog in Nederland?’ wilde hij toch wel een beetje angstig weten. Hij was naar zijn gevoel echt in de ruimte. Maar uiteindelijk bleken we weer naar ons kikkerlandje  af te dalen, de aarde kwam steeds dichterbij en mijn kleinzoon riep: ‘kijk, Nederland!’ Je zag inderdaad de contouren en het polderlandschap van Nederland verschijnen. Daarna maakte dat beeld weer plaats voor de sterrenhemel, maar veel vager. De film was afgelopen.
-‘Nóg een keer!’ riep hij, alsof er een youtube-filmpje nog een keer afgespeeld kon worden. Helaas. Het was de enige voorstelling van die dag.
-‘ Ik wil nog een keer naar Artis!’

Het laatste stuk terug in de auto viel hij in slaap. De prikkels moesten verwerkt worden. Hoorde hij in zijn droom een Duitse ICE, die we ook hadden zien vertrekken vanaf het station? Nee, ik denk dat hij een zachte maanlanding maakte. En vanuit zijn ruimtepak naar die prachtige aarde keek. En daarbij de geluiden en de muziek van zijn favoriete filmpje over het heelal neuriede:

Geplaatst in Astronomie, kleinzoon, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , | 1 reactie

Hoe oud ben jij?

-‘Oude meneer, oude menéér!’

De zon is al een tijd onder en het wordt al behoorlijk donker. Mijn kleinzoon ziet hoe op weg naar het huis van zijn ouders zo’n 50 meter verderop twee bejaarde mensen ons tegemoet lopen over het voetgangersdijkje.  Hij schreeuwt hen vanuit de verte toe. Even later zijn we bij hen.
-‘Ja’ zegt de vrouw,’ je riep oude meneer?’
Mijn kleinzoon kijkt haar nauwelijks aan en wendt zich tot haar man: ‘ik wil je iets vragen’.
-‘Nou vraag maar’ zegt de meneer.
-Ik wil vragen of jij denkt dat er een multiverse bestaat’.
De man kijkt hem aan. Versta ik hem misschien niet goed? Waar heeft hij het in godsnaam over, zie je hem denken Ook de mevrouw is stil. Ik leg maar uit dat sommige mensen denken dat er meer dan één heelal is, dat noem je dan een multiverse.
-‘Zóho’,  Zegt de mevrouw. Jij bent wel erg slim geloof ik.’
Hier geeft mijn kleinzoon geen antwoord op. Dan kijkt hij nog eens naar de mevrouw en vraagt:
-‘hoe oud ben jij?’
Zij, gedachtig aan de eerste aanroep “oude meneer” , zegt dan:  ‘mijn man is meer dan 80 jaar’.
-‘dat vráág ik niet, ik vraag hoe oud ben jíj!’
-“o, ik ben 73. En hoe oud ben jij?’
-‘Ik ben vijf jaar en ik houd heel veel van treinen. Én van planeten voegt hij er nog aan toe.’
-‘Zo’ zegt nu de meneer tot zijn vrouw, ‘zullen wij dan maar weer eens verder lopen?’
Ze lopen verder. Mijn kleinzoon kijkt nog een keer achterom, ik zie dat hij nog iets wil vragen of zeggen.  Ik ben bang dat hij gaat zeggen dat ze binnenkort dood gaan omdat ze al zo oud zijn. Maar nee.
-‘Mijn oma Trees is 102 jaar’ roept hij vanuit de verte.

orion

Het is een mooie avond. De maan geeft een gedempt licht. Desondanks zie je het sterrenbeeld  de Orion met Rigel en Betelgeuse en de schitterende ster Sirius. Mijn kleinzoon heeft de voorbijgangers niet verteld dat oma Trees een jaar geleden is overleden. Maar vanuit de sterren lacht oma Trees zijn achterkleinzoon toe:-‘Jazéker, er bestaat een múltiverse!’

Geplaatst in Astronomie, kleinzoon, pedagogiek en onderwijs | Tags: | 2 reacties

De ontwikkeling van het leven

De amfibische alpensalamander hoort thuis in Centraal- en Zuid-Europa en broedt in ondiep water. Hier worden uit eitjes zijn larven geboren die zich voeden met plankton, totdat ze poten krijgen en ook op het land kunnen gaan.  Wat gebeurt er voordat de eitjes larven worden? De timelapse video beneden aan deze pagina, van de Nederlandse regisseur Jan van IJken, volgt deze ontwikkeling vanaf een eencellige zygote. Op microscopisch kleine schaaltjes wordt tot in detail alles vastgelegd.  De opnamen maakte hij thuis op een traditionele laboratoriummicroscoop. Het doorzichtige eitje lag in een petrischaaltje met water. De film begint met de beginfase van hoe een eencellige cel zichzelf gaat delen. We zien hoe op een gegeven moment een hartje gaat kloppen in het eitje en we kunnen de zich ontwikkelende bloedsomloop volgen. Tot slot zien we hoe de larve uit het eitje ontsnapt.

Ik had opeens een heel vreemde associatie bij dit filmpje. Er leek een gat te ontstaan in het eitje dat alle materie om zich heen opslokte. Zoals het zwarte gat dat zich in het centrum van elk melkwegstelsel bevindt. Is een melkwegstelsel een soort ei? Dat zich na miljarden jaren ontwikkelt tot een levend wezen?  Maar: zoals een eendagsvlieg geen flauw idee heeft van jaargetijden hebben wij geen idee van de eeuwigheid. En we snappen niets van het misschien rijke leven van een eencellig wezen. Zo snapt een melkwegstelsel niets van wat een jaar is. Die denkt groot.

Niet te veel over nadenken. Het is zoals gezegd niet meer dan een vreemde associatie. Dit filmpje, “Becoming”,  verschaft ons een mooie blik op  het proces van celdeling en de verdere differentiatie. Iets dat bij alle planten, dieren en mensen op een dergelijke manier plaats vindt. En dat is al een bizar wonder.

Becoming, door Jan van IJken op Vimeo

Geplaatst in Astronomie, natuur | Tags: , , | 1 reactie

Eeuwige rust

Introitus uit de “Missa pro defunctis” van Christóbal de Morales

Deze mis schreef de Morales in 1544 in Rome. Bij de dood van de Spaanse koning Philips II in 1598 werd hij gezongen bij zijn uitvaart. De tekst van het introïtus luidt als volgt:

Requiem aeternam- Eeuwige rust
dona eis domine – geef dit aan hen heer
et lux perpetua – en het eeuwige licht
luceat eis – moge hen verlichten

Het eerste zinnetje wordt met de aloude Gregoriaanse melodie eenstemmig gezongen. De rest van de tekst wordt vijfstemmig uitgevoerd. Maar wat een serene rust gaat er van dit stuk uit! Het lijkt wel of het zonder rekening te houden met de betekenis van de tekst is gecomponeerd. Het geheel klinkt gewoonweg als een hemels gezang, dat eeuwig door zou kunnen gaan. En dat past natuurlijk voortreffelijk bij het algehele gevoel dat bij een uitvaartmis hoort. Toch gebeurt er meer als dat je op het eerste gehoor denkt, en er wordt ook wel degelijk rekening gehouden met de betekenis van de tekst.

Ik ga het stuk een eindje verderop toelichten met notenvoorbeelden. Dat is vooral interessant voor mensen die enigszins op de hoogte zijn van muziektheorie. Maar als je iets meer wil weten wat er in de muziek gebeurt en een beetje het notenbeeld kunt volgen raad ik aan om onderstaand filmpje af te spelen. Je hoort dan de muziek en ziet tegelijk de noten. Met rode streepjes en ademhalingstekens kun je dan volgen hoe de stemmen elkaar imiteren. Waar het woord “cadens” staat is er sprake van een kleine afsluiting van een fragment, maar zonder dat het echt stil staat (behalve op het einde natuurlijk, daar staat het echt stil).

Dan heb ik voor de liefhebbers ook een wat meer technische uiteenzetting opgeschreven. Hoe komt dit hemelse geluid muzikaaltechnisch tot stand?

Eerste systeem

De akkoorden. We kijken eerst eens naar een aantal akkoorden. Ik heb in de partituur de akkoordsymbolen bij de eerste maten genoteerd. Vanuit de toonsoort G levert dat dan de volgende harmonische trapfuncties op. (De staande streepjes zijn maatstrepen, alleen in de tweede maat zien we twee akkoorden. Het slotakkoord van deze frase, de VI, staat pas in het volgende systeem):

I  ǀ VI    VII/6  ǀ V  ǀ III   ǀ VI  ǀ II  ǀ I  ǀ VI  ǀ II  ǀ [V] ǀ VI

We zien “rare” dingen: een vijfde trap wordt niet gevolgd door een eerste trap maar door een derde trap. Een eerste trap wordt voorafgegaan door een tweede trap in plaats van door een vijfde. Allemaal dingen die je bij muziek met een wat meer harmonische richting nooit zult zien. De akkoorden zwalken als het ware alle kanten op. Op het einde van bovenstaand schema zien we een uitwijking via een tussendominant [V] naar de zesde trap. Voor het eerst lijkt er daar wat meer richting te komen. Maar de polyfone stemmen overlappen elkaar op die plek zodanig dat het ook hier toch ook weer doorstroomt. In de kern blijft deze manier van omgaan met akkoorden het hele stuk door hetzelfde.

Imitatie. Dan enkele melodische aspecten. In het begin van het stuk heb je door de lange notenwaarden nauwelijks in de gaten dat de Morales de stemmen elkaar laat imiteren. Dat begint al met het woord “dona” in de vier hoogste partijen. (Aangegeven met een rode streep). Bij de tweede inzet op “dona” in Altus II en Altus I (schuin rood streepje als ademhalingsteken staat er bij) is er wat meer ritmische beweging, om de cadens extra kracht bij te zetten.

introitus-2b

Tweede systeem

De figuur in Altus I in de laatste maat van het vorige systeem die deze cadens begeleidt (liggend rood streepje) wordt daarna in dit systeem eerst twee keer geïmiteerd in nogmaals Altus I en vervolgens Altus II. (Eveneens weergegeven door rode strepen er boven). Dan komt er ook nog meer beweging door het gepuncteerde ritme in een dalend lijntje in de bas, (rode stippellijn). De tenor imiteert het eerdere figuurtje tot slot ook nog een keer. Op dat punt lijkt er een echte cadens te komen, maar het afsluitende akkoord is een VI (zesde trap), een zogenaamd bedrieglijk slot dus. Toch is er nu even wat minder beweging, waar voorheen het totaalritme minimaal twee pulsen in een maat had is dat op deze zesde trap slechts een enkele puls. (alle stemmen hebben hier namelijk een hele noot)

introitus-3b

Derde systeem

Enkele maten erna (zie systeem hieronder) komt er voor de eerste keer echt een cadens IV –V – I, ook weer met het eerdere melodische figuurtje, nu in de bovenstem, de Cantus, als aankondiging. Hier is voor de eerste en eigenlijk ook enige keer in dit introitus sprake van een afsluiting van een deeltje. Onmiddellijk daarna wordt de zetting iets anders. De woorden “et lux perpetua” klinken vrijwel homoritmisch in de eerste en tweede Altus, in tertsparallellen. Het woord “perpetua”, eeuwig, wordt daarna fraai versierd met achtste noten in Altus II (rode stippellijn). Bij de uitvoering in bovenstaand filmpje van “the Sixteen” wordt dit effect jammer genoeg enigszins ondergesneeuwd.

introitus-4b

Vierde systeem

Dit tekstgedeelte wordt afgesloten in de derde maat van het systeem hieronder, met een uitwijking naar de zesde trap (VI)). Ook een soort cadens dus. Dan komt het laatste tekstdeel: “luceat eis” (moge hen verlichten). We horen een wat meer uitbundige stijgende lijn in Altus I. (Dubbele rode streep.) Dit mag je toch wel tekstexpressie noemen. Had voor mij iets uitbundiger gezongen mogen worden..

introitus-5b

Vijfde systeem

In het laatste systeem hieronder wordt dit laatste tekstgedeelte “luceat eis” heel langzaam naar een eeuwigdurend einde gevoerd, als een eeuwigdurend licht: tot drie keer toe horen we een cadens V-I.

introitus-6b

Wonderschone muziek. We weten niet wat de aanleiding tot het schrijven van dit requiem in Rome was. Een jaar later ging Christóbal de Morales terug naar Spanje, waar hij in Toledo een aanstelling kreeg. Ruim vijftig jaar later was zijn muziek beroemd genoeg om als koninklijke begrafenismuziek te dienen. Maar ook nu nog is het de moeite waard om je er al luisterende aan over te geven.

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , | 1 reactie

Cinquecento

Cinquecento is de naam die de Italianen geven aan de zestiende eeuw. Cinquecento is ook de naam van een vocaal ensemble van vijf mannelijke zangers die a capella muziek uit die eeuw vertolken. Ze zijn deze week in Nederland en gistermiddag waren ze te horen in de Onze Lieve Vrouwe basiliek van Maastricht.

olv-basiliekOp het programma stond vooral muziek van Christóbal de Morales. Deze componist leefde van 1500 tot 1553. In hetzelfde jaar dat de Morales geboren werd, 1500, werd in Gent Karel V geboren. Deze koning en keizer van het Rooms-Duitse rijk was heerser van de Nederlanden, Oostenrijk, Spanje en grote delen van Italië. Hij werd iets ouder dan de Morales: hij stierf in 1558. Hij zou al snel uitgroeien tot de machtigste vorst van zijn tijd. Wat gebeurde er nog meer in die tijd? In 1517 begonnen de scheuringen in de katholieke kerk met de stellingen van Luther.  En in 1527 veroverde een leger met Spaanse en Duitse huurlingen Rome, plunderde de stad en vermoordden er tussen de 6000 en 12000 mensen. (De sacco di Roma) In dat leger van Karel V (die zelf op dat moment in Madrid was) zaten ook veel  Lutheranen, die zich botvierden op de kloosters, de monniken en de nonnen in de stad.  Daarna sloot de gevluchte paus een concordaat met Karel V.  Van 1545 tot 1563 was het Concilie van Trente waar in de katholieke kerk interne hervormingen werden afgekondigd. Karel V en later vooral ook zijn zoon Philips II conformeerden zich aan de opdracht van de Paus om een bijdrage te leveren aan het herstel in alle glorie van de katholieke kerk: de Contrareformatie.

In deze roerige tijd leefde dus Christóbal de Morales. Wat heeft hij er van mee gekregen? Hij is geboren in Sevilla en daar was hij achtereenvolgens als koorknaap en componist aan de kathedraal verbonden.  In 1535 vertrekt hij naar Rome waar hij ongeveer 10 jaar werkzaam zal zijn. Hij komt er dus aan als Rome net weer een beetje aan het bijkomen is van de enorme plunderingen, maar vertrekt nog voordat het concilie met zijn hervormingen eraan komen.  De aanvankelijk zeer sobere muzikale stijl van de Morales wordt in die stad onder invloed van andere componisten,  zoals Cipriane de Rore, meer uitbundig. De laatste acht jaar van zijn leven is hij weer terug in Spanje, maar er zijn geen werken bekend die hij toen schreef. Zijn dodenmis uit 1544, nog geschreven in Rome, wordt in 1598 uitgevoerd bij de begrafenis in Madrid van de zoon van Karel V, koning Philips II. Hieronder kun je een uitvoering van die mis horen door “the sixteen” olv Harry Christophers

Deze dodenmis stond centraal bij het concert in de Onze Lieve Vrouwe basiliek. Niet met een kamerkoor als bij de uitvoering hierboven, maar met slechts vijf mannelijke zangers. Van het introitus heb ik een beknopte analyse gemaakt, die kun je via deze link vinden. Ook andere werken werden er gezongen, zoals het nog uit zijn Spaanse tijd daterende “Venite exultemus”. De opname die ik op Spotify  daarvan hoorde wordt gezongen door het Gabrieli  Consort. Ik vond deze minder aansprekend dan die ik gisteren live hoorde.

Wat me steeds weer opvalt: dit is echt renaissance muziek. Daarbij gaat het nauwelijks over tekstexpressie. De contrasten zijn erg klein. Het gaat eigenlijk steeds over het geheel, de volmaakte serene sfeer die het moet uitstralen. Als je je er voor openstelt is het prachtig.

Vijf kwartier aan een stuk werd er gezongen. Meestal met vijf zangers, hoewel: er was ook een driestemmig en een vierstemmig stuk bij. We zaten vooraan dus konden niet alleen alles goed horen maar we konden de opperste concentratie van de heren bijna voelen. Waar er sprake van enige polyfonie was gaf vooral de dynamiek de mogelijkheid om bepaalde stemmen net iets beter te laten uitkomen. Mijn vrouw en ik vonden allebei dat vooral het nog in Spanje geschreven “Venite exultemus” in zijn eenvoud ons het meeste aansprak.

Ik heb enkele CD’s van Cinquecento gekocht, o.a. een met opnamen van de Luikse componist Jean Guyot, die iets later leefde dan Christóbal de Morales. Op youtube staat een filmpje dat gemaakt is tijdens de opnamen van die CD. Je krijgt een erg goed idee van de muziek maar ook van de kwaliteit van de zangers.  Het ensemble resideert in Wenen en verzorgt daar in een kerk regelmatig meerstemmige diensten. De vijf zangers hebben allemaal een andere nationaliteit. Ze komen uit  Oostenrijk, Duitsland, Zwitserland, België en Engeland.

Deze week is hetzelfde concert nog op diverse plaatsen te horen: dinsdag 12 februari in de Laurenskerk in Rotterdam, 13 februari in Eindhoven in het muziekgebouw, 15 februari in Arnhem, Musis, 16 februari in het muziekgebouw aan het IJ in Amsterdam en tot slot 17 februari in Tivoli Vredenburg in Utrecht.

Geplaatst in Geschiedenis, muziek, recensie | Tags: , , , , , , , | 3 reacties

Internationaal ruimtestation ISS

In 1957 werd de Russische spoetnik gelanceerd en hij draaide als eerste kunstmaan om de aarde. De Amerikanen volgden een jaar later met de Explorer, en snel waren er nog meer, ook Russische kunstmanen. Toen  In 1960 de Echo 1 werd gelanceerd en vier jaar later de Echo 2 had je als leek de mogelijkheid om met het blote oog dergelijke satellieten te kunnen spotten. Dit waren namelijk satellieten die gemaakt waren om de reflectie te testen.  In 1960 was ik tien jaar oud en in de krant stond regelmatig hoe laat je de Echo 1 kon zien. Hij bewoog slechts langzaam en bij goed weer kon je hem heel  lang volgen. De Echo 2 was nog beter te zien, deze bewoog wel een stuk sneller. Als je in die tijd naar de hemel keek en je zag iets bewegen dat niet knipperde, dan ging het vrijwel zeker om een van deze twee satellieten. Ik vond het ongelooflijk. Stel je voor. Al honderdduizenden jaren kijkt de mens naar de hemel en ziet zon, maan, vijf planeten en de sterren. Bij hoge uitzondering zag men misschien een keer iets anders: een komeet of eens in de duizend jaar een zeldzame Nova. En nu opeens zag men deze bewegende sterren die nog nooit eerder te zien waren. Ik denk dat er in de zestiger jaren heel wat verre volkeren waren die bang en bevreesd werden bij het zien van deze verschijnselen. Ik vond het daarentegen alleen maar fascinerend, net als alle andere dingen die er aan de nachtelijke hemel te zien waren.

Er zijn intussen veel en veel meer satellieten. De oude kunstmanen hebben allemaal inmiddels het loodje gelegd en de jonge satellieten zijn voor een groot deel met het blote oog niet zichtbaar. De meest spectaculaire satelliet die je wel kan zien is het ruimtestation ISS. Op wikipedia lezen we:

Het internationale ruimtestation (in het Engels: International Space Station, ISS)  is een ruimtestation dat in een baan om de aarde draait en door verschillende landen wordt gebouwd, bemand en bekostigd. Op 20 november 1998 werd de eerste module gelanceerd en sinds 2 november 2000 is het station permanent bewoond. Gedurende het eerste decennium van de 21e eeuw is het station continu uitgebreid. Op 27 mei 2011 werd de bouw van het ISS voorlopig voltooid met de installatie van de Alpha Magnetic Spectrometer (AMS). Er zijn nog twee Russische modules gepland voor na 2018: Nauka, ook gekend als de Multipurpose Laboratory Module (MLM), en de Nodal Module.

Maar liefst 16 landen, waaronder Nederland werken aan dit project mee. Het is een prachtig voorbeeld van internationale samenwerking waarbij alle mogelijke tegenstellingen en vetes opzij zijn gezet. Rusland, de Verenigde staten, Europa, Brazilië en Japan hebben eendrachtig modules gemaakt en astronauten opgeleid. André Kuipers verbleef in 2012 een half jaar in de ISS in de ruimte. Op dit moment wordt het bemand door vijf personen: Twee Russen, twee Amerikanen en een Canadees. Bevelhebber is de Rus Aleksej Ovtsjinin die al voor de tweede keer in de ruimte is. Hij heeft naast zich een zeer ervaren collega,  de Rus Oleg Kononenko , die al voor de vierde keer  mee gaat. De twee Amerikanen en de Canadees zijn nieuwelingen.

Deze vijf bemanningsleden worden als het goed is op 15 april 2019 gedeeltelijk afgelost, en het ruimtevaartuig waar ze zich in bevinden heb ik gisteravond maar liefst twee keer gezien. Ik had misschien niet helemaal de sensatie die ik  als jongetje van 10 had bij het zien van de Echo 1, maar toch! Je kunt dit ruimtevaartuig soms buitengewoon goed zien. Dat komt door de reflectie van de grote zonnepanelen die boven het vaartuig gespannen zijn. Hoe groot is het vaartuig en alle bijbehorende onderzoekmodules? Wikipedia:

In maart 2009 bevond het ruimtestation zich op een hoogte van ongeveer 355 km. De massa van alle reeds geplaatste modules samen bedraagt 262,2 ton en het heeft een inhoud van ongeveer 574 m³. De maximale maten zijn 52 m lang, 92,7 meter breed en 27,4 m hoog. De zonnepanelen hebben een maximale spanwijdte van 73,2 meter. De bemanning bestaat uit drie vaste bemanningsleden. Elke dag daalt het vaartuig ongeveer honderd meter, waardoor continu moet worden gecorrigeerd. De gemiddelde snelheid bedraagt 27.744 km/u (7700 m/s). In ongeveer 91,2 minuten draait het ISS om de Aarde (de baanlengte is ongeveer 42.000 km). Overdag is de temperatuur aan boord van de woon- en werkvertrekken 26,9 °C.

iss-fotoEn is dat niet gevaarlijk? Ongevaarlijk is het zeker niet. Maar er is een reddingssloep aanwezig:

Naargelang er drie of zes personen aan boord zijn, zijn één of twee exemplaren van de Sojoez TMA-M aanwezig, voor reguliere landing maar ook als reddingssloep. Als er gevaar dreigt, bijvoorbeeld van naderend ruimteschroot in het geval dat een kleine baanwijziging van het ISS het risico niet afdoende kan beperken (bijvoorbeeld doordat het gevaar te laat wordt gesignaleerd), nemen de personen aan boord uit voorzorg erin plaats. Dit is vier keer voorgekomen, de laatste keer in juli 2015, toen een klein deel van een oude Russische weersatelliet naderde. Het gevaar werd anderhalf uur van tevoren gesignaleerd. Uiteindelijk vloog het stuk ruimteschroot op 3 km afstand voorbij. Ook in de andere drie gevallen was daadwerkelijke voortijdige terugkeer naar de Aarde niet nodig.

Ik heb een aantal apps, een daarvan heet “sterhemel”. Daarop kun je lezen wat er elke avond aan de sterrenhemel te zien valt. Zo las ik gisteren:

iss-3febr-2019Dat ging ik uitproberen en ik nam voor de zekerheid ook mijn fotocamera mee. Het was een prachtige avond. In het ZO zag je de meest heldere ster Sirius, rechts daarvan het sterrenbeeld Orion. Maar: recht in het westen leek een planeet als Venus op te komen, een buitengewoon helder object. Hij ging vrij snel gestaag naar steeds verder omhoog tot hij bijna recht boven je hoofd was gekomen. Daarna zakte hij weer af naar het oosten. Gedurende ongeveer vijf minuten was dit proces te volgen. Ik heb dit nog nooit gezien, dus ik heb ook nog nooit de ISS gezien. Ruim anderhalf uur later ging ik weer kijken. De ISS was inmiddels al een hele keer om de aarde heen gedraaid. Ik was bang dat het spotten nu ging mislukken, het was namelijk vrij heiïg in het westen. Maar desondanks, door de vochtige mistsluiers heen kwam hij weer omhoog. Na ongeveer anderhalve minuut was hij plotseling verdwenen. Niet door de wolken, maar doordat de zonnepanelen niet meer goed in de richting van de aarde waren gericht. Maar toch. Alles klopte exact volgens de voorspellingen.

Wil je dit ook een keer zien? Mocht het de komende avond (4 februari 2019) helder zijn, maar ik ben helaas bang dat dat niet zo is, dan kun je hem weer heel goed zien. Om 6 minuten over half acht komt hij op in het westen en hij verdwijnt bijna 4 minuten later in het zuiden. Het maximum van de zichtbaarheid is dit keer als hij zich in het ZW bevindt, magnitude -3. Dat is iets minder helder dan Venus maar meer helder dan Jupiter. Ook later deze maand zijn er trouwens nog mogelijkheden, zie http://hemel.waarnemen.com/iss/ (De in het groen aangegeven data zijn de beste, hoe lager het magnitude getal, hoe beter zichtbaar.)

Ik heb gisteravond foto’s gemaakt. Het viel me op dat als je probeerde in te zoomen, mijn camera net als bij Venus of Jupiter het object een stuk groter maakte, wat hij bij het fotograferen van een ster nooit doet. Mijn camera ziet blijkbaar dat het te fotograferen object iets is dat relatief dichtbij staat. Maar meer dan een licht rondje weet hij er niet van te maken. Maar toch. Dit rondje is de ISS. En daar zaten 5 mensen in die misschien naar de aarde keken en Nederland konden herkennen onder de bijna wolkenloze hemel. Ze keken naar mij. Ik keek terug.

iss-2

 

Geplaatst in Astronomie, Geschiedenis | Tags: , , , | 1 reactie

De Cadenza van Isabelle Faust

Een cadens, of liever een cadenza in een soloconcert is een passage vlak voor het einde van een deel waarin de solist mag improviseren. Grote virtuozen in de klassieke periode konden zich daar lekker uitleven. Mozart dreef er de spot mee. In zijn Dorfmusikantensextet, ook wel “Musikalischer Spass” genoemd liet hij een solerende violist bewust helemaal ontsporen. Hier hoor je op 4:14 zijn cadenza in het tweede deel:

Maar gelukkig zijn er ook veel geslaagde cadensen in de loop van de tijd overgeleverd. Daarover later meer. Eerst iets over ook de andere stukken die ik donderdagavond hoorde.

John Eliot Gardiner ken ik vooral van barokmuziek. Van zijn uitvoeringen van de Mariavespers van Monteverdi of de opera Il Ritorno d’Ulysse. En natuurlijk van zijn vertolkingen met het Monteverdi Choir van de kerkcantates en de passiemuziek van Bach. Maar ik had nog nooit een opname gehoord met romantische orkestmuziek onder zijn leiding. Die kans had ik afgelopen donderdag. In een voor 90% gevulde grote zaal van de Doelen in Rotterdam speelde de London Philharmonic twee stukken van Schumann: ouvertüre Manfred en de Rheinische symphonie.

Ik wist dat Gardiner heel erg met klankkleur bezig kan zijn, en bij vocale muziek ook met de interpretatie en expressie van de tekst. Zo laat hij het Monteverdi Choir geregeld alles uit het hoofd zingen om een meer geconcentreerde uitvoering te krijgen. Nu in de Doelen liet hij met uitzondering van de paukenist, de celli en de contrabassen alle musici staande spelen bij de derde symfonie van Schumann.

orkestopstellingVerder was de opstelling van de strijkers bij alle stukken afwijkend. Naast de concertmeester en dus ook vlakbij de dirigent zaten de celli, als een hechte groep in het midden, meer opzij en naar achteren zaten pas de overige strijkers. Ik zat in de orgelring op de eerste rij en had mooi zicht op zowel de dirigent als de spelers en alles klinkt daar ook erg goed. Het leek te werken: je hoorde een mooie hechte orkestklank en ook de concentratie die Gardiner probeerde over te brengen kwam wellicht door deze opstelling en het staande spelen beter over. Bij de dansante passages in het scherzo danste Gardiner voor het orkest en stonden de klarinettisten met plezier mee te wiegen.

Daarnaast was voor de pauze ook nog het vioolconcert van Beethoven te horen. En ik denk dat dat stuk voor mij toch wel het het hoogtepunt van de avond vormde, vooral ook door de solist, Isabelle Faust. Even iets meer over het stuk.  In 1806 had Napoleon na zijn intocht in Wenen de Oostenrijkse keizer gekleineerd en hem de keizerstitel ontnomen. Maar het leven ging gewoon door. Enkele jaren daarvoor, in januari 1803, had Beethoven een aanstelling als componist gekregen aan het theater “an der Wien”. De directeur, Franz Clement gaf hem in 1806, het jaar van de intocht van Napoleon dus, de opdracht om een vioolconcert te schrijven. Hijzelf, een begenadigd violist, wilde de solopartij vertolken. 23 december 1806 werd het werk uitgevoerd onder leiding van de componist zelf. Beethoven was weer eens veel te laat klaar geweest met de partituur, maar het concert ging toch door. Niet alleen de orkestleden maar ook de solist speelden het werk vrijwel a vue. Waarschijnlijk was dat dan ook de voornaamste reden dat de uitvoering geen succes was, en pas in 1844, lang na de dood van Beethoven, werd het voor de eerste keer opnieuw uitgevoerd, en wel onder Mendelssohn. Nu was het onmiddellijk een doorslaand succes en dat is het sindsdien gebleven.

Voor vier van zijn vijf pianoconcerten heeft Beethoven in 1809 cadensen uitgeschreven. Voor dit vioolconcert was dat dus niet het geval. De cadenza voor dit concert is vanaf de tijd van Mendelssohn op heel veel manieren gespeeld. De versie die rond 1900 uitgeschreven was door Fritz Kreisler beviel bijna alle solisten uitstekend, en tot op de dag van vandaag wordt die het meeste gespeeld. Die ken ik dan ook, als ware het een cadenza van Beethoven zelf. Luister hier naar de cadenza van Kreisler in een uitvoering van Anne-Sophie Mutter en in een uitvoering van Janine Jansen:

Anne-Sophie Mutter, Berliner Philharmoniker, Seiji Ozawa

Janine Jansen, Deutsche Kammerphilharmonie Bremen,  Paavo Järvi

gardiner en faustIsabelle Faust wilde een andere cadenza. Beethoven had zijn vioolconcert in 1807, dus niet veel na de premiëre met viool, voor piano en orkest bewerkt en daar had hij een piano-cadenza bij uitgeschreven, die hij zelf placht te spelen. Een piano is geen viool als het om een cadenza gaat, maar Isabelle Faust besloot om toch te proberen de pianocadenza als basis te gebruiken voor haar eigen solo. Wat mij betreft heel geslaagd.  Hij is echt behoorlijk anders dan die van Kreisler. Het meest opvallende element is dat ook de paukenist hier een rol in speelt. Op zich lijkt dat bijzonder, maar als je je realiseert dat het concert begint met vijf paukenslagen dan is het ook weer logisch. Ondanks het feit dat er enkele stilistische uitstapjes lijken te zijn vind ik het een prachtig element in dat zo lange eerste deel van het concert. De paukenist en de violist hebben tijdens deze cadenza voortdurend oogcontact en dat maakt het nog eens extra spannend.

Luister eerst naar de pianocadenza van Beethoven zelf, daarna naar de bewerking hiervan van Isabelle Faust

Daniël Barenboim, die zelf speelt en tegelijk de London Philharmonic Orchestra dirigeert.

Isabelle Faust, Rotterdams Philharmonisch, Mark Elder

Hoe komt het dat de pianocadens veel langer is dan de vioolcadens? Dat heeft vooral te maken met het feit dat Beethoven een heel stuk uitgeschreven heeft waar Isabelle Faust niets mee doet. Ze laat het gewoon weg. Het is typisch zo’n pianostukje dat zich moeilijk voor viool laat omzetten:

Het is interessant om verder de fragmenten te vergelijken. Je hoort de hele cadenza opgeknipt in stukjes. Steeds eerst een stukje van de pianocadens, dan de omzetting van dat stukje naar viool, en zo door tot het eind van de cadenza. Hierin zit ook het stukje dat niet wordt omgezet naar viool.

Hoe het bij de eerste uitvoering in 1806 geklonken heeft blijft gissen. Ook blijft gissen hoe vrij alles werd gespeeld. Ik voel veel voor zowel de vertolking van Anne-Sophie Mutter met de Kreisler-cadens, de pianoversie van Barenboim maar ook de versie van Faust. Alle drie behoorlijk rubato, ze spelen ook met de dynamiek, met de spanningsopbouw. Het klinkt daardoor als een improvisatie. Die van Janine Jansen vind ik persoonlijk iets te netjes.

Tot slot een opname van het complete vioolconcert met het Rotterdams Philharmonisch orkest onder leiding van Mark Elder en met Isabelle Faust als solist. De uitvoering is van het zondagochtendconcert  in het Concertgebouw van Amsterdam, februari 2018

 

Geplaatst in muziek, recensie | Tags: , , , , , , , , | Plaats een reactie

Tachtigjarige oorlog

filips-ii

Wie is de grootste en belangrijkste Spaanse koning in de Spaanse geschiedenisboeken? Dat is Philips II. De koning die door veel Nederlanders juist gezien wordt als de grootste schurk aller tijden, de man die Alva op ons afstuurde. Maar in Spanje zien ze dat dus heel anders.

‘Daar gaan we weer’, dacht de Heerlense historicus Jos Mosmuller (63) vorig jaar geregeld bij het zien van de talrijke televisiedocumentaires over de Tachtigjarige Oorlog. Weer werd deze episode vooral vanuit noordelijk, Hollands, perspectief belicht. Weer bleven de lotgevallen van de zuidelijke gewesten dus onderbelicht. En weer viel Willem van Oranje veel welwillendheid ten deel. Aldus een artikel in de Volkskrant op 22 januari.

Ik ben geen historicus maar ik heb vrij veel gelezen over die tijd en ik denk er ongeveer eender over. Waarom kijkt Spanje om te beginnen zo anders aan tegen Philips II dan wij dat doen? Deze vorst werkte sterk samen met de paus en was zo de leider van de contrareformatie, de beweging die in gang gezet was om alle misstanden in de katholieke kerk te bestrijden en door allerlei maatregelen de kerk weer zijn aloude plek te geven. Veel van wat hij deed had daarmee te maken. Dankzij zijn sterke leger kon hij zijn macht steeds verder uitbreiden, vooral gedurende de eerste helft van zijn regeringsperiode. Op verzoek van de paus versloeg hij in 1571 de Turken in de Slag bij Lepanto. Het was een heilige missie. Ook moesten de Nederlanden behouden blijven voor het katholieke geloof. Ook dat was een onderdeel van die missie. In 1580 overleed de koning van Portugal kinderloos. Daar er geen opvolger was en de moeder van Philips een Portugese prinses was, wierp hij zich op als koning van Portugal met al de lucratieve koloniën. Dit was duidelijk géén geloofskwestie maar een geldelijke zaak. Dat geld had hij nodig voor zijn heilige oorlogen. Maar de Portugese bevolking pikte dat niet. Philips haalde een groot deel van zijn troepen terug uit de Nederlanden om Portugal te gaan bezetten, het bezit van dat land was even belangrijker dan het bezit van de Nederlanden. Hierdoor vocht hij een tijdlang op twee fronten. En daardoor kreeg de opstand in de Nederlanden plotseling meer kans. Toen niet veel later Engeland de Nederlanden ging steunen en Philips een belangrijke zeeslag verloor kregen de Nederlandse opstandelingen echt lucht.

Na de annexatie van Portugal en zijn koloniale bezittingen in de jaren 1580 was Philips II heerser over misschien wel het grootste rijk dat ooit bestaan had. Wat als hij in 1561 vrede had gesloten met de Turkse sultan, zodat hij zijn Spaanse elitetroepen niet uit de Nederlanden had hoeven terug te roepen? Hadden de Nederlandse edelen dan ook zulk hoog spel durven spelen? En daarna had je dus zoals gezegd de oorlog om de troon van Portugal, en de zee-oorlog. Ook nog later zijn er momenten geweest dat de Noordelijke Nederlanden ternauwernood ontsnapt zijn aan een volkomen nederlaag tegen de Spaanse troepen. In dat geval zouden ze net als de Zuidelijke Nederlanden nog tot de Franse revolutie onderdeel zijn geweest van eerst Spanje, later Oostenrijk. Nederland heeft gewoonweg veel geluk gehad. Veel over dit alles kun je lezen in “de Republiek”, van Jonathan Israel.

De opstand tegen de Spanjaarden, en trouwens ook de godsdienstige onlusten zijn begonnen in de Zuidelijke Nederlanden, met name in Antwerpen. Amsterdam was toen nog heel braaf katholiek. Het centrum van de militaire macht in de Nederlanden lag toen vooral in Brussel, waar ook het bestuurscentrum was. Zo konden gebieden die zich meer in de periferie bevonden, met name Holland, het langer volhouden en door meer geluk als wijsheid zelfs zo lang dat er een eigen natie kon ontstaan.

paleis-brussel

Het paleis van de Nassaus in Brussel

Wat waren de drijfveren van Willem van Oranje? Hij was na de actie van de edelen in Brussel waar hij wijselijk niet bij was geweest zijn bezittingen in Brussel kwijtgeraakt en hij hoopte met een militaire actie die weer terug te kunnen krijgen. Dat zeg je natuurlijk niet. Dus er waren ook nobele motieven nodig om een opstand te kunnen legitimeren. Hij zelf was al twee keer van geloof veranderd. (zie ook https://www.absolutefacts.nl/royalty/actueel/het-geloof-van-willem-van-oranje.htm) Telkens vooral vanwege zijn nieuwe huwelijken (Hij is vier keer getrouwd geweest). Waarschijnlijk maakte het hem allemaal niet heel veel uit. Toen hij van katholiek naar luthers switchte bezwoer hij koning Philips II dat hij dat vanwege zijn huwelijk wel moest doen. Maar hij zou in de praktijk gewoon katholiek blijven. Philips die toen nog een goede verhouding had met onze vader des vaderlands ging hier schoorvoetend mee akkoord, maar het markeert het begin van een verstoorde relatie. Willem van Oranje was er zich intussen van bewust dat hij beter niet op één paard kon gaan wedden. Dus hij wilde de katholieken niet buitenspel zetten. Zo was hij voor godsdienstvrijheid. En hij maakte de opstand tot vooral een godsdienstmissie, naast natuurlijk dat hij de Nederlanden wilde bevrijden van het Spaanse juk. En hij wilde dus vrijheid voor de protestanten zonder de katholieken de oorlog te verklaren. Ondanks het feit dat Nederland een republiek werd met een staatskerk, die van de gereformeerden, kwam er dankzij onder meer Willem van Oranje in de grondwet te staan dat andersdenkenden niet mochten worden vervolgd. Ze werden gedoogd. Het Nederlandse gedoogbeleid is al heel oud…

Willem van Oranje maakte gebruik van een leger van huurlingen. Dat waren avonturiers die moeilijk in het gareel te houden waren, vooral als de soldij of de foeragering niet goed functioneerden. En dat was bij Willem van Oranje vaak het geval. Net als bij Alva trouwens, alhoewel de discipline daar waarschijnlijk beter was. De Duitse huurlingen van Willem van Oranje waren meest luthers. Kerken en kloosters waren vaak nog rijk, daar viel wat te halen. Zo plunderden ze in 1572 Roermond, en wie in de weg stond werd zonder pardon afgemaakt. Er zijn verschillende bronnen die iets meer vertellen over wat er daar gebeurde. Er zal ook wel het een en ander aangedikt zijn om de brute Hollanders vanuit katholieke, Spaanse kant, zwart te maken. Vast staat dat minstens 12 monniken en ook nog enkele leken (de kok) van het Kartuizer klooster werden vermoord. Andere bronnen vertellen over nog veel meer slachtoffers en ook over plunderingen van andere kloosters. Mensen in Zuid-Limburg die het leger van Willem van Oranje daar zagen doortrekken beschreven het als een grote bende, het had niets te maken met een geordende troepenmacht. Willem van Oranje heeft uiteindelijk met al zijn veldtochten dan ook niets bereikt. Meerdere keren moest hij richting Brussel zijn morrende leger ontbinden omdat hij er geen vat meer op had. De ontslagen huurlingen trokken dan vaak nog jaren in groepjes door de Zuidelijke Nederlanden en teisterden met name het platteland.

Philips II had teveel aan zijn kop. Na zijn dood in 1598 bleken in de Noordelijke Nederlanden mensen als Maurits en Oldenbarnevelt in staat om de natie militair en ook bestuurlijk vorm te geven. Zo kwam het met de jonge Republiek toch nog goed. Maar de mensen in de randgebieden die zeker door de contrareformatie overtuigd katholiek waren gebleven, waren bewoners van gebieden die slechts dienden om West-Nederland te vrijwaren van buitenlandse aanvallen. Frederik Hendrik liet het prachtige middeleeuwse kasteel van Valkenburg, hoog op een heuvel gelegen, in de lucht vliegen nadat hij Zuid-Limburg had weten te veroveren. Hij wist dat de Spanjaarden weer zo terug konden komen en de verdediging van zo’n kasteel zou hem teveel moeite kosten. Dus: laten ontploffen die boel. Tactiek van de verschroeide aarde…

Het juichverhaal van de tachtigjarige oorlog verdient nuancering en aanvulling. Ik heb een redelijk genuanceerd beeld gekregen denk ik door allerlei boeken en artikelen te lezen. Ik geef hier onder een lijst.

  • De Tachtigjarige Oorlog. (Drs. B.G.J. Elias , Fibula-van Dishoeck. Haarlem. ISBN 90 228 3998 2)
  • De Tachtigjarige oorlog, deel 2: 1609-1650. Behalve de oorlogshandelingen en omstandigheden worden 3 hoofdstukken gewijd aan resp. het economische leven, de sociaal culturele verhoudingen en de religieuze verhoudingen rond 1650 in de Republiek Nederland. Veel interessante informatie. Haarlem. ISBN 90 228 3998 2
  • Alva en de tiende penning, Ferdinand H.M. Grapperhaus. Zeer degelijk boek waardoor je je kunt verplaatsen in zowel de overwegingen van Alva als die van vooral de stedelingen. De Walburg Pers 1984.
  • Het hof van Willem van Oranje, Marie-Ange Delen. Uitgeverij Wereldbibliotheek Amsterdam, ISBN 90 284 1942x. Over alles wat er aan het hof van Willem van Oranje gebeurde, wat er werd gegeten en meer, ook vergeleken met andere hoven uit die tijd. Uitgewerkt proefschrift uit 2001. In het slotwoord wordt Willem van Oranje uitgebreid beschreven als vooral een zeer behoudend en conservatief persoon.
  • Huurling in de Lage Landen 1572-1574 (Duncan Caldecott-Baird, 1977 Fibula-van Dishoeck. Haarlem. ISBN 90 228 3999 0). Zeer uitgebreide inleiding over alle krijgshandelingen in de betreffende periode en over de manier van oorlog voeren. Daarnaast ooggetuigenverslag en tekeningen van Walter Morgan, huurling bij Willem van Oranje, met commentaar van de schrijver.
  • Kritische studie over de oorlogvoering van het Spaanse leger in de Nederlanden tijdens de XVIe eeuw. Deel VII: het begin van het offensief tegen de Vlaamse provinciën (1582). L. van der Essen. 1958. Paleis der academiën, Brussel
  • De Spaanse Inquisitie. Tussen geschiedenis en mythe. Robert Lemm. Kok Agora, Kampen. ISBN 90 391 0034 9. 1993. Schets van de geschiedenis van de Spaanse inquisitie tot rond 1600. Hierbij ruim aandacht voor Europese geschiedenis in het algemeen. Daarna over de blik van de geschiedenis later op dit onderwerp. Hoe tot in de 20e eeuw vanuit verschillende ogen telkens weer naar dit onderwerp gekeken wordt. Zeer hoogstaand en erudiet geschreven werk.
  • De Republiek. (Jonathan I. Israel, 1995 Uitgeverij van Wijnen Franeker, ISBN 90 5194 221 4). Zeer uitgebreide beschrijving van de politieke en culturele ontwikkeling van de Republiek van de Zeven Verenigde Provinciën. (1587-1805). Een van de beste boeken over de republiek wat mij betreft.
  • Legertochten tussen Maastricht en Mook sedert 1568 tot 1575 en gelijktijdige belastingen en inkwartieringen te Elsloo. Meullener. Artikel van 188 pagina’s in Publications 1888.
  • Krijgsbedrijven van Alexander Farnese in Limburg en aangrenzende gewesten (1578 en 1579) Thomassen. Uitgebreid artikel van 120 pagina’s, met prachtig nagetekende lito’s van kaarten uit 1579, Publications 1890.
  • De beoordeling van Alva en van Oranje, voorkomend in het opstel: legertochten tussen Maastricht en Mook (1568-1575). Verweer van Meullener (20 pagina’s) op kritiek gegeven door hoogleraar Fruin op eerder artikel. Publications 1890
  • Spaanse bijdragen tot de geschiedenis onzer voorvaderen der zestiende eeuw. Juan Christobal Calvete de Estrella vergezelde Philips op diens reizen. Verslaglegging hiervan in een werk “El felicissimo viaje d’el muy alto y poderoso principe don Phelippe, desde Espana a sus terrias de la baxa Alemana”, 1552 uitgegeven te Antwerpen. (700 pagina’s). Uittreksels en stukjes vertaling in dit artikel. Thomassen, Publications 1892.
  • Verhaal der wreedheden te Roermond tegen de geestelijken gepleegd 23 juli 1572, naar een gelijktijdig Italiaans verhaal. In de bibliotheek van Gent wordt een boekje bewaard. Het bevat een verhaal in de vorm van een brief, waarschijnlijk afkomstig van een vluchteling van het Spaanse garnizoen nadat de Staatsen de stad hadden ingenomen. Het is slechts enkele dagen na de moordpartij opgeschreven. Origineel in Italiaans. Flament, artikel van 9 pagina’s in Publications 1903.

Op mijn website over Limburg staat ook het een en ander: www.voorouderslimburg.nl

Hier kun je bij het onderdeel geschiedenis van Maastricht ook een artikel vinden dat gaat over de diverse belegeringen van deze stad: belegeringen Maastricht

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Perspectief in geluid

Hij is vijf jaar en zich van geen kwaad bewust. In het zwembad loopt hij naar een klein kind en duwt haar omver. Buiten in de stad schreeuwt hij een hoge toon zo hard hij kan en luistert naar zichzelf. De omstanders kijken naar hem en denken er allemaal het hunne van. Ergens gaat een deur automatisch open als hij er voorbijloopt. Hij gaat naar binnen en maakt allerlei geluiden, genietend van de echo. Hij schiet een vrouw aan die een koekje eet en vraagt of hij er ook een mag. Op de openbare WC van de bibliotheek gaat hij uitgebreid staan kijken bij een man die daar staat te plassen. Bij elke situatie moet je hem vertellen “hoe het hoort”, maar het lijkt nauwelijks tot hem door te dringen. Hij is niet stout maar snapt er niets van. Elke situatie is voor hem nieuw en volkomen anders, voor een buitenstaander lijkt hij onopgevoed. Hij leert wel maar dit soort dingen slechts heel langzaam.

Zijn denken wijkt in veel opzichten af. Hij ziet en hoort alles in perspectief. Hier tekent hij een station van de NS in de regen, het is buiten 6 ˚ C. Mensen staan achter andere mensen en zijn slechts deels zichtbaar. Op de voorgrond zie je een veel groter iemand op een fiets.  Links holt iemand om de trein te halen. De wereld bestaat niet uit losse poppetjes maar hij ziet perspectivische plaatjes.

station in regen

Maar ook muziek is meerdimensionaal. De meeste mensen horen voornamelijk de melodie en zingen die eventueel mee of na. Hij hoort alles, van drumstel, tot fill-ins van strijkers en synthesizers. En intussen kijkt hij ook nog naar het betreffende filmpje en slaat ook daar alles van op. Zo ziet hij het verschil tussen al die manen van Jupiter en Saturnus in een oogopslag en als ik iets verkeerds zeg verbetert hij me onmiddellijk. In een boek waren de vier grote manen van Jupiter niet in de volgorde getekend als dat ze om de planeet heen draaien. Die volgorde ken ik goed. Dus zei ik per abuis tegen Europa: Callisto. Hij zag het onmiddellijk, en wees me op mijn fout…

Gisteren stond hij met zijn ogen verzonken in de verte te luisteren naar het optrekken van een dubbeldekker-trein in station Blaak. Voor hem zijn dat magische geluiden. Thuis gekomen ging hij naar boven naar zijn eigen station Blaak onder het bed van opa en oma met een houten trein spelen, een dubbeldekker zogenaamd. (Station Blaak ligt onder de grond…) En intussen deed hij de geluiden van de optrekkende trein feilloos na. Zo klinkt het in het echt, maar als hij het nadoet hoor je vrijwel hetzelfde.

station blaakEven later liep hij door de kamer met zijn hoofd in de wolken te zingen. Hij zong “een film”, ik heb een stukje van zijn zangkunst opgenomen. ’s Avonds zong hij met een filmpje mee, dat fragment hoor je hier ook. Opvallend is niet alleen het feit dat hij meerdere lagen probeert mee te zingen, maar ook details als vibrato’s doet hij na.

Antroposofen gaan er van uit dat kinderen tot hun achtste jaar nog voornamelijk pentatonisch kunnen zingen. Niet veel meer dan de zogenaamde kleuterdreun dus. Ik checkte deze opvatting zoals ik hem ooit “geleerd had” nog een keer op deze site: https://www.antroposofiekind.nl/Kinderliederen Maar hij zingt alle modulaties mee, en dat doet hij ook zonder dat de muziek erbij klinkt, uit zijn hoofd dus. Dat kunnen maar weinig volwassenen weet ik vanuit mijn professie. Soms vraagt hij: ‘opa wat is dat voor een instrument?’ Ik denk ‘wat bedoelt hij?’ Hij zingt dan een toon. Het gaat om een lange toon die af en toe op de achtergrond te horen is. Bijna niemand hoort zo’n detail, je luistert normaal naar de voorgrond en niet naar zo iets onbeduidends. Maar voor hem is het een net zo belangrijk onderdeel als de melodie.

Hij huppelt verder en geniet. Wij ook.

Geplaatst in kleinzoon, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , | 5 reacties

De waakhonden van de hemel

Onlangs was ik bij de tentoonstelling in het Drents museum over het Nubische volk. Het volk dat heerste over het zuiden van Egypte en een groot deel van het huidige Soedan. Net als in het noordelijke Egyptische rijk was de Nijl  ook toen al de levensader van dat gebied. Wanneer ging de Nijl overstromen?

De Egyptenaren hadden een speciale kalender gemaakt die gebaseerd was op de getijden van de Nijl. Ze verdeelden het jaar in drie seizoenen. Het jaar begon halverwege de zomer met het seizoen ‘Ahket’, dat overstroming betekent. (Volgens de latere Juliaanse kalender was dat 19 juli). In die periode trad de Nijl buiten haar oevers en werden de akkers bedekt met een laag vruchtbare slib. Na het seizoen ‘Ahket’ kwam het seizoen ‘Peret’ in het najaar. Dit stond voor de winter of de periode van groei. Het laatste seizoen was het oogstseizoen en werd ‘Shemu’ genoemd. Deze was in het voorjaar en daarmee de voedselrijkste periode van het jaar. De drie seizoenen waren verdeeld in telkens 4 maanden van 30 dagen. Op het einde werden nog 5 dagen toegevoegd. (Iets dergelijks deden de revolutionairen in Frankrijk trouwens ook, 12 maanden van 30 dagen + 5 extra dagen!)

Wanneer begon nu het jaar precies? Je kon het ook aan de hemel zien. Rond 19 juli Juliaanse tijd zag je aan de ochtendhemel vlak voordat de zon opkwam de ster Procyon, de kleine hond verschijnen. Niet veel later kwam Sirius, de grote hond en dan kwam de zon. Deze twee honden kondigden zo het overstromingsseizoen aan, en daarmee het begin van het nieuwe jaar. Ze fungeerden als waakhonden en tegelijk als kalendertekens.

Enkele dagen geleden toen de volledige maansverduistering was, die ik van het begin tot het einde heb gevolgd, zag ik rechts van de maan de bekende sterren van het sterrenbeeld Tweelingen, Castor en Pollux. Maar een eind onder de maan zag ik nog een opvallende ster. Het bleek na opzoeken de ster Procyon te zijn, de duidelijkste ster van de Kleine Hond.

Procyon is een dubbelster. De andere ster, Canis Minor β, is een kleine witte dwerg die je slechts met een telescoop kunt zien. Beide sterren bevinden zich dichtbij onze zon, op slechts elf lichtjaren afstand. Enkele miljoenen jaren geleden was de kleine dwerg Canis Minor β waarschijnlijk groter dan Canis Minor α. Ze is intussen helemaal opgebrand en slonk daardoor tot de huidige afmetingen. Iets dergelijks staat ook te gebeuren met  haar nu nog veel grotere broer die we zien als Procyon. Waarschijnlijk al binnen enkele miljoenen jaren. Dan is er een waakhond minder…

Hieronder zie je de maan net voordat de verduistering begon op 21 januari om half vijf. Rechts van de maan staan respectievelijk Pollux en Castor, er onder staat de waakhond Procyon.

procyon

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Maansverduistering

Als de volle maan hoog aan de hemel staat is hij meestal felwit van kleur. Door de atmosfeer van de aarde kleurt hij bij zijn opgang in de avond of bij zijn ondergang in de ochtend vaak mooi oranje. Maar hij kan er ook onheilspellend, donker, naargeestig, bloedrood uitzien. Dat gebeurt als de aarde precies tussen de zon en de maan instaat en de maan het zonlicht niet direct naar de aarde kan weerkaatsen. Het zonlicht dat langs de aarde schijnt wordt dan door de dampkring als rood licht naar de aarde afgebogen. Dat gebeurt bij een totale maansverduistering. De maan is dan niet echt onzichtbaar geworden zoals je zou verwachten, maar hij is heel donker, bloedrood en is dus nog steeds te zien. Ja je ziet als je goed kijkt trouwens nog meer kleuren zoals paars en blauw.

bloedmaan

Ik heb vandaag niet alleen de bloedmaan gefotografeerd. Daar hoefde je niet eens zo heel vroeg voor op te staan. Globaal zo tussen kwart voor zes en kwart voor zeven stond hij in die hoedanigheid in het WNW aan de hemel. Maar ik heb het hele proces gefilmd en gefotografeerd. Het geluid van de film heb ik gebruikt voor bij de foto’s en de filmbeelden zelf heb ik uiteindelijk weggelaten.

De film begint de avond ervoor als de maan net is opgekomen. Ik was voor half vijf al wakker dus ik heb ook het moment kunnen filmen, dat de maan nog helemaal vol was maar de verduistering al bijna gaat beginnen. Je ziet hoe het verduisterde deel daarna langzaamaan bloedrood begint te kleuren. Dan staat hij een uur als een sombere wachter, heel onheilspellend, aan de hemel. Je krijgt er een onwezenlijk gevoel van. Het door de zon normaal verlichte deel komt vervolgens stap voor stap weer tevoorschijn. Intussen zijn Venus en Jupiter in het ZO opgekomen en dat heb ik ook vastgelegd. Kwart voor zeven is de maan weer zoals een volle maan behoort te zijn, helemaal wit. Bij het zakken naar de horizon gedurende het volgende uur komen er wolkensluiers voor de maan en kleurt hij door de atmosfeer weer enigszins oranje.

De film is gemaakt op de Lekdijk ter hoogte van de buurtschap Opperduit. Wat een geluk was het om dit te hebben kunnen meemaken. Om te beginnen was het gisteren en vandaag helder, niet bewolkt of mistig. En ten tweede was het ook nog eens goed te zien in dit deel van de wereld. We moeten bijna 11 jaar wachten op weer zo’n kans.

Deze maansverduistering valt samen met een conjunctie van Jupiter en Venus. Ook deze was goed te zien en bij goed weer nog enkele ochtenden. De drie meest heldere objecten van ons zonnestelsel, afgezien dan van de zon, maken een theaterstuk. Het is feest aan de hemel!

Bij een eerdere bijna totale maansverduistering die in Nederland te zien was schreef ik een meer filosofisch stukje over de maan en over de bloedmaan. Ook schreef ik een keer over “de bloedzon

Geplaatst in Astronomie | Tags: , | 5 reacties

Nubië

De Nijl is de levensader van met name landen als Soedan en Egypte. Vanaf een bepaald punt in het huidige Egypte naar het zuiden waren er een aantal plaatsen met grote stroomversnellingen in de Nijl. Schepen konden daar niet zomaar verder varen. Op die plaatsen ontstonden nederzettingen en enkele daarvan werden tot  belangrijke steden in het zeer oude “Nubische rijk”. Dat rijk strekte zich uit vanaf die stroomversnellingen in het huidige Egypte  tot  en met een belangrijk deel van  het huidige Soedan. Hoewel er steeds een sterke relatie was met het noordelijke Egypte is het grotendeels een rijk geweest met een eigen cultuur: het rijk van de zwarte farao’s. In het Drents museum loopt er nog tot half mei een tentoonstelling over Nubië.

Alle objecten die je daar kunt zien komen uit Boston, waar de Amerikaanse archeoloog George Reisner (1867-1942) het naar toe liet verschepen. Hij had toestemming gekregen om van alles dat hij zou opgraven de helft te mogen mee nemen.

In het eerste deel van de tentoonstellingsruimte, gewijd aan het koninkrijk van Kerma, dat tussen 2500 tot 1550 voor Christus op een strategische plek langs de Nijl was gevestigd, is een grafveld van een koning te zien.

grafheuvelDe koningen lieten zichzelf boven op een bed leggen, omringd door bijgiften, maar ook te midden van mensenoffers en dierenoffers. Daarna werd er over dit alles een grafheuvel opgericht. Het schijnt dat er bij sommige grafheuvels meer dan honderd mensen en soms wel duizend dieren werden mee begraven. Wie waren die mensen die geofferd werden? We weten het niet. Was het een deel van de hofhouding die de overleden koning moest blijven dienen in het hiernamaals? Waren het slaven of krijgsgevangenen? Wat er aan voorwerpen is terug gevonden uit die tijd komt voor een groot deel uit deze grafheuvels.

menat-1380bc

Bovenstaand voorwerp is een bronzen menath, (amulet) die gemaakt is rond 1370 voor Christus. Hij is gevonden in een Egyptisch fort aan de grens van Egypte met Nubië. Het is een vruchtbaarheids-amulet. De bijbehorende vruchtbaarheidsgodin werd door de Nubiërs van de Egyptenaren overgenomen.

In het tweede deel van de expositie staat de zogeheten Napata-periode centraal, genoemd naar de stad die toen het centrum van het Nubische koninkrijk Koesj vormde. Nubische koningen veroverden vanaf 750 v.C. het noordelijke Egyptische Rijk, waarna tussen 714 en 665 v.C. vier zwarte farao’s over zowel Egypte als Nubië heersten. Zij afficheerden zichzelf als ‘Egyptischer dan de Egyptenaren’ en zorgden voor een heuse renaissance van de oude Egyptische cultuur. Nadat de Assyriërs Egypte binnenvielen, werden de Nubiërs teruggedrongen naar hun eigen gebied. Maar de koningen deden nog steeds of ze de heerser waren van zowel Egypte, het noordelijke rijk, als Nubië, het zuidelijke rijk. Dat s goed te zien op een standbeeld in de tentoonstelling.

standbeeldkoning-630bcAfgebeeld is een Nubische koning.  We zien boven zijn hoofd een dubbele Cobra, wat staat voor: heerser van beide rijken. Toen later Egyptenaren het gebied binnen vielen en dit soort beelden zagen hebben ze die uit woede kapot geslagen. Bij toeval zijn ze gehavend en wel  in een grote kuil terug gevonden en weer opgelapt.

bes-napata-730bcUit die tijd van de Napata cultuur stamt ook dit mooie beeldje van de God Bes, gemaakt van geglazuurd aardewerk. Hij moest als een soort huisgod  waken over het wel en het wee van een familie. Bes heeft het lichaam van een dwerg en een hoofd dat lijkt op dat van een leeuw. Deze beeldjes werden ook bijgezet bij een dode om zo in het hiernamaals als beschermer te kunnen blijven dienen.

stele-580bcOok dit bovenste deel van een zogenaamde stèle, een stenen beeld waarop een tekst en/of afbeelding is uitgehouwen, stamt uit deze tijd. Op het onderste deel van dit beeld, hier slechts voor een fractie afgebeeld, staat een toelichtende tekst . We zien feitelijk koning Aspelta rechts van een offertafel. Aan die offertafel zit Osiris, de god van het dodenrijk. Links van Osiris staat zijn vrouw Isis en helemaal links Anubis met de hondenkop die de doden naar het dodenrijk begeleidt.

isis-borstsieraad-530bcDit gouden borstsieraad van omstreeks 530 voor Christus stelt Isis voor. In haar uitgestrekte armen zien we een zeil en het Ankh symbool, samen staat dat voor de adem van het leven. Het sieraad werd vastgenaaid aan de omwindselen van een koningsmummie.

In het derde en laatste deel van de expositie staat Meroë centraal. Die Nubische stad aan de Nijl, iets ten noorden van Khartoem, was tot 350 na Christus de hoofdstad van Koesj. Er werd gehandeld in goud, ijzer, ivoor, ebbenhout, olifanten en slaven. Er was veel contact met niet alleen Egypte, dat toen al een hele tijd onderdeel was van het Romeinse rijk, maar ook met andere Mediterraanse gebieden.

hanglamp-150pcDeze relatie kunnen we terugzien als we kijken naar deze bronzen hanglamp, gemaakt omstreeks 150 na Christus. Dergelijke voorwerpen waren in die tijd algemeen in de gebieden rond de Middellandse zee. Maar het Meroïtische schrift op een embleem aan de bovenkant van de lamp wijst er op dat het in Nubië zelf is gemaakt.

De hele tentoonstelling is minder spectaculair dan die van het oude Iran die ik in het najaar zag. Maar het blijft indrukwekkend om aan de hand van originele voorwerpen, geplaatst in een toelichtende context, ondergedompeld te worden in een heel andere tijd. Tegenwoordig is Soedan een land met veel problemen. Er heerst een burgeroorlog en er is hongersnood. Toen was het een trots rijk, dat zelfs de veroveringsdrang van de Romeinen kon weerstaan. Deze tentoonstelling kan ik van harte aanbevelen!

Jona Lendering, die veel over de oudheid weet en van wie ik ooit een lezing mocht bijwonen schreef een aardig artikel over enkele andere stukken die te zien zijn in deze tentoonstelling.
https://mainzerbeobachter.com/2019/01/22/de-vijanden-van-nubie/

Geplaatst in Geschiedenis, kunst, recensie | Tags: , , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Sterren kijken

Eindelijk zijn er weer heldere luchten, en vooral heldere winterluchten maken dat het kijken naar de sterren zich weer wat meer loont. De nachten zijn nog steeds  lang en de sterren van de dierenriem bevinden zich ’s winters hoog aan de hemel. Jammer is wel dat op dit moment de maan roet in het eten gooit, hij is over enkele dagen weer vol en verlicht op dit moment de hemel van de avond en de vroege nacht behoorlijk. Over deze maan later meer.

skyglobeWat is er op dit moment te zien? Bovenstaand kaartje is een printscreen van het onvolprezen programma skyglobe. (Een ander mooi programma voor op je telefoon of tablet is Sky Map). Stel dat je vanavond zo rond een uur of negen op een donkere plek gaat staan dan kun je ondanks de heldere maan (MOO) toch nog wel aardig wat meer zien.

Orion en Sirius

In het ZO, nog vrij laag, staat de meest heldere ster die je überhaupt ooit kunt zien: Sirius, een witte, hete ster. In ons melkwegstelsel staat hij niet zo heel ver van onze zon af. Hij is een beetje groter dan onze zon. Sirius wordt ook wel de hond van de jager Orion genoemd. De sterren van dat sterrenbeeld, de Orion dus, zijn in dit deel van het jaar bijzonder goed te zien, ze staan een stuk hoger, ook in het  ZO. Twee van die sterren zijn qua afmeting erg groot en ook nog eens zeer helder: linksboven in de Orion staat Betelgeuze, een rode superreus, en rechtsonder staat Rigel, een blauwe reus. Betelgeuze is veel minder heet maar het is wel een van de allergrootste sterren in ons melkwegstelsel.

Orionnevel

Wat je ook niet kunt missen is het kleine rijtje van drie sterren binnen in de Orion. Daaronder bevindt zich de zogenaamde Orion-nevel, een plek in onze melkweg waar op dit moment allemaal nieuwe sterren worden geboren, een soort kikkerdril met sterren. (Twee paarse golfjes in het plaatje) Met een goede verrekijker moet deze nevel als een wazig vlekje te zien zijn.

Mars, Aldebaran, Capella, Castor en Pollux

Vrij hoog in het WZW staat Mars (MAR), daar kun je niet omheen. Hij is duidelijk te zien met een enigszins roodachtig schijnsel. Heel hoog in het zuiden, rechts van de maan, staat de grote rode reus Aldebaran van het sterrenbeeld Stier. Bijna recht boven je hoofd staat de heldere ster Capella van het sterrenbeeld voerman (Auriga). Hoog in het oosten zie je twee heldere sterren: de zogenaamde tweelingen (GEM) : Castor en Pollux. Pollux is ook een uitzonderlijk grote ster.

Poolster, Grote en Kleine Beer, Regulus, Wega

Recht naar het noorden, vrij hoog, zie je de poolster, en dat is tevens een van de sterren van de kleine beer. De sterren van de kleine beer zie je veel minder goed dan die van de grote beer die links van de kleine beer staat. Vrij laag in het oosten zie je Regulus van het sterrenbeeld leeuw (LEO) Heel laag in het NNW staat Wega van de lier, die je in de zomer meestal recht boven je hoofd ziet.

Andromeda nevel

Misschien dacht je deze avond toen je naar het westen keek: kijk daar staat de grote beer. Je ziet daar namelijk ook een steelpan, maar deze is veel groter. Je ziet niet de grote beer maar het zogenaamde Pegasus-vierkant met daaraan vast ook een steel. Die steel wijst op dit moment vanuit het westen richting het zenith. (Hoogste punt van de hemel.) En juist die steel is de beste manier om iets te kunnen vinden aan de hemel dat ik eigenlijk altijd als iets heel bijzonders ervaar: de Andromeda-nevel. Dat is een zwak wazig plekje dat je onder goede omstandigheden met het blote oog kunt zien maar ik denk dat je er toch beter een goede verrekijker bij kunt halen. Op het kaartje is het aangegeven met de afkorting AND. Feitelijk, omdat onze zon zich enigszins aan de rand van ons eigen melkwegstelsel bevindt, kunnen wij ook objecten zien die niet bij onze melkweg horen. En het enige van die zeer ver verwijderde buitenwereld dat je met het blote oog kunt zien is het meest dichtbijgelegen melkwegstelsel van de biljoenen die er feitelijk zijn, het zogenaamde Andromeda-melkwegstelsel.

Melkweg

Alles wat je verder aan de hemel ziet hoort bij ons eigen melkwegstelsel, en het is zelfs zo dat vrijwel alles wat je aan de hemel ziet zich bevindt in dezelfde arm van onze melkweg waar ook de zon met zijn planeten als aarde, mars enzovoort zich bevinden. Maar je kunt desondanks ook het centrale deel van de melkweg enigszins zien. Op bovenstaand kaartje is dat de grote blauwe band die je van NW tot ZO aan de hemel kunt zien. Hij is zichtbaar als een vage melkachtige band.  Vandaar de naam. Het gaat hierbij dus niet om een zogenaamd melkwegstelsel, maar om het centrale deel van ons eigen melkwegstelsel. Richt je je verrekijker op een bepaalde plek in die band, dan zie je dat het aantal sterren in die richting veel groter is dan in gebieden buiten deze band. Bij heel helder weer, midden in de nacht, en op afgelegen plaatsen met weinig vervuiling zoals op de Dwingelose heide, is het zien van deze band een spectaculair gezicht, ook met het blote oog.

Uranus

Wat is er nog meer te zien? Van alles, zoals de planeet Uranus (URA), hoog in het ZW. Ik heb hem pas een keer in mijn leven kunnen zien, met een kleine telescoop die ik ooit had. Hij staat veel te ver weg om met het blote oog te kunnen zien, in de oudheid en middeleeuwen heeft nooit niemand hem daarom gezien. Maar toch, als je hem dan een keer ziet en herkent als planeet is dat een sensatie. Toen hij voor het eerst met een telescoop werd waargenomen dacht men dat het een zwak sterretje was. Totdat in 1789 kwam vast te staan dat het om een planeet ging.

Dubbelsterren

Veel sterren zijn dubbelsterren, eigenlijk de meeste, en soms kun je de tweede ster ook goed zien. Bij dubbelsterren draaien er twee sterren om elkaar heen. Stel dat onze zon ook een dubbelster was geweest dan hadden we met twee zonnen te maken gehad, ook met twee zonsopgangen en twee ondergangen. Misschien zou het soms lange tijd nooit donker worden, andere tijden zou het juist veel lichter zijn als er twee zonnen schijnen. Dat is het geval bij de middelste ster van de steel van de steelpan van de Grote Beer.  Als je daar op een van zijn planeten zou zijn zou je dat dus meemaken. Goed te zien is deze dubbelster met een verrekijker.

Cassiopeia

Mijn oudste kleinzoon wil altijd het sterrenbeeld Cassiopeia zien. Dat is eigenlijk altijd, net als de grote beer, erg goed zichtbaar. De helderste sterren van dat sterrenbeeld vormen de letter W. Je kunt het nu  heel hoog richting zenith in het NW zien.

Maansverduistering

Over enkele dagen hoop ik ook een stukje te kunnen schrijven over de maansverduistering die er aanstaande maandag aan gaat komen. Met foto’s!

De constellatie zoals weergegeven op bovenstaande afbeelding zal de komende weken rond dezelfde tijd nog ongeveer hetzelfde zijn, dus ook als het wat meer bewolkt is dan kun je het de dag erna rustig weer gebruiken als basis voor observaties. Voor de vroege vogels:  in de ochtend rond een uur of zeven kun je niet om de conjunctie heen van de twee helderste planeten van ons zonnestelsel: Venus en Jupiter. Vooral Venus is superhelder. Dinsdag 22 januari vormen ze een echte conjunctie, dan staan ze pal bij elkaar. Hieronder enkele foto’s van deze ochtend om kwart voor zeven. Mooi hoe je op beide foto’s zelfs de weerschijn in het water van Venus kunt zien, zo helder is deze planeet. Op de tweede foto zie je rechts boven nog net de ster Spica.

venus-jupiter

venus-jupiter3

Geplaatst in Astronomie | 2 reacties

De moderne Christen

de wereld voor god

Hierboven zie je de enigszins verfrommelde kaft van een boek dat ik enkele maanden geleden kocht: “De wereld vóór God”  van Kees Alders. Ik heb het boek inmiddels twee keer gelezen. Het boek gaat over filosofie in de oudheid. In de loop van het boek blikt de auteur vaak terug en maakt hij vergelijkingen en samenvattingen. Ook blikt hij soms vooruit. Zo blijf je bij de les. In de laatste hoofdstukken probeert hij vooral te onderzoeken wat we kunnen leren van die oude filosofen. Ook geeft hij voorzichtig aan welke manier van denken het beste bij hem zelf past. Alders geeft aan geen echte wetenschapper te zijn maar meer een schrijver. Dan kun je je dat veroorloven, een eigen mening hebben, en dat prijs ik in zijn boek. Tot die laatste hoofdstukken krijg je desondanks het gevoel dat hij objectief probeert te zijn. Maar dan komen er toch een paar persoonlijke meningen. Zo lees je tussen de regels door dat hij niet veel op heeft met de grote monotheïstische godsdiensten: jodendom, christendom en islam. Letterlijk schrijft hij in een van de laatste hoofdstukken:

En de God van de joden, de christenen en de islam? Hoe staat het daar ondertussen mee? Die uit zich als een ontevreden God, die zich mopperend over de schepping buigt. Hij raast en tiert, deelt straffen uit, laat de zaak kwistig een keer onder water lopen om helemaal opnieuw te kunnen beginnen, en beoordeelt de mensen streng op hun gedragingen. Menselijke emoties als angst en verdriet zijn deze God dan wel vreemd, toch lijkt hij vaak genoeg slachtoffer van verbazing of in ieder geval woede. Vreemde emoties voor een macht die de touwtjes in handen heeft van al wat is! De gemiddelde stoïcijn, die zich door deze emoties niet van zijn stuk laat brengen, leidt misschien wel een goddelijker leven. De vraag naar hoe het mogelijk kan zijn dat een almachtige en goede God een wereld kan scheppen waarin zich kwaad bevindt, heeft dan ook veel kerkelijke denkers bezig gehouden. Makkelijk te verklaren is het allemaal niet, en om er toch kaas van te maken wrongen ze zich vaak in de raarste bochten.

Ook ik denk na over wat ik nu van al die filosofen vind en of het mijn denken heeft beïnvloed. En wat vind ik zelf van die monotheïstische godsdiensten? Deze hebben inderdaad geleid tot een aantal zaken die niet echt positief te noemen zijn. De Griekse filosofen hielden zich aanvankelijk vooral bezig met vraagstukken over begin en einde, de oorzaak van alles, de samenhang der dingen. Plato vertaalde dit soort inzichten op politiek gebied, hij schreef over staatsinrichting en over wetten. De filosofie ging toen pas regels maken, hoe dient de mens te leven. Joden, christenen en moslims hebben deze techniek tot in de finesses onder de knie weten te krijgen. Om te beginnen hadden zij als hoofdwet: er is maar één goede godsdienst, dat is de onze. Verder: er is maar één god en wie ook andere goden denkt te kunnen aanbidden zit helemaal fout. Daarna ontwikkelden ze een aantal strikte regels waar iedereen zich aan diende te houden. Zit het niet mee in je leven: geen nood, er is een leven na de dood. Kort door de bocht zijn dat de voornaamste zaken waarmee deze godsdiensten zich wisten te profileren.

Joden, christenen en moslims beroepen zich nog steeds op hun heilige boeken. Voor mijn verdere verhaal richt ik me nu echter alleen op het heilige boek van de christenen, de bijbel. Dat die er niet altijd hetzelfde heeft uitgezien, dat veel dingen zijn weggelaten of pas eeuwen later toegevoegd, dat doet er voor de meer orthodoxe christenen niet toe: het is het woord van God, punt. De interpretatie van die teksten daar kun je gelukkig nog alle kanten mee uit. Al in de eerste eeuwen van onze jaartelling zagen gnostische christenen de teksten vooral symbolisch, bijna alles kon je beter niet letterlijk beschouwen. Toen de kerkelijke hiërarchie begon te ontstaan werd deze manier van tegen de dingen aankijken al snel in de ban gedaan. Hier kon je geen leerstellingen en kerkelijke wetten op bouwen. De tekst van de bijbel was door God gegeven en daar kon je niet zomaar een draai aan geven. Bijbelteksten die niet goed in het kerkelijke plaatje pasten werden er uit gegooid, er werd nog wat gesleuteld aan bestaande teksten en er kwamen er nog wat bij: voilá: de kerk had een bijbel en een wetboek in een. Helaas, je kon er nog steeds alle kanten mee op en de scheuringen en afsplitsingen zijn tot bijna op de dag van vandaag doorgegaan. Ja maar het is toch vooral een moreel handboek, een boek vol inspiratie? Ja maar zonder dat je je er aan hoeft te houden. Kapitalisme en consumptiemaatschappij, het kwellen van vee en het verpesten van de bodem: onze christelijke boeren van het CDA en hun verdere kerkelijke achterban eisen dat dat door blijft gaan. Intussen gaan ze vroom elke zondag naar de kerk.

Is er dan niets goeds aan de bijbel of aan de christelijke riten? Ja zeker en ik vind het wanneer je alleen maar aan de negatieve dingen aandacht geeft te kort door de bocht. Er zijn namelijk heel veel waardevolle dingen die het christendom heeft opgeleverd. Er zijn altijd veel mensen geweest die inspiratie hebben weten te putten uit deze bijbel en door hun levenswijze een voorbeeldfunctie hebben weten te geven aan anderen. Ik denk aan bijvoorbeeld de Heilige Franciscus. Ook zijn er kunstenaars geweest die niet alleen om den brode hun kerkelijke kunstwerken maakten, maar die werkelijk door de bijbel waren geïnspireerd en iets van deze inspiratie wisten over te brengen op anderen. Ik schreef al over Jan van Steffeswert, maar ook kunstenaars als Stefan Lochner of Geertgen tot Sint Jans reken ik tot kunstenaars die in ieder geval mij weten te inspireren.

stefan lochner

detail uit de aanbidding door de wijzen, Stefan Lochner, 1440, dom van Keulen. Als je hier vlak bij staat is het ontroerend om te zien hoe de wijze contact lijkt te maken met de baby en tot de conclusie komt: ja, dit moet hem zijn!

Je hebt natuurlijk ook al die geweldige componisten. Om te beginnen is er Johan Sebastiaan Bach, die tot in zijn diepste vezels de bijbel als inspiratiebron wist te gebruiken en zo nog steeds ook niet-christenen daarmee weet te inspireren. En dan zie ik ook dat er veel christelijke gemeenschappen zijn waarbij de gemeenteleden elkaar weten te steunen in geval van nood. Dat wat vroeger de echte burenhulp was. In mijn dorp was er een sluitend systeem van afspraken waardoor niemand buiten de boot zou komen te vallen: de “noaberhulp”. Iets minder misschien dan toen, maar dergelijke dingen bestaan nog steeds.

Hoe zit het met de riten? Met de christelijke dienst van protestanten heb ik niets. De gezangen vind ik zelden inspirerend, de teksten of preek kunnen je een enkele keer aan het denken zetten, maar de verdere riten, daar heb ik echt helemaal niets mee. Soms volg ik een katholieke dienst in de Onze Lieve Vrouwebasiliek in Maastricht. Waar ik als kind totaal niet snapte waar het over ging, werd ik toch toen al geraakt door de geheimzinnige gebruiken en de Latijnse spreuken. De Hoogmis die daar tegenwoordig op zondag is verloopt nog steeds als vroeger. De gebeden worden volgens de Gregoriaanse traditie gezongen. Ook hanteren ze er nog alle gebruiken uit de tijd dat ik zelf misdienaar was. Ik zie nu pas dat al die gebeden en rituelen een functie hebben. Voordat het evangelie wordt gelezen loopt de priester met een wierookvat rond het boek en bewierookt het. Uit eerbied voor de heilige teksten. Zoals mijn moeder vroeger een kruisje maakte op de achterkant van het brood voordat het aangesneden werd. De Gregoriaanse gezangen, die vooral draaien om gezamenlijk ademhalen, lijken als uit een mond samen te komen in de ruimte, ze reiken naar de allerhoogste, het is prachtig! Ook herken ik weer van vroeger het bidden, het helemaal in jezelf verzinken en het denken aan mensen die het niet goed hebben en die het beter zouden moeten hebben, het denken aan je naasten, aan ziekte en dood. Dat alles kan een mens goed doen en tot troost zijn. En al de mensen die een kaarsje aansteken en vervolgens vijf minuten met de ogen dicht geknield voor een Mariabeeld blijven zitten: ik begrijp het en vind het een prachtig ritueel waar ik respect voor heb.

Hoe is het christendom kunnen verworden van een inspirerende godsdienst tot een wetgevende, oordelende godsdienst? Het begon ermee dat christenen niet-christenen veroordeelden. De christenen aanbaden de ene ware god. Andere vormen van godsdienst werden niet getolereerd. Deze koppige houding zorgde voor veel weerstand, de eerste martelaars waren daarmee een feit. Maar deze christenen begonnen zich goed te organiseren en een soort hiërarchische structuur te creëren. Keizer Constantijn begreep dat hij die goed kon gebruiken in zijn Romeinse staat. Het christendom werd een staatsgodsdienst. Die er later met geweld nog steviger werd ingeramd door Karel de Grote. Ook de kruisvaarders deden hier lustig een potje aan mee. En deze hiërarchie leidde tot de opbouw van macht. Er begonnen dingen te ontstaan die compleet in strijd waren met de oorspronkelijke opzet. Het monster van de wetgevende kerk was geboren. Onderaan in de hiërarchie stond de slaaf, de boer, de werkman die gehoorzaam, zoals het toch ook in de bijbel stond, zijn meerdere moest erkennen in de grootgrondbezitter, de graaf, de koning, de bisschop, de paus. En die zich verder vooral suf moest werken. Later na zijn dood zou het gelukkig goed komen: de eersten zullen de laatsten zijn en omgekeerd.

Desondanks bleef de bijbel gedurende de eeuwen heen een inspirerend boek. Kan het dat nog steeds zijn, ook als het de regels en kerkelijke wetgeving weet los te laten? Ik denk het wel maar het vergt veel zelfdiscipline van de mensen. Eigenlijk al de goede dingen die de kerk biedt kunnen ook bereikt worden zonder de kerk en zijn regels. Er zijn steeds meer initiatieven om alleenstaanden en ouderen te betrekken bij het maatschappelijk leven, om nieuwkomers een warm onthaal te geven, om mantelzorg in te bedden in de samenleving. Los van welke godsdienst dan ook. Mensen die vooruit denken, die zorgen dat deze aarde niet naar de verdoemenis gaat, dat zijn niet alleen de mensen van de ChristenUnie maar ook mensen van Groen Links. Je hebt daar niet een godsdienst voor nodig. Maar bijbelse inspiratie kan helpen. Zolang christenen maar niet denken dat zij het enige ware geloof belijden en zich niet blind staren op wazige bijbelteksten, zolang zij geen schijnregels over homofilie uit de bijbel denken te kunnen halen, zolang zij vooral de belangrijkste regel in acht houden: liefde voor elk medemens en voor onze leefwereld. Dan wordt het christendom opeens een waardevolle filosofie als een van de vele, zoals die ook al in de oudheid zijn aanhangers kende. Socrates zei 425 BC: De mens dient geen onderscheid te maken tussen rangen en standen. In ieder mens is de kennis van het goed al aanwezig . Epicurus zei 300 BC: Het ware genot is een gematigd genot. Streven naar luxe brengt ongeluk. Ook angst voor de dood of angst voor de goden is onzinnig. Niets is voorbeschikt. Alle mensen zijn gelijk aan elkaar, ook slaven en vrouwen. Vriendschap is een van de belangrijkste dingen in het leven. In de vroege Stoa, rond 275 voor Christus, zei Zeno: De wereld wordt geleid door natuurwetten. Alles wat gebeurt heeft invloed op ons leven. Iedereen is onlosmakelijk verbonden met de kosmos. Werkelijk geluk wordt bereikt als je je weet te richten op de wetten van de natuur.

Al dit soort filosofieën kan makkelijk ook binnen een aantal godsdiensten worden toegepast. Soefisten zijn mensen met een levenshouding die het goede en sociale nastreeft, maar elke soefist mag ook de rite die bij een bepaalde godsdienst hoort volgen. Veel soefisten zijn moslim of christen, maar zij zijn nooit dogmatisch, het zijn geen mensen die de koran of de bijbel als een wetboek hanteren.

Terug kijkend op het boek en al de gedachten van al die filosofen wordt het me duidelijk dat er een kentering in het denken moet komen. De mens is afgedwaald van de dingen waar het echt om draait. Respect voor je naaste en voor je omgeving. Dat laatste kunnen we alleen maar bereiken door een flinke stap terug te doen, we zullen de kapitalistische consumptiemaatschappij vaarwel moeten zeggen. Zowel in de top van de politiek als onderaan bij de gele hesjes is dat nog niet doorgedrongen. Het klimaatakkoord in Nederland, een van de weinige hoopgevende dingen in deze tijd, wordt weer op de schop gezet. En het eerste: liefde voor je medemens, ook daar is weinig van terug te vinden vanuit de politiek. Maar we kunnen wel al deze dingen toepassen in onze eigen kleine omgeving. Iedereen kan er iets aan doen op zijn manier. Daar ligt denk ik de hoop voor de toekomst. Ook de christen van nu, de moderne christen, kan in alle bescheidenheid zijn bijdrage leveren.

Wat is nu de visie van Kees Alders, de schrijver van het boek? Van welke filosofische richting in de oudheid heeft hij het meeste geleerd, bij welke gedachten voelt hij zich het meeste thuis? Heel voorzichtig doet hij daarover enkele uitspraken. Hij zelf heeft het nauwelijks over het jodendom, christendom of over de islam. Het boek gaat immers over de wereld vóór God. Maar als je over ook zijn eigen mening meer wilt weten kun je het beste het boek zelf lezen. Maar lees het vooral om zijn heldere uiteenzettingen van wat de oude filosofen dachten.

Petrarca (veertiende eeuw) en Rubens (zeventiende eeuw) waren christen. Maar tegelijk had Petrarca naast werken van Augustinus ook altijd werken van Cicero in zijn reistas bij zich. Rubens haalde zijn levenskracht niet zozeer uit de bijbel maar voor een groot deel uit de filosofische houding van de Stoïcijnen en Seneca. Ik begrijp hen door het lezen van dit boek beter. Dat alleen al maakt het boek voor mij waardevol.

De wereld vóór God
Auteur: C.J. Alders
Uitgever: Klokwerk-Design

  • Nederlands
  • 1e druk
  • 9789082930115
  • november 2018
  • ook als E-book
  • 392 pagina’s
  • EPUB met digitaal watermerk
Geplaatst in filosofie, maatschappij, recensie | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Vakjes

Mijn oudste kleinzoon was als baby al verzot op vooral geometrische figuren. Hij kon nog niet echt praten, alle woorden bestonden uit slechts een lettergreep en vooral zijn moeder wist bijna altijd precies wat hij bedoelde. Zo liep ik met hem op schoot de trap af en opeens zag hij iets: ‘Mah! Mah!’ Wat zou hij in gods naam bedoelen. Hij keek naar een foto waar enkele van mijn vrienden op stonden, lopend in de polder. Opeens bij ingeving begreep ik het. Heel minuscuul op de achtergrond stond er een electriciteitsmast op die foto. Dat integreerde hem, de rest interesseerde hem eigenlijk niet. ‘Mah’ was mast. In die tijd wilde hij van alles weten hoe het heette. Hij keek of wees naar iets en zei dan vragend: ‘Ja?’ Dat ging zo voortdurend door en ook dingen waarvan je zonet de naam gegeven had, hij wilde minstens twee keer weten hoe het heette.

Achteraf was hij toen al bezig met alles in een vakje te plaatsen. En in elk vakje zit niet alleen een ding, daarin zit alles wat er die dag op dat moment in die situatie ook nog gebeurde. Zo is er het vakje: “voor de eerste keer met opa en oma met de metro naar Rotterdam”. Hij vond het doodeng, moest huilen en zat te trillen op je schoot. Na een half jaar probeerden we het weer: van te voren was hij al panisch en het maakte dus niet uit. Metro met opa en of oma zit in het vakje “eng”. Nu is hij met diezelfde metro enkele keren met zijn moeder mee geweest. Hij vond het leuk! Dus ik dacht, kom ik probeer het ook nog eens. Weer dezelfde panische angst en ik heb het dus niet gedaan. Zo is er ook het vakje: “mama zingt”. Wat er ooit misgegaan is, ik weet het niet, maar mama mag niet zingen. Boosheid, huilen, ga maar door. Als ik of oma zing is er niets aan de hand. De situatie en plek is anders dus het vakje is anders, dus zingen is geen probleem. Het is heel moeilijk om die gevulde vakjes open te maken en aan te passen. Zijn moeder is het uiteindelijk met veel praten en liefdevol contact gelukt: ze mag weer zingen!

maan-in-vakje
Gelukkig zijn er ook leuke, ongevaarlijke vakjes. De film op youtube waar hij op dit moment het meest verzot op is, dat is een film die begint bij een avondscene met krekels en een maan. Dan wordt de maan omkaderd, (een vakje) er wordt een pijltje boven getrokken met de grootte van de doorsnede van de maan. Intussen zie je heel veel vakjes die laten zien hoe groot alles is. En de Maan wordt na eerst vergeleken te zijn met kleinere objecten daarna vergeleken met grotere objecten. Voor mij maakte hij een tekening waarbij hij helemaal links zich zelf tekent, dan komt de Eiffeltoren, dan een toren in Dubai, dan komt de asteroïde Ceres, dan Pluto, dan de maan, en dan nog een stukje van Mars. Alles wordt steeds groter. De tekening stikt van de vakjes. In de film gaat het door tot de grootste bekende ster, UY Scuti. Ook deze bevindt zich in de film in een veld met nu ontzettend grote vierkantjes. Hé! Bij opa en oma hebben ze een tegelvloer. Dát zijn pas mooie vakjes! In het midden legt hij een rood balletje. UY Scuti is immers een rode superreus, zoals een dergelijke ster genoemd wordt. ‘Kijk opa, daar ligt UY Scuti’.

uy-scuti

Geplaatst in kleinzoon, pedagogiek en onderwijs | Tags: | Plaats een reactie

Jan van Steffeswert

bonnefanten

Het Bonnefantenmuseum van Maastricht heeft naast een collectie moderne kunst vooral ook een grote collectie middeleeuwse kunst. Meerdere zalen met vooral veel houten beelden uit de vijftiende en zestiende eeuw vallen daarbij op. De meeste kunstenaars van die werken zijn anoniem, maar van een van de meest prominente weten we wel zijn naam. Het gaat dan om Jan van Steffeswert, die “beeldensnider” was in de eerste decennia van de zestiende eeuw in Maastricht. Hij signeerde veel van zijn werken, soms ook met Jan van Weerd of kortweg Ian. Daarnaast heeft hij op de meeste werken zijn meesterteken geplaatst. Niet alles is gesigneerd of heeft zijn meesterteken, maar door stijlvergelijking is men tot de conclusie gekomen dat bepaalde werken ook uit zijn atelier stammen. Hij heeft gewoond en gewerkt in de Mariastraat in Maastricht. De Mariastraat komt uit bij de voormalige Augustijnenkerk. Deze barokkerk is gebouwd op de plaats waar eerder de Maria ten Oevere kapel stond. Naar deze kapel is de straat genoemd. De kapel is in 1610 afgebroken. We bevinden ons daar in een mooi oud, intiem deel van Maastricht. Het huis waar hij gewoond heeft staat er niet meer en het is ook is niet bekend waar in die straat zijn huis met atelier gestaan heeft.

Op veel plaatsen in en rond Maastricht, o.a. in Aken, zijn werken van Jan van Steffeswert te vinden. Maar ook in veel musea: zelfs in Londen, New York, Kiev, Brussel en Luik staat werk van hem. Waar maakte hij dat werk voor? Dat is lang niet altijd terug te vinden. We weten dat hij voor het Kruisherenklooster minstens vier beelden heeft gemaakt, maar bij de opdracht werd niet vermeld wie er uitgebeeld moest worden. Ook maakte hij werk voor het Catharina gasthuis of de abdijkerk van Meerssen. Daarnaast weten we dat hij complete altaarretabels heeft gemaakt, en kruisigingsscenes. In het Bonnefantenmuseum staat een prachtig kruisbeeld door hem gemaakt, van de altaarretabels is tot nu toe nog niets terug gevonden.

De tijd van Jan van Steffeswert was een roerige tijd. Gelukkig heeft hij niet meer de beeldenstorm van 1566 meegemaakt, toen alles in Maria ten Oevere kort en klein is geslagen. Misschien ook is daar toen werk van hem vernield. En er zijn meer kerken en kloosters waar het toen mis ging, zoals in het Dominicanen klooster. Maar er zijn kronieken bekend die het een en ander ook van onlusten in zijn eigen tijd beschrijven. Zo waren er bendes. Een bende uit Luik overviel Sint Geertruid en Eckelrade in 1491 op oudjaarsavond. De koster werd gedood en alles van waarde uit de kerken werd meegenomen. Vervolgens stichten ze brand in de omliggende huizen en namen inwoners gevangen. Op vastenavond van het jaar daarna waren ze er weer, nu in Daelhem, Voeren en andere dorpen. Een van de rovers bleek de burggraaf van Montfort. De daders werden nu na hun rooftocht door een grote groep achtervolgd en vier hoge heren werden daarbij gedood. Ook hertog Karel van Gelre plunderde bij zijn doortocht Maastricht waarbij meerdere huizen van Maastricht in brand werden gestoken. Jan van Steffeswert zal toen meer dan 22 jaar zijn geweest, dat kunnen we afleiden uit het feit dat hij in 1508 een 18 jarige dochter had, en hij zelf zal bij haar geboorte toch al gauw 20 jaar of ouder zijn geweest. Waar hij toen woonde is niet zeker, we weten met zekerheid dat hij in Maastricht woonde in 1499. Maar het is zeer waarschijnlijk dat hij er toen al een hele tijd woonde, want hij zal in deze stad ook zijn opgeleid tot beeldhouwer. Wat was er nog meer aan de hand in die tijd? Natuurrampen. In 1504 was er op Bartholomaeusavond (24 augustus) een aardbeving waardoor veel inwoners van Maastricht hun huizen ontvluchtten. Er was behoorlijk wat schade. In 1505 was er veel wateroverlast, vooral vanuit de Jeker. In 1507 waren er in augustus enkele onweersbuien waarbij hagelstenen zo groot als kippeneieren uit de lucht vielen. Overlast door soldaten en plunderingen heeft hij ook nog meegemaakt. In 1507 was er een doortocht van 3000 Franse soldaten door Maastricht waarbij het er ook niet helemaal zachtzinnig aan toe ging. In 1508 heerste er een besmettelijke ziekte waardoor vooral veel kinderen overleden. De ziekte heerste van mei tot Kerstmis.

Van wie weten we al deze dingen? Er is een kroniek van Maastricht en omstreken die tachtig bladzijden beslaat. Hij begint in 1266 en eindigt in 1517. De schrijver is onbekend. Deze lijkt de gebeurtenissen zeker vanaf 1480 uit eigen waarneming te hebben genoteerd. In 1580 maakt kanunnik Simon Bellomonte prachtige tekeningen van allerlei objecten in Maastricht. Kanunniken hadden veel vrije tijd en ze konden leven van wat het kapittel opbracht aan allerlei inkomsten. Misschien was het ook nu een kanunnik die te veel tijd had. In het Bonnefanten museum hangt een schilderij van Evert Zoudenbalch, proost van de Servaas. Het schilderij is gemaakt tussen 1500 en 1510.

portret kanunnik

In die tijd woonden de proosten op een vaste plek, de proosdij van Maastricht. (In eerdere eeuwen was de proost van de Servaas vaak een nevenbaantje van een aanzienlijk iemand als de aartsbisschop van Mainz) Jan van Steffeswert zal hem vast wel eens zijn tegengekomen. Misschien dat hij of een van zijn kanunniken de schrijver was van de kroniek. Alleen al bij de processies waar deze heren altijd helemaal achteraan liepen kon je ze zien.

Al dat soort dingen zoals we kunnen lezen in deze kroniek zal ook in het atelier van Jan in de Mariastraat het gesprek van de dag zijn geweest. Maar meester in het beelden snijden betekende verder gewoon hard werken, contracten sluiten, op reis gaan naar opdrachtgevers en locaties bekijken, hout bestellen, leerlingen opleiden of overleg voeren met de schilder die alle sculpturen af moest maken. Waarschijnlijk heeft hij zelf trouwens geen enkel beeldhouwwerk geschilderd. Dat was een apart beroep. Het maken van verf alleen al was een hele kunst. Zo gezegd had hij ook gezellen in zijn werkplaats. Dat weten we doordat er een proces geweest is tegen een van zijn leerlingen die vertrok nog voordat zijn contract was afgelopen. En uit een ander proces waar hij een vat rogge moest betalen wegens het verwekken van een kind bij een ander weten we dat hij waarschijnlijk ook een schuinsmarcheerder was. In de Mariastraat woonde trouwens nog een “bildensnider”, misschien een familielid? We weten dat er in zijn tijd minimaal drie meesterbeeldhouwers waren in Maastricht, onder wie dus Jan van Steffeswert.

Veertien werken die zijn achterhaald zijn door Jan van Steffeswert gesigneerd. Nog een aantal dragen zijn meesterteken. En van nog een nog groter aantal wordt door kunstkenners aangenomen dat hij de maker was. Tien van zijn sculpturen, waaronder vier gesigneerde, bevinden zich in het Bonnefanten museum. Alleen al daarom is een bezoek aan dat museum de moeite waard. Want het zijn stuk voor stuk prachtige beelden. Jammer dat de polychromie bij de meeste beelden verdwenen is. Bij enkele beelden is er nog aardig wat van te zien. Twee objecten wil ik hier laten zien en toelichten. Beide werken zijn niet gesigneerd maar wel aan hem toegeschreven.

anna-te-drieen-voor

anna-te-drieen-achter

“Anna te drieën” was een bijzonder populair onderwerp in die tijd waar in kerken veel vraag naar was. We zien drie generaties bij elkaar: grootmoeder Anna, moeder Maria en het kindje Jezus. Kenmerkend voor Jan van Steffeswert is de manier waarop hij Anna laat zitten (zie achterkant), die kennen we ook van andere objecten. Dat was een van de aanwijzingen dat het werk door hem gemaakt zou kunnen zijn. Maar ook andere details schijnen er op te wijzen. Ook maakte Jan van Steffeswert veel sculpturen waar je om heen kon lopen, dus ook de achterkant was uitgewerkt, zelfs als het beeld tegen een wand of pilaar werd geplaatst. Ook dat is hier het geval. Het gaat om een relatief vroeg werk, het wordt gedateerd rond 1500 en is gemaakt van notenhout. Mooi is de houding van Maria, ze leunt enigszins naar voren en staat een beetje op haar voorvoet, zoals je vooral heel goed kunt zien als je de achterkant bekijkt. Ze leunt voorover om Jezus zijn kommetje pap te kunnen aanbieden. Ze houdt het kommetje zo schuin dat de pap er al bijna overheen loopt. Daarmee maakt ze van het tafereel iets heel menselijks. Maria zou zo je eigen moeder kunnen zijn. Je ziet in haar de vrouw die je kon aanroepen om als bemiddelaar te dienen tussen jou en God, ze staat letterlijk heel dicht bij ons.

kruisbeeld

kruisbeeld-detail

Jezus aan het kruis. Ook dit is een zeer menselijk uitgebeeld werk. Nu zien we niet het lieflijke beeld van oma met haar kleinkind rond Maria, maar we zien het smartelijke einde van het lijdensverhaal. De tijd van Jan van Steffeswert is een tijd dat de biddende mens met kracht herinnerd moest worden aan dit moment. De kerk heeft het zwaar te verduren. Niet voor niets leefde Jan van Steffeswert ook in de tijd van de reformatie. We zien deze smartelijke manier van weergeven bij veel kunstenaars uit die tijd. Maar zelden zo krachtig als dat Jan van Steffeswert het uitbeeldt. Het hoort voor mij eigenlijk niet in een museum te staan, maar in een devotieruimte. Het heeft nog steeds de kracht van de maker. Jammer genoeg weten we niet waar het gehangen heeft. Het zou een van de opdrachten geweest kunnen zijn die hij kreeg uit een van de omliggende gemeenten, of van het Catharina gasthuis waar hij ook meer werken voor maakte of zoals gezegd voor het kruisherenklooster, waar in de archieven zijn naam meermaals voorkomt. In 1509 heeft hij een geschil met een schilder omtrent de betaling van een crucifix. Het zou heel goed kunnen gaan om het beeld dat je hier ziet. Dendrologisch wordt het namelijk gedateerd tussen 1505 en 1510. Het beeld is gemaakt van notenhout.

In het Bonnefantenmuseum is een grote ruimte met de collectie Neutelings. Deze verzameling bestaat uit bijna tweehonderd laatmiddeleeuwse kunstvoorwerpen van bijzondere kwaliteit en diversiteit. Behalve veel beeldhouwkunst zien we ook veel kunstnijverheid. We zien complete retabels of retabelfragmenten uit Antwerpen, Brussel, Mechelen en het Rijngebied. Houten, stenen, marmeren en albasten beelden uit onder meer Duitsland, België en Frankrijk vullen deze reeks aan. De verzameling kunstnijverheid wordt gevormd door Maaslands geelgieterswerk of brons uit de twaalfde eeuw, kleine ivoren diptieken of tweeluikjes uit de veertiende eeuw en email uit Limoges. Deze hele verzameling was een geschenk van de in 1996 overleden kunstverzamelaar Neutelings.

Samen met de eigen kunst van het Bonnefanten uit die tijd profileert het museum zich hierdoor nog meer als een museum van middeleeuwse kunst. Het museum heeft daarnaast een relatief kleine verzameling kunst vanaf de renaissance tot 1950. Steeds groter wordt de verzameling moderne kunst van nog later. met enkele aansprekende werken van internationaal bekende kunstenaars als Sol Lewitt naast ook werk van regionale kunstenaars als Ted Noten.

Literatuur:

  • Chronijk van Maestricht en omstreken, anoniem, opnieuw genoteerd door Jos Habets. Publications de la Société d’Archéologie dans le duché de Limbourg, 1864.
  • De Maastrichtse beeldsnijder Jan van Steffeswert, door P.J. te Poel en Th.J. van Rensch. Publications de la Société historique et archéologique dans le Limbourg, 1992
  • Bonnefantenmuseum, collectie Middeleeuws houtsnijwerk (verkrijgbaar in het museum)
  • Bonnefantenmuseum, collectie Neutelings (verkrijgbaar in het museum)
Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , | 6 reacties

Sint Sebastiaan

In Gent is er een Sebastiaangilde dat nog steeds boogschutterswedstrijden organiseert. De heilige Sebastiaan is de patroonheilige van de boogschutters. Als Romeins soldaat die Christen bleek te zijn is hij in de derde eeuw na Christus de marteldood gestorven. Hij werd doorzeefd met pijlen. Toen hij dat overleefd bleek te hebben werd hij dood geknuppeld.
Sebastiaan is een heilige die ook bekend staat als een van de noodhelpers die net als de heilige Rochus vooral bij een uitbraak van de pest werd aangeroepen. Dit omdat in Psalm 91,05 staat: “U hebt niets te duchten: noch de verschrikkingen van de nacht, noch de pijl die vliegt overdag.” De pijl werd symbool voor de ziekte die – naar men geloofde – door engelen, of door God zelf, op de mensen werd afgestuurd.
Kunstenaars, vooral in de renaissance, konden legitiem mannelijk naakt uitbeelden door Sebastiaan te schilderen of, zeldzamer, een beeldhouwwerk van deze heilige te maken. Sebastiaan onderging zijn lot blijmoedig, maar om er zo als een dandy bij te gaan staan als je met pijlen doorboord wordt als op bijna alle schilderijen of sculpturen…..

In 1470 schilderde Mantegna, hofschilder in Mantua, Sebastiaan. Het schilderij bevindt zich op dit moment in het Kunsthistorisches museum van Wenen. Mantegna was getrouwd met een dochter van de Venetiaanse kunstenaar Bellini. Deze Bellini maakte 17 jaar later ook een schilderij van de martelaar. Te zien in de Galleria d’Academia in Venetië. In diezelfde tijd, zo tussen 1480 en 1485, sneed Arnt van Kalkar in eikenhout een beeld van 1 meter 25 hoog, met daarop Sebastiaan.

sebastiaan-mantegna 1470

Het schilderij van Mantegna is misschien nog het meest dramatisch van deze drie kunstwerken. Dat Sebastiaan een Romeinse soldaat was zien we aan de achtergrond, een Romeinse tempel. We zien maar liefst zeven pijlen die zijn lichaam doorboord hebben, waaronder een zeer pijnlijke die in zijn hals is binnengedrongen en er weer door zijn voorhoofd uitkomt. Het lijkt wel of de schutters op verschillende punten rondom Sebastiaan stonden, de pijlen zijn allemaal vanuit verschillende hoeken in zijn lichaam terecht gekomen. Desondanks laat hij vooral zijn bevallige figuur zien. En misschien vooral nadrukkelijk, zoals het verhaal dan ook gaat: ‘jullie pijlen deren me niet’.

sebastiaan-bellini 1487

Het werk van Bellini, de schoonvader van Mantegna, is nauwelijks dramatisch te noemen. De handen van Sebastiaan zijn op zijn rug gebonden. Verder lijkt hij zo weg te kunnen wandelen als hij dat zou willen, maar nee, hij staat daar best lekker. De schutter staat waarschijnlijk recht voor hem, Sebastiaan heeft twee pijlen in zijn lichaam, die hem niet lijken te deren. Maar wat nog vreemder is: Naast en achter hem staan een dominicaner monnik en een bisschop. Dat maakt dat deze afbeelding historisch gezien in een verkeerde context staat. Het lijkt wel of hij de doodstraf heeft gekregen en dat deze geestelijken voor hem bidden. Dominicanen waren er uiteraard al helemaal niet, die orde bestaat pas sinds de dertiende eeuw. Hij werd gedood omdat hij Christen was. Daar zal zeker geen bisschop of Dominicaan bij zijn geweest. Na twee pijlen lijkt hij nog nauwelijks ergens last van te hebben. Tot ergernis van de opdrachtgevers. Komen de volgende pijlen niet per ongeluk bij een van de priesters terecht? Vreemd.. Maar, Bellini kon prachtig schilderen. Vooral zijn kleurgebruik werd in die tijd al zeer geroemd. Het is duidelijk dat het hem uitsluitend om de schoonheid van het schilderij en de hoofdpersonen ging. Hij was een echte renaissanceschilder. Dramatiek, zoals we dat vooral in de barok gaan zien, vond hij niet zo belangrijk.

sebastiaan-meester-arnt

En dan komen we bij het beeldhouwwerk van meester Arnt. Ook hier staat Sebastiaan er bevallig bij. ‘Kom maar op met je pijlen!’ Vooral doordat hij zijn linkerbeen over zijn rechterbeen heeft gekruist. En hij heeft een mooi figuur, met een smalle taille en sterke armen. Ook zijn haardos mag er zijn. Hij is stevig vastgebonden, aan een boom. We zien de pijlgaten van drie pijlen. Vermoedelijk hebben daar oorspronkelijk ook pijlen in gezeten. Verder is het kunstwerk oorspronkelijk geverfd geweest, waardoor je het bloed kon zien druipen. We krijgen onwillekeurig associaties met de geseling van Christus.

sebastiaan-meester-arnt-2

Twee vragen komen bij me op: wat was de aanleiding voor het maken van het kunstwerk, en de tweede vraag is: hoe kwam het op de plaats terecht waar het nu te zien is?

De schilderijen van Mantegna en Bellini zijn wellicht onderdeel geweest van een altaarretabel. Waarom staat Sebastiaan daarop? Twee mogelijkheden zijn dan het meest waarschijnlijk: het stond in een kerk die aan de heilige gewijd was, of het stond op een altaar van een gilde (bij voorbeeld het boogschuttersgilde). Bij de sculptuur van meester Arnt is het iets moeilijker. In kerken werden vaak losse beelden geplaatst, bijvoorbeeld een aantal apostelbeelden. De plaats waar deze kunstwerken vandaan komen zijn deels bekend: de schilderijen werden gemaakt in Mantua en Venetië. Daar was geen kerk of klooster waar Sebastiaan als voornaamste heilige werd vereerd. Er zal waarschijnlijk een zij-altaar geweest zijn waar hij als pestheilige werd vereerd. Maar waar meester Arnt zijn beeldhouwwerk sneed is minder duidelijk. Het kan zijn in Kalkar, misschien voor een kerk of klooster aldaar, maar het kan ook zijn voor een kerk of klooster in Kleef, Venray of Roermond. Althans we weten dat daar werken van hem gestaan hebben of nog staan. Daar werd hij waarschijnlijk als pestheilige aangeroepen.

Hoe is het schilderij van Mantegna in Wenen gekomen? De persoonlijke bezittingen van de hertogen van Mantua zijn in de zeventiende eeuw voor het grootste deel in handen gekomen van de Franse koning. We vinden om die reden diverse kunstwerken uit Mantua uit die tijd nu in het Louvre. Noord-Italië is lang onderdeel geweest van Oostenrijk, globaal zo tussen 1715 en 1858. Het zal in die tijd in Wenen en uiteindelijk in het Kunsthistorisches Museum terecht zijn gekomen. Het werk van Bellini, net als veel andere werken van deze kunstenaar, bleef in Venetië. Daar kwam het uiteindelijk terecht in een museum. Het beeld van meester Arnt kan zijn verkocht door de vorige bezitters in Kalkar. Vlak na de Franse tijd wilde men de Nicolaikirche restaureren en ook de mooiste altaarstukken weer tiptop in orde brengen. Om dat te kunnen betalen hebben de kerkbestuurders een aantal altaarstukken en misschien ook dit beeld verkocht. Het kan ook geroofd zijn door de Fransen in 1794 toen ze de Zuidelijke Nederlanden annexeerden en alle kloosters sloten. Zo is een prachtig beeldhouwwerk met de bewening van Christus uit het Kartuizer klooster van Roermond in Musée de Cluny in Parijs terecht gekomen. Maar hoe het ook zij: in 1903 is dit kunstwerk, de “Sebastiaan” van Meester Arnt, aangekocht door de vrienden van het museum voor schone kunsten in Gent. Misschien omdat de leden ook lid waren van het beroemde boogschuttergilde?

Voor meer werken van meester Arnt, zie ook de link naar onderstaand artikel dat ik in 2015 schreef:

https://ppsimons.com/2015/09/13/vier-maal-de-bewening-van-christus-meester-arnt-van-kalkar/

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Pelléas et Mélisande

Het thema van het nieuwjaarsconcert 2019 van het Nederlands blazersensemble was “Adam en Eva”. Een mooi programma met veel verschillende stijlen in de muziek, zelfs in dansvorm werd het thema uitgewerkt. De vrolijke toon overheerste. Adam en Eva als het koppel dat van elkaar houdt en samen het leven viert. En dat past bij het uitbundige feestgevoel van het nieuwe jaar.

Liefdeskoppels in de muziek waren onder meer Orpheus en Euridice of Romeo en Julia. Met die koppels liep het trouwens niet goed af. Ook niet met Adam en Eva, ze werden verdreven uit het aards paradijs. En ook niet met Pelléas en Mélisande. Dat liefdeskoppel werd bij het concert niet genoemd maar ik moest er aan denken, ook omdat ik enkele dagen geleden in een klein museum ben geweest dat gewijd was aan Maurice Maeterlinck. Deze Belgische schrijver schreef in de negentiende eeuw een toneelstuk op basis van het verhaal “Pelléas et Mélisande”. Maeterlinck kwam uit de Gentse bourgoisie en in die tijd betekende dit dat je sprak en dus ook schreef in het Frans. Als hij in het Nederlands geschreven zou hebben zou hij ook nooit de nobelprijs voor literatuur hebben gekregen. Nederlandse boeken werden nog bijna niet vertaald en drongen daardoor niet door tot het Nobelprijscomité. Maar Frans was in die tijd een wereldtaal die alle geletterde heren konden lezen.

De tekst van dit toneelstuk inspireerde diverse componisten. Het meest bekend is wel de opera van Debussy, die in 1902 klaar kwam. En een jaar later schreef Schönberg een symfonisch gedicht op basis van deze tekst van Maeterlinck. Debussy en Schönberg waren symbolistische componisten. Deze term wordt meestal alleen gebruikt bij schilders of schrijvers maar dat vind ik onzin. Opvallend is dat Debussy kwaad werd als hij impressionist werd genoemd. En dat begrijp ik. Impressionisten zijn met licht en sfeer bezig. Symbolisten zoeken een geheimzinnige ondertoon in dingen. Die was bij Debussy meestal aanwezig, zeker ook bij deze opera. Maeterlinck was vernieuwend in zijn tijd. Op wikipedia lezen we:

Als dichter van het symbolisme nam Maeterlinck een belangrijke plaats in de Europese literatuur in. Als avant-gardist brak hij met de traditie van het realisme en probeerde hij de werkelijkheid te vatten met symbolen en metaforen, waardoor hij het symbolisme op slag een eigen theater schonk. Daarmee was hij een voorloper van het 20ste-eeuwse theater.

Dat trok beide componisten. Schönberg had eerder het symfonische gedicht “Verklärte Nacht” geschreven, ook geïnspireerd op een symbolistisch gedicht. De muziek beeldt dan wel een verhaal uit, maar in werkelijkheid gaat het om droompassages en verwarrende gevoelens in het hoofd van de hoofdrolspelers. Bij Debussy zien we iets dergelijks.

Bij de premiere in 1902 en 1903 van beide werken van respectievelijk Debussy en Schönberg was er weinig waardering van het publiek. Schönberg werd in de pers tot een krankzinnige verklaard aan wie het verboden moest worden om nog pen en papier te kopen om noten op te schrijven.

Ik ga nu niet in op de tekst van Maeterlinck. Die moet je uiteraard wel bestuderen als je de opera probeert te volgen. Om het symfonische gedicht te kunnen volgen is een samenvatting van het verhaal voldoende. Op wikipedia staat:

Pelléas et Mélisande vertelt de tragische geschiedenis van een driehoeksrelatie tegen de achtergrond van een symbolistisch sprookje. Golaud, kleinzoon van koning Arkel, verdwaalt tijdens de jacht in het bos en treft daar het schuchtere meisje Mélisande aan. Haar kwetsbaarheid oefent een grote aantrekkingskracht uit op de prins. Nadat Golaud het meisje naar het kasteel van zijn grootvader heeft gebracht, treft Mélisande Golauds halfbroer Pelléas aan. Tussen Pelléas en Mélisande bloeit spoedig een fatale genegenheid, een dodelijke zielsverwantschap op. Golaud krijgt lucht van hun heimelijke ontmoetingen en doodt zijn broer… Mélisande sterft in het kraambed.

De opera van Debussy begint nog als een realistisch verhaal:

Je ne pourrai plus sortir de cette forêt! Dieu sait jusqu, où cette bête m’a mené. Je croyais cependant l’avoir blessée à mort; et voici des traces de sang. Mais maintenant, je l’ai perdue de vue.
Kan ik dit bos dan nooit meer verlaten! God weet tot waar dit beest me heeft meegevoerd. Ik dacht toch dat ik het zeker dodelijk had verwond: kijk maar naar de bloedsporen. Maar nu  is het uit mijn vizier verdwenen.

Golan ontmoet vervolgens Mélisande en weet haar uiteindelijk te overtuigen om met hem mee te lopen naar zijn kasteel. Je hoort dan het volgende muziekfragment:

Wat hoor je? Hoor je de impressionistische weergave van een bos bij nacht? Zie je in gedachten misschien de schaduwen van bomen bij een vaal maanlicht? Nee. Debussy wil ons deelgenoot maken van de verwarde gevoelens van prins Golan, die tegen de avond verdwaald is in een bos en dan een jong meisje tegenkomt. Een wanhopig meisje dat dood wil, maar dat hij weet over te halen om met hem mee te lopen. Hij mag haar niet aanraken. Ze lopen door het bos op weg naar het kasteel waar Golan woont. Maar wat denkt hij intussen? Wat denkt zij intussen? Dat laat Debussy hier horen.

Bovenstaand fragment is de overeenkomstige passage in het symfonische gedicht van Schönberg. Althans dat vermoed ik, uitgaande van het feit dat het hier aan voorafgaande fragment wel eens zou kunnen slaan op de ontmoetingsscene van Golan en Mélisande.  Nog meer dan bij Debussy gaat het hier vooral over processen in het hoofd van de twee die door het bos dwalen, het bos zelf doet er eigenlijk nauwelijks toe. We horen symbolistische, expressionistische muziek zo je wilt, zeker geen impressionistische.

Hieronder klinkt de hele opera van Debussy, te volgen ook met de noten en de Franse tekst erbij. Daaronder het symfonische gedicht van Schönberg.

Het gebouw in Gent waar een klein museum voor Maeterlinck is ingericht is elke vrijdag en zaterdag om half drie open. Er is dan een rondleiding en tegelijkertijd wordt ook het nog veel grotere gebouw dat er tegenover ligt bezocht. Beide panden stammen uit de achttiende eeuw. Behalve handschriften van Maeterlinck zien we ook zijn laatste werkkamer, die vanuit Nice is overgebracht naar een aparte ruimte in het gebouw. Maar er is veel meer te zien, zoals een zogenaamde “Chinese ruimte”, waar over vier wanden de Chinese jacht en de ontvangst van de keizer wordt uitgebeeld. Met de hand getekend in de achttiende eeuw. Beslist de moeite waard!

Voor meer info:

https://stad.gent/cultuur-sport-vrije-tijd/cultuur/musea-en-historische-huizen/museum-arnold-vander-haeghen

Museum A. Vander Haeghen-voorkant_0

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , , | 1 reactie

Hemelse oneindigheid: Bach en  het gebruik van de Cantus Firmus

De oude Griekse filosofen hielden zich al met het begrip tijd bezig. 475 voor Christus beweerde Parmenides dat verleden, heden en toekomst tegelijkertijd bestaan. Maar omdat wij er niet buiten kunnen staan kunnen we dat niet zien en bevatten. Afgelopen zondag, 23 december 2018, was het de vierde zondag van de advent. Het epistel van die dag is een deel uit de tweede brief van Petrus. Daar staat in de achtste regel: een ding echter, vrienden, mag u niet ontgaan: Voor de Heer is een dag als duizend jaren en duizend jaren als een dag.  De verzen 3-13 van die brief gaan over het einde der tijden en de vermaning om daar op voorbereid te zijn. Tegelijk om er op te vertrouwen dat het dan goed komt:

Gij moet vooral weten dat er in de laatste dagen spotters zullen komen, mensen die leven volgens hun eigen begeerten, en die honend vragen: “Waar blijft nu de wederkomst die Hij heeft toegezegd? Onze vaderen zijn al gestorven, maar alles blijft zoals het van het begin der schepping geweest is.” Zij gaan met opzet voorbij aan het feit dat er lang geleden een hemel en een aarde bestonden, door Gods woord gevormd uit water en door middel van water, en dat die toenmalige wereld vergaan is, verzwolgen door het water. Maar de hemel en de aarde van nu zijn door hetzelfde woord opgespaard voor het vuur en bewaard voor de dag van het oordeel en de ondergang der goddelozen. Een ding echter, vrienden, mag u niet ontgaan: Voor de Heer is een dag als duizend jaren en duizend jaren als een dag. De Heer talmt niet met zijn belofte, zoals sommigen menen, maar Hij heeft geduld met u, daar Hij wil dat allen tot inkeer komen en niemand verloren gaat. Maar de dag des Heren zal komen als een dief. Dan zullen de hemelen dreunend vergaan en de elementen door vuur worden verteerd; en de aarde en de daden op aarde verricht zullen zich bevinden (voor Gods oordeel). Wanneer alles zo vergaat, hoe moet gij dan uitmunten door een heilig leven en innige vroomheid, de komst verwachtend en verhaastend van de dag Gods, waardoor de hemelen in vlammen zullen opgaan en de elementen wegsmelten in de vuurgloed. Maar volgens zijn belofte verwachten wij nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid zal wonen.

De tekst van een van de cantates voor de vierde zondag van de advent van Bach is van de hand van de librettist Salomo Franck uit Weimar. Deze tekst is gebaseerd op bovenstaand deel uit de tweede brief van Petrus, welke tijdens deze dienst in 1717 in Weimar en in 1723 in Leipzig werd voorgelezen. De tekst van het negende deel van deze cantate luidt als volgt:

tekst bwv70-9

We zien hoe in het eerste deel van de tekst de verschrikkingen van het einde der tijden worden verwoord, in het tweede deel de troost dat het allemaal goed komt als je goed geleefd hebt. Bach beeldt dit deel uit als een complete opera, met alle bijbehorende dramatiek. Maar wat misschien nog  opvallender is: hij mixt er een cantus firmus doorheen, in de trompet. Deze cantus firmus techniek zie je heel vaak bij Bach, tot zover niets bijzonders. Wat is een cantus firmus? Dat is een gezang in de vorm van lange, uitgerekte tonen, afgewisseld met passages dat deze cantus firmus ontbreekt. Om de cantus firmus heen spelen en zingen allerlei andere partijen onafhankelijke melodieën. Rond 1450 is deze manier van componeren al ontstaan, toen als truc om meerstemmig te kunnen componeren door allerlei melodietjes te verzinnen rond lang doorklinkende noten. Maar bij Bach is de functie al lang een andere geworden. Een cantus firmus benadrukt een bepaald tekstgedeelte, of liever nog: we horen boven alle wereldse gekrakeel de hemelse eenvoud van een eenvoudige, langgerekte melodie. En dat is bij deze cantate voor mij zeker zo. We horen de melodie van een in die tijd bekend lied, gespeeld door de trompet.

De cantus firmus heb ik hier onder in de partituur in rood aangegeven. Het hele stuk zou je kunnen analyseren op allerlei retorische aspecten. Wie laat een stuk beginnen op een verminderd septiemakkoord, in die tijd het meest dramatische akkoord dat er bestond? Ja, als de wereld dreigt te vergaan is dat logisch. En “der Welt Verfall” gaat van een hoge B naar een lage Bes, dieper en grilliger kun je niet zinken. Daarna volgt onmiddellijk een  driedubbele instrumentale val. Maar dan komt het bazuingeschal (der Posaunenschall): de cantus firmus in de trompet!  We horen hoe het spannende verhaal van het einde der tijden, met zijn wereldse eindigheid, wordt omgeven door deze schier eindeloze en rustgevende cantus firmus.  Petrus laat God zeggen: Voor de heer is een dag duizend jaren en duizend jaren een dag.  Parmenides zegt dat verleden, heden en toekomst aan elkaar gelijk zijn. Bach laat het ons horen.

Uitvoering: Dietrich Henschel, bas, Monteverdi Choir, the English baroque soloists, John Eliot Gardiner.

 

BWV70-9

De volledige cantate klinkt hieronder

 

Andere stukjes die ik schreef naar aanleiding van een cantate van Bach

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , , , | 1 reactie

De schepping van de wereld

Mensen met autisme willen bij alles precies weten waar ze aan toe zijn. Hun hoofd zit vol met vakjes en daar stoppen ze hun zekerheden in. Als er in dat vakje gerommeld dreigt te worden raken ze compleet overstuur. Als opvoeder moet je daar voortdurend op bedacht zijn, want het kan leiden tot paniekaanvallen, agressief gedrag, huilen en schreeuwen. Voor mensen die geen last van dat soort vakjes hebben zijn die uitingen meestal compleet onbegrijpelijk.

Afgelopen jaar zijn er enkele mensen overleden die mijn oudste kleinzoon gekend heeft. Twee overgrootmoeders en nog enkele mensen. Nu wil hij alles weten over de dood. Gisteren vroeg hij of ik een filmpje kon laten zien over iemand die dood ging. Voor hem is het vanzelfsprekend dat er over alles filmpjes zijn. Alles staat op youtube. Ik heb geen film laten zien maar ik probeer het wel allemaal luchtig bespreekbaar te maken en in zijn onrustige hoofd enigszins behapbaar.  ‘Gaan alle mensen op dezelfde manier dood?’ ‘Nee dat kan verschillend zijn. Jouw oma’s waren heel erg oud en dan kunnen ze bijna niet meer lopen en ook weinig zien. Ze gaan dan gewoon langzaam vanzelf dood.’ ‘Houden ze dan op met adem halen?’ ‘Ja, alles van je lichaam stopt er mee. Als je zo oud bent vind je dat niet erg.’  ‘Doen je zenuwen het dan ook niet meer, en kan je dan niets meer horen?’ Bijna alles moest ik van hem benoemen. Ik voegde er aan toe: ‘veel mensen denken dat iedereen een ziel heeft. Die gaat dan uit je lichaam naar de hemel.’ ‘Dat is bij de sterretjes hè opa.’ Dat beaamde ik en ik merkte dat dat toch een soort geruststelling gaf. ‘Hoe ziet de ziel er uit?’ ‘Wij kunnen de ziel niet zien maar de ziel kan ons wel zien. En ze kunnen je zelfs helpen zonder dat je het weet. Als je een weg oversteekt en er komt een auto aan dan waarschuwt zo’n ziel je soms dat dat gevaarlijk is en dan steek je niet over.’ ‘Kunnen zielen dan praten?’ En zo ging het maar door. Hij wil alles weten.

Zijn angsten kunnen zo extreem zijn dat je wilt helpen om ze weg te nemen. Maar hoe doe je dat bij een intelligente jongen van vijf die meer weet over de kosmos dan de meeste volwassenen, maar panisch is over het idee dat er een mug in de kamer zou kunnen zitten?   ‘Heeft God de wereld gemaakt?’ Ook weer zo’n vraag. Ik zeg dat niemand dat weet. ‘We weten niet hoe de wereld gemaakt is en daarom denken heel veel mensen dat er iemand moet zijn die dat gedaan heeft. Die noemen ze God.’  ‘Zit god aan een tafel?’ Deze onverwachte vraag bevreemde me even, maar al snel snapte ik het. Hij zag God als een soort wetenschapper die achter zijn bureau bezig was met allerlei uitvindingen, zoals het scheppen van een heelal. Hoe simpel kan het zijn. Dat was voor hem behapbaar. En zo zagen de mensen in de middeleeuwen dat ook. Hij was een man met een baard die hoog vanuit de lucht de hele wereld bestierde. Maar mijn kleinzoon denkt dat God nog dichter bij ons staat. Niet hoog in de lucht maar gewoon achter een bureau. Tussendoor kijkt hij naar filmpjes over “planets size comparison” of over het “materieel van de NS”.  God heeft vast ook youtube uitgevonden. Daar kan hij alles vinden wat hij ooit geschapen heeft. Inclusief filmpjes en foto’s. En zelfs “het ontstaan van de aarde” in vier delen kan hij daar terugvinden. Deel 1 heeft hij onlangs uit de lucht gehaald. Het mag niet meer in Nederland vertoond worden wegens auteursrechten. En het filmpje met de muziek van Pachelbel is ook verdwenen.  Is God rechtvaardig?  Mijn kleinzoon is er boos over. Hij moet deze kennis delen. En niet zomaar van youtube afhalen potverdorie!

god

Deel 2, 3 en 4 staan er wel nog. Hieronder deel 2.

 

Geplaatst in Astronomie, kleinzoon, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , | 1 reactie

Democratie

In Athene, waar een soort democratie was ontstaan rond 500 voor Christus, ging ruim honderd jaar later de filosoof Plato nadenken over de ideale staatsvorm. Blijkbaar was het niet vanzelfsprekend dat deze democratie de ideale vorm was. Er waren toen al verschillende voorbeelden van andere staatsvormen. Zo was de meest voorkomende staatsvorm de oligarchie: een kleine elite had het voor het zeggen en maakte samen uit hoe het allemaal verder moest. De vroedschap, of in sommige gebieden heette dat de magistraat, had tot de Franse revolutie in Nederlandse steden een vergelijkbare rol. Het lidmaatschap was voor het leven en binnen deze kliek werd gezocht naar personen die bijvoorbeeld als burgemeester of schatbewaarder konden fungeren. Een andere vorm was de timocratie. In Griekenland was er in Sparta een timocratie: het leger had de macht. De baas van de stad was een legeraanvoerder. Dan was er nog de dictatuur. Een iemand had, vaak op een gewelddadige manier, de macht weten te krijgen en alles wat hij wilde werd gelijk wet. Vergelijk het met de macht van de Visconti’s in Milaan eind veertiende eeuw.

Plato zag al deze staatsvormen. Hij reisde af naar Sicilië en trad als wijsgeer aan het hof van de tyran Dionysios. Hij bezag hoe de staatsvorm daar functioneerde en probeerde Dionysios ervan te overtuigen dat het anders moest. Het leidde er alleen maar toe dat hij werd verbannen. Uiteindelijk schreef Plato zijn “Nomoi” (wetten) en “Politeia”, ook wel “de staat” genoemd. Hij schreef over de ideale staat en benoemde de voor- en nadelen van alle bestuursvormen die hier boven genoemd zijn, dus ook die van de democratie. Dat was voor hem uiteindelijk ook niet de ideale staatsvorm. Bij de democratie, waar geluisterd werd naar ieders mening, werden beslissingen meestal genomen om op korte termijn bevrediging te bieden. Maar wat er besloten werd was heel vaak niet goed voor de staat op langere termijn. Zo kwam hij tot de conclusie dat een staat bestuurd moest worden door wijze en kundige mensen. En mensen die zelf het goede voorbeeld moesten geven. Ze zouden zeer sober moeten leven en wonen. Geen enkele beslissing mocht in relatie staan met een geldelijke beloning voor hen zelf.

rafael-academie

Afbeelding: Rafael, Academie van Athene

Plato leidde dergelijke mensen op in zijn “Academie”. Deze beroemde school heeft tien eeuwen lang, tot na de Romeinse tijd, bestaan. De Academie leverde vaak intelligente, goede en kundige mensen op. Maar helaas, het bestuur van Athene maakte maar zelden gebruik van degenen die er werden opgeleid.

De democratie in de Verenigde Staten kent enkele regels die tot belangrijke machtsverschuivingen kunnen leiden. Zo worden nieuwe opperrechters benoemd door de partij die het op dat moment voor het zeggen heeft. En wat te zeggen van het districtenstelsel. Vanochtend las ik in de krant hoe in de staat Wisconsin de Republikeinse gouverneur zijn fiat heeft gegeven aan een wet die de macht van de gouverneur inperkt. Dit vlak voordat deze gouverneur zijn macht moest afstaan aan zijn democratische opvolger. Het parlement van Wisconsin dat in handen is van de republikeinen heeft zijn macht onlangs weten te behouden door vlak voor de verkiezingen de districtsgrenzen zo te wijzigen dat de kans dat ze aan de macht zouden blijven aanzienlijk werd vergroot. Dat gebeurde ook. Ze behaalden slechts 46% van de stemmen, maar wisten door deze truc toch de baas te blijven: ze kregen maar liefst 63 van de 99 zetels.

In het Verenigd Koninkrijk hebben we gezien hoe een nipte meerderheid een referendum wint welk stoelt op onderbuik sentimenten bij een groot deel van de bevolking. Dergelijke beslissingen met zulke grote gevolgen kunnen lijkt mij eigenlijk alleen maar door wijze mensen genomen worden, niet via een referendum. Maar in een democratie werkt dat dus blijkbaar anders.

En nu heeft in Nederland een commissie voorstellen gedaan om onze democratie te verbeteren. Ik lees dat in de toekomst de formateur gekozen moet worden en dat referenda bindend moeten worden. Er gaan dan dus formateursverkiezingen komen. Een formateur is in praktijk ook de nieuwe minister-president. We krijgen dan feitelijk  “presidentsverkiezingen”! Dan nog de burgemeestersverkiezingen. De verkiezingskermis gaat dat niet meer over partijen en meningen, maar in eerste instantie over mensen. Over hoe goedgebekt iemand is, niet over hoe kundig iemand is. Over hoe hij of zij zich kleedt, niet over de inhoud. Hoe hij of zij zich gedraagt in de publieke wereld. Gaat hij op de fiets of in een sjieke auto naar zijn werk? Hoe doet zij het in de roddelbladen? Al dit soort flauwekul wordt nog belangrijker. En bindende referenda zijn nog kwalijker. Het gaat dan om belangrijke dingen waar alleen maar mensen over kunnen beslissen die er verstand van hebben. Wijze mensen zoals de wijzen van de school van Plato.

Over een maand laat ik me een hele dag lang op een studiedag onderdompelen in de denkbeelden van Plato. Ik weet niet of ik er echt wijzer van word. Zo wijs ben ik dan in ieder geval nu al weer wel…

Geplaatst in filosofie, Geschiedenis, maatschappij | Tags: , , , | 1 reactie

Multiverse

babysterrenOnder de kop “Observatorium maakt unieke babyfoto’s van andere planetenstelsels” stond vanochtend een interessant artikel in de Volkskrant. Zwakke radiogolfjes die uitgezonden worden door kleine stofdeeltjes bij een zeer jonge ster zorgen voor een nauwkeurig beeld van hoe de ster en zijn directe omgeving er uit ziet. 21 foto’s van jonge sterren. Wat blijkt? Al vlak na de geboorte van de ster zijn er ringen te zien rond die ster met daarin stofdeeltjes. Dat stof gaat al snel samenklonteren: eigenlijk zien we hoe daar op dit moment planeten worden geboren. In het verleden dacht men dat daar wel zeker een miljard jaar over heen ging, maar het blijkt al binnen een miljoen jaar te gebeuren, kortom al heel snel na de geboorte van de ster zelf.

Wat mij zelf vooral integreerde was het feit dat de plaatjes van deze babysterren van de ene kant leken op de afbeeldingen van melkwegstelsels (veel grotere objecten) en van de andere kant leken ze op de ringen van Saturnus of een van de andere grote planeten van ons zonnestelsel (veel kleinere objecten). Inmiddels weten we dat die ringen van die planeten ook uit stofdeeltjes bestaan die langzaam aan het samenklonteren zijn tot maantjes. En kijken we naar juist de grotere schaal, naar melkwegstelsels, dan zien we hoe er in zo’n stelsel armen zijn. Delen in het stelsel waar de sterren verdicht zijn en delen waar dat niet het geval is. Met in het midden dan de kern van de melkweg met daarin schijnbaar oneindig veel sterren. En in het midden daarvan meestal een kolossaal zwart gat, een gebied waar alle materie en zelfs het licht naar binnen wordt gezogen. Kijken we naar nog grotere eenheden dan zien we niet alleen talloze melkwegstelsels maar ook daarin weer clustervorming. En het lijkt of al die clusters een ijle band met elkaar hebben, als een soort draden van een spinnenweb. In de kern daarvan moet ooit de oerknal hebben plaats gevonden.  Ik denk dat daar nu het allergrootste zwarte gat zit dat er maar bestaat.

Mijn kleinzoon is helemaal gefascineerd door een mooi gemaakt filmpje dat een en ander aanschouwelijk probeert te maken. We beginnen heel aards. We zien het beeld van een lieflijke, donkere zomeravond en we horen intussen krekels. Het zijn wel bijzondere krekels, ze geven licht als een soort vuurvliegjes: je hoort en ziet ze vliegen. Het is volle maan. De maan komt steeds meer in beeld. En dan komt er een muziekje, een soort passacaglia met een zich steeds herhalend patroon waaraan steeds andere muzikale elementen worden toegevoegd. Mijn kleinzoon kan het muziekstukje dromen, nazingen en de details van die muzikale elementen feilloos onderscheiden.  Deze muziek dient als achtergrond bij steeds groter wordende objecten. We beginnen dus bij de maan. Deze wordt nu eerst vergeleken met twee kleinere objecten: de dwergplaneet Pluto en de asteroide Ceres. Dan, en daar gaat het feitelijk om, wordt de maan vergeleken met steeds grótere objecten, tot we aangekomen zijn bij de grootste ster van ons melkwegstelsel die we kennen: UY Scuti. Maar we zijn er nog niet, alles wordt desondanks alsmaar groter. De grootte wordt inmiddels uitgedrukt  in vele  lichtjaren. En uiteindelijk komen we bij het hele heelal: de Universe. Alleen: er zijn geleerden die denken dat er nog meer van dergelijke “heelallen” zijn, die de “multiverse” genoemd worden, en ook daar zien we een afbeelding van. Ik heb hem uitgelegd dat de meeste geleerden hier niet zo in geloven, dat het dus meer een soort fantasie is. Iemand als Stephen Hawkins heeft vlak voor zijn dood proberen duidelijk te maken waarom er volgens hem geen multiverse is. Het houdt gewoon op bij het heelal. Maar voor mijn kleinzoon is het toch een fascinerend idee. Vanmiddag fabriceerde hij op de keukentafel een “multiverse”: allerlei kerstobjecten als ballen, kastanjes en kleine en grote dennenappels vormden uiteindelijk de multiverse: met daarin “heelallen” van verschillende grootte.

multiverse‘Kijk, dat is ons heelal’,  zei hij, wijzende naar een kastanje. Je verzint het niet, maar feitelijk denk ik dat hij dichtbij de waarheid zit. Alles wat we in het klein zien is volgens mij een afspiegeling van de kosmos.

https://www.volkskrant.nl/wetenschap/observatorium-maakt-unieke-babyfoto-s-van-andere-planetenstelsels~bd3e9177/

Geplaatst in Astronomie, kleinzoon, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , | Plaats een reactie

De schetsen van Rubens

Rubens verluchtte boeken, maakte sculpturen,  ontwierp tapijten, beschilderde plafonds en daarnaast maakte hij ook nog eens gewone schilderijen: eigenlijk kennen de meesten van ons hem voornamelijk van dat laatste. Maar wie wist dat hij bijna steeds op hout of doek een voorstudie van dat alles maakte? Dit deed hij meestal op schaal: als het doek 3 bij 3 meter moest worden dan werd het ontwerp 1 bij 1 meter of iets dergelijks. Heel dun maakte hij er rasterlijntjes bij waardoor je dit ontwerp makkelijker kon “opblazen” tot het latere formaat. Waarom deed hij dat? Soms voor de opdrachtgever. Die kon zo al een indruk krijgen van wat het resultaat zou kunnen gaan worden. Ook deed hij het voor zich zelf om al een snel overzicht en beeld te hebben om er eventueel nog wat dingen aan te kunnen veranderen. Maar vooral deed hij het voor de werknemers in zijn atelier, of als het om tapijten ging, in de tapijtateliers. De meeste van zijn schilderijen zijn namelijk door anderen uitgewerkt. Wel maakte hij bij vrijwel al zijn werken op het einde nog een finishing touch. Alleen op die manier was hij in staat om aan de enorme vraag te kunnen voldoen. En daardoor had hij nog tijd over voor andere dingen. Rubens had hobby’s. Hij verzamelde  antieke munten, antieke voorwerpen en vooral ook antieke gemmen en cameeën. Dat zijn halfedelstenen met daarop afbeeldingen. Bij gemmen zijn ze er in uitgesneden, bij cameeën zijn juist de delen rondom de afbeelding weggesneden waardoor de afbeelding niet in maar op de steen staat. Hij had enkele internationale contacten met mensen die dezelfde hobby hadden. En wat zeer veel tijd kostte was zijn diplomatieke functie in dienst van het Spaanse bewind. Daarvoor reisde hij naar Spanje, maar vooral ook naar Engeland en Frankrijk. En passant kreeg hij dan weer nieuwe opdrachten of maakte hij schilderingen ter plekke. Er zijn veel  brieven van Rubens bewaard gebleven, vooral de brieven gericht aan hoge ambtenaren en andere diplomaten. Zo had hij ook contact met Constantijn Huijgens. Deze laatste wilde heel graag assistentie bij het ontwerp van zijn eigen buitenhuis. Hij wist dat Rubens zijn eigen woning in Antwerpen naar Italiaans model had laten maken. Maar ook interesseerde hij zich voor uitvindingen als de microscoop en de barometer. Waarschijnlijk heeft hij een barometer met uitleg erbij in huis gehad die uit Nederland kwam en die heeft hij weer doorgestuurd via Parijs naar een connectie in Marseille, zo concluderen we uit een van zijn brieven.

Als je in Antwerpen bent en naar het Rubenshuis gaat, maar ook als je naar het Snijders&Rockoxhuis of naar museum Plantin Moretus gaat, dan waan je je echt een beetje in de tijd van Rubens. Wat je daar aan objecten ziet  is meestal heel bijzonder en je bent ook nog eens in een bijzondere omgeving: in een gebouw uit die tijd. Maar natuurlijk zie je daar niet de wandtapijten of de Parijse of Engelse wand of plafondschilderingen. Op dit moment kun je in Boijmans van Beuningen heel veel hiervan wél zien. Hoe kan dat? Je ziet niet het resultaat aan het plafond of aan de wanden, maar je ziet de schetsen in olieverf. Er zijn heel veel van die schetsen bewaard gebleven en zo kun je ook nog eens zien hoe Rubens te werk ging. Meestal  met een heel vlotte penseel, waar hij alles raak mee neer zette. En wat is die vroegbarok toch boeiend! Zijn eerste belangrijke leermeester, Otto van Veen, van wie ook een schilderij te zien is, maakt prachtige schilderijen, maar de personages daarop zijn bijna bewegingsloos. Otto van Veen, of in de muziek de componist Palestrina, zijn kunstenaars die werkten in de geest van de renaissance. Rubens en de componist Monteverdi werkten geheel vanuit de geest van de barok. Die laatste twee hebben elkaar trouwens ook gekend. In de korte tijd dat Rubens werkzaam was aan het hof van de hertog van Mantua werkte Monteverdi daar ook, maar dat terzijde. Als in de loop van de zeventiende eeuw het Franse classicisme bijna alle kunstenaars gaat beïnvloeden, is het gedaan met de ruwe kanten van de barok. Alles wordt veel meer gestileerd. Dat zie je nog niet bij Rubens. Elke persoon op zijn schilderijen heeft een uitgesproken karakter, je ziet hem denken of je vermoedt dat hij van plan is om iets te gaan doen. Je ziet het aan elke oogopslag, beweging en houding. En zo ontstaat er een levendig verhaal. Hieronder een foto van een schilderij op de tentoonstelling. Je ziet de voorstudie van de “aanbidding van de wijzen”, een kolossaal schilderij dat hij maakte voor het stadhuis van Antwerpen in 1609. Toen was hij net terug uit Italië en had hij besloten om zich in Antwerpen te gaan vestigen.

driewijzenJe ziet niet een zoet plaatje in een stal, maar je ziet hoe midden in de nacht de drie wijzen met hun gevolg en fakkels zijn aangekomen. De knechten of slaven tillen alle bagage. En een van de wijzen buigt zich met zijn geschenk naar Jezus. Wat een sfeerplaatje, nu al, terwijl het definitieve schilderij nog gemaakt moest worden! Jezus is nieuwsgierig en gaat zitten graaien in de kom met goud. De page die weet dat het om een belangrijk persoon gaat zit er bij op zijn knieën. Een van de soldaten die de koningen beschermt is nieuwsgierig en wil ook wel eens zien om wie het allemaal draait. Tegelijk laat Rubens zien dat hij weet hoe je spieren moet schilderen. Daar heeft hij in zijn tijd in Italië op zitten oefenen en trots laat hij zien dat hij ook deze kunst meester is.

kruisverheffingEen ander mooi voorbeeld is de kruisoprichting van 1638. Je raakt er niet op uitgekeken. De kleine kinderen zijn bang en verstoppen hun gezicht. Sommige mensen willen juist niets missen en klimmen in een boom. Vrouwen wenen en klagen, een hond staat dreigend te blaffen. En gespierde mannen zijn bezig met het zware karwei. Rechts staan soldaten bevelen uit te delen en op de achtergrond zie je ook nog twee andere misdadigers die hetzelfde lot moeten ondergaan. Het geheel is een groot levendig verhaal, bijna als het decor van een barokopera. En kijk ook eens naar de diverse gezichtsuitdrukkingen, nu in de voorstudie is alles al raak neergezet met enkele vlotte penseelstreken. Of kijk naar de houding van de paarden. Schitterend!

Het is een mooie tentoonstelling waar je makkelijk twee uur kunt doorbrengen. Behalve de talrijke voorstudies zie je ook nog enkele afgewerkte schilderijen van Rubens, en soms naast elkaar: de voorstudie en het resultaat. In Boijmans zijn er nog meer tentoonstellingen, ik heb ze gisteren niet gezien. Natuurlijk is er ook nog de vaste collectie, met enkele toppers waar je met je neus bovenop kunt gaan staan.  Zoals je dan onderstaand detail kunt zien in een prachtig schilderijtje van Geertgen tot Sint Jans.

geertgen

Ik zag trouwens dat er op dit moment (tot eind maart) ook iets belangwekkends te zien is in de Carolus Borromeüskerk van Antwerpen. Rubens maakte daar de plafondschilderingen die helaas bij een brand verloren zijn gegaan. Maar de ontwerpschilderijen bestaan nog. En nu komen via een slimme projectie de verloren gegane schilderingen ter plekke weer tot leven. Dat wil ik zien!

https://www.visitantwerpen.be/nl/barok/rubens-re-viewed

Meer artikelen die ik schreef waar Rubens een rol in speelt

Geplaatst in kunst, recensie | Tags: , , , | Plaats een reactie

De natuurfilosofen in de oudheid en hun visie op de natuurkunde

“Wat zijn atomen?”  In de natuurkunde les kregen we daarover uitleg. Maar er waren al ideeën over in 425 voor Christus. En hoe zit het met het begrip tijd, als een soort vierde dimensie? Daarover werd in 475 voor Christus al geschreven!

In de Volkskrant stond gisteren een belangwekkend artikel van Georges van Hal. Het raadsel dat deeltjes zich op quantumniveau zeer speciaal gedragen, daar was al enige bekendheid over. Het gaat om een soort telepatische overdracht. De deeltjes communiceren op schijnbaar oneindige afstand met elkaar. Als er iets verandert in Nederland wordt dat teruggezien in Amerika. Nu gaat het dan over deeltjes die zich niets van de zwaartekracht hoeven aan te trekken. Maar hoe zit het met grotere deeltjes die wel beïnvloed worden door zwaartekracht? Het blijkt dat siliciumpakketjes ter grote van een bacterie en afgekoeld tot bijna het nulpunt vergelijkbare eigenschappen hebben, dus ook telepatisch contact vertonen. Dat opent de weg voor weer verder onderzoek.

Ik lees op dit moment het boek “De wereld vóór God” van Cees Alders dat onlangs is uitgekomen. Een prachtig boek waarin de filosofie van 600 vóór tot 400 ná Christus in vooral het Griekse en later het Romeinse rijk wordt beschreven. Dit allemaal in een historische context met af en toe enkele uitstapjes naar andere tijdperken en culturen.  Het is zeer goed leesbare en voor mij boeiende lectuur. Ik ben nu op ongeveer een derde deel van het boek aangeland,  bij Socrates en Plato. Op  dat moment vindt er een enorme kentering in de filosofie plaats. Tot die tijd waren de filosofische vraagstukken vooral gericht op het ontstaan en de samenhang der dingen. De mens zelf speelde daarin wel een rol, maar ethiek en het onderlinge menselijke gedrag kwam nog weinig ter sprake. Juist die dingen gingen vanaf Socrates opeens  de hoofdrol spelen. Je zou die eerste periode de periode van de natuurfilosofie kunnen noemen. Cees Alders beschrijft  het denken van twaalf Griekse natuurfilosofen en daarnaast maakt hij in dat deel nog een uitstapje naar het denken van de Nepalees Boeddha.

ParmenidesTwee van die denkers wil ik nu even noemen. De eerste is Parmenides. Hij leefde ongeveer 475 voor Christus in Elea, in de buurt van Napels. Zuid-Italië, net als grote delen van Sicilië, vormde toen een Griekse kolonie. Hij zegt dat ‘verandering eigenlijk niet mogelijk is. Zoals het ook onmogelijk is aan niets te denken. De waarheid is een ondeelbaar, vast ding. Tijd bestaat niet. Omdat we niet alles tegelijk kunnen zien kunnen we deze waarheid niet bevatten. Verleden, nu en toekomst bestaan gelijktijdig.’

De andere denker die ik wil noemen is Democritus. Hij woonde zo’n vijftig jaar later in Thracië, toen ook onderdeel van Griekenland. Hij zegt: ‘de kleinste deeltjes die er bestaan noemen we atomen en die zijn ondeelbaar. Maar de atomen verschillen wel onderling van eigenschap. Ze bewegen zich, liefst in een rechte lijn, door het niets, zonder doel. Deze bewegingen ontstaan door botsingen met andere atomen. Zware atomen gaan klonteren, kleinere worden daardoor opgenomen in grotere.  Zo ontstaan volstrekt toevallig grotere eenheden. Deze krijgen eigenschappen. De hele wereld is te verklaren uit causale verbanden.’

Het waren twee denkers die naar mijn idee nog steeds heel actueel zijn en die hun tijd ver vooruit waren. De tweede, Democritus denkt vanuit een soort mechanica. Maar hij doet dat zonder ook maar iets te kunnen zien of bewijzen. Hij beredeneert alles puur vanuit een fictief idee dat op die manier de wereld in elkaar zou kunnen steken en alles wat je ziet zo te verklaren zou kunnen zijn. Ongelooflijk hoe dicht hij zit bij dingen zoals ze pas in de vorige eeuw ontdekt zijn. Hij is een optimist: op de lange duur valt alles te verklaren. Hij staat van de ene kant ver af denkers uit zijn tijd die uitsluitend willen accepteren wat je zintuigelijk kan waarnemen. Aan de andere kant had hij de overtuiging dat de mensen daar ooit nog wel een keer achter zouden kunnen komen. Parmenides uit Napels ging vijftig jaar daarvoor eigenlijk nog verder. Hij beweerde dat ‘tijd niet bestaat maar daar komen wij mensen niet achter omdat we er niet buiten of boven kunnen gaan staan’. We zitten bij Parmenides al in het denken van de vierde dimensie, dat ruimte en tijd vergelijkbare begrippen zijn en dat het verleden en de toekomst tegelijkertijd kunnen bestaan. In de quantummechanica lijken dergelijke ideeën nu eindelijk pas aan de orde. De zwaartekracht zit nog in de weg om het op een ook meer menselijk niveau te kunnen aantonen. Maar de nieuwe wetenschappelijke onderzoeken wijzen in een richting die aangeeft dat we er toch steeds dichter bij lijken te komen.

Hieronder de tekst van het artikel in de Volkskrant van Georges van Hal:

Plakjes silicium laten zich spookachtig verbinden.

Wanneer je op de Eiffeltoren in Parijs een pirouette draait, gaat je tweelingbroer op het Empire State Building in New York niet meteen hetzelfde doen. Toch is dat precies wat met deeltjes gebeurt in de tegendraadse natuurwetten van de quantumfysica, wetten die werken op de allerkleinste schaal. In weerwil van het gezond verstand kunnen deeltjes – de legoblokjes waaruit alles om ons heen bestaat – zich daarin als een enkel voorwerp gaan gedragen. Wanneer je vervolgens iets met het ene deeltje doet heeft dat direct invloed op de ander, ook als de ene in New York is en de ander in Parijs. Verstrengeling noemen fysici dat ook wel. Waarom verstrengeling voor deeltjes wel mogelijk is en voor mensen niet, is tot nog toe een raadsel.

Bij een recent experiment hebben onderzoekers verbonden aan de TU Delft daarom de grens tussen onze wereld en de bizarre quantumwereld verder opgerekt. Daarbij toonden ze aan dat plakjes silicium met de afmeting van een fikse bacterie óók quantumgedrag kunnen vertonen, eerder was dit alleen aangetoond met veel kleinere objecten. Althans: de plakjes silicium moeten wel eerst worden gekoeld tot vrijwel het absolute nulpunt. Nog niet helemaal een mens dus, en lastig te realiseren, maar wel een stapje in de juiste richting. ‘We willen dit soort experimenten de komende jaren met steeds grotere voorwerpen gaan doen’, zegt Simon Gröblacher (TU Delft). Samen met collega’s schreef hij de eerste resultaten op in het vakblad Physical Review Letters. Met behulp van een zogeheten Bell-test, een in de natuurkunde veelgebruikte lakmoesproef voor verstrengeling, bewezen de onderzoekers dat hun plakjes silicium inderdaad zo’n spookachtige verbinding hadden.

Quantumfysicus Alexander Brinkman (Universiteit Twente), zelf niet bij het onderzoek betrokken, noemt de resultaten ‘leuk’ en ‘redelijk overtuigend’. ‘Het meest spannende is dat het systeem dat ze gemaakt hebben massa heeft’, zegt hij. Dat betekent namelijk dat je op termijn kunt gaan kijken wat de invloed van zwaartekracht is op verstrengeling. Hoe je zwaartekracht – een kracht die vooral van belang is op menselijke schaal – moet vangen in de vreemde wetten van de quantummechanica is één van de grootste raadselen in de moderne natuurkunde. Samen met tien tot twintig andere onderzoeksgroepen zijn Gröblacher en collega’s daarom verwikkeld in een race om die invloed van zwaartekracht als eerste experimenteel in kaart te brengen. ‘Ik schat dat dat nog een jaar of vijf duurt, al zijn dat soort voorspellingen altijd gevaarlijk’, zegt hij.

De wereld vóór God
Auteur: C.J. Alders
Uitgever: Klokwerk-Design

  • Nederlands
  • 1e druk
  • 9789082930115
  • november 2018
  • ook als E-book
  • 392 pagina’s
  • EPUB met digitaal watermerk

 

Geplaatst in Astronomie, filosofie | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Spica

Als katholiek jongetje keek ik mijn ogen uit naar de maagden in de sacramentsprocessie. Ik zag dan een grote groep mooie jonge vrouwen in het wit gekleed, versierd met een bloemenkroon. Als vaste groep liepen zij ergens in de optocht. Ik had geen flauw idee wat maagden waren. Mooie, blanke, zinnenprikkelende vrouwen of zo iets. Maar het was een begrip: dáár liepen de maagden, werd me aangewezen.

In deze tijd van het jaar, zo vlak voor de kerst, is er maar een die maagd kan zijn en dat is natuurlijk Maria, de moeder van Jezus. Maagden zijn vooral zuiver en de maagden die ik indertijd zag waren volgens mij vooral zeer vruchtbaar. Maria was zo mogelijk nog meer vruchtbaar want zelfs zonder geslachtsgemeenschap kwam er een kind.

Aan de hemel kun je nu elke ochtend het sterrenbeeld maagd zien. De zon staat in dat sterrenbeeld van ongeveer 23 augustus tot 21 september. Vanouds is dat de periode van de oogst. De helderste ster van Maagd is Spica. Het woord Spica betekent korenaar. Het was in de verre oudheid al een belangrijke ster, zelfs al bij de Egyptenaren. De belangrijke vruchtbaarheidsgodin van de Nijldelta, Isis, kon je zien staan aan de hemel als het sterrenbeeld Maagd. En Spica droeg daarbij de luit van Isis.

In de astronomie is Spica een heel bijzondere dubbelster, en zelfs wordt vermoed dat er maar liefst vijf sterren zijn die om elkaar heen draaien. Heel bijzonder is dat. Maar ook als dubbelster is ze al bijzonder vanwege het feit dat beide sterren zeer dicht bij elkaar staan. Ze draaien in slechts 4 dagen om elkaar heen en staan veel en veel dichter bij elkaar dan dat bijvoorbeeld de aarde bij de zon staat. Beide sterren zijn ook nog eens heel heet, een van beide is een zogenaamde blauwe reus. De kleur blauw staat voor de temperatuur. Rood is vrij warm, geel is warm (onze zon), wit is zeer warm (Bijv. Rigel en Sirius) ,maar blauw mag je gerust zeer heet noemen. Doordat de twee sterren zo dicht bij elkaar staan zijn ze zelfs door grote telescopen niet afzonderlijk te zien. Door de veranderende lichtfrequenties heeft men kunnen afleiden hoe het eigenlijk zit. Andere afwijkingen worden zichtbaar als de ster door onze maan bedekt wordt, wat geregeld voor komt. Dat heeft geleerden op het idee gebracht dat er misschien nog drie sterren zijn die er bij horen. Spica is in dat geval een complex van maar liefst vijf sterren die we zien als één!

Spica staat zó dicht bij de ecliptica dat alle planeten en de maan in staat zijn om Spica te bedekken. Vooral de bedekking door de maan komt nogal eens voor. Op dit moment is de maan de ster Spica net gepasseerd. En nog meer spectaculair was nu de afgelopen twee dagen de samenstand van de maan met Venus. Zowel gisterochtend als vanochtend was dat goed te zien, eerst stond Venus links van de maan, vanochtend was het net andersom. Ik heb een foto gemaakt waarop je zowel de maan, Venus en Spica kunt zien, van links naar rechts.

maan-venus-spica

Spica hoort dus bij het sterrenbeeld van de maagd. In het voorjaar kun je deze ster aan de avondhemel zien, op dit moment dus aan de ochtendhemel. Wat ik gisteren en vandaag bij elkaar zag staan is eigenlijk een heel vruchtbare combinatie. Venus, de godin van de liefde, samen met de maan, die zorgt voor de getijden en het hemelwater en dan ook nog Spica, de korenaar. Misschien zagen de drie wijzen dat wel indertijd, een samenstand van deze drie vruchtbaarheidssymbolen. Daar moest ergens een belangrijk iemand geboren gaan worden, dat kon niet missen!

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , | 5 reacties

Brood en spelen

In het boek “de wereld vóór God” beschrijft Kees Alders in een klein hoofdstuk het ontstaan van de democratie in Athene, ongeveer 500 voor Christus. Griekenland dreigt veroverd te worden door de Perzen die inmiddels het grootste rijk ter wereld hebben weten te creëren door onder meer in het oosten Pakistan en Afghanistan en in het westen het hele Midden-Oosten en Egypte te hebben ingenomen. De aristocratische families die het al tijden voor het zeggen hebben in Athene kunnen geen vuist maken en zijn het vooral onderling oneens. Rechtspraak is grofweg niet veel anders dan bloedwraak toepassen waardoor er weer een volgende vete ontstaat. (Zoals dat in Albanië na de val van het communisme op dit moment trouwens  ook weer opnieuw het geval is, middeleeuwse toestanden dus. Dat zag ik gisteren in een documentaire op de Belgische TV, maar dat terzijde.)
Draco, een van de machthebbers in Athene van dat moment, nam draconische maatregelen. Misdaden werden als misdaden beschouwd, ongeacht wie ze gepleegd had. Iemand vermoorden vanwege bloedwraak was een misdaad en moest dus worden bestraft. Niet veel later werd ook het stemrecht ingesteld en iedereen die stemrecht had moest ook dienen in het leger. Dat laatste zorgde er voor dat het leger gelijk veel sterker werd. Driekwart van de bevolking (vrouwen en slaven) had trouwens nog steeds niets te zeggen, maar het was verder een uniek fenomeen dat bleek te werken in het zicht van de komende vijand. Over allerlei zaken die er toe deden kwam er een volksstemming. Het referendum was geboren. Vooral van belang was dat de belangrijkste aristocraten elkaar nu in evenwicht hielden. Elementen die als staatsgevaarlijk werden gezien werden nog steeds geëlimineerd. De belangrijkste wet was die van het verbod op godslastering en daarmee kon iedereen die dreigde het evenwicht te verstoren worden aangeklaagd en uitgeschakeld. Vrijheid van meningsuiting zoals wij die kennen was er absoluut niet, maar toch: Athene is in die tijd de bakermat van de democratie geworden.

Nu is er bij ons zowel democratie als ook vrijheid van meningsuiting. Afhankelijk van je kennissen en relaties in de sociale media kun je dat dagelijks zien: elke mening wordt geventileerd en tegelijk scharen heel wat gelijkgestemden zich daar achter. Op dit moment gaat het vooral om brood en spelen. Waar de Romeinen het al over hadden: zorg dat de mensen te eten hebben en zich kunnen amuseren. Spelen is nu: genoeg geld hebben om auto te kunnen rijden, een dure smartphone hebben en afhankelijk van je verdere positie in het sociale leven zijn er zo nog wat mogelijke speelwensen. Brood is natuurlijk: een dak boven je hoofd hebben, vaste lasten  kunnen betalen en genoeg te eten hebben.

Maar wat zien we tegelijkertijd op dit moment: de mensen gaan er al heel lang niet of nauwelijks meer op vooruit, terwijl brood en spelen intussen langzaam maar zeker duurder worden. Dus komen ze in opstand. Dat het misschien goed zou zijn om de broekriem aan te trekken wil er bij bijna niemand in. Verwezen wordt naar inhalige bankdirecteuren die door de politiek beschermd worden.  Waarom zij wel en wij niet? Wij willen ook meer! En in het zicht daarvan hebben de mensen geen boodschap aan maatregelen om het milieu te verbeteren of om  vluchtelingen te beschermen. Ze willen er zelf niet op achteruit gaan, punt. En die boodschap wordt in alle reclames die je om je heen ziet, of die je op sociale media ziet en hoort, keihard verkondigd. Helaas gaat dat niet samen met lange termijn doelen. Gele hesjes zeggen: we willen brood en spelen en de rest kan ons geen donder schelen. Macron heeft het moeilijk. Ik ben bang dat binnenkort heel Europa hier mee te maken gaat krijgen. Onze democratie kent in tegenstelling tot die van het oude Athene wel vrijheid van meningsuiting en dat feit zou wel eens een revolutie kunnen veroorzaken waar straks niemand meer blij mee is.

Geplaatst in filosofie, Geschiedenis, maatschappij | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Advent

In de Volkskrant van gisteren stond een artikel over de adventskalender. Vroeger was de periode van de advent, de periode vanaf vier zondagen voor Kerstmis, bij de katholieken een periode van vasten, zoals ook voor Pasen werd gevast. Als kind kregen we een soort kalender waar we vooral op invulden dat we naar de kerk waren geweest, liefst elke dag. En als je snoep kreeg dan spaarde je dat op, alleen op de zondag mocht je dat dan opeten. Tegenwoordig zijn er nog steeds adventskalenders .

adventskalender Zoals een adventskalender waar 24 speciaal bieren aan gekoppeld zijn: elke dag van de advent een ander speciaal bier. Het tegenovergestelde van wat ooit een adventskalender wilde zijn: elke dag een duur biertje totdat het vreetfestijn zelf kan beginnen. De journalist vertelt dat de mensen niet veel meer met het Christendom hebben maar wel hangen naar een vorm van bezinning, vandaar dat deze adventskalenders zo “in” zijn. Het speciaal bier kan blijkbaar elke dag tot een vorm van roezige bezinning leiden…

In de tijd van Bach was dat in ieder geval heel anders. Of er adventskalenders waren weet ik niet. Maar het piëtisme vierde hoogtij. En Bach kon op een indringende manier duidelijk maken waar het om moest gaan: om een innerlijke beleving van het wachten op de komst van Jezus Christus. In 1714 schreef hij voor de eerste zondag van de advent een cantate in Weimar, BWV 61. Het uitzien naar de geboorte van Christus vindt in deze cantate op enkele mooie manieren plaats. Vooral het vierde deel is erg intiem en indringend. De cantate heeft zes delen. Ik vertel iets over deel 1, 4 en 6.

 

In het eerste deel, gebouwd als een Franse ouvertüre  “langzaam-snel-langzaam” krijgen we het gevoel alsof op een feestelijke manier de geboorte van een koningszoon wordt aangekondigd. Tijdens het eerste langzame deel  horen we:  ‘Nun komm, der Heiden Heiland, der Jungfrauen Kind erkannt’:  ‘nu kom, redder van de mensheid, jij aangekondigd kind van de maagd’. In het snelle deel:  ‘es sich wundert alle Welt’: ‘iedereen op de wereld is verwonderd’,  klinkt een soort fugato: de tekst wordt na en door elkaar gezongen. De hele mensheid is zich aan het verwonderen.  Het langzame slotstukje zegt dan tot de toehoorders als een soort boodschapper van God: ‘Gott solch Geburt ihm bestellt ‘: ‘de geboorte is door God voorbestemd’. Hiermee is dan het eerste feestelijke deel dat zich aan een koninklijk hof lijkt af te spelen afgesloten. De komst van de verlosser is feestelijk verkondigd.

 

Het vierde deel van deze cantate neemt een wending zoals je die niet zou verwachten. We zijn terechtgekomen in het hoofd van de vol verwachting zijnde mensen. Ingetogen biddend wacht iedereen totdat de heer er is. Dan klopt hij op de deur en hij hoopt dat wij hem willen binnen laten en hem mee willen laten eten. Deze maaltijd staat voor de eucharistiedienst. Bach laat Christus letterlijk kloppen en vragen of hij binnen mag komen:  ‘Siehe, ich stehe vor der Tür und klopfe an. So jemand meine Stimme hören wird und die Tür auftun, zu dem werde ich eingehen und das Abendmahl mit ihm halten und er mit mir’:  ‘Kijk, ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort wil hij de deur dan openmaken. Ik zal dan bij diegene naar binnengaan en het avondmaal met hem nuttigen, en hij met mij.’

 

Het zesde en laatste deel  heeft als tekst: ‘Amen, Amen! Komm, du schöne Freudenkrone, bleib nicht lange! Deiner wart ich mit Verlangen: ‘Amen, amen, jij mooie vreugdevolle kroon, laat het niet te lang duren. Ik kijk vol verlangen naar jou uit.’ De mensenmassa die in deel 1 aangesproken is m.b.t. de komst van de verlosser, heeft het bericht nu eindelijk in zich opgenomen en kijkt  vol verwachting uit naar de geboorte van Christus: het is advent!

De uitvoeringen hierboven zijn van het Monteverdi Choir en the English baroque soloists o.l.v. John Eliot Gardiner. De solist in deel 4 is Jan Kobow. Opname st. Maria im Kapitol, Keulen, 3 december 2000. De betreffende CD kun je kopen via https://monteverdi.co.uk/shop/bach-cantatas-13
De box met naast deze CD alle cantates, opgenomen gedurende een Europese tournee, kun je ook kopen via deze link. De meest mooie uitvoering van deze muziek die ik ken.

De hele cantate, eveneens door het Monteverdi Choir, kun je hier vinden:

 

Andere stukjes die ik schreef naar aanleiding van een cantate van Bach

Geplaatst in maatschappij, muziek | Tags: , , , | 2 reacties

De kwintencirkel

Ik kreeg onlangs de vraag voorgelegd waarom ik mijn blog “de kwintencirkel “ heb genoemd. In het kort heb ik dat al uitgelegd bij https://ppsimons.com/over/ maar het is de moeite waard er ook een wat langere bespiegeling aan te wijden.

De kwintencirkel is in de muziek wat in de meetkunde de cirkel of de bol is. Het is het symbool van geslotenheid en oneindigheid. Je komt altijd op hetzelfde punt terug maar tegelijk is er geen einde. De kwintencirkel is een muziekterm die ook iets zegt over de verhouding van de toonsoorten. De kwintencirkel is een fenomeen dat je natuurkundig, zo je wilt wiskundig, kunt verklaren. De vier hieronder genoemde punten geven deze verklaring:

  • Als je een interval van een kwint speelt op een piano  (bij voorbeeld C-G) is de frequentie van de tweede toon een toon die 3/2 van de frequentie bedraagt van de originele. Laten we zeggen de originele toon heeft een frequentie van  100 hertz. De kwint erboven heeft dan een frequentie van 150 Hertz.
  • Als je dat 12 keer achter elkaar doet hoor je dus een heel hoge toon, in dit geval een toon met een trillingsgetal van (3/2)12  x 100 =  12975 hertz.
  • Als je een octaaf speelt op een piano is dit een toon die twee keer de frequentie heeft van de originele. Laten we zeggen de originele toon = 100 hertz. Het octaaf is dan 200 hertz.
  • Als je dat 7 keer achter elkaar doet hoor je een heel hoge toon, in dit geval dus een toon met een trillingsgetal van 2x 100 = 12800 hertz.

Het verschil tussen 12 kwinten en 7 octaven is zo klein dat dat niet goed hoorbaar is. Het lijkt er voor je oren op alsof je na 12 kwinten weer opnieuw begint. De cirkel is gesloten. Dit principe is in de tijd van Bach geïntroduceerd. Men ging een toetsinstrument zodanig stemmen dat elk interval binnen het octaaf paste. Dat had tot gevolg dat bijvoorbeeld een kwint een fractie lager gestemd moest worden dan de natuurlijke verhouding 2:3. Zo kwam je na 12 kwinten precies uit op zeven octaven. Voor het eerst was het mogelijk om muziek op een toetsenbord in 12 toonsoorten te spelen, alles kon je steeds naar believen op een andere toon laten beginnen zonder dat het opeens vals was. Bij de oude stemmingen die uit gingen van de exacte zuiverheid van de basiskwint van een toonsoort (2:3) klonken sommige toonsoorten loepzuiver, andere klonken afschuwelijk vals.

Intussen zijn we niet meer anders gewend. Vanaf de late barok is deze zogenaamde gelijkzwevende stemming de regel. Al de prachtige muziek die er sindsdien geschreven is maakt gebruik van de mogelijkheden hiervan. Je kunt nu modulaties maken en allerlei tonale spanningsvelden creëren. In de jazz en popmuziek is dat principe ook overgenomen.

Toch blijft dit heel bijzonder. Het is een natuurkundig fenomeen met enorme gevolgen voor de muziek. Bijna net zo belangrijk als een ander fenomeen: als je een toon hoort met een dubbele frequentie ervaar je die toon niet als nieuw, maar als hetzelfde. Als mannen en vrouwen samen zingen, zingen ze niet twee liedjes maar ze zingen voor ons gevoel hetzelfde liedje. Stel dat dat niet zo zou zijn dan zouden er oneindig veel tonen in de muziek zijn. Je zou bij een zeventonige toonladder blijven doortellen. Nu ziet een toonladder van A-mineur er zo uit: A B C D E F G  en dan begint hij weer bij A’ B’ C’. Het accentteken geven we aan om te zeggen dat we in een hoger octaaf zitten. Maar zouden we dat octaaf niet ervaren dan zou de toonladder er zo uit zien: A B C DE F G H I J K L M etc. Eindeloos door. Elk verband en houvast zou ontbreken. Het fenomeen muziek zoals wij dat nu kennen zou dan niet meer kunnen bestaan.

Deze twee wonderen hebben een natuurkundige basis maar ze worden door alle mensen intuïtief  herkend en vertaald naar muzikale gewaarwordingen. We horen natuurkundige verschijnselen en ervaren daarbij emoties. Elk muziekstuk kun je analyseren. Ik ben muziektheoreticus en kan dankbaar gebruik maken van een jargon dat daarbij past. We hebben het dan bijvoorbeeld over tussendominanten, Napelse sext-akkoorden, overmatige drieklanken en ga zo maar door. Voor de geschoolde musicus: deze weet niet alleen wat daarmee bedoeld wordt maar inwendig hoort hij bij het lezen van die fenomenen bepaalde klanken en werkingen. Die fenomenen hebben allemaal een natuurkundige, zo je wilt wiskundige basis. Maar iedereen hoort en ervaart, ook als je de namen niet kent, die wiskundige principes. De mensen zwijmelen bij het plotseling veranderen van een natuurkundige verandering van 4:5 in 5:6. Of het langzaam dalen in toonhoogte met de frequentie 16:15. Het eerste heet: overgaan naar mineur, het tweede wordt veel bij muzikale jammerklachten gebruikt. (Zoals bij de basloop in de beroemde Aria van Dido in de muziek van Purcell, een zogenaamde lamento-bas)

Muziek is een gesloten systeem met een bijna oneindig aantal gevoelsmatige, ja zelfs emotionele ervaringen tot gevolg. Het is een van de grootste wonderen der natuur. Compleet vanzelfsprekend want we ervaren het, maar eigenlijk is het onbegrijpelijk. Er zijn veel denkers geweest, zoals Ibn Arabi, die muziek als een soort poort naar het Goddelijke begrip hebben beschouwd. Ik ben het daar helemaal mee eens. Waarom wij er zijn, waarom het leven er is, hoe het vorm heeft gekregen, al die dingen zijn onbegrijpelijk. Maar via de muziek hebben we een klein doorgeefluikje gekregen naar deze mystieke werkelijkheid.

Behalve in de muziek zien we vergelijkbare principes overal. De aarde draait om de zon en elke onderlinge positie keert na een jaar weer terug. De kwintencirkel van de aarde sluit zich weer na een jaar en alles begint opnieuw. Toch is elk jaar weer een beetje anders. Elk jaar krijgen de bomen opnieuw bladeren. De boom blijft leven maar de blaadjes gaan dood. Ze vergaan tot compost en dienen als voedsel voor de bomen en andere levensvormen. Maar de boom gaat ook dood en dient weer tot voedsel voor andere levensvormen. Wat is dood in de muziek? Dat bestaat niet. Een stuk kan afgelopen zijn, dat wel. Dood is niets anders dan de tijdelijke stilte in de muziek. En die stilte is aangenaam en nodig. Zo is ook de dood een aangename, maar tijdelijke onderbreking van het leven. Dit principe zien we ook als we kijken naar de geschiedenis, naar culturen, naar de kosmos: we zien het cyclische, het zich steeds herhalende in een steeds weer iets ander jasje.

De kwintencirkel staat voor mij zo voor al dit soort dingen. De samenhang in het leven. De ontroering van het leven. De logica van de dingen. Het beleven van muziek is de hoogste staat van menselijke ervaring. Eindelijk ben je dan heel even dicht bij het onbenoembare.

Geplaatst in filosofie, muziek | Tags: , , | 4 reacties

De aankondiging van de komst van Christus bij de Sibylle van Perzië en bij Orlando di Lasso

Dit jaar begint de advent op zondag 2 december, dus over ruim een week. In de advent wordt in Christelijke kringen uitgekeken naar de komst van de geboorte van Jezus Christus, de aangekondigde verlosser. Zijn komst is in de bijbel op meerdere plaatsen aangekondigd. In het oude testament lezen we In Jesaia 2:14:  “Daarom zal de Heer zelf u een teken geven: de jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuel noemen.” Ook de drie wijzen uit het oosten zouden een bericht hebben gekregen van een engel waarbij ze een ster moesten volgen om de verwachte nieuwe koningszoon te vinden. Maar er zijn ook heidense profetieën van de geboorte van Christus. De Sibyllijnse profeet van Perzië zegt:

Het zaad van een maagdelijke moeder zal zitten op een gezadelde ezel,
de vreugde brengende prins, de enige die kan brengen redding,
regels in plaats van verkeerde dingen; maar het zal gebeuren in die dagen
dat velen veel dingen voorspellen, enorme werken staan te gebeuren.
Het enige dat nodig is om te voorspellen is het volgende woord:
dat God zal worden geboren uit een  maagd, een machtige

Wie zijn dat, deze Sibyllijnse profeten? Het zijn vrouwelijke waarzeggers die dingen voorspelden, en die zijn daarna opgetekend in boeken. Zo ontstonden boeken met orakels. De meeste van die boeken zijn enkele eeuwen voor Christus geschreven in een Romeinse omgeving. Ze werden geraadpleegd in geval van rampen en andere dreigingen. Maar toen het Joodse geloof en ook het Christendom begonnen op te komen hebben geleerden vanuit die kringen een aantal van die teksten zo omgevormd, dat ze pasten in een Joods dan wel Christelijk plaatje. Zo ontstonden de 12 profetieën van de 12 Sibyllen, een soort priesteressen. (Ook in Griekenland bij het orakel van Delphi was er een speciaal geselecteerde vrouw, de Pythia, die als een soort intermediair tussen Apollo en enkele priesters stond. De priesters tekenden de voorspellingen op, die de Pythia bijna onverstaanbaar stamelde.) De 12 Sibyllen die ook bekend werden binnen het Christelijke geloof worden vaak geassocieerd met de tegenhangers van de 12 Bijbelse profeten. Het was in die tijd een perfecte manier om het Christelijk geloof onder heidenen aan de man te kunnen brengen. De teksten van deze  “gekerstende Sibyllen” zijn niet alle 12 tegelijk ontstaan, de meeste orakels zijn waarschijnlijk rond 200 na Christus opgeschreven.

Afbeeldingen van deze zieneressen zien we gedurende de hele middeleeuwen en nog later, zoals in de Sixtijnse kapel, Hieronder de Perzische Sibylle, geschilderd door Michelangelo.

This image has an empty alt attribute; its file name is michelangelo-persische-sibylle.jpg

Er zijn daarnaast componisten die er zich door lieten inspireren, zoals Orlando di Lasso, ook wel Lassus genoemd. Hij schreef 12 motetten op teksten van de 12 Sibyllijnse profetieën onder de naam “Prophetiae Sibyllarum”.  Ze zijn in 1600 in Beieren postuum in druk verschenen, opgedragen aan de hertog van Beieren. Of Lassus ze in Beieren geschreven heeft is niet zeker, sommige mensen denken zelfs dat ze wel eens uit zijn Romeinse tijd zouden kunnen stammen. Misschien heeft hij ze bij zijn sollicitatie in 1556 in Beieren mee genomen en opgedragen aan zijn hopelijk nieuwe broodheer.
op Wikipedia lezen we:
Raoul de Lâtre was koorknaap aan de Sint-Nicolaaskerk te Bergen. De vice-koning van Sicilië nam de jongen, na toestemming van zijn ouders, mee naar Italië. Hij bleef daar onder de naam Orlando di Lasso tot 1550. Nadat hij de baard in de keel had gekregen werd hem een aanstelling in Parijs aangeboden. Vervolgens werd hij in 1553 kapelmeester van Sint Jan van Lateranen in Rome. Hij reisde door Frankrijk en Engeland en bleef in 1555 hangen in Antwerpen. Hier publiceerde hij zijn eerste vierstemmige madrigalen, gelijktijdig met de publicatie van zijn eerste vijfstemmige madrigalen in Venetië. In 1556 benoemde Albrecht V, de hertog van Beieren, hem tot lid van de hofkapel te München, waarvan hij vier jaar later leider werd en bleef tot zijn dood in 1594.

Eigenlijk kun je het werk het beste dateren op stilistische gronden. Het veelvuldige  gebruik van chromatiek laat een verwantschap zien met werken van Cipriane de Rore of ook wel met het werk van Gesualdo da Venosa. Dergelijke werken schreef Lassus feitelijk al rond 1555, zodat het mogelijk is dat hij dit werk ergens in Italië, Frankrijk of Vlaanderen heeft geschreven zo tussen 1553 en 1556. Op wikipedia lezen we:
De vorming van de chromatiek bij Cipriane de Rore, later door Gioseffo Zarlino (1517–1590), de leraar van Girolamo Frescobaldi, nog intensiever toegepast, is tegelijk een neerslag van de humanistisch-antiquiserende tendens, en een nabootsing van de chromatiek en enharmoniek van de antieke Griekse muziek. In het midden van de zestiende eeuw was chromatiek het compositorische neusje van de zalm geworden.
Maar de typische chromatische stijl van Gesualdo waar het stuk ook aan doet denken dateert pas van rond 1590. Dat is vier jaar voor de dood van Lassus. Het blijft dus onduidelijk wanneer Lassus dit werk nu gemaakt heeft.

Laten we nu eens gaan luisteren naar hoe Orlando di Lasso de Perzische Sibylle de komst van Christus laat aankondigen.

Virgine matre satus, pando residebit asello,
Iucundus princeps, unus qui ferre salutem
Rite queat lapsis: tamen illis forte diebus
Multi multa ferent, immensi fata laboris.
Solo sed satis est oracula prodere verbo:
Ille Deus casta nascetur virgine magnus.

Het zaad van een maagdelijke moeder zal zitten op een gezadelde ezel,
de vreugde brengende prins, de enige die kan brengen redding,
regels in plaats van verkeerde dingen; maar het zal gebeuren in die dagen
dat velen veel dingen voorspellen, enorme werken staan te gebeuren.
Het enige dat nodig is om te voorspellen is het volgende woord:
dat God zal worden geboren uit een voortreffelijke maagd

De tekst van dit gedicht kun je feitelijk in twee delen verdelen. Het eerste deel schildert hoe een prins gezeten op een ezel zal komen. Het tweede deel, vanaf “tamen illis forte diebus” (“maar het zal gebeuren in die dagen”), schildert dat het zal gaan om een machtig iemand die geboren wordt uit een maagd. We zoomen nu eerst even in op dat tweede deel van het motet. 
(Door op de partituur te klikken wordt deze nog een keer als een apart bestand in een ander venster geopend, welk je ook kunt maximaliseren zodat je alles goed kunt bestuderen).

De tegenstelling met het voorafgaande eerste deel springt er gelijk uit door zijn ritmiek: alle partijen zingen “Multi multa ferient”, twee keer achter elkaar, in een soort 10/8 maat: een twee drie, een twee drie, een twee, een twee, en nog een keer: een twee drie, een twee drie, een twee, een twee.  De tekst “De immensa facta laboris”, (de grote werken die gedaan gaan worden), wordt uitgedrukt door gebruik te maken van lange notenwaarden. Dan komt er een mooie, subtiele tegenstelling: “Solo”. Hier wordt verteld dat het feitelijk om slechts “een” ding gaat. Het woord “solo” wordt heel subtiel, eenstemmig, door alleen de sopranen gezongen.

En waar gaat het uiteindelijk slechts om: om de voorspelling dat er een God geboren zal worden uit een maagd, het fragment waarmee het motet daarna wordt besloten. Dit deel kenmerkt zich door een vrij extreme chromatiek. Voor zij die iets weten van toonsoorten en akkoorden: speel de akkoorden maar eens op piano vanaf de laatste twee systemen, ik heb ze in bovenstaande partituur onder de systemen gezet.

Dit laatste stuk klinkt daardoor allerminst vreugdevol, zoals je eigenlijk bij de aankondiging van de verlosser zou verwachten, maar het klinkt vooral dramatisch, of zelfs droevig. We zien onder meer hoe opeens een C akkoord over gaat in een C-mineur akkoord. Het woord “deus”, God, gaat over in mineur. Hier wordt al het dramatische einde van deze God aangekondigd, het lijdensverhaal. Juist op dat punt zien we ook nog eens hoe de melodie bij de sopranen daalt. Ook andere woorden worden subtiel uitgebeeld. Nascetur, geboren worden, gaat steeds een klein beetje omhoog. Het woord “magnus”, de machtige, is nog enigszins in een iets hoger register. Maar dat hele laatste stukje kent in de toplijn van de sopranen slechts een omvang van een verminderde kwint, een uiterst kleine ambitus dus. Alle uitbundigheid is in dit deeltje verdwenen. Christus komt dan wel, maar de Perzische Sibylle voorspelt dat het er niet makkelijker op wordt…

Het hele motet klinkt zo:

En alle twaalf de motetten, inclusief proloog, klinken zo:

Geplaatst in Geschiedenis, muziek | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

Iran, bakermat van onze beschaving

Wie heeft de afgelopen jaren de verschillende afleveringen van “Onze man in Teheran” van Thomas Erdbrink gezien? Het programma vertelt veel over de huidige cultuur en de veranderingen die er in Iran plaats vinden. Je kunt via NPOstart alle afleveringen terug zien. Maar voor archeologen en historici is ook het verleden van het land buitengewoon boeiend. Nu is het land islamitisch, maar eigenlijk is dat gezien vanuit de zeer lange culturele geschiedenis van het land pas heel kort zo. Wat was er daarvoor? Wil je die godsdienst, die nog steeds bestaat, leren kennen, dan kun je het beste naar India gaan. Daar wonen ongeveer 60.000 mensen die Parsi worden genoemd. Zij zijn geen hindoe, zoals de meeste mensen daar, maar aanhangers van het zoroastrisme. Dat is een eeuwenoude godsdienst die uit Perzië, het huidige Iran afkomstig is. Tot de komst van de Islam in 650 na Christus, is het zelfs lange tijd de staatsgodsdienst geweest. En niet alleen in India, ook in Iran zelf kun je nu nog steeds ongeveer 20.000 mensen vinden die deze godsdienst belijden.

Zoroaster, beter bekend onder de naam Zarathustra, was iemand die waarschijnlijk leefde ergens tussen de veertiende en twaalfde eeuw voor Christus. (Wij zaten toen nog in de nadagen van de laatste ijstijd…) Hij was de profeet voor de goede god. Volgens hem is Auramazda de ware god en zijn alle andere goden halfgoden. De mens is geschapen om te strijden tegen de machten van het kwade. Het geloof zit daarom ook niet in het aanvaarden van een leer, maar in het denken, zeggen en het doen van het goede. Zarathustra kennen we waarschijnlijk van het boek van Nietsche “Also sprach Zarathustra”, en van het symfonische gedicht dat Richard Strauss schreef naar aanleiding weer van dat boek. Ondanks dat de koningen van dat rijk waarschijnlijk geen lieverdjes waren, krijg je toch een vrij positief beeld van de cultuur in die tijd. Er zijn veel imposante dingen tot stand gekomen zoals irrigatiewerken, maar er werd geen gebruik gemaakt van slaven. Alle werknemers kregen keurig betaald. Ook werd opgeschreven hoeveel brood iedereen elke dag moest krijgen.

zooastrisme

De koning van Perzië stelde zichzelf graag voor als Auramazda, hij die de weg wijst. We zien als symbool een oude wijze man op een adelaar die duidelijk een kant uit wijst: dit is de goede weg. In zijn hand draagt hij een ring die loyaliteit en eenheid moet verbeelden. De drie geledingen van zijn vleugels staan voor goede gedachten, goede woorden en goede daden. Bij de staartveren is het juist het omgekeerde. De drie geledingen staan nu voor slechte gedachten, slechte woorden en slechte daden. Die dient de mens dus te vermijden en achter zich te laten. De ring tussen de vleugels stelt het heelal voor: er is geen begin en geen einde en de wereld kent een cyclisch principe. Ondanks het feit dat in Iran nu de Islam staatsgodsdienst is wordt dit symbool nog steeds als nationaal symbool gebruikt om het goed en het kwaad te verbeelden.

relief-persepolis

Perzië bereikte zijn grootste omvang in de zesde eeuw voor Christus onder Darius de Grote. In Persepolis kun je nog steeds zien hoe hij, onder het Auramazda-symbool, zichzelf heeft afgebeeld als overwinnaar van vele koningen en volkeren. De grootste tegenstander wordt letterlijk vernederd doordat hij hem onder een voet vertrapt, de andere koningen kijken hem onderdanig aan terwijl hun handen achter hun rug zijn geboeid. Dit reliëf is geleidelijk ontstaan, doordat er, nadat er meer volkeren waren overwonnen, weer nieuwe geboeide koningen aan de rechterkant werden toegevoegd. Als laatste zien we een Scytische koning met een puntmuts.

zaal

In het Drents Museum was tot afgelopen zondag een heel bijzondere tentoonstelling die de rijke cultuur van het huidige Iran laat zien. De zaal geeft een prachtige sfeer weer, door de plaatsing van de vitrines, de belichting, de Perzische tapijten en de fotoreliëfs op enkele wanden, soms in de grootte 1 op 1 zoals op de afbeelding van het reliëf in Persepolis dat ik al iets eerder heb laten zien. Meer dan 200 originele objecten uit het staatsmuseum van Teheran zijn tentoongesteld met een mooie toelichting erbij. Van prehistorische vuistbijlen, bronzen en ijzeren voorwerpen, veel aardewerk tot ook objecten uit de Islamitische tijd, zoals een verluchtigde koran. Heel indrukwekkend is alles wat je kunt zien rond de ontwikkeling van het spijkerschrift. Onvoorstelbaar als je je voorstelt hoe het er in die regio toen al aan toe ging, enkele duizenden jaren voor Christus. In Nederland sloegen ze elkaar toen nog met stenen vuistbijlen de koppen in…. Het geheel kun je bijna niet beschrijven, de cultuur en de culturele ontwikkeling van vele eeuwen komt min of meer langs. De tentoonstelling is nu afgelopen maar je kunt denk ik nog wel de prachtige catalogus in het museum aanschaffen.

Ik wil om toch een indruk te geven enkele voorwerpen die ik fotografeerde laten zien met daarbij steeds een kleine toelichting.

handelsbol

Deze zogenaamde kleibulle uit 3200 voor Christus werd door de handelaar die producten verstuurde meegegeven met de zending. Dit deed men al vanaf ongeveer 7000 voor Christus. Als bewijs van originaliteit waren er aan de buitenkant afbeeldingen in het eerst nog natte aardewerk gemaakt door middel van speciale afdrukzegels. Zo wist men van wie de zending kwam en was de opdracht als het ware verzegeld. Sloeg degene die de zending ontvangen had deze bulle kapot, dan zaten er enkele stenen van verschillende vorm en grootte in. Elke vorm stond voor een bepaald soort product, bijv. graan. De hoeveelheid stenen met die vorm stond voor de hoeveelheid van het betreffende product. Een buitengewoon vernuftig systeem dat dus erg lang dienst heeft gedaan. Later kwam daar het spijkerschrift voor in de plaats.

vaas

Deze spekstenen vaas is gemaakt tussen 2600 en 2400 voor Christus. Speksteen kan zich goed laten bewerken want het is een relatief zachte steensoort. De vaas is uitgebreid versierd. We zien moeflons, die in die tijd veel als vee werden gehouden. De symmetrie van hoe alles getekend is doet me denken aan de Romaanse periode in het westen, waarbij we heel vaak planten en diersoorten zien, die op een symmetrische wijze zijn vorm gegeven. Leeuwen met de koppen tegen elkaar, twee in elkaar gestrengelde slangen en dat soort afbeeldingen. Maar dan heb ik het over zo’n 3500 jaar later..

kom

In een iets latere periode zien we aardewerk met vergelijkbare afbeeldingen, zoals deze kom die tussen 1450 en 1150 voor Christus is vervaardigd. Opvallend is ook het symbool van water, de kronkelende streepjes. Ditzelfde symbool blijft tot ver in de middeleeuwen in gebruik. Heel vaak herkennen we daar bijvoorbeeld Johannes de Doper aan. Water was extreem belangrijk. Grote delen van Perzië zijn en waren droog en woestijnachtig. Maar door de nabijgelegen bergen was het mogelijk grote irrigatiewerken aan te leggen, zodat mens en vee ook daar konden leven.

potjes

Behalve dagelijkse gebruiksvoorwerpen of wapens waren er in de tentoonstelling ook dingen te zien die te maken hebben met de grafcultuur. Er waren bij een begrafenis uitgebreide wijnceremonies met speciaal daarvoor gemaakte schenkkannen. Zoals deze aardewerken schenkkan, met maar liefst zeven met elkaar verbonden kannetjes en een snavelvormige tuit, gemaakt tussen 850 en 550 voor Christus.

spijkerschrift

Het spijkerschrift heeft een grote ontwikkeling doorgemaakt in Perzië, en van de verschillende stadia waren er in de tentoonstelling allerlei voorbeelden te vinden. Dit is een heel laat voorbeeld uit 680 tot 645 voor Christus, waarop staat vermeld hoe het brood verdeeld moest worden.

Tijdens de tentoonstellingen kon je meerdere informatieve films zien. Een korte film van ruim zes minuten is te zien op museumtv. Om hem te kunnen zien moet je wel een (gratis) account hebben, of je moet inloggen via Google+ of Facebook.

https://www.museumtv.nl/video/mini-docu-iran-bakermat-van-de-beschaving/

Iran is een fascinerend land dat gebaat is bij meer kennis in het westen van zijn huidige en zijn oude cultuur. Ik heb zeer genoten en wie weet volgt er nog eens een reis richting dat land!

Geplaatst in filosofie, Geschiedenis, kunst, maatschappij, recensie, taal | Tags: , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

Einde eerste Wereldoorlog

Gisteravond bij “de Wereld draait door” merkte Peter Vandermeersch op hoe weinig aandacht er in Nederland was voor het herdenken van het einde van WO I.  Waarom zou je ook: Nederland was in die tijd neutraal, het land was niet ingenomen door welke partij dan ook en had vooral veel  geld verdiend aan deze oorlog. Dus niets bijzonders toch? Toch waren er ook in Nederland enkele opmerkelijke herdenkingen zowel zaterdag als zondag die in dit TV-programma niet vermeld werden. Op zaterdag was er in het Vredespaleis een internationaal congres over oorlog en vrede waarbij vooral WO I centraal stond. In het kader daarvan was er ’s avonds een concert in de aula van het Vredespaleis. Hier was ik bij:  met name de teksten van Vincent Bijlo maakten bij mij grote indruk. Alles was muzikaal ingebed. Voor de pauze klonk er muziek geschreven tijdens de eerste wereldoorlog, uitgevoerd door het Monteverdi Kamerkoor Utrecht. Na de pauze nam de Koselleck Big Band het over met als solist Fay Lovsky. Deze muziek onderstreepte de teksten waardoor het hele verhaal van de eerste wereldoorlog nog een keer de revue passeerde, ook hoorden we veel over de gebeurtenissen die er op volgden zoals de gelukte dan wel mislukte revoluties. Bij mij bleef het meeste bij het verhaal over Fritz Haber, de uitvinder van zowel het chloorgas als het mosterdgas. Haber was zelf als kolonel bij de eerste chloorgas-aanval in Ieper. Een jaar na de eerste wereldoorlog kreeg hij de nobelprijs voor chemie, weliswaar vanwege een andere uitvinding. Later vond hij ook nog Zyklon B uit, het gas waarmee miljoenen doden in de tweede wereldoorlog werden vergast. Dat heeft hij niet meegemaakt, want hij was als professor aan de kant gezet in 1933, omdat….. hij jood was.. Hij overleed in Basel in 1934 aan een hartaanval.

Zondag werd het concert van ruim twee uur herhaald in Doorn, nu met als solist Ellen ten Damme. Ik was er niet bij, maar het schijnt zo mogelijk nog indrukwekkender te zijn geweest. De titel van het concert was: “the concert to end all wars”. Een indrukwekkende herdenking die bij de meeste aanwezigen keihard  binnenkwam, die helaas naar mijn weten door  geen hoogwaardigheidsbekleders is bijgewoond.

Vincent Bijlo was af en toe cynisch hard, vooral over ” het Nederland” van die tijd. De koeien loeiden vredig. Koningin Wilhelmina liet de vluchtelingen uit België toe:  ‘wir schaffen das’.  Vooral in het zuiden werden de grenzen bewaakt. Mijn grootvader was erbij, als jongeman van 32. Hij staat in de achterste rij helemaal rechts op de foto. God zij dank werd Nederland beschermd..

soldaten

Waarom moet WO I herdacht worden? Niet alleen vanwege de slachtoffers, maar vooral ook vanwege het feit dat toen begonnen werd met het inzien van de noodzaak tot samenwerking om zo tot een permanente vrede te komen. Na 1945 werd die draad weer opgepakt en dat leidde tot de EU. Als we terugdenken aan die oorlogen dan moeten we ons schamen dat we de neiging hebben die samenwerking nu weer klakkeloos overboord te gooien. In die geest is het ook schandalig dat veel plaatsen in Nederland weigeren om Duitsers toe te laten bij hun herdenkingen. Mensen, waar gaat het om! Het gaat om samenwerking! Met iedereen!

Kijk ook terug naar het interview met Peter vanderMeersch  https://dewerelddraaitdoor.bnnvara.nl/media/508541

 

Geplaatst in Geschiedenis, maatschappij, muziek, recensie | Tags: , , , , , , , , | Plaats een reactie

Donkere luchten, zwarte gaten en glissandi

Je houdt van sterren en planeten maar je bent bang voor het donker. Dat overkomt mijn oudste kleinzoon. Nu de dagen weer erg kort beginnen te worden is het al donker als hij om zeven uur  ’s avonds door opa en oma wordt thuis gebracht. En dat vindt hij niet leuk. In het donker is de wereld moeilijker te begrijpen en dat beangstigt hem. Met zijn hoofd naar beneden loopt hij naar de auto zodat hij dat donkere gat in de lucht niet hoeft te zien. En hij wil voor de deur afgezet worden, wat ons helemaal niet goed uitkomt want daar kun je niet parkeren. Maar het lijkt nu toch  enigszins doorbroken. We hebben hem uitgelegd dat het elke dag eerder donker wordt en dat het straks ook donker is als hij naar school gaat. En dat het niet te doen is als hij dan alleen maar naar de grond kijkt. Bovendien, er zijn zoveel mooie dingen aan de hemel te zien als er tenminste geen wolken zijn. Gisteren opeens in de auto: ‘opa, ik wil met jou op een steen gaan zitten en samen naar de sterren kijken’. Ik wist niet wat ik hoorde, ‘en die donkere lucht dan’ dacht ik! Het was bewolkt, we hebben gezocht naar sterren. Jammer. Tja. Maar nee! Kijk! Jááá! Ook zijn broertje van drie had het gezien en riep hem toe om naar boven te kijken. We waren alweer bijna thuis vanaf de parkeerplaats. en daar stond, bijna recht boven ons, de ster Deneb van het sterrenbeeld de Zwaan!

Vanavond was het helemaal helder, er was bijna geen wolkje aan de hemel. Gelijk bij opa en oma al! Hij was opgetogen van al die sterren. Niet alleen Deneb, maar ook Mars en nog veel meer hebben we gezien! Het lijkt weer een kleine overwinning. De muggenfobie is ook een stuk minder, hij vertrouwt er nu redelijk op dat er geen muggen meer zijn en dat het nog erg lang duurt voor ze weer terug komen. Af en toe ziet hij iets. ‘Dat is een fruitvliegje’ zegt hij dan zelf, en meestal is dat dan ook zo. Ik heb nog een mug doodgeslagen die hij even daarvoor  tot fruitvliegje had verklaard. Ik heb het maar zo gelaten.

Thuis, bij ons, maar ook op school tekent hij veel. Gisteren kreeg hij een aan elkaar geniet boekje mee met allerlei tekeningen. Ik denk dat de juf niet alles gesnapt heeft wat er in stond. Hij tekende een rondje in een vierkant en daaromheen kleine vierkantjes, daaromheen weer een deel van een rondje. Er is een filmpje op youtube waarbij micro-organismen in een raster worden gezet met de maten erbij. Dat raster is vervolgens weer een object in een groter raster en de rasters en de objecten worden steeds groter. Zo wordt uiteindelijk ook de grootte van sterren geschaald. Dat heeft hij proberen te tekenen.

raster

Leeftijd, dood, ouder worden: ook daar is hij erg mee bezig. ‘Wanneer krijgen mensen een kunstgebit?’ Hij vindt het maar niks dat daar geen vaste leeftijd bij hoort, het wordt zo wel erg ongrijpbaar. Ook moeten voor hem alle mensen oud worden en zo rond hun honderdste overlijden. Dan weet je waar je aan toe bent. En dan hebben we nog “onze zon…” Hij heeft al een paar keer gezien dat ook aan het leven van sterren een einde komt. En dat sommige sterren uiteindelijk een zwart gat worden. ‘Wat is dat een zwart gat?’ Ja dat is moeilijk uit te leggen en dat doe ik dan ook niet. Het is de vraag ook of dat goed is, wij kunnen het al niet bevatten en hij zeker niet. Maar je moet toch iets zeggen. ‘Dat is iets dat heel erg zwaar is maar ook klein. En je kunt het niet zien, je ziet met een telescoop alleen een klein zwart puntje.’ Wordt onze zon ook een zwart gat?’ ‘Nee, dat kan niet want onze zon is een kleine ster en alleen heel erg grote sterren worden als ze heel erg oud zijn een zwart gat.’ Maar hij is er niet gerust op. Dus hij “tekent de vraag van zich af:”
Zwart gat. Kan de zon dat?

zwart-gat

Er mag nog steeds geen muziek op staan, geen muziek van CD of radio. Maar als oma zingt en oefent voor het koor vindt hij dat gelukkig prima. Wel af en toe vindt hij dat gek. Dát is een gek liedje oma. Maar hij komt er toch geïnteresseerd bij staan en oma vertelt waar het lied over gaat. ‘Welke muziek vindt je het leukste om naar te luisteren? vroeg ik hem laatst. Hij moest even aarzelen. ‘ Koormuziek.’ Hij heeft oma al eens horen zingen in de Pieterskerk van Utrecht. Maar zelf muziek maken is het leukst. Vaste prik: meestal gaat hij enkele keren op een middag achter de piano zitten als hij bij ons is.  Ik durf hem nog niet goed iets te leren. Toen ik dat ooit enkele jaren geleden deed begon hij te huilen. Hij was bang dat hij iets niet goed zou doen volgens mij. Ik ging toen spontaan met hem meespelen. Dat vond hij laatst bij oma wel goed, dus hij is al een stap verder. Maar hem echt iets aanleren durf ik dus nog steeds niet. We laten hem dus meestal gewoon lekker improviseren. Hij kijkt intussen naar de toetsen of hij staart in een trance voor zich uit of half naar boven. Hij luistert daarbij zeer nauwgezet naar alles wat er klinkt.

Bij de opname die je hieronder hoort gebeurt er het volgende. Eerst zet hij een voet op het rechterpedaal. Om dat te doen moet hij half van de pianokruk af gaan hangen. En hij gaat dan luisteren naar de boventonen van de toetsen die hij aanslaat. Vooral in het hoge register is dat fascinerend. Dan doet hij enkele “contrapuntische oefeningen”, meest twee melodieën tegelijk, vaak 3 tegen 1.  De hoogste melodie heeft dan drie tonen in de tijd dat de bas er een heeft, allebei dalen ze, tot de bas helemaal beneden is. Dan doet hij dat nog een keer, maar nu met tegenbeweging: de hoogste melodie gaat naar beneden en de bas gaat omhoog, nu 1 tegen 1: de melodieën hebben evenveel tonen. Even verder weer andersom, de bas naar beneden en de hoogste melodie omhoog, nog steeds 1 tegen 1. Dan gaat hij zich vooral met de samenklanken bezig houden. Zo klinken er opeens enkele parallelle octaven en parallelle kwinten. En dan komt er nog weer een fragment met gelijke beweging (de melodieën gaan dezelfde kant uit en weer zo ongeveer 3 tegen 1.
Maar dan…
Er is één muzikaal fenomeen waar hij niets van moet hebben. Het glissando. Als ik met hem naar filmpjes over planeten kijk zegt hij opeens: ‘die film wil ik niet zien’. ‘Waarom niet?’  ‘Daar zitten glissando’s in.’ Zelf glissandi maken op de piano, dat doet hij dan blijkbaar weer wel! Hij bezweert daarmee denk ik de enge glissandi in zijn hoofd. Zoals hij ook de donkere lucht en het onbestemde van een zwart gat bezweert door het gewoonweg te tekenen. Luister naar het einde. Glissandi!

 

Geplaatst in kleinzoon, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , , | 7 reacties

Wintertijd

Gelukkig is besloten om nog even te wachten met het definitief vaststellen van het fenomeen winter- of zomertijd in Nederland. Ik ben trouwens zeer voor het instellen van permanente wintertijd, met dezelfde argumenten die ook Arjen Lubach op een ludieke manier aangeeft.

Eigenlijk hebben we als we permanent wintertijd instellen al permanent zomertijd. Omdat onze klok ook dan nog steeds 40 minuten voorloopt op de werkelijke tijd. Als je naar reacties van veehouders kijkt dan zijn die verdeeld. ‘Mijn kippen leven dag en nacht in het donker, dus dat maakt allemaal niets uit’. ‘Het is vervelend als we moeten omschakelen, winter- of zomertijd op zich maakt niets uit.’ Uit dit soort reacties blijkt vooral hoeveel onze bio-industrie is afgedwaald van een natuurlijk patroon maar het zegt niets over wat nu beter of slechter zou zijn: zomer- of wintertijd permanent. De natuur zelf doet niet aan zomertijd en ook niet aan wintertijd. In de lente gaan de vogels fluiten als het licht wordt. Bij constante zomertijd lijkt het dan of ze een uur eerder gaan fluiten dan wanneer het altijd wintertijd zou zijn. De meeste dieren passen zich aan het licht aan. Het zou heel natuurlijk zijn als de mensen ’s zomers langer zouden werken dan ’s winters. Als je kijkt naar de tijden dat een school open was in de achttiende eeuw dan kunnen we lezen dat er in de winter veel korter school werd gehouden dan ’s zomers. Dat zal ook wel met verwarmingskosten te maken hebben gehad, maar toch. Men deed het gewoon. Ook Beethoven gaf  ’s zomers al vroeg les, ’s winters piekerde hij daar niet over. Ook weer logisch, je huis moet niet donker zijn, en verwarmd. De mens stond toen feitelijk nog dichter bij de natuur. En ik denk dat het ook wel eens zo zou kunnen zijn dat de biologische klok ons ’s winters eigenlijk langer wil laten slapen dan ’s zomers, zoals dat ook bij veel dieren het geval is. Het enige wat de mens heeft kunnen verzinnen in deze tijd is de klok verzetten. Zijn we zo ver afgedwaald van de natuur dat wij onze biologische klok zo makkelijk laten afwijken van dat wat ons lichaam eigenlijk zegt? Vooral ’s zomers zitten de kinderen al veel te vroeg in de schoolbanken als je naar hun biologische klok kijkt. Minstens twee uur te vroeg dus! Logisch dat iedereen zit te gapen. En voor volwassenen is het niet anders. Er zijn enkele branches die er wel bij varen. De koffie-industrie (‘wakker blijven!’) , de horeca (‘lekker lang op het terrasje’) en natuurlijk de medische industrie die weer allerlei extra pillen en behandelingen kan introduceren dankzij de problemen die ontstaan door het uit de pas lopen van de biologische klok met de maatschappij. Wintertijd!!

Geplaatst in maatschappij | Tags: , , | 1 reactie