Autisten houden van routine. Routine geeft duidelijkheid. Als alles loopt zoals ze het gewend zijn dan hebben ze het meestal reuze naar de zin.
Wanneer mijn oudste kleinzoon bij ons is dan gaat hij gelijk achter de piano zitten. Mijn vrouw heeft hem nu geleerd om, als zijn zusje er bijvoorbeeld ook is, eerst haar te begroeten. Maar dan moet het toch echt. Hij begint te improviseren. Af en toe neem ik zijn spel op. En ik sta iedere keer weer verbaasd over zijn muzikaliteit. Hij heeft een tijdje geleden het verschijnsel dynamiek ontdekt. Daar speelt hij in zijn improvisaties letterlijk mee. En thuis bij zijn ouders demonstreerde hij dat nog eens fijntjes door op muziek van Whitacre te dirigeren. Grote gebaren naast heel fijne en kleine gebaren. Bij ons demonstreert hij dat vooral in zijn zang of in zijn pianospel. En hij improviseert steeds vaker in mineur! En eindigt dan toch weer steeds in majeur, met de grote terts boven. Tussen zijn eigen improvisaties door probeert hij ook het air van Bach te spelen. Wanneer hij vast loopt gaat hij al snel weer met zijn eigen muzikale ideeën verder. Als hij hard speelt heeft hij de neiging om, ook hard, mee te gaan zingen. Dat doet hij bij onderstaande opname ook even.
Na een kwartiertje gaat hij dan eens kijken wat er nog meer te doen valt. Tekenen natuurlijk. En dat is op dit moment vaak het tekenen van bestaande of eigen verzonnen landen. Maar ook als we ergens geweest zijn wil hij daarna de nieuwe indrukken snel vastleggen in een tekening. Als die tekening niet lukt, en dat kan allerlei oorzaken hebben (vaak net een streepje dat verkeerd staat), dan wordt hij heel erg boos. Na drie, vier mislukte pogingen gooit hij het bijltje er bij neer en gaat maar weer wat anders doen. Maar meestal gaat het wel goed. Hij tekent soms stil, maar als ik in de buurt ben dan hoor je hem. Hij praat dan voortdurend hardop, hij zingt en vraagt soms dingen. Hij heeft het uitstekend naar de zin.
Dit zijn vaste dingen die nog nauwelijks te koppelen zijn aan autisme. Maar er is inmiddels een routine in geslopen waar ik al iets minder blij van word. En ik ben het zelf schuld, ik heb het laten gebeuren. Deze routine speelt zich af in de tijd voor het avondeten. Soms al meer dan een uur eerder…..
-‘Opa gaan we al eten?’
-‘Nee, dat duurt nog heel lang.’
-‘Opa, kunnen we nu al eten?’
-‘Als de grote wijzer hier staat, dan is het eten denk ik klaar.’
-‘Opa hoe lang duurt het nog?’
-‘Kijk maar, de grote wijzer staat nu hier, hij moest daar staan, weet je nog?’
-‘Opa, het duurt zo lang.’
-‘Oké dan, als je tot 100 telt dan is het eten klaar.’
-‘1, 2, 3, 4, ………97, 98, 100!’
-‘Ja, het eten is klaar.’
-‘Eééten!’
Op deze manier werkte het een aantal keren. Toen sloop er een nieuw element in.
-‘Tot hoeveel moet ik tellen voordat het eten klaar is?’
-‘Tot 3000 denk ik.’
-‘Oei, dat vind ik te veel….. Tot hoeveel is het nu nog?’
-‘Tot 1000 ongeveer.’
-‘Dat ga ik niet doen….. Tot hoeveel nu nog?’
-‘Tot 300.’
-Oké, dat kan ik wel. 1, 2, 3, …………honderdzevenentachtig, honderdachtentachtig,..’
Het tellen ging nu moeizaam door de hoge getallen. Het eten was al klaar. Dus besloot ik in een rap tempo mee te gaan tellen. Dat vond hij prima.
-‘tweehonderdnegenennegentig, driehónderd!’
-‘Eééten!’
Weer een volgende keer:
-‘Opa, kan ik al tot 300 tellen?’
-‘Nee, nog niet, dat duurt nog heel lang. Ik zal je wel waarschuwen.’
Na weer een aantal keren vragen “hoe lang nog” is het dan zo ver. Hij mag tot 300 tellen. En denkende aan de vorige keer ga ik maar vanaf 100 mee tellen.
Weer een volgende keer:
-‘Opa, kan ik al tot 300 tellen?’
-‘Nee, nog niet, dat duurt nog heel lang. Ik zal je wel waarschuwen.’
Terwijl hij dan eindelijk weer mag gaan tellen zegt hij na een tijdje op dwingende stem:
-‘Een en twintig, twee en twintig. Opa, jij gaat mee tellen vanaf 100!’
-‘OK’
-‘Drie en twintig, vier en twintig, ……….zeven en vijftig, acht en vijftig. Opa jij telt mee vanaf 100 toch?’
-‘Ja hoor.’
-‘negen en vijftig, zestig……’
Ik tel vanaf 100 in snel tempo mee. Hij loopt al tellende rondjes door de kamer. Na het eten zegt hij:
-‘Opa waarom loop ik eigenlijk rondjes als ik tel?’
-‘Dan gaat het tellen beter denk ik.’
‘Ja, dan gaat het tellen beter.’
Sindsdien moet er altijd tot 300 geteld worden voor het eten, ook als het eten per ongeluk al klaar is en ik ben vergeten om hem vijf minuten eerder te waarschuwen. Voordat hij bij 100 is onderbreekt hij steevast zichzelf om te vragen of ik vanaf 100 wel mee ga tellen. Dat moet ik dan ook altijd doen. Als het eten al klaar is en hij heeft nog niet geteld, dan moet ik maar veinzen dat het bijna klaar is, en we gaan weer braaf tellen, anders is het huis te klein. Dat is er nu helemaal ingesleten. Daar mag niet meer van worden afgeweken. Gelukkig doet hij dat alleen bij mij en niet bijvoorbeeld ook thuis. Het is nu nog onschuldig maar ik ben al aan het nadenken hoe we deze routine ook weer terug kunnen draaien. Zoals hij ook nog steeds eet van een kinderbordje dat hij al had toen hij twee was en hij eet ook nog steeds met kinderbestek. Een tijd geleden hebben we hem kunnen overtuigen dat hij nu een scherp mes nodig had. Maar zijn bord, kommetje, lepel en vork wil hij graag nog blijven gebruiken.. Zijn zusje van twee eet al van een groot bord…
Na het eten is het “de hoogste tijd”. (‘Opa, is het al de hoogste tijd?’) De hoogste tijd betekent filmpje kijken. Maar dan wel nadat eerst het speelgoed is opgeruimd. Dan pas is het de hoogste tijd. En na het filmpje kijken worden de schoenen en jas aangetrokken. Ook dat gaat gelukkig steeds sneller. Het hoort bij de routine. Maar hij kan het niet laten om dan toch nog snel even achter de piano te kruipen. Nou ja, vooruit dan maar. Nu maar uitkijken dat ook dit niet weer een routine wordt….
Gisteren was ik in het Gallo-Romeins museum in Tongeren. Dit museum, 16 km buiten Maastricht in Belgisch Limburg, stond al heel lang op mijn verlanglijstje. Het staat midden in het prachtige historische centrum van de stad, vlakbij de gotische Onze-Lieve-Vrouwe basiliek. (bouw 1240-1541). Ik had gisteren nog meer te doen en daardoor had ik helaas geen tijd voor een heel uitgebreid bezoek, dus ik probeerde vooral om een globaal beeld van de vaste collectie te krijgen. Het smaakte naar nog een keer! Er waren veel educatieve onderdelen. Hoe zag de Neanderthaler er uit? Er lag een levensecht “exemplaar” inclusief zijn overdadige lichaamshaar. Je kon hem bijna aanraken. En waar kwamen al die mensen vandaan op aarde? Filmpjes lieten zien hoe geleidelijk bepaalde mensensoorten de wereld veroverden. Bij ons was heel lang de Neanderthaler de enige mensensoort, totdat de Homo Sapiens het gebied overspoelde. Tongeren was een belangrijke Romeinse stad. In een grote maquette kon je zien hoe die stad er in de Romeinse tijd uitzag. En natuurlijk waren er veel voorwerpen, van Keltische munten tot en met grote stenen restanten van Romeinse heiligdommen.
Aansluitend op de dingen die ik gisteren zag stond er vanochtend een buitengewoon informatief artikel in de Volkskrant. Tussen ruwweg 300 en 400 na Christus woonde er vrijwel niemand meer in Nederland of in een groot deel van Vlaanderen. Ook geen Romeinen, die tot kort daarvoor nog de linie van de Rijn bewaakten met allerlei nederzettingen. Rara hoe kan dat? Wetenschappers hebben dit ontdekt doordat ze tegenwoordig heel veel middelen hebben om bewoningssporen te kunnen dateren. En ook omdat er bij nieuwbouw heel vaak eerst archeologisch onderzoek plaats vindt. Er worden allerlei theorieën los gelaten op de oorzaak van deze ontvolking, maar het is bijna zeker dat in die periode de leefomstandigheden in die gebieden zo slecht waren dat de mensen daardoor naar het zuiden trokken, naar plaatsen waar je wel kon leven. Zoals tegenwoordig ook in Afrika door de droogte de mensen hun heil gaan zoeken in Europa. Ook de Romeinen vertrokken hier in die periode en lieten de grenzen onbeschermd achter. Vanaf omstreeks 400 kwamen er weer mensen terug, maar dat waren niet dezelfde mensen als die er eerst woonden. Ze kwamen uit het oosten, het waren “Germanen”! En dat zijn onze voorouders in zowel Nederland als Vlaanderen. Ze bevolkten het hele gebied weer tot ze, al verder trekkende naar het zuiden, op al bestaande nederzettingen stuitten. Dat waren waarschijnlijk nederzettingen van de eerder verhuisde oorspronkelijke inwoners, in het tegenwoordige Wallonië. De taalgrens is toen gevormd en die is er dus nog steeds. Wij spreken Nederlands door het bar slechte klimaat van de vierde eeuw.


Een collega vroeg me laatst: het valt me op dat je vaak kerken vergelijkt met de Servaaskerk van Maastricht. Nu valt dat wel mee denk ik, maar ik doe dat al snel als het over Romaanse kerken gaat. Immers de Servaas, ook een Romaanse kerk, ken ik erg goed. Mijn collega kreeg ook de indruk dat de Servaaskerk daardoor op Europees niveau een hoog aanzien moest hebben gehad. Ik denk dat het wel zo is dat de Servaaskerk, die zo rond het jaar 1000 gebouwd werd, op dat moment in ieder geval een groot aanzien had binnen het Oost-Frankische keizerrijk. Dat begon al bij de voorganger van de huidige Servaaskerk rond 800. (Die heeft misschien wel erg geleken op een kerk uit de tiende eeuw die ik zag in Paray-le-Monial, in Bourgondië, zie hier onder.)

De kerk van Paray-le-Monial (bouw van 1092-1109) schijnt een verkleinde uitgave te zijn van de beroemde kerk van Cluny waar we alleen nog maar tekeningen van hebben. Deze verkleinde uitgave is al indrukwekkend genoeg, vooral door de imponerende uitbouwen aan de koorzijde met hoge en lagere absiden. Vanuit de westkant gezien zien we twee ingebouwde torens rond het toegangsdeel en een vieringtoren vlak voor het koor. Er zijn slechts oppervlakkige overeenkomsten met de kerk van Servaas. die een eeuw eerder werd gebouwd. Van binnen is de kerk van Paray-le Monial veel indrukwekkender dan de Servaas, vooral door de prachtige pilaren. De sculpturen die nog resten zijn daarentegen weer minder fraai dan die van de Servaaskerk. De beeldhouwers die de proost van de Servaas had weten te strikken, dat waren uitzonderlijk goede handwerkslieden.
Maastricht heeft overigens in de Middeleeuwen een speciale band gehad met Nijvel vanwege de Heilige Gertrudis die daar begraven ligt. In de voormalige kruisherenkerk, nu hotel, wordt het levensverhaal van Sint Gertrudis afgebeeld. Zij is de patrones van de reizigers.








-‘Dit is de eerste keer dat ik optreed in een uitverkochte zaal’, grapte hij. En de grapjes zouden de hele lezing door blijven gaan. Professor Bergshoeff probeerde op een toegankelijke manier de moeilijke natuurkundige materie aan de man te brengen. De zwaartekracht was al beschreven door Galileo Galilei en Newton had er wetten bij weten te maken. Hier kon je een aardig eindje mee komen. Maar het was Einstein die in 1919 alles opnieuw en veel beter wist te beschrijven. De lezing eindigde met vier foto’s. Een auto uit 1919 en een sportauto van nu. Een trein uit 1919 en de Thalys. Een vliegtuig uit 1919 en een Boeing van de KLM. Het bewuste handgeschreven document van Einstein en dit zelfde document nogmaals: het had nog niks van betekenis ingeboet en was nog net zo actueel als in 1919. Dit om aan te geven hoe indrukwekkend het was wat Einstein had weten te formuleren.
Er stond een magnetron op het podium. De draaitafel was verwijderd. Op een vel bakpapier werd over de hele lengte regelmatig gemalen kaas gestrooid. Dit werd in de magnetron gezet. De magnetron kreeg een zodanige stand, dat de kaas om de zes cm door de elektromagnetische golven geraakt zou moeten worden. Na een minuut “bakken” ging het deurtje open. Het bleek dat de kaas koud was gebleven, op twee plekjes na, op 6 cm van elkaar. Die waren bruin geworden. Als natuurkundige kon hij hiermee uitrekenen hoe groot de lichtsnelheid was, en dat bleek exact te kloppen met de bekende lichtsnelheid. Hij had aangetoond dat in Schoonhoven het licht net zo snel gaat als op de rest van de aarde. Met die wetenschap werden we naar huis gestuurd. De tweede geruststellende gedachte. Na de mededeling dat we gelukkig in een zwart gat leven…
















Een nieuwe tekening was klaar, met potlood. Op de achterkant van een weggegooid stuk papier, zoals gewoonlijk.
De huizen in Grinzing lijken niet op de huizen van de tekening van mijn kleinzoon. Ook zie je daar de bergen anders. Zijn tekening deed me meer denken aan Innsbruck. Dat ligt helemaal in een dal en je ziet vanuit de stad onmiddellijk de hoge bergen. Maar dat doet er niet toe. Hij wist dat er in Oostenrijk ook bergen waren, net als in Zwitserland. En ik zou trouwens niet alleen weer een keer naar Wenen willen maar ook naar de prachtige locatie die hij verzonnen had.
Mijn oudste kleinzoon had een tekening in zijn hand. De hele aarde stond er op. Met de namen van de werelddelen en van sommige landen erbij. Rusland stond er twee keer op want hij weet dat als je de aarde “uitklapt” je dan opnieuw bij Rusland uitkomt, zo stond het ook bij ons thuis op de wereldkaart. De hele wereld en alles er op en er aan blijft hem boeien. Hij kijkt de laatste tijd regelmatig naar een filmpje met de tien snelste treinen van de wereld. De allersnelste komt uit Japan, dus nu weet hij ook waar Japan ligt. En ook Zuid-Korea.
Ik was vrijdag om 5 uur bij een Mis. Een mis waarin geen preek, geen collecte, geen consecratie en waarin ook geen communie was. Het was een mis die helemaal gezongen werd, hij was opgebouwd rond de hoofdbestanddelen Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus/Benedictus en Agnus Dei. En daarvoor en er omheen waren er inclusief toegift nog 8 stukken, 13 in totaal dus. Religieuze muziek die geschreven is in de middeleeuwen, in de renaissance en in de moderne tijd. Alles was puur vocaal zonder enige begeleiding. Ik luisterde naar de vijf heren van Amarcord. Bijna elk stuk in die namiddag klonk even mooi. Het was een prachtige Mis, in de natuurlijke ambiance van de OLV-basiliek. En wat een mooie keuze van stukken:
Nee, ik heb gekozen voor het Gloria van de Filippijnse componist Sidney Marquez Boquiren. De zangers van Amarcord hebben hem tijdens een tournee in Amerika leren kennen. Hij schreef voor hen een stuk waarin vooral ook de lengte van de adem van de mens, in dit geval van geschoolde zangers, een van de parameters is. Het werd in de OLV-basiliek gezongen terwijl de uitvoerenden in een cirkel stonden waardoor ze elkaar goed konden zien en horen. Ze probeerden af en toe samen de klank als het ware als een lichtstraal de hoogte in te sturen. Het enige tekstdeel van het Gloria dat gebruikt werd was de beginzin: Gloria in Excelsis Deo: Eer zij God in den Hoge. Gloria-eer, is vanaf de baroktijd een uitbundig woord, het hele gloria is dan ook meestal een uitbundige lofzang. Bij Boquiren horen we eerst inderdaad nadrukkelijk en uitbundig het woord “gloria”, maar daarna horen we vooral “de eeuwigheid”. Niet zozeer wat mij betreft “in den hoge”, maar vooral een heel wijds, ruimtelijk, niet aards en bijna eeuwig eerbetoon. Het stuk eindigt heel mooi verstild, het verstomt in de ruimte.
’s Avonds om 10 uur zong Irene Kurka in de keizerzaal van de Servaas. Ik had dat concert uitgekozen vanwege de locatie maar ook om de combinatie van oude en nieuwe muziek. Hildegard von Bingen had ik daar al eerder gehoord, nu hoorde ik de muziek gezongen door slechts één vrouwenstem. Daarnaast waren er nog drie moderne muziekstukken te horen, waaronder een speciaal voor haar geschreven stuk door de Litouwse componist Vykintas Baltakas: Incantatio. Het was tegelijk de wereldpremiëre van dat stuk. Jammer dat er geen opname van is, ik zou het vaker willen horen. Het klonk heel ritmisch, het was onmiskenbaar op Litouwse volksmuziek gebaseerd, het was heel expressief en energiek. Dat kon je van alle stukken zeggen die Irene Kurka zong. Wat een stembeheersing, wat een geluid! Ook de acht liederen van Hildegard von Bingen werden uiterst geconcentreerd, mooi en expressief gezongen. De tekst was helemaal doorvoeld. Ze zong onder meer “O Virtus sapientiae”, een antifoon voor het feest van de heilige drie-eenheid. Dit feest was in de tijd van Hildegard von Bingen nog geen verplichte feestdag, dat werd het pas in de veertiende eeuw. Het werd gevierd op de eerste zondag na Pinksteren. Het “omcirkelen” in de tekst slaat op “de Heilige Geest”, die net een week eerder, bij het feest van Pinksteren, centraal stond in de liturgie. Nu gaat het om de combinatie van Vader, Zoon en Heilige Geest. Maar de Heilige Geest, de derde, is overal aanwezig.
Van de week bij ons thuis speelde mijn jongste kleinzoon op de mondharmonica. Het was enge muziek en mijn kleindochter was samen met mijn vrouw verstopt onder een deken, samen zaten ze er onder, op de bank. Hij zat er naast met zijn mondharmonica in de mond. Samen griezelden mijn vrouw en mijn kleindochter van de mogelijke komst van een beer, maar ze waren lekker veilig onder de deken. Mijn kleinzoon begon donkere spannende geluiden te spelen. Ze kropen nog verder weg onder de deken. Uiteindelijk kwamen ze tevoorschijn: de beer was weg!
Van de zomer reden we in Litouwen met de auto over eindeloze halfverharde wegen, die dorpen van niet meer dan honderd inwoners met elkaar verbonden. Hierboven zie je de halfverharde hoofdweg naar het dorp Strazdai.. We bevonden ons niet in de toendra maar we reden, afgezien van een enkel dorpje in een gebied met akkers en bossen. Tot zover je kijken kon was er niemand te zien. Ook was er nergens een andere auto. Wel zag je op enkele plaatsen een bushalte. Voor wie? Of er was opeens een primitieve brievenbus bij het enkele zijweggetje dat je tegenkwam. Een keer zag ik een soort brievenbus die opgehangen was aan een tak. De tijd leek er stil te staan. Zo zal het er ook op veel plaatsen ruim een eeuw geleden hebben uitgezien, in de tijd van Čiurlionis.







In de veertiende eeuw schreef Petrarca “Il Canzoniere”, een boek met 366 gedichten voor zijn geliefde maar onbereikbare Laura. Het lijkt wel of de geschiedenis zich herhaalt…
Blijkbaar kon dat toen. Waarschijnlijk omdat Čiurlionis in het begin van de twintigste eeuw een fel tegenstander was geweest van het bewind van de tsaar. Litouwen behoorde al vanaf de loop van de negentiende eeuw bij Rusland. En ja, de Russische revolutie met als gevolg een communistisch regime was óók tegen de tsaar geweest. Maar de Russen waren er inmiddels bijna in geslaagd de Litouwse cultuur en de taal uit te bannen. En daar begint men dan opeens een Litouwse kunstenaar die sterk voor de litouwse identiteit streed te vereren met beeldhouwwerken. Maar het werd gedoogd. De beelden staan er nog steeds.
En dan heb je nog het grootste wonder van Druskininkai: de zoutwaterbaden. Het opborrelende water is zout en is heilzaam, weten ze daar al eeuwen. In de stad zijn ook enkele zout water fonteinen. Dat was ook in de tijd van Čiurlionis al zo toen zijn vader vanuit een erfenis genoeg geld had om een terrein te kopen midden in de stad en daar een aantal huisjes met een tuin te laten bouwen voor zijn vrij grote gezin, en om in een van die huizen ook piano en orgelles te geven. Ze staan er nog steeds en ze zijn ingericht als museum.
In de hele stad staan grote badgebouwen en er omheen zijn er hotels voor de gasten die hier komen kuren. Die komen van alle kanten, vooral uit Polen. Maar ook uit Wit-Rusland (het laatste communistische land van Europa) dat op steenworp afstand ligt en uit Rusland. In de Russische tijd was Druskininkai een van de meest geliefkoosde oorden waar de top van de partij zich kwam laten verwennen. Sinds Litouwen bij de EU hoort en de euro hanteert zal dat een stuk minder zijn.
Om een beeld van die tijd te krijgen is dit museum een goed beginpunt. Toen we in Vilnius waren hebben we ook nog overwogen om naar het KGB museum te gaan waar onder meer een inzicht wordt gegeven in de martelpraktijken zoals die bij verhoren gebruikt werden. In een NRC-blog lazen we dat dat museum indrukwekkend moet zijn.
Een goede vriendin die met ons mee was in Litouwen schreef een mooi artikel over Druskininkai en Litouwen:



























Wat zou de oorzaak zijn geweest van zijn depressie? Het zal in zijn persoonlijkheid gezeten hebben. Volgens een arts was hij gewoonweg overspannen. Maar de behandeling sloeg slecht aan, hij verviel na een tijd in een soort apathie. Zijn levensloop wijst echter slechts summier op een depressieve aanleg. Hij heeft lang gestudeerd, zo van zijn negentiende tot zijn zeven en twintigste. Dat was aan de conservatoria van eerst Warschau en na een tussenjaar studeerde hij nog twee jaar in Leipzig. Na anderhalf jaar studie (piano, orgel, en contrapunt en compositie bij Jadassohn en Carl Reinecke) studeerde hij daar af, het getuigschrift is bewaard gebleven. Hieronder het fragment met de handtekening van Reinecke, die hem onder meer een vlijtig student noemt.
De muziek bleef belangrijk, hij leefde vooral van het geven van pianolessen, maar hij begon steeds meer te schilderen. Vanuit Leipzig ging hij weer terug naar Warschau. Daar kreeg hij een baan aangeboden aan het conservatorium maar deze sloeg hij af omdat hij veel meer tijd voor het schilderen wilde hebben. Twee jaar later begon hij zelfs om die reden aan een studie aan de de kunstacademie aldaar. Čiurlionis bleef steeds twijfelen over zijn muzikale mogelijkheden, vandaar ook zijn lange studies, maar tegelijk was hij gefrustreerd door de schoolse opleiding en het strenge contrapunt waar zijn stukken aan moesten voldoen. Het strijkkwartet dat hij schreef in Leipzig werd in eerste instantie na een eerste uitvoering zeer kritisch benaderd door zijn leraar Reinecke. Hij veranderde er daarna nog het een en ander aan maar zei er zelf over dat het ook wat hem betreft nergens op leek en dat hij in zijn eigen stijl veel betere stukken zou hebben kunnen schrijven. Bij zijn pianostukken die hij al veel eerder schreef zien we dat hij in Warschau sterk onder de invloed van de salonmuziek van Chopin stond. Ook daar wist hij zich pas veel later aan te ontworstelen. De meest oorspronkelijke pianostukken die ik van hem ken zijn het “Pater Noster”, zijn stemmingsstukken over de zee en zijn fuga in B-klein. Uiteindelijk schreef hij meer dan 300 stukken, waarvan slechts enkele in staat zijn los te komen van wat hij van zijn conservatieve docenten geleerd had. Vanaf 1905 was het toegestaan in het tsaristische Litouwen om de eigen taal in het openbaar te gebruiken. Čiurlionis werd nu een echte Litouwer en ging de taal en de volksmuziek bestuderen. Daarvoor sprak hij meestal in het Pools of Russisch. Zijn moeder was een Duitse, dus ook die taal had hij al in zijn jonge jaren geleerd. Maar nu werd hij meegezogen in de nationalistische gevoelens die nu eindelijk geduld werden. Zo maakte hij toen hij van 1907 tot 1910 in Vilnius leefde koorbewerkingen van Litouwse liedjes, die ik helaas nog nooit heb gehoord.Al eerder probeerde hij voorzichtig Litouwse volksmuziek in zijn kamermuziekstukken te gebruiken. Dat kun je horen in het middendeel van het tweede deel van zijn strijkkwartet uit 1901/1902, zo vanaf 2:50 minuut. De opname stamt uit 2000 en het stuk wordt uitgevoerd door het Čiurlionis kwartet.







-‘Dat zou best wel eens kunnen. Hij heeft zulk lang haar.’
-‘Kijk eens opa wat hier ligt. Dit is Proxima Centauri, en dat is Alpha Centauri en dat is Trappist 69, Trappist 142, Trappist 174 en Trappist 194.’

De derde tekening is gemaakt door onze oudste kleinzoon die een maand geleden zes jaar is geworden. Hij is een waar tekentalent. Hij is verliefd op een meisje uit zijn klas met wie hij later wil trouwen. Maar “zogenaamd” zijn ze onlangs getrouwd, in aanwezigheid van een ander vriendinnetje. Zij mocht bruidsmeisje spelen. Het hele tafereel is op deze tekening vastgelegd. In de oud-katholieke kerk van Schoonhoven is een rode loper gelegd voor het bruidspaar. Rechts boven zien we een glas in lood-venster en links is de toegangspoort van de kerk. Naast de loper, bruin, zit een klein mannetje in een rolstoel naar het tafereel te kijken. Ook op deze tekening hebben zowel het bruidsmeisje als de bruid en bruidegom een brede glimlach. De bruid heeft een prachtige sleep en houdt een bos bloemen in haar hand. De bruidegom heeft een mooi pak aan, waarschijnlijk heeft hij iets dergelijks gezien bij Willem-Alexander. Je ziet hem lopen en met zijn rechterbeen naar voren schrijden. Vanwege de sleep moet dat in gepast tempo, voetje voor voetje. Het bruidsmeisje lijkt wel hoge hakjes te hebben. Verder zien we onder meer drie Nederlandse vlaggen en heel veel kleine oranje vlaggetjes. Dit is ook een tekening om heel blij van te worden.








Hij speelde een zeeleeuw in het water, die zich verstopte, die lekker kon zwemmen en die precies hetzelfde geluid maakte zoals hij dat zonet nog gehoord had, helemaal echt. Zwemmen door het zand voelt heerlijk, en als een andere zeeleeuw zand op je benen strooit is dat nog lekkerder. Daarna hebben we een saucijzenbroodje gegeten. En uiteindelijk liepen we naar de uitgang. Alle kindjes liet hij nog steeds met rust en ik kreeg de indruk dat dat nu zonder moeite ging. Toen struikelde hij en begon te huilen. Van moeheid. Ik tilde hem op schoot en hij omhelsde mij met beide armen en ontspande daarbij volledig. Ik heb hem gedragen tot bij de halte van de tram. Intussen kletste hij aan een stuk. Over van alles, vooral over dingen van het heelal. In de tram was het druk. Naast een nogal brede meneer was er nog een plekje.
We reden een keer het dorp in. Daar moest je niet alleen heen om boodschappen te doen maar de doorgaande weg liep er ook dwars doorheen. Midden in het centrum, in een bocht, stonden twee auto’s stil. Wat bleek: twee mensen hadden elkaar daar ontmoet. Een auto kwam van de ene kant, de ander van de andere kant. ‘Lang niet gezien, hoe is het met je’, je kent het wel. Het werd een gezellig praatje met de raampjes open. Heel gemoedelijk stonden de auto’s met hun bestuurders zij aan zij. Wij en andere auto’s wachtten geduldig totdat de heren uitgekletst waren. Het was heel normaal. Een openbaring: zo kun je ook leven. Ik heb daar jammer genoeg geen foto van, wel van de aanblik van het centrum van het dorp.
Ons huis had extreem dikke muren en het bleef daardoor koel. Het was zomer, dus het was lang licht en warm genoeg om ‘s avonds lang buiten te zitten. De eigenaar kwam enkele keren in die week langs met lekkere stukken gegrild vlees en met flessen raki. We hebben zo gauw we door hadden hoe het daar werkte alles voor lief genomen en er een mooie vakantie van gemaakt. En passant kregen we ook een nieuw beeld op de buitenlandse politiek doordat dingen daar heel anders verteld werden. Het was ten tijde van de Kosovo oorlog. Het westen steunde toen het islamitische bevrijdingsleger van Kosovo, het UÇK en stond tegenover het leger van Joegoslavië. Niet zo de Kretenzers, die fel anti-islam waren. Logisch vanuit de Griekse en Kretenzische geschiedenis. Je merkte dat je snel was geïndoctrineerd als je niet uit keek, het klonk allemaal heel logisch. Desondanks bleven we die week toeristen, maar we proefden toch een beetje aan het leven van de autochtone bevolking.


De aarde bestaat 4,5 tot 4,6 miljard jaar. Het zoogdier dat we nu mens noemen bestaat ongeveer 2 miljoen jaar. Dat is te vergelijken met minder dan een seconde op een uur. De laatste 60 jaar, dus een verwaarloosbare fractie van die korte seconde, is deze mens bezig geweest met het versturen van enige informatie naar de buitenwereld. De kans dat deze uitzendingen van radio aarde worden opgevangen door een vergelijkbare beschaving op dit moment is ongelooflijk veel kleiner als op het winnen van de hoofdprijs bij de staatsloterij. En dan gaan we er ook nog eens van uit dat er vergelijkbare beschavingen zijn. Is het vreemd dat er geen uitzendingen van mensachtige stervelingen zijn gevonden na een zoektocht naar die mogelijke uitzendingen vanaf de exoplaneten van 1300 sterren? Als we nu eens niet uitgaan van een mensachtige beschaving maar we zoeken naar elke vorm van leven op een exoplaneet. Dan zijn de kansen denk ik veel groter. Helaas, zover is de wetenschap nog niet, hoewel er tekenen zijn dat 



Daar in Arizona, een eindje buiten die stad, daar was het echt helemaal pikkedonker. Adembenemend mooi. Govert Schilling kreeg een nachtkijker en hij zag ongelooflijk veel sterren. En hij is wel wat gewend, hij is geregeld in Chili. De Andromedanevel die je theoretisch ook in Nederland met het blote oog moet kunnen zien kon je daar met gemak ook écht met het blote oog zien en met een kijker erbij zag je zelfs details. Geen telescoop nodig, nee gewoon omhoog kijken of vrij eenvoudig een nachtkijker er op richten. Wat lijkt me dat fantastisch! In Nederland heb ik zo wie zo altijd een verrekijker nodig om misschien een of twee keer per jaar met geluk en uitzonderlijk goede omstandigheden een vaag schimmetje op de bewuste plek te zien.




Op bovenstaande foto zie je het mausoleum van Galla Placidia, met op de achtergrond rechts de Santa Croce
Al deze mozaïeken doen niet Byzantijns, maar eerder Romeins aan. Dat Byzantijnse element zien we wel in de San Vitalis die een kleine honderd jaar later is gebouwd, toen Ravenna een steunpunt was binnen het Oost-Romeinse rijk en dat tot rond 700 zou blijven. Daar zien we de typisch Byzantijnse gouden achtergrond en de afbeeldingen zijn opeens vrij statisch. Maar hier is alles nog levendig. Het zijn werkelijk schitterend mozaïeken en ze vormen misschien wel het mooiste voorbeeld van vroeg-Christelijke kunst dat er nog is.







Om de verdwenen wijzer(s) heen staan nu niet 24 maar 12 huizen zoals gebruikelijk in de astrologie, wel weer zodanig genoteerd dat de dag begint bij het ondergaan van de zon. Daarna komen de dierenriemtekens, maar deze zijn niet gegroepeerd volgens de volgorde in de dierenriem, maar naar type: links boven staan alle vuurtekens, rechts boven alle aardetekens, rechts onder alle luchttekens en links onder alle watertekens. Deze plaatsing heeft geen enkele relatie met de beweging van de aarde om de zon. Het doet me denken aan 
In elk kwadrant zie je steeds een mens en een putto, met ook telkens een zon. De zon ziet er in elk jaargetijde iets anders uit. In de zomer is hij het meest stralend, in de winter lijkt het wel een dodenmasker. Ik heb ze hieronder naast elkaar gezet:
Rechts boven zien we een adelaar en een man in de bloei van zijn leven: de zomer. Bij de zomer zijn de aardetekens van de dierenriem uitgebeeld. De vruchtbare aarde die straks voedsel levert dat geoogst gaat worden, eveneens als symbool van de zomer.



De toegangspoort en de binnenplaats van Palazzo Bo, zoals de universiteit in het centrum heet, zijn vrij toegankelijk. De rest kun je alleen zien via een rondleiding. Wij volgden een Engelstalige rondleiding en zagen prachtige historische plekken. Zoals het oudste nog bestaande anatomische theater ter wereld, dat tot in de negentiende eeuw in gebruik was. Tot 240 studenten konden een voorstelling bijwonen waarbij het lichaam van een ter dood veroordeelde en terecht gestelde misdadiger uit de omgeving werd ontleed. Dit ter instructie bij de lessen over geneeskunde en anatomie, enkele keren per week in de winterperiode.




Dit was namelijk de katheder waarop Galileo Galilei had gestaan toen hij les gaf over van alles en nog wat, tussen 1592 en 1610. Hij vertelde daar misschien ook over zijn ontdekkingen die hij met zijn eigen gemaakte telescoop had gedaan. Ik zie hem daar in gedachten staan. Hij had geen dia’s of film ter beschikking om zijn verhaal te illustreren, geen microfoon. Nee, hij stond in een zaal, de prachtige zaal naast de kleinere ruimte waar nu de katheder staat. Daar konden makkelijk meer dan honderd studenten plaats nemen. Hij had misschien wel een tekening gemaakt om te kunnen tonen wat hij die nacht ervoor had gezien met zijn eigen gemaakte telescoop. Hij was daarvoor misschien op het dak van de universiteit geweest.
Niet alleen als je iets kwijt bent, om Antonius te laten helpen met zoeken kun je naar Padua gaan. Galileo was niks kwijt. Hij vond nieuwe dingen. Ik zie de dingen die hij zag nog steeds, af en toe, met mijn kijker. En ik ervaar dan ook nog steeds iets van het opgewonden gevoel, zoals hij dat die nachten gehad moet hebben. Als je daar bent, in Padua, in die universiteit, vlakbij dat spreekgestoelte. Dan ervaar je de geschiedenis, die hij maakte.