Regenten uit de vorige eeuw

De Volkskrant heeft de laatste weken regelmatig foto’s  gepubliceerd van zwevende kiezers. Allemaal zo te zien keurige Nederlanders. Die je vriendelijk zouden begroeten op de camping waar ze net met hun caravan en kroost aankomen. Tot mijn grote verbazing zag ik dan in veel gevallen: “ik  twijfel tussen D66 en PVV”, of “ik twijfel tussen CDA en Groen Links” en dat soort voor mij onbegrijpelijke twijfels. Het enige dat ik dan kan zeggen dat ze oftewel naar de tronie van een lijsttrekker kijken die hen wel of niet bevalt, of dat ze zich fixeren op een onbeduidend partijstandpunt dat dan net bij die partijen misschien overeenkomt. Als dit echt de doorsnee zwevende kiezer was dan ben ik nog meer dan ik al was een fervent tegenstander van  referenda. De mensen stemmen met hun buik, niet met hun hersens. En dat kan zeer gevaarlijk zijn. Nu zijn het nog afgevaardigden die dagelijks met de politiek bezig zijn die de toekomst van ons land gaan regelen. Als er bindende referenda zouden komen dan zou dit soort zwevende kiezers uitermate belangrijke dingen gaan regelen waar ze geen snars verstand van hebben. Veel mensen lijken blij met deze uitslag. Helaas ben ik bang dat in het huidige democratische systeem voor wezenlijke toekomstvisies geen plaats is. Vandaag las ik dat de PvdA nog in de twintigste eeuw leefde. Dat werd verder niet uitgelegd. In de twintigste eeuw waren er in Nederland af en toe wel mensen met een toekomstvisie aan de macht, zoals iemand als  Joop den Uyl. Ik verlang naar die tijden terug….

Geplaatst in maatschappij | Tags: , | Plaats een reactie

Leven in een bubbel

bubbelEen tijd geleden zag ik een prachtige projectie van de zonsondergang in de achterruit van onze auto. Een soort hologram. Niet de echte zonsondergang, maar wel een die ik op dat moment als echt en prachtig ervoer. Over echtheid en werkelijkheid ging het in twee verder heel verschillende artikelen in de Volkskrant van afgelopen zaterdag.

Het eerste artikel ging over de ontwikkeling van een zogenaamde “holometer”. Daarmee kan onderzocht worden of ons heelal niet wellicht een wiskundige projectie is. Dat klinkt als een science fiction verhaal maar steeds meer wetenschappers sluiten dat niet uit. In sommige kringen wordt zelfs gezegd dat er 20 tot 50 procent kans is dat we in een nepwereld leven. Fysisch theoreticus Erik Verlinde zegt: ‘Ik geloof wel dat we uiteindelijk zijn opgebouwd uit informatie. En dat de werkelijkheid zoals we die zien daar is van afgeleid. En dan kun je je terecht afvragen: zijn we hier nou aanwezig ja of nee?’ Ook lezen we: ‘Al in de vierde eeuw voor Christus overwoog Plato of de wereld niet misschien de slagzijde was van een of andere hogere, echtere wereld. In China vroeg Zhuangzi zich rond dezelfde tijd filosofisch af of hij droomde dat hij een vlinder was of dat een vlinder droomde dat hij Zhuangzi was.’ Moderne natuurkundigen ontdekten dat ons heelal verrassend goed wiskundig te beschrijven valt, en dat dat vooral komt omdat enkele dingen als de lichtsnelheid en de gravitatieconstante goed werkbare rekeneenheden blijken te zijn. De getalletjes kloppen en daarom kunnen we een eind komen. ’t Hooft zegt: ‘Misschien is het heelal niets anders dan de wereld van getallen met al hun bijzondere eigenschappen. Getallen geven hun eigenschappen door aan grotere getallen. Het zou zo maar kunnen dat die getallen op zich een heelal vormen. Ons heelal? Het lijkt me denkbaar maar echt begrijpen doen we het nog niet.

In diverse columns wees ik al eerder op de relatie tussen muzikale eigenschappen van bijv. intervallen, getallen, en hun emotionele werking. Via de muziek wordt duidelijk wat een getal in emotionele  zin doet. Muziek, die door de meeste mensen via het gevoel binnenkomt, valt zo voor een groot deel te verklaren via de eigenschappen van een aantal basisgetallen. Dat zijn dan de basisgetallen waar ’t Hooft het over heeft neem ik aan. Die kunnen dan hun eigenschappen weer doorgeven op grotere getallen. Als muziektheoreticus weet ik dat muziekanalyse een enorm complex gebeuren is, waarbij de werkingen van ritme, toonhoogte, samenklank, klankkleur, textuur en zetting samenwerken, bijgestaan door dynamiek en tempo. Dat alles leidt er toe dat een specifiek muziekstuk emoties kan oproepen. Muziek brengt de mensen heel dicht bij iets heel wezenlijks. Bij de fundamenten van ons bestaan zo denk ik. Kleine baby’s weten dat al en reageren op muziek. Dementerende bejaarden kun je vaak via muziek nog benaderen. Het heelal maakt zich kenbaar via muziek. Voor mij is het heelal net zo echt als dat muziek echt is.

Nog een interessant artikel. “Overleef jij in mijn facebookbubbel?” Facebook en ook andere “social media” analyseren voortdurend wat je leest, beluistert en bekijkt. Het weet waar je voorkeuren liggen. Daardoor kunnen er doelgericht advertenties worden geplaatst. Maar facebook wil ook graag dat je lang op facebook bent. En het laat je dus ook vooral lezen wat je graag wilt lezen. Het gaat mee in je politieke voorkeur. Bovendien zullen de meeste van je vrienden een vergelijkbaar wereldbeeld hebben als jij dat hebt, waardoor je nog meer blijft denken zoals je al dacht. De Volkskrant vroeg vier grootverbruikers van sociale media, elk met een radicaal ander wereldbeeld, uit hun bubbel te breken. Ze wisselden een week van facebookprofiel. Niet letterlijk, maar met behulp van nagebouwde accounts. Hun eigen accounts lieten ze, zo beloofden ze, zo veel mogelijk met rust. Zo ging een PVV-stemmer ruilen met een PvdA stemmer en een klimaatscepticus met een feministe. Toen de laatste gevraagd werd hoe haar eerste ervaring was antwoordde ze: ‘Schokkend. Als ik nu inlog voelt het of ik door de ogen van iemand anders kijk naar een wereldbeeld dat helemaal niet bij me past.’ Opeens ziet ze filmpjes van moedige Israëlische soldaten die bloeddorstige Palestijnen kort houden. Op haar eigen account zag ze hoe juist die Palestijnen voortdurend benadeeld werden. Heftiger nog is haar confrontatie met Trump stemmers. Zijn plannen om een muur te bouwen worden op haar nieuwe account massaal met een hartje “geliked”. Na afloop zijn de vier ruilers het over een ding roerend eens: de ander krijgt op facebook een totaal vervormd wereldbeeld voorgeschoteld. Ze snappen niet hoe die ander het in die verkeerde bubbel vol houdt.  Ze geven alle vier aan dat ze eigenlijk nog meer bevestigd zijn in hun al bestaande wereldbeeld. Tegelijk is er wel meer bereidheid ontstaan om ook eens een andere krant open te slaan.

In dit geval ging het om Nederlanders. Ze lijken onderling een totaal ander wereldbeeld te hebben, maar feitelijk leven ook zij in een gemeenschappelijke bubbel. De bubbel van “het Westen”. Wij weten hoe de wereld in elkaar steekt, hoe verdorven Poetin is en hoe hoogstaand ons democratisch ideaal is en hoe vrijheidslievend we wel niet zijn. Onze normen en waarden. En die arme Russen of die oorlogszuchtige Afrikanen? Die moeten nog veel leren. Tegelijkertijd zijn in de bubbel van de Afrikanen westerlingen roofzuchtige kooplieden die nog niet eens de ethische waarden kennen dat ze voor hun eigen ouders willen zorgen.

Het Russische volk en ook het Turkse volk is vanuit zijn culturele traditie gehecht aan een sterk leider. Ze willen een dictator. Ze willen een Poetin of een Erdogan. Althans de meerderheid. En als ze te horen krijgen dat het westen die leiders afkeurt dan laten ze zich dat niet zomaar welgevallen.  De Turkse bubbel bevestigt dat voortdurend. Als we iets meer uit onze bubbel zouden stappen dan zouden we misschien verstandiger kunnen reageren en niet voortdurend ons eigen gelijk willen halen. En we moeten vooral niet voortdurend onze maatschappij verheerlijken en die arme mensen willen overhalen “democratisch” te worden. Op de lange duur verandert door de globalisering overal het denken.  Hopelijk ook bij ons, want we kunnen nog veel leren. Respect en samenwerking zijn de sleutelwoorden. Niet ferm staan voor de zogenaamde eigen waarden en je afzetten tegen die van de ander. Onze waarden zijn alleen interessant en hoogstaand binnen onze eigen bubbel.

Geplaatst in filosofie, maatschappij | Tags: , , , , , | 2 reacties

Hellingbos

Nederland kent nog steeds een aantal paradijzen. Over een van die paradijzen schreef ik al eens in een eerder blog. Het paradijs van deze dag is ook al eens eerder aan bod geweest. Het gaat om een hellingbos. Daarvan zijn er niet zoveel in Nederland. Eigenlijk moet je er op een mooie maandag zijn maar ook op een mooie zaterdag in maart kom je weinig mensen tegen. En dan voel je je een soort oermens. Vrij grote hoogteverschillen, allerlei soorten bomen, veel omgevallen bomen, nu nog geen bladeren maar wel al bosanemonen die dankbaar gebruik maken van het zonlicht dat tot op de bodem doordringt. Op veel plaatsen dassenburchten, met bij de burcht de sporen van hun poten en uitwerpselen. Opeens een open stuk met een mergelwand. Kijk je goed naar de hellingen dan zie je dat hier ooit de Maas stroomde, allerlei soorten kiezel. Maar vermengd met ook vuursteen. afkomstig uit de mergel. En de naderende lente is niet alleen zichtbaar, ook hoorbaar in de op gang komende vogelzang.

Later op de middag ging ik nog naar de Heimansgroeve. Ik koos als aanlooproute niet het officiële pad maar liep door boomgaarden en weilanden, kroop onder prikkeldraad door, vlak bij de Geul zocht ik weer hogere stukken op om geen natte voeten te krijgen. Heerlijk, dat is voor mij het ultieme natuur beleven. Me een weg banen. Behalve alweer een dassenburcht zag ik voor de eerste keer bloeiende veldkers en at er gelijk een handje van. Ook was er al weer veel jonge brandnetel, daar moet ik thuis ook eens op zoek naar gaan. En verder nog diverse andere bloeiende kruiden als speenkruid, jakobskruiskruid, ereprijs en meer. Hieronder een selectie van de foto’s die ik maakte in en bij het hellingbos.

Geplaatst in natuur | Tags: , , , , | 5 reacties

Lente avond

avondstemmingOfficieel zitten we nog in de winter maar vandaag voelde je toch dat de lente er aan zit te komen. Maar bij dit weer is het niet alleen overdag heerlijk. Ook de avonden en de nachten zijn verrukkelijk. Vanavond om half acht liep ik naar buiten, de dijk op en het eerste wat ik hoorde was een uil. Daarover heen schreeuwden talloze meeuwen. Nog meer op de achtergrond hoorde je de zware dreun van een naderende boot op de Lek. Door de wolken kwam af en toe de nu bijna volle maan tevoorschijn. En in het WZW stond nog steeds een prachtige Venus. En wat een heerlijke geuren bereikten mijn neus. Kan dat, frisse lucht ruiken? Met er doorheen een beetje de geur van verbrand hout. Een houtkachel ergens in de buurt. Maar dat moet je er bij fantaseren. Bij de plaatjes en bij de geluiden. Heb ik ook iets gevoeld? Ja zeker, een heel klein beetje vocht. Neerslaande waterdruppels, de dauw van de komende ochtend.  Daarom rook het dus zo fris. En er was nauwelijks wind. Hij komt er aan. De lente!

Geplaatst in Astronomie, natuur | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Down to earth

De documentaire “Down to earth” was goed bezocht op deze maandagmiddag in Lantaren Venster. Normaal kunnen we de beste plaatsen uitzoeken maar nu moesten we behoorlijk laag in de zaal gaan zitten. De boodschap van deze film is indringend en vraagt eigenlijk ook om een groot publiek. Een hoopvolle film. Een westers gezin met drie nog vrij jonge kinderen reist gedurende vijf jaar over de wereld om er achter te komen wat wijze mensen van culturele gemeenschappen die nog dicht bij de natuur staan te zeggen hebben. Ze zeggen tot hun grote verrassing allemaal ongeveer hetzelfde.

shot1De film is niet diepgaand, van elke culturele groep die werd bezocht kreeg je veel te weinig mee. De oorzaak is gelegen in het feit dat de gezinsleden toen ze op weg gingen helemaal niet van plan waren om een film te maken, maar na vijf jaar hebben ze dat achteraf toch gedaan. De shotjes waar gezinsleden op staan hebben ze bij de editing zelfs moeten destilleren uit opnames die kinderen op hun eigen camera gemaakt hebben. Desondanks heeft de film indruk op me gemaakt. Enkele hoofdpersonen, zoals de inmiddels overleden sjamaan Nowaten, deden mooie uitspraken. “We hebben de wereld niet ontvangen van onze voorouders, we lenen hem van onze kinderen.”

nowatenBij deze man, lid van een indianenstam in Noord-Amerika, verbleven ze maar liefst vier jaar. Daarna bezochten ze nog mensen in o.a. Kenia, Namibië, Australië, Ecuador en Ierland. Een van de kinderen vroeg zich af: waarom wordt dat regenwoud eigenlijk gekapt? Vanwege het geld dat sommige mensen daarmee verdienen. Ze kon het zich niet voorstellen.

Al de sjamanen wereldwijd stonden in verbinding met de spirituele wereld van hun overleden voorouders. Hun boodschap was tegen mijn verwachting in overal positief. Sleutelwoorden die me bij bleven waren saamhorigheid en liefde. Daar draaide het eigenlijk om. En geloof. Als iemand ziek was dan kon hij alleen maar beter worden als hij zelf sterk daar in geloofde. Die kracht was de helft van het genezingsproces. De shots met de drie kinderen van het gezin waren ook inspirerend. Hoe ze makkelijk contact hadden met de kinderen van al die volkeren. Wat een voorbeeld voor ons allen. Inderdaad: ze werden opgenomen en er was snel een saamhorigheid waar ook zij bij hoorden. Soms leefden de mensen van vrijwel niets. Maar overal was men gelukkig. Door die liefde en saamhorigheid.

Deze manier van denken kun je overal aantreffen. Maar nergens is ze zo diep verankerd als bij deze natuurvolkeren die daardoor een echte inspiratiebron vormen. Als we in Nederland deze drie dingen eens voor elkaar zouden krijgen: saamhorigheid, liefdevol omgaan met de medemens, en geloof in genezing. Genezing zou ik dan heel breed willen zien. Niet alleen genezing van onze eigen ziektes maar vooral ook die van de verziekte samenleving.

http://www.downtoearthfilm.com/ Nog tot en met 8 maart in veel filmhuizen in Nederland

 

Geplaatst in Film, filosofie, maatschappij, recensie | Tags: , , | 1 reactie

Pro Deo

Het is 23 januari 1724 in Leipzig. Het is bitterkoud. Om half zeven in de ochtend luiden de klokken van de Nicolaikirche.  Het is nog donker, maar de straten zijn verlicht. In 1701 werd namelijk straatverlichting ingevoerd, met 700 olie-lantaarns, gemaakt naar Amsterdams voorbeeld. Om 7 uur zijn alle zangers en instrumentalisten gearriveerd. Intussen hoor je overal het geratel van koetsen over de straatstenen. Dames en heren achter gesloten raampjes, iedereen is dik ingepakt want het zal koud zijn in de kerk. Maar vrijwel niemand ontbreekt. Voor de wekelijkse cantatedienst met Bach. Daar hoor je te zijn. Het is een sociaal gebeuren, een wekelijks ontmoetingsfeest.

nicolaikirche

Bach leefde in een tijd dat het heel populair was om in de preek en dus ook in de bijbehorende cantate het einde der tijden te beschrijven. Dit thema was in zwang bij zowel de katholieken, Luthersen als Gereformeerden. Heel erg populair was het vooral bij de piëtisten, een nieuw soort sekte die bijeenkomsten organiseerde waar niet zozeer de predikanten het voor het zeggen hadden maar het gewone volk, en, dat was nieuw: vooral ook vrouwen. Er kwamen zelfs lekenbijeenkomsten, die vergelijkbaar waren met de officiële Lutherse diensten. De mensen stimuleerden elkaar om zo godvruchtig mogelijk te leven. Ze probeerden dat toch ook weer in een soort gezamenlijkheid te doen, door zelfvoorzienende weeshuizen, scholen, ziekenhuizen op te richten. Het grootste initiatief in dat opzicht kwam uit Halle, waar theologen van de universiteit deze nieuwe vroomheid propageerden. Hoe mensen leefden, maar ook vroom bleven tot op hun sterfbed, dat was het grote voorbeeld voor de andere gelovigen. Uiterlijk vertoon en opera waren taboe. De weeskinderen van Halle mochten zelfs niet met een bal spelen…

Bach was zeker geen piëtist in die zin dat hij uiterlijk vertoon afwees. Bach wilde juist, net als eerder iemand als Monteverdi dat deed, door uiterlijke middelen het woord van God overbrengen. Zoals de Franciscanen in de dertiende en veertiende eeuw, of de pausen in de zeventiende eeuw ook graag heel aanschouwelijke taferelen wilden laten zien aan de mensen om bij iedereen het geloof te versterken. Maar Bach deed dat met muzikale middelen. Volgens John Eliot Gardiner is Bach zijn roeping als operacomponist mis gelopen. Als hij in Dresden of in Hamburg aan het hof had gewerkt was hij waarschijnlijk de grootste operacomponist van zijn tijd geweest.  Maar in zijn toewijding en godvruchtigheid, persoonlijke omgang met de bijbel, was Bach wel degelijk een soort piëtist.

De predikanten van de Thomaskirche en van de Nicolaikirche, waar beurtelings de cantatevieringen werden gehouden, hadden vaak moeite met de theatrale aanpak van Bach. Maar de burgemeesters vonden het meestal prachtig en hielden hem de hand boven het hoofd. Sinds hij nu zo’n 9 maanden in Leipzig werkte was het muzikale niveau met sprongen omhoog gegaan. Leipzig was vooral een handelsstad, waar veel mensen van buiten kwamen. Ook de koning van Saksen was er regelmatig.  Vooral tijdens de jaarmarkt, wanneer alle herbergen overstroomden met kooplieden uit alle mogelijke windstreken, wisten de mensen niet wat ze hoorden. De burgemeester was trots op de nieuwe cantor.

In de school die bij de Thomaskirche hoorde werden de zangers en instrumentalisten opgeleid. Om te zingen en te spelen in de diensten op zon- en feestdagen. De instrumentalisten hadden verder nog betaald werk in koffiehuizen en bij grote tuinfeesten in de zomer. Leipzig had ook een operahuis gehad, maar dat was bij de komst van Bach al enige jaren daarvoor gesloten. Maar Bach maakte op zijn manier toch ook weer een beetje opera…

Alle onderstaande fragmenten  worden gezongen door het Monteverdi Choir en gespeeld door de English Baroque Soloists olv John Eliot Gardiner, zie ook http://www.monteverdi.co.uk/shop
Cantate BWV 20 gaat het over het einde der tijden: “O Ewigkeit, du Donnerwort”. Een waarschuwing aan de mens: er wordt angst ingeboezemd, het einde kan verschrikkelijk zijn, dus doe nu al je best! Op het einde van het openingskoraal  waarschuwen de trombones met snerpende tonen dat het einde nu echt aanstaande is.

Of wat vinden we van de twee engelen die een op zich “prachtig” duet zingen in gezelschap van een dolende pelgrim: “Man kann noch diese Nacht den Sarg vor deine Türe bringen” (het is mogelijk dat vannacht nog je doodskist wordt bezorgd): Bach laat de met de hand getrokken lijkwagen klinken terwijl hij over de straatstenen schuurt, en de zenuwachtige tekst en onrustige ritmiek geven de luisteraar een bijzonder onbehaaglijk gevoel. Uit dezelfde cantate.

Zo ook is de strekking van cantate BWV 73, “Herr wie du Willt” die op deze 23 januari werd gezongen.  De tekst van het openingskoraal is een bekende tekst van Kaspar Bienemann uit de zestiende eeuw, vandaar het archaïsche “willt”. Het slotkoraal komt van de laatste strofe van het gedicht van Ludwig Helmbold “Von Gott will ich nicht lassen.” De rest van de tekst is waarschijnlijk door Bach zelf geschreven, zo suggereert althans dirigent en Bachkenner John Eliot Gardiner. De inspiratie voor de cantates wordt meestal uit de bijbellezingen van die dag gehaald. Dit keer wordt uit Matthëus gelezen: Jezus geneest een melaatse. De ellende van deze man strekt tot voorbeeld: hij blijft desondanks in Christus geloven en dat moeten wij ook doen. Tot in onze dood.

Wat bij deze cantate opvalt is de kernzin: “Herr wie du willt“. Dit blijft de kerngedachte in alle delen. Bach laat ons de voortdurende twijfel van de gekwelde ziel ervaren, de ziel die zweeft tussen wanhoop, hoop en overgave. En dit blijven we voelen tot aan het slotkoraal van de cantate, daar waar eindelijk de overgave de boventoon voert. Over  klankschildering en retorica gesproken: luister eens naar het laatste recitatief. De tekst ”Herr wie du willt” is nu vervangen door de tekst  “Herr so du willt”, wat naar mijn gevoel net iets meer het definitieve karakter van de wil van God moet weergeven:

Herr, so du willt, so presst, ihr Todesschmerzen, die Seufzer aus dem Herzen, wenn mein Gebet nur vor dir gilt. We horen het uitbeelden van de laatste snik, het er uit persen van de laatste zuchten uit het hart:

Herr, so du willt, so lege meine Glieder in Staub und Asche nieder, dies höchst verderbte Sündenbild. Hier wordt uitgebeeld hoe een lichaam tot stof en as wordt gereduceerd:

Herr, so du willt, so schlagt, ihr Leichenglocken, ich folge unerschrocken, mein Jammer ist nunmehr gestillt. We horen het slaan van het lijkenklokje, waarna de volledige overgave volgt, eindelijk is het lijden voorbij:

Januari en februari waren ook toen al de maanden waar veel mensen ziek waren en waarschijnlijk ook veel mensen stierven. Het was elke dag prijs van arm tot rijk. En het was bitterkoud. De ellende en de boodschap waren dus heel direct en moesten wel hun uitwerking hebben. Na deze muzikale introductie van de preek, gedurende een kwartier mochten de zangers en instrumentalisten de kerk verlaten. Stilletjes verlieten ze met kleumende handen, de muziek en de instrumenten in hun handen, het gebouw. De vele honderden kerkgangers moesten nu nog de preek van een uur bijwonen. Over hetzelfde thema.

Op vrijdag en zaterdag werd steeds elke gloednieuwe cantate gerepeteerd. Zo ook dus in deze januariweek van 1724. Twee weken later zou Anna Magdalena Bach van alweer een kind bevallen. Er was geen vaderschapsverlof.  Bach voerde de cantate vakkundig uit. En moest onmiddellijk alweer aan het werk. Tot aan de vastentijd moest hij nog een aantal cantates schrijven. En tegelijk was hij al bezig met de voorbereidingen van de Johannes Passie die op Goede vrijdag uitgevoerd ging worden. Eigenlijk bedoeld voor de Thomaskirche waar meer ruimte voor het spel was. Maar de predikanten waren onverbiddelijk. Drie jaar eerder was afgesproken dat de paasdienst om en om in de Nicolaikirche en de Thomaskirche moest plaats vinden. En dit jaar was de Nicolaikirche aan de beurt. Bach schikte zich, maar bedong wel wat extra ruimte.  De zangers en muzikanten werden niet betaald. Ze deden het voor de kerk, of misschien ook wel voor de muziek van Bach. Leven was lijden. Ze deden het pro deo. Maar wat een mooie muziek…. Inderdaad: Pro Deo!

Andere stukjes die ik schreef naar aanleiding van een cantate van Bach

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

Het eeuwige mysterie

Voor een mooie sterrenhemel moet je niet in Nederland zijn, en al helemaal niet in de randstad. Een aantal jaren geleden stond er een kaartje van West-Europa in de krant, ingekleurd met een aantal kleuren. Deze kleuren waren gebaseerd op de hoeveelheid fijnstof in de lucht. Je kon onmiddellijk zien waar grote steden als Parijs liggen. Maar verontrustend was: bijna heel Nederland leek wel één grote stad. Overal was de hoeveelheid fijnstof onrustbarend hoog, met uitzondering van de provincies Groningen, Friesland en Drenthe. Ging je wat naar het zuiden, en met name richting de Ardennen, dan was de lucht weer heel zuiver. Dat fijnstof zit gewoon overal in de lucht, het wordt veroorzaakt door het verkeer, maar vooral ook door vuilverbrandingsovens, kolencentrales en door bepaalde takken van industrie.  Fijne deeltjes water die bijna altijd in de lucht zijn zetten zich af op dat fijnstof. Het resultaat is een zachte wazige deken die de aarde omhult en het zicht op de sterrenhemel vertroebelt. Doodzonde voor liefhebbers als ik, en ik verheug me daarom jaarlijks op de zomervakanties naar gebieden waar de sterrenhemel veel mooier is. In januari waren we op Vlieland. Eind april zijn we in Zuid-Frankrijk. Om naar uit te zien!

Desondanks heb ik weer genoten de afgelopen dagen. Het was helder weer en relatief gezien viel er toch nog veel te zien. Van de sterrenbeelden valt in deze tijd van het jaar het meest het sterrenbeeld Orion op, ’s avonds in het zuiden, met links onder de Orion de meest heldere ster van alle sterren: Sirius. Ik heb Sirius gefotografeerd op 14 februari om 8 uur boven de Hoekse Weg richting Dijk. Op een tweede foto zie je Sirius met er boven het sterrenbeeld Orion.

sirius-2017-02-14-20uur

orion-2017-02-14-20uur

Dan is het deze maand ook geweldig om de maan en een aantal planeten te zien. Al vanaf oktober kun je Venus en Mars ’s avonds zien. Venus is nu ongelooflijk helder, zijn afstand tot de aarde is nu bijna op zijn kleinst. Schitterend weerkaatst zijn dampkring het zonlicht. Mars is een vrij onbeduidend puntje links van Venus, maar zal in de loop van de komende maanden  geleidelijk iets meer helder worden. Vooral in juli is hij uiteindelijk prachtig te zien, maar dan moet je uiteraard veel later kijken. Ook op 14 februari, iets later, om kwart voor negen, fotografeerde ik het duo in de polder richting westen.

venus-mars-2017-02-14-2045uur

Maar ook de ochtendhemel is de moeite waard. Dan kun je Jupiter zien, of voor nachtbrakers ook al midden in de nacht. Op dit moment staat Jupiter conjunct met de afnemende maan, die afgelopen zaterdag vol was maar nu richting laatste kwartier aan het gaan is.  Elke dag verwijdert de maan zich meer naar het oosten, steeds verder van Jupiter vandaan. Hieronder drie foto’s. De eerste twee zijn 15 februari om 7 uur ’s ochtends gemaakt. Op de eerste foto zijn geen sterren of planeten te zien: het is al een beetje rood waar de zon opkomt. Bij de tweede foto zie je richting zuidwesten over de dijk de maan en Jupiter. De derde foto maakte ik vanochtend om kwart over vijf. Toen was het nog enigszins helder, het licht dat je ziet dat is maanlicht. Opvallend : waar de vorige dag de maan nog rechts van Jupiter stond, staat hij inmiddels al links van Jupiter.

ochtendrood-2017-02-15-7uurmaan-jupiter-2017-02-15-7uurmaan-jupiter-2017-02-16-5uur

Voor de echte liefhebbers: wil je de manen van Jupiter zien dan moet je een goede verrekijker of een telescoop hebben, en dan moet in ieder geval ook niet onze eigen maan in de buurt staan. Nu is het dus daarvoor niet het goede moment, maar dat komt wel weer een keer. Wil je weten waar je voor die manen van Jupiter moet kijken, dan is de site hier onder  ideaal: Hij laat voor elk willekeurig moment zien waar de vier grote manen van Jupiter (Io, Europa, Ganymedes en Callisto) staan.

http://www.shallowsky.com/jupiter/

Wil je weten wat je elke avond of ochtend aan de hemel kunt zien, dan zijn daarvoor diverse gratis of soms ook niet gratis programma’s . Voor  op de telefoon of op een tablet (android) is skymap van google geweldig! Je kunt met de telefoon alle kanten uit richten en zien welke sterren en planeten waar staan. Ook kun je het beeld stilleggen en door te “vegen” alles rustig bekijken. Dat laatste is ideaal, omdat ook de windrichtingen, horizon en meer erbij staan. Mijn oudste kleinzoon die ik wekelijks zie wil altijd weten wat waar te zien is.

skymap

Sterren kijken is vooral jezelf verwonderen en beseffen hoe nietig je bent. Ik deed het als kind al. Het beetje kennis dat je in boeken, tijdschriften, internet en meer kunt opdoen helpt om de verwondering richting te geven. We weten feitelijk nog niet 1%. Maar dat ene procentje is al te veel om te bevatten. Copernicus ontdekte dat de aarde om de zon draait. Het hele wereldbeeld werd op zijn kop gezet. De kerk vond het een weinig geruststellende gedachte. Alle zekerheden werden verlaten. En we hebben ze sindsdien nooit meer terug gekregen. Er komen door alle ontdekkingen alleen nog maar meer onzekerheden bij. Daarom kun je misschien beter Carnaval  vieren. Je kop vol gieten met bier en alle onzekerheden even laten varen.  Of je geeft je geest de ruimte door naar muziek te luisteren of door zelf te musiceren. We begrijpen totaal niet hoe de wereld in elkaar zit. Dat beseffen we door naar de hemel te kijken. Of door te musiceren, ook al zo’n mysterie. We slaan er ons vrolijk zingend doorheen.

Geplaatst in Astronomie, filosofie | Tags: , , , , , , | 1 reactie

America first

Donald Trump is een klimaatscepticus. Omdat hem dat goed uitkomt. Hij wil een pijpleiding dwars door Amerika aanleggen. De  indianen die daar wonen? Daar heeft hij schijt aan. Hij en zijn  familie kunnen daar goed geld mee verdienen en ook Poetin vindt het een goed idee. Dus niet zeuren. En die klimaatsceptici, och, die bedrijven toch alleen maar linkse hobby’s?

De volgende dingen staan vast:

  • Het huidige klimaat warmt op,  en nog eens relatief snel ook. De enige verklaarbare oorzaak is de toename van CO2 in de atmosfeer.  Het is zeker dat de hoeveelheid CO2 sterk toeneemt en het is ook zeker dat daardoor wereldwijd de temperatuur stijgt.
  • Door die opwarming wordt het klimaat wereldwijd anders. Per regio kunnen de verschillen totaal anders zijn. Het ziet er naar uit dat wijnbouw in Scandinavië mogelijk wordt. Tegelijk wordt het in Zuid-Europa, maar vooral ook in grote delen van Afrika veel droger waardoor veel mensen en dieren in grote voedselproblemen komen.
  • Door de stijging van de zeespiegel zullen grote delen van wat nu land is zeebodem worden. Mensen in West-Nederland zullen uiteindelijk moeten verhuizen.
  • Door het smelten van de ijskappen komen er veranderingen in de oceaanstromingen. Het is zeer goed mogelijk dat de huidige warme golfstroom gaat afbuigen en dat het in NW-Europa opeens juist veel kouder wordt. Wereldwijd daarentegen blijft het gewoon warmer worden.
  • Omdat de aarde nog nooit zo dicht bevolkt was zullen grote klimaatveranderingen vrijwel zeker desastreuze gevolgen hebben voor de mensheid. Je kunt gaan wonen waar nog water en voedsel  te krijgen is en je droge voeten hebt. Maar daar zal niet voor iedereen plaats zijn.

Maar: in heel grote lijnen is er niets bijzonders aan de hand. Kijk je naar de leeftijd van de aarde, dan zijn de periodes dat er geen poolkappen waren veel en veel langer geweest dan de periodes dat er wel poolkappen waren. De aarde is meestal veel en veel warmer geweest dan nu. We zitten in een nasleep van de laatste ijstijd. Het restant van het ijs gaat weg. Maar: dat zou anders waarschijnlijk ook gebeurd zijn, maar niet zo snel en door andere oorzaken. Vooral doordat de warmte intensiteit van de zon zou toenemen. Dat wordt  onder meer veroorzaakt door een lichte, eeuwen durende schommeling in de baan van de aarde om de zon.

In iets kleinere lijnen zien we nog meer schommelingen. Waar het op dit moment in grote lijnen warmer wordt kan het af en toe ook weer wat kouder worden. Zo was het gedurende de periode tussen 900 en 1300 waarschijnlijk in Europa warmer dan nu. En was het tussen 1500 en 1900 een stuk kouder dan nu. Deze variaties komen denkt men door lichte schommelingen in de warmte afgifte van de zon. Het kunnen ook andere oorzaken zijn.

Over de warme periode in de middeleeuwen en over de kleine ijstijd rond 1600 zijn veel onderzoeken gedaan. Onderstaande link verwijst naar wereldwijde onderzoeken op dat gebied.

http://pages.science-skeptical.de/MWP/MedievalWarmPeriod1024x768.htmx

Verschillende onderzoeken bevestigen zowel een middeleeuwse warme periode, meestal geplaatst zo tussen 950 en 1200, en een koude periode, zo tussen 1500 en 1900. Maar het ging erg op en neer. Hieronder drie onderzoeken uit bovenstaande link.

zweden In Zweden zijn onderzoeken gedaan naar boomringen van bomen die groeiden  tussen 500 en 2004. De bomen en ringen worden dikker als het tussen april en augustus warmer is. Op basis hiervan kan de jaarlijkse gemiddelde temperatuur worden berekend. Uit dit onderzoek blijkt dat de jaren rond 1800 qua temperatuur te vergelijken waren met nu, rond 1700 en rond 1900 was het beduidend kouder. Na 1900 ging de temperatuur weer omhoog. De middeleeuwse warme-top lag tussen 950 en 1050. Het was toen waarschijnlijk warmer dan nu.

ijslandHet sediment in noordelijk IJsland geeft ook duidelijke informatie. Hieruit blijkt dat er een warme periode was in de Romeinse tijd maar ook tussen 1000 en 1300. Ook is de kleine ijstijd zeer goed zichtbaar

De precies gedateerde isotopische samenstelling van stalagmieten in een grot in de centrale alpen is omgezet naar een temperatuurcurve. Hieruit zou blijken dat de gemiddelde temperatuur tussen 800 en 1300 hoger was dan de huidige temperatuur. In de periode daarna was het gemiddeld 1,7 graden kouder. Er zijn aanwijzingen dat deze verschillen veroorzaakt worden door variabele zonnesterkte. Dit zou dan gelijk de voornaamste oorzaak kunnen zijn van alle klimatologische schommelingen in ieder geval in de laatste twee millennia.alpen

Maar de schommeling van de twintigste en een en twintigste eeuw, de opwarming van nu, komt zoals gezegd bijna zeker grotendeels door de mens zelf. En voor de huidige en toekomstige mens is dat behoorlijk dramatisch.  Hoe het gaat uitpakken is nog enigszins koffiedik kijken. Omdat de Golfstroom van richting kan veranderen bijv. Ook kan het opeens weer wat kouder worden. Zoals er ook natuurlijke klimaatschommelingen waren in de laatste 2000 jaar. Het kan ook zomaar heel snel  al dramatisch warm worden. Grote vulkaanuitbarstingen hebben ook klimatologische consequenties. Allemaal dingen waar we niets aan kunnen doen en die niet te voorspellen zijn. Maar aan één ding kunnen we wel wat doen. De uitstoot van CO2. En dat gáát maar door, dat gáát maar door. En dat ten koste van misschien wel de halve wereldbevolking.  “America first!” Het zou me niet verwonderen als ook Amerika grote nadelige invloeden gaat ondervinden van de klimaatverandering. Tsunami’s die complete staten wegvagen. Het is allemaal niet onmogelijk. Wil Trump echt wel “America first?” Ik hoop het niet voor die arme, blanke, Christelijke Amerikanen…

Geplaatst in Geschiedenis, maatschappij, natuur | Tags: , , , , , | 1 reactie

De zwevende kiezer

Ik heb de stemwijzer ingevuld! Er waren maar liefst 30 stellingen. Je kunt kiezen tussen: “eens”, “oneens” of “geen van beiden”. “Geen van beiden” is bij mij vaak meer een antwoord waar ik voor kies om de nuance op te zoeken. Ik ben het dan wel vaak met iets eens of oneens, maar toch zijn er bepaalde facetten die ik in de vraagstelling mis die voor mij belangrijk zijn. Noodgedwongen maak ik in dat geval dan de keuze “geen van beiden”. Dat kan waarschijnlijk niet anders, of je zou de vragenlijst minstens twee keer zo lang moeten maken. Enfin. 30 vragen. Ik denk dat je met deze stemwijzer best een eindje kunt komen, er is goed over nagedacht.

Mijn antwoorden kwamen voor 71% overeen met de mening van GroenLinks, SP en de Partij voor de dieren. Exact evenveel. De Partij voor de dieren valt bij mij zo wie zo af. Fuseer in godsnaam met GroenLinks zou ik zeggen. Er zijn veel te veel partijen en zoals ik me in geen enkele partij voor 100% kan vinden zo zal dat waarschijnlijk ook zijn met de meeste leden van welke partij dan ook, die desondanks ergens lid van zijn. Dus mijn keuze zou nu moeten gaan tussen SP en GroenLinks. Toch heb ik de PvdA (66% overeenkomst) ook nog op mijn vergelijkingslijstje gezet. Niet alle items vind ik even belangrijk. Juist bij belangrijke items zou de overeenkomst die er dan wellicht met de PvdA is misschien wel eens de doorslag kunnen geven.

Al deze drie partijen willen trouwens net als ik:

  • meer geld voor kunst en cultuur,
  • de productie en handel in wiet legaliseren,
  • de vennootschapsbelasting niet verlagen,
  • de hoogste inkomens extra belasten,
  • een verplichte verzekering voor ZZPers instellen,
  • geen aparte beperkingen voor Islamitische immigranten maken,
  • de bouw van goedkope huurwoningen stimuleren,
  • geen extra geld voor aanleg van wegen,
  • alle kolencentrales zo snel mogelijk dicht,
  • het eigen risico in de zorg afschaffen
  • en ze willen nog een paar dingen waar ik het mee eens ben.

De vragen van de stemwijzer waarbij ik het met een of twee van de drie partijen (PvdA, GroenLinks, SP) niet eens ben

Er moet een bindend referendum komen, waarmee burgers door het parlement aangenomen wetten kunnen tegenhouden.

Ik ben het hier vurig mee oneens, en wat blijkt: zowel de SP als GroenLinks willen dat wel. Pfff. Toch maar PvdA dan?

Om discriminatie op basis van de naam te voorkomen, moet anoniem solliciteren bij de overheid en bij openbare instellingen de regel worden.

Ik ben het daar net als GroenLinks en PvdA mee eens. Vreemd genoeg is de SP hier tegen. Ze vinden de tijd er nog niet rijp voor. Dat begrijp ik niet.

De vervroegde vrijlating onder voorwaarden van gevangenen moet stoppen. Zij moeten hun straf helemaal uitzitten.

Vreemd genoeg volgt de PvdA daar als enige een harde lijn. Ik ben het met de stelling net als de SP en GroenLinks oneens. Maar ik vind het niet verschrikkelijk belangrijk.

De periode waarbinnen je meerdere tijdelijke arbeidscontracten na elkaar kunt afsluiten, moet langer worden dan twee jaar.

Ik wil dat, net als de PvdA en de SP niet. GroenLinks wil dat wel. Het kernidee is dat je na uiterlijk twee jaar in dienst genomen zou moeten kunnen worden en niet weer tijdelijk aan het lijntje gehouden. Ik denk dat er wel meer extra wetgeving nodig zal zijn om de werkgevers dit ook te laten doen. Nu zullen ze iemand er dan na twee jaar vaak definitief uitgooien om flexibel te kunnen blijven. Maar moet je die praktijk om wille van dat mogelijke misbruik oprekken? Ik denk van niet. Dus hier kan ik niet met GroenLinks mee gaan. Na twee jaar een beter contract, tenzij de werkgever kan aantonen dat iemand niet goed functioneert, zo iets.

De AOW-leeftijd moet weer 65 jaar worden.

Hier heb ik ingevuld “geen van beide”. Ik begrijp dat AOW en pensioen steeds minder goed betaalbaar worden. Maar ik begrijp ook dat veel mensen op hun 65e of nog eerder het heel zwaar beginnen te krijgen. Ik denk aan kleine zelfstandigen, straatwerkers, mensen in de bouw en anderen die dan moeten wachten op de AOW en als je dat gaat oprekken tot 70 kan dat veel te lang duren. Dus ik ben voor een flexibele manier van invullen hiervan. Laat bepaalde beroepsgroepen eerder AOW krijgen dan anderen. Lastig vorm te geven, dat wel. Wat doe je met chronisch zieken? Misschien moet je ook naar het persoonlijke arbeidsverleden kijken? Er wordt dan vast ook weer gerotzooid om bij de juiste categorie te horen. Als het echt veel te lastig blijkt, stel dan een duidelijke grens. 65 is mooi. Alla. 66 dan. En daar voorlopig van af blijven. De SP wil als enige naar 65 terug.

Het leenstelsel voor studenten moet worden afgeschaft. De basisbeurs moet weer terugkomen.

PvdA en GroenLinks zeggen dat een en ander zo moet blijven en zijn het dus oneens met de stelling. De SP wil weer een basisbeurs. Ik heb ook hier weer “geen van beiden” ingevuld. De betaalbaarheid door de overheid dreigt uit de klauwen te lopen, dus dat pleit voor: houden zo. Maar het oude systeem had als voordeel dat de studenten veel minder schulden maakten en vooral ook veel meer tijd aan hun studie konden besteden. Dat laatste is erg belangrijk, want het niveau op HBO en Universiteit is er niet beter op geworden de laatste jaren. Misschien iets er tussen in? Een iets lagere basisbeurs dan voorheen?

De regeling voor de aftrek van de hypotheekrente moet niet verder worden aangetast.

Net als de SP en GroenLinks ben ik het hier niet mee eens. De PvdA staat hier achter het standpunt van de VVD en wil van de hypotheekrente aftrek afblijven.  Er  gaat ontzettend veel geld zitten in het fenomeen hypotheekrente aftrek en ook de huizenprijs in Nederland wordt hierdoor kunstmatig hoog gehouden. Het kost de staat kapitalen en Europa dringt er al jaren op aan om dit te veranderen. Dat kun je natuurlijk niet in een keer doen, maar het levert elk jaar opnieuw de staat heel veel geld op waar je veel mee kunt doen. Ik ben grote voorstander van het geleidelijk afschaffen van deze subsidie waar vooral banken wel bij varen.

Luchthaven Schiphol moet kunnen uitbreiden.

Ook hierin gaat de PvdA weer mee met de VVD: dat moet kunnen. Ik vind net als SP en GroenLinks dat het tijd wordt paal en perk te stellen aan het eindeloos voorop stellen van economische belangen ten koste van milieu en leefbaarheid. Nederland is te klein. De luchtverontreiniging is bijna nergens zo groot als hier. Overal is er licht- en geluidsoverlast. Steeds meer mensen hebben een burn-out. Hoe zou dat komen…

Voor vlees moet het hoge btw-tarief van 21 procent gaan gelden.

Ik ben het hier net als GroenLinks mee eens. Als iedereen minder vlees zou eten zou dat wereldwijd het complete voedselvraagstuk oplossen. Nog afgezien van al het dierenleed. De PvdA en SP denken blijkbaar alleen aan de portemonnee van de burger en durven hier nog niet aan.

Ouderen die vinden dat hun leven voltooid is moeten hulp kunnen krijgen om een einde aan hun leven te maken.

Dit is typisch zo’n ethisch vraagstuk waar ik zelf nog niet goed uit ben. Mensen die echt dood willen en niet voldoende steun krijgen om hun wens te vervullen laat men misschien nog te vaak in de kou staan. Diverse documentaires over de hele wereld laten dat zien. Gelukkig is er in Nederland al vrij veel mogelijk. Maar moet dat nog verder opgerekt worden? Ik heb twijfels. Een bepaalde mate van lijden is helaas onderdeel van ons leven. Daar zullen we mee moeten leren om gaan. Misschien dat ik dus toch iets meer overhel naar het standpunt van de SP die vindt dat we hier niet verder in moeten gaan.

Er moet een landelijk zorgfonds komen, zodat het stelsel van particuliere zorgverzekeraars kan verdwijnen.

Alleen de SP denkt hier hetzelfde over als ik. Ik ben in het algemeen tegen al die concurrentie, overstapmogelijkheden en ga zo maar door. Net als bij OV en Energie trouwens

Er moet een Europees leger komen.

Alleen GroenLinks denkt hier hetzelfde over: ja! Belachelijk dat we Nederland zogenaamd lopen te verdedigen. We moeten op hoog niveau samenwerken en dat kan het beste bij een Europees leger. Ik zou trouwens ook een Verenigd Europa willen dat veel verder gaat dan nu. Net zo iets als in Amerika. Nederland als een soort Bundesland van Duitsland. Waarom niet? In Nederland hebben we ondanks onze landelijke eenheid nog steeds erg veel verschillen. Een Groninger is cultureel gezien heel iemand anders dan een Limburger. Dus waar zijn we bang voor. Zeker nu Amerika ons los begint te laten is het tijd geworden voor intensieve samenwerking op Europees niveau. Ik wil een Verenigde staten van Europa, om te beginnen misschien Scandinavië, Duitsland en de Benelux. Ik begrijp dat gekanker op Europa niet. Dat er teveel bureaucratie is. Ja, vast en zeker. Maar dat aanpakken is wat anders dan de Europese samenwerking stop zetten.

Met betrekking tot alle andere punten van de stemwijzer (en dat zijn er maar liefst 18!) denken PvdA, GroenLinks, SP en  ik hetzelfde. Die vragen daar ga ik dus nu niet op in.

Een eerste inventarisatie

Waarom PvdA? Omdat zij als enige net als ik tegen referenda zijn, omdat zij samen met Groen links voor anoniem solliciteren bij de overheid zijn, omdat zij net als de SP de duur van tijdelijke arbeidscontracten willen beperken tot twee jaar.

Waarom GroenLinks? Omdat zij samen met de PvdA voor anoniem solliciteren bij de overheid zijn, omdat zij net als de SP de huidige regeling van vervroegd vrijlaten van gevangen onder voorwaarden willen handhaven, omdat zij net als de SP de regeling voor hypotheekrente-aftrek geleidelijk willen afbouwen, omdat zij net als de SP vinden dat de luchthaven Schiphol niet nog verder mag worden uitgebouwd, omdat zij net als ik als enige vinden dat vlees duurder mag worden door hoog BTW-tarief toe te passen, en omdat zij net als ik duidelijk Europees denken en zelfs een Europees leger willen.

Waarom SP? Omdat zij net als de PvdA de duur van tijdelijke arbeidscontracten willen beperken tot twee jaar, omdat zij net als GroenLinks de huidige regeling van vervroegd vrijlaten van gevangen onder voorwaarden willen handhaven, omdat zij net als GroenLinks de regeling voor hypotheekrente-aftrek geleidelijk willen afbouwen, omdat zij net als GroenLinks vinden dat de luchthaven Schiphol niet nog verder mag worden uitgebouwd, omdat zij net als ik als enige van deze drie partijen willen dat er een nationaal zorgfonds komt.

De belangrijkheid van de items

Ik wil toch proberen tot een keuze te komen. Vind ik alle items even belangrijk? Nee. Ik geef elk item een waarde tussen 1 en 10. Deze waardering is natuurlijk behoorlijk subjectief. Zo vind ik de mening over referenda veel belangrijker (een 10) dan het item over vervroegd vrijlaten van gevangenen (een 2). Door nu die punten te zetten bij partijen die hetzelfde denken als ik krijg ik een misschien nog beter beeld.

  Belangrijkheid van het  item voor mij PvdA GroenLinks SP
Referenda stoppen 10 10    
Anoniem solliciteren 3 3 3  
Beperken duur tijdelijke arbeidscontracten 4 4   4
Vervroegd vrijlaten gevangenen nee 2   2 2
Hypotheekrente-aftrek afbouwen 6   6 6
Schiphol uitbreiding stoppen 5   5 5
Vlees duurder maken 4   4  
Europees leger 4   4  
Nationaal zorgfonds 7     7
  Totaal: 17 24 24

GroenLinks en SP blijken (hoe is het mogelijk) alweer gelijk te staan. De PvdA valt definitief af.

Welke argumenten zouden nog meer een rol kunnen spelen? De haalbaarheid van samenwerking? Strategisch kiezen om een andere partij te helpen of te stoppen? De uitstraling van de leider? De achterban en de kwaliteit van mogelijke ministers?

Ik moet er nog over nadenken. Ik ben een stuk verder. Maar ik ben nog steeds een zwevende kiezer.

Geplaatst in maatschappij | Tags: , | Plaats een reactie

De geboorte van Johannes de Doper

Elk schilderij heeft een verhaal. En dat verhaal kan heel veel kanten hebben. Hoeveel mensen zullen er in de loop van de tijd hebben staan kijken voor het schilderij “de geboorte van Johannes de Doper” in Boijmans en er hun eigen verhaal van gemaakt hebben?

johannes-gouda

Je kunt kijken naar allerlei dingen. Ik wil zo goed mogelijk weten wat het voorstelt, maar ik zou ook iets meer over de context willen weten: waarvoor is het gemaakt, door wie, in opdracht van wie? Ik wil iets meer over die tijd weten en een beeld in mijn hoofd krijgen van allerlei gebruiken in die tijd. Klonk er toen ook muziek, welke? Dus ik ga een poging doen.

Ik begin met de voorstelling. Wat je ziet  is een soort samengevoegde collage van drie Bijbelse gebeurtenissen tot samen één schilderij, alsof het allemaal tegelijkertijd is gebeurd. Een stripverhaal van drie plaatjes samengevat in slechts een plaatje, zo iets.

We zien helemaal links boven op het schilderij de eerste gebeurtenis: Zacharias, de man van Elisabeth, wordt bezocht door een engel. In Lucas 1, 11-12 lezen we: “er verscheen hem een engel des Heren, staande aan de rechterkant van het wierookaltaar. Toen Zacharias hem zag ontstelde hij en werd door vrees bevangen. Maar de engel sprak: ‘vrees niet Zacharias, want uw bede is verhoord; uw vrouw Elisabeth zal u een zoon schenken, die gij Johannes moet noemen’”

Achteraan rechts zien we Elisabeth in bed liggen. Ze krijgt iets als soep aangereikt door een bediende. Een andere bediende warmt een doek om straks Johannes in te wikkelen. Johannes, net geboren,  wordt gewassen door Maria, de zus van Elisabeth. Maria is op dat moment volgens de bijbel drie maanden zwanger van de latere Jezus. In Lucas 1, 57 lezen we: “voor Elisabeth brak het ogenblik aan dat zij moeder werd; zij schonk het leven aan een zoon”

Vooraan op het schilderij zien we alweer Zacharias, met dezelfde kleur mantel als links. De engel Gabriël had hem “met stomheid” geslagen (hij kon niet meer praten) toen deze hem de geboorte had aangekondigd. Maar acht dagen na de geboorte gaf hij het kind een naam bij de besnijdenis en hij kreeg prompt zijn stem terug. In Lucas 1, 62-66 lezen we: “Op de achtste dag kwam men het kind besnijden en ze wilden het naar zijn vader Zacharias noemen. Maar zijn moeder zei daarop: Nee het moet Johannes heten. Zij antwoordden haar: maar er is in uw familie niemand die zo heet. Met gebaren vroegen ze aan zijn vader hoe hij het wilde noemen. Deze vroeg een schrijftafeltje en schreef er op: Johannes zal hij heten. Ze stonden allen verbaasd. Onmiddellijk daarop werd zijn mond geopend, zijn tong losgemaakt en verkondigde hij Gods lof. Ontzag vervulde alle omwonenden en in heel het bergland van Judea werd al het gebeurde rondverteld. Ieder die het hoorde dacht er over na en vroeg zich af: wat zal er worden van dit kind? Want de hand des Heren was met hem.”

gouda-altaar-op-schilderijOp het schilderij zien we links boven een tempel die refereert aan het priesterschap van Zacharias en de hierboven beschreven gebeurtenissen in de tempel. Maar daar in is ook een houten retabel te zien, duidelijk uit de tijd van het schilderij van Boijmans. In die tijd was het gebruikelijk om, als je het kon betalen, een altaarretabel te laten snijden door een beeldsnijder. Goede beeldsnijders die dat konden waren er niet zo veel. In Antwerpen waren toentertijd de beste beeldsnijders van Europa en als je het kon betalen liet je daar iets maken en het in je stad bezorgen. Daarnaast was het gebruikelijk, als dat retabel klaar was, om dat af te kunnen dekken met geschilderde panelen. Die kon je openklappen: aan de binnenkant zag je dan in schitterende kleuren taferelen die vaak ongeveer dezelfde voorstelling hadden als het houtsnijwerk van het retabel. De buitenkant werd ook beschilderd: heel vaak in grisaille (grijstinten). Dat maakte het openen van het retabel extra feestelijk: het houtsnijwerk kwam tevoorschijn maar ook de beschilderde binnenkant. Een enkele keer, zoals bij het hoogaltaar van Kalkar, waren zowel buiten- als binnenkant van de panelen in kleur. Zo hebben we daar nog steeds 20 schitterende panelen, waarvan je de helft tegelijk kunt zien (geopend 10, of gesloten 10). Waarom schildert de maker van het paneel dat we hier zien in de tempel van Zacharias een altaarretabel in de joodse tempel? Ik vermoed dat dat het wel eens hetzelfde retabel zou kunnen zijn waar hij de panelen bij aan het maken was. Logischerwijs zou dan ook in dit beeldsnijwerk het leven van Johannes de Doper verbeeld moeten zijn. Jammer genoeg zijn de afbeeldingen te onduidelijk om daar zekerheid over te krijgen.

Hoeveel panelen zullen er in dit geval geweest zijn? Te zien aan het geschilderde paneel schat ik dat dat er minstens 6 geweest moeten zijn. Twee grote links en twee grote rechts, en boven nog een kleiner links en een kleiner rechts. En misschien ook nog enkele panelen voor de onderkant. Er zijn nog drie grote panelen van het Johannes-altaar bekend. Twee staan er in Boijmans, een is er te zien in Philadelphia. In Boijmans zien we naast de geboorte van Johannes de vlucht van Elisabeth. Hieronder het paneel uit Philadelphia.

johannes-philadelphia-kleinOp dat laatste zien we hoe Johannes de doper Jezus aanwijst als “het Lam Gods”. Andere afbeeldingen die er nog meer geweest moeten zijn: “Johannes als kluizenaar in de woestijn, levend van sprinkhanen” en waarschijnlijk ook “de dood van Johannes”, waarbij meestal zijn afgehakte hoofd op een schotel wordt getoond. Waarschijnlijk zijn deze en nog meer afbeeldingen van ditzelfde altaar verloren gegaan.

Bij Boijmans wordt geopperd dat het paneel waarschijnlijk afkomstig is uit de St. Jan van Gouda. Het schilderij is in 1938 aangekocht, maar er wordt niet vermeld wie de vorige eigenaar was. Laten we aannemen dat het klopt. De kerk was inderdaad opgedragen aan Johannes de Doper. Dat maakt het al tot een aannemelijke keuze. Gouda was rond 1500 een vrij belangrijke stad wat je alleen al aan de grootte van de kerk kunt zien. De kerk heeft de grootste oppervlakte van alle kerken in Nederland. Jammer genoeg zijn de kerkregisters van 1490-1520 verloren gegaan. Net de periode waarin het schilderij wordt gedateerd. Uit dendrochronologisch onderzoek blijkt dat het paneel gemaakt moet zijn tussen 1510 en 1520. Dat is heel aannemelijk, als je weet dat de een na laatste uitbreiding van de kerk in 1510 klaar kwam. Het is heel gebruikelijk om dan voor zo’n nieuwe kerk ook nieuwe kunstwerken te laten maken, zoals dat ook in Kalkar gebeurde. In 1555 was er een grote brand, maar het schijnt dat het koor er vrij ongeschonden van af is gekomen. Na die brand werd de kerk hersteld en kreeg nog een laatste architectonische aanpassing. Maar ook niet zo heel lang daarna (1572) sloot Gouda zich aan bij de opstand en werd de kerk ter beschikking gesteld aan de gereformeerden. Wat er toen met al het nog overgebleven beeldhouwwerk en met de schilderijen gebeurd is is niet bekend.

Wie is de maker die zich zo vanaf 1510 bezighield met de panelen? Hij wordt nu de “meester van het Johannesaltaar” genoemd. Men weet het gewoonweg niet. Ik heb mezelf een tijdlang bezig gehouden met Jan Joest, de maker van de twintig schilderijen voor het hoogaltaar van Kalkar. Jan Joest vestigde zich toen die klus klaar was rond 1509 in Haarlem en overleed daar in 1519. Voor Haarlem heeft hij in die tijd voor zover bekend slechts enkele kleine kunstwerken gemaakt. Zou Jan Joest de panelen van Gouda hebben gemaakt?

Hieronder een van de afbeeldingen van Jan Joest voor Kalkar. De doop van Jezus (door Johannes de Doper) in de Jordaan. Hoewel je ziet dat de stijl zeker verwant is vind ik de details in Kalkar meer uitgewerkt, fijner, precieser. Maar ik ben te weinig kenner om er verder een zinnig woord over te kunnen zeggen.

johannes-kalkar-klein

Gouda was een havenstad. Het had rechtstreekse waterverbindingen met zowel Amsterdam, Utrecht als Rotterdam en Dordrecht. Daar profiteerde de stad optimaal van. Nu kun je je dat bijna niet meer voorstellen, Gouda een havenstad? Maar dat was het wel degelijk. Je kunt nog veel restanten van deze havenactiviteiten terug vinden in de stad. Leuk uitgangspunt voor een stadswandeling! De stad was welvarend en zal tot de reformatie ook een bloeiend kerkelijk muziekleven hebben gekend. Met goede zangers die waarschijnlijk ook polyfoon konden zingen. Wat zongen zij? Van de Noordelijke Nederlanden zijn niet zoveel componisten uit die tijd bekend. Een uitzondering is misschien Obrecht. Hij heeft o.a. gewerkt in Bergen Op Zoom, maar was ook de opvolger van Josquin des Prez in Ferrara.

Obrecht schijnt ook een mis ter ere van het feest van Johannes de Doper gemaakt te hebben, maar daar heb ik helaas geen opname van kunnen vinden. Wel een mis opgedragen aan de heilige Donatianus, de patroonheilige van Brugge. We horen van hem een deel uit de missa Sancto Donatiano, uitgevoerd door de Cappella Pratensis. Het meerstemmige Kyrie uit deze mis wordt voorafgegaan door een eenstemmig Gregoriaans introïtus. Prachtige sfeer door de muziek en de bijbehorende filmopname, waar we bijv. ook beelden van altaarpanelen van de Sint Jacobskerk in Brugge zien. Anno 14 oktober 1487 werd er een mis gezongen in deze kerk ter nagedachtenis aan bonthandelaar Donaes de Moor, met speciaal voor de gelegenheid geschreven muziek van Jacob Obrecht. Wat je ziet en hoort moet enigszins in de buurt komen van wat je misschien ook in Gouda gehoord kunt hebben in het tweede decennium van de zestiende eeuw, toen het nieuwe altaar feestelijk werd ingewijd. En na de dienst liepen de notabelen naar voren, om zich te vergapen aan het kunstige houtsnijwerk van het retabel en de prachtige kleuren van de panelen. Hun Johannes de Doper, wat waren ze trots! Een klein onderdeel van dit grote devote werk hangt nu in Boijmans. Als herinnering aan vervlogen tijden.

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Gevaarlijke gekken

Macht. Ik ben machtig, ik ben de baas! Er zijn bepaalde machthebbers die genieten op voor mij vreemde manieren van macht en aanzien. Een vrij normale manier zou misschien kunnen zijn dat je voelt dat je veel goede dingen kunt doen en bij iedereen geliefd bent. Maar ik ken machthebbers die vooral genieten van gevreesd worden. Als iedereen je vreest word je paranoia. Zoals Stalin die op een bepaald moment voor de zekerheid bijna iedereen in zijn omgeving om zeep liet brengen. De meeste gevreesde machthebbers laten het niet zo ver komen. Zij zorgen voor meelopers. Dat is makkelijk. Je hebt macht en je strooit kwistig met versnaperingen. De meelopers zijn blij. Voor zo lang als het duurt. Want even makkelijk word je ook weer aan de kant geschoven. Die macht heb je als machthebber en het voelen daarvan is ook weer lekker. Impulsieve machthebbers genieten voortdurend van hun macht. Zoiets van páf: ik dóe iets en wáw, iedereen schrikt. Héérlijk! Dat het daarna chaos is deert ze niet. Het hoort bij het machtspel.  Je krijgt veel aandacht. Hoe lang gaat dat goed? Ja dat kan lang duren. In een enigszins democratische omgeving is dat begrensd. Uiteindelijk loop je tegen de lamp en word je gestraft voor al het onheil dat je hebt aangericht. De reactie is: zo willen we het nooit meer. Een tijd lang zal op die plek geen impulsieve onheilsveroorzaker meer zitten. Waarschijnlijk komen er dan gouden tijden. Er is hoop!

Mensen die mij kennen weten dat dit verhaal net zo goed te plaatsen valt in een omgeving die dichtbij is, net zo als dat je dit verhaal ook naar een heel ruime omgeving zou kunnen vertalen. De hoofdpersonen in beide  omgevingen hebben veel gemeen. Ze zijn allebei gestoord. Het zijn gevaarlijke gekken.

Geplaatst in maatschappij | Tags: , , | 1 reactie

De mislukte toenadering van Venus tot Mars

Al enkele maanden is Mars onderweg naar Venus. Of is Venus onderweg naar Mars? Maar sinds de inauguratie van Trump houdt Venus Mars op een afstandje: tot hier en niet verder! Ze naderden elkaar steeds meer, ze leken elkaar te gaan pakken. Venus gaat de komende dagen wat naar boven. Gaat hij boven Mars langs? De huidige stand heet formeel een conjunctie. Maar het is een niet erg innige conjuncte. En het zal ook niet meer worden dan dat. Over een aantal weken gaan ze zich weer van elkaar verwijderen, zonder elkaar echt omarmd te hebben.

Trump heeft hier natuurlijk niets mee te maken, dat zou te veel eer zijn. Maar als je zo herhaaldelijk naar de beweging van de zichtbare planeten aan de hemel kijkt dan is het verleidelijk om de veranderingen die je ziet te duiden. De Drie koningen deden dat ook al. Immers, Venus is een mooie heldere planeet. De planeet van de liefde. Mars is een kleiner, vaak enigszins rood, vervaarlijk puntje. Je weet nooit wat hij doet. Dat weten we van Trump ook niet. Hij gaat door voor een impulsief iemand, en die kwaliteit wordt ook aan Mars gekoppeld. Vanaf eind oktober konden we de twee hemellichamen al aan de avondhemel zien. Ze gingen steeds dichter naar elkaar toe,  tot rond deze tijd. Dan, eerst langzaam, en in maart in sneltreinvaart, zien we Venus de zon voorbijschieten waardoor het weer een morgenster wordt. Mars is dan nog steeds laag aan de avondhemel te zien.

Op onderstaande animatie zie je de onderlinge stand van deze planeten van oktober 2016 tot maart 2017. Groen is de horizonlijn. Rood is de baan van zon, maan en planeten (de dierenriem). De animatie zie je twee keer, de tweede keer in close up. Elke maand zie je snel de maan een keer voorbijkomen. Ook zie je de plekken aan de hemel waar je Uranus en Neptunus zou moeten kunnen zien, maar daar zul je een behoorlijke telescoop voor nodig hebben. Als in maart Venus verdwijnt kun je trouwens korte tijd Mercurius laag aan de avondhemel zien, dat wordt op het einde ook in de animatie getoond. Dat verschijnsel is in Nederland zelden goed te zien, dus voor de liefhebbers: eind maart vlak na zonsondergang is het niet onmogelijk!

Ik heb ook diverse keren geprobeerd om foto’s te maken van de conjunctie van Venus en Mars. Dat is me dan wel gelukt maar wat wil je eigenlijk laten zien behalve de samenstand? Een mooi plaatje van de omgeving erbij? Dat zie je op onderstaande foto misschien, uitzicht op de dijk vanaf mijn studeerkamer, afgelopen avond om half negen.

venusmarsvenusEn bij een detailfoto van Venus zie je fel het weerkaatste zonlicht  op de dikke dampkring van Venus, maar je lijkt ook iets van de dampkring, wolkenpartijen, zelf te kunnen zien. Het gaat daar behoorlijk wild tekeer met stormen van honderden kilometers per uur, die gebroken worden door de enorme bergtoppen op Venus, vele malen hoger dan de hoogste bergen op aarde. De zo lieflijk ogende planeet is in werkelijkheid een ware hel, de dampkring bevat uiterst giftige gassen. Spannend om met enige fantasie hier iets van terug te zien, zomaar, met een aardige fotocamera.

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , | 6 reacties

De Lairesse

ijzeren-tijdperkAcht metershoge grisailles. Wat betekenen ze? Waarom zijn deze geschilderd? Nieuwsgierig loop je onderzoekend door de zaal en probeert er achter te komen.

De kunstschilder De Lairesse (1640-1711) schrijft in zijn Groot Schilderboek dat grisailles (schilderingen in grijstinten) bezoekers die een huis binnenkomen zou moeten verheffen. Een moraliserende grisaille is daar dan op zijn plaats. Zo maakte hij voor het Amsterdamse herenhuis van Pieter Hunthum, koopman aan de keizersgracht, vier grisailles voor in de vestibule. Een daarvan had als titel “Het ijzeren tijdperk”. Het idee is: besef dat er niet altijd voorspoed is maar dat het tij kan keren. Waar eerst een balans is (de balans van vrouwe Justitia ligt op de grond) kan er ook disbalans komen, met oorlog tot gevolg. Bezoekers wisten dat ze op bezoek waren bij een vroom persoon die zijn steentje wilde bijdragen om de balans in evenwicht te houden. Een verstandige koopman dus.

Het idee van een grisaille is dat je er marmer mee kunt suggereren. Als je de juiste schaduwen weet te schilderen en genoeg kijkafstand hebt dan lijkt zo’n grisaille driedimensionaal. Dat is hier ook duidelijk het geval. Er wordt een enorme diepte verkregen door de donkere schaduw achter de gebaarde man links van de centrale strijder. Ook wordt er gesuggereerd dat er een lichtbron van rechts is. Dat zal waarschijnlijk in het huis van Pieter Hunthum ook zo geweest zijn, waardoor het effect nog sterker moet zijn geweest. Een meesterwerk wat mij betreft!

Deze acht metershoge grisailles vormen een onderdeel van de tentoonstelling “Eindelijk -De Lairesse” in rijksmuseum Twenthe in Enschede. De Lairesse moest vanwege een vete Luik ontvluchten en kwam terecht in Amsterdam. Daar was de kunstwereld inmiddels een eigen weg ingeslagen in vergelijking met die van de rest van Europa: de afnemers van kunst waren middenstanders en rijke kooplui in plaats van kerken, kloosters, koningen of hertogen. En die prefereerden vooral genrestukken, bloemstukken, winterlandschappen en dat soort zaken. De Lairesse, gewend om vooral voor de katholieke kerk te werken in Luik, kwam met meer verheven stukken zoals ze aan de Europese hoven gewenst werden: vooral mythologische en historische onderwerpen. We zien dat natuurlijk ook bij Rembrandt. Maar Rembrandt schilderde Claudius Civilus als een ruwe bolster met een blanke pit in plaats van als een eerbiedwaardig Germaans leider. Zijn historiestuk voor het stadhuis werd daarom afgekeurd, het was niet verheven genoeg. (Het doet me trouwens denken aan veel eerdere ontwikkelingen. In de vroege middeleeuwen mocht Christus alleen maar eerbiedwaardig worden uitgebeeld net als trouwens ook Maria. Maar vooral boven de alpen begon men Christus als gewoon mens weer te geven en Maria als moeder met al haar menselijke gevoelens. Italië paste zich pas later schoorvoetend bij deze nieuwe trend aan.)

De Lairesse schilderde dus niet als Caravaggio of Rembrandt de zelfkant van de samenleving. Maar De Lairesse kon wel erg goed schilderen. En hij wist ook in te spelen op wat de elite van Amsterdam wilde: meegezogen worden in de internationale vaart der volkeren en liefst zelfs er boven uitvliegen. Zo mocht de Lairesse ook een aantal lunetten in het nieuwe stadhuis schilderen. Eén voorbeeldstudie van alles wat er nog komen ging is bewaard gebleven. Uitgebeeld wordt de macht van Amsterdam als in een toneelstuk, met op de achtergrond een vloot met schepen. Engelen waken en doven brandend vuur. En toen gebeurde misschien wel het ergste dat een schilder kan overkomen: hij werd blind. Dus kon hij de opdracht niet voltooien. Geen enkele van de lunetten is uiteindelijk door hem verwezenlijkt.

lunette-burgerzaal

In Enschede zie je de hele ontwikkeling van de schilder vanaf zijn Luikse periode totdat hij niet meer kon schilderen maar wel schilderles ging geven. Aan de hand van zijn lessen is zijn Schilderboek ontstaan, waarin hij al zijn technieken uitlegt en van voorbeelden voorziet. Het boek lag opengeslagen en leek me zeer inspirerend. Het is nog tijdens zijn leven in meerdere talen vertaald.

De Lairesse heeft ook de illustraties verzorgd van een medisch boek, waarin de structuur van botten, organen en dat soort dingen wordt uitgelegd. Hij mocht de plaatjes erbij maken. Als voorbeeld dienden de stoffelijke overschotten van terechtgestelde misdadigers. Behalve het boek zelf, twee pagina’s waren te zien, zag je ook een aantal voorstudies. Je kon zien dat bij een opengesneden rug daaronder de nog samengebonden handen van het slachtoffer waren getekend. Of de ingewanden van een vrouw met ernaast nog een arm. De anatomische les van dokter Tulp, maar nu niet die van Rembrandt maar van De Lairesse.

ingewanden-vrouw

De tentoonstelling duurt nog tot en met komend weekend. Een prachtig overzicht. Maar wat is mijn mening over de schilder? In zijn eigen  tijd was hij beroemd. Dat kwam dus door zijn opdrachtgevers. Ik lees op dit moment het boek “De levens van Jan Six” van Geert Mak. Je leert daarin de opdrachtgevers van De Lairesse goed kennen. Een mooie aanvulling op de tentoonstelling eigenlijk. Maar na de classicistische tijd is de schilder enkele eeuwen volkomen verguisd geweest. Rembrandt werd vanaf de negentiende eeuw de echte held. Nog steeds zijn de meningen over de Lairesse verdeeld. Maar deze tentoonstelling probeert hem in ere te herstellen.

Zijn enigszins renaissancistische idee over kunst die volmaakt moet zijn spreekt me aan op het moment dat hij schoonheid schildert. Venus met Cupido. Tot drie keer toe kunnen we dat zien. Cupido heeft zich met een van de pijltjes bezeerd en Venus pakt hem die af.

venus-en-cupido

Wat een prachtige japon op onderstaand schilderij, dat als thema de vrede heeft. Venus is niet alleen de godin van de liefde en schoonheid maar ook die van de vrede.Bij de toelichting lezen we dat De Vrede wordt gelauwerd door de personificatie van De Welvaart, herkenbaar aan de hoorn des overvloeds. Cupido houdt de vlam brandende, maar pas op: hij kan snel weer doven!

lof-op-de-vrede

Op een ander schilderij zien we Venus en Cupido  als onderdeel van een historiserend portret, waarbij de hoofdpersonen Odysseus met Penelope en hun zoon Telemachus zijn.

odysseusBij dit schilderij staat overigens een voor mij enigszins merkwaardige toelichting:

odysseus-toelichting

Naar mijn idee zie je Venus, de beschermgodin van Odysseus met haar zoontje, de gevleugelde Cupido, + de drie genoemde familieleden. Cupido lijkt Odysseus verliefd gemaakt te hebben op zijn vrouw. Zoals ook de echtelieden waarschijnlijk als gelukkig en een nog steeds verliefd stel uitgebeeld wilden worden, met hun zoon erbij. Zoals Odysseus na jaren omzwervingen was blijven houden van Penelope, en zij van hem. Venus zie je boven Odysseus, met een hand boven zijn hoofd zoals Cupido die onder zijn hoofd houdt. In haar hand houdt ze een rond voorwerp vast. Venus heeft vaak als attribuut een rond voorwerp als een spiegel. Je kunt niet goed zien wat in dit geval daar op staat. Achter Venus zien we aan de wand een een rond schilderij. Een vrouw met een puntmuts (dat is dan Penelope, links in het midden) zit aan een tafel. Achter de tafel staat een man (Odysseus) met een fonkelende pijl in de ene en een zware boog in de andere hand. De wapens waarmee hij zijn belagers (de vrijers) doodde, toen hij eindelijk weer teruggekeerd was in Ithaka, zijn kleine koninkrijk. Letterlijk zien we hierdoor dat het gaat om een gehistoriseerd portret.  Zo wordt er een relatie gelegd tussen de mensen op het schilderij en de geportretteerden.  Hieronder de twee slecht zichtbare details: het ronde portret en het ronde voorwerp in de handen van Venus.

spiegel-en-munt

Vrede en liefde. Dat kon de Lairesse goed schilderen. En zijn schilderboek met voorbeelden en uitleg lijkt me nog steeds de moeite waard. En zijn weergaloos mooie grisailles! Een vreemde eend in de bijt, zo tussen Jan Steen, Rembrandt, Ruysdaal en al de andere zo bekende Hollandse schilders van de Gouden Eeuw. Eindelijk – De Lairesse!

Geplaatst in Geschiedenis, kunst, recensie | Tags: , , , , , , , , , , | 2 reacties

Poldermentaliteit

polder-opperduit

Ik woon in een poldergebied aan een dijk. Binnendijks staan er allemaal boerderijen. Elke boerderij heeft een langgerekte kavel grond achter de boerderij. Elke kavel is van de andere gescheiden naar twee kanten door middel van een langgerekte sloot.

In de Volkskrant van vandaag zijn een aantal columnisten aan het woord die het hebben over 2017. Arnon Grünberg doet een aantal voorspellingen, bijv. dat de PVV niet de grootste partij wordt. Ik waag het te betwijfelen. In de publieke opinie bespeur ik namelijk twee trends: de populistische en de maatschappelijk betrokkene. Politiek gezien zijn die twee stromingen in Nederland vertegenwoordigd door Wilders en misschien Buma/Gert-Jan Segers? Natuurlijk zijn ook Groen Links en de SP maatschappelijk betrokken. Maar er komt een groeiende hang naar de verbondenheid die de Christelijke kerken ooit wisten te bewerkstelligen. Misschien komt er zelfs een revival van het kerkbezoek. Dat zal nog iets langer duren. Herman Finkers maakte onlangs de ouderwetse Gregoriaanse Mis salonfähig. Ik denk dan ook dat veel mensen gaan stemmen op aan de ene kant PVV, aan de andere kant CDA en CU, meer dan nu op dit moment wordt voorspeld. Dat voorspel ik.

CDA en CU maken zich sterk voor maatschappelijke betrokkenheid, door nog steeds het gezin de hoeksteen van de samenleving te laten zijn maar ook door het propageren van bijv. mantelzorg. Deze zorg voor de medemens zien we ook bij de Christen-democraat Angela Merkel, die zelfs de vluchtelingen welkom heette: “Wir werden das schaffen”. Die sociale context zou ik graag vooral dicht bij huis willen zien, bij ons allen. Door elke dag weer te luisteren naar elkaar, je niet op te fokken in het verkeer en daar weer een echte heer te worden, niet meer onnodig in te halen op dubbele rotondes maar gewoon op je gemak achter elkaar te blijven rijden. Dat soort dingen. In de supermarkt  zou het fijn zijn als je geduldig wacht en je niet ergert aan het slome gedrag van die onhandige mevrouw voor je. Een voortdurende instelling van: we zijn er met zijn allen, ieder met zijn eigen beperkingen, maar we mogen er zijn. Die trend is volkomen in strijd met de populistische die alleen maar inspeelt op de angst iets kwijt te raken, de medemens juist niet te vertrouwen. Ikke wil eersie, ikke ben belangrijk. Het is misschien te kort door de bocht, maar ik denk soms wel eens dat al die haastige inhalende inhalige mensen op die dubbele rotondes potentiële Wilders-stemmers zijn…. Moet ik niet doen. Is natuurlijk niet zo. Het zijn natuurlijk artsen op weg naar hun patiënt.

De twee trends botsen. Ik hoop vurig dat de tweede trend de overhand neemt. Dat het sociale aspect in de mens het wint van het ook aangeboren egoïstische aspect. En ik hoop ook dat er partijen zijn die er voor uitkomen dat het vooral daar over zou moeten gaan!

Het bij elkaar hokken in een partij, of in een kerk kan ook kwalijke gevolgen hebben. Wij zijn goed, de rest is slecht. Zo is het zo vaak gegaan en gaat het soms nog. We zoeken uit een gevoel van geborgenheid of veiligheid mensen op die hetzelfde denken. Maar de kunst is om je niet boven de ander te plaatsen. Een voortdurend nederige, zoekende houding is belangrijk. Kijk dat groepje buitenlandse jongeren dat je op straat tegenkomt gewoon vriendelijk aan in plaats van snel de andere kant uit te kijken. Doorbreek het “wij tegen zij” denken. Realiseer je dat culturele verschillen vooral ook voordelen bieden. Je kunt leren van elkaar.

Rutte zei dat de mensen die op de PVV stemmen fatsoenlijke mensen zijn. Daarmee maakt hij het gedachtengoed van Geert Wilders salonfähig. Want die mensen vereenzelvigen zich met dat gedachtengoed. Ik vind dat mensen die echt achter de dingen staan die Wilders beweert niet fatsoenlijk zijn. Rutte zal wel bedoelen dat ze niet in de gaten hebben achter welk gedachtengoed ze eigenlijk staan. Ik waag dat te betwijfelen. Rutte probeert alleen zieltjes te snoepen. Het gedachtengoed van de huidige VVD is helaas in mijn ogen ook niet al te fatsoenlijk. Het stelen van de zieltjes zou dus wel eens kunnen gaan lukken.

Maar Nederland dreigt bijna onbestuurbaar te worden. Er zijn bijv. veel te veel linkse partijen. Groen links, SP, Partij voor de Dieren, Partij van de Arbeid. Het socialisme is ontstaan in een periode dat er nog veel te doen was. Er was grote ongelijkheid, de arbeidsomstandigheden waren slecht, de arbeiders hadden een grote achterstand op het gebied van scholing. De Partij van de Arbeid heeft zich hard gemaakt om dit alles te verbeteren, met groot succes! In feite zijn de doelen van toen nu grotendeels behaald. Nu zijn er andere dingen om je bezorgd over te maken en te verbeteren. Het gaat nu over het milieu, de inrichting van het land maar ook het platteland, de rol van de overheid, de kwaliteit van onderwijs en zorg. Dingen waar multinationals, aandeelhouders en banken vaak heel anders tegen aan kijken. Daar moet een goed evenwicht in worden aangebracht. In de kern denken de zogenaamde linkse partijen daar allemaal hetzelfde over. Maak er één partij van zou ik zeggen.

Wat dan met de christelijke politiek? Nu zitten Christenen niet alleen bij CU, SGP en CDA maar ook bij de meeste andere partijen. Is Christelijk denken sociaal denken? Natuurlijk. Dan is het logisch dat die mensen ook op die ene te vormen linkse partij gaan stemmen en ook daarbij willen horen. Op die ene linkse partij stemmen ook de sociaal denkende moslims, of atheïsten. Het geloof in een God en de kerkgang zijn individuele keuzes. Christelijke of moslimpartijen zouden overbodig moeten zijn.

Wat houd je over? Ik denk iets van drie partijen. Een populistische partij met mensen die het wij-zij denken propageren. Helaas. Een middenpartij zal er ook komen. En daarnaast een linkse partij die niet bang is om er voor uit te komen dat er op individuele basis ingeleverd moet worden als dat voor het land en de medemens beter is. Die het wij-zij denken bewust doorbreekt. Er naar streeft dat de mens in zijn eigen kring sociaal functioneert. Het zal duidelijk zijn waar ik dan op stem.

Maar zoals gezegd, we hebben nu ongelooflijk veel partijen. Dat moet anders. Een kiesdrempel van 5% kan het aantal partijen al drastisch terugdraaien. Verder zou het veel moeilijker moeten worden om een eigen partij op te richten. Uitgangspunt zou moeten zijn: probeer bij een van de al bestaande partijen dingen voor elkaar te krijgen als je goede ideeën hebt. Denk vanuit samenwerking, niet vanuit splitsing. Zoals je ook in de kerken moet streven naar samenwerking in plaats van splitsing. Probeer de katholieke kerk te hervormen van binnen uit als je denkt dat dat nodig is. En bij de Nederlandse Christelijke gemeenten: maak in godsnaam niet weer christelijke splitsingen zoals in het verleden: “Gereformeerd”, “Hervormd”, “Oudgereformeerd”, “Gereformeerd Vrijgemaakt”,  “Gereformeerd Vrijgemaakt Binnen verband”,  “Gereformeerd Vrijgemaakt Buiten verband”, Luthers. Ik heb het nog niet eens over “Doopsgezinden” of “Oud-Katholieken”.

Nederland is een land van rechte kavels en sloten. Ieder zijn eigen kavel. Dat rechtlijnige denken moet er uit. Laat de sloten hier en daar kronkelen maar maak vooral veel meer bruggetjes. Dan vind je elkaar. Laat ook buitenlanders over de brug komen en op je kavel wonen. Dat zou de ware poldermentaliteit moeten zijn.

Geplaatst in maatschappij | Tags: , , | 1 reactie

Weersvoorspelling (2)

fotoweervrijdag2Terwijl ik dit schrijf valt er natte sneeuw, meer regen dan sneeuw en huilt er een stormachtige wind rond het huis. Bij het uit de brievenbus halen van de krant dacht ik twee dingen: 1 = “brrrr, snel weer naar binnen”  en 2: “vandaag is het echt slecht weer, thuis blijven!” Is dit voorspeld? Ja zeker! Iets dergelijks suggereerde de krant afgelopen zaterdag al. Voor vrijdag stond er een ikoontje met regen en sneeuw. Wat is er nog meer wel of niet uitgek omen van de voorspellingen toen? Eigenlijk waren de voorspellingen best goed. Drie kleine missers:

  1. zondag zou een vrij zonnige dag worden. Wij wandelden in Oosterhout in de bossen. Het was (vrijwel) droog maar voortdurend grijs. Ook thuis in Lekkerkerk hetzelfde.
  2. De kans op regen op woensdag zou 40% zijn. Dat was maandag in de krant al bijgesteld tot 70%.
  3. Donderdag zou een regenachtige dag worden met wat kans op sneeuw en geen zon. Over sneeuw (die die avond en beetje ging vallen) hadden ze het op zaterdag nog niet maar vanaf maandag wisten ze dat wel. Er is wel wat regen gevallen, vooral ’s avonds en toen dus ook sneeuw maar de zon was daarnaast ook regelmatig te zien.

Toch niet echt slecht voor een meerdaagse verwachting. Opvallend ook dat de verwachting op enkele puntjes na in de loop van de week niet werd bijgesteld. Ze wisten het zaterdag dus al vrij aardig. Hieronder de voorspelling van zaterdag, maandag, dinsdag en woensdag onder elkaar

weerweek

Nu de interpretatie. Ik voorspelde dat de zondag tot en met de woensdag best aardige dagen zouden worden met als beste dag de dinsdag. Ook deze voorspellingen werden grotendeels bewaarheid. Maandag fietste ik door een grijs den Haag. Het bleef die dag niet helemaal droog maar het was best een aardige dag, zelfs om te fietsen! Op zowel dinsdag als woensdag viel er even wat neerslag, niet veel, maar op allebei de dagen was er veel zon. Toch was de dinsdag de beste dag. Het waaide beduidend minder dan op woensdag, waardoor het woensdag toch wat guur aandeed. Ik had eigenlijk verwacht dat zowel de dinsdag als woensdag wel eens helemaal droog zouden kunnen blijven. Dat was dus niet helemaal zo. Ondanks de voorspelling van 70% kans op neerslag op woensdag viel dat ook die dag toch weer mee. Eigenlijk viel er net zoveel als op dinsdag: een beetje.

Als leek kun je dus best wat hebben aan zo’n meerdaagse weersvoorspelling. Maar voor mij zouden ze de plaatjes zon/wolken/regen weg mogen laten. Daar wordt iets mee gesuggereerd wat vaak onjuist is. De cijfertjes en de interpretatie van die cijfertjes zeggen meer en zijn dus vrij goed. Jammer dat de Volkskrant niet de te verwachten mm neerslag vermeldt. Dat geeft nog net iets meer nuttige informatie. Niet meer klagen over het weer of de voorspelling dus. Mijn vader zei altijd, op zijn Limburgs dan wel: “’t wair is good mer de luuj die douge neet.” (Het weer is goed maar de mensen deugen niet.)

Geplaatst in maatschappij | Tags: , | Plaats een reactie

Het getijdenboek van Visconti

Over de familie Visconti in de veertiende eeuw zou je een spannende historische film of boek kunnen schrijven. Zij zijn als het ware de “Borgia’s van Milaan”. En misschien is dat ook al gedaan.

Matteo II Visconti (ca. 1319 – 29 september 1355 ) was medeheerser van Milaan samen met zijn broers Gian Galeazzo II en Bernabò. Hij stierf na een diner waarin hij, volgens zijn moeder en anderen, door zijn broers werd vergiftigd. Van de “drie kleine negertjes” waren er nu nog twee over. Een van de overgebleven broers, Galeazzo II overleed in 1374. Bernabò dacht nu de alleenheerschappij te hebben. Helaas: de zoon van zijn overleden broer, Gian Galazzeo vermoordde zijn oom Bernabò.  En Gian Galeazzo werd dus de nieuwe machthebber. Deze werd door vele van zijn onderdanen gevreesd en zou zoals vele andere heersers van Milaan in de loop der tijd tirannieke karaktertrekken beginnen te vertonen. Tijdens zijn regeerperiode introduceerde hij  een praktijk, waarbij verdachten van misdaden veertig dagen lang om de andere dag gemarteld werden. Volgens sommige bronnen liet hij mensen ook door honden opeten. Gian Galeazzo wist ondanks of wellicht dankzij deze methoden de macht te behouden en breidde zijn grondgebied flink uit. Al in 1386 had hij Verona en Pavia aan zijn rijk toegevoegd, waarmee hij vrijwel de hele Po-vallei bezat. Met het goud dat hij aan deze veroveringen overhield kocht hij in 1395 de titel “hertog” van de keizer van het Heilige Roomse Rijk voor 100.000 florijnen. Zo, dát was pas een vent!

Hoe kan je je aanzien nog meer vergroten? Milaan moest in Europa bekend worden om zijn bouwwerken. Niet alleen zijn eigen paleis moest er goed uitzien, er moest ook een grote kathedraal komen die zou moeten kunnen wedijveren met de mooiste en grootste kathedralen van Europa. De kathedraal werd dus gebouwd en hij werd gewijd aan Maria. Gian legde de gelofte af dat al zijn zonen aan Maria gewijd zouden worden. Zijn eerste vrouw was Isabella Valois, dochter van de Franse koning. Zijn dochter uit dit huwelijk, Valentina, werd uitgehuwelijkt aan Louis d’Orleans, broer van de Franse koning.  (Over Louis d’Orleans gaat trouwens de roman “het Woud der Verwachting” van Hella Haasse.) Het hof van Milaan was daardoor sterk gelieerd aan het hof van Frankrijk. Mocht hij geen zoon krijgen, dan zou zij de troonopvolgster moeten worden.

Gian Galazzeo kreeg maar geen zoon. Na een aantal jaren overleed zijn vrouw Isabella. Maar eind goed al goed: uiteindelijk kreeg hij dan toch een zoon van zijn tweede vrouw (en nicht) Catherina Visconti. Het hele gebied met steden als Milaan en Pavia vierde uitbundig feest. De dag van geboorte werd tot nationale feestdag verklaard. En als dankbaarheid aan de H. Maria werd de opdracht gegeven tot het maken van een Maria-getijdenboek.

In 1972 is er een uitgave tot stand gekomen van een soort replica van dit boek waarbij alle afbeeldingen in prachtig facsimile zijn weergegeven. Bovendien staat er een erg goede toelichting bij. Het is een van mijn meest dierbare bezittingen. Ik kijk er regelmatig in en heb veel van de afbeeldingen bestudeerd. Maar nu heb ik een korte cursus gevolgd over het middeleeuwse boek. En vandaag ging het over “het getijdenboek”. Tijd voor mij om mijn “eigen” getijdenboek er weer een keer bij te pakken en te kijken wat er klopte van wat ik geleerd had.

Het boek is tot stand gekomen in de periode 1390-1394. Daarna kwam het werk stil te liggen en het werd door een nieuwe illustrator weer opgepakt, waarschijnlijk pas zo rond het jaar 1430. Deze heeft evenwel goed gekeken naar zijn voorganger en heeft geprobeerd stilistisch aan te sluiten.

Elk getijdenboek heeft zijn eigen inhoud en opzet. Maar de kern van elk getijdenboek vormen altijd de acht gebedsdiensten van het klooster (metten, lauden, priem, terts, sext, none, vespers en completen) waarin de verering van Maria centraal staat, de zogenaamde Maria getijden. Daarnaast zijn er traditioneel nog een aantal onderdelen aanwezig, die voor een groot deel ook op de acht gebeds-getijden zijn gebaseerd. Als je zo’n getijdenboek in de praktijk gebruikt dan begin je ’s nachts met de metten en neemt de gebeden van Maria erbij. Dan blader je verder tot je bij de metten-gebeden van de evangelisten bent, dan weer verder tot je de metten-gebeden van het Kruis hebt en zo nog een aantal keren, afhankelijk van de opzet van het gebruikte getijdenboek kan dat verschillen. Na de dienst ga je slapen, maar staat weer vroeg op voor de lauden en leest dan de lauden-gebeden van Maria, vervolgens die van de evangelisten, van het kruis enz. Een goed gebruikt getijdenboek zal snel verslijten. Er zijn nog vrij veel getijdenboeken bewaard en de meesten zijn in uitstekende staat. Het was voor de meeste edellieden, want daar werd het vooral voor gemaakt, meer een hebbedingetje dan een liturgisch voorwerp…

Meestal begint een getijdenboek met een kalender. Elke maand wordt weergegeven en je ziet op welke dagen de belangrijkste heiligen van die maand moeten worden vereerd. Per streek kan dat verschillen. Een getijdenboek dat voor een opdrachtgever in de buurt van Maastricht of Quedlinburg is gemaakt zal de feestdag van Sint Servaas vermelden, maar op andere kalenders komt die waarschijnlijk niet voor. Het beroemdste getijdenboek, dat van de hertog van Berry, is vooral beroemd om deze kalender. Elke maand is voorzien van een prachtige afbeelding die bij die maand hoort. Het getijdenboek van de Visconti’s daarentegen heeft geen kalender. Maar wel staan alle 150 psalmen erin, waarbij veel van die psalmen ook worden weergegeven in fraaie afbeeldingen. Het is daardoor tegelijk een psalterium.

Met betrekking tot de Maria getijden zijn er drie tradities: bij de eerste zijn de acht gebedstijden gekoppeld aan het leven van de jonge Christus. Een andere traditie is om het leven van Maria daaraan te koppelen. Zo deden ze dat vooral in Frankrijk. En in het noorden zien we vaak hoe het lijdensverhaal van Christus gekoppeld is aan deze acht getijden. Zo is de afbeelding die in dat geval bij de vespers wordt weergegeven die van de bewening van Christus. In het getijdenboek van Visconti zien we hoe het leven van Maria centraal staat, dus eigenlijk wordt gebruik gemaakt van de Franse opzet.

Maar nu komt er al een opvallende bijzonderheid. Voor dat deze cyclus begint met de geboorte van Maria zien we dat er eerst nog een andere cyclus komt: die van het leven van de ouders van Maria, Anna en Joachim. In dit geval zal dat een persoonlijke reden hebben. Gian Galeazzoo personificeerde zich namelijk met Joachim, die geen kinderen kon krijgen, zoals hij geen zoon kon krijgen. Uiteindelijk lukte dat dan toch bij allebei. Het getijdenboek begint zo met het leven van Joachim en Anna, vanaf hun trouwen. Bij de priem wordt Joachim verstoten uit de gemeenschap vanwege zijn kinderloosheid, en bij afbeelding vier, de terts, zien we hoe hij zit te treuren in de woestijn, maar bezocht wordt door een engel die hem vertelt dat hij naar de gouden poort moet gaan. Bij de sext staat hij met Anna bij de Gouden poort. De cyclus eindigt met een dankgebed aan God van Anna en Joachim, waarna de echte cyclus van Maria kan beginnen.

gian-galeazzoEr valt erg veel te vertellen, ook over de verdere opzet van dit bijzondere boek. Het wemelt van de verwijzingen naar Gian Galeazzo Visconti. Zijn hoofd wordt vaak slinks verwerkt in een liturgische tekening. Ook zien we vaak een van de emblemen, het zonnerad of het kenmerkende slangenembleem.

Ook zien we zijn lijfspreuken vaak terugkeren in een afbeelding: hij laat zich de “zonnekoning” noemen, die regeert “a bon droyt” (rechtvaardig). Zijn vrouw noemt hij steevast “la douce torterelle” (het tortelduifje). Zien we een duifje op een afbeelding? Dat is meestal een verwijzing naar zijn vrouw.

Maar om een kleine indruk te geven van de hoge kwaliteit van dit boek zal ik een van de afbeeldingen laten zien en er iets over vertellen. Het is de vierde afbeelding uit het boek.

visconti-joachim-kleinJoachim zit droevig zijn lot te betreuren nadat hij is verstoten uit de gemeenschap. In de landelijke omgeving zijn enkele herders te zien. Een van die herders zit in een ravijn met enkele koeien.

Op de voorgrond zien we nog meer koeien. Een koe slaat met zijn staart om vliegen te verdrijven. De vliegen zijn in verhouding erg groot, maar dat heeft de illustrator waarschijnlijk gedaan omdat hij anders zo klein had moeten tekenen dat je er geen insect meer in had herkend.

visconti-joachim-stierenVerder zien we een aantal schapen. Helemaal boven in beeld in de verte een hut met een rieten dak. Joachim staat er twee keer op. Een keer zoals gezegd treurend tussen de schapen, de tweede keer zien we hoe hij luistert naar een engel die aan hem verschenen is.

visconti-joachim-treurt

visconti-joachim-engel

Deze engel legt hem uit: je moet naar de gouden stadspoort gaan om Anna te ontmoeten. Bedrijf daar de liefde en Anna zal zwanger worden.  In het enigszins pijlvormige kader zien we heel fijne groene versieringen. Daaromheen zich vervlechtende takken.

visconti-joachim-luipaardIn die vlechten zien we steeds een luipaard, iedere keer op een andere manier weergegeven. Staat dit luipaard wellicht voor gevaar, de gevaarlijke woestenij waar hij zich met de herders bevindt? Is er mogelijk een bijbelse verwijzing? Is het de kloeke kordate slagkracht van Gian Galeazzo die hier wordt weergegeven? Of is het gewoon een leuk detail zonder enige betekenis?

lelies De blauwe en soms roze bloemetjes zijn de lelies van het Franse hof, waar Gian Galeazzo aan gelieerd is. Hij had namelijk de titel Comte de Vertus / Graaf der Deugden, naar het graafschap Vertus in Champagne dat hij door zijn huwelijk met Isabella van Valois had verkregen.

Bij deze afbeelding van Joachim in de woestijn zien we geen spreuken, geen zonnerad, geen slangen-embleem.

Gian Galeazzo leefde tot 1402. De eerste helft van het getijdenboek is geïllustreerd door de gebroeders Dei Grassi, in ieder geval voor 1395. Het boek is zo’n dertig jaar later pas voltooid door een andere illustrator, Belbello. Stilistisch zijn er duidelijke verschillen aan te wijzen, maar zoals ik eerder zei is er geprobeerd om stilistisch aan te sluiten. De “getijden van het kruis”, een ander vrij vast onderdeel van een getijdenboek, staan traditioneel in het teken van het lijden van Christus. Maar bij Belbello worden episodes uit het oude testament gebruikt, zoals de gevangenneming van Samson, het blind maken en zijn dood. Het lijden van Samson wordt gezien als een vooraankondiging van het lijden van Christus. Nu is “de Judas” Delila die Samson verraadt. Hier onder zien we de afbeelding door Belbello van de gevangenneming van Samson.

belbello
emblemenWe zien de emblemen van Visconti: de slangen (biscia) in de hoekpunten en er tussen in telkens het zonnerad. De biscione of biscia is te herleiden tot het Italiaans voor ‘grote slang/grasslang’ of het Milanees voor ‘adder’ (bissa). De beeltenis stelt een slangachtig wezen voor dat een mens baart.

De illustratie “de gevangenneming van Samson” is sterk verwant met die van de gevangenneming van Christus in de tuin van Ghetsemane zoals die vaker wordt afgebeeld. Zelfs de man met de witte baard doet aan Petrus denken. De naakte putti in deze context komen eigenlijk vrijwel nooit voor en vallen daardoor niet goed te duiden.

Johannes Ciconia, de Luikse componist die een tijdlang aan het hof van Gian Galeazzo verbleef, schreef op de volgende tekst een prachtige, maar uiterst ingewikkelde proportie-canon. We zien in deze tekst dezelfde verwijzingen als in het getijdenboek!

re-ray-au-soleil

De stijl van deze muziek wordt ook wel “ars subtilior” genoemd. Dit vanwege de ranke, barok-achtig aandoende versieringen. Het is de tijdgeest. Kijk nog maar eens naar de mooie bloem-omlijstingen van de Grassi en Belbello. Ars subtilior!

Zie ook: een eeuwigdurende kalender uit de middeleeuwen

Geplaatst in Geschiedenis, kunst, muziek | Tags: , , , , , | 2 reacties

De weersvoorspelling

Is de weersvoorspelling betrouwbaar? Ja en nee. Het ligt er aan hoe je deze interpreteert. In de krant van vandaag zie je de weersvoorspelling voor de komende week. Deze wordt visueel zichtbaar gemaakt met simpele weerplaatjes: wolken, regenstraaltjes, een zonnetje erbij, in plaats van regen sneeuw, een donderslag-symbooltje. Dat zijn ze zo ongeveer. Van vandaag tot vrijdag zien we de volgende plaatjes:

weerkaarje2

Je oog wordt getrokken door al die regenstraaltjes: je schrikt.: van maandag tot en met vrijdag elke dag regen. Ja tussen de buien door ook een zonnetje op enkele dagen, maar veel soeps lijkt het niet  te gaan worden.

Verkeerd geïnterpreteerd! Let ook op het percentage dat er kans is op neerslag en zon

weerkaarje3

Dinsdag en woensdag is de kans op neerslag 40%. Dus meer kans dat het droog blijft dan dat het gaat regenen. Waarom dan toch die regensymbooltjes op dinsdag en woensdag? Omdat anders geklaagd gaat worden. Als er toch een bui gaat vallen is dat niet  aangekondigd. De weersvoorspellers dekken zich in.

Op dinsdag is de hoeveelheid zon 40%. Ik weet niet precies hoe dat wordt uitgerekend maar ik weet inmiddels dat daarin ook de winter wordt mee genomen. De zon is laat op, gaat vroeg onder, mocht hij volop schijnen dan wordt er toch slechts hooguit 50% neergezet. 40% is dus in de winter heel veel. Mijn conclusie: dinsdag wordt een aardige dag en ik denk dat woensdag ook wel eens mee zou kunnen gaan vallen. Jammer dat in de Volkskrant niet de te verwachten hoeveelheid regen in mm wordt weergegeven. Gelukkig kan ik dat wel op de site van weeronline zien.

weerkaarje4

Voor woensdag hoeven we niet bang te zijn. 1 mm. Misschien iets minder zon dan dinsdag maar vrijwel zeker droog denk ik dan. Op dinsdag is de kans op regen 40% maar als er iets valt kan dat een behoorlijke hoeveelheid zijn. Ik denk dat er die dag op enkele plaatsen een enkele stevige bui gaat vallen. Daar kun je meestal voor schuilen. Dus met al die zon er bij: vrijwel overal een prachtige dag.

Iets dat in Nederland veel kan uitmaken in beleving is de wind.

weerkaarje5

De hele week zit de wind in de West of Zuidwest hoek. Windkracht 4 vind ik niet lekker. Dat is matige wind. Ik woon aan de dijk. Dat betekent op de fiets vaak vervelende tegenwind. Op dinsdag is er slechts windkracht 3. Ik denk dat dat de mooiste dag gaat worden, vanwege de zon maar vooral ook vanwege de minder sterke wind.

Een vervelende dag lijkt mij alleen de donderdag te gaan worden. Zeer grote kans op ook nog eens veel regen, geen zon en een behoorlijk sterke wind. Op vrijdag wordt het al weer iets beter, alleen al vanwege het zonnetje dat er die dag af en toe bij komt. Maar:

Zondag tot en met woensdag worden best aardige dagen, met als mooiste uitschieter de dinsdag.

Ik spreek jullie vrijdag of zaterdag weer…

Geplaatst in maatschappij | Tags: , | 3 reacties

Dit is geen oudejaarsconference

freek-delamar-2016-12-25Voor het gordijn open gaat hoor je al een hele tijd hoe er op het podium een piano wordt gestemd. ‘Daar zijn ze ook laat mee’ is je eerste gedachte. Dan gaat het gordijn open en ja hoor, de piano wordt nog steeds gestemd. Het hoort bij de voorstelling weet je nu zeker. Heel subtiel komen er tijdens het stemmen en testen van de intervallen flarden kerstliedjes. Geniaal gedaan en tegelijk hilarisch. De stemming zit er in. “de kerststemming.” Freek lijkt elk jaar beter te worden. Behalve zijn geweldige theatrale vondsten, timing, humor, aankleding is er ook nog de diepgang die je bij de meeste collega’s mist of ze komt bij hen voor mij vaak gezocht over. We weten na gistermiddag veel meer over zijn familie en kerstgewoonten maar vooral ook schildert Freek de Jonge weer raak wat de kerngedachte van deze kerstmis zou moeten zijn. Daar kan geen enkele preek tegenop. Zijn vader, predikant, zou er alsnog trots op worden. Op die momenten was de zaal dan ook, zoals ook Freek opmerkte, muisstil. Een keer was ik echt ontroerd en biggelden er enkele tranen over mijn wangen. Misschien was ik wel de enige in de zaal. Hij zong het liedje “mijn vader gaat op stap” van Toon Hermans, dan wel op zijn eigen manier, maar ik voelde de eer die hij bewees aan zijn al lang overleden voorganger. Die eer was welgemeend en dat ontroerde me.

Freek de Jonge werd lang geleden gezien als de rivaal van Youp van het Hek. Behalve dat je dan appels met peren vergelijkt is er ook een groot mentaliteitsverschil. Freek is een theaterbeest, Youp is een cabaretier. Maar de diepgang en echtheid van Freek staan in schril contrast met de gemaakte grappen en grollen van Van het Hek, die bij mij alleen maar weerzin opwekken. Ook daarin behoor ik waarschijnlijk tot de minderheid.

Ik moest denken aan het boek dat ik net aan het lezen ben. “Het Kraus-project” van Jonathan Franzen. Karl Kraus stond voor Franzen en ook voor mij op eenzame hoogte in het Wenen van de eerste decennia van de twintigste eeuw. Als schrijver maar vooral ook als iemand die kritisch naar zijn eigen tijd kon kijken. Hij kon niet alleen erg goed schrijven maar hij trad ook op in theaters en wist daar iedereen te betoveren. Maar de meeste mensen moesten niets van hem hebben en kwamen dan ook niet naar zijn voordrachten. Hij was zowat de enige die de naderende catastrofe van de eerste wereldoorlog zag aankomen en door zijn geschriften hoopte hij de publieke gedachte de juiste kant uit te sturen. Tevergeefs zoals de geschiedenis ons geleerd heeft.

Jonathan Franzen heeft drie essays van Kraus vertaald. Ze lijken erg tijdsgebonden doordat er talloze figuren in voor komen die wij niet meer kennen maar in de intellectuele kringen van Wenen wist iedereen over wie hij het had. De vertaalde essays zijn daarom voorzien van voetnoten. Deze zijn minstens net zo interessant als de essays zelf. Franzen legt uit in welke context alles gelezen moet worden, vertelt meer over de mensen van die tijd maar vertelt ook heel veel over zich zelf en trekt ideeën door tot deze tijd. Waar Kraus Heinrich Heine onder vuur neemt, zo moeten bij Franzen John Updike en Philipp Roth het ontgelden. Maar dat met tegelijk de nodige zelfspot. De hoeveelheid tekst van de voetnoten van Franzen is overigens minstens vier keer zo veel als de originele tekst van Kraus.

Toch is ook Jonathan Franzen denk ik, ondanks de voetnoten, nog moeilijk te lezen voor wie niet al veel af weet van het Wenen van toen. Freek de Jonge is zich bewust van het feit dat er veel dingen en termen in zijn voorstelling voorkomen die niet iedereen kent. Hij legt op een grappige manier alles waarvan hij vermoedt dat mensen dat niet kennen uit. Zoals “de kam” van de viool waarmee hij gaat strijken. Zie het als zijn voetnoten. Ik heb gelachen, was ontroerd, heb genoten en ben aan het denken gezet. Wat wil je nog meer!

poster-freek

Geplaatst in maatschappij, recensie, taal | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Maanziek

volle-maan

De vorige week was het volle maan en tegelijk waren er snel allerlei mistflarden zichtbaar. Dat deed me denken aan het prachtige lied “Nacht” uit “Pierrot Lunaire” van Arnold Schönberg.

Schönberg verbleef in de zomermaanden vaak in de alpen om er te genieten van de natuur en er rustig te kunnen componeren. Hij zal vast wel eens op een zomeravond uitgekeken hebben vanuit de hoogte naar beneden, in een dal. De zon gaat onder en het wordt gelijk een stuk koeler. Mistflarden dwarrelen door de lucht. Het vocht intensiveert allerlei geuren. Waar eerst nog alles liefelijk was begint het een beetje “unheimisch” te worden. Die donkere schaduwen, zijn dat bomen of struiken? Of wat staat daar, wat is dat? Moerasachtige geuren stijgen omhoog…

Zo beschrijft Albert Giraud (de Duitse vertaling is van  Otto Erich Hartleben) het invallen van de nacht. Maar dan gezien door de tragikomische clown Pierrot, die ook nog eens last heeft van maanziekte. Bij zo’n nacht worden alle beelden vervormd. Hij ziet het zo:

tekst-nacht

Schönberg is in 1912 Wenen ontvlucht. Hij vindt het er te kleingeestig worden. We zitten zo enkele jaren voor het begin van de eerste wereldoorlog. In Berlijn schrijft hij een theaterstuk voor de toneelspeelster Albertine Zehme. Zij heeft geen muzikale scholing en Schönberg ziet het als een uitdaging om toch voor haar te componeren. Hij heeft gelukkig wel de beschikking over een aantal muzikanten.  De basis vormen 21 gedichten. Deze 21 gedichten van de oorspronkelijk 50 gedichten van de Belgische dichter Giraud zijn door Hartleben geselecteerd en hij heeft ze in een meer logische volgorde gezet. De gedichtencyclus draagt de naam “Pierrot Lunaire” (de maanzieke Pierrot). Het stuk is op meerdere manieren vernieuwend: de zangeres “zingt” niet maar “spreekzingt”, je hoort het zogenaamde “Sprechgesang”. De precieze toonhoogte is daarbij niet van belang, er wordt geen toon vastgehouden maar elke toon wordt slechts aangezet. Het tweede vernieuwende element is de bezetting, die per lied wisselt. Maximaal zijn er vijf instrumenten tegelijk te horen. De klarinettist kan ook overstappen op basklarinet, zoals de fluitist ook kan overstappen op piccolo en de viool op altviool. Daarnaast is er nog een cello en een piano. Zo hoor je bij het zevende lied alleen een fluit als begeleiding of bij het veertiende alleen een piano. Bij het achtste lied, “Nacht”, dat ik hier bespreek hoor je piano, basklarinet en cello.Het lied  is het achtste lied van het geheel en tevens het eerste lied van de tweede cyclus van zeven liederen. In deze zeven liederen is de stemming steeds somber.

Schönberg schrijft als ondertitel bij dit lied: “passacaglia”. Deze oude dansvorm kenmerkt zich door een voortdurend repeterend basthema van een aantal maten. Iets dergelijks doet Schönberg ook, maar het gaat niet zozeer om een thema in de bas, het gaat meer om een kiemcel van drie noten, die het hele stuk door aanwezig is in een of meer van de partijen van de instrumenten. Het motief begint met E-G-Eb, een stijgende kleine terts gevolgd door een dalende grote terts. Als je het stuk analyseert zul je zien dat er geen moment valt aan te wijzen dat dit motief, op steeds andere toonhoogten, niet ergens aanwezig is. De lengte kan variëren. In het begin is het aanwezig in halve notenwaarden, vanaf maat 8 in achtste notenwaarden.

Hier een stukje van de partituur van het begin, waar je de kiemcellen omcirkeld ziet. In de eerste maten lopen ze over in de verschillende stemmen en overlappen ze elkaar, dit geef ik aan met lijntjes.

nacht-begin-kiemcellen2In maat 19 en volgenden wordt het gecombineerd met zijn omkering: de rechterhand speelt in achtsten steeds een dalende grote terts gevolgd door de stijgende kleine terts, de linkerhand heeft steeds het origineel.

Dit klinkt allemaal heel spitsvondig en is het feitelijk ook, maar alles staat in dienst van de tekst, van de tekst-uitbeelding en van de sfeer. Bij het deel vanaf maat 19 horen we de tekst “Und von Himmel erdenwärts” etc. De kiemcel-motiefjes in de piano beelden het dwarrelen van de mistflarden uit, die soms omhoog en soms omlaag gaan. Verder wordt er in het hele stuk sterk met registerwisselingen gewerkt, van PP tot FFF.

Hoe gaat Schönberg met de tekst om? Heel natuurlijk . De tekst heeft een ritmiek van zwaar licht, zwaar licht enz., een trochee. Ritmisch wordt deze trochee door Schönberg benadrukt door een gepuncteerd ritme. Bij “töteten der Sonneglanz” kun je het vlijmscherpe “töteten” met zijn drie “t”’s als zanger uitbeelden doordat daar in de partituur drie achtsten staan, nu niet gepuncteerd. Het toverboek (Zauberbuch) wordt heel lang gerekt, zodat je ook dat als een heel geheimzinnig boek kunt laten klinken. Slechts een keer moet de zangeres echt op toonhoogte zingen, ook zij krijgt dan in een uiterst laag register de kiemcel E G Eb. (Ik vind de uitvoering met Reinbert de Leeuw en de actrice Barbara Sukowa de mooiste die ik ken, helaas zingt zij op dat ene moment E G E. Daardoor wordt de consequente aanwezigheid van de kiemcel doorbroken, wat waarschijnlijk vrijwel niemand stoort. Ik ervaar het als een pijnlijke misser.)

nacht-partituur-1nacht-partituur-2nacht-partituur-3

Er zijn diverse opnames van dit lied. Luister naar de prachtige sfeer van het lied van de maanzieke Pierrot, hoe hij het begin van de nacht ervaart en zijn hart beklemd wordt door angstige gevoelens, veroorzaakt door zijn waandenkbeelden. Ik laat de genoemde opname met Barbara Sukowa en Reinbert de Leeuw met het Schönberg ensemble horen.

Niet alleen Pierrot had last van maanziekte. In het vijfluik “Kaos” van de gebroeders Taviani uit 1984 is de titel van het tweede deel “Mal di Luna”. Tot voor kort was deze Italiaans gesproken film in een slechte resolutie, maar toch, in zijn geheel te zien op youtube. Helaas niet meer.  De eerste tien minuten van de film hebben een “Hitchcock-achtige” lading, maar ook daarna blijf je geboeid kijken, alleen al om de spannende ontknoping. Het verhaal is van Pirandello, maar vooral natuurlijk de gebroeders Taviani: wat zijn zij toch filmische meester-vertellers, die daarnaast ook meesters zijn in het functionele gebruik van de geniale filmmuziek van Piovani. Ik heb de film thuis op DVD. Zeer de moeite waard! Langzame, betoverende beelden met een onderhuidse dramatiek van een buitenaardse schoonheid.

 

 

Geplaatst in Film, muziek | Tags: , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Savonarola en Fra Bartolommeo

In Boijmans is op dit moment een tentoonstelling met werk van Fra Bartolommeo (1472-1517) te zien. Deze Dominicaan werkte op een bepaald moment in Florence en was een volgeling van een ander lid van dezelfde orde, Girolamo Savonarola (1452-1498). Dominicanen worden ook wel predikheren genoemd. En dat is zeker in dit geval een goede benaming. Savonarola gedroeg zich als een profeet. Het einde der tijden naderde, er zou weer een zondvloed komen en uit het noorden kwam een heerser die het ware Christendom over de wereld zou brengen. De mensen moesten zich voorbereiden en een uiterst sober leven gaan leiden. Pracht en praal wees hij af en hij beschimpte de machthebbers dat ze de armen exploiteerden. Ook stelde hij de kerkelijke corruptie aan de kaak. Hij wilde met zijn bekeringen beginnen bij de jeugd en daar vond hij ook veel volgelingen.

Opeens leken zijn voorspellingen bewaarheid te gaan worden toen in september 1495 Karel VIII van Frankrijk Italië binnen viel en Florence bedreigde. Terwijl Savonarola onderhandelde met de Franse koning, verdreven de Florentijnen de regerende Medici. De Fransen spaarden Florence en trokken verder. Op aandringen van de monnik werd er een “volksrepubliek” gesticht. Florence zou het nieuwe Jeruzalem, het wereldcentrum van het christendom worden en “krachtiger en heerlijker dan ooit” worden volgens Savonarola.

De koning naderde intussen Rome, waar paus Alexander VI met omliggende heersers bondgenootschappen smeedde. Ook Florence werd uitgenodigd om troepen te sturen maar Savonarola weigerde. Daarop excommuniceerde  de paus hem. Maar ook in Florence begonnen na een tijd de tegenstanders zich te roeren en openlijk werd er twijfel uitgesproken of hij wel een door God gezonden profeet was. In 1498 weigerde hij een brandproef die moest uitmaken of hij inderdaad een goddelijke opdracht had, waarna de publieke opinie zich tegen hem keerde. Savonarola en twee van zijn broeders werden gevangen gezet. Onder marteling bekende Savonarola dat hij zijn visioenen en profetieën zelf had verzonnen. Op 23 mei 1498 werd hij in opdracht van kerkelijke en burgerlijke autoriteiten veroordeeld en opgehangen met twee volgelingen. De drie Dominicanen werden daarna verbrand op het centrale plein van Florence.  In Ferrara, de geboortestad van Savonarola, staat een indrukwekkend standbeeld van de boeteprediker dat ik een aantal maanden geleden nog zag.

savonarola

savonarola-2Fra Bartolommeo schijnt op tijd de wijk te hebben genomen en zo de dans ontsprongen te zijn. Maar hij heeft nog lang in angst moeten leven. Twee jaar lang heeft hij niet geschilderd en zich terug getrokken.

Florence begon het oude leven weer op te pakken. Kunstenaars als Leonardo en Rafaël werkten er in het begin van de zestiende eeuw enkele jaren. Toen zij rond 1508 naar Rome vertrokken werd Fra Bartolommeo terug geroepen om het ontstane gat enigszins te vullen. Hij begon in het klooster een groot kunstenaarsatelier waar in korte tijd tientallen grote en kleinere kunstwerken tot stand kwamen. En hij werkte zorgvuldig. Voor hij aan het echte werk begon maakte hij eerst meerdere voorstudies.

Boijmans was al in het bezit van honderden van zijn tekeningen, bijna allemaal dus voorstudies van fresco’s en schilderijen.  In deze tentoonstelling worden een aantal van deze tekeningen getoond in relatie met de originele schilderijen of metershoge foto’s van fresco’s die uit Italië zijn overgekomen, waaronder het beroemde portret van Savonarola dat hij maakte.

Ook zie je er een getekend zelfportret van de kunstenaar.

fra-bartolommeo-zelfportret-klein

Ik merkte dat ik waarschijnlijk te weinig zelf teken om al die voorstudies van de uiteindelijke kunstwerken interessant te vinden. Ja, je ziet dat hij van veel details een of meer aparte tekeningen maakte. Dat was normaal in de kunstwereld en dat bleef het nog lang, kijk maar naar iemand als Rubens. Maar om nu twintig tekeningen te gaan bestuderen rond één schilderij.. Dat is dus niks voor mij. Interessant vind ik wel het tijdsbeeld dat je tijdens het kijken naar de tentoonstelling en het volgen van de filmvoorstelling krijgt. Hoe kan iemand als Savonarola zoveel invloed krijgen? Er hangt in die tijd iets in de lucht. De eeuwwisseling staat er aan te komen. Reden voor bijgelovigen om zich van alles in de kop te halen. En er was natuurlijk van alles mis. In Florence, in Rome maar op heel veel plaatsen meer.  Luther, Calvijn, Zwingli: hun opkomst en succes zijn het directe gevolg van al die mistoestanden. En zoals Florence een tweede Jerusalem zou moeten worden zo wilden ook Jan Matthijs en Jan Bockelson in Münster een tweede Jerusalem stichten. Zij, de wederdopers van Münster, deden dat in het jaar 1534. Maar ook zij hebben het er niet goed van afgebracht. Matthijs sneuvelde bij een uitval naar de belegeraars van de stad en Jan Bockelson (Jan van Leiden) is met een aantal volgelingen wreed afgeslacht toen een jaar later de stad werd ingenomen door de eerder verdreven bisschop. Een vergelijkbare toestand zo’n 36 jaar na Savonarola. Maar dat gevoel van vrijheid blijft nog lang na-ebben. De protestanten krijgen op veel plekken vaste voet aan de grond. En het ontstaan van de Republiek Nederland is misschien ook wel een van de indirecte gevolgen van de onvrede die er was onder de mensen.

Erasmus schreef in 1509 de lof der zotheid. Een heerlijke satire. Bij monde van “de Zotheid” die samen met haar vijf dochters over de wereld heerst, worden allerlei menselijke dwaasheden aan de kaak gesteld. Behalve kerkelijke autoriteiten worden ook kooplieden, vorsten en wetenschappers bekritiseerd. Intussen probeerde in dat zelfde jaar Fra Bartolommeo  paarden te tekenen. Joris verslaat de draak. En zit intussen op een paard. Hoe moet je dat weergeven? Het lukte hem best aardig.

fra-bartolommeo-stjoris

Geplaatst in Geschiedenis, kunst, recensie | Tags: , , , , | 2 reacties

Oldenbarnevelt

oldenbarneveltVoor het stadhuis van Rotterdam staat het standbeeld van een van de grootste staatsmannen die Nederland ooit gekend heeft: Johan van Oldenbarnevelt. Rotterdam kent aan personen die een belangrijke betekenis voor de stad hebben bijna jaarlijks de  ‘Van Oldenbarneveltpenning’ toe. In het verleden is die penning toegekend aan mensen als Eduard Flipse, Jan Tinbergen en Valeri Gergiev.

Bijna vier eeuwen geleden, op 13 mei 1619, werd in Den Haag deze grote staatsman onthoofd. Hoe is dat toen zo gekomen? In juli 1617 vaardigde hij als raadspensionaris van de Republiek der Nederlanden een resolutie uit, waarbij elke nationale of gewestelijke synode werd verboden. Verder werd gerechtshoven verboden om zich bezig te houden met godsdienstige zaken. Ook stond daar in dat de troepen uitsluitend aan de staat dienden te gehoorzamen.

Deze zogenaamde “Scherpe Resolutie” leidde het einde in van Oldenbarnevelt, deze zo uiterst bekwame staatsman, die met tact, overredingskracht en bindingskracht al vanaf de tachtiger jaren van de zestiende eeuw de republiek Nederland levensvatbaar had weten te maken. De crisis is veroorzaakt door godsdienstige woelingen, de visie van de remonstranten versus die van de contra-remonstranten. Tot 1616 ging stadhouder Maurits van Nassau, de bevelhebber van de troepen, nog ter kerke bij een vrijzinnig dominee. Deze dominee probeerde Maurits op het rechte pad te houden met betrekking tot zijn amoureuze escapades. Dat lukte niet en niet lang daarna koos Maurits de kant van de strenge contra-remonstranten. Deze dreigden een splitsing in de staatskerk te willen aanbrengen, tot groot ongenoegen van Oldenbarnevelt, die wilde dat de eenheid bewaard bleef maar ook dat andersdenkenden niets in de weg werd gelegd. Vandaar zijn “Scherpe resolutie”.

Achter Oldenbarnevelt stonden op dat moment de meeste regenten, kunstenaars, kooplieden en mensen van aanzien. Achter Maurits stonden veel stadsgildes en onverzoenlijke strenge predikanten. Al jaren werd het land bestookt met vlug- en smaadschriften. Een van de schrijvers was  François  van Aerssen, een diplomaat die in Frankrijk volgens Oldenbarnevelt veel onrust veroorzaakte en daarom door hem was teruggeroepen. Sindsdien probeerde hij zich op Oldenbarnevelt te wreken. Door hem verdacht te maken op alle mogelijke gebieden. Oldenbarnevelt, die openlijk bevriend was met enkele remonstranten, was  zijn voornaamste doelwit. Maurits, tot nu toe loyaal, keerde zich in 1617 ook tegen de staatsman. De scherpe resolutie, waarbij Maurits de zeggenschap over de troepen dreigde te verliezen, gaf bij hem de doorslag. Hij pleegde een staatsgreep en liet op de universiteit van Leiden de Arminiaanse professoren vervangen. Ook in de belangrijkste vroedschappen van de steden moesten de Remonstrants gezinde personen aftreden. Vervolgens werd er een nationale synode georganiseerd, een schertsvertoning omdat er toen al geen sprake meer was van twee partijen die vrijuit konden spreken. De uitslag stond bij voorbaat vast. Remonstranten moesten vluchten. Als klap op de vuurpijl kwam er ook nog een schertsproces tegen Oldenbarnevelt, Hugo de Groot en nog enkele vooraanstaanden. Ook hier greep Maurits in door de jury zodanig samen te stellen dat de uitkomst duidelijk zou zijn. Zo plaatste hij  François  van Aerssen, de grootste “vijand” van Oldenbarnevelt, bij de rechters. Enkele mensen, onder wie Oldenbarnevelt werden ter dood veroordeeld en onthoofd. Hugo de Groot werd verbannen naar slot Loevestein. De vrijzinnigen waren de mond gesnoerd en zij zouden zich tot na de dood van Maurits ook niet meer durven roeren.

Waar doet me dat alles aan denken. De staatsgreep en alles daaromheen doet me denken aan de machtsgreep onlangs in Turkije. Erdogan als Maurits die het land laat zuiveren van andersdenkenden. Maar dit is Nederland. De mensen zijn nog steeds makkelijk op te hitsen. Je hebt ook nu weer een elitaire bovenlaag van kunstenaars en regenten. En je hebt Twitter, Facebook en Geen Peil, zoals je toen makkelijk spotprenten en smaad-pamfletten kon verspreiden. Verder heb je ook nog vijanden nodig. Nu zijn dat vooral vluchtelingen en geradicaliseerde of criminele moslims. Laten we gemakshalve zeggen uit Marokko. De regenten houden hun ‘de hand boven het hoofd’, geven hen zelfs huizen terwijl ‘de hardwerkende blanke jaren moet wachten op een huurhuis’. Toen had je katholieken, joden en nog erger: vrijzinnige protestanten. Verder waren er de Spanjaarden, ondanks het feit dat er al vanaf 1609 een bestand was. Maurits, zo beloofde hij, zou ons na afloop van dat bestand voor eens en altijd verlossen van de dreiging aan de grenzen. (Zoals we ook nu weer veilige buitengrenzen willen…) Samen met de predikanten wist hij het volk in de goede stemming te brengen. Het lot van Oldenbarnevelt was bezegeld. De Republiek kreeg meer dan ooit een staatskerk. Een calvinistische. De kerk van Gomarus, nog steeds de held van streng gelovige gereformeerden in Nederland. De andersdenkenden werden niet verdreven maar hen werd het leven zuur gemaakt. Velen vertrokken alsnog. De achterblijvers mochten in schuilkerken hun diensten blijven houden. Ze kwamen niet in aanmerking voor de meeste overheidsbaantjes. Ze konden ook nooit een adelsbrief krijgen. Hoewel de scherpe kantjes er van af gingen bleef deze toestand voortduren totdat Nederland onder de Fransen en na de vlucht van de Oranjes in 1794 godsdienstvrijheid kreeg.

Wat kunnen we hieruit leren. Wat is er toen fout gegaan? Gezegd wordt vaak dat Oldenbarnevelt nooit die “Scherpe Resolutie” had moeten uitvaardigen. Dat prikkelde de tegenpartij alleen maar om zich nog harder op te stellen. Wilders moet je geen proces aanspannen. Dat is koren op zijn molen. Maar ja. Er zijn in het verleden ook voorbeelden te vinden van staatslieden die je achteraf maar wat graag tijdig de mond had gesnoerd. Er is geen duidelijke oplossing ben ik bang. Maar je dient wel standvastig te zijn. Een lange termijn visie te hebben. Deze zul je moeten uitdragen en vooral ook in praktijk brengen. Iemand als Angela Merkel doet dat.

Oldenbarnevelt wilde geen synode. Een synode die de keuze van de staatskerk moest bepalen. Die andersdenkenden de mond moest snoeren. Er zou een landelijke ‘Van Oldenbarneveltpenning’ moeten komen. Die jaarlijks wordt toegekend aan mensen die in zijn geest proberen de eenheid te bewaren. Mensen die een standvastige, langetermijnvisie hebben.

Oldenbarnevelt wilde dat er geen kerkelijke synode werd georganiseerd. om redenen waarom ik tegen het organiseren van referenda ben. Laat politici een lange termijn visie verwezenlijken. Politici die je eens in de zoveel jaar kiest. Bemoei je er daarna niet meer mee. Gelukkig ben ik geen politicus, dan zou het me mijn kop kunnen kosten….

Zie ook:
Oldenbarneveldt
door Theun de Vries
1947 H.P. Leopold’s Uitg. MIJ N.V. Den Haag

Geplaatst in Geschiedenis, maatschappij | Tags: , , , , , , , | Plaats een reactie

Pakjesavond

De maan trekt aan het water. Zo veroorzaakt ze de getijden. Elke dag komt ze een uur eerder op. Haar invloeden variëren. Niet voor niets staat de maan voor wispelturigheid, veranderlijkheid. Deze veranderlijkheid kunnen we ook in haar uiterlijk waarnemen. Op dit moment is de maan wassende, elke dag wordt ze een beetje meer verlicht. Het hele proces duurt een maand, dan begint de cyclus opnieuw. Zoals ook de cyclus van de vrouw een maand duurt. De maan staat zo voor vrouwelijke eigenschappen. Vrouwen zijn wispelturig. Snel emotioneel.  Ook die eigenschappen worden aan de maan toegeschreven. In een omstrengelende wederkerigheid.

De meest mannelijke planeet is Mars. Zoals de maan duidelijk zichtbare veranderingen ondergaat zie je dat bij Mars nauwelijks. Heel gestaag gaat hij langs de hemel. Elke avond lijkt hij bijna op dezelfde plek te staan. Op de lange duur zie je wel kleine veranderingen. Gedurende een korte periode lijkt hij juist de andere kant uit te gaan. En ook de helderheid varieert. Op dit moment is de helderheid niet erg hoog. Omdat Mars altijd relatief dicht bij de aarde staat is de toevallige stand van de baan van zowel de aarde als Mars om de zon belangrijk. Soms staan de twee planeten daardoor veel dichter bij elkaar dan nu. Dat is van de zomer het geval. Je zult Mars dan veel beter kunnen zien. Als hij dan ook nog eens laag staat kleurt het rode ijzer op het oppervlak van Mars, samen met de breking van het licht aan de horizon van de aarde de planeet heel rood. Rood staat voor bloed. Bloed staat voor geweld, oorlog. En oorlogen, die vechten mannen onder elkaar uit. Als je de rode Mars gedurende een hele tijd elke avond of ochtend ziet, dan worden de mensen bang. Zou er oorlog komen? Maar je hoeft daar niet bang voor te zijn. Het komt al eeuwen zeer regelmatig voor. Of toch wel? Ook oorlogen lijken onuitroeibaar.

Vanavond is er een conjunctie van de maan met Mars. Alleen vanavond. Daarna staan ze weer verder van elkaar. Vanavond is er een symbiose van het mannelijk en het vrouwelijke.  Ze zijn nog enkele uren intiem. Sinterklaas moet niet te laat langs komen.

pakjesavond2

Heel vroeg in de avond worden ze nog even gade geslagen door de mooie Venus, laag aan de horizon

pakjesavond1

De mooiste omstrengeling van man en vrouw schilderde misschien wel Gustav Klimt. Mars zoent de maan. Beiden gaan in elkaar op in een innige omhelzing. Een one night stand. Morgen gaan ze allebei hun eigen gang. Er is geen conjunctie meer. Maar pas op! Venus komt er aan. De komende weken sluipt Venus heel langzaam naar Mars. Daar kan ook iets heel moois uit voortkomen…

klimt-dekus

Geplaatst in Astronomie, kunst | Tags: , | 1 reactie

Zie de maan schijnt door de bomen

Misschien hebben jullie ook nog een boek met daarin dit ouderwetse Sinterklaasliedje. En dan staat er vast ook een leuke tekening bij. Je ziet de maan door de bomen schijnen. Op de meeste plaatjes zien we bij dit liedje dan een volle maan afgebeeld. Soms zien we ook een maansikkel. Een sikkel in de vorm van een p (premier, toenemend richting eerste kwartier) of in de vorm van een d (dernier, afnemend, na laatste kwartier). Dat laatste zal op pakjesavond onmogelijk zijn. Afnemende maan in dat stadium zie je alleen in de tweede nachthelft. Soms zie je ook een sikkel in de vorm van een boot afgebeeld. Dat zou kunnen als Sinterklaas ook op La Palma komt, in ieder geval op een plek veel dichter bij de evenaar. Bij ons kan die sikkel lichtelijk gekanteld zijn, maar meer ook niet.

Hoe ziet de maan er 5 december uit? Het is dan net nieuwe maan geweest, dus we hebben dan een sikkel in de vorm van een p. Alleen vroeg in de avond, want wat later op de avond is hij alweer aan de zuidwestelijke horizon verdwenen. Wat wel heel mooi is: De maan staat dan in conjunctie met Mars. (De maan net iets hoger). En kijk je echt vroeg op de avond, dan zie je ook de schitterende planeet Venus vlak boven de Zuid-Westelijke horizon. Zo om een uur of zes tot misschien hooguit 7 uur kun je ze alle drie zien: Venus, Mars en de maan. Uranus en Neptunus die ook op onderstaand kaartje vermeld worden zijn uiteraard alleen zichtbaar met een behoorlijke telescoop.

De weersvoorspellingen zijn niet zo slecht. Met een beetje geluk: “zie de maan schijnt door de bomen!”

venus-mars-en-maan-5dec2016tienvoor7

Op onderstaande foto het avondrood van enkele dagen geleden, met daar bij ook Venus en Mars. Venus zie je rechts, al bijna in het wit van het “avondrood”. Voor Mars moet je heel goed kijken, links, hoog!

venus-en-mars2

Als er geen wolken zijn probeer ik 5 december van het trio een plaatje te schieten. Met een boom als voorgrond..

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , , , , | 1 reactie

Sinterklaas en de mensheid

Vijf dagen geleden werd mijn derde kleinkind geboren. Na twee jongetjes nu een meisje. Een en al levensdrang. De hele familie, ook zijn lief lachende broertjes, waren blij met het uiterst kleine, hulpeloze wezentje. Dit enkele dagen na de overwinning van Trump. En niet zolang na de aankondiging van het Brexit. Ook de stoere uitspraken van Poetin liggen nog vers in het geheugen. Ik heb het nog niet eens over Isis. Sommige mensen vragen zich af: wat gaat er van ons worden, mag je in deze tijden nog wel kinderen op de wereld zetten?

‘Ja dat mag en moet je!’ is mijn hartgrondige antwoord. Het voornaamste argument: kinderen geven ons blijdschap. Kinderen hebben levensdrang. Kinderen willen spelen en leren. Ze zijn voor ons voortdurend een inspiratiebron en een spiegel. Alleen al daarom!

In de Volkskrant van vandaag stonden weer veel interessante artikelen. Het is wereldwijd nog nooit zo goed geweest als nu. De Canadese politicoloog Chris Kutarno schrijft dat er veel minder armoede en ziekte is dan pakweg dertig jaar geleden. Als je alle tijdperken op een rijtje zet, en je zou moeten kiezen, “in welk tijdperk wil ik wonen?”, dan zou bij veel mensen waarschijnlijk de huidige tijd boven aan het lijstje komen te staan. Maar er zijn uiteraard ook heel wat gevaren die er in deze tijd op de loer liggen. Hij vergelijkt deze tijd met de renaissance. Opeens kwamen er ongelooflijk veel technologieën zoals de boekdrukkunst. In Florence leken de elitaire Medici’s af te hebben gedaan. Boeteprediker Savonarola nam tijdelijk het heft in handen. Vooral ook door gebruik te maken van de media, zoals het verspreiden van pamfletten. Ook Luther kon snel in heel Europa gelezen worden. Chris Kutarno gelooft dat de wereld gered kan worden door een morele renaissance, zoals die ook in de zestiende eeuw plaats vond. Hoe die dan nu zou kunnen of moeten plaats vinden, daar laat hij zich niet over uit. Hij constateert wel dat de rol van de kerken lijkt uitgespeeld.

Een ander interessant artikel is de beschouwing van Martijn van Calmthout over het belang van de mensheid binnen de geschiedenis van de aarde. Salomon Kroonenberg, emeritus hoogleraar geologie, zegt dat het van een grenzeloze zelfingenomenheid getuigt om te denken dat wij iets voorstellen. Wereldwijd is er een dun grijs kleilaagje in de bodem te vinden dat neer regende als gevolg van de inslag van een meteoriet in Mexico. Door die inslag stierven o.a. de dinosauriërs uit. Het was een mega-ingreep in de natuur van de aarde. De periode voor die inslag noemen we het krijttijdperk, daarna begon het tertiair. Deze flinterdunne iridiumlaag, de K/T overgang van 65,5 miljoen jaar geleden, die is nog steeds niet makkelijk te vinden. Je hebt er een vergrootglas voor nodig, ja als je het weet kun je het met je blote oog zien. In Nederland is het laagje te zien in de oude mijngangen van de Geulhemerberg tussen Valkenburg en Maastricht. Kroonenberg denkt dat over enkele miljoenen jaren van de huidige mensenmaatschappij misschien wel helemaal niets meer is terug te vinden. Hooggelegen steden, stel dat ze worden verlaten of verwoest, worden al heel snel door de elementen verpulverd. Baksteen en beton, asfalt, staal, alles zal vergaan. Ook kauwgum en plastic… Alleen als alles zich bij de kust in een rivierdelta ophoopt en bij elkaar bezinkt en daarna wordt samengeperst, dan is er misschien nog wat van terug te vinden, betoogt de Britse geoloog Zalasievicz. Maar wereldwijde aanwijzingen zoals het laagje met iridium na de meteorieteninslag van 65,5 miljoen jaar geleden, mag je in dit geval niet verwachten.

Mijn zwager woont al heel lang in Zuid-Frankrijk. Zijn eerste twee kinderen zijn geboren in een huis waar ik ook enkele keren mocht logeren. Enkele jaren geleden zochten we dat huis nog eens op. Het blijkt nu al zo’n tien jaar niet meer bewoond te zijn. Vanaf de weg zelf zag je het al bijna niet.

gers2

Bij de achterdeur stond een raampje open. Als je goed keek tenminste…

gersOok bij ons op de dijk staan enkele woningen al tijden leeg, en een enkel huis wordt ook hier langzaam opgegeten door de natuur. In enkele jaren gaat dat al hard. Na duizend jaar is er niet veel meer van over. Na tienduizend jaar is het vrijwel weg. Na miljoen jaar weet niemand meer dat daar ooit iets gestaan heeft.

opperduit

Maar: wij worden gemiddeld 85 jaar oud. We proberen er in ons piepkleine tijdperkje wat van te maken. Te spelen en te lachen met onze kinderen en kleinkinderen. Het is weer bijna Sinterklaas!

 

Geplaatst in Geschiedenis, maatschappij | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Heilig Schrift

In het Catharijneconvent is nog tot 8 januari 2017 een tentoonstelling te zien met de naam: “Heilig Schrift”. De Heilige schriften van drie grote wereldgodsdiensten: Jodendom, Christendom en Islam worden naast elkaar gelegd. Een boeiend resultaat. Ik heb genoten van de prachtige handgeschreven oude boeken, schitterend gekalligrafeerd en versierd. Maar ook werd ik me bewust van de mystieke aspecten van deze geschriften.

tenach

Twee dingen zijn me het meest bijgebleven. Om te beginnen de (soms rood of blauw gekleurde) zang-tekentjes, heel klein gekriebeld boven de Hebreeuwse letters in de Joodse Tanach. En al die zang-tekentjes lijken op de oorspronkelijke Gregoriaanse neumen zoals ze bij de Christenen werden gebruikt. Naast de zang-tekentjes waren er soms ook nog anders gekleurde tekens om de uitspraak van de woorden te verduidelijken. De zogenaamde “gemination marks”, tekens die aangeven welke klinkers of medeklinkers dubbel (gemini=tweeling) moeten worden uitgesproken, uitgerekt zo je wilt.

Het tweede dat me bij bleef waren enkele dingen rond “de heiligheid” van de geschriften. De Arabische tekens zijn stuk voor stuk meer dan alleen letters, elk teken is tegelijk een symbool. En vaak een heilig symbool. Voor je zo’n teken gaat schrijven, zelfs als je een boek dupliceert, moet je je handen wassen en een gebed uitspreken. Ik ben katholiek opgevoed en heb het Rijke Roomse Leven nog helemaal meegemaakt. Alleen op die leeftijd zei het me nog niet zo veel. Behalve met de grote feestdagen, dan was ik onder de indruk van de grote hoeveelheid rituelen. Maar laatst woonde ik nog een ouderwetse Gregoriaanse Mis bij. En nu opeens merkte ik hoe alle handelingen gericht waren op eerbied, eerbied voor de bijbel, voor de hostie en de wijn. Voordat het evangelie werd gelezen werd het boek eerbiedig bewierookt. Het is namelijk een heilig boek. Ook het gericht zijn op het altaar, niet op de gelovigen, zag ik nu opeens met andere ogen. Je draait als priester toch niet God de rug toe? Alleen als je op de preekstoel staat mag je je tot het volk richten. En uiteraard zul je altijd knielen bij bepaalde plechtige zaken. Je loopt het altaar nooit voorbij zonder eerst eerbiedig te knielen.

Ik heb drie boeken met preken van Matthias Agolla, een Augustijner monnik uit het einde van de zeventiende eeuw. Bij elke preek vraagt Agolla eerst om hulp van boven, zodat hij geen dwalingen opschrijft. En hij vraagt  speciaal om hulp aan Maria, die kan bemiddelen bij God zodat hij het juiste inzicht krijgt. Alsof hij zich eerst in een soort transcendente toestand wil brengen waardoor hij in staat is de juiste woorden te vinden. Zelfs zijn preken moeten een zweem van heiligheid hebben.

Als kind vond ik het heerlijk om allerlei soorten geheimschrift te ontwerpen. En dat dan met een vriendje te delen. Wíj alleen hadden de code en waanden ons geheim agent. Op “Jong Nederland”, de katholieke variant van scouting, leerde ik morse. Buiten met een zaklamp gingen we ’s avonds morse seinen naar elkaar. Geheime tekens, alleen begrijpelijk voor insiders. Zo zijn ook veel teksten van de drie heilige schriften een beetje geheim. Je kunt ze vaak nog steeds op meerdere manieren interpreteren. Het echte geheim geeft zich niet gemakkelijk prijs. Laat ze geheimzinnig blijven. Ze moeten niet glashelder zijn. Dan worden het dogma’s. Dan gebeuren er enge dingen. Maar ik vond het mooi om de boeken niet alleen kunstzinnig te benaderen, maar vooral ook om er een gevoel van heiligheid bij te ervaren. De sensatie van: deze zinnen zijn niet zomaar opgeschreven, ze zijn bijna opnieuw ingegeven, van boven af. Heilig Schrift.

Geplaatst in filosofie, Geschiedenis, kunst, recensie, taal | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

Retorica in de muziek van Constantijn Huygens

Voor algemene informatie over retorica in muziek klik hier

In 1621 was het twaalfjarige bestand afgelopen en de oorlog van de jonge Nederlandse republiek met Spanje laaide weer op. Na de dood van Prins Maurits van Oranje in 1624 werd hij als stadhouder opgevolgd door prins Frederik Hendrik. Deze prins van Oranje stelde Constantijn Huygens aan als zijn secretaris. Elke zomer was hij op oorlogspad en Constantijn reisde meestal met hem mee, om de correspondentie te verzorgen. Tussendoor had hij nog tijd vanuit het kamp waar hij dan was om ook zelf brieven te schrijven of gedichten te maken. Meer dan duizend gedichten zijn er van hem bewaard gebleven. Maar in de wintermaanden had Constantijn Huygens Huygens meestal vrij en onderhield hij vele contacten. Enkele keren werd hij ook verliefd.  Eerst was hij een tijd verzot op Dorothea van Dorp. Maar Huygens werd al na korte tijd voor zijn gevoel bedrogen en dat greep hem zo aan dat hij lang niets meer van vrouwen moest weten.

De tweede keer was hij verliefd op Susanna van Baerle, de vrouw waar hij uiteindelijk ook mee zou trouwen. Maar ook dat ging allemaal niet zonder slag of stoot. Zijn broer Maurits had al eerder Susanna een aanzoek gedaan. Hij liep een blauwtje. Pas jaren daarna ging Constantijn het ook eens proberen en het lukte hem uiteindelijk wel. Met Susanna kreeg hij vijf kinderen. Bij de geboorte van het laatste kind overleed Susanna aan de complicaties die er na de geboorte optraden. Dat was in 1637, Huygens was 40 jaar oud en zou uiteindelijk 91 jaar worden.

Vlak na de geboorte van het vijfde kind zouden ze gaan verhuizen. Ze hadden een groot herenhuis in classicistische stijl onder architectuur van Jacob van Campen laten bouwen, aan het voorname ‘Plein’ in Den Haag, net naast het ook pas gereed gekomen Mauritshuis. Daar ging nu Constantijn, eenzame weduwnaar, met zijn vijf jonge kinderen naar zijn nieuwe huis. Hoe anders moet hij zich dat hebben voorgesteld. Hij bleef er zijn hele leven wonen.

Enkele jaren later kocht hij grond voor zijn nieuw te bouwen buitenverblijf Hofwijck. Hij liet er een obelisk neerzetten met zijn eigen naam en die van Susanna er in gegraveerd.

hofwijck-metbrug

In diezelfde tijd ontmoette hij een vrouw, half Engels, half Nederlands, die prachtig kon zingen: Utricia Ogle. Utricia was geboren in Utrecht, haar zus heette Trajectina. De ouders hadden een opvallende smaak met betrekking tot de voornamen van hun kinderen… Constantijn en Utricia bezochten elkaar vaker en maakten muziek. Constantijn kon zeer goed de luit bespelen, daarnaast ook de viola da Gamba en het clavecymbel. En hij kon ook nog eens goed zingen. Alles uiteraard als amateur. Maar zelfs als amateur kreeg hij het voor elkaar om aam het Engelse hof te musiceren, in het kader van een diplomatieke missie waar hij deel van uitmaakte. Hij kon dus wel wat. En Utricia kon geweldig zingen. Constantijn leek wel weer opnieuw verliefd te worden…

Intussen had hij contact met een Haarlemse katholieke priester, Joan Albert Ban, een priester die componeerde. Ze hadden allebei een uitgesproken mening over de relatie tussen tekst en muziek. Deze priester correspondeerde met de geleerde Mersenne in Parijs, over hetzelfde onderwerp. Alle correspondentie mocht Huygens lezen, hij stuurde de brieven mee met zijn eigen diplomatenpost. Ook de antwoorden van Mersenne las hij. Naar aanleiding hiervan dacht Huygens waarschijnlijk: dat kan ik ook. Hij begon liederen te componeren, eerst op (eigen) Franse teksten, later op Italiaanse teksten. (Ook deze teksten waren gedeeltelijk van hemzelf). Hij stuurde de handschriften naar Parijs om commentaar en toen hij lovend commentaar kreeg had hij al snel hij de smaak te pakken. Deze liederen probeerde hij eerst uit met Utricia Ogle: zij zong de melodie en hij begeleidde haar op luit. Het lijkt er op, gezien de brieven, dat hij wel wat meer wilde met deze twintig jaar jongere vrouw.

In 1644 vertroebelde de relatie. Misschien als gevolg daarvan stortte hij zich opeens op Latijnse psalmteksten. Een andere aanleiding daarvoor is misschien het feit dat hij in die tijd ook een geschrift opstelde waarin hij er voor pleitte om psalmen in de kerk te laten begeleiden door orgel. Hij klaagde er over dat de psalmen zo erbarmelijk slecht werden gezongen. Hij was er van overtuigd dat bij een goede begeleiding dit zou verbeteren. Huygens had misschien ook contact met een zoon van de beroemde componist Sweelinck, die het clavecymbel van Hooft, een goede vriend van Huygens, stemde. Van Sweelinck kennen we de meerstemmige zettingen van alle psalmen op Franse tekst. Huygens besloot ook te gaan componeren op basis van de psalmteksten. Hij besloot tot een selectie van twintig psalmen. Hij gebruikte verder van elke psalm niet de hele psalmtekst maar steeds slechts een deel ervan. En hij koos opvallend genoeg voor Latijnse psalmteksten, zoals ze staan in de katholiéke bijbel, de vulgaat. Deze Latijnse vertaling uit het hebreeuws is nog gedaan door een van de eerste kerkvaders, Hiëronymus. Net alsof hij ook wilde aansluiten bij zijn grote tijdgenoot Monteverdi, van wie hij 24 jaar daarvoor de Mariavespers had gehoord. Ook deze Mariavespers bevatten enkele toonzettingen van psalmen op dezelfde Latijnse tekst. Wat ook een rol zal hebben gespeeld is het feit dat hij ze in het katholieke Frankrijk wilde laten drukken.

In 1646 uiteindelijk stuurt hij 19 wereldlijke liederen en 20 geestelijke liederen voor zang en luittabulatuur op naar zijn uitgever in Parijs. Een jaar later zijn ze gedrukt als de “Pathodia Sacra et Profana”. De woorden “Sacra et Profana” slaan op de zowel geestelijke als ook wereldlijke inhoud. Maar “Pathodia”, dat woord bestond niet, het is een vinding van Huygens. Waarschijnlijk is het een samenvoeging van twee Griekse woorden Pathos (hartstocht, gevoel) en ooidein (zingen). Hiermee geeft hij aan dat het om liederen gaat die met “pathos” moeten worden gezongen. Dat dat zo is weten we ook uit een brief waarin hij aangeeft dat de meeste “airs courants” (het liedgenre dat dan in de mode is) erg statisch zijn, dat hij er meer gevoel in zou willen leggen. Op zich een heel opmerkelijke uitspraak voor een verder toch vooral stoïcijns overkomend iemand. En iemand die classicistische huizen laat bouwen en gedichten maakt met classicistische versvoeten. Maar Constantijn Huygens had, net als zijn gelijknamige zoon, regelmatig last van melancholische aanvallen. En: hij had de Mariavespers van Monteverdi gehoord: voor hem de mooiste muziek die er bestond. (Aldus zijn eigen woorden in 1620). De liederen hebben relatief gezien in vergelijking met de Franse hofliederen inderdaad veel pathos, zelfs zijn twintig psalm uitwerkingen.

Ze zijn geschreven voor een grote luit (12 snaren, een soort Franse variant van de Italiaanse theorbe), en zang. Op verzoek van de uitgever heeft hij er in tweede instantie een basso continuo-zetting van gemaakt. Ook hierover is nog enige correspondentie, de uitgever wilde op enkele plaatsen verbeteringen, omdat het klavecymbel boven de zang uit dreigde te komen, iets dat tegen de grondregels inging.

Als je nu de relatie tekst en muziek gaat bekijken bij Constantijn Huygens, dan zie je dat hij de tekst van elk lied een opbouw geeft, waardoor je een verhaal krijgt, bijna een redevoering. Dat kon hij doen bij de teksten die hij zelf schreef. Bij een aantal Italiaanse liederen maakte hij gebruik van een bestaande tekst. En bij de psalmen koos hij bewust voor een selectie van de regels uit die psalm, zodanig dat er een spannend verhaaltje kwam te staan. En verder zien we vooral hoe hij veel muzikale technieken weet aan te wenden om belangrijke woorden extra uitdrukking te geven.

Psalm 30

Psalm 30, het lied van David bij de oprichting van de tempel, bevat 13 regels. Huygens gebruikt de tweede helft van regel 8 en de complete regels 9 en 11.

Dan hebben we de volgende tekst:

tekst
Nu hebben we een verhaal met een plot. Het begint met de verlating door God, het in de steek laten van de gelovige: Ik sta er alleen voor en weet niet wat te doen. Wat doe je dan? je vraagt hulp, je gaat bidden, je roept tot God. En uiteindelijk wordt je gebed verhoord. God heeft medelijden en wil je helpen. Er ontstaat zo een logische eenheid, je kunt als componist deze boog gestalte proberen te geven op een retorische manier. Hoe doet Huygens dat?

De eerste actie is “het afwenden” van God, hij kijkt de andere kant uit, hij ziet je niet meer. De werkwoordsvervoeging “avertisti” beeldt dat uit. Het woord zelf bestaat uit vier lettergrepen ‘zwaar licht zwaar licht’. Het is daardoor zonder verdere ritmische uitwerking erg statisch. Zou je het gewoon zingen zonder dat je rekening houdt met de dramatische context dan zou het zo kunnen klinken:

avertisti-zelf1

Dat klinkt wel erg neutraal. Om het wat te versterken laat Huygens het woord ‘avertisti’ drie keer uitspreken, dan pas komt ‘faciem’. Het is logisch om de herhalingen te laten culmineren, door bijv. gebruik te maken van een stijgende sequens:

avertisti-zelf2

Dat klinkt waarschijnlijk al beter.

Maar de uitwerking die Huygens uiteindelijk maakt is veel sterker. Om te beginnen laat hij de tekst pas op de tweede tel beginnen. Dat veroorzaakt gelijk al dynamiek. Hij gebruikt sequensen, maar elk stukje is net iets korter. De tweede sequens is als een noodkreet: hij begint hier op de hoogste noot. De laatste tel is een noot korter, onmiddellijk daarna begint de derde sequens, alweer op een lichte tel, gevolgd door nu uitsluitend nog kwartnoten. Je kunt deze hele zin, die de noodkreet uitbeeldt van een wanhopig mens als je dat wilt ook echt “wanhopig” zingen, door de ritmische mogelijkheden die Huygens je geeft en door de plaatsing van de hoogste noot aan het begin van de tweede sequens.

avertisti-zelf3

‘Faciem tuam’ wordt nog twee keer herhaald, en dan komt gelijk al het volgende stukje: ‘et factus sum conturbatus’ (‘en ik ben in de war gebracht’). Het woord ‘conturbatus’, wat een soort turbulentie in het hoofd suggereert, geeft Huygens letterlijk weer: de eerste keer maakt hij er een versiering van alsof er een soort aardbeving plaats heeft in je hoofd, dan herhaalt hij het nog een keer wat milder:

conturbatus

We zijn nu bij het middendeel van het lied aanbeland. De heer wordt aangeroepen. De mens die dat doet is duidelijk vol vertrouwen op een goede afloop. We zagen al hoe Monteverdi kon spelen met het verschijnsel maat, en ook in de air courants is dat niet ongebruikelijk. Maar Constantijn Huygens maakt de muziek vrolijk, geeft ze vaart op de momenten dat er een driekwartsmaat komt en hij maakt vertragingen, niet alleen door langere notenwaarden te gebruiken, maar ook door een driedelige maat over te laten gaan in een tweedelige. Zo dus ook hier: er komt een soort versnelling door het gebruik van een driekwartsmaat: twee keer horen we in een soort stijgende sequens: ‘ad te domine’ (‘tot u heer’).  Dan komt het woord, ‘clamabo’ (‘ik roep’), en daar zit de  de hoogste toon, die ook nog eens verlengd wordt: je hoort hem bijna ‘roepen’. Maar het is zoals gezegd een optimistische aanroep, alles staat hier in majeur, en danst vrolijk in de driekwartsmaat.

ad-te-domine

Dan wordt de driedeligheid doorbroken, eerst genoteerd over de tel heen bij ‘deum meum’ (‘mijn god’, zwaar licht zwaar licht.) Bij ‘deprecabor’ (‘beroep ik mij’) komt de vierkwartsmaat terug en vertraagt het stukje. De tweede ‘deprecabor’ krijgt langere noten en zo ontstaat er zelfs een soort uitgeschreven ritenuto:

et-ad-deum-meum

We zijn nu bij het derde deel aangekomen. In het eerste zinnetje van dat deel wordt gezegd, ‘Audivit dominus et misertus est meus’. (‘De heer heeft mij gehoord en heeft medelijden met mij’). Er is nu pas echt een jubelstemming: hoera, hij heeft mij gehoord! Dat betekent dus weer driekwartsmaat. Bovendien wordt de tot nu toe hoogste noot bereikt, een “E” bij het woord ‘Dominus’. Het medelijden dat de heer heeft wordt vervolgens uiterst dramatisch weergegeven, alsof de mens nogmaals om medelijden smeekt, behalve in de vierkwartsmaat die weer een vertraging tot gevolg heeft, zien we een dalende lijn, en dan ook nog eens een dalende lijn met dalende chromatiek: A G# G F# F E. Chromatiek is een van de belangrijkste middelen, zeker ook in een dalende lijn, om smart uit te drukken.

audivit

Dan komt het slotzinnetje: de heer is geworden ‘adiutor meus’ (‘mijn helper’). De jubelstemming, dus de driekwartsmaat is nogmaals terug. Op ‘adiutor’ komt de hoogste noot van het lied, een F.

factus-est

Deze psalm wordt in deze opname gezongen door Peter Kooij met begeleiding van Mike Fentross, theorbe en Leo Doeselaar, orgel.

tekst

Naast deze psalmzettingen bevat de pathodia Sacra et Profana 19 wereldlijke liederen. Het zijn liefdesliedjes, maar tegelijk liefdesliedjes met een knipoog. Ik denk dat Huygens erg veel plezier had in het uitwerken er van. Nog vóór de uitgave heeft hij ze waarschijnlijk al doorgezongen met Utricia Ogle. Hij draagt aan haar de hele bundel op, ondanks de verwijdering die er tussen hen was ontstaan. Hij stuurt haar ook een exemplaar toe.

Zijn twaalf Italiaanse madrigalen zijn voor de helft gemaakt op eigen teksten, voor de helft op teksten van Giambattista Marino. Dit was een tijdgenoot van Huygens, iemand van wie bekend is dat hij door de Engelsman John Milton zeer bewonderd werd. Huygens op zijn beurt had contact met John Milton en zo zal hij de teksten van deze Napolitaan wel hebben leren kennen. Torquato Tasso, een van de beroemdste Italiaanse dichters uit de 16e eeuw, schreef over de liefde van de mythische figuren Phyllis en Amintas. Elementen van deze liefdesgeschiedenis zijn weer overgenomen door deze Marino in de teksten die Huygens heeft toongezet.

A dispetto de’ venti

De tekst van het eerste gedicht dat ik laat horen luidt:

A dispetto de’ venti,
di tuono e di baleno
Sto sfogando i tormenti
Che mi stracciano il seno.

Ma tu dormi e non odi
Se forse non consenti
alle tue lodi
Ahi cruda Filli non senti
i miei lamenti.

Ondanks de wind,
de donder en de bliksem,
geef ik hier uiting aan mijn kwellingen
die mijn gemoed verscheuren.

Maar jij… je slaapt en je hoort niets.
Als je van mijn lofprijzingen
niet wilt weten,
o wrede Phyllis,
dan hoef je ook mijn klachten niet te horen

Amintas staat bij het raam van het ouderlijk huis van Phyllis en is smoorverliefd. Het onweert en het bliksemt, hij zingt haar toe maar ze reageert niet, ze slaapt waarschijnlijk gewoon door. De tekst wordt prachtig toongezet. Let vooral ook op ‘di tuono’  (‘de donder’), en hoe de slaap van Phyllis wordt weergegeven door een prachtige pauze. Hier gezongen door Nico van der Meel.

Het volgende gedicht sluit er op aan en is als het ware een antwoord van Phyllis, die blijkbaar toch niet slaapt. Boven het gedicht staat: “riposta dalla finestra” (antwoord vanuit het venster). We horen het gezongen door Anne Grimm.

Che rumore Sento fuore? Hora si,
pazzarello, Sei tu quello
Che m’uccidi Co’tuoi stridi Notte e di?

Non t’offenda, caro Aminta,
Voce spinta D’ira finta
Tra parenti Troppo attenti Notte e di:

Che nel sno
il più sovente Dolcemente
Sospirando Ragionando
Vò così:
Caro Aminta,
fosti qui!

Wat voor herrie hoor ik buiten?
Wat, idioot, ben jij het
die mij treitert met je gekrijs, dag en nacht?
Laat je niet kwetsen, lieve Amintas,
door mijn stem, gedreven door woede
temidden van mijn zeer oplettende ouders dag en nacht;

(mijn stem), die van binnen
alsmaar zachtjes
zuchtend spreekt:
voor u dus:
Lieve Amintas,
was je maar hier!

Als ik het gedicht dat uit drie delen bestaat hardop lees, zou naar mijn gevoel het eerste deel vrij stevig moeten worden gezongen, het tweede deel wat zachter en het laatste deel honingzoet en zacht.

Uitvoerenden op de dubbelCD van Nm Classics, 2001:
Anne Grimm, sopraan, Wilke te Brummelstroete, mezzosopraan, Nico van der Meel, tenor, Peter Kooij, bas, Leo van Doeselaar, orgel, Mike Fentross, theorbe.
De cd-box is helaas niet meer verkrijgbaar. Ook de Huygens CD van Camerata Trajectina waar ook veel van de bundel op staat is niet meer leverbaar. De Italiaanse liederen uit de Pathodia profana, en een een aantal andere liederen van Huygens, gezongen door Camerata Trajectina, kun je wel nog beluisteren via de liederenbank. Ook kun je daar de teksten bestuderen:

http://www.liederenbank.nl/resultaatlijst.php?zoekveld=Pathodia&submit=zoek&enof=EN&zoekop=allewoordenlied&sorteer=jaar&lan=nl&wc=true

Op de concertzender zijn in 2015 twee documentaires geweest over Constantijn Huygens. In die documentaires hoor je veel van de liederen uit de Pathodia, in de uitvoering die door NM Classics is uitgebracht. Maar ook hoor je muziek van tijdgenoten en verder is er nog leuke andere informatie. Wat wel ten zeerste ontbreekt is een toelichting op de liederen, er wordt niet eens vermeld wát er nu eigenlijk gezongen wordt. En de uitspraak van het Latijn en Italiaans in de aankondigingen door de omroepster is niet al te best. Maar het gaat om de muziek. Die is mooi en verrassend voor een Nederlandse componist uit die tijd.

http://www.concertzender.nl/player/?mode=rod&prid=322426

http://www.concertzender.nl/player/?mode=rod&prid=323486

Boeken die ik gelezen heb:
J,A. Worp: Constantijn Huygens
Jurgen Pieters: Hetzij bij voorziening hetzij bij geheugenis (Hofwijck)
Inge Broekman: De rol van de schilderkunst in het leven van Constantijn Huygens
Constantijn Huygens: Journaal van de reis naar Venetie
C.W. de Kruyter: Constantijn Huygens’ Oogentroost
Meerdere auteurs, redactie Hans Bots: Constantijn Huygens zijn plaats in geleerd Europa
Dr. Jacob Smit: De grootmeester van woord- en snarenspel Constantijn Huygens

Geplaatst in Geschiedenis, muziek, taal | Tags: , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

De retoriek in de Mariavespers van Monteverdi

oor algemene informatie over retorica in muziek klik hier

Monteverdi had het in 1610 totaal niet naar de zin. Hij was al 18 jaar in dienst van de hertog van Mantua en hij vond het maar een hondenbaan. Als de hertog op reis ging of ten strijde trok nam hij een heel gevolg mee dat hem onderweg muzikaal moest onderhouden, waaronder dus ook enkele muzikanten en zangers zoals Monteverdi. Hij klaagde dat hij niet eens geld kreeg om fatsoenlijke kleren te kopen. In 1607 schreef hij de opera Orfeo, welk een groot succes was. In tegenstelling tot gebruikelijk werd deze opera de jaren daarna meerdere keren uitgevoerd, ook in andere steden. Maar toen begon de ellende. In hetzelfde jaar stierf zijn vrouw, volgens Monteverdi door de slechte klimatologische omstandigheden in Mantua. Hij kreeg geen tijd om te rouwen. Ter gelegenheid van een feest moest er een nieuwe opera komen. Dus al twee weken daarna begon hij al aan zijn tweede opera, Arianna.

Ondanks het succes van ook deze opera wilde Monteverdi weg, hij wilde een betere baan. Ook wilde hij een goede baan voor zijn zoon. Wellicht was Rome een betere plek. Hij componeerde de Mariavespers als sollicitatiemateriaal en toog met zijn zoon naar Rome. Helaas, zijn overtuigingskracht was blijkbaar niet groot genoeg. Allebei bleven ze met lege handen staan.

Na de dood van de hertog in 1612 werd Monteverdi ontslagen. De nieuwe hertog had grote schulden. Na een tijdje in zijn ouderlijk huis gewoond te hebben solliciteerde Monteverdi naar de baan van Maestro di Capella van de San Marco in Venetië. Hij werd in 1613 aangenomen! Hij schreef nog een “lekker puh-brief” naar de hertog die hem had ontslagen (en weer had gevraagd om terug te komen) en ging enthousiast aan het werk. Hij werd daar vele malen beter betaald en ook het klimaat en de arbeidsomstandigheden waren veel beter. Hij schreef er zijn beroemde opera´s “Il Ritorno d’Ulysse in Patria” en “l’Incoronazione di Poppea”.

monteverikapelmeestersanmarco

In 1620 hoorde de 23-jarige Constantijn Huygens bij zijn bezoek aan Venetië de tien jaar eerder gecomponeerde Mariavespers, op het feest van Johannes de Doper, op 24 juni. In de kerk van Johannes en Lucia, een kerk die vroeger stond op de plek waar tegenwoordig het Station van Venetië is. Constantijn Huygens schreef er het volgende over:

´Op de 24e, de feestdag van Johannes de Doper, ging ik mee naar een uitvoering van de vespers in de kerk San Giovanni e Lucia. Het was de volmaakste muziek die ik ooit in mijn leven heb mogen aanhoren. De componist van het stuk, de wijdvermaarde Claudio Monteverdi, maestro di capella van San Marco, was ook de dirigent van deze uitvoering, gespeeld door 4 theorben, twee cornetten, twee fagotten, twee violen, een contrabas van reusachtig formaat, het orgel en nog andere instrumenten, het een nog mooier bespeeld dan het andere. Verder was er een koor van 10 of 12 stemmen, die me buiten me zelf van verrukking brachten’.

De paus, die gevoelig was voor de nieuwe beeldende kunst van Caravaggio en Caracci, was dat dus in 1610 niet voor de Mariavespers van Monteverdi. Geheel ten onrechte. Monteverdi maakt de eeuwen oude teksten menselijk, levendig. Zoals Caravaggio mensen van de straat plukte als voorbeelden van desnoods heiligen, zo bracht Monteverdi zelfs de psalmteksten zoals ze in de vespers voorkomen tot leven. En daarvoor gebruikte hij retorische principes waar de Jezuïten jaloers op konden zijn.
Het vierde deel van de Mariavespers bestaat uit psalm 113 “Laudate Pueri”.
Bij onderstaande tekst worden vooral de vetgedrukte woorden nader besproken. Let daar bij het beluisteren dan ook extra op.

tekst

Bij een redevoering begin je met een aanhef, vaak overgaand in een spannende inleiding. De inleiding ontbreekt hier, maar de aanhef wordt grandioos uitgewerkt!

Laudate pueri dominum‘, ‘Mensen, prijst de heer!’ Luister hoe Monteverdi hier niet alleen een titel van maakt, maar hij plaatst ons als het ware op een markt, bij een marktkraam. Er wordt geschreeuwd: Mensen, prijst de heer! Mensen Prijst de heer! Mensen prijst de heer! Prijijijst de heer! Prijijijst de heer! Je hoort een buitengewoon opzwepend ritme. Als je gaat tellen om bij deze muziek de maat te horen kom je op een soort 5/4, maat maar dan op een ongebruikelijke manier verder ingedeeld. (3/8, 3/8, kwart kwart). Na drie keer een 5/4 maat komen er nog twee 7/4 maten

laudate-1

De eerste maat is eenstemmig, dan wordt het tweestemmig, weer tweestemmig, dan vierstemmig en de laatste keer is het stukje zelfs achtstemmig. Zo ontstaat er dus een culminatie naar het einde toe. De melodie blijft steeds in de laagste stem zitten, behalve de laatste keer, dan wordt hij door de eerste sopranen gezongen. In de andere stemmen hoor je voortdurend tegenstemmen in een bijna gelijk ritme.

Na deze stevige aanhef komt er nog een klein vervolg op de tekst “Laudate nomen dominum”, prijst de naam van de heer. Nu niet meer de opzwepende ritmiek, maar netjes alles in een 4/4 maat. De naam van de heer is letterlijk “mooi”

Dat was de aanhef. Maar wat is de stelling van de redevoering? De stelling is: “De naam van de heer wordt overal bejubeld“. En dat deze naam inderdaad ‘mooi’ is horen we in dit eerste echte deel. Eigenlijk is het een en al jubel. We horen afwisselend duo’s, door solostemmen gezongen. Deze vertellen dat de naam van de heer overal bekend is en door iedereen bejubeld wordt. Het is net alsof er voortdurend bloemen gestrooid worden, elke zanger gebruikt overdadig veel tierelantijntjes. De eerste zinnen tot aan ‘excelsus’ worden door twee sopranen gezongen. Bij ‘excelsus’ worden het twee tenoren. Het woord ‘excelsus’, ‘hij steekt uit’ (boven alle volkeren) wordt in een snel stijgende beweging toongezet, je ziet de heer letterlijk met zijn hoofd boven het maaiveld uitsteken. ‘Coelos’, de hemelen, die zijn uiteraard ‘heel mooi’ en worden ook uitgebreid versierd, net als het woord ‘gloria’, ‘eer’. Tot slot komen twee bassen. Zij laten ons horen dat God ‘in de hoogte’ woont (‘in altis’), de onderste bas stijgt maar liefst een undecime, de tweede bas een none. Deze bassen bereiden ons ook voor op het volgende deel. De heer kijkt vanuit de hemel (‘respicit in coelo’). We gaan nogmaals omhoog en weer pijlsnel naar beneden, ‘naar de aarde’ (‘et in terra’). Christus heeft zich verwaardigd mens te worden, af te dalen naar de aarde. En dan zullen we zien waar het in de psalm echt omgaat: hij is niet alleen afgedaald, maar hij is ‘humilia‘ (met mededogen) afgedaald naar de aarde, hij wil de mensheid beter maken, verlossen van de erfzonde. Ook dat mededogen horen we terug.

Dat was het eerste hoofddeel. Dan komt het vervolg, het belangrijkste deel van de redevoering: de bewijsvoering. Wat maakt het dat al de volkeren deze heer zoveel lof toezingen? Nu komen dan de argumenten. En elk argument wordt door Monteverdi op een eigen manier breed uitgemeten.

Allereerst: ‘Suscitans a terra inopem, et de stercore erigens pauperem‘. (‘Hij heeft de behoeftigen uit de aarde verheven en de armen uit het slijk getrokken’). In deze zin zien we twee werkwoorden, die eigenlijk ongeveer hetzelfde betekenen, ‘suscitans’ (‘verheffen’) en ‘erigens’ (‘omhoog trekken’). Ook de “lijdende voorwerpen” ‘inopem’ (‘behoeftige’) en ‘pauperem’ (‘arme’) zijn vrijwel synoniem. En waar worden deze arme mensen ‘uitgetrokken’? ‘A terra’ (‘uit de aarde’) de tweede keer ‘et de stercore’ (‘en uit het slijk’). De woorden staan zins-technisch deze keer iets anders, ‘a terra’ wordt onmiddellijk gevolgd door ‘et de stercore’. Monteverdi geeft enorm veel dynamiek aan de werkwoorden, die het ‘omhoog trekken’ verbeelden, ‘suscitans’ en ‘erigens’. Je hoort een snelle 6/8 maat, dus een driedelige beweging. Maar alle andere woorden zijn voorzien van lange noten, worden daardoor traag gezongen, met name ‘de stercore’uit het slijk, en ‘pauperem’. Het zinsdeel eindigt met dit ‘pauperem’, en je voelt intens het medelijden met deze arme stakkers.

De muziek komt even tot stilstand, en nu zegt de tekst wat de heer voor heeft met deze armen: ‘Ut collocet eum cum principibus, cum principibus populi sui.’ ‘Hij wil ze gelijk maken aan de voornaamsten van zijn volk’. Dat gelijk maken beeldt hij buitengewoon prachtig uit: Monteverdi schildert bijna een utopische wereld waarin iedereen gelijk is en waar vrede heerst. We horen uitsluitend lange tonen, die via een dissonerende secunde iedere keer weer oplossen naar een terts. We horen letterlijk op het woord ‘collocet’, ‘gelijk maken’, hoe hij deze mensen inderdaad gelijk maakt. Dat wat wringt wordt bijgeschaafd. Hemelse muziek!

In de tijd van het oude testament, en nu nog steeds bij veel volkeren in het oosten of ook in Afrika, is het belangrijk dat je als gezin kinderen krijgt. Denk maar aan het Bijbelse verhaal van Joachim die Anna niet zwanger kon maken en toen door de gemeenschap werd verstoten, hij moest de woestijn in. Ook in deze psalm wordt daar aan gerefereerd: ‘Qui habitare fecit sterilem in domo, matrem filiorum laetantem.’ ‘Hij die zorgt dat er vruchtbaarheid komt in huis tot grote blijdschap van de moeder van kinderen.’ Een vrij neutraal, maar wel vrolijk stukje.

Na deze argumenten, het hoofddeel van het retorische verhaal, moeten we komen tot een résumé. We zagen in het begin dat de heer gëeerd, geloofd en bejubeld moest worden, door alle volkeren, zowel in de hemel als op aarde. Dat wordt nu nog eens herhaald: ‘Gloria patri et filio et spiritus sancto’: ‘eer zij de vader, de zoon en de heilige geest’. ‘Sicut erat in principio, et nunc et semper, et in saecula sauculorum.’ ‘Zoals het was in het begin, nu en altijd, in alle eeuwen der eeuwen’.

Dan worden we met het woord ‘amen’ naar huis gestuurd, maar wel in de vorm van een soort coda, een echte afsluiting, zo van, we kunnen er weer tegen. Monteverdi werkt dit heel apart uit. In een gepuncteerd ritme horen we eerst een vierstemmige canon op het woord ‘amen’, vanaf de derde inzet telkens al na één tel. Dit stukje is zesstemmig (de laatste twee inzetten wijken iets af). Vlak voordat alle zes stemmen stoppen komen de twee tenor-solisten erbij, die tot dat moment nog zwegen. Zij blijven dan tot het eind met zijn tweeën zingen, zwepen eerst het ritme enigszins op tot je alleen nog maar snelle twee-en dertigsten hoort, daarna vertragen ze weer enorm en gaan uit de hoogte naar elkaar toe, om te eindigen in een lange eenklank. Wat een magistraal slot van dit retorische verhaal!

Hieronder is de opname te vinden van niet de allermooiste uitvoering die ik ken, maar wel een van de betere. Je hoort het NDR Vokalensemble. Als je alleen naar het hierboven besproken deel met de psalm “Laudate pueri” wilt luisteren, kies dan voor onderstaande link, die geopend wordt in een apart venster.

Geplaatst in Geschiedenis, muziek, taal | Tags: , , , , , | 2 reacties

Retorica in de muziek

Retorica is de leer van de redenaarskunst. Cicero wist zijn gehoor in te pakken, net als Barack Obama.

cicero2Barack Obama wist hoe hij zijn publiek kon inpakken, zoals we kunnen zien in deze video. Daar moet je een bepaalde persoonlijkheid voor hebben, maar je kunt ook veel dingen leren. Cicero, de eerste en misschien wel meest beroemde redenaar ooit schreef over die kunst al boeken. En die boeken bleven een inspiratiebron voor latere generaties. Als advocaat moet je niet alleen de rechtsregels kennen maar je moet ook een gloedvol betoog kunnen houden. En de dominee of de pastoor moet zijn gemeente of parochie met een goed gevoel naar huis kunnen sturen, zo van: ‘we gaan er weer een weekje tegen aan’. Hoe ziet zo´n redevoering er dan uit, en wat moet je doen om hem uiteindelijk over het voetlicht te kunnen brengen? De regels in de boeken over retorica zeggen er dit over:

  • Je bedenkt eerst: ‘waar wil ik het over hebben. Welke argumenten en beelden kan ik hierbij gebruiken?’
  • Dan denk je na over de volgende stap: ‘hoe wil ik beginnen, hoe zorg ik dat mijn toehoorders gelijk aan mijn lippen hangen’.
  • Het betoog zelf moet logisch en duidelijk in elkaar steken. Dat is dus de vervolgstap: je vertelt helder waar het om gaat.
  • Daarna ga je je stellingen beargumenteren, tegenargumenten verzinnen, deze weer weerleggen. Je suggereert kennis en wijsheid door het gebruik van moeilijke termen en het gebruik van citaten van beroemdheden. Dat alles doe je in een bewuste opbouw waarbij je door allerlei middelen de toeschouwers er bij weet te houden. Je gebruikt daarvoor talloze stijlfiguren als medeklinker-rijm, stretto effecten (versnellen en toename in dynamiek) naast het bewuste gebruik maken van pauzes. Heel belangrijk: werk ook op de emotie van de toehoorder.
  • Als je alles hebt duidelijk gemaakt vat je het nog een keer samen.
  • Tot slot stuur je de mensen naar huis, maar niet na na ze eerst nog een keer stevig opgezweept te hebben in een aangrijpend slot.
  • Als dat allemaal op papier staat ga je oefenen om het zo goed mogelijk voor te dragen. Je gebruikt rusten waar nodig, je vertraagt en versnelt. Je gaat zachter spreken of juist harder.
  • Weet je hoe het betoog uiteindelijk moet klinken, dan ga je het van buiten leren.

Dat zijn allemaal dingen die je leert bij de lessen retorica en die je vooral als je rechten of theologie studeert, of wanneer je een politieke carriëre gaat volgen, tijdens je latere werk van pas zullen komen. Pakweg tussen 1500 en 1800 leerde je dat al op de twee hoogste klassen van de Latijnse school, ook als je daarna niet naar de universiteit ging. Dus ook componisten als Monteverdi, Sweelinck of Bach leerden dit. En er waren vanaf ongeveer 1600 boeken waarin beschreven werd hoe je de retorica in de muziek kon toepassen, welke stijlmiddelen er daar allemaal waren. Zeker tussen 1600 en 1800 waren de meeste componisten zich hiervan bewust. En des te meer wanneer ze met hun muziek iets wilden vertellen. De cantates van Bach zijn als de preken van een goede dominee: ze hebben een zorgvuldige opbouw en de teksten zijn ook muzikaal gezien retorisch uitgewerkt. Een eerste schitterend voorbeeld in de muziekgeschiedenis vormen de Mariavespers van Monteverdi. Monteverdi solliciteerde met dit werk naar een baan aan het pauselijk hof in Rome en liet zien wat de kracht van muziek kon zijn als je de heilsboodschap wilde uitdragen. Hij deed dat op een manier die daarna bijna nooit meer is geëvenaard. In de baroktijd, maar vooral in de klassieke tijd ging men deze retorische principes ook toepassen in puur instrumentale muziek. Er kwam instrumentale muziek, niet bedoeld als achtergrond, maar muziek die geschreven was om naar te luisteren, alsof je naar een preek luisterde. En de componisten hadden enkele middelen om de aandacht te trekken. Virtuositeit! Dat speelde vooral een rol als er een of meer solo-instrumenten gebruikt werden. Maar ook werd het gebruikelijk om de mensen te laten luisteren naar een min of meer abstract muzikaal verhaal waar de spanningsopbouw geheel in de muziek zelf werd uitgebeeld. Mozart deed het, luister maar eens naar de ouverture Don Giovanni. De opera is nog niet begonnen maar je hebt al een compleet drama gehoord. Bij de instrumentale muziek van Beethoven werd het bijna een vanzelfsprekendheid. Het sterkst voel je dat bij de instrumentale delen die in de sonatevorm waren geschreven, vaak de eerste delen van piano- of andersoortige sonate’s, van strijkkwartetten, van symfonieën enz. Ook natuurlijk bij sommige toneelmuziek, zoals die van de ouverture Egmont, waar je in het kort in de muziek het dramatische verhaal van het leven van de heren van Egmont en van Horn hoort, tot en met hun onthoofding op de markt van Brussel. En dit alles puur instrumentaal. De componisten ontwikkelden ongekende middelen om sfeer te maken, spanning op te bouwen, deze vast te houden en je naar huis te sturen met een gevoel van: ‘geweldig!’

De stijlfiguren die in teksten uit die tijd werden gebruikt, daar is veel over bekend. Je kunt gedichten uit de zeventiende eeuw helemaal op basis daarvan analyseren. Bij muziek ligt dat wat moeilijker, het is lang niet altijd even duidelijk in hoeverre retorica bij bepaalde composities een belangrijke rol heeft gespeeld. In enkele andere blogs vertel ik iets over de retorica bij een van de onderdelen van de Mariavespers van Monteverdi. Ook wil ik een deel van een strijkkwartet van Beethoven op retorische aspecten analyseren. En ik wil laten zien hoe de amateur-componist Constantijn Huygens, die in zijn gedichten voortdurend retorische principes hanteerde, dat ook deed in zijn composities.

Hieronder een link naar een kleine powerpoint over retorica die ik ooit maakte en een link naar de retorica in een preek van een Augustijnse monnik eind 17e eeuw.

Retorica

 

Geplaatst in Geschiedenis, muziek, taal | Tags: , , , , | 2 reacties

Het Limburgs

Wat is Limburgs? Waar spreekt men Limburgs?

Het dialect of zoals je wil de taal  “Limburgs” kun je op drie en uiteindelijk zelfs nog meer niveau’s benaderen. Grofweg is “het Limburgs”  onderdeel van “het Nederfrankisch”, waar o.a. ook het Hollands, Brabants, Zeeuws en Vlaams bij horen. Kijk je wat preciezer dan krijg je een vrij groot gebied waar een variant van dat Nederfrankisch, “het Limburgs” wordt gesproken: een groot deel van Nederlands Limburg en Belgisch Limburg en nog wat aangrenzende gebiedjes. Kijk je nog nauwkeuriger dan zie je bijv. verschil tussen oost- en west-Limburgs enz.

dialecten-1.jpg

dialecten-2

dialecten-3

Zie ook: http://neon.niederlandistik.fu-berlin.de/de/nedling/langvar/dialects

Een belangrijk kenmerk waarmee het Limburgs zich onderscheidt is het gebruik van Stoot- en Sleeptonen. Op Wikipedia lezen we:

Evenals het naburige Ripuarisch maken veel Limburgse dialecten gebruik van een verschil in toonhoogte als distinctief kenmerk, dat wil zeggen om een verschil in betekenis uit te drukken. Het Limburgse woord bein kan bijvoorbeeld zowel ‘been’ (enkelvoud) als ‘benen’ (meervoud) betekenen. Deze woorden verschillen alleen in de toonhoogte waarop ze worden uitgesproken: het enkelvoud heeft een hoge vlakke sleeptoon, het meervoud een dalende stoottoon. Toonverschillen in het Limburgs worden verder onder andere gebruikt om verschillende vormen van het bijvoeglijk naamwoord te maken, maar ook om woorden te onderscheiden die in het Nederlands gelijkluidend zijn. Zo wordt in veel Limburgse dialecten het voorzetsel bij onderscheiden van de naam van het insect doordat de eerste een sleeptoon heeft en de tweede een stoottoon. Een ander goed voorbeeld van deze tonaliteit zijn de Maastrichtse woorden voor ‘steen’ en ‘stenen’. Deze worden allebei geschreven als stein. Alle klanken zijn bij beide woorden hetzelfde, alleen is de ei onderhevig aan tonaliteit:

Eine stein ‘een steen’; hierin is de ei-tweeklank lang, en gaat de hoogte licht omhoog aan het einde van de sleeptoon.
Twie stein ‘twee stenen’; hierin is de ei-tweeklank bijzonder kort, en daalt de stoottoonhoogte snel naar beneden.

Het betreft hier een voor de West-Europese talen unieke eigenschap. Het Limburgs lijkt hiermee een beetje op bekende toontalen als het Chinees, maar is wat minder extreem. Waar Chinese dialecten vier, vijf en volgens sommigen wel zes verschillende tonen onderscheiden, heeft het Limburgs er maar twee. Bovendien worden de tonen in het Limburgs alleen gerealiseerd op de lettergreep met de hoofdklemtoon in het woord. Limburgs is dus – net als bijvoorbeeld het Lets, Servo-Kroatisch, Sloveens en Zweeds – geen echte toontaal, maar een taal met toonaccent. De noordelijke isoglosse van het gebied waar tweetonigheid voorkomt ligt over Weert, onder Meijel en met een bochtje over Venlo en Arcen heen. Venray ligt dus buiten dat gebied; mede daarom wordt het Venrays meestal niet tot het Limburgs, maar tot de Brabants-Limburgse overgangsdialecten gerekend. Naar het westen toe loopt de tonaliteitslijn over Budel en Maarheeze heen en snijdt ze Lommel, de neus van West-Limburg en het gebied rond Sint-Truiden af.

In Duitsland vlak over de grens met Nederlands Limburg sprak een groot deel van de mensen Nederlands tot zelfs bij Rijnberk. Het gebied hoorde vanaf 1715 bij Pruisen maar tot de Franse tijd hadden de mensen het voor elkaar gekregen om in de officiële stukken nog Nederlands te mogen schrijven. Na de Franse tijd ging het hard. Het Hoogduits werd de officiële taal, maar omdat het gebied erg arm was bleven de mensen gewoon erg op zich zelf en daardoor in hun eigen dialect spreken: het “Limburgs”. Na de tweede wereldoorlog is er een campagne in Duitsland geweest om het er definitief uit te rammen en nu spreekt bijna iedereen daar uitsluitend Hoogduits. Maar de mensen herkennen wel nog hun historisch erfgoed. Er worden nu cursussen Nederlands gegeven. Wellicht willen steeds meer mensen ook hun dialect renoveren. Nu het nog kan…  Mijn vader wist nog te vertellen dat de dialecten over de grens voor de tweede wereldoorlog naadloos aansloten op die van Limburg.

Terug naar het begin: Hollands en Limburgs zijn allebei onderdeel van de Nederfrankische taalgroep. Ze zijn gedurende een aantal eeuwen hun eigen gang gegaan. Maar in de schrijfwijze van het ABN zien we de getuigenis van de rijke verscheidenheid in klanken die er ooit was in het Nederlands, zoals die nog steeds te horen is in vele dialecten. In de randstad is veel verloren gegaan, veranderd of vervlakt.

Mensen die Limburgs spreken hebben nooit moeite met het verschil tussen de ij en de ei. Ook de ij en de ie kun je uit elkaar houden. De ij spreek je in Limburg uit als een langgerekte ie (ieë), de ie als een korte ie-klank, als in het Nederlands, en de ei meestal als een ei, eveneens als in het Nederlands. Vet-gedrukt de ij en de overeenkomstige ieë in het Limburgs.

Kijk, daar zit een konijn, en daar een kievit in de wei. Kieëk, dao zit eine knieën, en dao eine kievit inne wei. .

Overigens kent het Limburg nog veel meer klinkers en vooral ook veel meer nuances in de uitspraak, zoals ook al te lezen was op bovenstaand stukje van wikipedia. In bovenstaande zin spreek je bijv. “eine” anders uit dan in het woordje “ei”. De ei van “eine” klinkt als in het ABN, de ei van “ei” klinkt bijna als een tweeklank (eihei), het is weer een sleeptoon. Ook zijn er meervouds vervoegingen, die hetzelfde geschreven worden maar iets anders uitgesproken.

  • “Een teen, twee tenen” wordt: “eine teeën, twee teeën”. Het laatste woord is net een fractie korter van klank.
  • Nog sterker hoor je het bij “een steen, twee stenen”: “eine sjteiën, twee sjtein”. Nu hoor je duidelijk eerst de sleeptoon en daarna de stootklank.
  • Uiterst subtiel is het bij “een knie, twee knieën”: “eine kneeën, twee kneeën”. (De tweede keer iets korter, maar nog niet gestoten).

Luister eens naar de volgende woorden in het Limburgs, vooral ook naar de subtiele klankverschillen van de klinkers

Daar staat een boom      Dao sjteit ‘ne bouëm
Ik werk in de bouw         Ich wèrk inne bouw
Daar staan bomen          Dao sjtaon buim
Een klap voor je kont    ‘ne klap veur diene baom
Twee billen                        twee bäöëm
een bom                             ’n bóm (klinkt als een heel korte oo)
kom zeg                              kóm zègk
een boek                            ‘n booëk
twee boeken                     twee beuk
Een beuk in  het bos      ‘ne beuëk inne bós
een tak, twee takken     eine tak, twee tek
Hij staat naast de beek  Hae sjteit naeve de baeëk
Beer waar ga je heen?    Baer wo geis dich haeër?
Mijn haar zit vol koren  Mien haor zit vól kaoëre
Ik woon in Horn               Ich wooën in Häöër
Komen jullie nog?           Kómp g’r noch?
Je hoeft niet te huilen    Doe hoofs neet te bäöëke
De beul staat klaar          de beul sjteit klaor
Even bukken                     effe bökke
De paus schrijft een bul de paus sjrief ‘ne bul
Alles ligt in puin               Alles lik in puuën
Runenschrift                     Runesjrif
Blijf hier                              Blieëf hieë
een bok en een geit         eine boek en ’n geiët
Gaat het?                            Geit ‘t?
mijn buik doet pijn         miene boeëk duit pieën
mijn broek zakt af           mien bóks zak aaëf
het kindje zit in de box ’t kiendje zit inne box
de kok is in de keuken   de kok is inne keuëke
hij bakt een koekje          hae bek ’n keukske
Sjaak zit op het dak        Sjaak zit op’t daaëk
In de buit zat een trui     In de buiët zoot ‘ne trui

Het Nederlands kent als klinkers (klinkend) de a, aa, e, ee, o, oo, u, uu, ie, ei, ou, ui, eu en de è (de laatste is een stomme e, als in de, of het einde van waarschijnlijk). Het Limburgs kent deze ook, daarnaast nog de oa, äö, ae, ó en ö, de meeste in een korte en lange variant en binnen al die klinkers soms nog een of soms zelfs twee sleep-varianten, die dus ook vaak verschil in betekenis tot gevolg hebben: de buik van de bok = de boeëk van de boek, tien tenen = teen teeën. ó (kóm op) klinkt als een heel korte oo. In bovenstaande woordjes zien we in het Limburgs de a, de aa, de e, de ee, de è, de eeë, de u, de uu, de uuë, de o, de oo, de i, de ie, de ieë, de ö,  de ó, de ei, de eië, de ou, de ouë, de eu, de euë, de oe, de oeë, de ui, de uië, de ae, de aeë, de oa, de äöë. Ik kom zo op 30 klinkers.  Het Nederlands kent er 14. Ook over de medeklinkers valt nog veel te vertellen. Zo kent het Limburgs bijvoorbeeld naast de Nederlandse zachte g (helaas tegenwoordig meestal als ch uitgesproken), ook de harde als in het Franse garcon. Deze schrijf je als gk (zègke = zeggen), ook in bovenstaand voorbeeld, bij kóm zègk (kom zeg)

Interessant zijn ook heel oude teksten. Zo hebben we de raadsverslagen van Maastricht vanaf 1379, allemaal geschreven in Middel-Nederlands. Ik zal een klein verslagje uit 1379 hier neerschrijven en pogen om te komen tot een kleine analyse: is dit opgeschreven dialect, of is er al sprake van een soort “officieel” Nederlands?

Item vanden aprille des VII daghs, so wijsden onse meister ende der raet tusscchen Steuven den Becker ende Heilwighen van Stochem, dat Steuve vorseit bynnen XIIII nachten neest comende sal ten heilghen sweren voer heren Rombout ende voer die IIII getughen die dat hoirden dat he Heylen Lijfs vorseit nie sculdich en wart ende mit hoeren lyve niet te doen en creigh. Ouch sal Heile ten heilghen sweren dat sij Streuven wijf voer eyn guet wijf helt. Voert zal Steuve sculdich sijn Heilen eynen weegh tsent Joeste. Denen sal he afleggen tusschen hie ende Penxten neest comende.

Ook op de zevende dag van april, zo wezen onze meester en de raad vonnis tussen Steuven de bakker en Heilwighen van Stochem, dat Steuve werd aangezegd binnen 14 nachten aanstaande op de heiligen te zweren voor heer Rombout en voor de vier getuigen die dat hoorden dat hij het lichaam van genoemde Heylen niets verschuldigd was en met haar lichaam ook niets te doen zou hebben. Ook zal Heile voor de heiligen zweren dat zij de vrouw van Steuve voor een goede vrouw houdt. Verder zal Steuve verschuldigd zijn aan Heylen een bedevaart naar St. Joost. Die moet hij afleggen tussen nu en pinksteren aanstaande.

(Steuven heeft Heilghen waarschijnlijk aangerand, is door vier getuigen schuldig bevonden en moet nu zweren haar verder met rust te laten en als straf moet hij te bedevaart.)

De formuleringen zijn tegenwoordig anders, maar veel woorden zijn nog steeds goed Nederlands. Maar er zijn ook duidelijk Limburgse woorden bij. Bijvoorbeeld:

  • Wijsden , = wezen vonnis aan. “Wijsen”, spreek uit “wieëzen”, is in het Limburgs nog steeds hetzelfde.
  • Meister voor meester. Is ook in het Limburgs nog hetzelfde.
  • Becker = bakker. Ook in het Limburgs nog steeds bekker.
  • Getughen = getuigen. In he Limburgs nog steeds getuëgen
  • He = hij. Als je he uitspreekt als hae dan is ook dit Limburgs.
  • Lijf (spreek uit lieëf) = lijf: uiteraard ook nog steeds Limburgs
  • Ouch = ook. Ouch is Limburgs

Het is niet alleen de vlaai die Limburg zijn identiteit geeft, maar het is vooral zijn taal. Gelukkig zijn er veel particuliere verenigingen voor de instandhouding van de dialecten. En die verenigingen worden gelukkig ook vaak gesubsidieerd vanuit gemeente of provincie. Zoals de Veldeke vereniging, genoemd naar de eerste dichter in de Nederlandse taal, Henric van Veldeke, die zijn beroemde gedicht over het leven van Sint Servaas schreef in de twaalfde eeuw. In 2003 is ook de schrijfwijze van het Limburgs officieel vastgesteld, je kunt hier het betreffende document daarover downloaden. En in die dialecten zie je veel elementen terug die in de dialecten van de randstad, zoals je ze op radio en tv hoort, inmiddels zijn verdwenen. Zoals het verschil tussen au en ou, of tussen ij en ei. Dat verschil is in een aantal dialecten nog springlevend, net als in de gedichten van Constantijn Huygens uit de zeventiende eeuw. Het is historisch erfgoed. Het zou beschermd moeten worden. Ook het ABN zou beschermd moeten worden. In ieder geval zou het niet zo moeten zijn dat de tongval van de Rotterdammer de schrijfwijze van het ABN gaat bepalen. Waarom worden er alleen nieuwslezers of weervrouwen uit de randstad aangesteld? De mensen gaan denken dat dat hét ABN is. Ik zou veel meer verscheidenheid in tongval willen horen. Het zou me goed doen als ik de “r” weer ga horen in woorden als paard, Portugal, Turkije. Deze “r” spreekt op radio en TV bijna niemand meer uit, hij wordt weggeslikt of hooguit hoor je nog een restje in de vorm van een “j” (“Paajd”). In Limburg, en ik denk in veel andere gebieden van Nederland, hoor je die “r”nog wel. Dat wegvallen mag. Zo gaat het met dialecten, in dit geval de West-Nederlandse dialecten. Maar het zou niet de norm moeten worden voor het ABN. Maurice de Hond wil zijn eigen uitspraak tot de norm maken, niet alleen auditief maar ook schriftelijk. (Volkskrant, 1 november 2016 en de avond erna ook nog in het televisieprogramma “Pauw”). Het is een belediging naar Vlaanderen, Zuid- en Oost-Nederland en het zou een verlies van cultureel erfgoed betekenen.

Zoals ik blij ben dat er nog veel gebouwen te zien zijn uit het verleden, dat Victor de Stuers er voor gezorgd heeft dat delen van de oude vesting Maastricht nog aanwezig zijn, dat er monumentenzorg is, zo ben ik ook blij met de Limburgse dialecten. En dus met de schrijfwijze van het ABN.

Is ’t ABN te meuëlèk?
Mót ’t waere aangepas?
Naeë, den waer ich heel erg nötelik.
Lange ei det leerse vas

Laeës ‘ns beuëk oeët zaesteenhónjert
En doe zuuës ’t woor toen geweun
Eier mit ’n ei te sjrieëve
Pieën mit ’n ij, gein gekke teun!

Geplaatst in Geschiedenis, taal | Tags: , , , | Plaats een reactie

Twe-spraack

titelblad-heuterusIn het museum Plantin Moretus zag ik twee boeken uit de zestiende eeuw liggen die gaan over de schrijfwijze en uitspraak van het Nederlands in die tijd. Het eerste boek is uit 1581 en geschreven door Pontus Heuterus. (Pontus de Huyter): “Schat der Nederduitscher spracken” De schrijver, geboren in Delft, heeft een bewogen leven geleid: hij was een van de martelaren van Gorcum, maar hij is wonderbaarlijk aan de dood ontsnapt, waarschijnlijk omdat hij had aangegeven het katholieke geloof af te zullen zweren. Vanuit de kerker van Den Briel ging hij naar Jabbeke in Vlaanderen. Ook daar moest hij al snel weer vluchten voor de calvinisten.. Uiteindelijk kon hij zich, toen de Spanjaarden weer stevig de touwtjes in handen hadden, in St. Truiden vestigen waar hij in 1602 overleed. Maar in al zijn omzwervingen door Europa raadpleegde hij vele archieven. De kennis zo opgedaan leidde tot een boek over de geschiedenis van Bourgondië. Maar ook schreef hij een boek dat ging over “het Nederlands”. Hij probeerde deze taal te standaardiseren, door elementen uit het Vlaams, Brabants, Hollands, Gelders en Kleefs er in te verwerken. Hij schreef de Nederlandse woorden op en vertaalde ze in het Frans en Latijn. Het boek is in 1581 in Antwerpen uitgegeven. Er is nog een antiquarisch exemplaar van te koop. Dat ligt in een antiquariaat in Brederode. De vraagprijs is 15000 euro…

titelbladEr lag nog een ander boekje in het museum, getiteld “twe-spraack”, geschreven door Hendrik Laurenszoon Spieghel. Dat is drie jaar later uitgegeven door de rederijkerskamer”In liefde bloeyende”, De drukker was Cornelis Plantijn, die een dependance van “Plantin Moretus” in Leiden runde. Dat boek staat integraal op internet! Het behandelt de basisregels van de notatie en de uitspraak van de “Nederduytsche” taal in 1584. Het woord “twe-spraack” duidt op de vorm van het boek: alle notatie- en spraakregels worden besproken door twee mensen die met elkaar in gesprek zijn (G=Gedeon en R = Roemers). In de samenvatting hierna wordt op die tweespraak overigens niet meer ingegaan.

Alfabet

Spieghel zegt interessante dingen bij het bespreken van de letters. Er waren oorspronkelijk 24 letters. Twee van het huidige alfabet ontbreken daar.

  • Om te beginnen de j. Soms wordt de i als een medeklinker (j) gebruikt, en soms ook wordt hij als een g gebruikt. Dat schept verwarring. Hij stelt dus voor op al die plaatsen waar de i als een j klinkt een j te noteren (niet Iesus maar Jezus) en waar de i als een g klinkt een g te noteren (niet ient, maar Gent). Bij Spieghel komt de j overigens niet veel voor. We zullen bijv. zien dat hij bijna nooit een ij gebruikt, daar staat steeds een y. Hierover later meer.
  • Verder ontbreekt de v. In plaats van een v wordt vaak een u genoteerd. Maar Spieghel wil dat gebruik uitroeien: overal waar de u als een medeklinker klinkt zou er een v moeten worden genoteerd.

Klinkers

Er zijn 5 basisklinkers, de a, o, u, e en i. De y beschouwt hij niet als een basisklank, omdat deze klinkt als een langgerekte i (de y  verstreckt het durigh lang óf dubbel gheklanck van i). Dan: de a klinkt niet bij alle volkeren hetzelfde. Bij de Westfalen klinkt hij bijna als een ó. (Waarschijnlijk bedoelt hij met die ó een soort langgerekte klank zoals de Limburgers de a vaak gebruiken, wat zij noteren als oa (joa = ja), zie later). Bij de Schotten en Zeeuwen klinkt volgens Spieghel de a bijna als een ae. (De Schótten ende Zewen buighenze wat na de /e/ als /iae/ maet/ ghenoegh onze ae ghelyckende). Hiermee geeft Spieghel aan dat “ae” beschouwd moet worden als een tweeklank!! (Verderop zal hij dit overigens weer relativeren). Dan nog iets opvallends: de e wordt vlak voor een r vaak uitgesproken als een a. Voorbeelden: sperma, sterck, merckt. Maar bijv. weer niet bij deze woorden: verwe, kerck, merck, werck. Ook interessant: de y klinkt in Brabant niet als een lange i maar bijna als een ei, en de ei klinkt in Brabant als een ai!! (Dus dáár komt dat vandaan…) De o wordt in veel woorden heel verschillend uitgesproken, soms als een oa. Daar waar hij niet echt als een o maar als oa wordt uitgesproken stelt Spieghel voor om hem met een accent te noteren: óghen, óren, nóód, dóód, cóópman. Bij de u zegt hij: let er op dat je die niet als in Westfalen als een oe uitspreekt.

Korte en lange klinkers

interessant is wat hij nu zegt: onze voorouders noteerden voor lange klinkers dubbele letters als uu, ee, aa, oo. Tegenwoordig zie je meestal ue of ui voor een lange uu, en ae voor een lange aa. Daarom is hij blij met de y als een langgerekte i. Dat maakt het een stuk makkelijker. Hij kiest er nu voor om bij het gebruik te blijven dat de tweeklanken aa als ae en uu als ue worden genoteerd zoals in zijn tijd nu eenmaal ingeburgerd is, maar de ee en oo wel als dubbelklank te noteren, zoals eveneens in zijn tijd gebruikelijk is. De consequentie van deze praktijk is dat elke keer als er a genoteerd staat dit kort moet worden uitgesproken, maar: ae lang, u kort, ue lang, o kort, oo lang, e kort ee lang, i kort, y lang. De regel van “een korte klinker, gevolgd door een enkele medeklinker, wordt een lange klinker” geldt dus nog niet! Om de verwarring compleet te maken: dat dit soms tóch gebeurt wordt ook door Spieghel al genoemd, soms wordt er toch ook ouderwets aa en uu genoteerd in plaats van ae en ue. Dan komt er een heel pleidooi om het ó-teken in te voren, de o met accent. Immers ook andere volkeren laten het verschil in uitspraak zien door middel van een accent, waarom wij dan niet! Hij komt met een hele lijst woorden die oftewel met o oftewel met ó moeten worden genoteerd, vanwege het verschil in uitspraak. op ende hóp, om ende óch, een zoch ende ick zócht , een bock (hoedus) ende een stóck , opslocken ende schócken, schol ende schóver, wol ende vólck , my dorst ende ick dórsche , tis bol ende een ból des spinróckens, hy is dolende ende dól inde royschuit, een sock an de voet ende het zóck des vrouws, een bot visch ende ghebód , ick mocht ende ick brócht, kort ende kórl , porren ende pórtye : in de woorden onder , ongezond, droncken, grond, hóórdy deerste. In óf, ós, pót, tót, zót, etc. hóórdy de twede. Hoe moet je dat verschil in klank tussen de o en ó nu interpreteren? In dit geval zie ik niet een duidelijke link met de uitspraak in het Limburgs. Het aantal klinkers is in het Limburgs zeer uitgebreid, maar de betreffende woorden van de voorbeelden worden in het Limburgs vaak totaal anders genoteerd, in ieder geval kan ik geen echt duidelijke link maken met wat Spieghel beschrijft. Het is vast behoorlijk subtiel geweest, want deze spelling met de ó heeft zich niet doorgezet. De enige aanwijzing die wellicht toch nog iets aangeeft komt een eind verderop als hij de gemengde tweeklanken beschrijft. óyt, beróyt , hóórdy voor de /y/ het gheklanck vande /ó/ by ons afghetekent t’welck zommighe wel ghemerckt hebben die oayt , beroayt , etc. zó ghezeyt is schryven. Ik neig er daarom toch naar om oo uit te spreken als oo, en óó als oa. (Limburgs: hoar, joar, joa).

Dubbelklinkers

Spieghel beschrijft nu de samengestelde klinkers, ook wel dubbelklinkers genaamd. Naar aanleiding van de toelichting van Spieghel vermoed ik dat de meeste tweeklanken vrijwel hetzelfde worden uitgeproken als dat ze dat heden ten dage worden. Spieghel kent de volgende tweeklanken: ae, ai óf ay, aay, au , aau , ei óf ey, eeu , ie , ieu , oe , oey, óy, ou. Verder: In plaats van de huidige eu noteert men in die tijd ook vaak ue. Ik constateer mogelijke verwarring hierdoor, immers ue staat ook voor uu!!. Onze huidige ui wordt in principe in die tijd genoteerd als uy. Verder wordt gezegd dat au en ou wezenlijk anders klinken maar er wordt niet gezegd hoe!! Ik vermoed dat ou klinkt zoals in het huidige ABN en au langgerekt met een beetje een a klank aan het begin. Op het einde van dat hoofdstuk komt nog even ook de ij ter sprake. Een dubbele ii moet uitgesproken worden als twee aparte klanken, zoals in partiich (partijdig). Bij de e gebruik je in een dergelijk geval een dubbele punt boven de e: gheëert. In plaats van een ii kan ook gekozen worden voor ij!!! Als dat is overgenomen door latere schrijvers dan moet je de ij dus bijna als een tweeklank van twee keer een i uitspreken, wellicht dus nog langer dan de y. Ik heb wel eens gelezen dat y en ij bijna willekeurig werden gebruikt in de zeventiende en achttiende eeuw. De klank zal erg veel op elkaar hebben geleken.

Medeklinkers: de “s”

Ook over de medeklinkers is er een lange verhandeling. Hier ga ik niet op in, met uitzondering dan van het verhaal over de s. De s spreekt men meestal als een z uit. Spieghel is voorstander om overal waar je een z hoort ook een z te noteren. We zien dat dat uiteindelijk in de loop der eeuwen(!) ook gebeurt, maar bij bijv. Huygens wordt nog steeds slechts zelden een z genoteerd en moet je dus raden wanneer de s als een s klinkt en wanneer als een z. Twee hulpmiddelen: vergelijk het met de notatie van het ABN, of ben je Limburger: hoe spreek je het in het Limburgs uit. Uiteindelijk blijkt het zelden een probleem te zijn. “Sy” spreek je dus uit als “Zie”, waarbij de ie langgerekt klinkt. De s kent overigens twee schrijfwijzen, en allebei de letters (esse en es) komen apart in het alfabet voor. De eerste, de zogenaamde “esse”, is inmiddels verdwenen. Hij zag er als drukletter vrijwel hetzelfde uit als een f. De “Esse” kent geen hoofdletter, dan werd altijd een S genoteerd. De andere s (de “Es”, onze s) kwam voornamelijk voor als laatste letter van een woord (bijv. “is”). Op andere plaatsen werd meestal een f geschreven. Voorbeeld: “Sy fien ’t huys tuymelen, fy fchricken“(zij zien het huis tuimelen, zij schrikken , uit Ooghentroost Vs 165-166 Constantijn Huygens). Het eerste woord krijgt een hoofdletter, dus een “Es”, bij huys is de laatste letter ook een “Es”. Op de andere plaatsen zien we de “Esse” (fien, fy, fchricken).

Rijm, naamvallen, vervoegingen en meer

Het volgende hoofdstuk gaat over de soorten rijm, dan komt een hoofdstuk over mannelijk vrouwelijk en onzijdig en over het gebruik van de naamvallen, vervoegingen van werkwoorden in tegenwoordige verleden tijd en voltooid deelwoord, en ook het laatste hoofdstuk gaat over dergelijke zaken.

Samenvatting van notatie en uitspraak

  • Korte en lange klinkers. o = o, a = a, e = e, i = i, u = u. Lange klinkers: oo, ae, ee, y en ue. Soms ook aa en uu, in principe geen verschil met ae en ue. Daarnaast kent Spieghel de “ó” en de “óó” (spreek uit als korte oa en lange oa)
  • Dubbelklinkers: ei = ei, ie = ie ij= ie (langgerekt, vrijwel identiek aan y), ou = ou, au = au als tweeklank uitgesproken, uy = ui. Bij woorden met “eeuw” erin wordt de u ook enigszins uitgesproken.
  • Medeklinkers: s wordt meestal als z uitgesproken. In het ABN zien we dan ook meestal een z. De s kan op twee manieren worden genoteerd, als een f (overal, behalve als hoofdletter en aan het einde van een woord) of als s (als hoofdletter of aan het einde van een woord)

Kijken we nu naar het gedicht Ooghentroost van Constantijn Huygens, dan zijn we alweer zo’n 60 jaar later in de tijd. Wat is er veranderd, herkennen we de spellingsregels van Spieghel? Ja en nee. Vers 279- 292

ooghentroost_gierigeEigenlijk is er alleen een verschil met betrekking tot de notatie van lange klinkers. Bij Huygens, niet overal consequent trouwens, zien we de regel dat een korte klinker gevolgd door slechts een enkele medeklinker, of als laatste van een woord, uitgesproken moet worden als een lange klinker: “weten”, “adel”, “zadel”, “stelen”, “scha”, “gev’op”. Zoals nu nog steeds dus. De enige uitzondering is “leenen”. Spieghel zegt al dat dit gebruik bestaat, maar hij wil dat liever niet. Hij pleit voor e = e en ee = ee enz., op welke plek dan ook. Verder zien we de “ó” van Spieghel nergens terug. Dat betekent dat sommige o-klanken wellicht als oa zouden moeten worden uitgesproken. Helaas is dat nauwelijks te achterhalen. Misschien was in de tijd van Huygens de uitspraak op dat gebied inmiddels al zo ontwikkeld dat de “oa” al was verdwenen. De uitspraak zoals ik deze in een vorig blog deed is naar aanleiding van deze bevindingen nog steeds een uitspraak die waarschijnlijk dicht bij die van de zeventiende eeuw komt. Zie ook mijn blog over Ooghentroost

Het museum Plantin Moretus heeft twee jaar geleden een prachtige documentaire gemaakt waardoor je een goed beeld krijgt van het museum. De documentaire speelt zich af in de zeventiende eeuw. Dat zelfde gevoel krijg je als je in het museum bent. Alleen al door de oude krakende houten vloeren… Jammer genoeg is deze documentaire kortgeleden ontoegankelijk gemaakt. Deze is er wel:

Geplaatst in Geschiedenis, taal | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie

Taalverloedering in de zestiende eeuw

titelblad-boek-spieghelOnlangs was mijn zwager enkele dagen in Nederland. Hij woont al zeer geruime tijd in Frankrijk. Het viel hem op hoe in winkelstraten, maar ook op de televisie, in advertenties of in het spraakgebruik van vooral jongere mensen zoveel woorden waren “ver-engelst”. Hij zei dat dat in Frankrijk hier en daar ook al een beetje begon, maar dat het in Nederland toch wel ongelooflijk sterk was. Bij TV-programma’s zien we voortdurend een “battle” en onlangs hoorde ik dat woord jonge kinderen in hun eigen spel ook al gebruiken. Is het een kwaliteit? Maxima koppelde er ooit zelfs de identiteit van de Nederlanders aan en kreeg toen half Nederland over zich heen. Onze eigenwaarde werd er blijkbaar door aangetast: “zo zijn wij niet!”

Ik vond toen al dat ze gelijk had. En ik ben bang dat het onuitroeibaar zal zijn. Het was namelijk al zo  in de zestiende eeuw. Vanuit rederijkerskamers wilde men de Nederlandse taal propageren. Hendrik Laurenszoon Spieghel wilde in ieder geval dat er een halt werd toegeroepen aan wat hij noemde de verloedering van het “Nederduitsch”. De rederijkerskamer “In liefd bloeyende, ’t Amstelredam” gaf bij de dependance van de Antwerpse drukkerij Plantyn in Leiden in 1584 zijn boek “Twe-spraack” uit .  Voorin dat boek lezen we de volgende klacht in rijmvorm:

Een oud ingeworteld misbruyc doet my nu vrezen
D’anstaande verwoesting die tót nóch toe belet// is
Misschien verwondert u/ wat dattet magh wezen
T’is/ dat de Nederduytsche spraack aldus besmet// is
Met menigh uytheems onduyts wóórd datter in ghezet// is
Diemen alle daagh nóch veelvoudigh ziet vermeren
Zó dat onze moeders taal by naast verplet// is
Dits een beklaaghlyck ding dat elck wel magh deren
Dat wy Neerlanders die al ander spraken konnen leren
Ons eyghen angheboren taal zó onhebbelyck spreken
Als wy een duyts voor groete met bon iour saluteren+
En scheyden met bon soir, is dit gheen teken
Van verwaantheid óf waantmen dat ons wóórden ontbreken
Om eyghentlyck in duyts die zin te verklaren?
O neen/ onze spraack is ryck ghenoegh dit heeft ghebleken
Datmen wel ghoed duits sprack eer dees ander talen waren
Ja men heeft die uyt het duits en latijn ghaan vergharen
Nu zietmen ons na vuyl sletten uyt dien mishóóp sporen
Dus doende ghaat het Nederduyts gheheel verloren.
Van den uchtend tótten avond waar ick koom waar ic gha
Ick hóór niewers duyts spreken zonder vleck óf rempelen
Maar men spreeckt my veeltyds toe dat ick niet en versta
Gha ick ter kercken die heten zom tempelen
Daar allegeert een minister, wel ghoede exempelen
Vol parabelen, misterien, glosen en secreten
Dat heet dan een devoot sermoon byden sempelen
En zó men my iewers nóódt ten eten
Daar krygh ick een Servyet als ick ben ghezeten
En t’ is Cousin óf frere hebt Ioyeuse couragie
Dan leestmen de benedyst zó elck van u magh weten
Alsmen ghód wil dancken/ óóck schaftmer potagie
Voor pótspys/ vóórts venaisoen en zulx na dusagie
Marmolaad
en sucaten by boter en kaas
Excellente dranck en delicate spys/ verdryft daar quellagie
En dan ist t i b i , amoy, avous, profaas.
Int lest leestmen de gracy, is dit duyts? neent eylaas
T’syn distelen die het ghoede zaad versmoren
Dus doende ghaat het Nederduyts gheheel verloren.
Onder hóghe en laeghe in ambachten handel en neringhe
Het is ghants nódelóós datter enigh breder bewys// zy
Men spreecter al quaad duyts byzonder in slants regeringe,
Daar vallen executien, apointementen en compositi
Men procedeerter en appelleerter voor de justici
Voor den officier, magistraat óf gecommitteerde
Onder kóópluy/ spreecktmen van expresse conditi
Van asseurantien, compromissien en t’ geconquesteerde
Van abuis, calculati, different en t’ geaccordeerde
Van negotiatien, conquesten en zó vóórtaan
Van Crediteurs debiteurs en t’ verobligeerde
Dat haar naulyx een gheleerde// somtyds can verstaan
Dan komen bond-schryvers voorspraken en taalluy ter baan
Die willen Notarisen advocaten en procureurs zyn ghenoemt
Heet een stadscryver Secretaris óf t’is qualyck ghedaan
En ghy word met een edict óf mandement van hen verdoemt
Ja dat meer is menigh hem van dit misbruyck beroemt
Dat hy als magnifyck na lust heeft verkoren
Dus doende ghaat het Neerduyts gheheel verloren.
Wy Rymers die Ghód wouts Retorykers ghenaamt// zyn
Ghebruiken mede voor welsprekentheid zulck’ eloquentie
Ziet hier een verwarring/ als wy versaamt// zyn
Wy hebben een blason met ons advys óf sententie
Wy spreken van Compositie en van inventie
Van elocutie, termen, soluti en disputatie
Hóórt dit relas pronunceren gheeft audientie
Het wort Poëtelyc gemoveert tót recreatie
Dits een redyt, dats de conclusi, dits d’ arguatie
En solveert dit propoost op het facondste.
Dan doet onze factoor een proloogh óf narratie.
Wat dunct u ghy Heeren: ick zeg behoudens u Jonste
T’ zyn grove fauten, (in zulck Duits ghezeyt opt rondste)
Dus wilt u met die schandvlecken niet meer quellen
Oeffent een zuyvere spraack zó verwerfdy ghonste
En leert door de L e t t e r k u n s t wel voeghen en spellen
Door R e d e n k a v e l i n g vaste bewijsredenen stellen
En wilt alzo R e d e r y c k s lieflyckheid oorboren
Werende dat het Nederduyts niet gheheel gha verloren.

Samenvattend: “wij Nederlanders zijn een volk dat makkelijk allerlei talen leert. Maar intussen verloedert onze eigen taal.” Enkele voorbeelden: Komen we iemand tegen dan zeggen we “bon jour”, of “bon soir”. In de kerk luisteren we naar een “devoot sermoon”. Voor de hoofdmaaltijd eten we “potagie”, en bij de boter en kaas “marmolaat” en “sucaten.”

Na dit en meerdere voorwoorden begint het eigenlijke boek. Het is opgesteld als een gesprek tussen twee mensen: Gedeon en Roemer (G en R). In dat gesprek hebben ze het over het “Nederduitsch”. Achtereenvolgens worden allerlei aspecten van de schrijfwijze, syntaxis en uitspraak van Nederduitse woorden behandeld. Het boek is daarna nog meerdere keren uitgegeven en heeft waarschijnlijk heel wat schrijvers uit de zeventiende eeuw beïnvloed bij de keuze van vooral de schrijfwijze van woorden. In een volgend blog zal ik daar nader op ingaan.

Ook blijkt dat de buitenlandse invloed op onze taal toen vooral kwam door vermenging met Franse woorden. Een aantal van die woorden is inmiddels zo ingeburgerd dat ze de oorspronkelijk Nederduitse woorden hebben vervangen. Maar we zeggen ondanks alles nog gewoon “goeiedag” en eten niet “potagie” maar “soep”. Maar we zeggen niet meer “verontschuldig mij”. Soms zeggen we ”pardon”, maar meestal “sorry.”

Geplaatst in Geschiedenis, taal | Tags: , , , , , , , , , | 1 reactie

Rubens en China

chineesWieteke van Zeil schreef vandaag in de Volkskrant een mooi artikel met als titel ‘Koreaan’ van Rubens was Chinees. Op een schilderij uit 1617 dat Rubens maakte voor de Jezuïtenkerk van Antwerpen (thans Carolus Borromeüskerk) staat een oosters type afgebeeld, dat voorheen als een Koreaan werd bestempeld maar nu een Chinees blijkt te zijn.  Een van de personen op dat schilderij heeft Rubens eerder apart getekend. Dat schilderij was in 2013 in het Getty museum van Los Angelus middelpunt in een feest ter herdenking van de banden tussen Korea en het westen. De man op de afbeelding van Rubens draagt een hoed van gevlochten paardenmanen en een wijde jas. Volgens het artikel van Wieteke van Zeil is dat de kleding van Chinese geleerden en later ook van kooplieden die er geleerd willen uitzien. Maar nu is ontdekt dat de tekening ook is afgebeeld in een liber amicorum van Nicolaas de Vrise uit Middelburg. De Chinees zet zelf zijn naam en datum erbij: Yppong, vrijdag januari 1601, dus ouder dan de tekening van Rubens. Hierboven de afbeelding van het liber amicorum en rechts daarnaast de tekening van Rubens, nu in het Getty museum.

Het is interessant om te achterhalen hoe Rubens aan deze tekening kwam, had hij misschien in hetzelfde liber amicorum geschreven, was mijn eerste gedachte? Daarover vermeldt het artikel niets dus dat zal dan wel niet zo zijn. Wel staat er dat Yppong schrijft dat hij is meegereisd om zijn verlangen te bevredigen om het land van de admiraal te zien. Hij reisde namelijk mee met een schip vanuit het toenmalige Bantam op Java. Dit nog enkele jaren voordat de VOC werd opgericht. Je zou kunnen zeggen dat de reis vooral als functie een verkenningstocht had. Door een Chinees mee te nemen werd bewezen dat je er ook echt geweest was. In het liber amicorum staat  de afbeelding van deze “chinees” die Rubens tot voorbeeld diende.

Er wordt verder nog gezegd dat de eigenaar van het liber amicorum, Nicolaas de Vrise, waarschijnlijk in Leuven studeerde. Dat brengt ons dicht bij Rubens. Rubens was een goede vriend van Justus Lipsius, de zeer gerenommeerde professor van Leuven in de filogie (klassieke talen) en filosofie. Justus Lipsius was de eerste professor van de in 1575 opgerichte universiteit van Leiden maar hij keerde om onduidelijke redenen (heimwee?) terug naar zijn geboortegrond (Antwerpen) en zette zijn loopbaan voort in Leuven. In zijn jeugdjaren was hij toegetreden tot de orde van de Jezuïten, toen bekeerde hij zich tot het Calvinisme, en terug in de Zuidelijke Nederlanden zocht hij opnieuw contact met de Jezuïten en werd weer Rooms-Katholiek. De broer van Peter Paul Rubens, Philippus, studeerde bij Lipsius. Philippus en Peter Paul Rubens hebben een tijdlang samengewerkt aan een boek over Romeinse zeden en gewoonten. Toen Philippus in Rome woonde en werkte als bibliothecaris in het eerste decennium van de zeventiende eeuw bezocht Peter Paul hem enkele maanden vanuit Mantua, waar hij toen in dienst was van de hertog. Toen Rubens in 1608 terugkeerde uit Italië overleed heel snel daarna zijn geliefde broer in Antwerpen. Hij ligt begraven in de tuin van het Rubenshuis, de voormalige woning met atelierruimtes van de schilder. Rubens heeft zijn broer ooit afgebeeld, zittend in een kamer, samen met professor Lipsius. In dezelfde kamer zit nog een andere student en ook schildert hij zich zelf in dat gezelschap. Peter Paul had duidelijk niet alleen contact met de professor, maar ook met enkele studenten van de universiteit van Leuven. Het is niet onmogelijk dat hij, misschien nog voor zijn vertrek naar Italië in 1600, het liber amicorum met de ‘chinees’ van student Nicolaas de Vrise in handen heeft gehad en de tekening heeft nagetekend. Het kan uiteraard ook later gebeurd zijn.

Nu nog iets over het schilderij van Rubens. De Jezuïten, de orde die de Contrareformatie door preken maar vooral ook onderwijs vorm moest geven, had voor de Zuidelijke Nederlanden in Antwerpen haar moederklooster gevestigd. Daar werd nu een kerk voor gebouwd die een van de mooiste van Europa moest worden. Rubens werkte daar enthousiast aan mee. Hij ontwierp de complete altaardecoratie en hij koos voor een klassieke architectuur zoals hij die in Italië had bestudeerd en die nog nieuw was in Noord-Europa. Beeldhouwwerken zetten het thema op schilderpanelen voort: de tronende maagd Maria met het Christuskind op schoot.

ehrenberg-jezuitenkerkWilhelm Schubert von Ehrenberg maakte een schilderij van een deel van het interieur niet lang na de dood van Rubens. Behalve het altaar maakte Rubens een serie schilderijen die de plafonds van de zijbeuken, beneden en boven, decoreerden. (Je kunt er op de afbeelding van von Ehrenberg vaag iets van zien). Taferelen uit oude en nieuwe testament.

borromeus-nuDe complete altaardecoratie is behouden gebleven maar de tientallen plafondstukken van de zijbeuken zijn bij een brand verloren gegaan. Wel kennen we nog de ontwerp tekeningen en van enkele schilderijen ook de proefversie. Voor officiële opdrachten maakte hij die altijd. Daarnaast maakte Rubens twee enorme schilderijen die moesten dienen om twee Jezuïten uit de beginjaren van de orde te verheerlijken: men wilde dat ze heilig werden verklaard. Op één schilderij werd Ignatius van Loyola afgebeeld, de stichter van de orde. Op het andere Franciscus van Xaverië, een van diens medewerkers. Dat schilderij hangt tegenwoordig in het Kunsthistorisches Museum van Wenen. We zien Franciscus preken over het Christendom. Dat wordt hoog in de lucht verbeeld: engelen houden een kruisbeeld vast, Maria houdt in een hand de wereldbol en in een andere hand de kelk. Achter Franciscus houdt een andere Jezuït de bijbel in de hand. Er is zo te zien door toedoen van Franciscus net een wonder gebeurd. Enkele mensen kijken ongelovig naar twee mannen die uit de dood lijken op te staan, nog gehuld in lendedoeken. Anderen richten zich vol ontzag naar de hoog tronende Franciscus. In een tempel worden afgoden vereerd. In paniek storten duivels en afgoden-vereerders zich ter aarde als ze de macht van het Christendom ervaren: ze worden getroffen door felle stralen  die uit de hemel afdalen, afkomstig van het als een amulet werkende kruis.

rubens-franciscus_xaveriusrubens-chineesEen van de heidenen die wellicht bekeerd wordt op het schilderij is de “Chinees” van Rubens. Het is de eerste keer in het westen dat een Chinees is afgebeeld, zeker vijftig jaar eerder dan eerst werd aangenomen. Ook weer aardig om te zien hoe van de oorspronkelijke tekening die door Rubens is gekopieerd, de houding van de “Chinees” op dit schilderij is aangepast. Dat kennen we van hem. Hij maakte altijd eerst aparte afbeeldingen van personen en voorwerpen. Soms gebruikte hij ook afbeeldingen van mensen of dingen die hij al eerder had getekend. Daarna plaatste hij alles in de gewenste houding op zijn schilderij. Hij was een meester in het driedimensionaal weergeven van tekeningen. Nu eens liet hij je er van voren naar kijken, maar vaker vanaf opzij, net hoe het hem uitkwam. Voorwaarde voor Rubens was altijd: de persoon moest dynamisch worden weergegeven: je moest kunnen aflezen wat hij dacht en wilde, niet alleen door zijn gezichtsuitdrukking, maar ook door de weergave van zijn houding. Zo ook bij deze Chinees. De Chinees is duidelijk onder de indruk, hij deinst achteruit: ‘wat gebeurt hier!’

Franciscus van Xaverië preekte in Japan en op de Molukken en verrichtte daar wonderen, waardoor talloze inwoners van die landen zich bekeerden. Rubens kende de retoriek van de Jezuïten. Men vond het prachtig. En het heeft gewerkt… Franciscus Xaverius werd niet lang daarna heilig verklaard.

Meer artikelen die ik schreef waar Rubens een rol in speelt

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , , , | 1 reactie

Kabouterland

Ik heb me de laatste tijd verdiept in het gedicht Ooghentroost van Constantijn Huygens. Je kunt blindheid bestrijden met het plantje ogentroost. Maar je kunt blind wórden van het sap van de reuzenberenklauw. Deze plant zag ik eergisteren massaal in Drenthe, uitgebloeid uiteraard. Een machtig gezicht, planten tot vier meter hoog! Tussen bemoste bomen die nog hoger waren. En dat alles in een enigszins mistige omgeving. Je kreeg het gevoel in een prehistorische tijd terecht te zijn gekomen. Stil!

reuzenberenklauw

mist2Het sap van de reuzenberenklauw tast je huid aan, en in combinatie met zonlicht kan dat zeer ernstige gevolgen hebben. Als je het in je ogen krijgt kun je er zelfs blind van worden. Vreemd genoeg is de beste bestrijdingsmethode: laat er schapen grazen, die zijn dol op de bladeren.

schapen

Die dagen in Drenthe waren er meer prehistorische plaatjes te schieten. Plaatjes van oeroude jeneverbesstruiken, van jeneverbesjes.

jeneverbesjeneverbesbesPaddenstoelen lijken altijd uit een andere wereld te komen, zeker ook de grote stinkzwam. Kabouters zijn dol op bos-champignons. En vliegenzwammen die gebruiken ze als speeltuig, daar kun je lekker op wippen.

paddenstoelpaddenstoel2vliegenzwam.jpg

Verder en verder ging het door de prehistorische wereld. Langs hoge bomen,  boven ons trekvogels, langs prehistorische begraafplaatsen…

bomentrekvogelshunebedWe kwamen trouwens geen kabouters tegen. Daarom gingen we maar naar Exloo, naar kabouterland.

kabouterland

Geplaatst in natuur | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie

De uitspraak van het Nederlands in de zeventiende eeuw

In mijn vorige blog declameer ik op het einde een fragment van een gedicht van Constantijn Huygens. Ik heb gemerkt dat gedichten of liedjes uit die tijd tegenwoordig niet altijd op dezelfde manier worden uitgesproken. Men weet het blijkbaar niet. Hoe klónk vroeg Nieuwnederlands (1500-1700) eigenlijk? ABN bestond nog niet. Toch was er in bepaalde kringen in ieder geval een zekere  eenduidigheid hoe men teksten schreef. Constantijn Huygens, zeer taalgevoelig, ging daar consequent mee om.

Nadenkende over die uitspraak kwam ik uit bij de taal Limburgs waar ik vertrouwd mee ben. Het is bekend dat het voor Limburgers geen enkele moeite kost om woorden met “ei” of “ij” uit elkaar te houden. De “ij” klinkt in het Limburgs als een langgerekte “ie” klank. Ik denk dat de notatie van zeventiende-eeuws Nederlands veel zegt over de uitspraak ook toen, en ik denk dat het Limburgs in veel opzichten behulpzaam kan zijn bij die uitspraak. Het Limburgs is zeer rijk aan klinkers. Er zijn veel meer klinkers dan in het ABN en bovendien worden klinkers soms in een aantal varianten uitgesproken. Hier kan ik talloze voorbeelden van geven, maar ik probeer me te beperken tot die klinkers die van belang zijn om iets dichter bij de uitspraak van het zeventiende-eeuws Nederlands te komen.

De “ie” kent in het Limburgs de volgende varianten:

Dao löp ‘ne Knieën. (daar loopt een konijn).

Tante Mien en ome Piet (Tante Mien en oom Piet)

Je kunt horen dat de “ie” langgerekt kan worden. Dat gebeurt bij alle woorden met een “ij”. Je kunt horen dat de “ie” ook kort kan klinken. Dat gebeurt bij woorden die geschreven worden met “ie”.

Dan de korte “ei”.

Dao lik ’n ei inne wei. Er ligt een ei in de wei

De korte “ei” wordt inderdaad als een kortklinkende “ei” uitgesproken

Constantijn Huygens schrijft steeds “sy” waar we tegenwoordig “zij” zouden schrijven. Ik leid hier twee dingen uit af: de “s” gevolgd door een klinker spreek je uit als “z” (zoals ook in het Limburgs). Verder dat de “y” klank overeenkomst heeft met de “ij” klank. “sy” klinkt dus als “zie”.

Zie blieëf thoeës. Zij blijft thuis (Huygens: sy blijft thuis)

Zo heb ik ook ideeën over de “ae”. In zeventiende-eeuws Nederlands zie je vrijwel nooit “aa” maar meestal “ae”. Waarom is dat? Het is in zeventiende-eeuws Nederlands wel bijna altijd “oo”. Ook hier geeft het Limburgs weer aanwijzingen.

’t Is al laët.  Het is al laat.

Ich lik al op ein oor. Ik lig al op een oor.

Opvallend is hoe in het Limburgs de “aa” klank meestal uitgerekt wordt, uit wel twee klinkers lijkt te bestaan (de “a” en de “e”). Dit in tegenstelling tot de “oo” klank die meestal kort blijft van klank. Tegelijkertijd is er ook bekend dat vroeger “ae” stond voor aa, als lange “a”. Ik heb erg veel zeventiende-eeuwse teksten gezien. Bij de meerderheid wordt niet “aa” maar “ae”geschreven. Wel schrijft men in die teksten de dubbele “oo”, zelden zie je “oi” dat ook voor de verlengde “o” staat.(Denk aan Goirle, Oisterwijk.) Ik sluit het dus niet uit dat “ae” moet klinken zoals “aa” in veel Limburgse woorden klinkt: als een soort  dubbelklank “ae”.

Vervolgens ben ik wat systematischer naar deze dingen gaan kijken bij het rijmdicht Ooghentroost van Huygens. Dit gedicht bevat 998 regels die allemaal paarsgewijs rijmen.

Enkele dingen vallen op.

  • Woorden met ij-klank rijmen altijd op woorden met ij-klank en met ie-klank op ie-klank en met ei-klank op ei-klank. Er zijn dus drie ei-ie-achtige klinkers: de ei en de ie naast de ijJ. Dit is exact zo in het Limburgs. De ij wordt waarschijnlijk als een langgerekte ie uitgesproken
  • Woorden met een lange oo worden in verreweg de meeste gevallen met oo geschreven. Soms ook met slechts een o: “boven, loven” (Vs 85-86), “ontstolen, ontscholen” (Vs 93-94). Even verder: “gebooren, ooren” (Vs 101-102). In het Limburgs is er geen aanleiding tot duidelijk verschil in uitspraak. De lange oo wordt in het Limburgs erg vaak als een oa uitgesproken (zoals bij noaber), maar niet altijd (bijv. niet bij oren)
  • Woorden met een lange aa worden in verreweg de meeste gevallen met ae geschreven. Ook woorden als “waait, zaait” schrijft men als “waeyt, saeyt.” (Vs 243-244). Soms ook niet: “water, kater” (Vs 73-74), “adel, zadel” (Vs 285-286). Opvallend is dat in het Limburgs saeyen “zejjen” is, en waeyen “wejjen”. Water is “water” en kater is “kater”, adel is “adel” en zadel is “zaal”. De keuze in notatie ae of a(a) lijkt dus niet toevallig bij Huygens. Voorzichtig zou ik willen zeggen: spreek ae uit als een soort tweeklank (a en e aaneen)
  • Woorden met een lange uu worden steeds met ue geschreven
  • De lange ee gevolgd door slechts een medeklinker wordt net als nu steeds genoteerd met slechts een e. Bijv. “geseten, geweten” (Vs 106-107) “waerhenen, verschenen” (VS 113-114)
  • De oe staat net als tegenwoordig vrijwel altijd voor oe. (“bloeijen, roeijen” Vs 261-262)
  • De ou staat net als tegenwoordig voor ou (“mistrouwt, gebouwt” VS271-272). Ik ben geen au tegengekomen maar dat kan toeval zijn.
  • De ui wordt genoteerd als uy (“puylen, schuylen”, Vs 293-294). Waarschijnlijk ook zo uitgesproken.

Met deze handvatten denk ik dat het mogelijk is om wat dichter te komen bij de mogelijke uitspraak van de gedichten van Huygens.

Zie ook mijn bespreking van het boekje “Twe-spraack“, over de Nederlandse taal in 1584

Geplaatst in Geschiedenis, taal | Tags: , , , , | 4 reacties

Ogentroost

ogentroost4Het kruid ogentroost komt voor in vochtige, duinachtige of heide-achtige landschappen en in bepaalde bergstreken. De Latijnse naam is Euphrasia, wat letterlijk “blijdschap” betekent. Ik wist niets van de naam Euphrasia maar ik heb persoonlijk altijd een blij gevoel gekregen als ik dat plantje zag, waarschijnlijk omdat het zo klein is maar toch opvalt in zijn vorm en kleur en staat in gebieden waar ik altijd graag ben. Het is een plantje uit de helmkruidfamilie, en net als zijn broertje de “ratelaar” is het een halfparasiet, d.w.z. het haalt zijn voedsel door zijn eigen wortels in de wortels van grassen te boren en deze leeg te zuigen. Natuurbeheerders zijn in het algemeen blij met deze halfparasieten omdat ze de vergrassing tegen gaan. Al in de middeleeuwen werden er medicinale werkingen toegekend aan het plantje. In de “Nieuwen Herbarius” van Fuchs uit 1543 wordt beschreven hoe je het plantje moet gebruiken:

fuchs-herbarium-oogentroost2

Ooghentroost smeert men tot doncker ooghen ende tot de sterre inde ooge” (Ogentroost gebruikt men als men slecht ziet of last heeft van staar). Verdere omzetting in meer leesbaar Nederlands: het moet fijngestampt worden en als compres er op gelegd of het sap moet er uit geperst worden en dat moet men dan in het oog druppelen. Ook als men lijdt aan geheugenverlies heeft het een goede functie, in dat geval moet men het verpulveren en met heldere wijn innemen. Als men dat drankje verwarmt is het ook goed voor geelzucht. Maar bovenal wordt het gebruikt bij problemen met het gezichtsvermogen, want dat wordt verbeterd als men het sap in de ogen druppelt.

De dichter Constantijn Huygens deed ook aan oogheling, aan het troosten van de blinden. Hij schreef in 1647 zijn gedicht “Ooghentroost”. In de eerste versie van dit gedicht richt hij zich op een jeugdvriendin die blind geworden is. Het is dus een persoonlijk gedicht dat niet noodzakelijkerwijze gedrukt hoeft te worden. Deze versie kennen we dan ook in een handgeschreven exemplaar. Maar al bij versie twee die wel wordt gedrukt wordt de opdracht anoniemer gemaakt, en richt hij zich via een anoniem persoon op de wereld. Versie 4 verschijnt in druk in 1672 als onderdeel van een grote dichtbundel “korenbloemen”.

De titel van het gedicht is in die versie “Euphrasia”, en heeft als ondertitel: “Ooghentroost”. Beide woorden wijzen dus op het troostende element. Het plantje “ogentroost” werd trouwens vroeger ook wel “Makeblijde” genoemd, eigenlijk dus ook een synoniem van Euphrasia.

Huygens, woonachtig in den Haag, zal het plantje zeker gekend hebben. De duinen rond den Haag waren toen veel natter dan nu. In natte duinen zoals die van Oostvoorne komt het nog steeds veel voor (zie bovenstaande foto). Het bloeit meestal pas in september en oktober. Huygens wil door deze titel aan zijn gedicht te geven de lezer blij maken en troost bieden.

Hij draagt het gedicht op aan “Parthenine, bejaerde maeght”. (Parthenine is het Griekse woord voor “maagd”). Hij maakt er zo een meer neutrale naam van, in de eerste versie was het gedicht opgedragen aan Lucrecia Twello, vriendin van hem sinds zijn jeugd. Net als hij zelf is Lucrecia inmiddels bejaard.

Dan richt hij zich in het Latijn tot die lezers die eigenlijk niets moeten hebben van gedichten die geschreven zijn in het Nederlands. Daarmee laat hij tegelijk zien dat hij zich ook gemakkelijk in het Latijn had kunnen uitdrukken maar toch bewust voor de landstaal kiest. De vertaling van deze Latijnse tekst luidt als volgt:

Leest niet, gij, op wiens dis een beter zoutvat prijkt, en wien geen voedsel smaakt, dat flauwer is dan de spijzen der ouden. Lees mij niet, ik raad het aan; (er is geen reden) waarom gij beide ogen of één van beide ogen pijn zoudt willen doen. Ik heb de muze in haar gestalte van inheemse maagd moeten aanroepen, om het moeilijke gedicht toegankelijk te maken voor de maagd, voor wie het bestemd is. Maar indien gij, wie gij ook zijt, dit een vriendelijke blik waardig keurt, gij voor wie de taal van mijn vaderland niet de vaderlandse is, (dan) is er een fraaie oever, waarop gij u kunt vertreden, is er een oever, die u bij het gaan kan verkwikken, als de onbekende rivier u tegenstaat. Gij zult daar edelstenen vinden uit het oosten, en leliën uit Italië, met rozen uit Griekenland ineengevlochten. Gij zult spijzen proeven, die ontrukt zijn aan het heilige, ontnomen aan het profane, die niet nieuw zijn, maar die aangenaam zijn door de nieuwe eenheid. Als de oude filosofen iets waars gezegd hebben, mogen wij dat, als van onrechtmatige bezitters, tot ons gebruik opeisen. Moge de franje het slecht genaaide kleed waarde geven! Moge, als het hoofdwerk mishaagt, het bijwerk genade vinden!

Spottend zegt hij in beeldspraak dat je in godsnaam geen gedicht in het Nederlands moet gaan lezen als je feitelijk alleen maar gedichten in het Latijn wilt lezen. Maar, mocht je toch een poging wagen dan zul je opeens allerlei bekende dingen tegenkomen als die van Latijnse, Griekse en Oosterse schrijvers. Maar ook teksten die uit de bijbel komen. Augustinus al wees in “de doctrina christiana” op het feit dat kennis van de klassieke oudheid door het Christendom op een goede manier kan worden gebruikt, en hier haakt Huygens handig op in. Ook het hergebruiken van teksten en deze nieuw vormgeven en uitbreiden is een veelvuldig gebruik in die tijd dat juist door iedereen wordt aangeraden. Op de Latijnse scholen moeten leerlingen hier zelfs mee oefenen. Vondel vertaalde bijvoorbeeld Latijnse blijspelen van Heinsius en Lipsius in het Nederlands, maar maakte er in het Nederlands weer fraaie teksten van en voegde er elementen aan toe. Dat beschouwde men niet als een soort plagiaat, dat getuigde juist van kunde. Op dat gebruik wijst Huygens ook nog eens fijntjes (“die niet nieuw zijn maar die aangenaam zijn door de nieuwe eenheid”. Verder wijst Huygens er in dit voorwoord op dat het gedicht ook esthetisch (“de franje van het kleed”) zeer de moeite waard is, zelfs als je met de inhoud niets kunt. Hiermee bedoelt hij dat hij geprobeerd heeft de tekst van het gedicht mooi te laten zijn, goed te laten lopen, van mooie stijlfiguren heeft voorzien en er een mooie opbouw in heeft weten te zetten. Eigenlijk zegt hij in dit voorwoord indirect veel over de gebruiken in zijn tijd met betrekking tot de dichtkunst.

Het gedicht bestaat uit 998 alexandrijnen (12 of 13 lettergrepige regels), die paarsgewijs rijmen en als versvoet geschreven zijn in een jambe (licht zwaar). Het hele gedicht heeft in alle opzichten een retorische opbouw en maakt gebruik van diverse stijlfiguren.

In de kern probeert het gedicht troost te bieden aan een vrouw die vrijwel blind geworden is. Er wordt gewezen op andere vormen van blindheid die veel erger zijn, met name op “de geestelijke blindheid”. Het grootste deel van het gedicht bestaat uit een opsomming, er verschijnt een “rij van blinden”. Dit zijn allemaal gepersonificeerde ondeugden. Ik laat zien hoe hij de “Gierige” beschrijft.

De Gierige zijn blind: sy sien maer door haer beurs
Die dick en duyster is; en geeft haer eens wat keurs

Van wijs en ongeleerd, sy weten ’t niet te scheiden;
Van vroom en deughdeloos, de rijckste wint van beiden;
van schoon en van mismaeckt, de rijckste weeght haer meest;
Van bott en van beleeft, sy zijn voor ’t rijckste beest;

Van nutt en van onnutt, van on-e’el en van adel,
Sy keuren ’t beste peerd naer de verguldste zadel:
Sy kennen vriend noch maegh, door ’t blicken van de winst
Haer brillen zijn van tien ten honderden, voor ’t minst:

Sy leenen niet; dat ’s scha’: sy handelen; dat’s eerlick:
Sy stelen niet: dat’s schand: sy woekeren, dat’s heerlijck:
Sy liegen niet; dat’s sond: sy seggen rond en klaer,
Daer moet gewónnen zijn, God gev’ op wie of waer!

De gierigen zijn blind, ze kijken door hun portemonnee
die dik en donker is, en geef ze de keuze

tussen wijs en niet geleerd, ze zien het verschil niet
tussen vroom en deugdeloos: de rijkste zal winnen
mooi of lelijk: de rijkste wint.
tussen lomp of beleefd: ze kiezen voor het rijkste beest

tussen nut of onnuttig, of niet edel of van adel:
ze keuren het paard kijkende naar het meest vergulde zadel:
ze hebben geen vriend of vriendin doordat ze alleen maar kijken naar winst,
met een bril van “10 op 100” op zijn minst

ze lenen niet dat geeft verlies, ze noemen het handel, dát is eerlijk
ze stelen niet, dat is schande: ze woekeren, dat is héérlijk!
Ze liegen niet, dat is zonde, ze zeggen klip en klaar:
er moet wínst worden gemaakt, God geef óp, wíe of wáár!

Het zijn 14 regels, die zeven keer paarsgewijs rijmen, maar naar de inhoud en stijlfiguren nog in te delen zijn in 2 + 4 + 4 + 4 regels. De eerste twee regels zijn de kern van het er na volgende betoog: gierigen kijken alleen door middel van hun beurs. In de volgende vier regels wordt gezegd dat ze blind zijn en allerlei dingen niet kunnen onderscheiden, dit door telkens twee tegenstellingen te maken per zin. De gierige kan duidelijk niet kiezen uit beide dingen, hij kent alleen maar “de rijckste”. In de volgende vier zinnen gaat dat op een iets andere manier door, nu horen steeds twéé zinnen bij elkaar. In de laatste vier zinnen ervaren we een culminatie, doordat het woordje “sy” in elke zin twee keer voorkomt (anafoor), waarbij op een enigszins cynische manier duidelijk wordt gemaakt dat gierigen slechte dingen doen in een zogenaamd geoorloofd jasje. In de laatste zin horen we zelfs bijna een vloek (God wordt er bij gehaald): gierigen zijn niets ontziend, als ze hun dingen maar krijgen. Het gedicht is als in een retorische redevoering, Constantijn Huygens weet, zelfs nu al, bij het bespreken van slechts één retorisch argument, het betoog op te zwepen.

Geplaatst in Geschiedenis, natuur, taal | Tags: , , , , | 2 reacties

Clara Serena Rubens

Wat een smart als, ten gevolge van de pest, de geliefde vrouw Isabella  van de schilder Rubens in 1626 overlijdt. Ziekte en dood waren in die tijd een veel meer algemeen verschijnsel bij jonge mensen, dan in de huidige tijd. Maar toch. Kijk je naar de afbeeldingen die Rubens van zijn vrouw maakte dan voel je de liefde die hij voor haar gehad moet hebben. Zo ook als hij zijn dochter Clara Serena schildert op zevenjarige leeftijd.

clara-serena-rubens-7jaar

In Antwerpen werkten in die tijd enkele aanzienlijke personen. Om te beginnen dus de schilder Rubens, door tijdgenoten, in heel Europa inclusief de republiek, beschouwd als de beste schilder van zijn tijd. Verder zijn er de gebroeders Moretus, die eigenaar en bedrijfsleider zijn van de drukkerij  Plantijn Moretus. In die tijd was het de grootste drukkerij van Europa, met meer capaciteit dan welke drukkerij ook in Parijs.

Enige tijd daarvoor doceerde in Leuven Justus Lipsius. Hij was tot 1591 professor aan de universiteit van Leiden maar in dat jaar keerde hij terug naar het gebied van zijn jeugd en kreeg een leerstoel in Leuven. Om dat te kunnen doen bekeerde hij zich tot het katholieke geloof, het geloof waar hij ook in was opgevoed. Hij is zelfs Jezuïet geweest toen hij nog jong was. Lipsius was bevriend met de drukker Jan Moretus, de vader van de gebroeders Moretus. Deze besloot uit waardering voor zijn werk om het compleet uit te gaan geven. Lipsius, behalve kenner van de klassieke talen was vooral filosoof. Hij was een aanhanger van de Stoïcijnse ideeën van Seneca en Marcus Aurelius.

Een van zijn meest geliefde leerlingen was Philippus Rubens, de broer van de grote schilder Peter Paul, die ook colleges heeft bijgewoond en sindsdien de stoïcijnse levenshouding tot de zijne heeft gemaakt. Er zitten veel facetten aan deze filosofie, maar het meest opvallende is de houding van stoïcijnen met betrekking tot emoties. Emoties mogen je denken nooit in de weg staan. Je moet ze een plaats geven in je leven en je er niet door laten leiden. Deze houding is vooral als je tegenslag hebt van belang. Tegenslag in je persoonlijke leven als het overlijden van een naaste, maar ook als je denkt dat je onrecht wordt aangedaan. Seneca, het grote voorbeeld, werd ten onrechte beschuldigd van een complot tegen zijn heer, de keizer Nero. Hij aanvaarde het onterechte lot van de doodstraf, en sneed zelf zijn pols door in het bijzijn van vrienden.

Zo zal ook Rubens baat hebben gehad bij een stoïcijnse levenshouding om alle onrecht en tegenslagen in verband met zijn werk een plaats te kunnen geven. Eerst gebeurde dat al in Rome waar een groot schildersproject werd afgekeurd. Hij begon een jaar later gewoonweg opnieuw en liet zich niet uit het veld slaan. Rubens was slim, kende zijn talen ,maar was ook charmant en hoffelijk. Door deze goede manieren kreeg hij ongevraagd een groot deel van zijn leven geheime onderhandelingsopdrachten mee als hij voor het maken van schilderijen in het buitenland moest zijn. Tijdens die onderhandelingen kwam hij steeds meer achter de dubbele agenda’s van veel van de hoog geplaatsten. Hierdoor zou elk mens op zijn minst teleurgesteld zijn. Niet Rubens. Hij ging gewoon door. Hij zag het als zijn morele plicht om een rol in het vredesproces te vervullen.

Maar het meest opvallend is deze stoïcijnse levenshouding misschien nog als we kijken naar het tweede portret dat hij maakte van zijn dochter Clara Serena. Wat een liefde legt hij in dat schilderij. Clara Serena overleed op twaalf jarige leeftijd. Dan moet je je emoties de baas zijn om daarna van haar een portret te kunnen maken. Rubens schildert haar namelijk waarschijnlijk pas na haar dood. Niet overmand door groot verdriet, maar liefdevol denkende aan haar leven. Wat een verschil met het eerste portret, waar we Clara Serena als een gezond levenslustig kind zien. Beide portretten zijn te zien in het Rubenshuis in Antwerpen.

clara-serena-12jaar

Meer artikelen die ik schreef waar Rubens een rol in speelt

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , , | 3 reacties

Gagel

Ken je de geur van gagel? Voor mij een van de fijnste geuren van de natuur. Bij Swalmen net over de grens is een prachtig uitgestrekt natuurgebied in een moerassige streek. Toen ik nog jong was kende niemand dat. Je kon er moeilijk komen. Slechts een heel smal pad liep er naar toe, waar je je een weg over moest banen. En  dan kwam je opeens op een plekje waar je heerlijk kon zitten en een prachtig uitzicht had. Mijn moeder liep vanaf daar graag met haar blote voeten door het veenmos. Heerlijk: sop, sop, sop. Volgens mij vond ze dat het toppunt van zaligheid. Er stonden ook heel veel jeneverbesstruiken. En gagel. En die ruikt zo lekker… Het is er trouwens allemaal nog. Maar nu is het gebied toegankelijk gemaakt. Er lopen mooie brede fietspaden en over een klein stuk is een prachtig vlonderpad. De rest is beschermd, je mag het van een afstand bewonderen. Of vanaf een uitzichttoren. Vlakbij zijn tegenwoordig veel vakantiehuisjes. Het kan er bij goed weer in de zomermaanden behoorlijk druk zijn. Vooral van fietsers. Maar het is er nog steeds prachtig. Nu op een maandagochtend of heel laat op de middag moet je er zijn, dan ben je er alleen denk ik.

campinaheideGisteren was ik in een gebied dat me aan dat paradijsje deed denken. De Kampina heide. Grote, talrijke vennen en aan de oevers: veenmos en gagel!

gagel en veenmos.jpgHéérlijk die geur. Daarom alleen al wil ik er snel weer een keer naar toe. Ik heb jammer genoeg geen jeneverbes struweel gezien. Maar wel bosbessen die voor de tweede keer vruchten droegen.

bosbessenEn heel veel kastanjes. Én aan de rand van het gebied opeens zes reeën! Mijn dag was weer helemaal goed.

Geplaatst in natuur | Tags: , , , , | 3 reacties

Dromen in je moedertaal

In voorgaande decennia kwam ik regelmatig in de binnenlanden van de Elzas, en vooral in de Vogezen. De officiële taal is daar Frans. Zo’n dertig jaar geleden kende daar ook bijna iedereen Duits. Op het kerkhof van een willekeurig dorp zie je nog steeds vrijwel uitsluitend Duitse namen. De autochtone bevolking heeft heel duidelijk een Duitstalige achtergrond. Maar in de negentiende en vooral twintigste eeuw is het dan toch Frans geworden wat men er dient te spreken. Anders dan stukken van Italië, België of Zwitserland is dit gebied in Frankrijk niet erkend als een gebied met een Duitstalige gemeenschap. Het Duits is er zelfs inmiddels bijna uitgeramd. Zo snel kan dat gaan. Ik zat er ergens in de tachtiger jaren van de vorige eeuw in een dorpskroeg. De mensen spraken dialect.  Ik kon er geen touw aan vast knopen maar luisterde vooral naar de aparte tongval en de klankkleuren die me vertrouwd in de oren klonken. Ja, het leek een beetje op Letzeburgs, een van de officiële talen van Luxemburg. Maar de vertrouwdheid zat hem nog meer in de verwantschap met mijn eigen taal, het Limburgs. Ik hoorde allerlei klanknuances, veel klinkers, veel meer dan het Nederlands er kent. Ik hoorde ook een zekere zangerigheid. De mensen kwamen me gelijk sympathiek over, erg eigenlijk… Ik hoorde een taal die duidelijk onderdeel was van de vele Nederrijnse dialecten. Als ik een Deense film hoor dan herken ik zelfs daar in veel klanken die een verwantschap hebben met dat Nederrijns. Het is volgens mij een heel oude taal. Je eigen taal geeft een gevoel van vertrouwdheid. Toen ik enkele jaren geleden met “Hollandse” vrienden in Limburg vertoefde viel het hun op dat ik zo makkelijk communiceerde met iedereen. Het kwam vooral door de taal. Ik was weer een beetje thuis.

Maar mijn tweede taal is Nederlands. Ook daar voel ik me redelijk gelukkig in. Les geven deed en doe ik in het Nederlands. Ik heb het ook enkele jaren bij enkele groepen in het Engels gedaan. Potjesengels. Ik vond het verschrikkelijk, vooral praten over muziek. Muziekanalyses maken met de studenten. Een muziekanalyse is meer dan een technisch verhaal. Dat zou je schematisch kunnen neerzetten en van Engelse termen voorzien. Nee, er gebeuren in de muziek dingen die vaak een emotionele lading en werking hebben. Bij de analyse van een stuk is dat meestal mijn uitgangspunt. Hoe werkt het? Hoe komt het dat het zo werkt? En dat gaat mij niet goed af, daarover praten in  “potjesengels”.

Toen ik in Maastricht studeerde op het Conservatorium waren er bij sommige vakken heel kleine klasjes. Muziekanalyse werd gegeven in klasjes van meestal niet meer dan vier studenten. Het was geen hoorcollege. Het was feitelijk een soort workshop, er was voortdurend interactie. Het ging over muziek. Gedurende een bepaald jaar zat ik in een klasje met uitsluitend “Limburgers”. Mijn docent was geboren Maastrichtenaar. Hij vroeg of hij de les muziekanalyse mocht geven in het Limburgs. Niemand had bezwaar. Heerlijk! Praten over muziek in je moedertaal.

Mijn zwager is zo’n dertig jaar geleden naar Frankrijk verhuisd. Hij droomt en denkt inmiddels in het Frans. Hij kan soms niet op Nederlandse woorden komen. Als je in het Engels gaat lesgeven in vakken als een taal, in geschiedenis of filsofie, dan zou je misschien eerst enkele jaren in Engeland moeten gaan wonen. Totdat je denkt en droomt in het Engels. Maar eigenlijk zouden de studenten dat dan ook moeten doen. Want je wilt toch graag interactie? Hoorcolleges in het Engels kun je schrijven in het Nederlands, goed laten vertalen en een native speaking lector laten oplezen, iemand met een mooie stem en een goede voordracht. En neem dat dan gewoon op, en zet het online. Dan kan iedereen het terug zien. Maar ga er over praten in kleine groepjes, soms met een docent erbij. In het Engels? Zorg dan dat je iemand hebt die ook droomt in het Engels.

Enge dromen heb ik volgens mij in het Nederlands. Heel enge dromen in het Engels. Maar ik slaap het lekkerst als ik droom in het Limburgs. En ik droom meestal goed. Hoe zouden die mensen in de Elzas tegenwoordig dromen?

Geplaatst in Geschiedenis, pedagogiek en onderwijs, taal | Tags: , , , , | 3 reacties

Potjeslatijn

Een van de discussies van de laatste tijd richt zich op de kwaliteit van het gebruik van de taal Engels door docenten op Hogescholen en Universiteiten in Nederland. Tot in de achttiende eeuw was het op de meeste universiteiten gebruikelijk om in het Latijn les te geven en ook in die taal met elkaar te converseren. Er waren zelfs strenge regels en sancties als je je daar niet aan hield. Dit om de studenten zo snel mogelijk te laten wennen aan het gebruik van die taal. De basis werd meestal gelegd op de Latijnse school. In de katholieke kerk was het ook de taal van de gebedsdienst. En de officiële taal waarin de kerkelijke administratie werd vastgelegd. De kerkelijke rechtbank maakte zijn verslagen in het Latijn, de pastoor moest alles bijhouden in het Latijn en tot de Franse tijd werden ook doop, begrafenis en huwelijksregisters opgesteld in het Latijn. Ik heb in mijn boekenkast talloze stukken met interessante historische informatie, zoals dagboeken, die in het Latijn zijn opgesteld. Constantijn Huygens schreef zijn biografie in het Latijn. Zelfs in de negentiende eeuw was het in vele kringen nog gebruikelijk om stukken in het Latijn te schrijven. De stadsarchivaris van Aken, die in 1874 bronnen met betrekking tot het leven van Karel de Grote publiceert, schrijft zijn voorwoord in het Latijn. Hier onder het begin van dat voorwoord.

latijnHeden ten dage hebben de meeste mensen met een dergelijke tekst problemen, want wie kan nog makkelijk Latijn lezen? Verder: als je je echt verdiept in dergelijke teksten dan blijkt het vaak “Potjeslatijn” te zijn. De universele taal Latijn kreeg in Europa allerlei plaatselijke aanpassingen, die meestal voortkwamen uit vermengingen met de plaatselijke taal, maar vooral ook kwamen er zinsconstructies in terecht die meer aansloten bij de taalstructuur van de lokale spreektaal. Het werd inderdaad “Potjeslatijn”. Cicero zou er van gruwen. Maar: iedereen begreep het, het was “Latijn” genoeg om je verstaanbaar te kunnen maken. En zo kon je overal terecht.

Vanaf de zeventiende eeuw begon men op sommige universiteiten colleges te geven in de landstaal. Wat een ramp. Gelukkig deden ze daar in Nederland toen nog niet aan mee, want juist in de zeventiende eeuw kwamen erg veel buitenlanders in Nederland studeren. Maar onherroepelijk voltrok niet veel later het nationaliseringsproces zich ook hier. Wilde je in Nederland gaan studeren? Dan moest je eerst Nederlands leren. En zo was het bijna overal.

Langzaam groeien we weer naar de middeleeuwse situatie. Alle universiteiten krijgen steeds meer dezelfde spreektaal. Nu wordt er niet onderwezen en gecommuniceerd in de Latijnse maar in de Engelse taal. Voor mijn part in  “Potjesengels”. Als iedereen het maar begrijpt.

ABN wordt trouwens ook steeds meer “Potjesnederlands”. Een hele lekkere taart betekent feitelijk: niet een “halve”, maar een “hele” en ook nog eens een “lekkere” taart. Bijna iedereen (valt me steeds meer op) zegt een “hele” lekkere taart maar bedoelt te zeggen een “heel” lekkere taart. Om maar te zwijgen van alle aanpassingen die er in sluipen vanuit het straatgebruik, met name de Surinaamse of Antilliaanse invloeden. Ik heb het dan nog niet over de uitspraak. De langgerekte ie-klank (IJ) is naar ik vermoed ergens in de negentiende eeuw in het westen van Nederland overgegaan in een “ei” maar wordt nu zelfs steeds meer uitgesproken als een “ai”. (“Kaik ’s aan”). De “r” wordt ingeslikt als er een “k”, een “d” of “t” op volgt. (Paard wordt paad, Turkije wordt Tukkije, Portugal wordt Pottugal. Zachte klanken als Z, G en V worden aan het begin van een woord verhard, en de r op het einde van een woord wordt gewoon weggelaten.(“Ik cha fandaag naa de See”) Potjesnederlands? Ach. Taal evolutie zullen we maar zeggen.

Geplaatst in Geschiedenis, maatschappij, taal | Tags: , , , | 3 reacties

Paulus Potter en Peter Paul Rubens

Landschappen in de zeventiende eeuw

stier-potter

Paulus Potter staat bekend om zijn naturalistische weergave van vooral dieren. Alles werkt hij uit tot in detail. En als je dan voor zo’n enorm schilderij als “de Stier” staat in het Mauritshuis dan wordt je oog natuurlijk vooral getrokken door het kolossale beest waar het schilderij zijn naam aan dankt. Bijna fotogetrouw heeft Potter het weergegeven. Ook de andere dieren op de voorgrond zijn minutieus uitgewerkt, zoals de schapen, en zelfs het kleine kikkertje helemaal vooraan.

stier-schapekop

stier-kikker

Maar er is ook nog een landschap op de achtergrond zichtbaar. Je ziet gras, koeien en paarden links van de staart van de stier, enigszins donker in de schaduw.

stier-landschap-detail2
En rechts naast zijn poot zie je koeien, badend in zonlicht en je ziet kruiden in het gras.

stier-landschap-detail3

Dan zie je de horizon met daarboven een enigszins dreigende lucht en daaronder een bomenrij en het silhouet van een kasteel tussen de poten van de stier. rechts een kerktoren. Het valt allemaal totaal niet op omdat je helemaal gefocust wordt naar de tot in detail uitgewerkte voorgrond. Toch is met name de lichtval in die achtergrond schitterend uitgewerkt. Je ziet de schaduwrand van de wolken in het gras, je ziet zo het deel van het landschap waar de zon wel of niet schijnt. En het flonkerende licht in de bomenrij rechts is meesterlijk weergegeven.

stier-landschap

Ondanks het feit dat hier een landschap wordt geschilderd zou je aan dit schilderij niet het genre “landschapsschilderij” willen toekennen. Landschapsschilderijen werden er in de zeventiende eeuw ook al gemaakt. Meestal zag je daar trouwens ook mensen op.

Toen Peter Paul Rubens in de dertiger jaren van de zeventiende eeuw landgoed “het Steen” buiten de stad Antwerpen had gekocht ging hij in zijn vrije tijd landschappen schilderen. In zijn studietijd had hij zich bezig gehouden met het maken van allerlei reproducties, het schilderen van landschappen en daarna het vervaardigen van portretten. In de loop van zijn leven gebruikt hij de techniek van de landschapsschilderkunst die hij toen geleerd had, vooral bij het uitbeelden van Bijbelse of historische taferelen. Maar dan, op zijn pas gekochte buiten, gaat hij bijna als een impressionistische schilder zijn omgeving vastleggen. In 1636 schildert hij op diverse schilderijen de omgeving van zijn kasteel “Het Steen”. Onderstaand schilderij van 131.2 x 229.2 cm is in 1832 is geschonken aan de National Gallery van Londen.

rubenslandschaphetsteen
Alhoewel je op dit schilderij dus ook mensen ziet, trekken deze absoluut niet de aandacht zoals de boer dat wel nog doet op het schilderij “de Stier” van Potter. Die man  is eigenlijk onderdeel van het “portret” van de stier. Maar de mensen bij Rubens gaan geheel in het schilderij op. Zoals het landschap slechts als achtergrond functioneert bij Potter, zo is nu het gehele schilderij van Rubens bijna een sorubenslandschaphetsteen-20ort achtergrond. De basissfeer is overal gelijk. Het gaat vooral om het geheel. Het ochtendlicht rechts boven contrasteert met de donkere sfeer van de boerenkar en de jager met hond sluipen letterlijk in het duister in de richting van de nog niets vermoedende fazanten die Rubens meesterlijk heeft verstopt in het lover. Er is dus eigenlijk heel veel te doen: een boer brengt met zijn vrouw zijn kalf naar de markt en een jager jaagt op vogels. Maar het hele schilderij straalt rust uit. Al die activiteiten zijn niet anders als vliegende vogels of als een opkomende zon.

Links boven zien we “Het Steen” waar al een beetje zon op valt. Kijken we naar allerlei details, dan kunnen we een beetje een indruk krijgen hoe Rubens met een vlotte streek alles trefzeker wist te vangen en zich uitleefde op bloemetjes, koeien, paarden en vogeltjes. We zien o.a.een groepje eenden, vinken, een ijsvogeltje. Maar het mooiste zijn misschien wel de kleuren van de aarde, van de bomen, van de lucht, het licht.

Klik op de eerste foto voor een dia-reportage van onderstaande foto’s. Allemaal details van het schilderij van Rubens. Klik deze reportage weer weg met het kruisje links boven


Vooral ook de wijde horizon op het detailplaatje hier onder is mooi. De wolken schitteren door het beginnende zonlicht boven de wakker wordende stad, waarschijnlijk Antwerpen. En  in de lucht vliegen twee zwierende vogels omhoog, ook zij verwelkomen blij de nieuwe dag. Je ziet aan dat soort details dat Rubens enorm genoot bij het maken van het schilderij. Nu genieten ook wij nog steeds!

rubenslandschaphetsteen-21

Meer artikelen die ik schreef waar Rubens een rol in speelt

Geplaatst in kunst, natuur | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

Veldboeket

Elke week verse bloemen, gewoon om de hoek. Of takjes met bessen. Het hele jaar door. Gratis! En in deze tijd ook elke dag verse muntthee. Van watermunt, heerlijk!

veldboeket1

Wat zit er in mijn veldboeket? Vandaag is het dauwbraam, droogbloem, harig wilgeroosje, kaasjeskruid, klein wilgeroosje, koninginnekruid, riet, rolklaver, smeerwortel en watermunt.

Proost!

muntthee

Geplaatst in natuur | Tags: , , | 1 reactie

Standvastig

 

Gisteren was het Open monumentendag. Met als titel dit jaar Iconen. Voor Rotterdam is een van de iconen het Groothandelsgebouw. Elk uur waren er rondleidingen en je zou ook het dak bezoeken. Wij konden net de laatste rondleiding nog meemaken.

torenlekkerkerk1Maar voor we naar Rotterdam gingen beklommen we nog een andere hoogte. De kerktoren van Lekkerkerk. Het kerkplein was veranderd in een gezellig terras met kraampjes en levende muziek. Oergezellig. De klim was spectaculair! Vooral vanwege de zeer smalle trappetjes. Eerst kwam je bij een ruimte die ooit als gevangenis is gebruikt. De plaatselijke rederijkerskamer hield er in kostuum reclame voor de vereniging. Het schijnt dat deze gevangenis gebruikt werd om mannen die hun vrouw geslagen hadden in op te sluiten. Daar stond een straf van twee dagen eenzaamheid op. Dat waren nog eens tijden! We klommen verder omhoog. Mooi om het mechaniek van het kolossale uurwerk te zien, met al zijn raders en gewichten. Weer een stuk hoger liep je vlak langs de luidklok. Je kon hem makkelijk aanraken.

luidklokOm hem voorbij te komen moest je over een uiterst smalle richel lopen, gelukkig kon je je daar wel goed vasthouden. En uiteindelijk helemaal boven was er plaats voor maximaal vier mensen om van het uitzicht te genieten. Mensen die er aan kwamen moest je waarschuwen dat ze nog even moesten wachten voor ze de laatste trap op gingen, er was geen plaats meer. Heel erg leuk, prachtig uitzicht!

torenlekkerkerk2

Toen door naar Rotterdam, via een korte bezichtiging van het oude stadhuis met de binnentuin gingen we dan dus naar het Groothandelsgebouw. De functie van het gebouw is veranderd van een gebouw waar de plaatselijke Groothandel in was gevestigd en waar voortdurend auto’s en vorkheftrucks doorheen voeren, in een gebouw waar nu vooral kantoren en kleine bedrijfjes zijn gevestigd. Het Groothandelsgebouw was vanaf het begin een soort mini stad. Er waren enkele winkels (kruideniers), er was een restaurant (het nog steeds bestaande Engels) , een kapper, een bioscoop. De bioscoop, Kriterion, daar ben ik in de zeventiger jaren enkele keren geweest. De stad had nog weinig hoogbouw in vergelijking met wat je nu ziet. De bioscoop was helemaal op de bovenste verdieping. Als je er een kwartier van te voren was dan keek je via een grote glazen wand naar buiten en zag je een eind verder de Laurenskerk. Je zat letterlijk in de wolken. Als de film dan ging beginnen werd het raam verduisterd en kon je je overgeven aan andere droombeelden.

Maar vandaag, bij de rondleiding van het gebouw, kwamen we op het enorm grote open dak, nu bestemd voor het kantoorpersoneel om er een boterhammetje te eten met mooi weer. Veel groen daar op dat dak. Voor de isolatie van het gebouw maar vooral ook als buffer voor regenwater. En je kon er ongelooflijk mooi uitkijken over de stad, naar bijna alle kanten had je zicht als je er over heen liep. Zo zag je het nieuwe stationsgebouw van boven af. Gedeeltelijk schijnbaar kriskras belegd met zonnepanelen. Niet helemaal, want men wil dat het gebouw daglicht blijft ontvangen. Keek je naar het noorden dan zag je een van de weinige delen van Rotterdam met bijna geen hoogbouw. Rotterdam Noord is een deel van de stad dat 14 mei 1940 niet is gebombardeerd. Hier zie je de kerktorens nog. En heel in de verte kon je zelfs de hoogbouw van Den Haag zien.

uitzichtgroothandelsgebouw1

uitzichtgroothandelsgebouw2

uitzichtgroothandelsgebouw3

Er zijn prachtige documentaires te zien over de wederopbouw van Rotterdam. Een documentaire laat Rotterdam zien, eerst met mooie beelden van de vooroorlogse jaren, dan van  die verschrikkelijke veertiende mei en de daaropvolgende oorlogsjaren en tot slot de wederopbouw tot 1965.

http://www.npogeschiedenis.nl/speler~WO_VPRO_042389~polygoon-profilti-ca-1965-opdrachtgever-gemeentebestuur-rotterdam-en-toch-rotterdam~.html

Een andere film laat de geschiedenis van het Groothandelsgebouw zien. Deze film sluit heel mooi aan bij de rondleiding en geeft nog veel meer informatie.

https://museumrotterdam.nl/ontdek/groothandelsgebouw?pathId=646

Rotterdam is na de oorlog opnieuw geboren. Een beetje zoals een bos herrijst op de vruchtbare as na een bosbrand. Of hoe op een veld met braamstruiken, dat door grote machines is bedwongen, hoe daar een of twee jaar later jonge struikjes ontstaan die nog veel meer bramen geven dan hun voorouders.

Thuisgekomen en nog namijmerend over onze belevingen vanaf de toren van Lekkerkerk en vanaf het dak van het Groothandelsgebouw, zagen we opeens hoe drie ooievaars op een rij op drie lantaarnpalen zaten. Symbolischer kon het bijna niet zijn. We hadden net vanuit de hoogte de geboorte van een nieuwe stad beleefd. Gefascineerd keek ik naar de drie dieren. Er kwam een brommer voorbij. Twee ooievaars vlogen weg. Eentje bleef er dapper zitten. Standvastig. Zo van: we gaan gewoon door. Er komt een nieuwe generatie aan!

Geplaatst in Geschiedenis, natuur | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

Waakzaam

De vorige week was er een prachtige zonsopgang met daarboven de afnemende maan. Deze week viel er al weer een mooi stil moment in de polder te beleven, maar nu was dat juist in de avondschemering. De maan is al weer aan het wassen, en de maansikkel zie je nu in het west-zuid-westen. Heel langzaam worden er steeds meer sterren zichtbaar aan de avondhemel. Wat staat daar, links van de maan? Volgens mij is de meest heldere Mars. Even opzoeken. Inderdaad, je ziet Mars en Saturnus. Saturnus net iets hoger, schuin rechts boven Mars. Ze staan allebei heel laag. Recht onder Saturnus is ook nog heel goed zichtbaar de ster “Antares”.  Zo laag aan de horizon zie je in Nederland zelden vaste sterren. Maar zo’n grote rode reus, dat lukt dan blijkbaar wel. We kunnen dit schouwspel nog enkele dagen zien, de maan schuift wel steeds meer naar links en wordt snel eerste kwartier en over ruim een week volle maan. Dan komt hij in het oosten op als de zon ondergaat.

De daadwerkelijke afstand van aarde Mars wordt de komende maanden steeds groter. Juni 2017 is de verwijdering op zijn hoogtepunt en het weerkaatste licht vanaf de planeet is daardoor dan ook beduidend zwakker. Daarna wordt de helderheid voor ons weer steeds groter. Juli 2018, als Mars de hele nacht te zien is, staat hij als een schitterend rood object aan de hemel. Maar dat duurt nog even…

Mars en Saturnus waken over ons. Mars is voor niemand bang. Saturnus zorgt dat hij niet té  enthousiast wordt. Saturnus heeft tijd. We kunnen gerust naar bed.

Bij dit schouwspel horen we intussen de ganzen. Ze  lijken zich al weer te willen verzamelen, ondanks het prachtige weer van de laatste tijd. Zij willen weg. Maar wij blijven thuis. Over ons huis waakt een prachtige spin. Net zo rustig als Saturnus de wereld beziet kijkt de spin uit over de dijk. Ook hij heeft de tijd.spin

Geplaatst in Astronomie, natuur | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

Zonsopgang

30 augustus 2016. Een prachtige dag werd het. Maar het mooiste deel van die dag was de vroege ochtend. Ik maakte een aantal foto’s vanaf vijf over zes tot kwart voor zeven.

Eerst zag je het morgenrood mooi in het oosten boven de rivier de Lek. Maar keek je wat hoger: daar stond de afnemende maansikkel: bijna nieuwe maan.

Tien minuten later begon het opeens wat mistig te worden. De stemming werd geheimzinnig….

Tien over half zeven kwam opeens de zon door deze mist tevoorschijn! Per minuut verscheen hij in een iets andere gedaante. Uiteindelijk was hij allesoverheersend, majesteitelijk mooi!

Tien voor zeven was de betovering alweer verbroken en kon je nog na dromen over dit heilige moment.

 

Geplaatst in natuur | Tags: , | 2 reacties

Limburg: versnipperd en toch één

Limburg is meer dan welke provincie van Nederland ook in het verleden speelbal geweest van internationale politieke strubbelingen. Voorbeelden zijn er te over. Ik wil twee momenten in herinnering brengen.

1662. De landen van Overmaas

Om te beginnen kijken we naar de landen van Overmaas, grofweg het huidige Zuid-Limburg. Al in 1600, vlak na de slag bij Nieuwpoort, sloten het hertogdom Limburg en de landen van Overmaas (met als centra Valkenburg, Dalhem en ’s Hertogenrade) een overeenkomst met de Staatse Nederlanden (de Republiek der Nederlanden) dat er een “sauvegarde” zou komen. (Betaalde bescherming, zoals de maffia dat doet bij winkels in Palermo..) Tegen een forse betaling ging de republiek akkoord. Ook de Spaanse koning was bereid de streek te ontzien. Het was neutraal gebied geworden. De steden en dorpen verleenden daarbij aan zowel Spaanse troepen als aan Staatse troepen vrije doorgang. De bevolking zou hierbij steeds worden ontzien. Er mochten geen garnizoenen worden gelegerd. De kastelen werden door slechts enkele soldaten bewaakt.

Maar in 1632 werd de neutrale status door Frederik Hendrik geschonden. Maastricht en Limburg aan de Vesder werden ingenomen. De hertog van Bouillon, kolonel in Staatse dienst, nam vervolgens ook de drie stadjes in het land van Overmaas in en legerde overal een garnizoen. Twee jaar later kwamen de Spanjaarden en veroverden het gebied en nu kwam er overal een Spaans garnizoen. Valkenburg bleef de jaren erna steeds een wisselende prooi: 1636 werd het weer Staats, twee weken later weer Spaans. Ook de belangrijkste vesting, Limburg aan de Vesder, viel in 1635 weer in Spaanse handen. Van 1636 tot 1644 was heel het gebied van Overmaas weer Spaans. Alleen Maastricht bleef in Staatse handen. Maar in 1644 werd door de Republiek besloten om het achterland van Maastricht nog maar weer eens in bezit te nemen. Vrij snel daarna werden door de Staatsen de kastelen van ’s Hertogenrade, Dalhem en Valkenburg ontmanteld. Het prachtige eeuwenoude kasteel van Valkenburg werd hierbij opgeblazen. Sindsdien rest er nog slechts een ruïne. Maar omdat de stad Limburg nog steeds in handen was van Spanje, en de landen van Overmaas feitelijk onder Limburg vielen, was de zaak juridisch onduidelijk.

In November 1644 namen de Spanjaarden Dalhem weer in en verjoegen daar de Staatse troepen. 17 juni 1645 schortte de Republiek der Nederlanden het bestuur van Valkenburg en ’s Hertogenrade op. We zitten nu tegen het einde van de tachtigjarige oorlog. Er werd inmiddels onderhandeld en overleg gepleegd om zoveel mogelijk voordeel te halen bij het komende verdrag van Münster. Een van de twistpunten was nog steeds de status van de landen van Overmaas. Het gebied bevatte veel vruchtbare, rijke grond waar veel belasting over kon worden geheven. Het vormde tegelijk het achterland van Maastricht en er kon een verbinding met noordelijker gelegen Staatse gebieden gemaakt worden zoals met het in 1629 veroverde den Bosch en zijn omliggende meierij. Dus werd alsnog besloten om de belangrijkste plaatsen Valkenburg en Dalhem opnieuw in te nemen.Daardoor stond de Republiek der Nederlanden een stuk sterker in de onderhandelingen.

Uiteindelijk kwam het tot een verdeelcontract, dat pas 26 september 1661 werd getekend en dat 15 april 1662 door de Staatse Nederlanden en 18 oktober 1662 door de Spaanse koning werd goedgekeurd. Onmiddellijk daarna werd het uitgevoerd: Zuid-Limburg werd grofweg in twee delen verdeeld: een deel kwam onder het gezag van de Nederlandse Republiek met als officiële godsdienst het Gereformeerde geloof, een deel bleef onder Spanje en bleef daarmee ook katholiek. Tot de Franse inval van 1794 en de Franse annexatie daarna ontstonden hierdoor bizarre situaties in dit gebied. In Valkenburg was de Geul de grensrivier. De mensen hielden gewoon hun processies aan de andere kant van het water en daar zetten ze ook hun kruisbeelden neer, bijna uitdagend, vlak over de grens. Zo bleven de meeste inwoners tegen de verdrukking in gewoon geloven wat ze zelf wilden. Toen in de begintijd de pastoors verdreven werden gingen de gelovigen gewoon “vlak over de grens” ter kerke. Alle bestuurders van steden en dorpen moesten gereformeerd zijn. Dat zorgde voor veel import uit Holland en mensen uit het nabijgelegen Gulickse land waar ook veel protestanten woonden. Zij bleven feitelijk de enige protestanten. Maar met alleen een handjevol protestanten waren de kerken niet levensvatbaar. Dus de pastoors mochten terugkeren. Zo ontstond het zogenaamde “simultaneum”, het gezamenlijk gebruik van de kerk door roomsen en protestanten. Dit heeft in veel gemeenten ruim 150 jaar, tot na de Franse tijd, geduurd. Er werd een groot gordijn in de kerken gehangen zodat de protestanten het katholieke altaar en de beelden niet hoefden te zien. Wederzijdse pesterijen bleven schering en inslag. Boos maakte de pastoor van Heer (zoals we lezen in zijn dagboek) zich voortdurend om het optreden van de Staatsen, die de kerkdeur gebruikten om er hun plakkaten op te plakken. Ook lieten ze bij bepaalde gelegenheden van staatswege de klok luiden. Zo moest hij dulden dat er plakkaten met betrekking tot een overeenkomst tussen Engeland en de “Heren Staten” was afgesloten, of dat er geen vreemde lakens mochten worden geïmporteerd, of om een grondbelasting te gaan heffen “ter verlossing van christenslaven”. ‘Maar wat heeft dat met ons te maken?’ verzuchtte de pastoor.

1716: Oppergelre (Het Gelderse Overkwartier, het overkwartier van Roermond)

Een tweede voorbeeld is Oppergelre. Gelre bestond uit vier kwartieren: Arnhem, Nijmegen, Zutphen en Roermond. Dat laatste, Oppergelre was het enige deel van Gelderland dat in Spaanse handen bleef. Het is het kwartier waar de provincie Gelderland ooit ontstaan is, eerst vanuit het stadje Gelre, daarna werd de stad Roermond de voornaamste plaats. Deze stad was in de begintijd van, toen nog “graafschap” Gelre, de meest rijke stad van het hele graafschap. De graven van Gelre wilden zich in de Munsterkerk laten begraven, maar nadat graaf Gerard IV van Gelre en zijn vrouw Margaretha van Brabant er in een dubbel praalgraf zijn begraven is er in Roermond geen latere erfopvolger meer ter aarde besteld. De lichamen van de graaf en zijn gemalin werden rond 1230 in de kerk bijgezet. Hun praalgraf bevindt zich bijna 800 jaar later nog steeds op dezelfde prominente plek; in de sarcofaag voor het hoofdaltaar onder de grote koepel. Het grafmonument is door zijn ouderdom en stijl uniek in Nederland.

Munsterkerk-graf

Foto N. Spijker 2013

Holland en andere provincies werden al in de vijftiende eeuw op vreedzame wijze onderdeel van Bourgondië en daarna Spanje. Gelre gaf zich pas in 1543 over bij de vrede van Venlo en werd toen eveneens onderdeel van Spanje. Voor die tijd had het al veel te lijden gehad, bijvoorbeeld door de krijgstocht van Karel de Stoute (https://ppsimons.com/2016/02/28/ook-de-tijd-van-jeroen-bosch/) Maar het ergste moest misschien nog komen. Ook Gelderse steden als Venlo en Roermond waren oorspronkelijk protestants gezind, net als de Vlaamse of Brabantse steden waar feitelijk de reformatie is begonnen. Maar hun strategische ligging aan de Maas maakte deze plaatsen tot begerenswaardige prooi van zowel de Spanjaarden als de latere Staatsen. Ze wisselden enkele keren van souverein. Roermond beleefde een dieptepunt bij de belegering van de stad door Willem van Oranje in 1572, waarbij het geplunderd werd en een aantal monniken werd vermoord. De eerder zo rijke steden van Oppergelre verarmden zeer snel. Onder Spanje kon het katholieke geloof weer stevig op de rails worden gezet. Maar van welvaart was geen sprake meer.

Staatse en Pruisische troepen veroverden in het machtsvacuüm, dat was ontstaan na het overlijden van de kinderloze Spaanse koning in november 1700, heel Oppergelre. Aan het einde van de er op volgende successie-oorlog was heel Oppergelre niet meer dan een mogelijk ruilobject bij de onderhandelingen. Uiteindelijk werd het voormalige Overkwartier van Gelre, samen met het land van Weert, onder drie machthebbers verdeeld. in de aanloop naar deze verdeling bleek meerdere malen hoe het Overkwartier een pionnetje was in het internationale schaakspel.

  1. Philips V, de kleinzoon van Lodewijk XIV en een van de kroonpretendenten in de successie-oorlog, beloofde in 1701 en nogmaals in 1702 het Overkwartier als “cadeautje” aan Maximiliaan Emmanuel van Beieren als deze hem zou steunen om landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden te worden.
  2. In 1704 probeerde Lodewijk XIV de Pruisischekoning Frederik I los te weken van het verbond van de geallieerden door hem als “cadeautje” het Overkwartier aan te bieden.
  3. In 1709 wilde de Republiek der Nederlanden stoppen met de oorlog,maar werd overgehaald door Engeland met het vooruitzicht dat het hele Overkwartier na een overwinning van de geallieerden Hollands zou worden (Ten derde male dus een “cadeautje”).

In Utrecht werden de vredesbesprekingen gehouden, waarbij Frankrijk, Oostenrijk (de opvolger van Spanje in de Zuidelijke Nederlanden), Pruisen en de Republiek de voornaamste belanghebbenden waren. Roermond en directe omgeving waaronder Swalmen en het land van Weert werden Oostenrijks. Venlo, enkele dorpen en Stevensweert werden Staats. Vrijwel geheel Noord-Limburg werd Pruisisch. Roermond hoorde vervolgens zo’n 80 jaar bij Oostenrijk, Venlo bij Nederland, Noord-Limburg bij Prudrielandenpuntisen. Daar tussen in lag het Gulickse Tegelen, zuidelijker het Gulickse Sittard en ook Luik was nog een belangrijke speler meer westelijk. In detail was alles zeer versnipperd. Swalmen, dat bij Oostenrijk hoorde had een echt drie-, bijna vijflandenpunt (Oostenrijk, de Staatse Republiek en het Hertogdom Gulick) bij Grietjesgericht (“Elmperbos”). Ging je wat westelijker, schuin naar het noorden de Maas over (Kessel), dan was daar een vierde land: Pruisen. Daaronder lag weer het land van Horn, dat aan een vijfde souverein toebehoorde: Luik.

 

Samenvatting

Als je nu naar een kaart kijkt van de indeling van Limburg in 1716, dan is het bijna onvoorstelbaar dat uit die versnipperde ellende toch nog een zo samenhangende provincie is ontstaan.

limburg1715

Afbeelding uit: Haas, het verdrag van Fontainebleau, p. 336

Het blijkt dat het de Limburgers uiteindelijk niet uitmaakt wie er de baas is. Ze zijn gewend voortdurend iemand anders boven zich te hebben. Ze hebben zich wel altijd verzet tegen aantasting van dingen die voor hun belangrijk waren. Een pastoor die dreigde om het populaire “draak steken” af te schaffen werd in de achttiende eeuw via demonstraties de mond gesnoerd. Bij dreigende plunderingen in dorpen werden wachtdiensten ingesteld en er werden allerlei voorzorgsmaatregelen getroffen. Als iemand dan toch nog getroffen werd stond het hele dorp de familie bij. Heren die grote bezittingen, banmolens en dergelijke hadden gehoorzaamde men maar als deze heren hun plichten niet nakwamen (zoals voor het zorgen van boerengereedschap) dan werd deze daar zonder gêne op aangesproken. De mensen spraken dezelfde taal, hadden dezelfde godsdienst, zagen elkaar ’s zondags na de kerkdienst in de kroeg en maakten in betere tijden samen plezier. Dat waren de bindende elementen. En dat is feitelijk nog steeds zo. Vooral het spreken in het dialect, de manier van met elkaar communiceren (zonder verhullende grapjes maar rechtstreeks), de soort humor (Rijnlandse humor die Hollanders totaal niet begrijpen), de gastvrijheid, de manier van feestvieren: Zo is men het gewend en dat zorgt voor een sterke sociale binding. Daarom is het gevoel van identiteit in Limburg misschien wel sterker dan in welke provincie ook.

Hoe verder

Moet Limburg apart? Of bij een ander land? Welnee. De souverein maakt niet uit. Dat bewijst de geschiedenis. Daar zouden Koerden, Basken en andere cultureel samenhangende bevolkingsgroepen die wonen in een groter land met meerdere culturen van kunnen leren. Voor mij mag Nederland trouwens best bij Duitsland gaan horen. Ondanks de culturele verschillen. Nou en? Beieren is toch ook heel anders dan Noord-Duitsland? Het zou goed zijn. Als we tenminste Nederlands mogen blijven schrijven en spreken. Ik denk dat het de identiteit zelfs zou kunnen versterken. Bundesland Niederlande. Op de ARD: “Wir schalten um nach Hilversum. We schakelen over naar Hilversum.”

Herrlich, das klingt gut. Heerlijk, dat klinkt goed.

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Limburgexit

2019 wordt als mogelijke vertrekdatum van Groot-Brittannië uit de EU genoemd. De zogenaamde Brexit. Sommigen denken dat het misschien wel helemaal niet doorgaat. Dat hebben we eerder gehad! In de negentiende eeuw was er ook een soort  referendum in Nederlands Limburg: wil men bij Nederland blijven of wil men zich afscheiden en verder gaan als zelfstandige bondsstaat in de Duitse bond. Zie de volgende voorgeschiedenis.

1815: oprichting Duitse Bond

De Duitse Bond is geboren tijdens het Weense congres van 1815. Al de oude Duitse adel was daar bij elkaar gekomen in een poging om het Ancien Régime weer een nieuw leven in te blazen. Er werd gesproken over titels, over grondgebied, over schadevergoedingen. Maar ook: hoe kon men al deze oude vorstendommen na het uiteenvallen van het Duits-Roomse Habsburgse rijk weer wat meer samenhang geven. Moest er een centraal bestuur komen of meer een soort federatieve eenheid? Uiteindelijk werd besloten om in ieder geval geen keizer meer aan te stellen en noch Oostenrijk, noch Pruissen te laten overheersen. Er kwamen 35 bondsstaten, waaronder vier vrije steden. In de Vrije stad Frankfurt kwam de bondsdag. Elk bondslid had afhankelijk van zijn grootte een tot vier vertegenwoordigers in deze bondsdag. In totaal waren er 65 vertegenwoordigers. Ook de Nederlandse koning was lid van de bond, als bezitter van het Groot-Hertogdom Luxemburg. Samen met de koning van Denemarken als bezitter van het hertogdom Holstein, de keizer van Oostenrijk en de koning van Pruissen vormden zij een bondgenootschap dat elkaar diende bij te staan als een lid bedreigd werd van buiten. Na 1839 wordt Nederlands Limburg bondslid met twee afgevaardigden. Hoe kwam dat?

1830: Belgische opstand

De opstand begon in Brussel in 1830. Over de redenen van deze opstand (o.a. taal en godsdienst) wil ik het nu niet hebben.De Nederlandse koning probeerde hulp te krijgen van de Duitse bond, maar het conflict werd gezien als een intern conflict en niet als een bedreiging van buitenaf. De gehele provincie Limburg, met uitzondering van Maastricht, sloot zich aan bij de opstand en hoorde toen dus bij België. Maar intussen waren er al gesprekken in Londen om te kijken hoe een indeling gemaakt kon worden als België niet bij Nederland zou terug keren. Toen al werden op papier Nederlands Limburg en Belgisch Limburg gescheiden, met als argument de grensbewaking door middel van de Maas maar ook de territoriale aansluiting van Maastricht met Brabant en Gelderland. Toen in de dertiger jaren de kwestie betreffende Luxemburg hangende was, was de Prins van Oranje, de latere koning Willem II, in Londen met zijn twee zoons. De latere koningin Victoria was toen nog een 18-jarige prinses en men sprak van een aanstaand huwelijk van haar met prins Alexander der Nederlanden. Omdat Hannover bij Engeland hoorde, zou dat tot gevolg hebben dat Hannover op den duur onderdeel van Nederland zou worden. Ter compensatie zou in dat geval zowel Luxemburg als Limburg aan België worden overgedaan. Uiteindelijk viel de keus van Victoria op een andere gegadigde, Albert van Saxen-Coburg_Gotha, waarmee ook het afstaan van Limburg van de baan was! Dus als Vicoria met prins Alexander was getrouwd had men Limburg toen al achteloos”afgegeven”….

1839: Onafhankelijkheid België

In 1839 na de definitieve afscheiding van België moest er weer het een en ander geregeld worden. Luxemburg, lid van de Duitse bond,  werd gesplitst en kwam deels bij België. Dat betekende dat er ook minder manschappen geleverd werden aan de Duitse bond, en dat moest gecompenseerd worden. Besloten werd dat de al bestaande pennevrucht “Nederlands Limburg” ook bij de Duitse bond zou komen en twee afgevaardigden ging leveren aan de bondsdag. Bovendien moest er altijd een compagnie cavalerie gereed gehouden worden. Deze werd samengesteld uit Limburgers, met uitsluiting van soldaten uit Venlo en Maastricht, de belangrijkste vestingsteden aan de Maas, waar Nederland zelf volledige zeggenschap over wilde blijven houden. De Nederlandse Limburgers werden gelijk al uitgesloten door koning Willem I om mee te mogen stemmen over de nieuwe Nederlandse grondwet van 1840, Noord-Brabant protesteerde hier als enige provincie tegen. In de pers lezen we:

“Limburg is een jammerlijke strook gronds, een uitwas van ons land, dat onze beste sappen verteert.”

1848: onrust en dreigende opstand in Nederlands Limburg. “Referendum” Limburgexit

Revoluties worden bijna altijd mede veroorzaakt door economische omstandigheden. De misoogsten, aardappelziekte en felle griepepidemie van 1845 en 1846 maakten de bevolking rijp voor een opstand. De belastingen waren ongelijkmatig verdeeld en de kosten voor de eerste levensbehoeften waren buitensporig hoog. In Nederland was een belasting die per hoofd werd geheven, het zogenaamde kopgeld. In Limburg bedroeg die 2,5 miljoen gulden per jaar, waarvan 1 miljoen niet in Limburg werd besteed. Ook werd stelselmatig voorbijgegaan aan Limburgers bij benoemingen en het katholicisme voelde zich nog steeds achtergesteld. Zoals gezegd was het de Limburgers onthouden om mee te mogen stemmen over de grondwet in 1840. De negen jaren dat Limburg bij België had gehoord waren veel beter geweest en er had een sfeer van vrijheid geheerst. De stemming tegen “Holland” begon steeds sterker te worden. Overheidsdienaren werden openlijk geminacht. In Roermond:  ‘Wat heb jij kerel hier te commanderen, pak je weg, wie heeft jou hier geroepen, ik schijt op een officier van justitie, dat raakt je niet, strontkerel, wat hier gebeurt.’

Ook in Sittard en Heerlen waren wanordelijkheden, waardoor vanuit Maastricht 24 dragonders naar Sittard moesten worden gestuurd en een détachement infanterie naar Heerlen. Ook in Eijsden en in Gronsveld waren er opstootjes. Er begon zich een sterke beweging af te tekenen die voor separatisme ijverde. Maar ook uit Holland gingen stemmen op ten gunste van de afscheiding. Met name het NRC riep op om Limburg af te staan.Het was vooral Mr. J.H.G. Boissevain die in een brochure pleitte voor de afscheiding en niet wenste ‘om een paar maal honderd duizends zielen, die ons vreemd en van ons afkerig zijn, aan ons gekluisterd te houden.’ Er zouden verkiezingen voor de twee Limburgse leden van de Duitse bondsdag worden gehouden. De te kiezen afgevaardigden zouden een belangrijke graadmeter voor de houding in Limburg vormen. Werden het mensen die los van Nederland wilden, of waren het juist oranjegezinden? Tegelijk kon men nu gebruik maken van de mogelijkheid om eindelijk een aantal rechten die niet goed toegekend waren in Limburg af te dwingen. Er kwam een ware stroom los van verzoeken in Den Haag. Er moesten hervormingen komen in de grondwet, vrijheid van eredienst, vrijheid van onderwijs, vrijheid van vereniging en bijeenkomst, instelling van een jury voor drukpersovertredingen, openbaarheid van vergadering en vrijheid van drukpers. Er werd steeds ontzettend veel bedisseld achter gesloten deuren. Toen Willem I Limburg bezocht en niet naar Sittard wilde gaan, reed de burgemeester van Sittard de koning tegemoet en zei: ‘Sire, als u Sittard niet aan doet, dan worden we allemaal Pruis.’ Hij kreeg zijn zin, de koning kwam. Intussen werden er in Maastricht handtekeningen verzameld waarin men eiste dat er rechtstreekse verkiezingen zouden komen zonder onderscheid van standen en meer van eerder genoemde kwesties aan de orde werden gesteld. M.b.t. de grondwet werden er maar liefst 22 wijzigingen geéist. Men wilde de vrijheden terug die men onder Belgisch bestuur had genoten. Sommige gemeenten gingen nu al zo ver dat ze onomwonden om afscheiding vroegen. Ook baron van Scherpenzeel-Heusch pleitte voor afscheiding. Hij wilde graag van Limburg een apart Groot-Hertogdom maken, lid van de Duitse Bond. In de kamerzitting van 29 mei 1848 waren er maar liefst 29 petities binnen gekomen uit Limburgse gemeenten, allemaal handelende over wensen m.b.t. de herziening van de grondwet. Daarnaast werden er nog talloze verzoeken rechtstreeks aan de koning gericht of aan de commissie grondwetherziening.

Bij een vergadering op zondag 7 mei 1848 in hôtel de l empereur te Valkenburg (700 mensen!) nam baron van Scherpenzeel het woord en pleitte onder ovationeel applaus voor afscheiding.

Nederland kon er niet om heen. Limburg was onderdeel van Nederland maar ook onderdeel van de Duitse bondsdag. Daar waren dan de verkiezingen. Met een meerderheid van ongeveer 60% werden de separatistische afgevaardigden gekozen, waardoor een Limburgexit een kwestie van tijd zou zijn. Ze gingen naar Frankfurt en pleitten aldaar in de bondsdag voor de gewenste afscheiding. Op 14 juli kwam er een rapport, ingesteld door een internationale commissie, waarin vastgelegd werd dat Limburg los gemaakt diende te worden van Nederland, en wel om rechtsredenen: het kon niet zo zijn dat een gebied en onderdeel van de Duitse Bond was en ook bij Nederland hoorde. Een additioneel artikel, voorgesteld door de afgevaardigde Clemens uit Bonn, nodigde het centrale bestuur uit om onmiddellijk afdoende maatregelen te nemen om het besluit tot afscheiding van Limburg uit te voeren. Dit amendement werd met algemene stemming aangenomen.

De Nederlandse regering raakte in paniek en besloot om al het aanwezige buskruit in de kruitmolen te Valkenburg binnen de vesting Maastricht op te slaan. Verder werden de kruitmolens onklaar gemaakt. Sittard werd bezet door een militaire colonne uit Maastricht, en ook naar alle andere grotere plaatsen in Zuid-Limburg werden soldaten gestuurd. Op 18 augustus was in Den Haag de zitting van de tweede kamer grotendeels gewijd aan de in Frankfurt gedecreteerde afscheiding. De Duitse gezant in Den Haag had inmiddels al twee keer kennis gegeven aan de Nederlandse regering van het bondsbesluit en wenste nu met de regering in onderhandeling te treden.

1866: einde Duitse Bond

Nederland bleef bezwaren maken en rekte tijd. En dat hielp, want, wonder o wonder: in 1866 kwam er plotseling een einde aan de Duitse Bond. Er kwam wel een nieuwe Noord-Duitse bond. Maar hier nam Limburg niet meer aan deel. 26 November 1866 diende de Nederlandse regering bij het Berlijnse hof een ontwerpconventie in waar hij deze verzocht om elke verbinding tussen Nederland en Duitsland in de Duitse Bond teniet te doen. Op 11 mei 1867, de datum van het tractaat van Londen, werden alle bondsbetrekkingen opgeheven. De Limburgexit ging niet door

Maarten van Rossem pleitte ondanks nog voor een Limburgexit bij het televisieprogramma “de slimste mens”. Al de gebieden die pas na “1600 zoveel” aan Nederland zijn toegevoegd zou Nederland weer terug moeten geven. Dit naar aanleiding van een vraag die ging over Zeeuws-Vlaanderen . Dit deel van Zeeland hoorde  naar zijn idee bij België. Op de vraag, ‘wat dan nog meer? ‘antwoordde hij: ‘Limburg’. Hij maakte niet duidelijk wat er dan met Limburg moest gebeuren. In een van mijn volgende  blogs zal ik daar over filosoferen…

hertogdom-limbiurgsdragonder1855

Het Luxemburgs-Limburgse contingent behoorde tot het negende armeekorps van de Duitse Bond en bedroeg, zonder de reserve, in 1841 2556 manschappen. In 1846 was er een bondsbesluit waaruit volgde dat Luxemburg zorg moest dragen voor de infanterie, en Limburg voor 566 cavaleristen, 297 kanonniers en 37 pioniers, die voortdurend marsvaardig moesten zijn. In 1855 werd besloten dat Limburg uitsluitend een regiment cavalerie zou leveren. (Het vijfde regiment dragonders). “Ze zullen gekleed gaan als het derde regiment, behalve dat de overslag voor groot tenne op de rok van donkerblauw laken zal zijn.” (afbeelding uit “Knötel, Uniformenkunde, Band V).

Geplaatst in Geschiedenis, maatschappij | Tags: , , , , , , | 7 reacties

De wil van het volk

  • Wat willen jullie, meer of minder Marokkanen?       -Minder!!!!
  • Wat moeten we doen met de gebroeders de Witt?    -We lynchen ze!!!
  • Wat moeten we doen met Hillary Clinton?                 -De doodstraf!!!
  • Wat willen jullie, ín of úit de EU?                                   -We willen er úit!!!
  • Moeten we de doodstraf weer invoeren?                     -Invoeren!!! Dood aan Gülen!!!
  • Wat doen we met Christus?                                             -Aan het kruis met hem!!!!
  • Wie is de schuld van alle ellende?                                  -De joden! Weg met de joden!!!

We willen een echte leider! Een führer. Iemand als Poetin, Erdogan, Trump, Wilders. Dat zijn pas mannen. Zij luisteren naar het volk. Zij doen wat het volk vraagt.

Toen Lodewijk XIV in 1661 zelf ging regeren, was hij, zoals zijn voorgangers, koning bij de gratie van God, plaatsvervanger van God op aarde. Maar hij ging verder door ook het katholicisme tot de enige ware godsdienst te verklaren. Er was één koning, één wet, één geloof. Daarmee werd Frankrijk een fundamentalistische katholieke staat. Andersdenkenden, joden en protestanten, werden onderdrukt. Een aantal mensen bekeerde zich, maar de meeste mensen ontvluchtten het land. Veel andersdenkenden gingen naar Zwitserland, de Nederlandse Republiek, Engeland of naar Pruissen. De rechters mochten voortaan alleen achteraf nog iets zeggen over wetten die al door Lodewijk XIV in werking waren gesteld. Alleen in de Cévennes wisten de protestanten zich ondergronds nog vrij lang te handhaven.

Aan het einde van het leven van Lodewijk XIV biechtte hij dat hij niet zoveel oorlog had moeten voeren. Om hem heen borrelde de stille kritiek op zijn fundamentalistische ideeën, die eerder in de kiem gesmoord was, weer op. Er kwam in intellectuele zin een reactie op gang. De achttiende eeuw, vooral ook in Frankrijk, werd de eeuw van de verlichting. Maar de koningen bleven tot de Franse revolutie aan het eind van die eeuw absolute heersers. Het heeft meer dan honderd jaar geduurd voordat protestanten en andersdenkenden weer geaccepteerd werden. Daarom was de reactie in Frankrijk ook zo heftig. Alle frustraties hadden zich meer dan honderd jaar lang kunnen ophopen.

Wat zouden we kunnen leren?

Les 1: Kijk verschrikkelijk uit met het benoemen van zondebokken. Zondebokken zijn meestal bedoeld om wezenlijke problemen te verdoezelen. Zondebokken dienen om eensgezindheid te creëren ten koste van minderheden.

Les 2: Scheiding van kerk en staat. Vrijheid van godsdienst. Geen enkele godsdienst mag zo dominant zijn dat mensen met een andere religie hun wil wordt opgelegd.

Les 3: Stop de referenda!!! Democratie is wat anders dan vragen naar de directe onderbuik-mening van het volk. Bij een goed functionerende democratie kiezen we om de zoveel tijd een afvaardiging die gedurende een fikse periode het land gaat besturen. We kiezen verstandige mensen. Mensen die rekening houden met ook de grote minderheden. En mensen die verder kunnen kijken dan vandaag.

Les 4: Bepaalde lagen van bestuur en rechtspraak dienen onafhankelijk te zijn. Geen gekozen burgemeester. Het verkiezingscircus daarom heen garandeert hooguit dat je iemand krijgt die goed gebekt is, maar het garandeert niet dat hij ook een wijs bestuurder is. Dat is ook het goede van het systeem in Nederland. We kiezen niet onze burgemeester, ook niet onze regering. Een coalitie van volksvertegenwoordigers stelt de regering samen en kiest (hopelijk) voor bekwame mensen. En rechters krijgen een gedegen, onafhankelijke opleiding. Zij moeten los staan van de politiek. Ze moeten intelligent, bekwaam, van onbesproken gedrag en vooral ook wijs zijn.

De geschiedenis heeft ons vele malen geleerd hoe het wel en vooral ook hoe het niet moet. Maar iedereen wil alsmaar naar de wil van het volk luisteren. Kijk toch uit! Wat de wil van het volk lijkt is niet de echte wil van het volk. Het is slechts de gesublimeerde frustratie van het volk.

Als het volk is uitgeraasd en uitgetwitterd wil ook het volk niets meer of minder dan dit: een dak boven het hoofd, een boterham, een gsm, een winnend voetbal elftal en verstandige mensen die het land besturen.

Geplaatst in Geschiedenis, maatschappij | Tags: , | 6 reacties

Reichenau

In mijn huisje op het kloostereiland van de Bodensee, Reichenau,  zag ik op TV een documentaire over het eerste keizerrijk van China. Ongeveer 300 voor Christus werd in slechts veertig jaar tijd  heel China veroverd en kwam het onder één heer. Hoe had die eerste keizer dat voor elkaar gekregen? De krijgers waren niet te overtreffen door hun geavanceerde bogen en pijlen. Ze hebben ontdekt dat de samenstelling van het brons van de pijlpunt anders was dan die van de pijlschacht. In de schacht zat veel meer tin zodat de pijl optimaal door de lucht kon vliegen. In de punt zat juist veel meer koper zodat hij zo sterk en zwaar was dat hij met gemak een maliënkolder of schedel kon doorklieven. En verder was deze keizer machtig geworden door een ongelooflijk bureaucratisch en hiërarchisch systeem te ontwikkelen waarin elk individu zijn plaats had. Voor zich zelf liet hij een zeer groot mausoleum bouwen. Rond zijn toekomstige graf moesten levensgrote terracotta soldaten, paarden en strijdkarren over hem blijven waken. Ze hebben er duizenden terug gevonden. Het geheel werd overdekt met een heuvel van 150 meter hoog. Ook hebben ze achterhaald hoe het systeem van de productie van al dat aardewerk en van de oorlogspijlen tot stand kwam. Kleine kernen van handwerkslieden werden aangestuurd van bovenaf. Ook de “aanstuurders” werden weer aangestuurd. Als er ergens in de keten iets fout ging werd de verantwoordelijke zeer streng gestraft, er heerste een angstcultuur. Er zijn massagraven aangetroffen met de lijken van dwangarbeiders die het zware werk niet meer aankonden. Elke arbeider kreeg in dat graf een ingekerfd aardewerken plaatje mee, waarop stond wie hij was, waar hij vandaan kwam en hoeveel hij de keizer nog verschuldigd was. Alle oorspronkelijke inwoners van voor de keizertijd die nu opeens verenigd waren in dat grote China moesten ook dezelfde taal gaan spreken. Dit om de eenheid te bevorderen. Alle archieven van de eerdere koninkrijken werden vernietigd, de oorspronkelijke cultuur werd compleet ontmanteld. Al meer dan 30 jaar wordt er door een team van internationale onderzoekers gewerkt om niet alleen alles te reconstrueren maar ook de hele maatschappij van die tijd in kaart te brengen.

Op het hoogtepunt van het leven van Karel de Grote omvatte zijn rijk een groot deel van het huidige Midden-en West-Europa. Hoe had hij dat voor elkaar gekregen? Vooral door intimidatie en bruut geweld. In het museum van Reichenau kun je afbeeldingen zien die de veroveringspraktijken van Karel de Grote aanschouwelijk maken. De tekeningen zijn van rond 800. Je ziet hoe hele bevolkingsstammen na een belegering werden gedood, de lijken in putten werden gegooid, de nog levenden met speren werden doorstoken. Karel de Grote zag zich zelf als soldaat van Christus. Hij liet zich door de paus tot keizer kronen en bouwde in Aken een grote palts met geroofd marmer uit het byzantijnse Ravenna. Van de 700 kloosters in zijn rijk maakte hij er 80 tot rijksabdij. Van hieruit moest de hele omgeving worden gekerstend. Verder waren dit de abdijen die de toekomstige bisschoppen en beambten voor het bestuur moesten rekruteren. Een van de belangrijkste abdijen was die van Reichenau.

noormannendakEr zijn drie Romaanse of pre-romaanse kerken in Reichenau. De oudste is die van Maria en Marcus, in 724 gewijd, maar compleet herbouwd begin negende eeuw. Ook daarna zijn er nog veel dingen veranderd en toegevoegd. In 871 is er na de schenking van de relieken van Marcus in het westen een tweede absis aangebouwd, de zogenaamde Marcus absis. Nog weer honderd jaar later wordt in dat deel een tweede dwarsschip aangelegd. In de twaalfde eeuw worden in het middenschip bogen gerealiseerd. In 1236 wordt na een brand een nieuw dak gemaakt, een zogenaamd noormannendak, een dak in een soort omgekeerde bootvorm.(zie bovenstaande afbeelding). Het oostelijke deel bleef sinds 816 onveranderd, totdat in 1453 de absis vervangen werd door een laatgotisch koor. Het oudste deel is nu de oostelijke viering en het er bij gelegen dwarsschip uit 816. Op onderstaande foto van de huidige kerk is een en ander vrij duidelijk te zien.

maria-marcus.jpgOorspronkelijk was de kerk alleen aan Maria opgedragen, maar toen het bijbehorende klooster reliquiën van de H. Marcus ontving werd het een kerk voor Maria en Marcus. In de schatkamer staat de zilveren kist met de resten van het lichaam van de apostel. Concurrent dus van Venetië…

kistmarcus.jpgReichenau kent daarom ook enkele extra feestdagen: 15 augustus, Maria ten Hemel opneming en 25 april, de feestdag van Marcus. In de kerk en in de schatkamer valt veel te zien, zoals het enige originele boek van de honderden die er in het klooster van Reichenau gemaakt zijn, een bijbel uit de 8e eeuw. In het museum kun je ook kopieën van heel oude muziekhandschriften die in Reichenau gemaakt zijn zien.

muziek.jpg

Een van de boeken  is feitelijk de beschrijving van de kloostertuin van Reichenau, geschreven tussen 830 en 840: “De Cultura Hortorum”. Dit is het oudste boek in zijn soort. Ze hebben bij de kerk deze kloostertuin aan de hand van de beschrijvingen van dat boek gereconstrueerd. De tuin bevat vooral medicinale kruiden.

kloostertuin.jpg

De tweede kerk is die van Petrus en Paulus, helemaal in de westpunt van het eiland. Gebouwd in de Karolingische tijd, maar in de 11e eeuw afgebroken en opnieuw opgebouwd, en ook daarna is er nog veel bijgevoegd en veranderd. In de 18e eeuw kreeg de hele kerk van binnen een rococo uiterlijk.

petrus-paulus.jpgDe meest bijzondere kerk is evenwel de jongste kerk, de kerk die gewijd is aan St. Joris. De kerk is in het bezit van het hoofd van St. Joris. Maar het bijzondere is vooral het feit dat deze kerk uit de tiende eeuw daarna vrijwel ongewijzigd is gebleven.

gregoriuskerk.jpg

gregoriuskerk-interieur.jpgRond het jaar 1000 is de kerk compleet beschilderd. Deze schilderingen zijn weliswaar overschilderd rond 1400, maar in de jaren 1982-89 is alles weer zo goed mogelijk in de oorspronkelijke staat terug gebracht. Alleen de twee plaatsen links en rechts waar eerder een groot koorhek was geplaatst konden niet hersteld worden. Sinds kort worden de schilderingen klimatologisch beheerd. De kerk kan slechts twee keer per dag onder leiding van een gids bezichtigd worden om de klimaatomstandigheden niet onnodig te verslechteren. Zoals gezegd zijn er honderden boeken in Reichenau vervaardigd, velen zijn bewaard gebleven en in diverse bibliotheken en musea over heel de wereld worden ze bewaard. De schilderingen van de St. Georgskirche komen wonderwel overeen met afbeeldingen uit de Egbert Codex (980) en vooral ook met die uit het Evangelarium van Otto III (iets later). De parallellen zijn zo groot dat de schilders deze afbeeldingen niet alleen gekend moeten hebben maar wellicht zijn het dezelfde kunstenaars geweest die ze gemaakt hebben. Waar op sommige plekken de schilderingen in de kerk zo vervaagd zijn dat je niet meer goed ziet wat er gestaan heeft kun je dat door de Egbert codex of het Otto Evangelarium moeiteloos aanvullen.

Het Evangelarium (nieuwe testament) voor keizer Otto III is gemaakt waarschijnlijk net iets voor het jaar 1000. In dat boek staan ook afbeeldingen van de jonge keizer regerende over Slavia, Germania, Gallia en Roma. Otto III overlijdt 22 jaar oud in 1002. De Egbert Codex uit 980 werd voor aartsbisschop Egbert van Trier gemaakt. Het boek bevat 51 miniaturen met afbeeldingen, eveneens betrekking hebbend op het nieuwe testament. De hoofdafbeeldingen in de Gregoriuskerk van Reichenau laten acht wonderen van Christus zien. Aan de linkerzijde zijn het wonderen waarbij Jezus laat zien machtiger te zijn dan ziekte of het geweld van de natuur. Aan de rechterkant laat hij zien dat hij zelfs de dood kan overwinnen, de laatste voorstelling gaat over de opwekking van Lazarus. Boven de afbeeldingen van de bijbel zie je afbeeldingen van de evangelisten Marcus, Lucas, Johannes en Mattheus, van elke evangelist wordt de beschrijving van twee wonderen getoond.

Het graf van Lazarus wordt na vier dagen geopend Mensen knijpen hun neus dicht vanwege de stank. Lazarus wordt, nog in doeken gewikkeld, door Jezus tot leven gewekt.  Eerst zien we dit beeld uit de Egbert Codex gevolgd door de schildering in de Sankt Georgskirche.

egbertcodex-lazarus.jpgstgeorg-lazarus.jpg

Jezus geneest een bezetene. De duivels nemen nu bezit van de varkens, die zich vervolgens in het water storten en verdrinken. Uit het Evangelarium voor Otto III, ook weer gevolgd door een schildering in de kerk..

evangelar-ottoIII-bezetene.jpg

stgeorg-bezetene.jpg

Over het kloostereiland Reichenau met zijn wijnbouw, zijn fruitboomgaarden, zijn groentevelden en groentekassen, zijn enorme bloemenvelden, zijn visrestaurants valt uiteraard nog veel meer te vertellen.

astrolab.jpgIk kocht een met de hand gemaakt astrolabium. Je kunt er óf de tijd mee bepalen óf de breedtegraad mee opzoeken, zodat je weet waar je je bevindt. Dit afhankelijk van hoe je het instrument gebruikt. Erg leuk. Het is een van de instrumenten die Hermann von Reichenau ontwikkelde.

Het eiland met de drie kerken kan feitelijk beschouwd worden als een van de oudste getuigenissen boven de Alpen van de Westerse cultuur. Terecht wordt het beschermd door de Unesco. Maar als je je realiseert hoe die cultuur tot stand gekomen is. Net als de Chinese… Als je even nadenkt zie je meer gelijkenissen. Wat dacht je van de huidige cultuur van Noord-Amerika? Of die van Australië? Waarom zijn we eigenlijk zo trots op onze “hoogstaande” Westerse cultuur?

 

 

Geplaatst in Astronomie, Geschiedenis, kunst, muziek | Tags: , , , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

David van Biema Nijkerk

handtekening

Wie is van Biema Nijkerk?

In een boek met de verzamelde gedichten van Heinrich Heine, deel 1 en deel 2 in één band, staat vooraan in het boek, in een fraai handschrift, de naam van een vroegere eigenaar: “Van Biema Nijkerk”. Het woordje “van” is hier onderdeel van de familienaam. Het boek stamt uit de boekenkast van mijn schoonouders. Waarschijnlijk was het  ooit van mijn schoonmoeder, die in mei 2015 overleed.

Nieuwsgierig als ik ben wil ik weten wie  “van Biema Nijkerk” is, zou dat nog te achterhalen zijn? Ik weet het nu vrijwel zeker. Door de speurtocht die ik maakte ken ik voor mijn gevoel opeens een heel andere familie. En het voelt zelfs al een beetje als mijn eigen familie.

We zitten in de tijd vlak na Napoleon. In Wenen wordt er vergaderd over de toekomst van Europa. Besloten wordt dat Nederland een koninkrijk wordt en ook nog eens twee keer zo groot als de eerdere republiek. België, Luxemburg  en het grootste deel van het huidige Nederlands Limburg worden er aan toegevoegd. Vlak over de grens bij Groningen verhuisde in die tijd de koopmanszoon Eliazer Meijer Israel Rosen vanuit Leer, Duitsland naar Amsterdam. Woensdag 12 april 1815 trouwt hij met  Elisabeth Emanuel Nijkerk, dochter van een Amsterdamse procureur.  Hij is pas 19 jaar en zijn bruid is 23 jaar oud. De eerstvolgende zeven jaar worden er vijf kinderen geboren. Dan komt er nog een nakomertje, april 1829. Helaas, de moeder van inmiddels 37 jaar oud sterft in het kraambed. Daar zit vader Rosen met vijf kinderen tussen de vijf en twaalf jaar en ook nog eens met een pasgeboren baby. Het jongste kindje is voor hem voor eeuwig verbonden met de smartelijke dood van zijn vrouw. De baby, een meisje, heet Elisabeth. Zij groeit met haar broers en zussen op en hoort de verhalen over haar moeder die ze nooit gekend heeft. Zij is het zesde kind, trouwt omstreeks 1854 en krijgt tussen 1856 en 1866 acht kinderen. Na de dood van haar man (voor augustus 1874) besluit ze om het zesde van haar acht kinderen te hernoemen, als eerbewijs aan haar te vroeg gestorven moeder. Haar onlangs overleden man heette “van Biema”, alle acht kinderen heten dus ook van Biema, maar het zesde kind, een jongetje, laat ze hernoemen tot “David Henry van Biema Nijkerk”. Haar moeder heette immers Nijkerk. Dat kon je op aanvraag laten regelen, het moest eerst in de staatscourant worden afgekondigd zodat eventueel mensen bezwaar konden aantekenen, de koning moest het goedkeuren en dan besliste de rechter dat de naamsverandering in gang gezet kon worden. Hieronder een klein fragment uit het koninklijk besluit van 15 september 1875

1875-detail naamsverandering davidDavid Henri Van Biema Nijkerk is in Amsterdam op 20 december 1863 als David Henri van Biema geboren en stamt uit een Joodse familie. Zijn vader overleed dus al vrij vroeg, in ieder geval voor augustus 1874. (In de staatscourant van die datum wordt zijn vrouw als weduwe genoemd). In 1868 bij het failliet gaan van zijn bedrijf leeft hij nog. Davids moeder overlijdt pas in 1916. Hij wordt goedgekeurd voor militaire dienst op 18-jarige leeftijd maar heeft geld genoeg om zich te laten vervangen. Hij is als jonge man zeer ondernemend en heeft een handelsgeest, net als zijn vader en grootvader. In 1888 wordt hij mede vennoot van een maatschappij die handel drijft in koloniale producten. Drie jaar later begint hij samen met zijn drie jaar jongere broer Isidor van Biema een eigen bedrijf, eveneens in koloniale waren. Tussen 1897 en 1902 is hij een van de vier directeuren van “de Distel”, een aardewerkfabriek. In een namenlijst van Amsterdam van 1915 zien we hoe David dan inmiddels koffie-importeur is. In Amsterdam woont hij vlak bij het Vondelpark, net als zijn broer Isidor. Nog enkele familieleden, onder wie zijn moeder kunnen we in 1915 in de binnenstad van Amsterdam traceren. Het koffie-importbedrijf bevindt zich aan het Rokin.

plattegrond Amsterdam

David Henri trouwt in 1892 met Pauline Bernadine Elisabeth Jacobson (1871-1950).Zij krijgen samen slechts één kind, Emma. Emma wordt geboren 22 oktober 1893, in Amsterdam. Het leven van David Henri van Biema Nijkerk en diens vrouw lijkt harmonieus te verlopen. Ze hebben een badhuis in Zandvoort waar ze regelmatig in de zomermaanden naar toe gaan. Dat kan alleen als je vrij vermogend bent. Op 23 jarige leeftijd (1916, midden in de eerste wereldoorlog) trouwt dochter Emma met de vijf jaar oudere Hendrik Jonker, die 5 juni 1888 in Batavia geboren werd en waarschijnlijk een bekende van de familie was door de handel in koloniale waren van haar vader. Het jonge stel krijgt twee zonen: Reijnier Frederik Jonker (19-3-1917) en Eduard Arthur Jonker (16-7-1920). De jongste zoon wordt in het echte leven maar ook in mijn verhaal een held!

Helaas. David en zijn vrouw gaan in 1922, na een huwelijk van 30 jaar uit elkaar. Twee jaar later gaan Emma en haar man ook uit elkaar. Triest, zeker de scheiding van Emma en Hendrik. Hun kinderen zijn pas 4 en 7 jaar oud. Wat was de oorzaak? Het jonge echtpaar is met hun kinderen naar Frankrijk verhuisd. Emma keert met alleen het jongste kind terug en gaat in Hilversum wonen. Kon ze niet aarden in Frankrijk? Ik weet het niet. Zoon Eduard Arthur gaat in Hilversum naar de lagere en middelbare school. De oudste zoon is reijnier frederikwaarschijnlijk in Frankrijk gebleven. Bij het overlijden van David van Biema Nijkerk in 1951 staat deze kleinzoon (inmiddels 34 jaar) vermeld als wonende met zijn vrouw B. Grosfillex (een Franse naam die veel voorkomt in Zwitserland en Frankrijk in de Franse Alpen) in Gex Ains. In 1980 en ook in 1989 woont hij daar nog steeds.

 De oorlogstijd.

Hoe zou deze joodse familie de oorlog doorgekomen zijn? Broer Isidor is al in 1930 in Brussel overleden. De moeder van Emma, mevrouw Jacobson, bevond zich juli 1939 in Engeland (ze hadden daar een huishoudhulp die in die maand overleed) en zal daar waarschijnlijk ook tijdens de oorlog zijn gebleven. Ik vermoed dat dochter Emma met haar moeder is meegegaan naar Engeland. In 1937 woonde Emma in Hilversum. Na de oorlog woont zij daar samen met haar moeder. Mevrouw Jacobson overlijdt in 1950.

Vader “David van Biema Nijkerk” is zeker in 1940 al in Amerika. Ook in 1934 was hij al een keer in Amerika in Pennsylvania, daar wordt hij in de Altoona Tribune genoemd als “GUEST AT LOCAL HOME D. H. Van Biema Nijkerk of 1.00 1 Hilversum”. Hij overlijdt in Milwaukee in 1951.

Met een aantal broers en zussen van David is het echter niet goed afgelopen. Zijn oudste zus Sarah Bertha overlijdt 85 jaar oud 22 februari 1941 in een kamp in Driebergen-Rijsenburg. Eduard sterft als oorlogsslachtoffer in Den Haag 16 december 1942. Carolina wordt gedeporteerd naar Sobibor en overlijdt daar 20 maart 1943, 77 jaar oud. Zus Henriette sterft 85 jaar oud, vrijdag 11 juni 1943 in kamp Westerbork. Ik ben bang dat het met nog veel meer leden van deze familie slecht is gegaan. Voor de oorlog woonde in Amsterdam ook nog minstens een oom “van Biema”. Verder waren er ook in Groningen meerdere “van Biema’s”. Hoe het ook zij, in 1947 was er nog maar een persoon met die naam en wel in Gelderland. In 2007 is deze naam net als de naam “van Biema Nijkerk” in heel Nederland verdwenen. In het buitenland komt “van Biema” wel nog voor.

De oudste zoon van Emma zat wellicht toen al in Frankrijk. De jongste zoon van Emma was zoals gezegd Engelandvaarder. Hij vertrok met acht anderen op 25 juli 1943 en kwam op 30 juli in Engeland aan. Daar werd hij vliegenier bij de Royal Aircraft en streed met de Engelsen mee tegen de nazi’s.

Het boek met de gedichten van Heinrich Heine. 

In 1947 wordt bij een bevolkingstelling de naam “van Biema Nijkerk”slechts één keer in Nederland aangetroffen. Dat is natuurlijk Emma. Zij is nu uiteraard  overleden. Het is dus zeker dat het boek met gedichten van Heine, met de handgeschreven naam “van Biema Nijkerk”, ooit van Emma of nog waarschijnlijker van haar vader is geweest.

Hoe zijn mijn schoonouders er aan gekomen? Er staat geen datum van uitgave in het boek maar een antiquariaat schat dat het rond 1876 is uitgegeven. Het is gedrukt door H.C.A. Thieme, Nimwegen. “Nimwegen”, niet Nijmegen, op zijn Duits dus. Voor dit soort Duitstalige boeken was er natuurlijk ook een Duitse markt. Deze kleinzoon van de stichter van de drukkerij in Arnhem drukte daar boeken tot 1898. De uitgever is Hendrik Altmann, Rotterdam. Hij had daar een boekhandel en gaf zelf ook boeken uit. In zijn familie zien we enkele kunstschilders, die o.a. in het begin van de negentiende eeuw allerlei taferelen in en om Rotterdam hebben geschilderd. Hendrik Altmann zelf overleed in 1884. Het geschatte jaar van uitgave 1876 lijkt aannemelijk. Een aantal jaren daarna zal David het hebben gekocht of gekregen. Misschien als cadeau van zijn schoonfamilie uit Rotterdam?

Zoals we al zagen was David van Biema Nijkerk een zeer ondernemend type, iemand met een echte koopmansgeest. Maar ook zien we dat hij in het bezit is van kunst. In 1931 wordt er een catalogus gemaakt m.b.t. een veiling van kunstwerken. Een van de onderdelen in die catalogus is “de Parijse kunstcollectie van David van Biema Nijkerk”. (Deze catalogus uit 1931 is nog in te zien in de bibliotheek van Gent). Hij is dan al negen jaar gescheiden en heeft waarschijnlijk zoals velen sterk te lijden van de beurskrach van 1929. Hij wil er denk ik weer boven op komen door een deel van zijn kunstverzameling van de hand te doen. Misschien zijn er ook wel kunstwerken van een van de kunstschilders Altmann bij! Graag wil ik die catalogus in Gent een keer inzien! Waarom staat er trouwens “Parijse” kunstcollectie? Dochter Emma en toen nog haar man Hendrik Jonker woonden enige tijd met hun zeer jonge zoons in Frankrijk, is er een link? Ik vermoed dat David ook een tijd in Parijs heeft gewoond. Allemaal vragen waarvan de antwoorden wellicht meer over hem kunnen vertellen en misschien ook meer over zijn relatie tot kunst en poëzie.

Dan lezen we nog dat het Amsterdamse bezit van David in 1942 door de Duitsers is geconfisqueerd. Waarschijnlijk was David toen hij naar Amerika ging nog van plan terug te keren. Hij was gescheiden en zijn enige kind ook. Davids bezittingen werden beheerd door Lippmann, Rosenthal & Co., Amsterdam. Zou bij het Amsterdamse bezit ook het onderhavige boek zijn geweest? Hij heeft het dan waarschijnlijk niet meegenomen naar Amerika.heine

De Duitsers hebben het denk ik verkocht. Het boek zou zo maar in een boekhandel in Rotterdam terecht hebben kunnen komen, de woonplaats in die tijd van mijn schoonouders. In 1942 of 1943. Daar lag het dan. Mijn schoonmoeder hield van poëzie. Ze stuitte op een mooi boek met verzen van Heinrich Heine. Zij was in 1943 21 jaar oud en ze had een baan bij een verzekeringsmaatschappij. Ze verdiende eindelijk eens wat zakgeld. Ze kocht het boek. Een heerlijk kleinood!

Heinrich Heine, David van Biema Nijkerk, Eduard Jonker en mijn schoonvader.

Na de oorlog ging mijn schoonmoeder trouwen en het echtpaar kreeg negen kinderen. Ze kwam niet veel meer toe aan het lezen in haar mooie boek. Het boek ziet er misschien ook daarom nog steeds prachtig uit. Mijn schoonvader werd in de oorlog opgepakt vanwege verzetswerk en is opgesloten geweest in Vught, later in Dachau. Hij heeft de oorlog overleefd. Onlangs was hij nog bij een herdenking. Inmiddels zijn zij allebei overleden.

Hij is van dezelfde generatie als Eduard Jonker, de jongste kleinzoon van David van Biema Nijkerk. Eduard Arthur Jonker vluchtte naar Engeland en ging van daar uit mee helpen met het verzet. Iets van de levens van deze Engelandvaarder en dat van mijn schoonvader komt zo samen in het boek. En dan de schrijver van het boek, Heinrich Heine.

Ook Heinrich Heine was net als David een jood. Verschoppeling in Duitsland. Behalve de prachtige gedichten waar bijv. Schubert en vooral Schumann muziek bij hebben gemaakt schreef hij ook over maatschappelijke dingen en had hij een zeer opvallende sociaal ingestelde visie. Heine vond een tweede vaderland in Frankrijk. Het Frankrijk ook van de schoonzoon en een kleinzoon van David. David van Biema Nijkerk zelf vond zijn tweede vaderland in Amerika. Kleinzoon Arthur Jonker heeft er vijf dagen over gedaan om vanuit Nederland in Engeland te komen. Er was een storm die het schip terug naar Nederland dreigde te blazen. Hij overleefde de storm van de zee en die van het nazisme en hielp mee met de bevrijding van Nederland.

Eduard Arthur Jonker bij de opening van het Engelandvaardersmuseum in Noordwijk, 4 september 2015

eduard arthur

Meer dan vier jaar speurde Eddy Jonker kranten af en probeerde hij adressen van nazaten te achterhalen. Alles om te voorkomen dat de heldendaden van de Engelandvaarders in de vergetelheid zouden geraken. Zijn inspanningen en die van vele vrijwilligers hebben in een nieuw museum geresulteerd.

Eddy Jonker vertelt over zijn Engelandvaart en de opgedane levenslessen

Die Heimkehr (1823-1824)   

11.

“Eingehüllt in graue Wolken,
Schlafen jezt die grossen Götter
Und ich höre, wie sie schnarchen,
Und wir haben wildes WetterWildes Wetter! Sturmeswüthen
Will das arme Schiff zerschellen
Ach wer zügelt diese Winde
Und die Herrenlosen Wellen Kann’s nicht hindern, das es stürmet
Dass da dröhnen Mast und Bretter,
Und ich hüll’mich in den Mantel,
Um zu schlafen wie die Götter”

 Heinrich Heine

 

Gehuld in grauwe wolken
Slapen nu de grote goden
En ik hoor hoe ze snurken
En we hebben onstuimig weerOnstuimig weer, woedende storm
Zal het arme schip verbrijzelen
Ach wie beteugelt deze winden
En de golven zonder heer Het maakt me niet uit dat het stormt
Dat mast en planken kraken
Ik hul me in de mantel
Om te slapen als de goden

Heinrich Heine

 

Bovenstaand verhaal is gebaseerd op talrijke documenten die ik meestal op het internet heb gevonden, die ik heb gedownload van een aantal sites (met name vanuit het Amsterdams archief en vanuit het Nederlands militieregister) of die ik toegestuurd heb gekregen. (Zoals het prachtige document van het Amsterdams archief waarin je kunt lezen dat David van Biema een nieuwe naam krijgt, als hij pas elf jaar is.) Sommige dingen van mijn verhaal zijn zeker, andere zijn slechts vermoedens, zoals de manier waarop het boek in handen van mijn schoonouders is gekomen of de reden van de naamsverandering van David van Biema. Wie graag de originele documenten wil bestuderen: het grootste deel heb ik chronologisch gerubriceerd en achter elkaar gezet in een pdf-document

Inmiddels is Eddy Jonker op 99-jarige leeftijd overleden

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , , , , , , , , , , , , | 7 reacties

Ove

Waarom gaan Nederlanders en Scandinaviërs massaal naar landen als Frankrijk, Italië of Spanje? Vanwege het weer uiteraard, maar ook om even te ontsnappen aan de beklemmende omarming van het over gestructureerde thuisland. We genieten ervan als we kijken naar de schilderachtige, rommelige straatjes, de waslijnen die boven de steegjes zijn gespannen en het onbekommerde levensgenot van een oude man die met een stokbrood door de straat loopt. Natuurlijk ergeren we ons aan de slechte wegen en vinden we het ongelooflijk hoe lang het duurt voordat een geldautomaat eindelijk eens een keer zijn briefjes naar buiten spuugt. Hopelijk krijg je in een dergelijk land ook geen bekeuring. Dan kom je in aanraking met een bureaucratie die je een dag vakantie kost. Maar desondanks zoeken we die landen telkens weer op.

De film “Een man die Ove heet” speelt zich af in een dorpje in Zweden. Alles is overgeorganiseerd. Er is een buurtcomité dat er op let dat de auto’s precies binnen de vakken worden geparkeerd, de hekken goed worden gesloten, alles goed wordt gesorteerd en in de juiste vuilnisbakken belandt. Ove maakt zijn dagelijkse rondgang. Hij ergert zich voortdurend en heeft steeds woorden met een of meer buurtbewoners die zich niet aan de regels houden. ‘Idioten’, zo eindigt elke conversatie. Toch heeft ook Ove moeite met de “witte boorden” die zich boven de gewone mensen stellen. Hoe komt dat? In de loop van de film ga je steeds meer sympathie krijgen met de hoofdpersoon die alles weet van het automerk Saab en vriendschappen verbreekt als iemand een BMW aanschaft. Er blijkt een enorme tragedie schuil te gaan achter de oppervlakte van Ove. De nieuwe buren uit Iran zijn nog onbevooroordeeld en Ove raakt langzaam uit zijn isolement. Er valt veel te lachen, maar boven alles: zelden heeft een film me zo aangegrepen. Geen valse sentimentaliteit. De film is subtiel, maar het verhaal wordt zo gebracht dat het je intens raakt, naar de keel grijpt. Kleine dingen leggen het bloot. Een poes. Twee ontwapenende Perzische kindjes. Een baby. Een hand die een grafsteen streelt. Bovenal: het gezicht van de af en toe in razernij uitbarstende Ove, maar die ook bijna onzichtbaar een traan kan laten biggelen.

De film eindigt zoals hij begon. Met het controleren of een poort wel goed dicht zit. Maar hoe anders werkt dat op het einde, wat kan film toch een geweldig medium zijn! Slechts 25 bezoekers zaten er in de zaal. Een film om lang te onthouden en over na te denken. “Een man die Ove heet.”

Ove

Geplaatst in Film, recensie | Tags: , , | 1 reactie