In de Volkskrant van afgelopen zaterdag las ik een artikel dat me bijzonder boeide. Toen ik er over doordacht realiseerde ik me dat de impact van dat wat wetenschappers onlangs gemeten hadden wel eens een nobelprijs-winnaar zou kunnen opleveren. Het begrip van alles van de hele wereld zou er totaal anders door kunnen worden. Waar gaat het om?
De natuurkunde kent een aantal zogenaamde constanten die stuk voor stuk van groot belang zijn. Het gaat om fundamentele natuurkrachten, in totaal zijn dat er ongeveer 26. De fijnstructuurconstante is een van de allerbelangrijkste. Hij is ongelooflijk zwak, maar zorgt er wel voor dat materie niet verkruimelt en ze bepaalt ook hoe sterk de electromagnetische kracht is. Het is zelfs zo, dat als deze constante er niet zou zijn, of ook maar een tikkeltje in waarde zou afwijken, het heelal er totaal anders uit zou zien. Door de fijnstructuurconstante zo nauwkeurig mogelijk te meten kan er heel wat verklaard worden. Met het standaardmodel van de deeltjesfysica kunnen we nog een heel eind komen, maar fenomenen als donkere materie, donkere energie en de disbalans tussen materie en antimaterie blijven een mysterie. Zoals ook trouwens weer eens naar voren kwam bij een lezing die ik een jaar geleden bijwoonde.
De fijnstructuurconstante, die de sterkte van de interactie tussen een foton (lichtdeeltje) en geladen elementaire deeltjes, zoals elektronen kenmerkt, is onlangs door een team van Franse onderzoekers opnieuw vastgesteld. Dit met een nauwkeurigheid van 11 significante cijfers wat een verbetering van de precisie van de vorige meting betekent met een factor 3,2. De wetenschappers bereikten deze precisie door hun experimentele opstelling te verbeteren, in een poging om onnauwkeurigheden te verminderen en effecten te beheersen die verstoringen van de meting kunnen veroorzaken. Er werd zelfs rekening gehouden met de draaiïng van de aarde binnen de tijdsorde van een milliseconde. Hoe zag de meting er uit? Er werden rubidiumatomen afgekoeld tot bijna het absolute nulpunt. Toen keken de wetenschappers wat er gebeurde als een foton zo’n ijskoud atoom bereikte. Er ontstond een schok met een snelheid die afhangt van de massa van het atoom. De onderzoekers gebruikten materiegolfinterferometrie om de terugstootsnelheid te meten.
De nieuwe precisiemetingen maken het eindelijk wellicht mogelijk om deeltjes te ontdekken die als antimaterie gezien kunnen worden. Ook is er tot nog toe geen verklaring voor de magnetische momentafwijking van het muon. (Een muon is een van de deeltjes die zich bevinden tussen de protonen en elektronen binnen een atoom.) Ook deze momentafwijking kan nu na verder onderzoek misschien beter verklaard worden. Directe toepassingen lijken nog ver. Het gaat nu vooral om fundamentele vraagstukken met betrekking tot de bouw van het heelal. Het artikel in de Volkskrant viel niet erg op. Maar het zette mij behoorlijk aan het denken. Mijn oudste kleinzoon vroeg me: ‘Opa, wat is leven eigenlijk? ‘ Een vraagstuk dat net zo fundamenteel is als het raadsel van het hele heelal en de nog weinig begrepen fundamentele natuurkrachten. Het onderzoek werd geleid door de van Algerije afkomstige fysicus Saïda Guellati-Khélifa aan de Université Pierre et Marie Curie in Parijs. Zal deze fysicus in de nabije toekomst de nobelprijs voor natuurkunde krijgen?
Volkskrant 30 januari 2021: George van Hal, “Het getal waarop de realiteit rust”.
Begin januari maakte ik midden in de nacht een aantal foto’s van de sterrenhemel. Op een van die foto’s was de Grote Beer heel goed te zien.
De Grote Beer is een van de meest bekende sterrenbeelden. Zie je de Grote Beer, dan kun je ook makkelijk de poolster vinden. Wat is dat eigenlijk, de poolster? Op wikipedia lezen we: Een poolster is een ster die zich in een van de hemelpolen bevindt. Voor de noordelijke hemelpool is dat de ster met de naam Poolster, Polaris of alpha Ursae Minoris, die dicht bij het verlengde van de aardas aan de noordelijke hemelpool ligt. Gedurende de nacht lijken alle sterren door de rotatie van de aarde in een baan om de pool heen te draaien. De Poolster beweegt vrijwel niet, zodat deze altijd op dezelfde plaats aan de hemel te vinden is. De Poolster was, voor de ingebruikneming van elektronische systemen zoals gps, van groot belang voor de navigatie. De hoogte van de Poolster aan de hemel is vrijwel gelijk aan de breedtegraad waarop de waarnemer zich bevindt; de zegswijze poolshoogte nemen, is hiervan afgeleid.
In Nederland bevinden we ons op ongeveer 51 graden noorderbreedte. Vanuit de horizon gezien zullen we de Poolster dus op die hoogte moeten zoeken. In Spanje staat hij al een stuk lager. De Grote Beer wijst als volgt naar de Poolster:
Omdat alle sterren om de poolster heen lijken te draaien, ziet ook de Grote Beer er afhankelijk van seizoen en tijdstip anders uit. Bij de bovenstaande illustratie en ook bij onderstaande foto, die ik op 9 januari om 10 voor vijf in de ochtend maakte, staat de Grote Beer boven de Poolster, dus heel hoog aan de hemel. Hij kan er ook onder staan, dan staat hij dus heel laag aan de hemel, en ook kan hij links dan wel rechts van de Poolster staan.
Verder lezen we:
Door de precessie beschrijft de aardas in 25.770 jaar een grote (dubbele) kegel aan de hemel, waardoor zowel de noordelijke als de zuidelijke hemelpool in een cirkel bewegen. Hierdoor zullen in de loop van deze periode verschillende sterren de rol van poolster vervullen. Rond het jaar 4100 is dit een zwakke ster in het sterrenbeeld Cepheus, vervolgens Deneb, een heldere ster in Zwaan. In het jaar 14.000 zal Wega, een heldere ster in Lier, de poolster zijn. Daarna duurt het nog ongeveer 12.000 jaar voordat de aardbewoners Polaris weer als nachtelijk oriëntatiepunt kunnen gebruiken.
De Grote Beer bevat 7 opvallende sterren. Vijf van die sterren horen bij een groep, de zogenaamde Ursa Major-cluster. Dat is een groep van ongeveer 100 sterren die pas 300 miljoen jaar geleden ontstaan zijn. In vergelijking met onze zon, die al 4,5 miljard jaar oud is, zijn het dus baby’s. Ze staan allemaal op ongeveer 80 tot 84 lichtjaren afstand. Alleen aan de uiteinden staan twee sterren die hier niet bij horen: Dubhe en Alkaid. De sterren van de Ursa Major-cluster bewegen binnen ons melkwegstelsel in een gelijke richting doordat ze gelijktijdig zijn geboren. Misschien zijn ze ook onderdeel van de grotere Sirius-cluster, maar er zijn metingen die dat weer tegen lijken te spreken.
De zeven meest opvallende sterren hebben ook een Arabische naam. Elke naam is een onderdeel van de lichaamsdelen van de beer, zoals de dij. Het zijn mooi klinkende namen, en als je naar het sterrenbeeld kijkt is het leuk om nog enkele eigenaardigheden te weten van elke ster. De sterren hebben dan niet alleen een mooie naam maar ze krijgen dan ook een soort eigenheid. Zoals gezegd maakte ik onderstaande foto begin januari. Je ziet de Grote Beer en een heleboel kleine spikkeltjes in rood of wit. Dat waren uiterst kleine waterdruppeltjes die zich door de vochtige atmosfeer op mijn lens hadden gevestigd.
Merak: Deze ster is 9000 graden Kelvin heet en hij staat op 80 lichtjaren afstand. Zoals gezegd zijn vijf van de sterren van de grote beer nog erg jong, maar deze ster is misschien zelfs nog maar een protoster. Het lijkt alsof er zich in een laag om de ster heen nu pas planeten aan het vormen zijn, net zoals trouwens ook bij Vega en bij Fomalhaut, sterren van andere sterrenbeelden.
Dubhe hoort niet bij de Ursa Major-cluster. Hij heeft ook duidelijk een andere, meer gele of oranje kleur. Het is een reuzenster van slechts 4900 graden Kelvin, de minst warme van de zeven sterren van de Grote Beer. Verder is het een driedubbele ster die zich op 124 lichtjaren afstand bevindt. Dubhe A is aan het einde van zijn leven, de kleinere metgezellen daarentegen verbranden nog volop helium.
Phecda heeft een temperatuur van 9500 graden kelvin en bevindt zich op 84 lichtjaar afstand. Phecda is 2,7 keer zo groot als onze zon. Net als Merak, Megrez, Alioth en Mizar is Phecda dus onderdeel van de Ursa major cluster.
Megrez heeft een oppervlaktetemperatuur van 8630 graden Kelvin en staat op 80 lichtjaar afstand.
Alioth heeft een oppervlaktetemperatuur van 9500 graden Kelvin en staat op 83 lichtjaar afstand.
Mizar heeft een oppervlaktetemperatuur van 9000 graden Kelvin. Het is een vierdubbelster, de andere drie zijn met blote oog niet te zien. Vlak erbij staat echter nog een andere ster, Alkor, waarvan men vermoedt dat deze ook met het systeem verbonden is. Alkor kun je onder goede omstandigheden met het blote oog zien, hij heeft magnitude 4. In het oude Egypte kon je je ogen testen: kun je Alkor zien ja of nee? Ook dat is een meervoudige ster, in dit geval gaat het om een dubbelster. Mochten al deze sterren qua gravitatie inderdaad aan elkaar verbonden zijn dan gaat het dus om een zesvoudige ster. Het complete systeem staat op 83 lichtjaren afstand. Wil je ook je ogen testen? Kijk dan naar Mizar. Zie je heel vlakbij Alkor dan heb je nog goede ogen. Maar in Nederland gaat het Egyptische verhaal niet zo op ben ik bang, met onze licht- en luchtvervuiling. Pak gewoon een verrekijker, dan kun je hem meestal wel zien. En dat blijft leuk, zo’n duidelijke dubbelster zien.
Alkaïd is een ster die niet bij de cluster hoort. Aan de oppervlakte is het 15700 graden Kelvin, het is dus de warmste ster van de zeven sterren van de Grote Beer. Deze ster staat op 104 lichtjaar afstand.
De Grote Beer is in Nederland circumpolair. We noemen de sterren die relatief dicht bij de Poolster staan en die je daardoor elke wolkeloze nacht de hele nacht kunt zien, circumpolair. Circumpolaire sterren gaan dus niet onder, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de sterren van de dierenriem, die net als zon, maan en planeten opkomen en ondergaan. De Grote Beer wordt ook wel de wagen genoemd. Deze tollende wagen wijst ons steeds weer de weg, ook al staat hij soms op zijn kop.
Max Pam schijft in de Volkskrant van 20 januari: Lilianne Ploumen mag een aardig mens zijn met sympathieke ideeën, een lijsttrekker moet meer zijn dan dat. Dat gaat hij uitleggen. Ik citeer enkele stukjes: ‘Een lijsttrekker moet een goede spreker zijn en dat is Lilianne Ploumen helaas niet. Ze spreekt wat hortend en stotend en het einde van haar zinnen zit soms niet vast aan het begin. Verder spreekt zij erg Limburgs en dat is boven de Moerdijk een electoraal nadeel.’ Ook zegt hij: ‘weinigen zullen begrijpen dat je Ploumen op zijn Limburgs als Ploemen uitspreekt, zoals in het woord boudoir.’ Max Pam heeft verder problemen met het feit dat zij gelovig is maar zegt er gelukkig bij dat dat een puur persoonlijk bezwaar is.
Sommige mensen vinden het raar dat Limburgers nog steeds vaak een minderwaardigheidscomplex hebben. Als je zo’n stukje van de Hollander Max Pam leest vraag je je af: ‘Hoe zou dat komen?’ Misschien omdat sommige mensen een meerderwaardigheidscomplex hebben?
Ik had mijn kleinzoon opgehaald . Normaal is het dan: jas uit, sjaal af, schoenen uit en dan naar de kamer. Maar het leek wel of hij niet kon wachten. Met zijn sjaal nog om en zijn jas nog aan sprong hij gelijk achter de piano. En begon onmiddellijk te improviseren. Ik keek het even aan en besloot toen om hem niet te storen met een verhaal over jassen, sjaals of schoenen maar ik nam het pianogeluid van een afstandje op.
Het was een relaxte dag. Op maandag help ik hem met zijn huiswerk, ook met het orgelhuiswerk. Vooral bij het onderdeel taal heeft hij voortdurend associaties. Bij een van de opdrachten mocht hij zelf zes woorden verzinnen, twee aan twee van in totaal drie “categorieën”. Hij houdt van categorieën. Die maken alles overzichtelijk. Bij deze opdracht moesten er onder meer twee woorden van de categorie “verkleinwoorden” in zitten. Tot slot moest hij van twee van de zes gekozen woorden zelf een zin maken. Hij maakte er iets van als “Het raketje vliegt geheel alleen naar Mars.”
In de supermarkt zat hij enigszins opgevouwen in het winkelkarretje. -‘Hé, kan die muziek niet uit? Zullen we iemand vragen om die muziek uit te zetten, ik kan hier niet tegen.’ Er klonk heel zacht onverstaanbare easy klinkende popmuziek. Het moest een gevoel van gezelligheid geven. Zoals wanneer ik van de garage een leenauto krijg altijd van de klanken van radio Veronica mag genieten als ik hem start. -‘Ja jo, het is gelukkig maar heel zacht, toch?’ Dat vond mijn kleinzoon niet. -‘Opa. zullen we iemand vragen om het uit te zetten, ik vind het niet te pruimen.’ Ik zag een mogelijke discussie met het personeel niet zitten. -‘We lopen snel door, ik ben zo klaar.’ Daar liep een winkelende mevrouw. -‘Mevrouw, wat vindt u van deze muziek?’ -‘Ik vind hem wel leuk.’ -‘Dat vind ik niet. Ik vind het verschríkkelijke muziek.’ Er stond een leeg winkelkarretje, een eind verder liep een meneer zonder kar. -‘Meneer, u bent uw karretje vergeten’ riep hij luidkeels door de winkel. De man hoorde het niet of voelde zich niet aangesproken. Snel liep ik verder. -‘Opa, mag ik iets uitkiezen?’ -‘Je mag wel zeggen wat je lekker vindt. Maar ik zeg niet dat we dat dan ook gaan kopen.’ Ik verwachtte dat hij iets van lekkere koeken zou aanwijzen of zo. Dat viel mee. Hij zag lekkere soep. We hebben soep gekocht.
Even later verlieten we de verschrikkelijke herrie en keken op het winkelplein naar de lucht. ‘Ik zie een blauwe plek. Opa, ik wil een keer de Melkweg zien.’
Onderweg naar mijn huis babbelden we nog wat over het een en ander, -‘Jammer opa dat ik niet bij dat webinar was zaterdag.’ Ik had hem de week ervoor verteld over dat Webinar van de Radboud universiteit, over een raket naar Mercurius. Nu wilde hij toch nog weten hoe dat geweest was. Ik vertelde: er waren die zaterdag twee mensen die een lezing hielden. Een van hen was een Vlaamse mevrouw. -‘Praat die zo?’ Hij begon met een perfect Vlaams accent een redevoering over het heelal te houden. -‘Nee, zij heeft heel lang in Nederland gewoond. Ze had wel een zachte G en ze gebruikte typisch Vlaamse woorden als goesting. Maar haar accent was niet heel erg Vlaams.’ Toen vertelde ik dat ik een stukje had geschreven over dat Webinar. Dat wilde hij wel lezen. Spontaan lazen we het met zijn tweeën, hij eerst enkele regels, dan ik weer enkele regels. Bij wat meer moeilijke woorden legde ik die even uit. Hij stond op, nam de Aarde en Mercurius in zijn handen en reisde er langzaam naar toe.
’s Avonds bracht ik hem naar huis. -‘De maan!’ Hij zag hem als eerste, de smalle sikkel van de wassende maan. En we zagen ook een enigszins goudkleurige wolk. ‘De Melkweg!’ Nee, dat kon ik hem niet wijsmaken. Het was niet meer dan een wolk. Een goudkleurige, dat dan wel. We bleven staan en vonden hem allebei mooi. De Melkweg, die komt wel een keer. Zeker weten! Nu moesten we het doen met de maan. Én een gouden wolk!
Van de vier rotsachtige planeten van het binnenste zonnestelsel is Mercurius de minst onderzochte. Waarom is Mercurius eigenlijk nog nauwelijks onderzocht, want hij staat per slot veel dichter bij de aarde dan bijvoorbeeld Jupiter of Saturnus? Dat komt omdat de planeet erg heet is (350 graden celsius) en omdat hij zo dicht bij de zon staat. Als je er een raket naar toe stuurt wordt die steeds sterker door de zon aangetrokken. Om hem om een baan om Mercurius te brengen moet je heel erg remmen. Dat kost geweldig veel brandstof, tenzij er andere middelen zijn om daar aan te komen. En die zijn er. Je scheert een aantal keren langs de aarde, Venus en ook Mercurius zelf, vooral om af te remmen. Met een raket die 4100 kg zwaar is zijn er maar liefst 9 scheervluchten nodig voordat hij in staat is om in de goede baan te komen met de juiste snelheid. Dit principe van scheervluchten is bedacht door de Italiaan Giuseppe Colombo, liefkozend Bepi Colombo genoemd. Ter ere van deze in 1984 overleden wetenschapper is in de negentiger jaren van de vorige eeuw het BepiColombo-project bedacht. Uiteindelijk is het een project geworden waarbij twee satellieten in een baan om Mercurius gebracht moeten worden, de satelliet MPO van de Europese Esa en de satelliet MIO van het Japanse Jaxa . De laatste onderzoekt vooral de magnetosfeer van Mercurius. MPO onderzoekt vooral de atmosfeer en de samenstelling van de geologische ondergrond. Met zijn twee sondes zal BepiColombo de tweede missie zijn die ooit in een baan rond Mercurius is geweest en de meest complexe. Boordevol wetenschappelijke instrumenten, zal het proberen om veel verwarrende vragen te beantwoorden: waarom is er ijs in de poolkraters van de verschroeide planeet? Waarom heeft Mercurius een magnetisch veld? En wat zijn de mysterieuze ‘holtes’ op het oppervlak? Meer te weten komen over Mercurius zal tegelijk ook licht werpen op de geschiedenis van het hele zonnestelsel.
Zoals gezegd moet er flink geremd worden. Een rechtstreekse vlucht naar Mercurius zou niet langer dan 8 maanden hoeven te duren. Maar het duurt meer dan zeven jaar! De module is trouwens al gelanceerd, dat was oktober 2018, Pas december 2025 komt hij in een baan om de planeet. Enkele maanden later, maart 2026, kunnen de wetenschappelijke onderzoeken pas echt starten. De MIO-satelliet zal niet veel langer dan 1 jaar meegaan, de MPO satelliet zal 2 tot 5 jaar zijn werk blijven doen. In de begroting is 1,4 miljard euro uitgetrokken. Honderden wetenschappers zijn er al 20 jaar mee bezig geweest, en ook nu, vooral in het controlecentrum in Darmstadt, zijn voortdurend een aantal wetenschappers de komende jaren actief. Wat levert het op en wat heeft het al opgeleverd? Heel veel werk op hoog niveau. Alle landen die geld geven aan de ESA nemen ook deel in de wetenschappelijke opdrachten. In Nederland zijn dat een bedrijf dat de geavanceerde zonnepanelen heeft gebouwd en het bedrijf Bradford in Heerle, nabij Roosendaal, dat de “motor” heeft gemaakt.
Indirect worden er door de innovaties altijd weer onverwachte toepassingen bedacht. Maar de fundamentele inzichten die deze missie kunnen leveren kunnen revolutionair zijn. Een van de dingen die er uit kan komen is dat de biochemische processen die wij kennen slechts een fractie zijn van wat er nog meer is op dat gebied. Wij leven in een wereld waarin zuurstof essentieel is. Op Mercurius en wie weet waar nog meer zijn andere elementen veel belangrijker. En als we daar meer van zouden begrijpen zouden allerlei onbegrepen processen bij het ontstaan van het zonnestelsel misschien eindelijk eens wat meer duidelijk gaan worden.
Ik volgde een seminar van 2 uur met twee lezingen die aan dit project gewijd zijn. De twee wetenschappers die deze lezingen hielden zijn betrokken bij het project. Kelly Geelen vertelde over alles wat er kwam kijken voordat de satellieten gelanceerd waren. Met veel foto’s erbij kreeg je een aardige indruk. Alles werd in Noordwijk geassembleerd maar moest toen met vier vrachtvluchten vanuit Schiphol naar een enorme zeecontainer die het op zijn beurt weer vervoerde naar Frans Guyana. Daar moest het weer in elkaar gezet worden en opnieuw getest voordat het met een Ariane raket in 2018 de aarde kon verlaten. Daarna zat het er voor Kelly op, nu is ze bezig met een Mars-missie. Joe Zender is nog steeds bij het project betrokken en volgt alles als een van de wetenschappers in Darmstadt. Hij vertelde over wat de satellieten allemaal gaan doen en hoe de hele reis verloopt. Het was heel boeiend om zo alles uit de eerste hand te horen. Het publiek bestond uit vooral middelbare scholieren met een beta-richting die mogelijkerwijs iets willen gaan doen in de ruimtevaart. Ik zat er bij als geïnteresseerde buitenstaander die meer dan vijftig jaar geleden op de middelbare school twijfelde of hij astronomie wilde gaan studeren of iets met muziek wilde gaan doen. Het werd muziek. Maar ik was wel de enige van het gezelschap vanmiddag die ooit Mercurius met zijn blote ogen had gezien. Niemand van de mensen die het webinar volgde had deze planeet wel eens gezien! Ik wel. Net als Joe Zender trouwens.
Beethoven in 1823. Schilderij gemaakt door Ferdinand Waldmüller. Het portret is in de tweede wereldoorlog verloren gegaan.
In de tijd dat Ludwig van Beethoven bezig was met zijn laatste symfonie was hij niet alleen stokdoof, maar had hij ook veel problemen met zijn ogen. Lang lezen of schrijven was uiterst vermoeiend en dat maakte dat niets opschoot. Opschieten zat zo wie zo niet in zijn vocabulaire. Hij was altijd al met heel veel dingen tegelijk bezig en bijna niets maakte hij gelijk af. Ook zijn normale leven was bij hem een rommeltje. Hij had voortdurend conflicten met allerlei mensen in zijn directe nabijheid, maar ook met zijn uitgevers. Zijn broer Johann woonde sinds korte tijd in Wenen en pushte hem om wat meer structuur in zijn leven aan te brengen maar vooral ook om wat meer geregelde inkomsten te verwerven. Zo deed hij op diens aandringen in die tijd pogingen om een baan aan het hof van keizer Frans 1 te krijgen. De toenmalige keizer zag daar niets in omdat Beethoven bekend stond als een adept van de ideeën van keizer Joseph II die tussen 1780 en 1790 allerlei hervormingen doorvoerde. Deze hervormingen werden door zijn opvolgers weer grotendeels terug gedraaid en er heerste nu een conservatief klimaat. Het soort nieuwlichters-ideeën van Beethoven, daar waren ze rond de keizer niet van gediend. Maar het klimaat was op een andere manier toch opeens weer wat meer gunstig. Wenen werd nationalistisch. Men wilde opeens vooral Duitstalige componisten. De Italianen waren ”uit”. Daarnaast was hij inmiddels ook in het buitenland beroemd. Zo kreeg Beethoven verzoeken om composities te maken vanuit Sint Petersburg en vanuit Londen. In dat gunstige klimaat kreeg het componeren aan de negende symfonie opeens vleugels. Hij werkte voor zijn doen stevig door en voltooide in slechts ongeveer een jaar tijd de negende symfonie. De eerste uitvoering op 7 mei 1824 was gelijk een overweldigend succes. Hij stond naast de dirigent en dirigeerde mee, maar de orkestleden hadden uitdrukkelijk te horen gekregen dat ze niet op hem moesten letten. Hij kon door zijn doofheid gewoonweg niet horen wat ze speelden. Ja, hij zei dat hij wel de pauk kon horen… Naast de negende symfonie werden er trouwens ook nog drie delen uit zijn Mis in C uitgevoerd. Bij het scherzo van de negende was de geestdrift van het publiek zo groot dat de uitvoering zelfs tijdelijk gestopt moest worden. Toen kwam het vierde deel. “Ode an die Freude.” Na het laatste slotakkoord waren er maar liefst vijf uitbarstingen van applaus, de dirigent moest steeds terug komen, terwijl de etiquette voorschreef dat het er maximaal drie mochten zijn, en dat dan ook nog alleen als de keizerlijke familie aanwezig was. De keizer had echter laten afweten. De “Algemeine Musikalische Zeitung” bejubelde nu zelfs Beethovens moeilijkste werken zoals de Cellosonates opus 102 en de pianosonates opus 109, 110 en 111. Op 23 mei werd de negende symfonie nogmaals uitgevoerd. Daarna vertrok Beethoven naar slot Gutenbrunn in Baden, een kuuroord vlakbij Wenen, waar hij van alle vermoeienissen probeerde bij te komen. Hier had hij de jaren ervoor ook al enkele keren vertoefd, daar schreef hij bijvoorbeeld de Missa Solemnis en ook de negende symfonie was hier het jaar daarvoor grotendeels tot stand gekomen. Nu schreef hij er het eerste van de zogenaamde late strijkkwartetten opus 127 en ook zijn bagatellen opus 126. Met de serie bagatellen die hij iets eerder schreef, opus 119 had hij slechte ervaringen. Uitgever Peters vond ze waardeloos en wilde ze niet uitgeven. Peters vond het strijkkwartet en de bagatellen opus 126 trouwens ook maar niks. Maar de gebroeders Schott in Mainz dachten daar anders over. Ze kochten alles. Beethoven was eindelijk uit zijn schulden.
We zien dus hoe de dove en slechtziende Beethoven in zijn kuuroord in Baden bij Wenen de meest schitterende muziek wist te componeren. Nadat hij al tien jaren moeite had om het hoofd boven water te houden verdiende hij in 1824 eindelijk weer geld . Waarom was nu die negende symfonie in die tijd al populair, in tegenstelling tot bijvoorbeeld zijn opera Fidelio, zijn Missa Solemnis en veel van zijn latere kamermuziekwerken? Het eerste deel is geschreven in de bekende sonatevorm maar op een romantische en heel vrije manier. Het tweede deel, het scherzo, is opzwepend en niet heel moeilijk om naar te luisteren. Het derde deel, het adagio, is vooral lyrisch en opnieuw romantisch. Dat ging er in als koek, ondanks ook nu weer de vrije benadering van de vorm. Het meest uitzonderlijke deel is het slotdeel met het grote koor en de solisten. Het is moeilijk om goed uit te voeren, vooral door de enorme hoogtes waar zowel solisten als koor in moeten zingen, en dat niet slechts even maar een hele tijd achter mekaar. Je moet dus vooral excellente zangers hebben. De vraag is of de eerste uitvoeringen in die tijd zo excellent waren. Sommige kenners vonden de muziek prachtig maar de uitvoering belabberd. Daar kun je je van alles bij voorstellen. En wat zullen de toehoorders van de tekst hebben meegekregen? De tekst van Schiller is erg symbolistisch. Het is niet voor niets dat de symbolisten rond Gustav Klimt de tekst weer omarmden rond 1900. Schiller wilde de wereld verbeteren door de kunsten te bevorderen en er meer aandacht aan te geven. Het is een lofzang en een pleidooi voor de heilzame werking van dichtkunst, schilderkunst, muziek. Toen Beethoven net in Wenen was in 1792 kwam hij met het gedicht in aanraking en toen al schijnt hij gezegd te hebben dat hij dat gedicht ooit op muziek zou willen zetten. Schiller schreef het voor de vrijmetselaarsloge van Dresden. Ook in Wenen ging het toen goed met de vrijmetselaars, mede dank zij het progressieve beleid van keizer Joseph II. Die loges werden bezocht door kunstenaars als Mozart maar ook veel mensen uit allerlei hogere kringen discussieerden met elkaar over het idee: hoe een betere wereld te maken. Beethoven herkende zijn eigen idealen in dit gedicht. Toen hij ermee aan de slag ging in de negende symfonie selecteerde hij uit het vers slechts die versregels die hij kon gebruiken en ook paste hij enkele van die regels aan.
O Freunde, nicht diese Töne! Sondern laßt uns angenehmere anstimmen, Und freudenvollere.Freude!Freude!
Freude, schöner Götterfunken Tochter aus Elysium, Wir betreten feuertrunken, Himmlische, dein Heiligtum! Deine Zauber binden wieder Was die Mode streng geteilt; Alle Menschen werden Brüder, Wo dein sanfter Flügel weilt.
Wem der große Wurf gelungen, Eines Freundes Freund zu sein; Wer ein holdes Weib errungen, Mische seinen Jubel ein! Ja, wer auch nur eine Seele Sein nennt auf dem Erdenrund! Und wer’s nie gekonnt, der stehle Weinend sich aus diesem Bund!
Freude trinken alle Wesen An den Brüsten der Natur; Alle Guten, alle Bösen Folgen ihrer Rosenspur. Küsse gab sie uns und Reben, Einen Freund, geprüft im Tod; Wollust ward dem Wurm gegeben, Und der Cherub steht vor Gott.
Froh, wie seine Sonnen fliegen Durch des Himmels prächt’gen Plan, Laufet, Brüder, eure Bahn, Freudig, wie ein Held zum Siegen.
Seid umschlungen, Millionen! Diesen Kuß der ganzen Welt! Brüder, über’m Sternenzelt Muß ein lieber Vater wohnen. Ihr stürzt nieder, Millionen? Ahnest du den Schöpfer, Welt? Such’ ihn über’m Sternenzelt! Über Sternen muß er wohnen.
Beethoven zelf was lomp, onhandig, wantrouwend en grof. Toen zijn neef, die hij onder zijn hoede had genomen, aan de universiteit ging studeren wenste deze niet meer bij hem in huis te hoeven vertoeven. Beethoven snapte er niets van, zijn neef zei het onomwonden: als ik vertrek hebben we allebei geen last meer van elkaar. En Schindler, de man die tegen het einde van het leven van Beethoven zag dat hij geld aan hem zou kunnen gaan verdienen, kreeg nadat hij in het Prater nog na keuvelde over het concert met de eerste uitvoering van de negende symfonie van Beethoven daags daarna in een brief van hem te horen:
“Ik beloon de diensten die u me bewijst liever op gezette tijden met een geschenk dan dat ik u aan mijn tafel moet dulden. Want ik moet eerlijk bekennen dat u te vaak op mijn zenuwen werkt. Kijk ik eens een keer niet zo vrolijk, dan is het meteen: ‘Weer met het verkeerde been uit bed gestapt?’…Ík zal u vast zo nu en dan uitnodigen, maar wil niet dat u de hele tijd om me heen hangt. Daar wordt ik onrustig van.’
In de betreffende brief keurt hij hem zelfs geen aanspreektitel of groet waardig. Dit is een van de vele voorbeelden die gedocumenteerd is. Soms was hij ergens uitgenodigd en keek hij eerst voorzichtig naar binnen wie er allemaal waren. Als hij iemand zag die hem niet zinde vertrok hij gelijk weer. Van de andere kant, als hij geld nodig had, kon hij ontzettend slijmerig doen en allerlei beloftes doen. Die kwam hij nooit na. Desondanks bleven de meeste mensen in zijn nabijheid zijn genie zien en al deze tekortkomingen werden hem bijna altijd vergeven.
Terug naar de muziek. Wat hebben het eerste, tweede en derde deel van deze symfonie nu met het beroemde laatste deel te maken? Beethoven werkt vooral motivisch toe naar het einde. Het eerste motief van het eerste deel verwijst al vooruit naar het laatste deel: De kern is een dalend octaaf verdeeld in twee stukken: eerst een dalende kwart (A-E), gevolgd door een dalende kwint (E-A).
Het laatste deel begint met een snerpend dissonant akkoord, dan komt er een stijgend octaaf, onderverdeeld in een stijgende kwart gevolgd door de rest van de drieklankbreking. Dat motief dient op zijn beurt weer als voorbereiding op de stijgende kwint zoals die later ook door de tenor wordt gezongen. De dalende kwart en zijn omkering de stijgende kwint zijn zo kernmotieven in de hele negende symfonie. Het slotdeel bevat elementen van het eerste deel, tweede deel en derde deel (in groen gemarkeerd in de partituur). De strijkers “zingen” in dat begin de latere partij van de inleidingszang van de tenor. In al die delen zien we hoe de stijgende of soms dalende kwarten en kwinten een belangrijke rol vervullen. (Gemarkeerd met rood in de partituur). De partituur die je ziet is trouwens de pianoversie van Frans Liszt. Luister en kijk naar het begin van het slotdeel:
Het wemelt verder nog van allerlei andere motivische samenhangen waar ik nu niet verder op in ga. Maar Beethoven is zoals altijd een componist die lange tijd worstelt met heel veel gedachten tegelijk en die ze uiteindelijk op een onnavolgbare manier aan elkaar weet te smeden.
Schiller refereert in zijn gedicht ook aan de eeuwigheid. “Über’m Sternenzelt muss ein lieber Vater Wohnen, über Sternen muss er wohnen. Boven in een sterrentent moet een lieve vader wonen, boven de sterren moet hij wonen. “Beethoven laat ons dromen en de sterren, de belofte van geluk in de toekomst, gaan bij die gedachte twinkelen.
De laatste uitvoering van de negende symfonie die ik tot twee keer toe in zijn geheel heb beluisterd is die door het Rotterdams Philharmonisch orkest in Ahoy in Rotterdam. (December 2020, midden in de tweede coronagolf). Het stuk werd gespeeld in een compleet lege zaal. Alleen waren er camera- en geluidmensen bij om alles te registreren. Wat een speciale ode aan de vreugde! In een tijd waarin veel mensen hoopten op een betere toekomst voor de hele wereld. Niet alleen voor Europa, ook al weten we dat het hoofdthema van het vierde deel inmiddels als Europese volkslied wordt gebruikt. Een toekomst met de verwachting van hoop en blijdschap. Ode an die Freude. Ik vind het een prachtige uitvoering.
-‘Opa kom je eens kijken wat ik boven gemaakt heb?’ Hij had mijn bureau omgetoverd tot een gebouw in Padua, het universiteitsgebouw waar Galileo Galilei ooit heeft les gegeven en waar je zijn zetel nog kunt bewonderen. In zijn geval stond er ook nog een telescoop achter het gebouw, daarvoor had hij mijn camerastatief gebruikt. Het gebouw zelf was opgetrokken uit duplostenen. In zijn presentatie had Galilei aanschouwelijk gemaakt wat hij ontdekt had: de vier grote manen van Jupiter.
1,5 jaar geleden was ik in dat gebouw in Padua en had aan mijn kleinzoon daar toen over verteld. Ik kan me niet herinneren dat ik het er daarna nog ooit een keer met hem over heb gehad. Hij onthoudt alles, om akelig van te worden.
De vorige week donderdag, zondag en ook gisteren was hij een wetenschapper die veldwerk deed. Gewapend met een notitieblokje liep hij door het natuurgebied achter ons huis.
Ik had ook een functie: alle objecten die hij ontdekte en waarvan hij aantekeningen maakte moest ik fotograferen. Het werd een fantasievolle verzameling. Als we alle objecten mee hadden genomen had je er een tentoonstelling van kunnen maken. Toen ik zelf kind was gingen we ooit naar een dergelijke tentoonstelling. Een tuin van een vriendje lag vol met exotische voorwerpen. Elk voorwerp had die jongen voorzien van een schriftelijke toelichting: “Fiets van Hitler.” Hieronder een selectie van de foto’s die ik maakte:
Gefossiliseerde afdrukken van een dinosaurus
Het gebied van de Rietosaurus
Oermicroben in de oerzee
gefossiliseerde oervis
De tweede tocht door het onderzoeksterrein was mijn vrouw er ook bij. Zij leerde mijn kleinzoon op een gegeven moment om niet alles voluit te schrijven, maar om afkortingen te maken. Dan kon hij het thuis nog verder uitwerken.
De uitwerking, dat is er nog niet van gekomen. Wel tekende hij de botsing van Theia met de aarde.
Verder heb ik hem gisteren geholpen met zijn huiswerk. Er was ook een diktee met moeilijke woorden maar die vindt hij niet moeilijk genoeg. Hij maakte dus gewoonweg zijn eigen diktee. “Een asteroïde is neergestort in Siberië.” Hij had het diktee goed gemaakt vond hijzelf. Daarna wilde hij nog een werkstuk maken. Dat ging over Uranus. Achter de computer. Dat gaat ook al steeds beter, omgaan met een tekstverwerker. Maar het is nog niet af. En ik hielp hem ook nog met zijn opgaven voor de orgelles. De eerste oefeningen uit Organo Pleno deel 2. Vijf nieuwe noten en nieuwe ritmes. Dat is weer aanpoten. ‘Opa, ik verlang weer naar deel 1’. Maar ik vond dat het best al snel beter ging. Wat erg leuk was: hij pikt mijn instudeermethodes op. Een van de dingen die ik met hem deed, en dat vooral om zijn focus te richten: -‘Als je een fout maakt moet je opnieuw beginnen, totdat het helemaal goed gaat.’ Daar was ik onverbiddelijk in. Zondag deed hij het nog braaf, maar maandag ging hij het uit zich zelf toepassen. Fanatiek bleef hij oefeningen eindeloos herhalen.
Maar nu vandaag is hij door zijn vader geholpen met zijn huiswerk en had hij net een videogesprek met zijn juf. Zijn moeder had een stukje opgenomen van dat gesprek en stuurde het door. Het ging over de botsing van Theia met de aarde. Hij vond het helemaal niet eng meer. Het was heel erg lang geleden gebeurd. En misschien gebeurt het ooit nog een keer, maar dan zijn er geen mensen meer, de mensen zijn dan al lang uitgestorven. Net als de dinosaurussen.
Maar Theia, daar kun je nog iets van zien. Waar hij ooit de aarde raakte, daar staat nu een blauw paaltje. Met mijn logo aan de bovenkant. Het paaltje heeft een zelfde spleetje als te zien is in mijn kin, zo merkte mijn kleinzoon op. Het blauwe paaltje zal nooit meer hetzelfde zijn. Voor mij heeft het het logo van Theia.
Constantijn Huygens was dichter, secretaris, componist en amateur wetenschapper. Zijn zoon Christiaan werd in de geest van zijn vader opgevoed, leerde ook musiceren en de beginselen van de muziektheorie maar uiteindelijk hield hij zich vooral met wetenschap bezig. Hij vond het slingeruurwerk uit en hij maakte meerdere telescopen. Een van die telescopen kun je nog steeds bewonderen in zijn voormalige woning Hofwijck, nu ingericht als museum. Daarnaast schreef hij over de kosmos, waarbij hij ook uitwijde over muzikale vraagstukken als de komma van Pythagoras en over de getempereerde stemming, lang voordat die pas in de tijd van Bach gemeengoed was. Mijn kleinzoon kent Huygens vooral vanwege het feit dat hij de ringen van Saturnus heeft ontdekt en ook zijn grootste maan Titan.
Ik moest hier aan denken toen ik me een beetje verdiepte in Friedrich Herschel (zie de foto hier onder.) Toen hij twaalf jaar was overleed Bach. Hij is tijdgenoot geweest van Haydn en Mozart en heeft uiteindelijk zelfs Beethoven met een jaar overleefd.
Geboren in Duitsland begon hij daar als organist en componist maar hij verhuisde al op negentienjarige leeftijd naar Engeland waar hij uiteindelijk zelfs in de adelstand werd verheven. Muziek was niet het enige in zijn leven, zijn grote passie werd de astronomie. Hij bouwde een erg grote telescoop, de grootste zelfs toentertijd van de hele wereld. En hij verdiepte zich in alles wat hij aan de hemel zag. Zo ontdekte hij dat onze zon gewoon een onderdeel is van de melkweg. En hij ontdekte allerlei verre melkwegstelsels, zoveel dat hij begon met het aanleggen van een uitgebreide catalogus, de Nebulae Galaxy Catalogue (NGC). Nog steeds worden melkwegstelsels vaak aangeduid met een NGC nummer. Toch is hij misschien nog meer bekend door zijn ontdekking van Uranus. Uranus! Er blijkt in 1783 nóg een planeet te zijn! Het eeuwenoude stelsel van Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus als bekende “dwaalsterren” (planeten) wordt opeens uitgebreid! Enkele jaren later ontdekt hij ook nog dat deze nieuwe planeet manen heeft: Oberon en Titania. Uiteindelijk ontdekken wetenschappers pas heel veel later dat het er zelfs bijna 30 zijn. En door de diverse ruimtemissies hebben ze intussen nog veel meer bijzonderheden ontdekt. Ze weten dat Uranus op zijn kant roteert. Alle andere planeten roteren in een hoek van ongeveer 23 graden, Uranus in een hoek van 98 graden. Een van de mogelijke oorzaken is dat er in het verre verleden een botsing is geweest met een kleine planeet waardoor hij gekanteld is. De vele maantjes van Uranus zouden dan ook verklaard kunnen worden als restanten van deze botsing. Samen met de in de negentiende eeuw ontdekte Neptunus vertoont Uranus grote overeenkomsten met de gasreuzen Jupiter en Saturnus. Het grote verschil met deze planeten is de afwezigheid van een omringende mantel van metallische waterstof. En het gas van deze gasplaneet is bevroren, het is een van de zogenaamde ijsplaneten.
Uranus is onder zeer goede omstandigheden met het blote oog waarneembaar als een zeer klein puntje. Het lijkt gewoon een onopvallende verre ster. Zo’n tien jaar geleden is het mij gelukt om hem een keer met mijn verrekijker te zien. Maar nu heb ik hem op de foto! Dankzij mijn mooie camera. Hij staat op dit moment in de buurt van Mars en bij een aantal goed zichtbare sterren van het sterrenbeeld Ram. Ik maakte een foto van het gebied waar hij te zien moest zijn en vergeleek die foto met datzelfde deel in het astronomische programma Stellarium. En wat ik hoopte werd bewaarheid: Uranus staat er bij, zonder enige twijfel! Ik ervoer iets van de sensatie die ook Herschel ervaren moet hebben toen hij er achter kwam dat het niet om een sterretje ging wat hij daar zag, maar om een planeet! Hij zal gedurende enige tijd waarnemingen hebben gedaan en zo tot die conclusie zijn gekomen. Mij lukte het dankzij mijn fotocamera en de prachtige softwareprogramma’s die er tegenwoordig zijn. Zo kan zelfs een amateur als ik in een land met slechte waarnemingsmogelijkheden toch nog het een en ander zien.
Op bovenstaande afbeelding zie je links mijn foto en rechts hetzelfde gebied zoals dat op het software programma Stellarium wordt weergegeven. Op mijn foto: het meest linkse, blauwe puntje onderaan op de foto is Uranus.
Op die foto zie je ook Mars. Ik maakte daar ook nog een (met filters bewerkte) detailopname van.
Herschel was organist. Mijn oudste kleinzoon twijfelt of hij zelf organist of wetenschapper wordt. Herschel bewijst dat je deze beroepen kunt combineren. De orgelmuziek van Herschel is braaf, maar zeker de fuga in onderstaand stuk is niet onaardig. Zijn wetenschappelijke werk daarentegen is indrukwekkend en heeft zijn naam voorgoed gevestigd. Kijk je naar Uranus, dan denk je aan Herschel. En dan hoor je misschien in gedachten zijn muziek gespeeld op een mooi orgel.
Mijn oudste kleinzoon wil alsmaar een keer in het echt de Melkweg zien. En hij vraagt dan of dat hier in West-Nederland ook wel kan. Bijna nooit dus, er is altijd wel iets. In het noorden van het land heb je meer kans, met name op de wadden-eilanden. Of in Frankrijk.
Maar afgelopen nacht was er dan toch eindelijk weer eens een prachtige sterrennacht. Je zag niet de mooie sliert van de Melkweg, maar je zag op de plek waar die zou moeten zijn duidelijk meer sterren dan op andere plekken, bijvoorbeeld ter hoogte van het sterrenbeeld Cassiopeia. Mijn kleinzoon was gisteravond tegen zeven uur samen met zijn moeder al naar buiten gegaan en had genoten van de relatief grote hoeveelheid sterren.
Ik maakte foto’s in de omgeving van mijn huis. De eerste foto’s maakte ik nog voor zeven uur ‘s avonds. Later rond half tien nog enkele. En tenslotte nog weer enkele zonet. Dat was vanochtend tegen vijf uur. De maansikkel was juist tevoorschijn gekomen boven de Lek.
Het was heerlijk gisteravond en misschien nog heerlijker deze ochtend. Er was vocht in de lucht en helaas ook op de lens, dat zie je vooral op de foto’s van vanochtend. Maar ondanks de lichte vrieskou voelde het helemaal niet koud. Het begin van het derde deel van de negende symfonie van Beethoven past mooi bij deze sfeer. Dit soort nachten zijn voor mij een onbetaalbaar geschenk.
In het filmpje (link hierna) kun je onder meer de Orion zien met Betelgeuze en Rigel en later in het filmpje ook een detail met de Orionnevel, Castor en Pollux, de Pleïaden, Aldebaran, de Grote Beer en de Poolster, Perseus en Cassiopeia, Sirius, de opkomende maan met een eind verder rechts er boven Spica en nog veel meer. Bekijk het filmpje liefst op een groot scherm in volledige modus. In een van de volgende blogs zal ik nog op enkele details ingaan.
Op school had mijn oudste kleinzoon naar het jeugdjournaal gekeken en volgens hem was er gezegd dat er over twee jaar een asteroïde tegen de aarde aan zou gaan botsen. -‘Is dat waar opa?’
Ik was heel benieuwd naar dat bericht maar kon niets vinden wat daar mee te maken had. Ik zei dat heel soms een meteoriet of asteroïde in zijn baan wat dichter bij de aarde komt dan normaal. Maar nooit zo dichtbij dat dat gevaarlijk is.
Diezelfde avond nog wilde hij het filmpje van “ontstaan aarde” deel 1 zien. Bij de animatie van een asteroïde van 4 miljard jaar geleden was hij er toch weer niet gerust op. Hij zag dan wel dat het een animatie was, maar: ‘kan dit echt niet gebeuren?’ Ik bezwoer hem dat dit écht niet kon gebeuren.
Thuis tekende hij de volgende dag hoe op TV wordt verteld dat er een gevaarlijke asteroïde op weg is naar de aarde. Zijn moeder liet de tekening via een app-berichtje aan me zien.
Het was een mooie tekening maar ik appte mijn dochter, om hem te vragen: “maak eens een tekening dat er een slimme wetenschapper is die door heeft dat het helemaal niet waar is en dat deze wetenschapper dat aan de mensen bekend maakt”. Ook dat ging hij tekenen. Het goede nieuws werd tot slot gevierd met een feest.
Toen hij een dag later weer bij ons was begon hij er potverdrie alweer over. Ik besloot het over een andere boeg te gooien en vertelde over de norad-objecten: duizenden satellieten en stukken ruimtepuin die voortdurend in de gaten worden gehouden. En het mooie is: die slimme wetenschappers kunnen er een raket naar toe sturen die zorgt dat alles wat ook maar een heel klein beetje te dicht in onze buurt komt een andere kant op gaat. Er kan dus gelukkig helemaal niets met de aarde gebeuren.
Ook dat ging hij tekenen. Hij maakte er een overzichtelijk vier stappenplan van. Er dreigt een asteroïde tegen de aarde aan te gaan botsen. Er wordt een raket op afgestuurd. Via Mars gaat het object terug naar de asteroïdengordel. (Die ligt zoals uiteraard iedereen weet tussen Mars en Jupiter). De aarde is gered!
Autisten houden van duidelijkheid. Onverwachte dingen mogen, maar alleen als het erg leuke onverwachte dingen zijn. Gelukkig weten opa en oma meestal wat leuke onverwachte dingen zijn. Leuke onverwachte dingen zijn: opeens mogen logeren, of naar een leuke speeltuin gaan. Niet zo leuke onverwachte dingen zijn veranderingen in huis. Zoals een houten eettafel met opeens een rood laken er over heen. -‘Waarom ligt dat laken over de tafel?’ -‘Er waren gisteren twee mensen die kwamen eten, en we hebben het toen extra feestelijk gemaakt.’ -‘Dat laken kan er nu toch weer van af?’ -‘Ja hoor.’ Hij hielp met het verwijderen van het tafellaken en keek tevreden om zich heen. Alles was weer gewoon. Enkele dagen eerder had hij staan schreeuwen en huilen omdat ook bij zijn ouders de kersttafel mooi was versierd. Dat moest onmiddellijk weg. Het gebeurde niet en hij bleef stampij maken. Ook toen opa en oma kwamen. Na een tijdje zei ik: -‘Oma, zullen we maar naar huis gaan. Hij blijft maar zeuren en gedoe maken over die tafel. Ik vind het niet meer leuk.’ Ik stond op en oma ook. Hij schrok. -‘Nee, nee!’ Vervolgens ging hij ontzettend zijn best doen om de aangeklede tafel te accepteren. Als compromis haalde hij de versieringen rond zijn eigen eetplek weg. Toen de volgende dag alles was opgeruimd was hij zichtbaar opgelucht.
Er is niet altijd peil op te trekken wat gewoon is en wat niet. Toen er een kerstboom kwam mocht dat, hij maakte er zelfs eigen versieringen in. Ook de kerstboom bij het stadhuis in zijn woonplaats vindt hij prachtig. -‘Kerstmis vind ik de mooiste tijd. Alles is zo mooi versierd.’ Vol bewondering kijkt hij naar alle lampjes en verdere versieringen overal. Ook bij ons bij de eettafel mag dat dan weer wel. Maar waarom geen tafelkleed? Wonderlijk hoe dat allemaal werkt.
Hij heeft van het huis een heelal gemaakt. Trappenhuis, huiskamer, slaapkamers. Overal kom je delen van het heelal tegen. Halverwege de trap in een nisje zijn de aarde en de maan. Naast het bed van opa en oma bevinden zich Uranus en Neptunus. In een andere kamertje is er een asteroïdengordel. Maar goed dat opa en oma niet autistisch zijn want ze zouden vast niet tegen al die veranderingen kunnen..
Gisteren waren we in de speeltuin. Allerlei toestellen, een kabelbaan. Elke plek was een onderdeel van ons zonnestelsel. Opeens liep hij te klappertanden. Het was inderdaad erg guur, waterkoud met een vochtige, ijskoude mistachtige atmosfeer. Maar nee, hij bleek op Neptunus te zijn. Logisch dat je dan loopt te klappertanden. Al zijn ervaringen deelde hij met de aanwezige kinderen en hun ouders. Die waren opeens ook op Neptunus, of ze het wilden of niet. In de buurt van Venus kreeg hij het weer warm en terug op aarde was er niets meer aan de hand.
-‘Oma mag ik op jouw school een keer iets komen vertellen over planeten?’ Oma dacht dat dat misschien wel een keer zou kunnen. Het wordt een leuke presentatie, hij wil zijn pas gekregen planeten en dwergplaneten mee nemen om alles aanschouwelijk te maken. Ook is hij bezig met het bedenken van enkele quizvragen.
Spontaan begon hij aan een betoog van zo’n 10 minuten dat ik heb opgenomen. Hieronder de eerste twee minuten.
Hij zit op de grens van begrijpen van veel van die dingen. Ja wie begrijpt het trouwens wel? Ook de relativiteit van veel dingen kan hij nog niet echt vatten. Hij is wel voortdurend met tijd bezig. – ‘Toen de dinosauriërs uitstierven, was dat nog voor de prehistorie?’
Hij weet in ieder geval dat er bij al die dingen veel nullen komen kijken. Hoe ver iets weg is? Veel nullen. Hoe groot iets is? Veel nullen. Hoe warm het ergens is? Veel nullen. De wetenschap is duidelijk. Alles wordt gemeten en ze weten precies wat er aan de hand is. Exact hoeveel nullen er bij komen kijken. -‘Opa, hoe meten ze dat hoe warm een ster is?’ Dat gaat hij nog leren. Want op dit moment gaat hij er van uit dat hij astronoom wordt. Dan rekent hij gewoon alles uit. Dan is alles superduidelijk en overzichtelijk.
Ik was met mijn oudste kleinzoon mee naar zijn orgelles. We waren te vroeg. We hadden allebei geen zin om te wachten bij de gesloten kerk tot de docent ons kwam halen dus besloten we om eerst nog een rondje te lopen rond de kerk. Zo liepen we om de breedste kerk van Nederland heen. Dat rondje duurt ongeveer zeven minuten. Op een bankje zaten enkele jongens die door mijn kleinzoon werden begroet: ‘Hoi!’ Mijn kleinzoon had een colbertje aan, daar overheen droeg hij een opzichtige, maar mooie stropdas, en daar overheen nog een winterjas. De winterjas was zodanig dicht gemaakt dat zijn stropdas nog goed was te zien, zo wilde hij het. De jongens keken naar hem en ze keken naar de stropdas en ze groetten terug. Daar kwam een groepje Aziatische toeristen. Ook zij werden hartelijk begroet: -‘Hoi!’ Wat zijn de Nederlanders toch hartelijke mensen, en wat hebben ze mooi kleren aan, dachten de toeristen. We waren weer bij de ingang. Het was nu nog acht minuten. -‘Nog een rondje?’ -‘ Ja hoor.’ We kwamen dezelfde mensen alweer tegen die ook weer op dezelfde manier werden begroet: -‘Hoi’. De Aziaten waren bijzonder gecharmeerd en wensten ons een “merry christmas”.
Het “merry christmasfeest” ging door bij de orgelles want, ongebruikelijk, begon de docent met een improvisatie. -‘Ken je een liedje?’ Na enig nadenken wist mijn kleinzoon: -‘Het is geboren het liefelijk kind. Dat is een kerstliedje’. Dat werd het uitgangspunt van een improvisatie. Hij speelt heel veel liedjes uit zijn hoofd, zo ook dit kerstliedje. In de bas speelt hij dan meestal bastonen, rechts speelt hij dan de melodie aangevuld met wat akkoordtonen. Maar nu moest het opeens heel anders. De bas kwam niet in zijn linkerhand maar in het pedaal, die moest hij dus met zijn voeten spelen. In de linkerhand moest hij op een ander manuaal de bijpassende akkoorden spelen. Maar: hij mocht voor het eerst op het pedaal spelen! Waw! Dat vond hij erg leuk. Hij mocht wel geen akkoorden spelen op het manuaal waar de melodie zat, dat was wennen. Op zich is het heel logisch om op bijvoorbeeld een piano in de rechterhand bij de melodie ook akkoordtonen te spelen. Dat is feitelijk zelfs heel muzikaal. Akkoordtonen liggen meestal dichter bij de melodie dan bij de bas. Maar op een orgel heb je meerdere manualen en dan kun je een mooi verschil in klankkleur maken tussen melodie en akkoorden. De docent deed het voor. -‘Ik snap het.’ Wat hij snapte was vooral de vorm zoals de docent het had voorgedaan: een klein stukje van de melodie, dat herhalen in een andere toonsoort met een andere pedaaltoon, en dat nog enkele keren. Maar slechts een “solomelodie” in de rechterhand, dat vond hij lastig. Dat moest hij thuis maar eens gaan oefenen.
Het was kerstmis. Wij, grootouders, kwamen eten bij mijn drie kleinkinderen en hun ouders. De oudste was boven bij het keyboard en ik ging op de muziek af. – ‘Opa, zal ik een tutti-improvisatie spelen?’ Hij improviseerde een “duet voor pedaal en manuaal”. Het was heerlijke, leuke en originele muziek. Zijn keyboard heeft geen pedaal, dus de pedaalpartij speelde hij met de linkerhand. Maar zijn voeten deden enthousiast mee!
En daarnaast speelde hij ook nog twee kerstliedjes
Het eten was nog niet klaar. We gingen nog even een wandelingetje maken. Eigenlijk wilden we sterren kijken. Die waren niet te zien, wel kwam af en toe de maan tevoorschijn. En het was doodstil in de stad.
Doodstil? Nee, we hoorden in de verte bij de kerk het orgel, en we hoorden als je goed luisterde hoe er binnen in de kerk werd gezongen. De kerkgangers zongen kerstliedjes. We liepen er heen en luisterden, met onze oren tegen het portaal aangedrukt.
Maar we moesten doorlopen. Het eten stond in de oven en was al bijna klaar. Even later zaten we aan tafel, mijn oudste kleinzoon ging eerst nog even naar boven en speelde daar vijf kerstliedjes op zijn keyboard. Boven was de kerk. Ze klonken bij ons stemmig, vanuit de verte.. Net zoals zo even in het stadje.
In een naburig klein bos is er een avonturenroute voor kinderen, je kunt er klimmen en klauteren. Mijn oudste kleinzoon ging als eerste de smalle plankenbrug over. “Ik ben Jan zonder vrees!” juichte hij, aangekomen aan de overkant. Toen kon zijn broertje natuurlijk niet achterblijven, hij deed het misschien zelfs nog behendiger. Hun zusje durfde niet goed maar samen met oma dan toch weer wel. Iedereen was er al. Behalve ik.
Oeps!
Daar lag ik in de sloot. Een halve meter op de vijfmeterplank had ik gehaald, toen gleed ik onverbiddellijk uit. En lag ik in een keer tot mijn middel in de modder. -‘Opa, heb je pijn? Opa gaat het met je? Opaaa!’ Wat een liefdevol medelijden van iedereen. Ik baalde uiteraard als een stekker maar maakte duidelijk dat er met mezelf niets aan de hand was. -‘We gaan naar huis, schone kleren, en alles is over.’
Dus zo snel mogelijk terug terug naar de auto (die ik trouwens nog steeds moet schoon maken bedenk ik…) Maar het was mooi weer en veel hondenbezitters vonden dat ook. In straffe pas met mijn zware modderbroek wilde ik snel een vrouw met drie loslopende honden passeren. Lieve honden, dat zag ik gelijk, alhoewel ze de modder aan mijn broek erg interessant vonden ruiken. Mijn oudste kleinzoon is panisch voor elke hond en schreeuwde al op 20 meter afstand of ze niet aan de lijn konden. De vrouw gaf geen sjoege. Mijn kleinzoon bleef intussen het hele bos alarmeren in een hels gekrijs van pure angst. Mijn vrouw vroeg het toen ook maar een keer. -‘Kunt u de honden aan de lijn doen, hij is panisch, dat komt door zijn autisme’. ‘-Nee, daar pieker ik niet over.’ Mijn vrouw sleurde onze kleinzoon langs de plek des onheils maar er volgde nog een tweede onheilsplek. Een man liet twee grote herdershonden drinken in een sloot. Ook die beesten waren niet aangelijnd. Het gillen begon opnieuw en ook het vriendelijke verzoek om de dieren aan te lijnen. Slechts een hoongelach bereikte ons. En alweer moest mijn kleinzoon aan het angsttafereel voorbij gesleept worden.
Nu het goede nieuws. De dag ervoor waren we met onze kleinkinderen in een speeltuin. Twee iets grotere kinderen waren op een veldje aan het voetballen. -‘Mag ik mee doen?’ vroeg de oudste. Dat mocht hij en zijn broertje mocht ook. Het ging goed, er werd echt gespeeld en iedereen had plezier. Wat leuk om te zien, vooral ook omdat dit in het verleden wel eens anders is geweest. Na een tijdje mocht hun zusje ook nog mee doen.
Nu gaan we weer terug naar de dag erna, de dag van het modderpak. Ik stapte dus bemodderd uit de auto en intussen wilden de twee jongetjes buiten blijven spelen, ze wilden voetballen. Hun zusje ging, nog steeds bezorgd, met mij mee naar de badkamer. Terwijl ik de modder afspoelde ging zij intussen alle ramen zemen. Ik merkte aan haar dat ze nog steeds een beetje van slag was. Zij trekt zich al die dingen erg aan. Ik denk trouwens nog het meest de ellende met die honden. Maar ik was al weer helemaal blij en opgewekt en ik zag er weer piekfijn uit. Ik ging in het kelderwashok alle kleren uitspoelen en ze in de wasmachine doen. Ook daarmee wilde zij helpen. Zo. Tijd voor een kopje thee. En even later kwamen de jongetjes binnen. De oudste vertelde enthousiast: -‘Mijn broertje heeft gewonnen maar dat vind ik helemaal niet erg.’ Ik wist niet wat ik hoorde. Hij keek zo blij. Ze hadden een half uur gevoetbald en blijkbaar zonder ruzie te maken. Wat goed! Wat leert hij toch veel! En wat is hij lief. Die honden was hij ogenschijnlijk al weer vergeten.
Niet zijn zusje die de rest van de middag hangerig was en vaak een beetje stil op de bank lag. Zij is hypergevoelig voor sfeer en ruzie en spanningen. Die waren er geweest, met mijn valpartij maar vooral ook met de honden.
Mijn oudste kleinzoon ging gewoon verder. Met piano spelen bijvoorbeeld. Veel improviseren. Toen hij merkte dat ik hem stiekem opnam moest ook Für Elise nog gespeeld worden. Ik denk dat we voorlopig niet meer naar het avonturenbos gaan trouwens.
Jupiter en Saturnus kruipen naar elkaar. Van 17 tot 20 december (19 december ontbreekt) heb ik het proces proberen vast te leggen. Hoe kun je dat zichtbaar maken? Ik heb drie foto’s naast elkaar geplakt, telkens zodanig dat de beide planeten er net linksboven en rechtsonder opstaan. Je ziet dan dat het steeds meer een close-up moet worden waardoor ze steeds groter lijken te zijn. Ook zie je dat de hoek waarmee ze boven elkaar staan verandert. De eerste dag is het nog zo’n 40 graden, de laatste dag staan ze al bijna recht boven elkaar. Vanavond, het moment van de echte conjunctie, gaan ze versmelten om 19:26 uur. Dan zijn ze al onder de horizon. De beste waarnemingsmogelijkheden zijn zo tussen 17:15 en 18 uur in het zuid-westen. Mits er geen wolken zijn…
Hieronder nog een film-impressie op basis van foto’s. Ze zijn gemaakt vlakbij mijn huis gedurende de drie avonden dat ik deze foto’s maakte. Op de eerste foto zie je rechts onder Jupiter overigens ook nog een van zijn manen, in dit geval IO. Je ziet ook hoe onze maan (“de maan”) geleidelijk van een sikkel verandert in al bijna eerste kwartier. De muziek die je hoort zijn drie preludes van Ciurlionis, gespeeld door Nathalie Damm
Eerder bericht van mij: de ster van Bethlehem Op de blog pagina van Jona Lendering: De grote conjunctie In de Volkskrant van 21 december staat ook een aardig artikel van Govert Schilling over het verschijnsel
Een soldaat bewaakt de stad. Hij valt bijna in slaap, maar dat mag niet: hij moet waakzaam zijn. Knikkebollend probeert hij wakker te blijven. Er dreigen immers gevaren. Zo moet de mens ook waakzaam zijn. Voor je het weet heeft de duivel je in zijn ban. En je zult zo wie zo wel niet helemaal zondenvrij zijn. Ben dus waakzaam, en vraag als het zover is aan de grote rechter om geduld met je te hebben en je te reinigen van je zonden.
Met dit beeld componeert Bach in het vierde deel van cantate 115 een aria voor sopraan waarbij hij een aangepaste tekst van Johann Burchard Freystein uit 1695 gebruikt:
Bete aber auch dabei mitten in dem Wachen! Bitte bei der großen Schuld deinen Richter um Geduld, soll er dich von Sünden frei und gereinigt machen! Bid terwijl je waakt, vraag terwijl je grote schuld hebt je rechter om geduld, en dat hij je zal bevrijden en reinigen van je zonden.
In het oorspronkelijke gedicht is de tekst een beetje langer: Bete aber auch dabei, mitten in dem Wachen denn der Herre muss dich frei, von dem allem machen, was dich drückt und bestrickt, dass du schläfrig bleibest, und sein Werk nicht treibest!
Bid tegelijk, midden in het waken want je Heer moet je vrij maken van alles dat je bedrukt en gevangen houdt zorg dat je niet in slaap valt en zijn werk niet verpest
Waarbij in bovenstaand gedicht allerlei soorten rijm worden gebruikt zien we bij Bach slechts de twee woorden “beten” en “bitten” die elkaar aanvullen en de tekst handen en voeten geven. De mens wordt aangemoedigd om waakzaam te zijn en niet in slaap te vallen. Je geest kan snel verstrikt raken. Bid (bete) en waak. Vraag (bitte) in je gebed om geduld.
De tekst wordt gezongen door een sopraan en zij wordt begeleid door een blokfluit en een kleine cello. Daar onder zit slechts een eenvoudige basso continuo. Die laatste heeft een zeer effectieve functie: zij laat de langzame hartslag horen van iemand die bijna in slaap is gevallen. Molto adagio klinkt er op elke kwart een bastoon met daarboven een akkoord. Je hoort de traag ademende wachter. Acht maten lang spelen of de fluit of de cello een melodielijntje van steeds een maat, gevolgd door een korte ontwikkeling van twee maten waarin de melodielijntjes als in een soort fugato elkaar al eerder imiteren. Daarmee wordt de inleiding afgesloten. Maar hoe eenvoudig en verfijnd klinkt dit alles! Door de instrumentatie, door het tempo, door het spel van de twee instrumentalisten. De fluit en cello zingen als engeltjes in de oren van de half waakzame mens, en fluisteren als het ware de volgende tekst:
De hele inleiding, waarin bovenstaand motief in elke maat zit, klinkt zo
Als dan de sopraan gaat zingen klinkt het bidden in eerste instantie heel eenvoudig, slechts een lange toon, gevolgd door een klaaglijke kleine secunde naar beneden.
Even later (ook in bovenstaand geluidsfragment) zingt ze op dezelfde melodie die we al in de fluit en cello hoorden “de fluistertekst van de engeltjes”.
Daarna komt het tweede tekstgedeelte, het bidden gaat over in een verzoek, beten wordt bitten. Bitte bei der großen Schuld deinen Richter um Geduld, soll er dich von Sünden frei und gereinigt machen! De sfeer van het begin blijft ook in dit middendeel van de driedelige da capovorm. Het voornaamste contrast is de toonsoort: Fis-mineur en A groot in plaats van B-mineur en D-groot. Ook zien we wat meer beweging, snellere noten en sprongen. Luister hieronder naar het hele B-deel.
Het slot van deze passage licht ik er nog even uit. Hoe laat Bach ons horen dat je ziel gereinigd kan worden? Bijvoorbeeld door de keuze en plaats van de akkoorden. Je kunt het proces volgen in onderstaand fragmentje van de partituur. Harmonisch zien we een voortdurende herhaling van afsluitende cadensen (II-V-I, IV-V-IV64-I64-V-I, IV-II-V9-I, IV-V7-I). Maar bij slechts twee van deze cadensen gaat zowel de muziek naar een zwaar moment als wordt ook de tekst daar afgesloten: dat is na “gereinigt machen”. Als je bent gereinigd dan is er iets afgesloten, dan is het klaar. Het woord “gereinigt” springt er alle drie de keren zo wie zo uit. De eerste keer ritmisch: reinigen is een proces, je hoort hoe het woord verlengd wordt. De tweede keer begint “reinigt” op de verminderde kwint van het verminderde G#-akkoord, maar die lange toon, een D, wordt pas echt dissonant als hij overgaat in de dissonante kleine noon van het dominant none-akkoord. Deze toon maakt dan ook nog eens een enorme sprong van een verminderde septiem naar beneden: nu wordt de zondaar pas echt aangepakt om schoon gemaakt te worden! De derde keer, vlak voor het slot, is er nog een zekere ritmische benadrukking van het “gereinigt machen” door de twee gepuncteerde figuurtjes.
Dan komt de inleiding met het A-deel terug. Luister hier naar het hele deel en probeer de hartslag en het klagende bidden en het reinigende vragen te horen van de half waakzame mens.
Bij het luisteren naar deze cantate werd ik bij het horen van dit deel getriggerd: wat wordt er eigenlijk gezongen? Ik las de tekst en dacht: niets bijzonders. De oorspronkelijke tekst lijkt dan misschien wel iets meer om het lijf te hebben. Maar toch? Voor Bach maakt het allemaal niets uit. Hij zoekt wat er achter de woorden zit en zet die gedachten om in muziek. Hij bouwt een aansprekende sfeer en gebruikt retorische middelen om de tekst zo expressief mogelijk te laten overkomen. En voilá: opeens klinkt er adembenemend mooie muziek. Maar de uitvoering doet ook veel. Wat een geweldige zangeres is Joanne Lunn, wat zingt ze suggestief en subtiel. En dat in eendrachtige harmonie met de blokfluit en cello.
Joanne Lunn, sopraan Rachel Beckett, blokfluit David Watkins, cello-piccolo John Eliot Gardiner en the English baroque soloists Opgenomen in de kerk “All Saints” in Tooting, 17 november 2000
Luister hierna naar de volledige cantate BWV 115 (spoel door naar 26:00)
1. Choral Mache dich, mein Geist, bereit, wache, fleh und bete, dass dich nicht die böse Zeit unverhofft betrete; denn es ist Satans List über viele Frommen zur Versuchung kommen.
2. Aria, Alt: Ach schläfrige Seele, wie? ruhest du noch? Ermuntre dich doch! Es möchte die Strafe dich plötzlich erwecken und, wo du nicht wachest, im Schlafe des ewigen Todes bedecken.
3. Recitativo, Bass: Gott, so vor deine Seele wacht, hat Abscheu an der Sünden Nacht; er sendet dir sein Gnadenlicht und will vor diese Gaben, die er so reichlich dir verspricht, nur offne Geistesaugen haben. Des Satans List ist ohne Grund, die Sünder zu bestricken; brichst du nun selbst den Gnadenbund, wirst du die Hilfe nie erblicken. Die ganze Welt und ihre Glieder sind nichts als falsche Brüder; doch macht dein Fleisch und Blut hierbei sich lauter Schmeichelei.
4. Aria, Sopran: Bete aber auch dabei mitten in dem Wachen! Bitte bei der großen Schuld deinen Richter um Geduld, soll er dich von Sünden frei und gereinigt machen!
5. Recitativo, Tenor: Er sehnet sich nach unserm Schreien, er neigt sein gnädig Ohr hierauf; wenn Feinde sich auf unsern Schaden freuen, so siegen wir in seiner Kraft: Indem sein Sohn, in dem wir beten, uns Mut und Kräfte schafft und will als Helfer zu uns treten.
6. Choral Drum so lasst uns immerdar wachen, flehen, beten, weil die Angst, Not und Gefahr immer näher treten; denn die Zeit ist nicht weit, da uns Gott wird richten und die Welt vernichten.
Andere stukjes die ik schreef naar aanleiding van een cantate van Bach
Als je gevoelig bent voor een bepaalde symboliek: komende maandag is het een bijzondere dag. Het is de kortste dag van het jaar, de astronomische winter begint. De wende is exact om 11:02 uur. Maar nu komt het: precies op die dag is er een vrijwel exacte conjunctie (samenstand) tussen Jupiter en Saturnus, de enige twee buitenplaneten die je met het blote oog kunt zien. Conjuncties tussen deze twee planeten zijn zeldzaam, de volgende zal pas over twintig jaar plaats vinden. Maar deze is nog meer bijzonder omdat de twee planeten echt lijken te versmelten, Jupiter schuift voor Saturnus langs waardoor je deze planeet niet meer ziet. De laatste keer dat dat gebeurde was in het jaar 1226, zo’n 800 jaar geleden dus!. De volgende is op 15 maart 2080, daarna pas weer in 2417. Er is wel eens geopperd dat wat “de ster van Bethlehem” wordt genoemd misschien feitelijk de waarneming van zo’n exacte conjunctie was. Stel je voor: de wijzen uit het oosten zagen hoe Saturnus steeds dichter Jupiter naderde. Ze zagen net als nu deze planeten in het westen ondergaan. ‘Kom’, zeiden ze tot elkaar, ‘we lopen erheen’. Ze liepen uit het oosten richting het westen, elke dag zagen ze in de avond hoe de planeten dichter bij elkaar kwamen. En toen: de twee planeten versmolten. Dat moest wel iets bijzonders zijn, er was een koning geboren! Ze waren in Bethlehem. ‘Is hier ergens een kind geboren?’ De herders verwezen hun naar een stal. Zo kwamen ze bij de plek waar Maria net was bevallen. Leuk idee toch?
En ook nu is het bijna kerstmis. Of je het verschijnsel aanstaande maandag kunt zien hangt van het weer af. Nu zijn de planeten al erg dicht bij elkaar. Het was vanavond ook nog eens een mooi plaatje met de maan er vlakbij. Elke avond kruipen ze nog dichter bij elkaar. Binnenkort kun je ze niet meer zien omdat ze dan vanuit de aarde gezien te dicht bij de zon lijken te staan. Pas ergens in het voorjaar komen ze in de ochtendhemel weer tevoorschijn, maar dan in omgekeerde volgorde: Saturnus rechts, Jupiter links. En steeds verder van elkaar… Ze zien elkaar pas weer over bijna twintig jaar.. Maar niet zo exact als nu. De exacte conjunctie is overigens niet lang nadat ze allebei onder de horizon zijn verdwenen, om 19:26 uur. Het geheel is heel bijzonder! Wie is die nieuwe koningszoon?
We worden bespied! Maar het interesseert ons niet. We willen misschien zelfs graag in de gaten worden gehouden. Zoals veel mensen graag hun bonuskaart gebruiken. Onschuldige spionage: men wil slechts weten: wat eten we graag.
De mensen willen graag overal en alles in de gaten houden. Ook op nationaal of internationaal niveau. Om de aarde heen draaien duizenden objecten, de meeste zijn van mensenhand. Spectaculair is natuurlijk het ruimtestation ISS maar ook de nieuwste satellieten van Musk vallen op. De functie van al die satellieten kan heel verschillend zijn. Er zijn wetenschappelijke satellieten om bijvoorbeeld weer- en klimaatmetingen mee te verrichten. Er zijn communicatiesatellieten die navigatie met GPS mogelijk maken. Maar: er zijn vooral ook spionagesatellieten. Die willen de mensheid in de gaten houden. Daarnaast zijn er ook afgeschreven satellieten die geen functie meer hebben maar nog wel hun rondjes blijven draaien. En er zijn ingevangen rotsblokken die uiteindelijk terecht zijn gekomen in een baan om de aarde. Of er vliegen afgestoten raketonderdelen om de aarde heen. Linke soep: hopelijk zullen ze tijdig in de atmosfeer verbranden.
Maar gelukkig: al deze “satellieten” worden nauwkeurig in de gaten gehouden en hebben allemaal een nummer gekregen. Het systeem dat dit alles in de gaten houdt vanuit Amerika heet Norad, en zo zijn er duizenden Norad-nummers van allerlei objecten die om de aarde draaien. De meeste kun je niet zien, maar heel veel ook wel, zelfs met het blote oog. Als je in een mooie donkere nacht de hemel afspeurt zal je er gegarandeerd enkele binnen een half uur zien. Wil je gericht kijken dan is het programma Stellarium dat ik al eerder besprak erg nuttig. Ik heb een filmpje gemaakt om te laten zien wat er bijvoorbeeld gisteravond gedurende minder dan een minuut in het ZW te zien was. Blijf kijken, iets hoger dan het midden.
Dan zie je als je goed kijkt twee satellieten bewegen. De meest linkse is Norad 17295, oftewel de Cosmos 1812. Dat is een van de vele spionage-satellieten van Rusland die voortdurend om de aarde draait om van daaruit de omgeving tot in detail in de gaten houden. Hij is gelanceerd in 1986.
De tweede is Norad 26906, oftewel NOSS 3-1r. NOSS bestaat uit een serie satellieten die sinds het begin van de jaren zeventig van de twintigste eeuw elektronische inlichtingen voor de Amerikaanse marine uitvoeren. De NOSS-satellieten draaien in groepen in een lage baan om de aarde om radar- en andere elektronische uitzendingen van schepen op zee te detecteren en deze te lokaliseren. Deze satelliet is in 2001 gelanceerd en behoort daarmee bij de derde generatie van deze soort. Hij kan onder meer duikboten lokaliseren door de aanwezigheid van warm water in de boot te registreren. Het lanceerprogramma van deze spionage satellieten gaat nog steeds door, ook voor 2021 staan weer enkele lanceringen gepland, met uiteraard nog meer geavanceerde meetapparatuur aan boord. Een van de eerste NOSS-satellieten, eentje uit de NOSS-1 serie van 1976 zag er uit als op nevenstaande afbeelding. Dat deze satellieten zo goed te zien zijn komt waarschijnlijk omdat ze in een relatief lage baan draaien.
In de Volkskrant stond een uitgebreid artikel over Russische hackers die hun slachtoffers voor miljoenen weten af te persen. En we weten zeker dat er voortdurend allerlei informatie wordt verzameld, niet alleen om bedrijven af te persen maar vooral ook om gehackte data te analyseren en te misbruiken. Deze week werden ook enkele Russische spionnen uitgewezen die wetenschappelijke en technische informatie illegaal wisten te verzamelen in Nederland.
Als je naar die ogenschijnlijk onschuldige sterrenhemel kijkt wordt er zonder dat je het weet van boven af naar je terug gekeken. Gisteravond heel even vanuit een Russische en een Amerikaanse satelliet. Maar er zijn ook heel wat Chinese satellieten, en niet alleen maar met onschuldige bedoelingen. De hele aarde bestaat uit mensen die elkaar wantrouwen. En we wantrouwen niet alleen onze buren. De republikeinen vertrouwen niemand meer uit hun eigen land. Er is een president die zijn volgelingen van alles wijs maakt, ze ophitst en bij een demonstratie deze geweldzoekende massa begeleidt vanuit een helikopter en dreigend met hen mee vliegt. Hij gedraagt zich als een uit zijn baan geraakte satelliet zonder norad-nummer.
Ik kijk naar de sterrenhemel terwijl ik me realiseer dat deze hemel sterk verontreinigd wordt door Norad-objecten. Maar het is slechts een verontreiniging, een tijdelijke. Net zoals de mens slechts een tijdelijk stofje is op de aarde.
Mijn oudste dochter vertelde hoe mijn tweede kleinzoon straf had gekregen omdat hij in de kleuterklas een kerstboom had omgegooid. De piek en een aantal ballen waren daarbij gesneuveld. Toen ik hem samen met zijn broer en zusje van school afhaalde viel mij op hoe hij, nog niet buiten, in de rij stond te stoeien met het jongetje naast hem en tegelijk ook nog met een jongetje achter hem. Ze hadden veel plezier. Vorig jaar nog was hij in groep 1 een klein verlegen jongetje dat probeerde om vooral alles zo goed mogelijk te doen. Hij had toen ook nog niet echt vriendjes. Dat is nu totaal veranderd en ik zag met plezier hoe hij ook op school helemaal zich zelf was, een leuke vrolijke beweeglijke opdonder. Alhoewel kerstbomen omver gooien uiteraard ook niet mijn voorkeur heeft.
Mijn oudste kleinzoon had orgelles en omdat mijn vrouw niet thuis was nam ik ook zijn beweeglijke broertje en zusje mee. De les was om vier uur en om vier uur ging ook de kerk dicht. De koster sloot alles af en maakte bij de hoofdingang de lichten uit. Ik bleef met de kleintjes in de kerk, die koud en zwak verlicht was. We bleven wachten tot de les van de oudste was afgelopen. Op een scherm konden we wel zien wat er daarboven bij het orgel gebeurde. Ze waren zo uitgekeken. Die grote kerk nodigde uit tot rennen en huppelen over grote treden, of verstoppertje spelen. Ik liet hen begaan, zo bleven ze warm, maar ik was wel voortdurend bezig met te zeggen dat ze alleen zachtjes mochten praten, want al die geluiden kon je tot boven bij het orgel in de verder doodstille kerk horen. Ze probeerden het braaf.
Toen de les bijna afgelopen was ging ik met hen naar boven. Ze mochten nog even luisteren naar het orgelspel van broerlief. Hij had heel erg zijn best gedaan om al die moeilijke noten te spelen. Nu mocht hij tot slot uit zijn hoofd de toccata in D-mineur spelen. Zijn docent trok aan een aantal registers en maakte er een soort tutti van. Hij mocht zelfs het pedaal gebruiken. Broer en zus waren nieuwsgierig en gingen naast hem zitten op het orgelbankje. Hij speelde de toccata in een verkeerde toonsoort, in A mineur, zoals hij ook op het in-geprogrammeerde deuntje op zijn keyboard staat. De docent onderbrak en vertelde dat hij een kwart hoger moest beginnen, in de officiële toonsoort. Dat deed hij zonder aarzelen. Het was dan wel net iets meer zoeken, maar dat doet hij gewoon even. In de halfdonkere kerk klonk Bach. Heerlijk.
Thuisgekomen stond er bij ons ook een klein kerstboompje, met kerstballen en een piek. Mijn oudste kleinzoon vond dat daar best meer in kon. Al de acht planeten die hij kreeg van Sinterklaas werden er in geplaatst: vol voldoening zag hij dat we nu een planeten kerstboom hadden! Het complete zonnestelsel in huis!
Zijn broertje had ook een idee: vier knuffeltjes in de boom. Zo hingen tussen de planeten een zeehondje, een egeltje, een lammetje en een varkentje. Maar voordat de versiering af was waren er wel al twee kerstballen naar beneden gedonderd. Helaas hadden die de val niet overleefd. –‘Ik deed het per ongeluk.’ Uiteraard. Braaf veegde hij met veger en blik de restanten op en deponeerde hij de inhoud van het blik behendig in de prullenbak. Helemaal in kerstsfeer speelde zijn broer op de piano alle mogelijke kerstliedjes zoals Jingle-Bells. Wat knap eigenlijk alweer, ook met die begeleiding. Er brandden kaarsjes. Buiten was het alweer donker. De knuffels hadden inmiddels de kerstboom verlaten. Alleen nog wat rode exo-planeten (de officiële ballen) en de planeten van ons zonnestelsel waren aanwezig. Laat de kerst maar komen! Met kling klokje klingelingeling liepen ze door het ook al weer zo donkere gezellige stadje naar hun eigen huis.
Welk gevoel overheerst: hoop of hopeloosheid? Ik las enkele artikelen in het nieuwe jaarboek van Rura, de historische vereniging van Roermond. Ik zag veel parallellen met gebeurtenissen die plaats vonden aan het einde van de negentiende eeuw met dingen uit deze tijd. Het gevoel dat ik erbij kreeg was gebaseerd op een mengelmoes van gedachten. Het was een raar, onbestemd gevoel.
Ik moest denken aan het inperken van de democratie en de rechterlijke macht in Hongarije, Wit-Rusland, Polen. Maar ook in de Verenigde Staten waar de president er voor kan zorgen dat de hoogste rechters mensen zijn die er extreme opvattingen op na houden, en een land waar een staat de kiesdistricten zodanig kan veranderen dat de kans dat er een tegenstander wordt benoemd veel kleiner is. Ik moest denken aan vriendjespolitiek en ouwe jongens krentenbrood. Een reportage over de datacenter van Microsoft in Noord-Holland die alle groene energie die er gefabriceerd wordt in een klap compleet opslokt. Het worden datacenters voor Europa met groene energie uit Nederland terwijl wij maar blijven stoken op fossiele brandstoffen en de omgeving verpesten. Arjen Lubach maakte er een mooie reportage over waarbij duidelijk werd hoe makkelijk Nederlandse politici te paaien zijn en zich laten meeslepen in onverantwoorde beslissingen. En die politici hebben vaak korte lijntjes met de rijksoverheid. Ook moest ik denken aan de vuurwerkrellen. En nog erger: de antisemitische of racistische uitlatingen in veel kringen. In die kringen denkt men te weten waar het kwaad van deze tijd zit.
Een van de artikelen in Rura ging over de SDB, de sociaal democratische bond. Dat is de voorloper van de SDAP en dat is weer de voorloper van de Partij van de Arbeid. We leven in een tijd dat er nog geen vrouwenkiesrecht is, dat het mannenkiesrecht beperkt blijft tot de goed verdienende elite en dat als er kiesmannen op lijsten worden geplaatst die ook weer van lijsten af gehaald kunnen worden als ze niet bevallen. In 1888 wordt de kieswet veranderd. Alhoewel het kiesrecht is uitgebreid gaat het om mannen die in een eigen woning wonen. Er worden in de steden kieslijsten gemaakt maar daar kan aan worden gesleuteld. Zo waren op de kieslijst van Roermond de directeur en 12 priesterdocenten geplaatst van het Bisschoppelijk college. Leden van de liberalen vonden dat dat niet kon en probeerden hen er weer vanaf te krijgen. Slechts bij twee professoren lukte dat omdat hun huurwaarde te laag was. (Ze betaalden te weinig huur). Arbeiders stonden niet op de lijst, laat staan al die werklozen. De werkloosheid was zeer hoog in Roermond omdat halverwege de eeuw de een na de andere fabriek failliet was gegaan. Een goede basis voor een socialistische partij zou je zeggen. Nee dus. De almacht was in handen van bisschop Paredis van Roermond die twee dagbladen aan zich had weten te binden. Het derde dagblad, een liberale krant, was geen partij en de bisschop beïnvloedde het volk via zijn eigen bladen. En het volk werd ook beïnvloed in alle parochiekerken natuurlijk, vanaf de kansel. Het aantal liberalen in de raad was inmiddels gereduceerd van een meerderheid tot een minderheid. Liberalen werden afgeschilderd als goddelozen, vrijmetselaars en joden. Kortom tuig. Maar de aanhangers van de socialisten waren nog erger. Hun dagblad, De Volkstribuun, kreeg een Maastrichtse variant die ook in Roermond werd verkocht, getuige onderstaande foto waar een sigaar rokende man bij een terrasje vlakbij de Maasbrug dit blad leest en er zo te zien een heftige discussie ontstaat met een man met bolhoed (Gemeente archief Roermond). Het zijn duidelijk geen arbeiders die het blad lezen, waarschijnlijk gegoede mensen uit liberale kring.
Toen Domela Nieuwenhuis, de oprichter van de SDB, op uitnodiging voor een lezing een bezoek bracht aan Roermond, was er van te voren goed stemming gemaakt. Volgens schatting meer dan duizend Roermondenaren van de stad, die toen 11000 inwoners telde, wachtten hem op bij het station. Onder politiebegeleiding baande hij zich een weg naar de zaal. Daar kon hij nauwelijks spreken omdat er telkens liederen werden aangeheven als “Wien Neerlands bloet”, het toenmalige Nederlandse volkslied. Op zich een ludieke manier om een spreker de mond te snoeren trouwens… Uiteindelijk maakte de politie voortijdig een einde aan de bijeenkomst en begeleidde de spreker met zijn gevolg terug richting station. Daar werd deze groep zelfs toen ze al in de trein zaten door een grote menigte uitgejoeld. Andere mensen in de trein vroegen zich af of er een veewagen buiten stond? Nee, wat je hoorde was het Roermondse volk. Bij een volgend bezoek van weer een spreker werden de ruiten ingegooid van het huis waar deze man zich na afloop verschanste. De Katholieke Maas-en-Roerbode schreef met voldoening dat Roermond niet gediend was van deze godslasterlijke socialisten.
In een artikel over George Diepen, de Roermondse burgemeester van 1889 tot 1891, lees ik vooral hoe via vriendjespolitiek benoemingen tot stand kwamen, hoe alles in handen was van een kleine elite, en hoe benepen en kleinburgerlijk de maatschappij in elkaar stak. Niets ten nadele van deze burgemeester, hij was slechts een kind van zijn tijd. Maar ik las ook hoe vervolgens de katholieken noodgedwongen met sociale maatregelen kwamen, in de hoop de liberalen en socialisten de wind uit de zeilen te nemen. De katholieke propaganda ging onverminderd voort. De encycliek Rerum Novarum van de paus werd breed omarmd. Rerum Novarum (Latijn voor Nieuwe zaken of een omwenteling) is een in 1891 door paus Leo XIII geschreven encycliek. De encycliek houdt zich bezig met de situatie van de arbeidersklasse en formuleert in de vorm van een aantal uitgangspunten de sociale leer van de Katholieke Kerk. Uitgangspunten waren een rechtvaardig loon, het recht op eigendom en solidariteit met de zwakkeren. Zijn pleidooi voor vakorganisaties was niet alleen een vernieuwing binnen kerkelijke kring, maar ook daarbuiten. Leo’s encycliek bevat een kritiek tegenover ongebreideld kapitalisme en veroordeelt tegelijkertijd het marxistisch socialisme.
Ondanks Rerum Rovarum kwamen er revoluties, in Nederland nog net niet. En bepaalde zondebokken bleven bestaan, zoals de joden. Het kiesrecht werd uitgebreid. Maar nu, in de huidige tijd, zie ik nog steeds vergelijkbare angstaanjagende dingen. In Europa, maar ook in Nederland. Hoe makkelijk mensen op te hitsen zijn, hoe graag ze bepaalde mensen tot zondebok maken. Hoe er gesleuteld wordt aan het rechtssysteem of aan kieslijsten. Dan verlies ik weer even alle hoop. Maar op de keeper beschouwd lijkt de tijd me, nu meer dan een eeuw later, toch vooral verbeterd. De armoede in ons land is grotendeels verdwenen. Vrijwel iedereen heeft kiesrecht. Dat geeft hoop. Toch houd ik over onze tijd een raar, onbestemd gevoel.
Spiegel van Roermond 2021: -“George Diepen, 1834-1918. Roermonds burgemeester in de schaduw, 1889-1891.” Gerard de Groot. -“Rood gevaar in een Roomse stad. De SDB in Roermond in 1893.” Piet Hein de Boer en Harrie Maasen.
Huiswerk: twee liedjes die over moesten en drie pagina’s met nieuwe liedjes. Mijn oudste kleinzoon worstelde zich braaf door al die noten heen. Steevast als hij een liedje af had speelde hij bij de slotmaat enkele akkoorden en plakte er daarna nog enkele maten achter, waarmee het liedje in zijn ogen een waardig slot kreeg. Zo gebeurde het ook op de orgelles. Net op het moment dat zijn docent hem weer wat aanwijzingen wilde geven, of hem enkele maten over wilde laten doen, begon hij te improviseren. Zijn leraar wachtte gelaten en vol geduld tot hij een soort einde maakte om vervolgens weer verder te gaan met de oefeningen uit het boek. Bij een van de liedjes moest hij met twee handen op verschillende manualen spelen. De linkerhand had daar meer een begeleidende rol en dat hoorde je aan de muziek en nu dus ook aan het gebruikte register. Maar halverwege het liedje werden qua noten de rollen omgekeerd, nu kreeg de linkerhand de melodische lijn. Mijn kleinzoon besloot zonder blikken of blozen zijn twee handen van manuaal te verwisselen, en later toen de originele rollen weer terug kwamen speelde hij weer op de manualen die ook bij het begin gebruikt werden. Zijn leraar was stomverbaasd. Mijn kleinzoon luistert niet zomaar braaf naar wat hij moet doen, hij maakt voortdurend bewuste muzikale keuzes. Toen werd opeens zijn docent opgebeld. De volgende leerling wilde al graag naar binnen gelaten worden dus ging hij snel naar beneden. Mijn kleinzoon keek me verward aan. ‘Lekker spelen!’ zei ik. Dat liet hij zich niet twee keer zeggen. Hij trok enkele extra registers open en begon te improviseren. De hele kerk galmde van de feestelijke tutti-akkoorden, de trouwerij kon beginnen. Toen zijn docent er weer was ging deze naast hem staan en zei: ‘En nu gaan we afsluiten, ja, speel maar een C-akkoord’. Hij heeft hem nooit iets over een C-akkoord verteld en ook in het orgelboek worden nog geen akkoorden gebruikt. Maar mijn kleinzoon hoorde wat hem gevraagd werd en speelde op het juiste moment het bewuste slotakkoord, natuurlijk hield hij het daarna wel minstens vijf seconden aan. Eigenlijk wou hij alweer wat anders gaan spelen maar ik sleurde hem van zijn bankje. De docent schreef enkele dingen in het huiswerkschrift en zei terloops: -‘Speel je ook wel eens Sinterklaasliedjes?’ Dat had hij niet moeten zeggen, want mijn kleinzoon sprong weer terug op het bankje en begon Sinterklaasliedjes te spelen, uiteraard met mooie basloopjes en met de juiste akkoorden. Ook nu weer speelde hij naar zijn gevoel muziek, niet die domme oefeningen met de noten. Zijn docent moest nogmaals zijn geduld bewaren en ik sleepte hem zo gauw het enigszins mogelijk was ten tweede male van het orgelbankje vandaan.
Sinterklaas is geweest. Hij had planeetjes gekregen. Hiermee zat hij te spelen en intussen verzon hij in gedachten een film. De planeten werden steeds groter. Op het einde lag een grotere bal. Dat was het universum. In zichzelf neuriede hij intussen “Stille nacht”. In mineur. In een eindeloze herhaling. Alles draait ergens om heen, in een eindeloze cyclus. Een stille nacht in mineur illustreert dit perfect. Zijn broertje en zusje speelden daarentegen gewoon op aarde. Maar hij was veel verder weg. Hij was ergens tussen de sterren, en ervoer in een soort van trance de oneindigheid.
Veel kunstenaars waren en zijn diepgelovig. Vanuit hun opvoeding, traditie kan dat geloof in uiterlijk verschillen. Maar in werkelijkheid is geloof een voelen en weten van dingen die samenhangen zonder dat je het kunt beredeneren. En met name kunstenaars kunnen dat vaak.
Kinderen staan ook open voor geloven. Nu in deze Sinterklaastijd bijvoorbeeld. Zoals de Christelijke kerken mensen wijs maken dat er een leven na de dood is zo maken wij de kinderen wijs dat Sinterklaas langs de huizen komt om cadeautjes te brengen. Mijn oudste kleinzoon zit in een geloofscrisis. -‘Hoe kan het dat Sinterklaas niet dood gaat, alle mensen gaan toch dood? -‘Met een paard op het dak, dat gaat toch niet?’ -‘Waarom komt Sinterklaas alleen in Nederland en België?’ -‘Wat is het verschil tussen Sinterklaas en de kerstman? De kerstman wordt toch Santaclaus genoemd, dat is toch gewoon hetzelfde?
Toch blijft hij waarschijnlijk dit seizoen nog geloven. Hij vindt het ‘t leukste feest van het jaar. Volgens mij omdat Sinterklaas cadeautjes geeft, en nu eens een keer aan álle kinderen, en niet alleen aan de kinderen die jarig zijn. Sinterklaas is eerlijk. Hij wil planeetjes krijgen. Op zijn verlanglijstje staat: “planeetjes van sizes comparison”. Bij de reclames die altijd vergezeld gaan van filmpjes op youtube zag hij een aantal keren kinderspeelgoed bij een van zijn favoriete filmpjes: kleine handzame planeetjes, niet te groot maar ook niet te klein. Ze blijken niet makkelijk te krijgen te zijn. Alleen in Amerika en bij het bestellen wordt een en ander al snel geweigerd. Heeft waarschijnlijk met de locatie te maken. Bij amazon.de hebben ze net die planeetjes niet. Tja. Als hij ze niet krijgt heeft Sinterklaas denk ik voorgoed voor hem afgedaan. Zijn toch al wankele geloof wordt dan teveel op de proef gesteld.
Eigenlijk heeft hij die planeetjes niet nodig. Eergisteren verzon hij een planetenmuseum. Hij maakte een opstelling met allerlei soorten planeten en in het midden maakte hij van duplo het gebouw. Er in was een zaaltje en daarin werden educatieve films vertoond. Hij leende mijn telefoon en zocht een geschikt filmpje voor het publiek. Alle aanwezigen, een stuks of wat poppetjes, zaten geboeid te kijken en te luisteren.
Ik wilde mijn telefoon terug tijdens het eten. Ik zag zijn beteuterde gezicht. OK, als we straks naar huis gaan. Dat vond hij goed. We aten met op de achtergrond vanuit de huiskamer in het Nederlands alle mogelijke uitleg over het zonnestelsel. Het museum was natuurlijk gericht op een Nederlandstalig publiek. Na het eten wilde hij niet de gebruikelijke afsluiting bij opa en oma met op TV kijken naar een zelf uitgekozen filmpje. Nee. Hij ging gewoon even bij de mensen in het museum zitten. En luisterde geduldig tot de film was afgelopen. Een film die niet makkelijk was. Je moest er slim voor zijn. En hij ging over echte dingen, dingen die je kunt beredeneren, hoewel je er eigenlijk wetenschapper voor moet zijn. Maar dat wordt hij, tenzij hij een beroemde organist wordt. Het gaat er nog om spannen. Als organist heb je het voordeel dat je de muziek van Bach kunt spelen. En zonder dat je het in de gaten hebt wordt je dan meegezogen in het mysterie van die muziek. Of je het gelooft of niet.
De laatste dagen van november brachten ons elke dag weer heel ander weer. Zaterdag was het mistig, zondag was het prachtig zonnig, gisteren was het grijs en druilerig, afgelopen nacht was het stormachtig, vandaag klaarde het weer wat op en morgen schijnt het weer een aardige dag te gaan worden. Het zijn de grillige stuiptrekkingen van de herfst, maar je voelt dat de winter onverbiddelijk nadert. Niet alleen door de nu toch wel heel korte dagen, maar vooral ook door de kou.
Hieronder staan enkele foto’s die ik deze afgelopen dagen maakte. De eerste twee zijn van een mooi mistig sfeertje zaterdagmiddag bij Ootmarsum. Wie kent deze roofvogel?
Zondag was het in Overijssel prachtig weer. We wandelden een groot deel van de dag door de natuur. We zagen deze torenvalk, mooie paddenstoelen en plotseling vlakbij drie reetjes. Natuurlijk geen camera bij de hand.
’s Avonds weer thuis zag ik de vrijwel volle maan.
En ook vanavond was de maan af en toe tussen de wolken door te zien. Hij is als je heel goed kijkt trouwens alweer een fractie aan het afnemen.
Hoewel Ravel een soort wonderkind was en hard werkte, ervoer hij de tijd dat hij studeerde aan het Conservatorium van Parijs als frustrerend. Omdat hij als pianist geen enkele prijs had gewonnen, verliet hij het Conservatorium in 1895, om twee jaar later terug te keren om er compositie te studeren bij Fauré. In de eerste jaren van de 20e eeuw deed Ravel vijf pogingen om de Prix de Rome te winnen. Zijn uitschakeling in de eerste ronde van de competitie van 1905 veroorzaakte een schandaal, toen de gekozen finalisten allemaal studenten bleken te zijn van één professor, die in de jury zat. Maar tegen die tijd had Ravel die erkenning van een dergelijk succes niet meer nodig. Hij begon al op te vallen met werken als zijn strijkkwartet en Jeux d’eau voor piano. Hij maakte deel uit van een losse kring van Parijse kunstenaars en intellectuelen die zichzelf beschouwden als Les Apaches, buitenstaanders. Hoewel hij de meeste Franse onderscheidingen bleef weigeren, werd Ravel al snel een centrale figuur in de Franse kunsten. In 1918 was Debussy overleden en ook aan Ravel werd gevraagd om bij te dragen aan een speciale Debussy-herdenking. Voor dat concert voltooide hij in december 1920 een stuk dat het eerste deel van de sonate voor viool en cello zou worden. Meer componisten deden mee, er waren ook bijdragen van Bartók, Dukas, de Falla, Roussel, Satie en Stravinsky. Ravel was al in april 1920 met dit deel begonnen en hij zou bijna twee jaar nodig hebben om alle vier de delen van de Sonate te voltooien. “Bij het componeren vind ik een lange periode van bewuste tijd om alles te overdenken in het algemeen noodzakelijk”, schreef Ravel later. “In die tijd ga ik geleidelijk, en met toenemende precisie, de vorm en ontwikkeling zien die het werk als geheel zou moeten hebben. De muziek van deze sonate is tot op het bot gestript. Harmonisch mooi zijn zweer ik tegenwoordig af.”
In diezelfde tijd, in 1921, kocht Ravel een grote villa op 30 kilometer van Parijs. (Tegenwoordig is het huis een museum, zie bovenstaande afbeelding). Hij begon daar een collectie Aziatisch porselein, mechanisch speelgoed en klokken te verzamelen. Ook gaf hij een fortuin uit om op de helling waar zijn huis stond een Japanse tuin aan te leggen, met trappen en verharde paden. De musicus was veel alleen en bescheiden, maar had niettemin een rijk sociaal leven en hij was trouw aan zijn vrienden. Zijn villa werd al snel het verzamelpunt van kunstenaars en schrijvers. Muziekvrienden die er kwamen waren onder meer Arthur Honegger en Jacques Ibert. Ravel maakte regelmatig reizen tussen deze nieuwe woonplaats in Montfort-l’Amaury en Parijs, waar hij allerlei mensen ontmoette of naar concerten of het theater ging. Tot het einde van zijn creatieve leven leidde Ravel in die villa een vreedzaam leven, afgewisseld met reizen naar Baskenland, het land waar zijn moeder vandaan kwam of met concertreizen binnen Frankrijk en een keer naar Amerika.
Ravel won dus geen prijzen maar werd toch een van de belangrijkste Franse componisten van zijn tijd. Gisteren won Lidy Blijdorp maar liefst twee prijzen. Ze maakte dit jaar een CD, Journeyers, en die kreeg de Edisonprijs voor de beste debuut CD. Ook koos het publiek haar als beste wat haar nog een Edison opleverde. De Edison prijzen voor muziek vormen de oudste Nederlandse muziekprijzen, de winnaars komen van alle mogelijke landen. Zo is de kamermuziekprijs dit jaar gewonnen door het Franse quatuor Arod met hun Album Mathilde. Daarop spelen ze strijkkwartetten van Webern, Schönberg en von Zemlinsky. Ik ken de stukken en heb een fragment van een van de stukken beluisterd: heel mooi gespeeld. Maar er zijn dus ook Nederlandse winnaars, zoals Lidy Blijdorp. Op haar CD staat onder meer de sonate voor viool en cello van Ravel die ze daar speelt met Rosanne Philippens. Bij Podium Witteman mocht hetzelfde duo het tweede deel van die sonate nog eens laten horen.
Opvallend in dit stuk is de majeur-mineur afwisseling, gelijk al hoorbaar bij het openingsmotief in de viool van het eerste deel, maar ook weer aanwezig in dit tweede deel. Ravel kende vrijwel zeker Kodály’s “Duo voor viool en cello” uit 1914, bij de première in april 1922 heette Ravels Sonata ook Duo. Ook lijken er relaties met Hongaarse volksmuziek hoorbaar in met name de scherpe dissonanten en de virtuoze passages, alhoewel deze volgens Lidy voortkomen uit Spaanse volksmuziek. Baskenland, waar zijn moeder vandaan kwam, was een plek waar Ravel vooral op nog latere leeftijd vaak naar toe ging, maar deze sonate heeft niets te maken met Baskische volksmuziek. Ook zuid-Spaanse volksmuziek als de Flamenco is naar mijn idee totaal anders. Ik ervaar zoals gezegd eerder Hongaarse invloeden. Ravel kende immers de muziek van Bartok en Kodaly en in Parijs waren ook veel zigeunerorkestjes die muziek uit die streken speelde. Bij dit liedje, gezongen en gespeeld door “Moldavian Scángó people”, ervaar je volgens mij vergelijkbare majeur-mineurovergangen als bij het stuk van Ravel:
Hieronder hoor je het tweede deel van de sonate van Ravel, zoals gespeeld bij podium Witteman. Je kunt de muziek volgen met de partituur erbij.
Het interview gevolgd door deze muziek kun je ook vinden via onderstaande link, spoel dan door naar 52 minuten:
-‘Zou jij op Mars willen leven?’ -‘Durf jij met het ISS te vliegen?’ Dat zijn enkele van de vragen die mijn oudste kleinzoon mij de laatste weken herhaaldelijk stelt. Ik antwoord dat ik dat allemaal niet wil en zeker ook niet durf. ‘Nee’, zegt hij dan. ‘De aarde is toch wel de fijnste planeet’. Maar desondanks is hij toch veel met onaardse dingen bezig. En dan voelt hij zich een echte wetenschapper. Maandag mocht hij op school aan zijn medeleerlingen voor het digibord van alles vertellen over Saturnus. Dat de ringen zijn ontdekt door Christiaen Huijgens en dat de grootste maan Titan heet bijvoorbeeld. Zijn juffrouw stuurde twee leuke foto’s waarop hij een en ander staat aan te wijzen voor een geïnteresseerd publiek. Over exoplaneten schrijft hij wetenschappelijke publicaties met bijbehorende afbeelding, zoals deze over de exoplaneet Schel 300025b. (Galileo Galilei tekende ook altijd van alles bij zijn wetenschappelijk werk).
De volgende tekening is gemaakt van vlakbij Mars. Mars zie je erg groot, met een van zijn bizarre maantjes Deimos. Ook de aarde met de maan kun je daar goed zien en nog verder Venus, Mercurius en de Zon. Links nog een stukje van Jupiter. Hij vroeg mij of je vanaf Mars de aarde kunt zien. -‘Ja zeker!’antwoordde ik. ‘de aarde is dan best wel groot en ook omdat Mars nauwelijks atmosfeer heeft kun je alles erg goed zien.’ Dat blijkt, uit deze tekening.
Hij ontdekte dat alle planeten ook weergegeven kunnen worden door een symbool. Dat vindt hij prachtig. Hij vindt dat soort kleine tekeningen, net als bij automerken, fascinerend. Ook wil hij meer weten over gotische letters en de “s”, hoe die vroeger geschreven werd. Gisteren in de Sint Jan van Gouda keken we naar de oude opschriften. Daar was ook een tekst met die s bij, die ziet er zo uit: Ɨ. Tegelijk filosofeert hij over het leven op aarde dat zo slecht nog niet is. En al die planeten die rondjes draaien om de zon. Het is eigenlijk gewoon een groot land. Wat een belevenis!
Heel aards: af en toe tekent hij ook weer een trein. De aanleiding was Finland. Bij zijn ouders heeft hij een hele serie gemaakt over Finland. Hij heeft ook de reis er naar toe getekend, dat was met een trein. Deze trein hieronder gaat nergens naar toe maar is gewoon een trein.
Gisteravond heb ik mijn drie kleinkinderen in bed gestopt omdat hun ouders wat later thuis kwamen. En op woensdag mogen ze ook de schoen zetten en dus zingen voor Sinterklaas. Het hele arsenaal oude Sinterklaasliedjes passeerde de revue. De sessie eindigde met een solo van de oudste met een liedje dat ik nog niet kende. Intussen danste de jongste als een Razende Roeland en drumde de middelste op een snel in elkaar geflanst drumstel met stoelen en kussens.
Al mijn kleinkinderen zijn in deze tijd wat drukker dan normaal. Hij al helemaal. Vanochtend mocht hij later naar school zodat hij de puinhoop die rommelpiet had gemaakt niet hoefde te zien. Hij zou dan, zeker weten, compleet zijn gaan flippen. En hij slaapt slecht de laatste tijd. Maar desondanks heeft hij nog steeds tijd tekort om zich uit te leven in zijn fantasie. En hij heeft ook nog orgelles. Alle orgels zijn bespeeld. Na het Moreau-orgel zijn het koororgel, het kistorgel en gisteren het kabinetorgel aan de beurt geweest. Waar hij normaal niet van verrassingen houdt stoort dit hem helemaal niet. Hij is nu al benieuwd waar hij de volgende week op mag spelen.
Over het kabinetorgel waar hij gisteren op mocht spelen lezen we op de site van de Sint-Jan het volgende:
Sinds 2016 heeft de Sint-Jan een Mitterreither kabinet orgel in bruikleen van de Stichting “de Wijk”. Voorheen stond het in de gehoorzaal van het Groene Hart Ziekenhuis. Bijzonder is dat Mitterreither ook in 1770 restauraties heeft verricht aan het Moreau orgel en dat er dus nu ook een door hem gebouwd orgel in de kerk staat. Johannes Josephus Mitterreither (1733-1800) werd geboren in Oostenrijk uit een goed bekend staand orgelbouwers geslacht. Later verhuisde Mitterreither als geschoolde vakman naar Nederland. Hij woonde eerst in Rotterdam en vanaf 1761 in Gouda en had hier zijn werkplaats. Later verhuisde hij naar Leiden. Mitterreither bouwde dit kabinetorgel in 1779. In de ventielen kast vindt men nog zijn signatuur. Het kabinet is een eikenhouten rococo meubel en uitzonderlijk breed, nl. 160 cm. Het heeft een driedelig front en houtsnijwerk. Kenmerkend is het labiumverloop van de frontpijpen: een horizontale lijn. Voordat het in de Sint-Jan werd geplaatst, werd het gerestaureerd door Slooff Orgelbouw.
Gisteren zag ik het ruimteschip ISS samen met mijn kleinzoon. ‘Daar is hij!’ Nee, dat was een vliegtuig. ‘Daar!’ Nee, dat was een helikopter. En toen was hij er dan toch. Mijn kleinzoon vond het mooi. Het ISS leek op een bewegende ster. We stonden trouwens op een mooie plek, op de markt van Schoonhoven en de ster bewoog boven de mooie historische panden. Maar ik had geen camera bij me.
Vandaag zag ik hem thuis vanaf de Lekdijk. Ik maakte eerst een filmpje van de gebeurtenis vooraf op het softwareprogramma Stellarium. Ik wist zo precies wat er ging gebeuren. Het was even nog spannend, de maan kreeg steeds meer een vochtige kring en op veel plaatsen hingen slierten met wolken. Maar het lukte! Ik heb het begin en het einde gefilmd.
Bijzonder was hoe het leek of de satelliet precies voor Jupiter en Saturnus langs zou trekken. Maar hij scheerde er rakelings langs, iets hoger. Op weg naar de maan die in het ZO stond. Tussen de maan en Mars door ging hij richting oosten, maar hij verdween weer heel snel omdat vanaf een bepaald punt de zonnepanelen van het ruimteschip niet meer het zonlicht weerkaatsen richting Nederland. Ik denk dat veel mensen het hebben gezien, mijn zwager in Groningen zag het ook.
De eerste film, een registratie van de gebeurtenis op het programma Stellarium, duurt ruim 2 minuten. Alles wordt bijna vier keer zo snel weergegeven .
De tweede film is wat ik zelf buiten filmde aan de dijk. Je ziet af en toe een auto langs komen. Het tweede deel van de film maakte ik door de camera naar het ZO te richten. Ik filmde het deel van de passage van het ruimtestation van maan en mars, totdat het opeens verdween.
Het radioprogramma Vroege Vogels begon vanochtend om zeven uur met het geluid van de ruigpootbuizerd. Een buizerd die hier niet veel voorkomt en vooral te herkennen is aan zijn bevederde poten. En aan zijn kunst om, beter dan andere buizerds, heel stil biddend in de lucht te blijven hangen, loerend op een prooi. In Nederland probeert hij muizen te vangen, in Scandinavië waar hij eigenlijk thuis hoort jaagt hij vooral op lemmingen. Hij maakt een angstaanjagend geluid:
Gisteren in de bioscoop hoorden we ook allerlei vogelgeluiden, vooral die van mantelmeeuwen. Dat is een heel ander geluid.
Al gedurende veertig jaar woont een vogelwachter op een onbewoond eiland in de Atlantische oceaan. Hij is helemaal gelukkig in zijn rol als vogelteller en bewaker van de dijk. Door die dijk is het eiland ook een goed broedplaatsgebied. Af en toe wordt hij bevoorraad door een boot die hem vooral brinta en capucijners brengt. Van al het aangespoelde afval maakt hij ingenieuze dingen.
Uiteraard is er ook een plot. In het verhaal komt een imaginaire en later ook een echte dame voor. Het wordt heel spannend als een storm zijn houten huisje in de oceaan laat belanden. Maar er is sprake van een groot drama als de vogelpost wordt opgeheven. Hoe loopt dat af…
Af en toe moet je glimlachen. Freek is Freek als hij onbeholpen stuntelt met het een en ander. Maar het is een film die gaat over het persoonlijke drama van een inmiddels oude man. Dat drama is hem op het lijf geschreven.
Een aardige film waarvan ik me afvraag of hij me heel lang bij zal blijven. Het drama is voor mij daarvoor niet intens genoeg. Het karakter van de hoofdpersoon zou voor mij nog meer dat van een excentrieke zonderling mogen zijn. Het einde is open maar ik ervaar het als wat gekunsteld. De Volkskrant gaf deze film vier sterren. Vooruit. Het is in ieder geval een eerlijk gemaakte Nederlandse speelfilm, voor een beperkt publiek. Met mooie natuurplaatjes. En ik houd van films waarbij de beelden meer spreken dan de dialogen. Dat is hier zeker het geval.
Er mochten dertig mensen in de zaal. Het waren er schat ik hooguit 15. Triest maar waar, en dat op een zaterdagavond. Zelfs de filmzaal wordt nu langzaam eenzaam. Een eenzame plek, iedereen is er op zijn eigen eilandje van veel meer dan anderhalve meter.
Er zijn weer veel kansen om het ruimtevaartuig ISS te spotten de komende tijd. Steeds vlak na zonsondergang. Er is al een goede mogelijkheid maandagavond 23 november van 18:56 tot 18:59. De weersvoorspelling is redelijk gunstig op dit moment. Hieronder een filmpje dat laat zien waar je moet kijken. Ook dit soort dingen laat het programma Stellarium erg mooi zien
Hieronder staan nog meer mogelijkheden de komende tijd. Vooral de data in het groen zijn erg goed. Uiteraard bij de juiste weersomstandigheden.
Het is 20 november. Ik maak een aantal foto’s, iets na zes uur in de avond. Ik zie de maansikkel, ik zie de maan met Jupiter en Saturnus, ik zie vanuit de telestand Jupiter en zijn vier grote manen, en ik zie hoe de maan spiegelt in de Lek.
Als je naar de sterrenhemel kijkt zie je ook af en toe een satelliet bewegen. Maar er zijn ook zogenaamde geo-stationaire satellieten. Die bewegen met dezelfde snelheid als dat de aarde zelf om zijn as draait en lijken daardoor stil te staan. Vanavond om 9 uur heb ik er een gespot, de Cosmos 2539, een Russische satelliet. Dat was dus eigenlijk “nog weer een maan”. Niet dé maan, (onze maan), ook niet een maan van een andere planeet zoals de vier grote manen van Jupiter, nee: een kúnstmaan. Het ging me in eerste instantie om een foto van Mars en daarbij zag ik ook een aantal sterren. Via het programma Stellarium kon ik makkelijk opzoeken om welke sterren het ging. Een van die sterren bleek geen ster te zijn, het was dus de Cosmos 2539. Zie het gele pijltje dat ik erbij tekende, ongeveer in het midden van de foto. Het meest heldere object dat je ziet is trouwens Mars.
Zoeken op internet levert op dat deze satelliet op 5 augustus 2019 als militaire communicatie-satelliet door Rusland vanuit Kazachstan is gelanceerd. Ik keek naar deze satelliet, maar hij kijkt wellicht terug, oei! Militaire communicatie lijkt mij vooral een vorm van spionage te zijn. Na de lancering vorig jaar is dit beeld vrijgegeven:
Het is ook weer de tijd van de wintersterrenbeelden. Eveneens rond 9 uur zag ik, ondanks de dunne bewolking, de Pleïaden, ook wel Zevengesternte genoemd (rechts boven), Castor en Pollux, van het sterrenbeeld Tweelingen (links beneden) en het sterrenbeeld Voerman met als meest heldere ster Capella.
Het meest bijzondere deze avond was voor mij dat ik voor het eerst bewust een geostationaire kunstmaan zag. Dankzij vooral het geweldige programma Stellarium. Eigenlijk duizelde het me deze avond van de manen.
Als iemand cadeautjes krijgt moet iedereen een cadeautje krijgen, anders is het oneerlijk. Van een kind van drie jaar kun je dergelijke uitspraken misschien nog als normaal ervaren, maar bij iemand van zeven denk je eerder aan een verwend nest dat nooit tevreden is. Toch is mijn oudste kleinzoon vaak al met een heel klein dingetje tevreden en gaat hij meestal als een vrolijk jongetje door het leven. Maar dat gevoel van grote oneerlijkheid blijft en het is heel diep en echt en het is, ondanks alle pogingen om die dingen uit te leggen, totaal niet weg te krijgen. Dus als iemand anders jarig is dan heb je dik kans dat hij van de vroege ochtend tot de late avond blijft huilen en schreeuwen: ‘dat is oneerlijk!’ Het feestje van de jarige heeft dan helaas veel aan glans verloren, liever gezegd: het is grondig verpest. Toen zaterdag zijn jongste zusje vier jaar werd ging het goed. Mijn kleinzoon logeerde een nachtje bij ons en pas de dag erna, toen de cadeautjes van papa en mama al lang gegeven waren, kwamen wij er met hem ook bij. Maar hij wilde er niet bij zijn op het moment dat wij ons cadeau gaven. Dus ging hij toen we binnen kwamen gelijk naar zijn kamer om daar orgel te spelen. ‘Ik ga heel oneerlijke muziek spelen, heel erg hard’. Pas toen alles uitgepakt was kwam hij erbij. Hij kon het niet laten om snel nog even tegen zijn zusje te zeggen: ‘zo oneerlijke’. Elk kind kreeg toen hij er ook bij was van ons nog een klein cadeautje en de rest van de dag werd er gezellig taart gegeten en gespeeld. Mijn jongste kleinkind had zo een prachtverjaardag.
Op dat soort momenten merk je weer hoe extreem hij kan zijn in zijn autisme. In de kern kan hij zich op geen enkele manier verplaatsen in hoe een ander zich voelt en blijft hij hangen in zijn eigen gevoel: ‘ik wil ook een cadeau’. Eigenlijk geldt dit trouwens voor alles wat hij graag wil en op het moment dat broer of zus iets krijgt, of iets mag dat hij ook wil, dan zal en dan moet hij dat uiten: ‘dat is oneerlijk.’ Gelukkig is hij wel te paaien als er op de korte termijn iets tegenover staat: ‘nú mag je zusje dat maar jij mag hetzelfde de vólgende week’. (Bijvoorbeeld een dagje bij papa op het atelier zijn.) Maar: ‘jij bent over een half jaar jarig, dan krijg jij ook cadeautjes’, dat ervaart hij als afschepen. Dat is nog een brug te ver.
Zijn ouders en ook wij, een van de grootouderparen, leren om daarmee te leven en mee om te gaan. We leren hem om, als er iets oneerlijks is, dat hij dat gewoon mag voelen. Dat is nu eenmaal zo. Maar vragen aan hem om het alleen te denken, niet om het steeds te zeggen. En bij bepaalde omstandigheden moet hij er gewoon niet bij zijn, zoals bij de verjaardag van zijn broer of zus. Net zoals hij om een heel andere reden ook compleet gaat flippen als er teveel prikkels zijn zoals bij een feestje op school of bij een klassen-uitje. Om hemzelf en de rest van de klas te beschermen blijft hij dan thuis of gaat hij naar opa en oma. Er blijft voor hem nog genoeg over om door van slag te raken. Af en toe komt hij een verdwaalde mug tegen of loopt er in zijn buurt een loslopende hond…..
Gisteren haalde ik hem op van school. Wat duurde dat lang zeg, het hele schoolplein was al leeg en de kinderen van de BSO waren met hun begeleiders al vertrokken. -‘Waarom ben je zo laat? Ik begin het al behoorlijk koud te krijgen.’ -‘ik was aan het bellen’ vertelt hij met een stoute lach op zijn gezicht. -‘Aan het bellen? Wat bedoel je.’ -‘Ik was met de bel aan het spelen.’ -‘Welke bel?’ -‘Die bel die de juf gebruikt als het stil moet zijn.’ Het werd me nog niet duidelijk of hij nu had moeten nablijven of dat hij zich muzikaal aan het uitsloven was geweest na school en daarom zo laat was. Enfin, we gingen naar huis. Daar hielp ik hem een klein half uurtje met zijn oefeningen met noten spelen voor de orgelles. Een van de liedjes die hij moest spelen was ‘grote God, wij loven u, LB 444.’ Hij weet inmiddels dat LB Liedboek betekent, ik heb de tekst van dat liedje op internet met hem opgezocht en we lazen het samen.
Hij maakte nog twee extra manualen bij zijn duplo-orgel en improviseerde daar op. Aan de piano speelde hij allerlei Sinterklaasliedjes. Hij zocht zelf uit hoe hoe hij die moest spelen, gewoon op zijn gehoor. In de linkerhand speelde hij feilloos de juiste akkoorden. Voor de rest was hij voornamelijk bezig met allemaal dingen rond het heelal. Op een gegeven moment moest ik kijken naar een opstelling van “size comparison “ van 10 door hem ontdekte exo-planeten. Deze had hij op de rand van de bank gelegd en er lagen naamkaartjes bij. Hij, als ontdekker van deze vreemde objecten, mag er natuurlijk zelf een naam aan geven. Er waren mooie ludieke namen bij. Zo werd ook mijn vrouw vernoemd, en ook zijn orgeldocent, deze zelfs twee keer.
-‘Opa, ik wil er een muziekje bij spelen en dan moet jij deze exoplaneten filmen, kijk zo:’ Hij bewoog zogenaamd met een camera in zijn hand heel langzaam van klein naar groot langs de opstelling van zijn ontdekkingen. Ik begreep wat hij bedoelde en we gingen aan de slag. Het filmpje werd er gelijk in een keer opgezet. Hij speelde als achtergrondmuziek op de piano “Grote God wij loven u”. Ik aarzelde of we het niet over moesten doen. Hij speelde namelijk een paar fouten en ik wist dat het beter moest kunnen. Maar ik besloot het zo te laten, hij zelf vond het ook goed. We gingen achter de computer zitten en we maakten nog een titel erbij. Het filmpje moest van hem op youtube. Zodat mensen die een filmpje gingen zoeken over ”size comparison” ook bij dat filmpje uit zouden komen. Zijn naam hoefde er niet bij. Ik vond het onschuldig genoeg om het te doen en heb alles gedaan zoals hij het wilde.
Na het eten gingen we naar huis, hij tuurde omhoog: er waren helaas geen sterren. Zijn broertje en zusje stonden op het punt om naar bed te gaan. Zij hadden ook een leuke middag gehad. Zijn broertje had een vriendje van school mee mogen nemen. Zijn zusje was apetrots dat ze de eerste schooldag had gehad en het was ook nog eens erg leuk geweest. Morgen wilde ze weer! Ze vonden het trouwens niet oneerlijk dat hij bij opa was geweest. Iedereen was blij.
Eindelijk is hij dan ontdekt. De grote nog onbekende planeet buiten Neptunus. Hij staat veel verder weg dan Pluto en al die andere dwergplaneten. De geleerden zagen het aan de baan van Pluto: er moet er nog een zijn, en dat zal dan geen kleintje wezen. Maar hoe kun je die vinden? Daar heb je uitstekende wetenschappers voor nodig.
Mijn oudste kleinzoon, wetenschapper in de dop, heeft hem gevonden. Hij heet Brawl Stars, uit te spreken op zijn Engels. Hij heeft ook twee manen. Eentje heet Orcus, niet te verwarren met de dwergplaneet met dezelfde naam. Ook in de planetenwereld zijn er homoniemen, kijk maar naar bijvoorbeeld de maan Europa van Jupiter, niet te verwarren met het werelddeel Europa. De tweede maan van Brawl Stars is een stuk groter. Hij heet Oenceladus. Niet te verwarren met de maan Enceladus van Saturnus. De namen lijken dan wel op elkaar maar deze twee manen hebben echt absoluut helemaal niets met elkaar gemeen. Oenceladus is bijvoorbeeld bruin met witte vlekken.
De hele kamer ligt bezaaid met tekeningen. Ook liggen er allerlei A-4tjes met uitvoerige teksten. Ter gelegenheid van de kinderboekenweek kregen de kinderen van groep vier de opdracht om een verhaal te schrijven. Het mooiste verhaal zou de gouden griffel krijgen. Wie was de winnaar? Niemand minder dan mijn oudste kleinzoon! Ik heb het verhaal niet gelezen maar het verwondert me niet.
Hij leeft voortdurend in een fantasiewereld, en deze wereld is vaak heel aantrekkelijk. Neem het land Jordanië. Heeft niets te maken met het andere Jordanië volgens hem. Zo ziet die wereld er uit.
En zo gaat het nog een aantal tekeningen door.
We waren weer naar orgelles geweest. Vanwege de coronamaatregelen is de kerk nu dicht en moet je buiten bij de kostersingang wachten tot je gehaald wordt. Er liep een voorbijganger. -‘Meneer, weet jij wanneer mijn leraar komt?’ De man keek verbaasd en knikte dat hij dat niet wist. Ik legde aan mijn kleinzoon uit dat dit gewoon iemand was die hier net toevallig langs kwam. Hij weet echt niet dat hier ook orgelles wordt gegeven. Hij keek me aan en probeerde dat tot zich te laten doordringen. Bij autisten is het zich kunnen inleven in een ander heel erg moeilijk.
Maar de koster kwam er toevallig aan en liet ons binnen. Mijn kleinzoon stormde weer door de hele kerk en ik moest hem van achter het altaar wegplukken waar hij een preek stond te houden. Ik vertelde hem dat dat een soort heilige plaats was waar alleen de dominee mocht komen. Zichtbaar geschrokken liep hij met me mee. Toen ging hij nog maar eens naar de akoestiek van de kerk luisteren. Behalve ik en de koster was er niemand. Hij zong een mooi wijsje of liever gezegd, hij speelde trompet:
Even later kwam zijn leraar en kreeg hij les. Bij die les is hij bijzonder moeilijk te focussen. Hij wil het liefste alle registers uitproberen en in een of andere organistenrol duiken. Maar dan moet hij weer enkele saaie noten spelen. Zijn docent wil hem iets zeggen maar hij zit alweer te improviseren. Deze laat hem dan maar een halve minuut of zo begaan. -‘Zo, dat was dan weer de speeltuin, nu gaan we weer spelen wat hier staat.’ Én zo worden de oefeningen moeizaam doorgenomen. Ik bewonder de docent en zie dat ondanks alles mijn kleinzoon vooruitgaat in het noten lezen.
Thuis gaat hij weer verder met allerlei fantasieën. Voor het naar bed gaan luistert hij vaak met zijn vader naar een podcast over de Bourgondiërs. Die zitten nu ook in zijn spel. En in zijn tekeningen.
Maar ook zijn de verschillende muziekjes van de planetenfilms op Youtube weer in de belangstelling. Een van de filmpjes heeft als achtergrond “Eine kleine Nachtmusik”. Hij probeerde iets nieuws uit: zingen en spelen tegelijkertijd.
Of hij zingt een liedje uit een van de filmpjes en is intussen behoorlijk melig:
Of hij geeft les aan een imaginair publiek over planeten, in het Engels. En voor hen die dat niet kunnen verstaan doet hij het voor de zekerheid ook nog maar even in het Spaans….
Ik heb grote bewondering voor zijn geduldige docenten. Maar ik ben ook apetrots op de winnaar van de gouden griffel.
Op mijn smartphone staan enkele astronomische programma’s, waaronder skymap. Om snel even te kijken als je ’s nachts buiten bent en dan te zien wat er aan de hemel staat. Maar als ik binnen achter mijn computer zit, waar ik de beschikking heb over een groot scherm, gebruik ik een nog veel mooier programma. Sinds kort heb ik het pas ontdekt en ik ben er behoorlijke lyrisch over.
Ik heb een filmpje gemaakt om een eerste indruk te geven van de mogelijkheden.
In de negentiger jaren waren we tijdens een vakantie in Zwitserland. Men maakte zich in het betreffende kanton sterk om al het vuurwerk in de zomer in de ban te doen. Het vuurwerk in augustus heeft daar een lange traditie. Het is daar toen gelukt. Het mocht niet meer vanwege het milieu. We zijn ook vaak in Frankrijk geweest met oud en nieuw. Behalve in Parijs is er nauwelijks vuurwerk in het land. Op het platteland al helemaal niet. De mensen missen het niet. Ze drinken een goed glas wijn en eten wat feestelijker dan normaal. Voilà.
Rutte en zijn ploeg gaan waarschijnlijk met veel schroom akkoord met een vuurwerkverbod voor komende jaarwisseling. Men weet alleen niet of het wel te handhaven valt en men is bang om de mensen het enige verzetje dat ze nog hebben af te pakken.
In Maastricht en veel andere plaatsen zijn de mensen gek van het carnaval dat al morgen, de elfde van de elfde, begint. Maar overal ziet men in dat het niet slim is om dat door te laten gaan. Het wordt massaal geaccepteerd, jammer dan, dit jaar niet. Waarom is men dan zo bang voor een vuurwerkverbod?
Dat er sprake kan zijn van burgerlijke ongehoorzaamheid als je mensen iets “afpakt” dat zal duidelijk zijn. De Nederlanders zijn in het algemeen behoorlijk eigenwijs. En dat zijn ze altijd geweest denk ik. Ik moest denken aan een artikel dat ik las In het jaarboek van Maas en Swalmdal uit 1990. Giel Geraedts schrijft daarin over de verwikkelingen rond het draak steken in Swalmen. Tot 1789 werd er ook in Swalmen jaarlijks draak gestoken, een traditie die tot op de huidige dag (om de 7 jaar) in het naburige Beesel nog in ere wordt gehouden. Tijdens de sacramentsprocessie liep er achter in de processie een draak mee, die vlak voordat de stoet de kerk in ging op de markt door ruiters van de schutterij werd neergeschoten en neergesabeld. Het was een imposant schouwspel waar mensen van heinde en verre op af kwamen. Maar het werd steeds meer een doorn in het oog van sommige geestelijken. in 1708 en 1711 werd het verboden, maar de schutterij had er lak aan. Opvallend detail is dat enkele leden van de schutterij ook schepen waren in Swalmen en dat de overige schepenen bijna allemaal wel een direct familielid in de schutterij hadden. Zij vonden het verbod van de pastoor belachelijk. Maar in de processie werd het allerheiligste meegedragen, het “vlees en bloed van Christus” en het was volgens de pastoor pure godslastering dat ook de draak mee liep en er gevochten werd. Dinsdag 23 juni 1716 liep het uit de hand. Rentmeester Wijhers, die op kasteel Hillenraad zetelde en het kasteel beheerde voor Markgraaf Willem Adriaen van en tot Hoensbroek, die op Schloß Haag in Geldern woonde, verbood in samenspraak met pastoor Dolmans dat de draak meeliep. Toen deze en ook de ruiters van de schutterij zich er niets van aantrokken greep Wijhers een fakkel van een van de fakkeldragers uit de processie en probeerde de draak in brand te steken. Toen kwamen de ruiters van de schutterij erbij en ontstond er een handgemeen. Uiteindelijk waren de schutters zo boos dat ze de rentmeester dreigden te doden en deze het op een lopen moest zetten. Al deze ongeregeldheden hebben tot een proces geleid waarin ook “objectieve getuigen” vertelden wat ze allemaal gezien hadden. Uiteindelijk kwam men er niet uit. Omdat de schepenen niet onpartijdig waren werd het proces verdaagd naar het Hof van Gelre. Wat er daar mee is gebeurd is onbekend. Opvallend achteraf is hoe een groot deel van de Swalmer bevolking zich tegen het gezag van de pastoor keerde en diens argumenten aan zijn laars lapte. Het was al een eeuwenoud gebruik en men zag niet in waarom dat nu zou moeten veranderen. Ook daarna zijn ze nog bij Pastoor Dolmans langs gegaan en eisten de kan bier die de pastoor traditiegetrouw na afloop van de sacramentsprocessie aan de schutterij schonk. Deze was slechts bereid om “een vierde pint” (niet meer dan een vaasje voor iedereen of zo iets) te geven, waar de woedende schutters geen genoegen mee namen. Ook deze zaken zijn in het proces meegenomen. Maar een en ander had verder weinig consequenties voor het draak steken. In de jaren erna is het draak steken gewoon doorgegaan. Van 1715 tot 1794 viel het huidige België en een deel van het huidige Nederlands Limburg, waaronder Swalmen, onder Oostenrijk. Toen in 1789 keizer Joseph II een edict uitvaardigde dat alle volksfeesten op het platteland op dezelfde dag gevierd moesten worden ging het draak steken daarom niet door. Het aangrenzende Beesel was een soort Nederlandse enclave. Daar mocht de Draak wel nog gestoken worden. Misschien dat daardoor deze traditie daarna in deze plaats is blijven bestaan. Enkele jaren daarna kwamen de Fransen, die na een tijd ook de schutterijen ontbonden. Dat was de genadeslag voor het “Draak Steken” in ieder geval in Swalmen.
Het argument toen was niet de lichamelijke gezondheid van de mensen. Die was normaal gesproken nooit in het geding bij een feest. Het was inderdaad vooral een verzetje. Een soort mini carnaval misschien. Of een kermisfeestje. Nee, het mocht niet vanwege de gééstelijke gezondheid. De regels van de kerk waren in het geding. Het doden van de draak in aanwezigheid van “het allerheiligste” was zoiets als dat nu het belachelijk maken van de profeet in moslimkringen is.
Waarom moet het vuurwerk met oud en nieuw verboden worden? Natuurlijk vanwege de honderden mensen die ten gevolge van ongelukken in het ziekenhuis terecht komen. Maar ook, net als in Zwitserland, vanwege het milieu. De enorme hoeveelheid troep die in korte tijd de lucht in wordt geblazen. En vanwege de overlast voor iedereen, met name voor de mensen die er bang voor zijn. Zoals veel geestelijk gehandicapten. Ook de meeste autisten zijn er doodsbang voor. En de meeste huisdieren. Of de vogels. Voor hen is het geen feest maar een nachtmerrie. Verbieden en streng straffen als in Zwitserland met enorme geldboetes zullen helpen. Rutte en de VVD zijn bang dat bij een verbod zo vlak voor de verkiezingen kiezers van rechts bij hun weg zullen lopen. Als ze nu toch een keer zouden kiezen voor wat goed is voor alle Nederlanders. Er zijn nog verzetjes genoeg waar niemand of bijna niemand last van hoeft te hebben. En laat de mensen een alternatief verzinnen in de toekomst dat geen kwaad kan.
Draak steken 2016 in Beesel
Het carnavalsfeest is aan de ene kant ontaard in een massale zuippartij van vrijdag tot en met dinsdag voordat de vastentijd begint (oorspronkelijk alleen de dinsdagavond = vastenavond). Aan de andere kant heeft het heel veel creativiteit los gemaakt en gezorgd voor saamhorigheid. Maandenlang worden wagens gemaakt voor de optocht, per buurt een of zelfs meerdere wagens. Mensen proberen zich individueel zo te verkleden dat ze eventjes iemand zijn die ze altijd al een keertje zouden willen zijn. Er worden buutreednerwedstrijden gehouden, waarbij onvermoede stand-upcomedians blijken te bestaan. Het verbindt mensen. Zo gebeurde dat ook steeds meer bij het Draak Steken. Net als bij de Passiespelen in Tegelen wordt er door een dorp naar toe geleefd en naar toe gewerkt. Men begint al jaren van te voren. Vroeger was het een verzetje, nu moet je er zelfs kaartjes voor kopen en wordt het draak steken niet in een processie maar in een soort grote arena met nepkasteel vijf of zes keer uitgevoerd. Zo iets zou ook lokaal voor oud en nieuw te verzinnen moeten zijn. De gemeenschappen zijn creatief genoeg. Maar weg met dat geknal in ieder geval wat mij betreft. En geen gevaarlijke dingen meer. De mensen van de vuurwerkbranche moeten zich laten omscholen. Tot hulpverleners bij het oogziekenhuis of zo.
Gisteren heb ik met mijn vrouw weer een mooie wandeling gemaakt door de duinen. Langs bekende plekjes, maar nog steeds moet ik goed opletten om niet verkeerd te lopen. Dat komt ook omdat er een aantal jaren geleden veel veranderd is door kap en ook zijn enkele paden verdwenen, nieuwe zijn er terug gekomen.
Je zag nog steeds hier en daar Jacobskruiskruid, maar nu in dit jaargetijde zag je op meer open stukken vooral het Bezemkruiskruid. De Nederlandse naam bezemkruiskruid is afkomstig van de vorm, door de sterke vertakking lijkt een uitgetrokken plant wel wat op een bezem. De plant komt uit Afrika. Met woltransporten is de plant rond 1900 naar Europa gekomen. De hoogte varieert van 20-110 cm. De bloeiperiode loopt van mei of juni tot en met december. Pas sinds de jaren 70 van de 20e eeuw is bezemkruiskruid aan een duidelijke opmars bezig. Bezemkruiskruid is nu algemeen aanwezig op bouwgronden, langs spoorwegen, in wegbermen, langs slootkanten en in de duinen, met een voorkeur voor wat vochtige grond. De grond mag zandgrond zijn, maar dan niet voedselarm. Bestuiving vindt plaats door insecten. Vanwege de sterk toenemende verspreiding wordt hij in een aantal natuurgebieden als een bedreiging gezien voor zeldzame oorspronkelijke soorten. Zo wordt de plant in de Vlaamse duinen op een aantal plaatsen actief bestreden. (wikipedia)
Ook uitgebloeide bloemen kunnen er mooi uitzien.
Veel rode besjes bij allerlei struiken. Zoals bij deze hulst die je al helemaal in de kerstsfeer brengt.
Veel bomen zijn nu bijna kaal zoals je aan de tak van deze eik kunt zien.
Maar ook kale bomen kunnen indrukwekkend zijn.
Voor de vitaminen: de duindoorn is nu rijp tot overrijp. Lekker zuur, vol met sap met vitamine C.
Bij de vennetjes staat nog veel watermunt, de blaadjes beginnen overal bruin te worden. Maar de geur blijft even sterk. Als je er over heen loopt komt er gelijk een heerlijk “briesje” naar boven.
Het was in de duinen drukker dan normaal, maar gelukkig nog steeds vrij rustig. Ook het strand was nog vrij leeg.
Als je dan de duinen weer ingaat loop je eerst een eind als het ware door een woestijn.
Aan de rand van deze woestijn staat onder meer het zout minnende zeekool.
En als je dan afdaalt kom je plotseling in een totaal andere wereld. In de lente klinkt dan het getwitter van talrijke vogels. Op deze plaats zitten trouwens vaak ook nachtegalen.
Een van de weinige laatbloeiers: de reigersbek
Het is herfst, ook in de duinen. Met dit weer mag voor mij de herfst heel lang duren.
Hoe vaak heb ik in mijn leven Mercurius gezien? En hoeveel keren heb ik geprobéérd om deze planeet te zien? Dat laatste best wel vaak. Maar ik zag hem bijna nooit. Mercurius staat zo dicht bij de zon dat de kans om hem te zien klein is. Soms vlak voor zonsopgang, of soms vlak na zonsondergang. Maar meestal staat hij vanuit de aarde gezien te dicht bij de zon, of schuift er vlak voor of achter. En vlak boven de horizon zijn bijna altijd wolken. Er moet dus ook nog eens erg weinig vocht in de lucht zijn. Ik wist dat er een goede kans was dat het me deze ochtend zou lukken. Niet te vroeg dus, want dan was hij er nog niet. Niet te laat, want dan zou de opkomende schemering alweer roet in het eten gooien. Het is me gelukt! En ik zag nog veel meer. In het zuid-westen stond het sterrenbeeld Orion, links daarvan de meest heldere ster die er is, Sirius, en er om heen nog talloze andere sterren. Bijna recht boven me stond de maan. Spectaculair, in mijn camera kon je erg veel kraters goed zien. Venus was al een tijdje eerder opgekomen in het zuid-oosten met een eindje naar links en iets hoger, de reus Arcturus. Maar daaronder, ja hoor: vlak boven de horizon. Mercurius! en iets minder helder, rechts daarvan, de heldere ster Spica. Net allebei aan het opkomen. Een kwartier later waren ze door de steeds hoger klimmende zon al niet meer te zien. Wel zag je nog de mooie roodverlichte kerktoren van Streefkerk. Intussen hoorde je ganzen, ganzen, ganzen. Het was het enige dat je verder nog hoorde op deze wondermooie vroege zaterdagochtend. Ze waarschuwden me: je moet er nu bij zijn, nu, nu nu!
Links Sirius, in het midden het sterrenbeeld OrionLinks de reus Arcturus, rechts Venus. Heel laag in het schemer-oranje links Mercurius en rechts SpicaLinks Mercurius en rechts SpicaIn de telestand van mijn camera lukte het om Mercurius dichtbij te halen. Niet dat dat veel oplevert. Zo zien alle planeten die ik tot nu toe in close-up-stand heb gefotografeerd er ongeveer uit. Maar toch… Dit is Mercurius!
Het meest opvallende hemelobject de laatste dagen is de planeet Mars. Hij is er al vanaf zonsondergang en daarna ook nog eens een groot deel van de nacht.
Deze foto is eergisteravond om kwart voor zeven ’s avonds gemaakt. De camera was gericht naar het zuid-oosten. Het meest heldere object is Mars, maar je ziet ook al veel van zijn buren. Het zijn geen spectaculair heldere sterren, die komen pas enkele uren later op. Of je moet naar het noordoosten kijken (Capella), het Noordwesten (Arcturus) of recht omhoog (Vega en Deneb). Om Mars heen zie je vooral veel sterren van het sterrenbeeld vissen. De magnitude (helderheid) van al deze sterren ligt tussen 2 en 5. Waarbij 2 aangeeft dat een dergelijke ster nog behoorlijk goed te zien is. Magnitude 5 is al veel minder goed zichtbaar. Maar desondanks pikte mijn camera ze redelijk goed op. Ik vertel iets over drie van deze sterren, op onderstaand kaartje de sterren met de nummers 1. 2 en 3. Deze zijn erg goed te zien, ze zijn van het sterrenbeeld Aries (ram).
Nummer 3, Hamal, α arietis, is de meest heldere met een magnitude van 2. Het is een echte reuzenster in het kleurenspectrum oranje tot rood. Hij is iets jonger dan onze zon, namelijk ongeveer 3,4 miljard jaar oud. Bovendien weten we dat er minstens één planeet omheen draait, een exoplaneet dus. (Exoplaneten zijn planeten die om andere sterren draaien dan om onze zon). Deze ster is maar liefst 1490 keer zo groot als onze zon! Hij staat ook erg ver weg, op een afstand van ongeveer 6581 lichtjaren. Hamal betekent in het Arabisch “kop van het schaap”. Bij de tekening van het sterrenbeeld bevindt deze ster zich in de nek, vlakbij de kop.
Nummer 2 hierboven is Sheratan, β Arietis. Het is een dubbelster met een magnitude van 2,6 waarvan de grootste ster ongeveer twee keer zo groot is als onze zon. Hij is wel een stuk heter. Waar onze zon zich in het gele kleurspectrum bevindt moeten we deze ster in het witte tot blauwe spectrum plaatsen. Hij is relatief dichtbij, hij staat op ongeveer 59 lichtjaar afstand. Ook is hij nog jong. Onze zon is vijf miljard jaar oud, deze ster is slechts 0,3 miljard jaar oud. Toch leeft hij niet lang meer. Maar zijn einde is niet als het einde van een supernova, daarvoor is hij te weinig massief. Hij zal wel, al binnen enkele miljoenen jaren, enorm uitdijen tot een rode reus, daarna overgaan in een planetaire nevel, tot slot zal hij inkrimpen tot een dwerg. Zijn compagnon zal uiteindelijk de grootste van de twee zijn, terwijl die nu slechts met een telescoop zichtbaar is. Een deel van de massa van Sheratan zal terechtkomen bij deze compagnon. Sheratan bevindt zich in de kop van de ram, bij een oog. De naam is afgeleid van het Arabische aš-šaratan, wat “de twee tekens” betekent. Deze twee tekens waren Sheratan en Mesarthim (γ Arietis) welke de twee dichtstbijzijnde heldere sterren bij de lente equinox waren. Het begin van de lente werd er mee aangeduid. In de astrologie valt het begin van het teken ram exact gelijk met deze lente equinox. Overigens is het lentepunt inmiddels opgeschoven, het bevindt zich niet meer in Ram maar heeft zich na meer dan 2000 jaar via Vissen verplaatst naar Waterman. Nu zouden de oude volkeren zich dus op een ander punt moeten oriënteren. De astrologie houdt voor het begin van de lente wel nog steeds het teken ram aan, maar niet meer “Ram”zoals het bij het dierenriemteken hoort. De hemel is door hen verdeeld in twaalf delen en het deel van de hemel waar de zon staat als de lente begint wordt Ram genoemd. Het begrip is dus losgekoppeld van de zichtbare sterren.
nummer 1, Mesarthim, γ Arietis, is de op twee na meest heldere ster van Aries (Ram). Samen met Sheratan vormt deze ster als het ware de ogen van de Ram. Mesarthim is een dubbelster, en zijn compagnon kun je met een goede verrekijker al zien, zijn magnitude is 4,75. Deze is warmer dan de hoofdster. Beide sterren bevinden zich op 164 lichtjaar afstand. De grootste heeft een enorm sterk magnetisch veld waardoor deze sterk pulseert. Ook bevat hij veel ijzer en talrijke andere elementen en tolt hij met grote snelheid om zijn as.
Al deze sterren worden op dit moment door de planeet Mars vanuit het sterrenbeeld vissen nauwlettend in de gaten gehouden. In de astrologie wordt Mars gezien als “de heerser van Ram”.
Die avond zag ik ook de maan opkomen en Jupiter en Saturnus ondergaan.
Vandaag is het Allerzielen. Dat was ook een van de invalshoeken van het concert dat ik met mijn vrouw en oudste kleinzoon afgelopen zaterdag bijwoonde. Een prachtig orgelconcert dat vanwege de coronamaatregelen (slechts 30 bezoekers) twee keer achter elkaar werd uitgevoerd. Mooie muziek, maar niet makkelijk voor minder ervaren luisteraars. Mijn kleinzoon was er al bang voor van te voren. Hij vroeg voor de zekerheid of we ook eerder de kerk uit mochten. ‘Dat was eigenlijk niet de bedoeling’ was het antwoord maar stiekem hielden we daar wel rekening mee. Mijn vrouw had een tekenboek en stiften mee genomen. En zo tekende hij tijdens het concert maar liefst vier tekeningen, waaronder een prachtige kerkscene en een muziekpartituur.
Het was voor hem moeilijk om in plaats van te praten te fluisteren, maar het ging hem steeds beter af. En ook het gapen klonk tegen het einde van het concert als een beschaafde gaap in plaats van als een “zeg eens a”-geluid. Hij heeft het concert van meer dan een uur helemaal uitgezeten. En daar was hij terecht heel trots op. Hij logeerde dit weekend bij ons en bij de vraag: ‘wat vond je het leukste van dit weekend?’ was hij heel duidelijk: ‘het concert in de Sint Jan!’
In het kader van Allerzielen begon organist Gerben Budding het concert met het prachtige ‘Mein junges Leben hat ein End’ van Sweelinck. Met mooie intieme registraties, klanken die soms dichtbij die van het geluid van de blokfluit kwamen.
Ook het nieuwe werk van Daan Manneke, gecomponeerd in Corona-tijd, “De Profundis”, was bijzonder. De titel is uiteraard ontleend aan de tekst van psalm 130: ‘Uit de diepte roep ik tot u Heer, hoor mijn stem, wees aandachtig, luister naar mijn roep om genade.’ Het is de klaagzang van iemand die diep in de put zit, maar ook van iemand die lijdt en zich vlak voor zijn dood richt tot God. Allerzielen is de dag dat de doden worden herdacht en dat er gebeden wordt voor hun zielenheil. De veronderstelling is dat die zielen nog wachten op de dag des oordeels en dat wij door ons gebed er aan kunnen bijdragen dat hun zonden worden vergeven. Bij twee van de vijf deeltjes van dit orgelstuk zong een trio van het gezelschap Ars Musica de koraalmelodie mee. Die klonk bijna vanuit de diepte, ver weg (de profundis), maar dat kwam omdat ze hoog bij het orgel stonden, dus juist niet uit de diepte maar uit de hoogte. Deze zielen waren al in de hemel.. Met een gebaar gaf de organist tijdens het spelen de zangers de inzet aan. Maar die waren vanuit de kerk niet te zien, ook niet op het scherm waar je wel de organist en de twee registranten kon zien. Ik vond het een prachtig stuk dat de hoop van de zielen voor een beter leven muzikaal illustreerde.
Het hele concert kun je ook terug zien op de livestream van de Sint Jan of op youtube. Het stuk van Sweelinck begint op 8:55 minuten. “De Profundis” van Daan Manneke start op 45:05. Dit laatste stuk heeft 5 onderdelen: • Ciaconna (Lontano e grave) • Toccata ardito • Lachrimae ‘Ach wie flüchtig, ach wie nichtig’ • Quasi nebuloso • Lachrimae double En er waren nog meer mooie muziekstukken te horen, van respectievelijk Bach, Mozart, Adriaan Schuurman, Jan Zwart, Henri de Man en Cor Kint
Mijn oudste kleinzoon is sinds dit weekend weer opnieuw gefascineerd door alles wat met het heelal te maken heeft. Ik bouwde samen met hem een telescoop. Het instrument deed het goed, je kon er zelfs overdag mee naar de sterren kijken, zo zei hij. Maar toch wilde hij ook ’s avonds graag kijken. Het was bewolkt en het regende zelfs af en toe. Maar in zijn fantasie was hij ergens in de buurt van UY Scuti, de grootste ster die we kennen. Onze zon past er meer dan een miljard keer in. Daar, heel ver weg, speelde hij zijn eigen orgelmuziek op de piano. Ik denk dat alle zielen dit gehoord hebben.
Vandaag is het Allerheiligen. Dit is in de Rooms-katholieke kerk een grote feestdag. In veel landen zoals in Spanje heeft dan ook iedereen vrij, maar als deze dag op een zondag valt zoals vandaag dan heb je daar niet zoveel aan. In de middeleeuwen hadden ze het niet over 31 oktober, maar over: één dag voor Allerheiligen, of als er iets was op 30 juni, dan zei men: één dag na het feest van de heilige Petrus en Paulus. Heiligen bakenden het kerkelijke jaar af. En in de rechtspraak werd gezworen bij “alle heiligen.”
Heiligen namen vaak Christus als voorbeeld, zoals de heilige Franciscus en de heilige Theresia van Ávila die uit alle macht probeerden om zich in te leven in het lijden van Christus. Franciscus kreeg spontaan als hij mediteerde de wonden van Christus op zijn lichaam en Theresia beweerde dat Jezus aan haar was verschenen om zich met haar mystiek te verloven. Hieronder een beeld gemaakt tussen 1470 en 1480, waarop je de stigmata, de geprojecteerde Christus-wonden, kunt zien op de handen van de heilige Franciscus, behorende bij de vaste collectie van museum Catharijneconvent
In de late Middeleeuwen werd het steeds belangrijker dat je je kon identificeren met Christus of met een heilige. Daarvoor was Christus vooral een God, die je eerbiedig diende te benaderen en die op eenzame hoogte oordeelde over de mensen. Maar langzaamaan werd het menselijke aspect steeds belangrijker. Bernardus van Clairvaux, stichter van de strenge Cistercienzer orde die voortkwam uit de Benedictijner orde, wilde bewijzen dat Christus ook echt mens was geweest. Zo is er een schilderij waarop je kunt zien hoe hij naar Jezus kijkt om te zien of deze wel geslachtsdelen heeft: Ja hoor, ze zijn er! En kijk ook maar eens naar de borsten van Maria: helemaal echt, er komt melk uit!
De twee afbeeldingen die hierboven staan zijn te zien op de tentoonstelling “Body Language” die nog tot half januari te zien is in het Catharijneconvent in Utrecht. Plastische weergaven zoals een zijdewond van Christus, die er uit ziet als een vagina. Wat was het idee? Uit de wond van Christus wordt nieuw leven geboren, uit die wond komt het nieuwe verbond en dus de Christelijke kerk.
Zijdewond van Christus in de vorm van een vagina, Book of Hours, Engeland, ca. 1405-1413. Collectie Oxford, Bodleian Libraries
Bij het laatste avondmaal zei Christus: dit is mijn lichaam en dit is mijn bloed. Daarbij liet hij brood en wijn zien. In de middeleeuwen werd dit mirakel zeer letterlijk genomen. Als je in de mis het gezegende brood at,(de hostie), dan at je feitelijk het lichaam van Christus. En dronk je van de wijn dan dronk je zijn bloed. Dit bloed was daardoor heilig en had zelfs genezende krachten. Zo zien we hier op dit schilderij het bloed van Jezus maar ook de melk van Maria. Ook deze melk, waar Jezus mee gevoed was, was heilig en kon je genezen. Het is een detail van een triptiek uit 1520 met de Kruisiging en de levensbron, geschilderd door een anoniem kunstenaar met de bijnaam “Meester van de Aanbidding “, afkomstig uit Antwerpen.
Geertgen tot Sint Jans is een van mijn favoriete middeleeuwse Noord-Nederlandse kunstenaars. Zo maakte hij het schilderij “Christus als man van Smarten”, oorspronkelijk waarschijnlijk onderdeel van een tweeluik. Het werk verbeeldt de lijdensweg van Christus. Links van hem zit de biddende Maria Magdalena, aan de voet van het kruis de treurende Maria, zijn moeder en Johannes de evangelist. De engelen dragen passiewerktuigen. Christus draagt zijn kruis en staat op uit het graf. Door het gebruik van goudkleuren, krijgt het geheel een warme uitstraling. Het is gemaakt tussen 1480 en 1490. Hier is de weergave van het bloed vooral bedoeld om ons in te laten leven in de pijnen die hij ervaren moet hebben.
Dit soort voorbeeldschilderijen zijn er veel. De meest beroemde zijn die van Matthias Grünewald die hij schilderde voor het Isenheimer Altar, nu te zien in museum Unterlinden in Colmar. De schilderingen waren bedoeld voor een klooster waar lijders aan het Antoniusvuur, een ziekte die lijkt op de builenpest, verzorgd werden. De wonden van Christus aan het kruis lijken op die van de zieken, maar dan nog erger. Zo konden ze zich identificeren.
Dit soort afbeeldingen waren dus ook te zien op de tentoonstelling. Sommige dingen waren nieuw voor mij, zoals de wonden waar bloed in straaltjes van drie naar buiten komt: de heilige drie-eenheid. Het is letterlijk goddelijk bloed. Of de betekenis van lichaamshaar. En ook had ik nog nooit zo nadrukkelijk naar de moedermelk van Maria gekeken, of Christus die letterlijk als in een druivenpers uitgeperst wordt: zijn bloed als goddelijke drank. Alles is overzichtelijk gemaakt door het te plaatsen in zes thema’s. Het gratis boekje erbij is erg handig. Ik vond het een mooie tentoonstelling. Door de coronamaatregelen moet je een tijdslot reserveren en daardoor is het nooit te druk en heb je alle tijd om alles goed te bekijken.
Vanmiddag was de Martijn Padding show, een onderdeel van de concertreeks tijdens de cello biennale 2020. Martijn Padding, die de presentator was van het concert, had zelf alle componisten van de te spelen werken uitgezocht en voordat de musici gingen spelen werden deze geïnterviewd. Ook werden er stukken van hem zelf gespeeld. Componist Alexandre Kordzaia houdt van het werken met soundscapes en synthesizers maar heeft zich nu voor de cello biennale gewaagd aan een celloconcert. Het werd gespeeld door Asko-Schönberg en Lidy Blijdorp speelde de cellopartij. Het was een vrolijk en ritmisch stuk met aparte geluiden, maar goed toegankelijk. Speeltechnisch niet gemakkelijk maar wel leuk om te spelen denk ik.
Dit concert-onderdeel duurt ruim 10 minuten en is terug te horen via onderstaande link. (Eventueel spoelen naar 24:00 minuten).
Tijdens het concert waren er uiteraard nog meer moderne stukken te horen die ook via dezelfde bovenstaande link terug te beluisteren zijn.
Vorig jaar overleed Anner Bijlsma, een van Nederlands grootste cellisten. Hij was ook altijd bij de cello biennale, dit jaar voor de eerste keer niet. Gisteravond was er in het muziekgebouw aan het IJ een concert ter herdenking van Anner Bijlsma. Ook zijn weduwe, de violiste Vera Beths was aanwezig en speelde met een aantal musici de elegie van Suk.
Een aparte rol was er voor de celliste Lidy Blijdorp. Zij heeft twee jaar voordat Anner Bijlsma overleed diens cello in bruikleen gekregen. Zo speelde zij gisteravond ook op dat instrument en wel in maar liefst vier stukken. Een celloconcert van Boccherini, een stuk van Martijn Padding, de elegie van Suk en de elegie nr.1 van Frans Liszt. Dat laatste stuk vond ik persoonlijk die avond het mooiste.
Liszt componeerde dit stuk ter gelegenheid van het overlijden van gravin Maria von Nesselrode-Ehreshoven in 1874. Zij was de dochter van een Duitse graaf. Zij trouwde op zeventienjarige leeftijd met Jan Kalergis, een rijke landeigenaar van Kretenzische adellijke afkomst, die veel ouder was en een jaloerse aard bleek te hebben. Het paar woonde in Sint-Petersburg, waar ook de gravin al vanaf haar zesde jaar was opgegroeid. Hoewel ze een dochter kregen kwamen ze al minder dan een jaar na hun huwelijk met elkaar overeen om uit elkaar te gaan. Zonder formeel te scheiden leefden ze sindsdien afzonderlijk, tot de dood van Jan Kalergis in 1863. Dankzij het geld van haar man had ze een comfortabel leven. Zo kon ze door Europa toeren. Van 1847 tot 1857 woonde ze in Parijs. Gasten in haar salons waren onder meer Liszt, Wagner en Chopin. Na 1857 vestigde ze zich In Warschau. Daar werd ze gastvrouw en beschermer van de kunsten en nam ze deel aan liefdadigheidsconcerten en theatervoorstellingen. Haar middelen waren altijd beschikbaar voor mensen in nood. Maria Kalergis had een aanzienlijke invloed op de ontwikkeling van de muziekcultuur in Warschau. Ze was mede-oprichter van het muziekinstituut van Warschau, nu Conservatorium, en richtte samen met Moniuszko, haar tweede man, de muzieksociëteit van Warschau op, het tegenwoordige Philharmonische orkest van Warschau. In Warschau trad ze ook regelmatig op als pianiste. Na haar dood schreef Liszt zijn Elegie nr 1, bijgenaamd “slaaplied bij het graf” en droeg het stuk aan haar op. Oorspronkelijk schreef hij het voor piano solo, maar een jaar later verschenen er uiteindelijk nog vier versies: een voor piano quatre-mains, een voor piano en viool, een voor piano en cello en tenslotte een voor piano, cello, harp en harmonium. Dat was de versie die deze avond te horen was.
Lidy speelde op de cello de klagende solo, de overige instrumenten fungeerden min of meer als klankdecor. De paar keren dat ik zelf erg verdrietig was vanwege het overlijden van een dierbaar iemand ging ik altijd aan de piano improviseren. Ik speelde mijn eigen klaagzang. En ik weet nog dat ik achteraf heel boze, agressieve klanken afwisselde met tedere klanken, of ook verdrietige. Liszt doet dat ook, ik herken er mezelf een beetje in. Het stuk werd prachtig gespeeld door vier geïnspireerde musici. De dalende chromatiek is op enkele plaatsen hartverscheurend, Lidy laat de cello daar huilen. Ook de vele overmatige drieklanken veroorzaken een droevige sfeer. Maar er zijn ook mooie, tedere momenten. Het einde is buitengewoon verstillend. Je voelt berusting en liefde. Al deze emoties horen volgens mij bij een echte klaagzang.
Je kunt hetzelfde stuk ook bekijken en beluisteren vanuit de stream van gisteravond. (spoel zo nodig door naar 50:00 minuten)
Het hele concert kun je ook terug horen, met in totaal vijf muziekstukken en in het begin is er ook een kleine documentaire over Anner bijlsma te zien. (Spoel voor het hele concert terug naar 5:47 minuten)
Vanuit kasteel Vaeshartelt hebben we onlangs drie dagwandelingen gemaakt. Vaeshartelt was oorspronkelijk bezit van de abdij van Meerssen. Al in de veertiende eeuw werd het particulier bezit en nu is het een hotel. Zie ook mijn eerdere blog. Zoals het kasteel en de tuin er nu uitziet zag het er grotendeels ook in de negentiende eeuw uit.
17 oktober vertrokken we vanuit Bunde door het Bunderbos naar Geulle aan de Maas, 18 oktober van Meerssen via Berg, Terblijt, Vilt en langs de Geul terug, 19 oktober vanaf de Gulperberg naar Epen en terug. De muziek die je hoort wordt gespeeld door Camerata Bern, live opgenomen door radio 4 in de Doelen van Rotterdam. Zie hiervoor ook een eerder blog
Ben je in een hotel al een keer de naam Sphinx tegen gekomen? Dat zou me niet verwonderen. De naam Sphinx staat namelijk op al wat ouder, maar mooi en degelijk sanitair. Ik zag het in hotels maar ook in schoolgebouwen. Het sanitair is gemaakt in de Sphinx-fabrieken in Maastricht. Deze fabrieken zijn opgericht in 1834 door Petrus Regout. Zijn fabrieken zijn de bakermat van de industriële revolutie in Nederland. Bij de dood van Regout in 1878 werkten er ca. 2500 arbeiders. Het bedrijf was aanvankelijk bekend als producent van glaswerk, serviesgoed en ander huishoudelijk aardewerk, later voornamelijk van tegels en sanitair, zoals wastafels en toiletpotten. De fabriek hield op te bestaan in 2009.
Deze eerste industrieel had veel gezichten. Een conservatief Rooms-katholiek gezicht. Hij was lid van de katholieke herensociëteit Momus in Maastricht. Vlak naast de Servaaskerk aan het Vrijthof zie je nog de naam van deze sociëteit. Ook steunde hij de paus in zijn strijd om de pauselijke gebieden in Italië te kunnen behouden. Maar hij was ook bevriend met de protestantse koning Willem II. Zelfs zo dat hij voor deze koning de buitenplaats Vaeshartelt ten noorden van Maastricht kocht, als jachtpaleis.. Na de dood van Willem II in 1851 ging Petrus Regout er uiteindelijk zelf wonen.
Regout en de refugie van Hocht
Zijn kinderen kregen van hem weer een ander mooi verblijf: de voormalige refugie van Hocht, tegenover zijn eigen Sphinx-fabrieken. Deze refugie (vluchtplaats) was oorspronkelijk voor de abdis van het klooster van Lanaken gebouwd, al in de veertiende eeuw. Het was haar huis als ze verbleef in de stad. Er werd altijd een vleugel voor de abdis en eventuele metgezellen vrijgehouden, de rest van het gebouw verhuurde het klooster aan allerlei mensen uit Maastricht. Maar als haar eigen klooster bedreigd werd, zoals in 1793 en 1794, was het een vluchtplaats voor haar zelf en haar nonnen. In 1794 werd het gebouw zwaar beschadigd door geschut van de Fransen. Maastricht werd in 1795 geannexeerd en het moederklooster in Lanaken werd in 1796 opgeheven. En de refugie werd toen verkocht om de Franse staatskas te spekken. Na verschillende particuliere bewoners gehad te hebben kwam het uiteindelijk in handen van Petrus Regout die er zijn zonen in liet wonen. In die tijd wilde hij heel graag een ruim hek plaatsen om het gebouw vanwege de last die zijn kinderen hadden van de rondlopende straatkinderen. Na enkele jaren gingen zijn kinderen elders wonen (ook weer op prachtige kastelen en villa’s in de omgeving) en werd het gebouw vertimmerd tot 12 appartementen voor de opzichters van zijn fabriek. Nog later kwam er het klooster van het arme kind Jezus in, vervolgens het Sociaal historisch centrum Limburg, nog later werd het een opvanghuis van het Leger des Heils, en nu is het een hotel geworden. Het ligt nog steeds tegenover het hoofdgebouw van de Sphinx. Een gebouw met een lange historie dus.
Regout en de fabrieken van Sphinx in Maastricht
Hoe zijn de Sphinxfabrieken ontstaan? In 1826 vestigde Petrus Regout in een pand aan de Boschstraat, pal tegenover het Bassin, een kristalslijperij. Enkele jaren later werd deze uitgebreid met een kristal- en glasblazerij. In 1835 kwam daar nog een spijkerfabriek bij. In 1836 kwam de eerste aardewerkfabriek. Maar toen in 1863 Regout het voormalige Penitentenklooster verwierf kreeg alles een enorme uitbreiding. Het klooster brandde af waardoor er ruimte voor nieuwe fabrieken ontstond. In enkele tientallen jaren groeide het bedrijf uit tot een industrieel imperium, waar in 1865 al meer dan 2000 arbeiders werk vonden. Het terrein van het voormalige klooster werd het centrum van de activiteiten. Er kwamen in de loop van de tijd nog veel meer uitbreidingen zoals een elektriciteitscentrale.
Toen in 2009 een definitief einde kwam aan de activiteiten van de Sphinxfabrieken kreeg alles geleidelijk een nieuwe functie. Aan de kant van het penitentenklooster kwam onder meer een Pathé theater met acht zalen. Er is vlak daarbij ook een grote museale gang waar de geschiedenis van de fabrieken aanschouwelijk wordt gemaakt en je kunt er allerlei voorwerpen zien die er in de loop van de tijd bij de Sphinxfabrieken gemaakt zijn. De elektriciteitscentrale is nu omgebouwd tot een filmhuis met zes zalen. De niet monumentale gebouwen werden gesloopt om plaats te maken voor een parkeerterrein, de rest heeft voor het grootste deel een bestemming gekregen in het kader van de ontwikkeling van projecten op het gebied van kunst en cultuur.
Hij die aan de basis stond van de grootschalige industrie, Petrus Regout, heeft voor de ingang van het hoofdgebouw van de Sphinx een standbeeld gekregen. Waar er lang naar hem gekeken werd als naar een enigszins dubieus figuur, heeft hij inmiddels meer waardering gekregen. Het is inderdaad zo dat het hele bosstraatkwartier een slechte naam kreeg door de slechte woonomstandigheden van de honderden fabrieksarbeiders en hun gezinnen. Toen ik in Maastricht woonde werd er op grote schaal drugs gedeald en was het een verwaarloosde achterstandswijk. Bij een inspectiebezoek van eind 19e eeuw werd al geconstateerd dat de hygiënische omstandigheden belabberd waren, veel slechter dan in andere Nederlandse steden. Men woonde zeer krap behuisd en meer dan tien gezinnen moesten soms samen een WC delen. Maar nog voor het kinderwetje van Houten verbood Regout al dat er kinderen jonger dan 12 jaar in zijn fabrieken werkten. Ook bevorderde hij het verenigingsleven, hij richtte een harmoniegezelschap op voor mensen die in zijn fabriek werkten. En zijn werknemers kregen een iets hoger salaris dan de arbeiders in concurrerende bedrijven. Doordat hij risico’s durfde te nemen bij zijn investeringen en actief reclame maakte voor zijn producten, ook in het buitenland, ging het hem zeer voor de wind. De achteruitgang kwam pas na zijn dood in 1878, toen vergelijkbare ondernemingen in België en Duitsland door protectionistische maatregelen in die landen de producten van de Sphinx uit de markt begonnen te spelen. Ik denk dat in die tijd de arbeiders weer veel minder betaald kregen, noodgedwongen om in de moordende concurrentie te kunnen blijven bestaan. De Nederlandse staat was voor vrije handel, maar als België en Duitsland hun eigen industrie veel voordelen gunt..
Regout en kasteel Vaeshartelt
We hebben vier dagen gelogeerd in kasteel Vaeshartelt, de voormalige woning van Petrus Regout. Ook dit is alweer zo’n historische plek die terug te voeren is op een klooster, in dit geval op het klooster van Meerssen. In de tiende eeuw bestuurde een vrouw genaamd Gerberga het gebied van Hartelt, een gebied dat hoorde bij het klooster van Meerssen. In 968 verruilde zij haar wereldse bestaan voor een vroom leven in het klooster van Reims. Al haar bezittingen, ook het gebied Hartelt, schonk zij aan de abdij van Reims. De schenking is de oudste schriftelijke vermelding die betrekking heeft op Hartelt. Maar het klooster van Reims zal het bezit waarschijnlijk al snel te gelde hebben gemaakt. Pas in 1381 wordt het terrein opnieuw vermeld, dit keer in een testament. Ene Jan van Hees liet het in zijn geheel na aan Servaes van Mulcken. Sindsdien wordt het gebied Vaeshartelt genoemd. Daarna heeft het veel verschillende eigenaars gekend. In de achttiende eeuw werd het grondig verbouwd en kreeg het globaal het uiterlijk zoals het dat nog steeds heeft.
Dan komt de Maastrichtse grootindustrieel Petrus Regout in beeld, die een stevige stempel zou drukken op de geschiedenis van Vaeshartelt. Hij kocht het landgoed in 1841 voor Koning Wilem II die graag een buitenverblijf wilde in de buurt van Maastricht. Koning Willem II bracht tussen 1841 en 1848 slechts twee keer twee weken door op Vaeshartelt. De grootste veranderingen die Regout aan het huis liet aanbrengen vonden plaats vanaf 1863, toen hij er zelf al permanent woonde. In 1865 werd een ‘fumoir’ ontworpen, een ruime rooksalon met uitzicht op de binnenplaats. Deze liet de fabrikant bouwen tegen de zuidelijke wand van het paleisje. Het was de voornaamste aanwinst voor het huis. Regout liet ook een toren bouwen op de kop van de noordvleugel. Een schijntoren, niet meer dan een coulisse in de vorm van twee wanden, met trekstangen bevestigd aan het dak. Fraai versierd met beelden en schilderingen, dat wel.
Ook de overdadig versierde veranda van het paleisje is gebouwd omstreeks 1865. Vaeshartelt bleef meer dan een eeuw in handen van de familie Regout. De ruimtes werden allemaal voorzien van schilderijen van park en kasteel. Ook die zijn nog aanwezig. Inmiddels is er een hotel in het kasteel gevestigd en zijn er conferentieruimtes gebouwd.
Het immense park rond het kasteel is nog grotendeels in dezelfde staat gebleven. Het is aangelegd in een Engelse landschapsstijl, dus met watervallen en andere waterpartijen, met kronkelende verrassende paadjes en lanen. Je kunt er een wandeling maken die maar liefst een uur tijd in beslag neemt!
Petrus Regout werd in 1869 commandeur in de Orde van Sint-Gregorius de Grote, een door het Vaticaan verleende onderscheiding. Toen de paus door de troepen van Garibaldi uit Rome verdreven dreigde te worden heeft Regout aan de paus grootmoedig Vaeshartelt als nieuwe woonplaats aangeboden. Een soort refugie voor de paus dus… Maar de paus bleef thuis: hij kreeg een klein deel van Rome toegewezen. Het tegenwoordige Vaticaanstad.
Zo zagen we hoe drie kloosters een relatie hebben met Petrus Regout. Hij kocht in Maastricht de refugie van Hocht als woning voor zijn kinderen. Hij kocht het terrein van het voormalige Penitentenklooster voor zijn Sphinx-fabrieken. En hij kocht kasteel Vaeshartelt, het kasteel dat voortkwam uit bezit van de abdij van Meerssen om er zelf in te gaan wonen.
Petrus Regout is in 1878 in dat kasteel overleden en hij is begraven vlakbij de basiliek van Meerssen. De grafkapel bevindt zich oostelijk van het koor van de basiliek. De voorgevel van de neogotische grafkapel is naar het westen gericht. De grafkelder bevindt zich rechts en ten zuiden van de kapel; zij gaat schuil achter een mergelstenen muur. Zowel kasteel Vaeshartelt, als diverse kastelen en villa’s van Regouts zonen en dochters (kasteel Meerssenhoven, villa Klein Vaeshartelt, villa Kruisdonk, villa La Petite Suisse en villa Wyckerveld) lagen aanvankelijk op het grondgebied van de gemeente Meerssen. De meeste familieleden ook na hem kregen een plaats in de grafkapel van Meerssen.
De nalatenschap van Petrus Regout is bijzonder: zo is er een prachtig hotel, Vaeshartelt. Het is een unieke locatie om van daaruit van alles te ondernemen Bijvoorbeeld om het Sphinx-kwartier in Maastricht te bezoeken, zijn belangrijkste nalatenschap. Een groot cultuurterrein, gehuisvest in monumentale gebouwen. Heerlijk om in te dwalen en daar culturele belevingen te ervaren. Of je gaat vanuit Vaeshartelt wandelen. Wij wandelden vanuit het nabijgelegen Bunde door het Bunderbos naar Geulle aan de Maas en terug. En vanaf het nabijgelegen Meerssen via Berg, Terblijt, Vilt en langs de Geul weer terug naar Meerssen. Of je blijft gewoon op het terrein, maakt een wandeling door het park en drinkt koffie of een heerlijk biertje op een van de terrassen. We hebben Vaeshartelt ontdekt en een hele cultuur en geschiedenis die erbij hoort.
Zie ook:
Rondom Boschstraat 73. Stichting historische reeks van Maastricht. ISBN 978-90-5842-040-4
Een periode van sociale kentering (1880-1890) door J.F.R. Philips. In Miscellanea Trajectensia 1962. Bijdragen tot de geschiedenis van Maastricht
Ik moest mijn oudste kleinzoon uit zijn rol van Sinterklaas halen want we gingen naar orgelles. Zo net nog, in het spel met zijn broer en zusje, lag hij ziek te bed en werd verzorgd door een zwarte piet (zijn zusje van 3). Wij als volwassenen moesten ook geregeld gaan slapen na een wortel of een ui in de schoen te hebben gestopt. Ik kreeg van de Sint onder meer het boek: “Christianisierung im Mittelalter”. Ik wist niet dat de goedheiligman al sinds de middeleeuwen bekeringsdrift had maar het leek me een mooi boek. Het was tijd om te gaan. Zonder morren schikte Sinterklaas zich in zijn lot: hij had immers best zin in orgelles.
In de auto stelde hij me diverse muziektheoretische vragen. -‘Waarom zijn er op twee plaatsen géén zwarte toetsen op de piano?’ Oef, hoe leg je dat kort en bondig uit. Ik vertelde dat als je een toonladder zingt dat de afstand tussen de tonen niet overal hetzelfde is. Overal kan er nog iets tussen, maar op twee plaatsen niet. Alleen waar er nog iets tussen kan zit een zwarte toets. Dat werd door hem als verklaring geaccepteerd. -‘Waarom kun je tegen een Cis ook een Des zeggen?’ Hij kijkt vaak in partituren die op de piano staan en blijkbaar is hem dat opgevallen. Hij krijgt er dus best al wat van mee. Ik antwoordde: -‘Als een toonsoort kruisen gebruikt dan krijg je een Cis en met mollen een Des’. Ik besefte dat ik nog veel meer zou moeten vertellen maar hoe doe je dat in de auto zonder piano aan een zevenjarig kind? Ik zong dus maar als voorbeeld de toonladder van Bes mineur op notennamen en daarna die van A majeur op notennamen. ‘Zie je, de eerste keer zing ik een Des en de tweede keer een Cis.’ -‘Ik weet wat majeur en mineur is, als je bij C een Es maakt dan is het mineur.’ Hij zong tot aan de kwint de toonladder van C mineur op notennamen en ook die van C majeur. Ik wist dat hij dit allemaal intuïtief beheerste, vanuit zijn improvisaties, maar niet dat hij het zich al zo bewust was. Hij weet voortdurend al zoveel van noten, hoe ze heten en hoe het werkt, zelfs met de notennamen. Maar zo gauw ze als bolletjes op een notenbalk staan wordt het een stuk moeilijker…
We waren er bijna. Ik vroeg hem nog een keer om er op te letten dat als zijn leraar ging praten hij dan moest stoppen met spelen, moest luisteren en dat hij dan antwoord moest geven op zijn vraag. -‘Wil je dat echt proberen?’ –‘Ja hoor.’ -‘En je wilt natuurlijk heel graag laten horen dat je al een beetje het eerste preludium uit het Wohltemperiertes Klavier van Bach kunt spelen. Als je straks bij je leraar bent kun je dan het beste zeggen: -‘Ik wil heel graag laten horen wat ik mezelf aan het leren ben. Maar eerst gaan we de oefeningen met noten doen, mag ik het daarna laten horen?’ Dat zou hij doen.
We waren bijna bij de Sint Jans kerk. Hij holde voor me uit. Toen ik er aan kwam deed ik eerst nog even mijn mondkapje om. Ze kennen hem al bij de balie. Een medewerkster vertelde me: ‘Hij is gelijk de kerk in gerend.’ Hij zat midden in de kerk op een bankje te kijken naar het scherm met het orgel. Zijn leraar kon je ook zien op dat scherm, deze was aan het stemmen. Al snel ging mijn kleinzoon weer door de kerk dwalen, door de langste kerk van Nederland. Voor een rondje door deze kerk heen ben je een tijdje zoet. Ik ging hem zoeken en toen ik hem eindelijk te pakken had nam ik hem mee terug naar de wachtplaats, want hij zou nu zo wel opgehaald worden. Dat was ook zo.
-‘Weet je nog wat je aan je leraar zou vragen?’ vroeg ik hem, toen hij bij het orgel was gearriveerd. -‘Ik ben een stuk van Bach aan het leren, kijk, dat klinkt zo’ en hij begon onmiddellijk te spelen. Zijn leraar liet hem spelen. Af en toe liet hij hem stoppen en wees hoe hij de verkeerde vingerzetting gebruikte. Braaf paste hij het toe en ging verder. Hele stukken sloeg hij over, het einde wist hij wel nog ongeveer. Hij speelde een plechtig slotakkoord. -‘En wat komt daar achter?’ vroeg zijn leraar. Na enig aarzelen speelde hij het thema uit de fuga maar bij de tweestemmige beantwoording wist hij het niet meer. -‘Ga dat thuis ook maar oefenen’ zei de docent.
Ik vond het goed om te zien hoe hij technisch geholpen werd en hoe hij toch het stuk uit mocht spelen. Hij werd niet gecomplimenteerd maar hij werd alleen maar gepusht om er nog verder mee te gaan. Het spelen van de noten met de leesoefeningen even later ging een stuk beter dan de voorafgaande weken. Hij mocht zelf een begeleiding verzinnen in de linkerhand bij het thema van het slotdeel van de negende symfonie “Ode an die Freude”. Dat ging heel goed, behalve dat hij daarbij in de rechterhand ook allerlei stemmen ging spelen, die op zich goed en muzikaal waren, maar daardoor ging weer van alles mis met de vingerzetting. Hij moest het nog een keer doen. maar in de rechterhand mocht hij toen alleen spelen wat er stond. Dus eenstemmig met de goede vingerzetting. En uitsluitend in de linkerhand mocht hij een begeleiding maken. Dat vond hij nu opeens toch wel moeilijk, zijn rechterhand gleed steeds onwillekeurig naar extra noten. Bij een andere oefening maakte zijn docent hem bewust dat hij “plakte”, dat wil zeggen dat hij de noten vaak net iets te lang aanhield zodat op het moment dat hij de volgende noot speelde het geheel een beetje door elkaar heen liep. Dit begreep hij. Hij vond het inderdaad niet mooi.
We liepen de kerk uit. Zijn docent liep met grote snelle passen en mijn kleinzoon rende enthousiast babbelend naast hem. – ‘Jij bent een beroemde organist hè?’ -‘Dat weet ik niet, maar ik denk dat jij ook wel een beroemde organist gaat worden’. Wat een compliment dacht ik bij mezelf. Er achter aan hollende voegde ik er aan toe: -‘Als je tenminste goed noten lezen blijft oefenen.’ Buiten gekomen zat op een bankje bij de kerk een groepje tieners. Ze waren uit grote zakken snacks aan het eten. Mijn kleinzoon liep naar hen toe. -‘Hé, wat eten jullie? O, dat vind ik ook lekker. Mag ik ook iets?’ Een van de jongeren gaf hem iets. Enthousiast kwam hij weer achter me aan rennen. Hij had een stukje kibbeling gekregen en at het al lopende op. Bij de parkeerplaats was een dienstertje buiten aan het opruimen. Na vandaag worden de restaurants vanwege de nieuwe intelligente lockdown weer gesloten. Zij had een spatscherm op. -‘Waarom heb jij een helm op, je bent toch geen ridder?’ Het meisje begreep hem niet en ik legde mijn kleinzoon uit dat dit een soort mondkapje was. Hij vond het raar dat de helm van boven open was. -‘Ken jij dit?’ vervolgde hij de conversatie met het meisje? Hij begon de melodie van het carillon van het stadhuis van Gouda te zingen. Zij kende het niet.
-‘Wat vreemd, die melodie kent toch iedereen in Gouda?’ We liepen verder en ik opperde dat die vrouw waarschijnlijk alleen maar van popmuziek hield en dan luisterde ze waarschijnlijk niet naar het carillon. -‘Ik hou alleen van klassieke muziek’ zei hij tegen mij. We liepen verder. Er kwam een oudere mevrouw aan lopen. Het moment om zekerheid te krijgen over het carillonprobleem. – ‘Houdt u van klassieke muziek?’ -‘Ja zeker, ik ben net op weg naar mijn koor.’ -‘Dan ken jij waarschijnlijk wel dit.’ Hij zong weer het carillondeuntje.’ -‘O, ja zeker, dat is van het carillon.’ Zichtbaar tevreden over het antwoord babbelde hij verder. Hij voegde er nog aan toe: -‘Ik heb orgelles gehad. ‘ Maar de mevrouw liep alweer door. Thuis gekomen besefte ik, pas bij de buitendeur, dat hij nog tot honderd moest tellen. Dat mag niet ontbreken vlak voor het eten. Dus dat gingen we samen nog even doen. In sneltreinvaart, sneller dan ooit, telden we tot 100. Mijn kleinzoon liep binnen gekomen op iedereen af. ‘Honderd! Eten!’ Daarna begon hij spontaan te zoenen: oma, tante, broer en zus. Iedereen werd gezoend. En vervolgens rende hij naar de piano en speelde weer het eerste preludium uit het Wohltemperiertes Klavier van Bach. De rituelen waren afgehandeld. Toen hij naast me aan tafel plaats nam vroeg ik hem: -‘Waarom ging je zonet iedereen zoenen?’ Het was me opgevallen dat hij dat op het schoolplein toen de school uit was ook al had gedaan.’ -‘Het is vandaag “kusjesdag”. -‘Kusjesdag? Die ken ik niet. Is dat op jullie school uitgevonden?’ -‘Nee hoor, dat heb ik zelf uit gevonden.’
Hij had deze dag weer veel rollen gehad. De laatste rol was die van een lieve broer, lieve neef en lieve kleinzoon. Maar hij was ook Sinterklaas geweest. En hij was ook nog eens een beroemde organist in de dop geweest, die zich in de auto had ontpopt als een getalenteerde muziektheoreticus. Intussen werkt zijn aanstekelijke vrolijkheid en openheid op bijna iedereen in zijn omgeving als een weldaad. Kusjesdag! Hoe verzin je het. In deze coronatijd. Alle zorgen worden door hem vervangen door een lieve zoen en een blijde lach.
Reinbert de Leeuw heeft zich bijna 50 jaar hard gemaakt voor die modern-klassieke muziek waarvan hij vond dat die gespeeld moest worden. Hij richtte in 1974 het Schönberg-ensemble op. In 2009 fuseerde dat met het Asko-ensemble. Dit ASKO-Schönberg ensemble bleef hij dirigeren tot vlak voor zijn dood op 14 februari 2020.
Tot zes weken voor zijn dood heeft hij nog gewerkt aan de opname van “Das Lied von der Erde” van Mahler, in een eigen bewerking. Dat gebeurde nu met het “Collectief”, een Vlaams ensemble. Omdat ik onlangs bij Musica Sacra in Maastricht een andere uitvoering hoorde van dit werk was ik gelijk nieuwsgierig naar deze opname onder leiding van Reinbert de Leeuw, die zeer onlangs verschenen is. Ik las het volgende in de toelichting die bij de de CD-opname zat:
Na onze première van Das Lied von der Erde op het Festival de Saintes overtuigde Reinbert ons om het werk op korte termijn op te nemen. We konden niet vermoeden wat de ware reden voor zijn haast was, ook al merkten we dat zijn oude lijf de laatste tijd niet meer mee wilde. Tijdens de opnames was Reinbert geïnspireerder dan ooit, hij leek zich volkomen met de boodschap van het werk te identificeren. Toen Reinbert enkele weken na de sessies zijn eigen afscheid van het leven aankondigde, waren we zwaar aangeslagen. Tegelijkertijd werd het glashelder waarom hij zich de laatste maanden als een bezetene op Mahlers muziek had gestort. Met het einde voor ogen was hij ervan overtuigd dat hij met deze allerlaatste opname nog iets essentieels kon bijdragen aan de vertolking van Das Lied von der Erde. Tot op het moment van zijn dood heeft het stuk hem niet meer losgelaten…
Zelf denk ik dat er drie factoren waren die maakten dat hij vond dat het ook opgenomen moest worden. Op de eerste plaats vanwege de muziek van Mahler. Die is namelijk ongelooflijk goed. Op de tweede plaats vanwege zijn eigen arrangement: daar was hij trots op, het klonk misschien zo nog wel beter als bij de grote orkestuitvoering van Mahler zelf.. Maar als derde en niet minste argument: vanwege de tekst en de invloed van die tekst op hem zelf. Het lied gaat over de eeuwigheid, over de telkens terugkerende lente, maar ook over de herfst. De herfst van zijn eigen leven waarvan hij voelde dat die niet alleen aangebroken was, maar ook bijna voorbij was. Het stuk gaat niet alleen over de aarde, het gaat vooral ook over de mens. In zes gedichten wordt geschilderd hoe er een kringloop plaats vindt. Het eerste lied is een soort inleiding, een samenvatting van wat er komen gaat. De laatste zin in dat lied waarschuwt ondubbelzinnig waar het uiteindelijk heen zal gaan: “Kijk, daar beneden! In het maanlicht op de graven hurkt een wilde, spookachtige figuur.” Het tweede gedicht gaat over de herfst, verwelkte bloemen en eenzaamheid. Het derde gedicht gaat over jonge mensen die genieten van het goede leven. Het vierde gedicht is een en al lente, je hoort de onbezonnen vreugde van tieners. Het vijfde gedicht is de taal van de eenzame zuiplap die zijn ellende verdrinkt en aan wie zelfs de lente niet is besteed. Als die lente dan toch komt, in het zesde en laatste gedicht, dan zien we vooral de overgave. Laat de lente maar komen, maar ik, mens, wacht in alle eenzaamheid mijn einde af. Vooral de titel van dat laatste gedicht: “Abschied”, en de laatste woorden: “ewig, ewig, ewig..” spreken boekdelen.
Ik heb de uitvoering van Reinbert de Leeuw gekocht en werd er compleet door overrompeld. Het is als het requiem van Mozart, het is als het ware zijn eigen requiem maar tegelijk weerspiegelt het ‘t noodlot van het leven, maar ook het optimisme van die altijd weer blauw blijvende lucht. Ik begrijp dat hij vlak voor zijn dood dit stuk nog wilde uitvoeren en ook opnemen. Mahler bevond zich in een enorme crisis toen hij indertijd dit stuk componeerde, misschien zag hij het al een beetje als zijn eigen requiem. Nu heeft Reinbert de Leeuw, meer dan honderd jaar na Mahler, de levenscyclus van “Das Lied von der Erde” nogmaals rond gemaakt. Ik zet hieronder mijn eigen vertaling van de zes liederen.
Het lied over de aarde
1 Het drinklied over de ellende van de aarde
Reeds wenkt de wijn in gouden bokalen. Maar drink nog niet! Eerst zing ik u een lied! Dat lied vol kommer zal een hard lachen in de zielen laten klinken. Als de ellende nadert liggen de tuinen van de zielen er verlaten bij, verwelkt en dan sterft de vreugde, het gezang. Donker is het leven, is de dood. Heer des huizes, je kelder bergt een weelde aan goudgele wijn. Hier, deze luit eigen ik me toe. De snaren klinken en de glazen worden leeg. Dat zijn de dingen die goed samen passen. Een volle beker wijn, zo op z’n tijd, is meer waard, dan alle rijkdom hier op aarde! Donker is het leven, is de dood. Het hemelse blauw blijft eeuwig en de aarde zal lang zijn positie bewaren en bloeien in mei. Jij echter, mens, hoe lang leef jij dan wel? Geen honderd jaren mag je je tanden zetten in de miezerige dingen van deze aarde. Kijk, daar beneden! In het maanlicht op de graven hurkt een wilde spookachtige figuur.
2 Eenzame in de herfst
Herfstnevels golven blauwig over het meer. Met rijp beslagen staan alle grassen. Men denkt, een kunstenaar heeft stof van jade over de fijne bloesem uitgestrooid. De zoete geur van bloemen is vervlogen. Een koude wind laat hun stengels buigen. Weldra zullen de verwelkte, gulden bladen van de lotusbloemen op het water neerstrijken. Mijn hart is moe. Mijn kleine lamp ging knetterend uit, dat maant me te gaan slapen. Ik kom naar jou, vertrouwde legerstede. Ja, bied me rust, ik heb behoefte aan verkwikking. Ik huil veel in mijn eenzaamheid. De herfst in mijn hart duurt te lang. Zon van liefde, zal je nooit meer schijnen, om mijn bittere tranen mild droog te laten worden?
3 Over de jeugd
Midden in de kleine vijver staat een paviljoen, gemaakt van groen en wit porselein. Als de rug van een tijger welft de brug zich omhoog uit de jade naar het paviljoen. In het huisje zitten vrienden, goed gekleed te drinken, te babbelen. Sommigen schrijven gedichten. Hun zijden mouwen glijden naar beneden, hun zijden mutsen zakken grappig diep in hun nek. Op het stille oppervlak van de kleine vijver kun je alles mooi in spiegelbeeld zien. Alles staat op zijn kop in het paviljoen van groen en wit porcelein. Als een halve maan staat de brug, met de leuning omgekeerd. Vrienden, mooi gekleed, drinken, babbelen.
4 Over de schoonheid
Jonge meisjes plukken bloemen, plukken lotusbloemen aan de oeverranden. Tussen bosjes en blaadjes zitten ze, doen ze de bloemen in hun schoot en roepen ze elkaar gekkigheidjes toe. Een gouden zon weeft zich om de gestalten, weerspiegelt ze in het blanke water. De zon weerspiegelt hun slanke lijfjes, hun zoete ogen. En een briesje heft plagerig hun geweven zijden mouwtjes omhoog, voert de tover van lekkere geurtjes door de lucht. O kijk eens, wat stormen daar voor mooie jongens aan de waterkant op stoere paarden? Feller glanzend dan de zonnestralen. Al vanuit het struikgewas richting groene weiden draaft het jongfrisse volk naar voren. Het paard van een jongen hinnikt vrolijk en schiet en stuift voorbij. Over bloemen en grassen schieten de hoeven, ze verpletteren in een keer de neergeslagen bloesem. Hei! Met weelderig wapperende manen. Dampend, snuivend, briesend. Gouden zonlicht weeft om de gestalten, spiegelt zich in het blanke water. En het mooiste meisje stuurt lange blikken van verlangen achter hem aan. Haar trotse houding is slechts schijn. In de flonker van haar grote ogen, in het donker van haar hete blik, weerklinkt klagend de opwinding van haar hart.
5 De dronkenlap in de lente
Als het leven slechts een droom is. waarom dan vermoeidheid en zorg? Ik drink tot ik niet meer kan, de hele lieve dag. En als ik niet meer drinken kan omdat mijn keel en ziel te vol zijn, dan tuimel ik naar mijn deur en slaap ik heerlijk. Wat hoor ik bij ’t ontwaken? Luister! Een vogel zingt in de boom. Ik vraag hem of het al lente is, het is alsof ik droom. De vogel twittert: ja, de lente is er, hij is vannacht gekomen! Vanuit een verre slaap kijk ik glazig omhoog, de vogel zingt en lacht, en lacht! Ik vul opnieuw de beker en maak hem in een keer leeg en zing, tot de maan gaat schijnen aan het zwarte firmament. En als ik niet meer zingen kan dan slaap ik weer in! Wat interesseert mij de lente? Laat mij maar dronken zijn!
6 Afscheid
De zon verdwijnt nu achter het gebergte. In alle dalen valt de avondschemer met zijn schaduw die verkoeling biedt. O zie! Als een zilveren gondel zweeft de maan de blauwe hemelzee omhoog. Ik word gewaar hoe zoet een windje waait achter de donkere dennen. De beek zingt zeer welluidend in het donker. De bloemen verbleken in het licht van de schemering. De aarde haalt vol rust en slaap adem. Alle hartstocht zal nu dromen. Vermoeide mensen gaan huiswaarts om in hun slaap vergeten geluk en hun jeugd opnieuw te leren kennen. De vogels zitten stil op hun twijgjes. De wereld valt in slaap. Het waait koel in de schaduw van mijn dennen. Ik sta hier en wacht op mijn vriend. Ik wacht op zijn laatste afscheidsgroet. Ik verlang, o vriend, om aan jouw zijde de schoonheid van de avond te genieten. Waar blijf je? Je laat me lang alleen! Ik trek van hier naar daar met mijn luit, over wegen die opzwellen door het zachte gras. O schoonheid, o eeuwige lievende, levende levensdronken wereld!
Hij steeg af van ’t paard en reikte hem de dronk ter afscheid aan. Hij vroeg hem waarheen hij reisde en waarom dat zo moest zijn. Hij sprak, zijn stem was omfloerst. ‘Jij, mijn vriend, mij was dit aards bestaan geluk ontzegd! Waarheen ik ga? Ik ga. Ik trek de bergen in. Ik zoek rust voor mijn eenzaam hart. Ik trek naar mijn vaderland, mijn woonplaats. Ik zal nooit meer de wijde wereld in gaan. Stil is mijn hart en het wacht op zijn uur. tot het tijd is.’ Die lieve aarde, overal bloeit de lente op en wordt het opnieuw groen. Overal en eeuwig blauwt het licht de verten! Eeuwig, eeuwig, eeuwig…
DER EINSAME IM HERBST.
Ik licht het tweede lied er uit, het wordt gezongen door Lucille Richardot. Je kunt in dit lied goed horen hoe Mahler, maar ook Reinbert de Leeuw fijnzinnig gebruik maken van de instrumenten. Elk instrument, elke combinatie komt tot zijn recht en heeft ook zijn functie. We horen onder meer de volgende instrumenten: fluit, hobo, althobo, klarinet, basklarinet, fagot, viool, altviool, cello, contrabas en harp. Het hele werk gebruikt geen koperblazers. In andere delen dan dit tweede deel horen we soms ook piccolo, piano, basfagot, harmonium, celesta of percussie.
In de muzikale inleiding hoor je het golven van de herfstnevels. Maar daarboven speelt de hobo een klaaglijk lied, dat staat voor de trieste sfeer van de hoofdpersoon. Er komen steeds meer instrumenten bij en daaronder komt een lang orgelpunt van een klarinet te liggen. Als de viool verschijnt wordt de zangeres daarmee ingeleid:
Herbstnebel wallen bläulich überm See; vom Reif bezogen stehen alle Gräser. De wijdsheid van het meer hoor je in de lange toon bij het woord “See”, maar de overgang naar hetzelfde motiefje in mineur maakt het meer niet alleen groots maar ook mistroostig. De grassprieten zijn stijf bevroren, de melodie gaat denk ik daarom omhoog, ze beeldt de rechtopstaande stijve grassen uit:
Man meint, ein Künstler habe Staub von Jade über die feinen Blüten ausgestreut. Nu komt ook de cello erbij en nog meer instrumenten. De fijne stof jade noopt tot meer kleuren. Je hoort op het einde hoe de kunstenaar met zwierige hand voorzichtig het fijne stof uitstrooit:
Der süße Duft der Blumen ist verflogen; Ein kalter Wind beugt ihre Stengel nieder. Hier hoor je niet alleen aan de stem van de zangeres dat het koud is maar ook de klarinet speelt een ijzige triller boven het woord “kalt”. De wind is echt koud:
Bald werden die verwelkten, gold’nen Blätter der Lotosblüten auf dem Wasser zieh’n. Nadat deze woorden zijn gezongen hoor je hoe het harder gaat waaien. En prachtig is hoe je dan de lotusbloemen langzaam naar beneden hoort dwarrelen boven het meer:
Donkere harptonen brengen ons in de sombere stemming van het vermoeide hart: Mein Herz ist müde. De woorden worden begeleid door een vioolsolo met een tegenmelodie in de fagot:
Meine kleine Lampe erlosch mit Knistern, es gemahnt mich an den Schlaf. De muziek wordt rustiger, je hoort hoe de hoofdpersoon moe wordt. Bij het woord Schlaf hoor ik zelfs het gapen:
Der Herbst in meinem Herzen währt zu lange. Sonne der Liebe, willst du nie mehr scheinen, um meine bittern Tränen mild aufzutrocknen? De klacht van de eenzame leidt naar een hoogtepunt. Bij het woord “Sonne” zie je de zon zelfs even als het ware door de mist heen komen. Maar hij is gelijk weer weg, de klagende tonen nemen al snel weer de overhand:
Luister hier naar het hele lied:
DER EINSAME IM HERBST Herbstnebel wallen bläulich überm See; Vom Reif bezogen stehen alle Gräser; Man meint, ein Künstler habe Staub von Jade über die feinen Blüten ausgestreut. Der süße Duft der Blumen ist verflogen; Ein kalter Wind beugt ihre Stengel nieder. Bald werden die verwelkten, gold’nen Blätter der Lotosblüten auf dem Wasser zieh’n. Mein Herz ist müde. Meine kleine Lampe erlosch mit Knistern, es gemahnt mich an den Schlaf. Ich komm’ zu dir, traute Ruhestätte! Ja, gib mir Ruh’, ich hab’ Erquickung not! Ich weine viel in meinen Einsamkeiten. Der Herbst in meinem Herzen währt zu lange. Sonne der Liebe, willst du nie mehr scheinen, um meine bittern Tränen mild aufzutrocknen?
Herfstnevels golven blauwig over het meer. Met rijp beslagen staan alle grassen. Men denkt, een kunstenaar heeft stof van jade over de fijne bloesem uitgestrooid. De zoete geur van bloemen is vervlogen. Een koude wind laat hun stengels buigen. Weldra zullen de verwelkte, gulden bladen van de lotusbloemen op het water neerstrijken. Mijn hart is moe. Mijn kleine lamp ging knetterend uit, dat maant me te gaan slapen. Ik kom naar jou, vertrouwde legerstede. Ja, bied me rust, ik heb behoefte aan verkwikking. Ik huil veel in mijn eenzaamheid. De herfst in mijn hart duurt te lang. Zon van liefde, zal je nooit meer schijnen, om mijn bittere tranen mild droog te laten worden?
Je kunt de complete uitvoering van “Das Lied von der Erde” voor 10 euro downloaden. Het stuk duurt meer dan een uur en wordt uitgevoerd door Lucille Richardot, mezzo-sopraan, Yves Saelens, tenor en de 15 instrumentalisten van het Collectief. Het geheel staat onder leiding van Reinbert de Leeuw. Ga voor deze download naar Chandos.net.
Het laatste lied uit dit werk, “Abschied”, in een bewerking van Schoenberg, besprak ik al een keer hier.
Zie ook het artikel dat ik schreef net na de dood van Reinbert de Leeuw.
Wat kan een kind een hoop leren als er een studiedag is. Nee, hij leert niet door de studiedag, dat doen de juffen. Maar hij leert doordat hij zelf kan bepalen wat hij leert. Dat zag ik gisteren. Op de school van mijn oudste kleinzoon was dus een studiedag en hij mocht bij opa logeren. Al voor acht uur was hij er. Dát werd een lekker dagje. Orgel spelen, piano spelen, orgel bouwen, boekjes bekijken, filmpjes zien, oefenen met noten lezen op verschillende manieren, net voor de bui naar de speeltuin en en daar dan een half uur springen op de trampoline en nog veel meer. -‘Ik wordt een beetje moe.’ Dat begreep ik. En ik werd een beetje koud, nee ik verkleumde inmiddels.. Terwijl hij daar stond te springen had ik het meest windluwe deel van de buitenkant van de trampoline opgezocht en intussen kletsten we samen over van alles, het gesprek ging van de hak op de tak. Dit keer ging het niet over pausen of koningen, nee, hij stelde weer eens allerlei vragen over het heelal. Ik vertelde hem dat ik de avond ervoor Jupiter met zijn vier manen en Saturnus had gezien. -‘Opa, gaan wij vanavond ook samen sterren kijken?’ Dat vind ik natuurlijk superleuk maar het was de hele dag bewolkt en vaak regenachtig dus dat werd niets. Maar wel hebben we een film over de ontwikkeling van de aarde en het leven bekeken. Toen die afgelopen was ging hij alleen verder kijken. Hij koos een film die ging over de ontwikkeling van de landen in Europa, Een tijdmeter ging elke seconde een jaar verder en eindigde in 2019. Hij was ergens in de middeleeuwen begonnen. Ik kwam er weer bij toen de meter in de veertiende eeuw was. Geboeid zag hij hoe landen telkens van heerser wisselden, hoe de Fransen België en een deel van Nederland annexeerden en hoe in de negentiende eeuw het rijk van de paus eerst slonk tot de omgeving van Rome en uiteindelijk zelfs tot het nietige Vaticaanstad. Het was de tijd van de Zwitserse Garde, daar had ik hem al eens eerder over verteld. Daarna wilde hij een boek bestuderen over het heelal. Hij keek er weer met andere ogen naar als jaren geleden. “Het boek met het pijltje”, waar hij ooit zo verzot op was. ’s Avonds op bed wilde hij nog een ander heelal-boek bekijken. “Het boek van het ovaal”.
Bij de lunch bestudeerde hij het pak hagelslag. -‘Wat is dat, emulgator?’ Ik vertelde dat het een middel was om te zorgen dat de dingen goed kunnen mengen. Dan wordt het een mooi glad goedje. -‘Maar waarom staat er een dubbele punt achter?’ Die dubbele punt zegt: wat hier achter de dubbele punt staat , dat is allemaal emulgator. Er staat: “Emulgator: raapzaadolie”. Raapzaadolie maakt de hagelslag lekker egaal, daardoor mengen de suiker en de cacao en de andere dingen goed. Raapzaadolie is een goede emulgator. En kijk. Er onder staat weer iets met een dubbele punt. Glansmiddel: Arabische gom. Dat betekent dat ze Arabische gom gebruiken om de hagelslag te laten glanzen. Arabische gom, dat zit trouwens ook in dropjes.’ Hij bestudeerde het hele pak. Ook keek hij mee terwijl ik las in de krant. Hij las de koppen hardop en vroeg dan waar het over ging. Het viel me op hoe moeilijk de taal is die er in de krant gehanteerd wordt. Dat is echt geen Jeugdjournaaltaal. Desondanks pikt hij er aardig wat van op.
Maar het leukste van alles was zijn eigen orgel. Opeens had hij een idee om van blokken en duplo een orgelkast, manualen en orgelpijpen te bouwen. Het werd ook nog eens wat. Apetrots!
Toen het mooie instrument op een gegeven moment in mekaar donderde besloot hij om een nog groter orgel te maken. Op zo’n orgel kon je uiteraard ook spelen. Op maar liefst drie manualen. Op de stang van de staande lamp zaten de registers. De negen lades van het kastje waar alles op stond hoorden ook bij het mechaniek. Hij speelde onder meer een orgelbewerking van het eerste deel van symfonie 39 van Mozart.
En zo wisselde hij van alles af. Op de piano speelde hij stukken als de Toccata in D-mineur van Bach of Für Elise.
Of een eigen gemaakt barokstukje
Ook bleef hij maar improviseren. En wat leert hij zichzelf intuïtief veel over akkoorden. Ik heb een stukje opgenomen en geanalyseerd. Je kunt er naar luisteren en dan zegt het je misschien niets. Maar ik, als muziektheoreticus vindt het ongehoord hoeveel hij zich zelf leert en hoe hij de klankwereld van de akkoorden verkent. Ik heb op enkele plaatsen erbij gezet wat er zoal gebeurt. De afbeeldingen die je intussen ook ziet hebben er niet echt iets mee te maken, ze zijn van de Mookerhei van afgelopen vrijdag of het zijn foto’s van mijn kleinzoon gisteren.
Ik heb trouwens nog niet verteld dat hij ook weer veel componeert. Hij ziet dan de partituur van de fantasie opus 77 van Beethoven op de piano staan. Hij vraagt me honderduit wat al die nootjes en symbooltjes betekenen. En dan gaat hij componeren. Zijn eigen fantasie. Met alle mogelijke tekentjes, prachtige schilderijen maakt hij. Woensdag dan heeft hij weer orgelles en dan moet hij ook weer vanaf noten gaan lezen. Het orgelboek is nu even opzij gezet. Het blijkt dat hij erg veel moeite heeft met het plaatsen van die bolletjes op en tussen de lijnen. Ik heb veel grotere noten voor hem gemaakt en eenvoudige liedjes verzonnen met slechts twee ritmes. Zijn leraar heeft dat overgenomen en nu moet hij twee van die liedjes oefenen. Concentratie en focus zijn desondanks nog steeds niet erg goed, maar het gaat al iets beter. Hé, boven staat nog een oude laptop van 20 jaar geleden bedacht ik opeens. Daar staat een programmaatje op dat ik 25 jaar geleden schreef, een programma voor Dos in de taal Quickbasic. Ik haalde de laptop tevoorschijn en probeerde het programma weer eens uit. Geboeid kwam hij kijken. Dat wilde hij ook wel eens doen. Ik hoefde niet veel uit te leggen. Je kunt op een simpele manier noten invoeren, die ook horen terwijl je ze invoert, en je kunt je eigen geschreven muziekjes terug beluisteren. Het werkte!
Na een toch iets te korte nacht wilde hij opstaan. Zijn nieuwe, grotere orgel stond er nog. Daar wilde hij als eerste heen!
Daar aangekomen begon hij alweer te spelen. In het half donker, met een lamp aan en nog in zijn pyama. O wat was hij blij en gelukkig. Na het ontbijt bracht ik hem naar school. Zijn snoetje was bedrukt. Hij stapte uit de auto en begon onbedaarlijk te huilen. Ik ken dat inmiddels, Maar nu was er meer aan de hand. De juffrouw vertelde toen zijn moeder hem kwam ophalen dat hij de hele dag door was blijven sniffen, zelfs tijdens de gymles, en dat hij niets had gegeten. Vandaag had hij school. De school is er om dingen te leren. Wat zal hij geleerd hebben? Normaal, als hij blijft logeren, is hij daarna nog de hele dag tot ’s avonds bij ons. Dat was nou niet zo. Dat was voor hem dus opeens heel anders. Dus was hij in de war. Ondanks dat het hem van te voren allemaal goed was uitgelegd. Maar verder had hij het potverdikkeme ook nog eens zo erg naar de zin gehad. En dat leuke was voor zijn gevoel voorbij. Hij wilde dat het eeuwig door zou gaan. Maar nee, nu moest hij weer gaan” leren”. De speeltijd was voorbij. Dubbel huilen dus. Hij is dan compleet zonder grenzen, alle remmen gaan los. Tegelijk is het ook een ritueel aan het worden. Dat doet hij ook als hij bij een van de andere opa’s en oma’s op bezoek is geweest, of als er bezoek geweest is bij hem thuis. Bij het afscheid klinkt er steevast: ‘ik ga jullie missen’, en daarna is het huilen geblazen. Het heeft iets puurs, maar: zo erg? Dat ritueel moet nodig doorbroken gaan worden. Mijn vrouw oppert: misschien van te voren zeggen dat we het niet willen horen of zien. En dan gelijk weg gaan als hij het toch weer doet. Wie weet.
Morgen gaan we weer naar het Moreau-orgel. En naar zijn eigen gemaakte orgel. Dat wordt weer feest. Maar waarschijnlijk is die dag dan weer veel te kort… Wanneer is er trouwens weer eens een studiedag?
In de laatste helft van de twaalfde eeuw zijn er een aantal uitstekende kunstenaars aan het werk in Maastricht. Van daaruit werken ze tot in Utrecht. Maar het duurt tot ongeveer 1470 voordat Maastricht zijn oude faam van kunstenaarsstad weer terug heeft. Hoe kon het dat deze stad zo tussen 1470 en 1530 vrij plotseling enorm opbloeide? De oorzaak kun je vinden als je kijkt naar wat er in die tijd allemaal in de regio gebeurde. Met name in Luik.
Luik had al een bisschop vanaf 714, toen het bisdom van Maastricht naar Luik was verhuisd. En die bisschop was zoals de meeste bisschoppen in die tijd altijd een zogenaamde prins-bisschop, dat wil zeggen dat hij naast klerikale functies vooral ook wereldlijke functies vervulde. Hij was daardoor vergelijkbaar met een graaf of hertog. Het grote verschil: het ambt van bisschop was niet erfelijk, maar hij werd benoemd. Om dat recht van benoemen ging de investituurstrijd: mocht de Rooms-Duitse keizer hem benoemen of de paus? Het pleit werd uiteindelijk, pas in de dertiende eeuw, ten gunste van de paus beslecht, maar dat neemt niet weg dat er veel intriges bleven bestaan rond de bisschopsbenoeming.
In het tweede kwart van de vijftiende eeuw was Jan van Heinsberg prinsbisschop in Luik. Hij was niet geliefd. In 1448 probeerde een Maastrichtse Franciscaan deze bisschop zelfs met pijl-en-boog van het leven te beroven. Deze pater werd in Luik ter dood gebracht. Uiteindelijk werd Jan van Heinsberg door Filips de Goede gedwongen af te treden, om plaats te maken voor Filips’ neef Lodewijk van Bourbon. Jan trachtte nog hulp te krijgen van koning Karel VII van Frankrijk, maar zijn eigen kapittel keerde zich tegen hem en stuurde gezanten naar Rome om de paus ertoe te bewegen hem af te zetten, wat in november 1455 lukte. Zo werd in 1456 de zittende bisschop van Luik, Jan van Heinsberg, vervangen door de pas achttien jarige Louis de Bourbon, neef van Philips de Goede van Bourgondië. Maar de vergaande invloed van Bourgondië, dat wilden de inwoners van het prinsbisdom nou ook weer niet. Met name de burgers van de twee grootste steden van het prinsbisdom, Luik en Dinant, mopperden. Het Luiks stadsbestuur besloot de jonge bisschop daarop domweg af te zetten, maar Philips stuurde zijn zoon Karel de Stoute om het gezag te herstellen. In 1465 vond de slag bij Montenaken plaats, waarbij de Luikenaren werden verslagen en het gezag van Louis de Bourbon werd hersteld. Dinant hield niet veel later plundertochten in het nabije Bouvignes. Ook nu weer snelde een leger van Karel de Stoute er heen. In 1466 werd Dinant in de as gelegd en Karel de Stoute liet 800 inwoners ter dood brengen: ze werden aan handen en voeten gebonden en midden op de Maas in het water gegooid. De vestingmuren van de stad werden vervolgens gesloopt. Het jaar er na toog Karel de Stoute naar Luik met de aldaar nog steeds pruttelende inwoners. Op 12 november 1477 gaf de stad zich over. Het Luikse bestuur werd verdeeld over drie andere plaatsen: Maastricht, Namen en Leuven en zo werd het prinsbisdom een vazalstaat van Bourgondië. De twaalf belangrijkste burgers werden ontboden, negen werden er op het marktplein onthoofd, drie werden er verbannen. De stad en de gebieden van het prinsbisdom moesten vervolgens een enorme som geld aan belasting opbrengen. Veel kerken, kloosters en dorpen moesten hun gronden verkopen of belenen om aan de schulden te kunnen voldoen. Karel de Stoute ging voor de derde keer trouwen. Dat gebeurde in Brugge, met Margaretha van York. Luik zag de kans schoon om nu het paleis van de nog steeds aanwezige prins-bisschop Louis de Bourbon aan te vallen. De pas getrouwde Karel de Stoute toog toen nogmaals naar de stad, maar nu spaarde hij niemand. Luik moest geheel van de kaart worden geveegd. De stad werd “professioneel” geplunderd en 5000 burgers vonden de dood.
Dit was het einde van deze middeleeuwse stad en het hele gebied er omheen werd ook hard getroffen. Karel de Stoute richtte zijn moorddadige pijlen intussen op andere gebieden. Als je de verhalen daarover leest word je daar ook niet vrolijk van. Na zijn dood nam het aantal inwoners al snel weer toe en met prinsbisschop Érard de la Marck (1505-1538) herwon Luik zijn rang van religieus, administratief en gerechtelijk centrum. Het nieuwe bisschoppelijke paleis werd in de bekende gotische stijl gebouwd. Andere nieuwe gebouwen kregen de meer renaissancistische Maaslandse stijl.
Maar door de verwoesting van Luik was er in het laatste kwart van de vijftiende eeuw een lacune ontstaan. Tot die tijd was deze stad een van de meest vooraanstaande centra van kunst en cultuur. Het trok de meest uitmuntende kunstenaars en ambachtslieden aan. Die zochten nu hun heil elders. Een van de plaatsen die het overnam was Maastricht. Maastricht was zo tussen 1470 en 1530 opeens een belangrijk ambachtscentrum met veel ateliers. Zoals er ook al eind twaalfde eeuw veel kunstenaars werkzaam waren in Maastricht, zo leek die welvarende periode opeens weer terug te keren. Gedurende enkele decennia, want langzaam herstelde intussen zoals gezegd ook Luik weer. En ook de vele gebeurtenissen met betrekking tot godsdiensttwisten en de tachtigjarige oorlog maakte geleidelijk een einde aan deze bloeiperiode in Maastricht.
Wie waren nu die belangrijke kunstenaars van rond 1500 in Maastricht? Jef Moers heeft er een boek aan gewijd. Na twaalf jaar speuren in alle mogelijke archiefdocumenten heeft hij hier een verslag van kunnen maken. Zo heeft hij de echte namen weten te achterhalen van een aantal kunstenaars die tot nu toe slechts met hun bijnamen bekend waren. Ik zal er slechts twee noemen:
Aert van Tricht blijkt Aert Pellera te heten, hij leefde van circa 1450 tot 1538. Hij was geelgieter en koperslager en zijn familie stamt uit het gebied rond Bouvignes-sur-Meuse. In dat gebied waren kopergieters gevestigd die van oudsher in heftige concurrentie waren met die van het prinsbisdom Luik. In 1479 vestigt hij zich in Maastricht onder de naam Ernolt Luchtermecker. Het gezin kocht later een woning in de voormalige Boxstraat, niet ver van de later verloren gegane kerk van Maria ten Oever. (De Boxstraat is bij de aanleg van het kanaal naar Luik helemaal afgebroken, na demping van dat kanaal is daar nu de Kesselkade). Er zijn nog heel veel werken van Aert van Tricht bewaard gebleven, zoals een meer dan vijf meter hoge sacramentstoren in de Sint-Laurentiuskerk van Bocholt.
Detail van de sacramentstoren met de heilige Paulus, Petrus, Laurentius en Lambertus
Hij kreeg opdrachten tot in de verre omtrek, waaronder enkele belangrijke in den Bosch, Leuven en Xanten. Door zijn vele opdrachten buiten Maastricht kreeg hij de bijnaam “Aert van Tricht”. Kinderen en kleinkinderen van hem gingen ook het vak in. Zij woonden in Maastricht en overleden soms elders, zoals in Antwerpen, in een tijd dat Maastricht alweer over zijn hoogtepunt heen was. Er waren ook leden die zich tot het protestantisme bekeerden.
Jan van Steffeswert leefde van 1470 (of eerder) tot 1537. Hij signeerde zijn werken meestal met “Jan Bieldensnieder”. Hij vestigde zich in 1488 of eerder in de stad. Bijna zeker komt hij uit Stevensweert of Wessem. Zijn broer die zich ook vestigde in Maastricht noemde zich meest Siets van Wessem of Siets van Steffens weerde. De eerste jaren hield hij zich waarschijnlijk vooral bezig hield met het maken van prenten en zegels. Pas vanaf 1499 kennen we hem als beeldensnijder. Tussen 1505 en 1507 trouwt hij, in 1508 heeft hij in ieder geval een dochter. Zij wonen dan in de Mariastraat. In zijn atelier heeft hij ook leerjongens in dienst. Waarschijnlijk voelde hij zich ook aangetrokken tot de nieuwe Christelijke sekten, maar hij was huiverig vanwege al zijn kerkelijke werkgevers. Haar schoondochter is een van degenen die in 1533 als anabaptist verbrand werd. Van Jan van Steffeswert is veel werk bekend, zoals de prachtige Christoffel die je ziet als je de Onze Lieve Vrouwekerk van Maastricht binnenkomt. Een groot aantal beelden van hem is ook te zien in het Bonnefantenmuseum.
Het boek van Jef Moers staat bomvol met afbeeldingen van aktes uit steden, kerken en kloosters en ook met veel afbeeldingen van kunstwerken. Van maar liefst tien groepen van kunstenaarsgildes zijn de namen en achtergronden van de betreffende kunstenaars uitgezocht: klokkengieters, glazeniers, orgelbouwers enzovoort. Wat dat betreft krijgen we een mooi overzicht. De opbouw van het boek doet wat chaotisch aan doordat er soms van de hak op de tak wordt gesprongen en het verhaal over het leven van de kunstenaar niet goed te volgen is, omdat alles voortdurend gelardeerd wordt met stukjes uit onderzochte akten. Je kunt zo wel goed zien waar al de kennis vandaan komt. Desalniettemin is het een prachtig boek met waardevolle informatie over deze korte en relatief onbekende gouden periode.
De Gouden decennia der stad Maastricht, 1470-1530. Jef Moers. Uitgegeven in eigen beheer, te bestellen via de auteur jefmoers@hetnet.nl
Celliste Lidy Blijdorp speelde afgelopen zondag bij Podium Witteman onder meer een deel uit de sonate voor cello solo van de Hongaarse componist Zoltan Kodaly. Het stuk stamt uit 1915, de componist was toen 33 jaar oud. Wat een tumultueuze tijd! We zitten midden in de eerste wereldoorlog en op het gebied van de kunsten zijn inmiddels overal de grenzen verlegd. De eerste atonale stukjes zijn pas zes jaar eerder geschreven, de Sacre du Printemps van Strawinsky is net twee jaar oud, het kubisme is helemaal hot, bijna iedereen zoekt de grenzen op. Kodaly deed dat op zijn manier ook. Hij experimenteerde met toonsoort en klankkleur. In het laatste deel verandert hij de stemming van de vier cellosnaren. De bovenste twee snaren blijven hetzelfde als bij een normale stemming, terwijl de onderste snaren een halve toon lager worden gestemd. Hierdoor wordt zowel het tonale als het expressieve bereik van het instrument uitgebreid. Ook schuwt hij niet voor het gebruik van glissandi en flageoletten, liefst in combinatie met pizzicati of het spelen op de kam. Het is met recht een stuk dat je tot het expressionisme kunt rekenen. Net als Bartok verwijst Kodaly ook naar elementen uit de Hongaarse volksmuziek.
Lidy heeft het stuk de laatste tijd vaak gespeeld, het staat op haar net uitgekomen CD Journeyers. Nu op TV speelde ze dus alleen het tweede deel, en van dat deel eigenlijk ook maar de helft, want na de eerste inleiding sprong ze gelijk naar de reprise. Vreemd genoeg zou dat deel voor mij eigenlijk altijd zo gespeeld mogen worden. Want juist het ontbreken van een herhaling maakt het tot een echte fantasie, iets waarbij het niet om de vorm gaat maar om de expressie, waar het zeker bij dit stuk alleen maar om draait. Dus kun je zo’n stuk beter niet in een strak omlijnde vorm gieten. Hieronder staat een link naar de opname van zondag. Ik heb er ook de noten bij gezet. Je kunt dan kijken naar hoe ze het doet, of je kunt het stuk volgen met de partituur erbij, of nog beter: je luistert met je ogen dicht. Kodaly gaf aan dit deel de titel: Adagio con Gran Espressione. De uitvoering van János Starker in 1948, die ook een grammofoonprijs won, noemde hij een “bijbelse uitvoering”. De uitvoering van Lidy is aards met ruwe klanken, maar telkens weer ga je ook even naar de hemel.
De hele uitzending met veel mooie dingen, maar ook waarin Lidy Blijdorp nog andere stukken speelt en vertelt over de hilarische gebeurtenissen op haar release concert vindt je via deze link
-‘Wat doet u, waarom maakt u foto’s?’ -‘Omdat ik het een mooi stadje vind.’ -‘Mijn vader schildert dit soort plekjes, hij is schilder. Kent u hem?’
Mijn kleinzoon, op weg naar huis, komt een kiekjes schietende toerist tegen. Vervolgens vertelt hij hoe zijn vader heet, hoe hij zelf heet en waar hij woont. O, ja, hij wil een beroemde organist worden. –‘Morgen krijg ik les van een beroemde organist op het Moreau-orgel,’ voegt hij er nog aan toe.
De dag er na is het dan zo ver. Hij schreeuwt het in Gouda van alle daken, al lopende samen met mij door de binnenstad. -‘Ik krijg orgelles, in de St. Jan. Zien jullie dat, in díe kerk daar. Op het Moreau-orgel!’ We zetten de paraplu op, we hadden in de auto al een donkere lucht zien aan komen en het begon nu stevig te regenen. We waren er veel te vroeg, bij zijn tweede orgelles, en deze was dus in de Sint Jan. Hij rende voor me uit en stormde naar de balie. -‘Ik heb orgelles op het Moreau-orgel. Moeten wij betalen?’
Ik kwam er aan en verduidelijkte de situatie. -‘Zo’n kleine jongen, heeft hij orgelles? ‘-‘Ja zeker. Maar we zijn hier nu voor het eerst en we weten niet hoe het werkt. De les is trouwens pas over twintig minuten.’
We mochten alvast de kerk in en hoefden niet te betalen. Mijn kleinzoon was nog steeds even opgetogen. Hij liep een klein stukje verder en wees omhoog: -‘Daar, opa zie je het? Dat is het Moreau-orgel. Daar krijg ik les.’ Toen vroeg ik hem dringend om niet te gaan rennen en alleen maar zachtjes te praten. -‘Kom, dan gaan we hier even zitten, en dan kunnen we ook goed naar het orgel kijken.’
Dat was te veel gevraagd. Gelukkig was hij wel stil en ging niet rennen, maar met ferme pas ging hij de hele kerk bestuderen. Ik bleef nog even zitten en ging toen toch maar kijken wat hij aan het doen was.
Hij had zijn leraar al ontdekt. Hij was met anderen aan het praten, vertelde mijn kleinzoon. -‘Heeft hij jou gezien?’ -‘Nee hoor.’ Ik verwonderde er mij over dat hij niet naar hem toe was gerend en hem had aangeklampt. Hij snapt dus dat hij dat niet zo maar mag doen. Intussen was hij wat rustiger geworden. We keken naar een schilderij en enkele van de prachtige “glazen”, de beroemde glazen van Gouda, de eeuwen-oude glas-in-lood-voorstellingen. -‘Wie is dat?’ -‘Dat is koning David. Kijk maar. Hij heeft een kroon op. Weet je waarom het David is, kijk maar eens achter hem? Daar staat een harp. En Koning David kon de harp bespelen.’ -‘O ja.’ Hij weet hoe een harp er uit ziet. En ik vertelde dat deze koning voor kwam in de bijbel en dat hij heel veel psalmen heeft geschreven. In protestantenkerken worden altijd veel psalmen gezongen. Dat wist hij ook. Hij kijkt op youtube vaak naar filmpjes naar organisten en soms ziet hij dan ook een stuk van een dienst. Hij speelt zelf inmiddels ook soms psalmen. Die heeft hij gehoord en speelt hij na. Met mooie akkoorden erbij. We zagen een bordje met PS en een nummer. Ik legde uit wat dat betekende.
Eindelijk kwam zijn leraar. Deze zette het orgel aan en onmiddellijk begon mijn kleinzoon te spelen en vooral te luisteren naar de prachtige klanken van dat orgel.
De les ging vrij goed. O, dat noten lezen. Maar hij deed zijn best. Helaas, zijn focus blijft heel kort. En aan het einde van elke oefening speelde hij de slotnoot van het vervelende deuntje met een akkoord erbij en wilde dan gelijk gaan improviseren. Toen zijn leraar dat door had sprak hij af, dat wanneer hij eerst het liedje goed gespeeld had dat hij dan iets mocht spelen wat hij zelf wilde. Op het einde deed hij er nog een schepje boven op. Hij mocht de liedjes van het orgelboek spelen met akkoorden erbij die hij zelf mocht verzinnen. Ook ging hij mee spelen en veranderde van allebei de manualen het register. Hij trok de knop van een kwintregister uit. Mijn kleinzoon speelde een C. -‘Hé, de C klinkt nu als een G.’ Verwonderd hoorde zijn leraar dat en legde uit wat een kwintregister was.
De les zou normaal 20 minuten mogen duren, maar het werden er 40. Vooral omdat elke oefening bijna niet door hem afgemaakt werd. Maar mijn kleinzoon vond het een goede les. We liepen naar buiten. Het was vrijwel droog en er liepen mensen op de markt. Hij riep iedereen toe: -‘Ik heb op het Moreau-orgel gespeeld!’
Angela Merkel zegt wijze dingen over het sluiten van compromissen en over het zorgvuldig omgaan met het gebruik van taal. Over wezenlijke dingen sluit je geen compromis, daar sta je voor. Maar er zijn erg veel dingen waarover je wel compromissen kunt sluiten. Door het sluiten van dergelijke compromissen komen mensen nader tot elkaar en gaan ze met elkaar in gesprek. Dat is waardevol.
Over het gebruik van taal: er wordt tegenwoordig snel van alles geroepen. Ook de woordkeuze is niet altijd fijnzinnig. Als dat allemaal maar kan wordt het snel van kwaad tot erger. Dit alles getuigt van beschaving, respect voor je medemens en zorgvuldigheid.
In Nederland zijn er volgend voorjaar weer verkiezingen. Zelfs de belangrijkste politicus van Nederland en de aanvoerder van de grootste partij is weer als vanouds bang voor de populisten, met name dat hij daar stemmen zal gaan verliezen. Hoe voorkom je dat? Door ook populistische en makkelijke uitspraken te gaan doen. “Hou je bek.” Zo, dát klinkt stoer! Dat is tenminste iemand die precies zegt wat wij ook denken!
Ik was enkele dagen in Keulen. Tot Duisburg zat ik in de ICE, daarna in een nationale intercity. Tot twee keer toe zag ik in die laatste trein iets ongehoords: er kwam bij een volgend station een man, later nog weer een vrouw binnen, allebei van zo rond de 50 jaar schat ik. Twee verschillende tieners (16 jaar?) stonden op en boden in de drukte aan deze volwassenen hun eigen plaats aan. Ik wist niet wat ik mee maakte.
In Keulen moest ik wennen aan het mondkapjesbeleid. Overal waar je naar binnen ging moest een mondkapje op. Van stationshal, tot hotel, tot winkel, tot café, tot museum, tot kerk. En iedereen had zo’n kapje om. Ik vergat het af en toe en schrok onmiddellijk als ik anderen zag die het wel om hadden en deed het gelijk ook braaf. Een enkele keer werd ik er vriendelijk op geattendeerd. Het leven ging gewoon door. Het was een leven met mondkapje. Iedereen was vriendelijk.
Het verkeer in Keulen is geen pretje. Er zijn in het centrum grote straten met veel verkeer dat van alle kanten aan komt stormen en dat dan via stoplichten wordt gestroomlijnd. Het verkeer is er zo druk dat men het snel wil laten door stromen vermoed ik. Het duurt dus behoorlijk lang voordat eindelijk ook de voetgangers kunnen oversteken. En als je daarna nog een keer moet oversteken moet je weer een tijd wachten. Maar wat schetst mijn verbazing: iedereen wacht keurig totdat het stoplicht voor de voetgangers weer groen is, ook als er helemaal niets meer komt en je eigenlijk daar voor “piet snot” lijkt te staan wachten. Niemand piekert er over om snel even een hupje naar de andere kant te maken. Men neemt de tijd. Een weldadige tijd als je je er aan overgeeft. Zo kom je ondanks de drukte vanzelf tot rust.
Ik weet niet hoe het komt dat er in Duitsland zoveel minder Covid19 besmettingen zijn dan in Nederland. Ik kan alleen constateren dat de mensen daar veel beschaafder zijn dan hier. Ik wens Nederland ook een Angela Merkel als premier toe.
Drie dagen Musica Sacra, dat betekende in dit geval vier theater ervaringen tijdens prachtig weer in de mooie stad Maastricht. Met veel minder publiek dan normaal, vanwege alle coronamaatregelen. Samen met mijn vrouw was ik bij de Hoogmis in de Onze Lieve Vrouwebasiliek waar een nieuw werk van Hans Leenders de liturgie verrijkte: Missa Simplicitate. Met een goede solist (Eva Diederix), de begeleiding van een strijkkwartet (Het Basilica-ensemble) en natuurlijk met zang door het Basilicakoor. Inderdaad was de mis “simplicitate”, eenvoudig, maar hij was functioneel bij zo’n dienst. Wij woonden de dag ervoor een concert bij met werk van Bach en Carissimi. Het oratorium Jephta van Carissimi kende ik niet. Het is niet een werk dat voor mij een eeuwigheidswaarde heeft. Het haalt het niet bij werken van de eerdere Monteverdi en kan ook niet tippen aan latere oratoria van Händel. Maar de uitvoering door “Ad Mosam Barock” met goede solisten mocht er zijn, met name de bas Valerio Zanolli maakte indruk. Ook bij de Actus Tragicus van Bach trouwens, het tweede stuk dat die middag werd uitgevoerd. De moderne dans van Samir Calixto beloofde veel als je het programmaboekje erbij hield. “Het begrijpen van de mens als onderdeel van een groter geheel”. Dat kwam bij mij niet over. Ik ervoer de solo dans als één grote egotrip. Van het lichtontwerp dat erbij was merkte ik niet veel, was hier sprake van een lichtontwerp? Het licht ging in het begin langzaam uit en op het einde langzaam aan. De muziek deed me aan Schumann en Liszt denken maar was in vergelijking met de pianomuziek van die componisten naar mijn smaak enigszins banaal. Het enige dat veel goed maakte: de plek van de uitvoering. Er werd gedanst voor zo’n twintig toeschouwers in de keizerzaal van de Servaasbasiliek. Het is altijd een feest om daar even te mogen zijn en te genieten van de sfeer en de architectuur. Het mooiste van die voorstelling was dus het kwartier dat we er zaten voordat de voorstelling zou gaan beginnen.
Het beste van Musica Sacra waar we bij waren hoorden we vrijdagavond: de bewerking van Schönberg van das Lied von der Erde van Gustav Mahler. Schönberg maakte alleen de bezetting wat kleiner, in plaats van een aantal harpen instrumenteerde hij die partijen voor een piano. Daarnaast kwam er nog een accordion bij. En ook gebruikte hij minder blazers en strijkers. Maar wat was het een prachtige uitvoering door het ensemble Oxalys met Christianne Stotijn als mezzosopraan en Mati Turi als bas!
Mahler baseerde zich op een oorspronkelijk Chinese tekst, van twee dichters: Meng Haoran en Wang Wei. Deze teksten zijn in het Frans vertaald, daarna in het Duits, nogmaals in het Duits aangepast en Mahler heeft er weer zijn eigen bewerking van gemaakt. Wat was er bij Mahler nog over van het origineel? Ik laat van het slotlied, “Abschied”, het (vertaalde) origineel zien, gevolgd door de versie van Mahler.
Meng Haoran, Verblijf in het huis van de leraar, tevergeefs wachtend op een vriend
De schemeringzon passeert de westelijke piek Valleien zijn plotseling verduisterd De maan boven de pijnbomen verkoelt de nacht Wind en beek zijn gevuld met een helder geluid De houthakkers zijn bijna allemaal thuis De vogels rusten in de mist De man waarvan verwacht werd dat hij de nacht zou blijven, is nog niet gekomen Een eenzame luit wacht op een rotanpad
Wang Wei Afscheid
Stap af, drink je wijn Vraag je: “Waarheen?” Dan zeg je: “stop met strijden tegen de wereld, Keer terug om uit te rusten bij de Zuidelijke heuvel. “ Kom dan alsjeblieft. Vraag niet meer. Eindeloos zijn de witte wolken.
Vaarwel in de bergen
Zeg elkaar in de bergen vaarwel De houten poort sluit in de schemering Het lentegras is volgend jaar weer groen Zal de geëerde vriend terugkeren?
Mahler:
Die Sonne scheidet hinter dem Gebirge. In alle Täler steigt der Abend nieder Mit seinen Schatten, die voll Kühlung sind. O sieh! Wie eine Silberbarke schwebt Der Mond am blauen Himmelssee herauf. Ich spüre eines feinen Windes Wehn Hinter den dunklen Fichten!
Der Bach singt voller Wohllaut durch das Dunkel. Die Blumen blassen im Dämmerschein. Die Erde atmet voll von Ruh und Schlaf, Alle Sehnsucht will nun träumen. Die müden Menschen gehn heimwärts, Um im Schlaf vergeßnes Glück Und Jugend neu zu lernen! Die Vögel hocken still in ihren Zweigen. Die Welt schläft ein!
Es wehet kühl im Schatten meiner Fichten. Ich stehe hier und harre meines Freundes; Ich harre sein zum letzten Lebewohl. Ich sehne mich, o Freund, an deiner Seite Die Schönheit dieses Abends zu genießen. Wo bleibst du? Du läßt mich lang allein! Ich wandle auf und nieder mit meiner Laute Auf Wegen, die vom weichen Grase schwellen. O Schönheit! O ewigen Liebens – Lebenstrunkne Welt!
Er stieg vom Pferd und reichte ihm den Trunk Des Abschieds dar. Er fragte ihn, wohin Er führe und auch warum es müßte sein. Er sprach, seine Stimme war umflort:
Du, mein Freund, Mir war auf dieser Welt das Glück nicht hold! Wohin ich geh? Ich geh, ich wandre in die Berge. Ich suche Ruhe für mein einsam Herz. Ich wandle nach der Heimat, meiner Stätte. Ich werde niemals in die Ferne schweifen. Still ist mein Herz und harret seiner Stunde!
Die liebe Erde allüberall Blüht auf im Lenz und grünt Aufs neu! Allüberall und ewig Blauen licht die Fernen! Ewig… ewig…
We zien dat de uiteindelijke tekst veel en veel langer is en ook wat minder aan de fantasie overlaat. De originele Chinese tekst is meer geheimzinnig. Desondanks: de muzikale invulling door Mahler is verpletterend. Ik heb hier een link naar een andere uitvoering, nu met de bezetting van het origineel. Ik zou zeggen, houdt de tekst erbij. Het einde, “Ewig… Ewig’ alleen al… Gaan we deze vriend nog weerzien? Mahler had net zijn dochtertje van vier verloren. Maar er kwam weer een beloofde lente aan: Die liebe Erde allüberall Blüht auf im Lenz und grünt Aufs neu! Allüberall und ewig Blauen licht die Fernen! Ewig… ewig…
Na drie dagen was het de beurt aan mijn “Abschied” van de stad. Samen met mijn vrouw stond ik nog even stil bij het uitzicht over de Maas, vlakbij de parkeergarage. Links de Martinuskerk van Wijck die Cuijpers ontwierp. De kerk met de zwarte Christus die we op een wandeling nog zagen. Er naast zie je de voormalige brouwerij van Ridder. En links de Middeleeuwse Servaasbrug. We wierpen nog een laatste blik vol weemoed.
Keulen heeft veel Romaanse kerken. Ik ken eigenlijk geen enkele plaats waar er meer te zien zijn. De Romaanse periode loopt globaal van 900 tot 1200, en in sommige steden kun je nog enkele decennia daar bij trekken. In die tijd zijn in Keulen heel wat kerken gebouwd en daarvan zijn er nog veel overgebleven, maar liefst twaalf! Je moet je wel realiseren dat deze stad zwaar te lijden heeft gehad van bombardementen in de Tweede Wereldoorlog. Daarna is men manmoedig begonnen om ook al de getroffen kerken weer te herstellen. Veel pilaren moesten daarbij vervangen worden en heel veel kapitelen dus ook. Dat maakt dat er van het zo vaak geheimzinnige Romaanse beeldhouwwerk veel verloren is gegaan. Sommige objecten zijn in museum Schnütgen terecht gekomen, daar zag ik ze een week geleden. Maar de kerken zelf zijn goeddeels hersteld en je kunt genieten van de prachtige bouwstijl en de intieme atmosfeer die er altijd is in dat soort kerken. Zo heeft Keulen nu nog twaalf gerestaureerde Romaanse kerken, drie bekeek ik er van binnenuit en van buitenaf: de Sint-Ceciliakerk, de Sint-Gereonskerk en de Sint-Ursulakerk. De kerk “Heilige Maria in het Capitool” bekeek ik alleen aan de buitenkant. En van de Pantaleonkerk, daarvan was alleen de narthex (het voorportaal) open. De rest van de kerk kon je een beetje zien door de tralies. Tien jaar geleden was ik er ook al eens en toen zag ik gelukkig deze kerk wel helemaal. Misschien dat ik aan enkele van deze kerken nog een keer een apart artikel ga wijden. Nu wil ik alleen wat Romaans beeldhouwwerk laten zien en het is interessant om een enkel object te vergelijken met dat van het redelijk nabijgelegen Maastricht.
Leeuw in de Sint Gereonskerk. Leeuwen hoog in de kerk kunnen meerdere functies hebben. In Zuid-Frankrijk zag ik ze in combinatie met bijvoorbeeld stier en adelaar. Dan weet je dat er een evangelist wordt voorgesteld. Hier zag ik twee leeuwen, waarvan een door mij op de foto gezet. Ik denk dat het om wachters gaat, zoals ook zo vaak bij Romeinse poorten het geval was. Ik weet ook niet of deze daar altijd gestaan hebben. Ze zijn van rond 1200. De leeuw hier onder houdt een lam vast, is dat een prooidier of staat het dier voor Christus? Het gaat om verguld beeldhouwwerk, nu vernieuwd, maar er waren nog resten van het origineel aanwezig.
Deel van een van de portalen van de Ceciliakerk waar nu museum Schnütgen in is gevestigd. Cecilia krijgt de martelaarskroon aangereikt door een engel boven haar, samen met haar verloofde Valerianus en diens broer Tiburtius. Wat je hier ziet is een replica, in het museum bevindt zich het origineel.
Fragmenten van een onbekend portaal, misschien van de voormalige Catharinakerk? Eerst twee roofvogels tussen slingerende stengels.
Wat hier niet allemaal tussen die stengels zit! Onder meer een mensenhoofd en de koppen van twee dieren. Heel opvallend: alle koppen erg dicht bij elkaar.
Een man met de poten van een roofvogel (voorkant) en de achterkant lijk wel een bok. Met zijn achterpoten leunt hij als met een soort armen op zijn eigen rug.
Een soort tijger met een veel te grote, vreemde kop
Kapiteel uit de voormalige Catharinakerk van de Duitse orde. Twee grote vogels met de kop van een katachtige
Nog enkele kapitelen van onbekende herkomst. De eerste is een Blemmyes, een man zonder romp, terwijl hij twee vogels vasthoudt. Of afweert? Doet denken aan de Blemmyes die je in de Servaaskerk van Maastricht kunt zien, zie iets lager en het artikel over de kapitelen van de Servaaskerk
Blemmyes Maastricht. Om hem heen staan twee geklede mannen met hondenkoppen, zogenaamde Cynocephali, die de Blemmyes in zijn arm bijten.
Twee vriendelijke leeuwtjes, omgeven door grote vogels, de linker met geopende bek en vervaarlijke tanden
Mannen met wapens, maar ze lijken door grote stengels van planten geen kant uit te kunnen
Hieronder een vedelspeler, eind 12e eeuw. Herkomst onbekend
Afgezien van enkele afbeeldingen van heiligen of van bovenstaande vedelspeler zijn er dus vooral afbeeldingen te zien van mensen, dieren en monsters. Het idee is waarschijnlijk: de wereld is bevolkt door allerlei vreemde wezens en duivels waarvoor je moet oppassen. Als je een kerk binnen gaat kun je beschermd worden tegen deze gevaren.