De koning speelt op het carillon

Een paar weken geleden nog speelde mijn oudste kleinzoon op “zijn eigen carillon” in Bergambacht. Dat klonk zo:

Afgelopen zaterdag had hij een dubbelrol. Hij is nog steeds koning. Op de BSO had hij samen met een begeleider een kroon gemaakt. Ja, en een koningsmantel heeft hij al meer dan een half jaar. Samen met zijn vader liep deze koning door de stad, richting carillon. Elke zaterdag geeft Boudewijn Zwart een carillonconcert en er was deze week een mysterie-guest. Dat was dus de koning. De koning was dus nu ook carillonspeler.

Het eerste wat hij mocht doen was een ostinaat spelen met de noten G-D, terwijl Boudewijn daarboven een beetje improviseerde. Die ostinaat deed mijn kleinzoon uitstekend, maar hij kon het niet nalaten na elf maten om er toch ook zelf wat aan toe te voegen. Heel bewust begon hij met het regelmatig vervangen van de lage G door een andere toon. Eerst verving hij deze met een A, dan met een B, daarna met een Bes, drie keer met een As, dan weer met een Bes. En hij luisterde heel goed hoe muziekstukje afgerond zou kunnen worden. Eerst speelde hij C-D, voor de muziekkenners: een afsluiting met subdominant en dominant (IV-V), die bleef aangehouden, dan de oplossing G (I), nogmaals de dominant D (V), en de tonica met twee tonen G en D tegelijk, dit alles precies op tijd. Als toetje speelde hij nog een heel lage G met het pedaal er achter aan natuurlijk. Hé, dat klinkt mooi! Nog een paar keer. Intussen luisterde hij vol aandacht naar het mooie bel-geluid van de lage bas-g. Het leek wel een kerkklok die de uren aangaf! Ik vond het allemaal erg muzikaal, vooral ook door zijn timing, luister maar, en let dan dus op het lagere register. Ik heb in noten genoteerd wat hij in de bas speelde. De noten in rood zijn de eigen nieuwe noten, die hij heel bewust uitprobeerde:

Toen mocht hij ook alleen spelen. Het werd de Toccata in D-mineur van Bach. Normaal speelt hij die op piano of keyboard, met de basnoten en akkoorden in de linkerhand. Maar dat ging natuurlijk niet. Wil je de melodie enigszins kunnen spelen op een carillon, dan zal je dat met twee handen moeten doen. Al doende kreeg hij er enige behendigheid in. Een klein fragment van zijn solo:

Eigenlijk wou hij het stuk helemaal uit spelen maar dat mocht niet van Boudewijn. Wat goed van mijn kleinzoon dat hij dat accepteerde! En hij kreeg nog enkele wijze raadgevingen mee:

De koning ging weer naar huis en luisterde onderweg naar de mooie stukjes van de rest van het concert. Dat kunnen jullie ook doen, mits je facebook hebt.  Dan kun je namelijk via onderstaande link het hele carillonconcert terug zien en beluisteren. Het stuk waar mijn kleinzoon speelt zit al vrij snel in het begin, ongeveer op 3:50.

Carillonconcert

Geplaatst in kleinzoon | Tags: , | Plaats een reactie

De aanbidding van de Drie Koningen in Keulen

In de katholieke kerk worden nog steeds op veel plaatsen relieken vereerd. Het denken aan een heilige maakt dat gelovigen in een soort trance kunnen raken en zo tot een gebed komen.  Ik kan me van alles voorstellen bij een dergelijke meditatie. Als je iets weet over het leven van een heilige, en deze persoon heeft zodanig geleefd dat hij voor jou een inspiratiebron is, dan kan het denken aan die persoon een goede functie hebben. En het gevoel van zijn aanwezigheid door middel van relieken kan dat gevoel versterken. In de twaalfde eeuw werd het steeds populairder om belangrijke relieken in een kerk te hebben, dat trok pelgrims aan en pelgrims waren goed voor een klooster of stad. Maar als je er redelijkerwijs over nadenkt weet je zeker dat de meeste relieken niet echt zijn. Het begon al met Helena, de moeder van keizer Constantijn.  Een goddelijke ingeving wees haar de weg naar het kruis waaraan Christus gestorven zou zijn in Jerusalem. Ze nam dat kruis mee naar Rome en daar werd er een kerk omheen gebouwd. Ook de plaats waar het lichaam van de apostel Jacobus zou liggen werd door God aangewezen. Deze plek is nu een van de belangrijkste pelgrimsoorden van de wereld: Compostella in Noord-Spanje. Het was ook Helena die omstreeks 325 tijdens een reis door Palestina niet alleen het heilige kruis, maar ook de overblijfselen van de Drie Koningen meende te hebben gevonden, in de vorm van bot- en kledingresten. Deze relikwieën werden volgens de overlevering door keizer Constans I in 344 aan de stad Milaan geschonken.

Pas in 1158 wordt opnieuw melding gemaakt van de relikwieën. De Franse abt Robert van de abdij van Mont Saint-Michel noteerde in dat jaar dat in een kerkje nabij Milaan de lichamen van de Drie Koningen terug waren gevonden. Omdat de stad in deze periode belegerd werd door de Duitse keizer Frederik Barbarossa, werden de relikwieën binnen de stadsmuren van Milaan gebracht en in de klokkentoren van de kerk van San Giorgio al Palazzo bewaard. Na de overwinningen van Frederik Barbarossa in Lombardije, werden de resten van de Drie Koningen in 1164 door de Keulse aartsbisschop Reinald van Dassel, tevens rijkskanselier voor het Italiaanse deel van het keizerrijk en legeraanvoerder, naar Keulen overgebracht. De zeer belangrijk geachte relieken werden door de opvolger van Reinald van Dassel, aartsbisschop Filips I van Heinsberg in een zeer rijk bewerkt, verguld koperen reliekschrijn geplaatst, vervaardigd door de beroemdste edelsmid uit de middeleeuwen, Nicolaas van Verdun. Om dit grootste reliekschrijn ter wereld een waardig huis te bieden werd gestart met de bouw van een nieuwe Keulse Dom.

Zo worden tot op de dag van vandaag in Keulen in de dom deze relieken van de Drie Wijzen uit het oosten vereerd. Je kunt nu helemaal om het reliekschrijn heen lopen, althans: nu even niet vanwege de corona-maatregelen.

Hoe komen we nu op het aantal, drie wijzen, en op hun namen, Melchior, Balthasar en Caspar? De vermelding van de wijzen komt in het Nieuwe Testament alleen voor in Matteüs 2:1-12. Hun herkomst wordt niet vermeld, behalve dat ze uit het oosten kwamen. Hun aantal en hun namen worden ook niet vermeld. Er wordt verteld dat de wijzen “vanuit het oosten” naar Jeruzalem kwamen omdat zij de ster hadden zien opgaan van de pasgeboren “koning der Joden” en zij wilden hem eer bewijzen. Dit kwam koning Herodes I ter ore en hij schrok van het nieuws. Hij riep de schriftgeleerden en priesters samen om te weten te komen waar de messias geboren zou worden. Volgens de profetie was dat in Bethlehem. Daarna ontbood hij de wijzen en gaf hun de opdracht om de pasgeboren Messias in Bethlehem te gaan opzoeken. Hij zei dat hij wilde weten waar het kind was, zodat hij hem zelf ook eer kon gaan bewijzen. Volgens Matteüs zagen de wijzen, terwijl ze in Jeruzalem waren, de ster die zij hadden zien opgaan weer aan het firmament. De ster ging voor hen uit en bleef staan boven de plaats waar het kind verbleef. In dat huis vonden de wijzen Maria en de pasgeboren Jezus. Ze vielen op hun knieën en boden het kind goud, wierook en mirre aan. God waarschuwde in een droom de wijzen ten slotte niet naar Herodes terug te gaan. Ze keerden daarom langs een andere route naar hun land terug. Toen Herodes ontdekte dat hij misleid was, liet hij, afgaande op het tijdstip dat hij van de magiërs had gehoord, alle jongetjes in Bethlehem tot de leeftijd van twee jaar vermoorden (de kindermoord van Bethlehem). Jozef was echter door God gewaarschuwd en was tijdig met Maria en Jezus gevlucht naar Egypte.

Legendevorming heeft het Mattheüsverhaal uitgebreid. In het westers christendom bijvoorbeeld hebben zich een reeks tradities rond de wijzen uit het oosten ontwikkeld die geen basis hebben in het Bijbelse verhaal. Mattheüs noemt het aantal niet, maar volgens de traditie zijn er Drie Wijzen. Dit getal van drie werd wellicht vastgesteld aan de hand van het aantal geschenken dat ze meebrachten. In veel oosterse tradities zijn er niet drie maar twaalf wijzen. De koningen vertegenwoordigen daarmee de drie toen bekende werelddelen en drie leeftijden van de man. Vandaar dat je de opvallende leeftijdsverschillen ziet op de latere afbeeldingen, en ook wordt steeds de donkere Afrikaanse koning afgebeeld. Volgens de legende werden de koningen later gedoopt door Sint-Thomas. Ze zouden daarna bisschoppen zijn geworden in India. Deze legende kan teruggeleid worden tot een schrijver in de 6e eeuw die zich baseerde op apocriefe bronnen. De namen Balthasar, Melchior en Caspar dateren uit de middeleeuwen. Rond de 8e eeuw werden ze in de kroniek Excerpta latina barbari genoemd als Bithisarea, Melichior en Gathasp. In andere christelijke tradities komen weer andere namen voor. Bij de Syrische christenen bijvoorbeeld heten de Drie Wijzen Larvandad, Goesjnasap en Hormisdas. De benaming “Drie Koningen” komt al vanaf de 3e eeuw voor, waarschijnlijk als vervulling van de voorspelling in Psalmen 72:11: “Laten alle koningen zich neerwerpen voor hem”.

Als er pelgrims op bezoek komen gaan ze uiteraard naar de plek in de dom waar de driekoningenschrijn staat, maar je kunt ook in gebed verzinken op andere plekken waar hun afbeeldingen te zien zijn. We kennen de wijzen vooral van hun aanbidding van de pasgeboren Jezus. Zo zijn er in de dom meerdere afbeeldingen van dat tafereel te zien. Een van de vensters laat het zien in glas en lood. De mooiste afbeelding van de aanbidding zien we op het grote schilderij van Stefan Lochner, vooraan in een zijkapel van de kerk. In de huidige tijd zijn er meer plekken in Keulen. Museum Schnütchen heeft een prachtig middenpaneel van Meester Arnt von Kalkar in bezit, normaal te zien in de vaste collectie, nu nog even in een tentoonstelling die aan deze grootmeester is gewijd. Het hele paneel gaat over deze Drie Wijzen, met de aanbidding van Jezus als centraal gegeven. In museum Wallraf-Richartz in Keulen zag ik ook twee schilderijen met dit onderwerp. Allebei uit 1515. Het eerste is van Bartholomeüs Bruyn, het tweede van een anonieme schilder die de naam “meester van Severin” heeft gekregen. Deze vier “aanbiddingen der wijzen” laat ik in de volgorde van de chronologische datum van ontstaan hieronder zien.

Stefan Lochner leefde in dezelfde tijd als bijvoorbeeld Jan van Eijk, bovenstaand schilderij maakte hij rond 1448. Net als deze kunstenaar laat Lochner op de voorgrond gras en bloemetjes zien. Maar de plaatsing van Maria op een troon is ronduit ouderwets. Ook de gouden achtergrond is passé. Toch vind ik het een prachtig schilderij, vooral door de menselijke blik van Jezus en de koning met de gevouwen handen. Hij kijkt naar het kindje en Lochner weet in zijn blik te leggen: “Ja, ik zie het, dit is de verlosser!” Ik zag het door de coronamaatregelen dit jaar slechts vanuit de verte. Toen ik het voor de eerste keer van dichtbij zag werd ik er door ontroerd.

Detail uit een paneel van Meester Arnt von Kalkar uit 1491. Net als bij de vorige afbeelding kijkt Maria een beetje bedroefd, ze lijkt nu al te weten dat haar zoon een moeilijk leven gaat krijgen. En ook hier weer zien we hoe een van de koningen zijn handen vouwt. Een andere koning voelt aan de handen van de toekomstige verlosser, alsof hij nu al een soort relikwie voelt. De derde koning, de jonge Caspar, tilt zijn hoed omhoog als eerbetoon. Jezus lijkt in de verte te staren en aan hogere dingen te denken.

Bartholomeus Bruyn laat Melchior met de handen gevouwen naar Jezus kijken en Jezus kijkt terug. Maria is weer bedroefd, En ook hier weer staat Caspar met zijn hoed in de hand. Bij de eerste voorstelling zat Maria op een troon, het tweede tafereel speelt zich af in een grot, hier in een huis met tegels op de vloer en ja hoor: ook nu zit Maria weer op een troon. Die troon staat voor haar hemelse status maar maakt het tafereel onwerkelijk.

Nu geen gevouwen handen, maar alle drie de wijzen laten hun geschenken zien. Jezus kijkt bijna uitdrukkingsloos naar de oudste van Drie Koningen. Ook Maria kijkt deze wijze aan, weer met een enigszins bedroefde blik. Voor de eerste keer dat ze naar iemand kijkt trouwens. Alles speelt zich af in een huis met een vloer met tegels. Heel opvallend en hopeloos ouderwets: Maria zit alweer op een troon, net als bij Lochner en de Bruyn. Maar de Bruyn en de meester van Severin maakten dit schilderij wel maar liefst 67 jaar later dan Lochner, in een tijd dat alles veel meer naar de werkelijkheid werd geschilderd. Opvallend zijn de vele overeenkomsten met het vorige schilderij dat in hetzelfde jaar is gemaakt. Kijk bijvoorbeeld eens naar de troon. De koningen die contact hebben met Jezus zijn de oude Europese Melchior en de Aziatische Balthasar, ook de plaatsing van de hoofdfiguren in de ruimte is vrijwel identiek. Steeds zien we Caspar, de jonge Afrikaanse koning met de donkere huid, aan de rechterkant, en vaak ook wat verder af dan de anderen. Ik zou haast zeggen dat het om precies dezelfde kunstenaar gaat en dat zou dan in beide gevallen Bartholomeus Bruyn zijn. Op zich is het trouwens interessant om te zien dat vanaf het begin dat deze legende is opgetekend er drie koningen waren uit verschillende landen. Een neger hoefde niet altijd een dienaar of slaaf te zijn. Maar deze renaissancekunstenaars plaatsen hem toch steeds iets meer op de achtergrond waardoor je toch het gevoel van een soort rangorde krijgt. Maar ja, hij was de jongste. Er was natuurlijk ook nog een rangorde in leeftijd.

De dom van Keulen, daar valt een boek over te schrijven en dat is ook vaker al gedaan. Ik heb een tijdje vlak voor deze immens grote gotische kathedraal op een terras gezeten. Ik keek omhoog. Wat zou dat zijn, wat je daar heel hoog zag? En waarom zou dat daar te zien zijn? In de gotische tijd had alles zijn plek, en hoe hoger je kwam, hoe dichter bij God je was. Die dingen zo hoog hoef je niet te zien. Dat het er is, dat is genoeg. Zo dachten de geestelijken en dus ook de opdrachtgevers voor de bouw van de dom in die tijd. Toch wilde ik het weten. Ik zoomde met mijn camera flink in. En toen zag ik opeens onderstaande hemelse figuren: ik zag de gevleugelde aartsengel Michael die met de punt van zijn zwaard de duivel in bedwang houdt en ik zag de apostel Thomas, herkenbaar aan de winkelhaak. De kerk is groot, dus de andere apostelen zullen ook wel ergens in de hoogte zijn afgebeeld. Zij zijn heel hoog, vlak bij God. Misschien zijn de drie koningen daar ook wel.

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , , , , | 2 reacties

Arnt der Bilderschneider

Kijk hier naar een door mij gemaakte film van de tentoonstelling

Een van de beste beeldhouwers van de vijftiende eeuw was volgens mij Arnt von Kalkar, of Arnt van Zwolle zoals hij ook wordt genoemd. Waarschijnlijk opgeleid in Vlaanderen werkte hij lang in Kalkar en in Zwolle. Deze beide woonplaatsen heeft hij enkele keren verwisseld. Hij is overleden in Zwolle terwijl hij bezig was met een grote opdracht uit Kalkar.

Als je nog nooit iets gezien hebt van deze kunstenaar dan moet je nu snel naar Keulen gaan en je daar laten overtuigen van zijn vakmanschap en diepgang. Nog ruim een week is er de tentoonstelling “Arnt der Bilderschneider” te zien. Niet alles wat hij in zijn leven gemaakt heeft is daar opgesteld maar er staat wel erg veel. Hij heeft voornamelijk voor opdrachtgevers gewerkt aan geestelijke beeldhouwwerken. Die staan normaal in kerken of kloosters en ze zijn soms ook nog eens erg groot, zoals het hoogaltaar van de Nicolaikirche in Kalkar. Het retabel is helemaal door Meister Arnt ontworpen maar helaas slechts gedeeltelijk ook door hem uitgewerkt door zijn vroegtijdige overlijden. Alleen de predella, het onderstuk, is naar museum Schnütgen gehaald.

Maar niet getreurd. Het complete Sint Joris-altaar uit diezelfde kerk is naar de tentoonstelling gebracht! En er staat nog veel meer. Het fraaie is dat al de stukken nu zodanig zijn opgesteld dat je er met de neus bovenop kunt gaan staan en er dus veel meer details te zien zijn als wanneer je het op de originele plaatsen zou zien. Wat kun je er nog meer zien? Al zijn mooie beelden die hij maakte voor de kerk van Petrus Banden in Venray bijvoorbeeld. Of je kunt stukken uit Kleef, Nijmegen, of de museumstukken uit Parijs, Antwerpen en Amsterdam bewonderen.

Ik maak een keuze en beperk me tot twee stukken. Om te beginnen het middendeel van het retabel van het Sint Joris-altaar uit de Nicolaikirche dat je hier boven ziet. Deze kerk had tot en met de Franse tijd maar liefst 15 altaarretabels. Na de Franse tijd was het nodig dat ze allemaal gerestaureerd zouden worden, maar daarvoor ontbrak het geld. Men besloot om er slechts zes te behouden en de rest te verkopen. De zes die overbleven zijn inderdaad gerestaureerd en ze zijn er nog steeds te zien.  Het zijn altaarstukken die een tijdsperiode van ongeveer 200 jaar omspannen, van pakweg de tweede helft van de vijftiende tot en met de eerste helft van de zeventiende eeuw. Allemaal zijn ze van grote kwaliteit. In Kalkar kun je zo een les kunstgeschiedenis krijgen, van renaissance tot en met barok, aan de hand van deze retabels. En een van die retabels is bovenstaand Gregorius (Joris) retabel. Het is een drieluik waarbij je in gesloten toestand aan de twee geschilderde zijpanelen aan de ene kant  het gevecht van Joris met de draak kunt zien, aan de andere kant kun je zien hoe de stichter met zijn familie toekijkt. Maar in geopende toestand komt niet alleen het imposante beeldhouwwerk tevoorschijn, maar zie je ook op de zijpanelen vreemd genoeg iets dat er eigenlijk niets mee te maken heeft:  je ziet dan twee scenes uit het leven van de heilige Ursula, geschilderd door een andere kunstenaar. Ik beperk me nu tot alleen het imposante middendeel, het beeldhouwwerk van meester Arnt, over het leven van Sint Joris.

Centraal op de voorgrond zie je het gevecht met de draak. Joris zou de stad Silene bezocht hebben die door een draak werd bedreigd. De draak nam genoegen met het offer van twee schapen, later wilde hij een schaap en een kind. Het lot bepaalde welk kind er aan de beurt was. Toen viel het lot op een koningsdochter. Maar Joris bezocht de koning en hij beloofde met een oplossing te komen.  Hij  wilde de draak met een lans doden en zo de koningsdochter laten leven. Zo geschiedde: je ziet hoe de draak na een lanssteek bloedend zijn kop de hoogte in steekt en de genadeslag met een zwaard lijkt te gaan krijgen.  Rechts naast dit tafereel knielt de koningsdochter. Met gevouwen handen kijkt ze naar de held, terwijl ze nog biddend wacht op de goede afloop, of misschien wel bidt ze berustend in haar droeve lot. Op een rots zit het lam dat ook geofferd zou moeten worden.

Rechts boven zie je hoe als in een stripverhaal de volgende scene wordt uitgebeeld: Joris keert terug in de stad met de prinses, die de getemde draak als een hond aan de lijn meeneemt. De stadsbewoners kunnen hun ogen niet geloven. Maar uiteindelijk loopt het met Joris toch niet goed af.

Chronologisch is het trouwens op het retabel een zooitje. Alle scenes staan min of meer door elkaar gehusseld. We zien een prachtige uitvoering van de stad met stadspoort. Het schijnt dat het naar de omwalling van Kalkar uit die tijd is nagebootst. Joris, weer in deze stad met de prinses, zegt dat hij de getemde draak pas zal doden als iedereen in de stad zich tot het Christendom bekeert. Iedereen gaat akkoord, 15000 mensen bekeren zich, de draak wordt alsnog gedood. Maar dan komen Christenvervolgers onder leiding van keizer Dacianus die Joris gevangen nemen. Deze keizer kun je herkennen aan zijn scepter. Hij is telkens aanwezig als er gepijnigd wordt. Joris staat vanaf dat moment meerdere martelingen te wachten…

Zo zien we hoe er grote metalen spijkers uit zijn romp steken en een man deze met een enorme hamer met ferme meppen in zijn lichaam verder moet slaan. De keizer en twee andere beulen staan er onaangeroerd bij. Een van deze twee beulen zwaait vervaarlijk met een bijl. Wat is hij van plan? Dat belooft niet veel goeds…

Hierboven, en vrij centraal op het paneel, zien we de scene waarbij in een grote ketel olie tot koken wordt gebracht, terwijl Joris biddend in deze ketel de komende pijnen gelaten afwacht.  Het rijshout om te stoken wordt rechts door een helper aangedragen, een ander moet geknield met een blaasbalg het vuur aanwakkeren. Links bij dit tafereel staat iemand alles te bewaken en de bediener van de blaasbalg neemt beleefd zijn hoed voor hem af. Dat hij een belangrijk iemand is kun je zien aan zijn kleding. Naast de keizer staan weer de twee eerdere beulen. Iedere persoon heeft zijn eigen houding en uitdrukking. De meest rechtse van de twee slaat bij de persoon naast hem kameraadschappelijk een arm om de schouder, deze leunt intussen op zijn lans.

Hierboven zie je nog meer martelscenes:  zo zien we hoe de armen van Joris worden afgehakt en hoe hij de gifbeker moet drinken.

Bij bovenstaande martelscenes lijkt de keizer zelf ook een actieve rol te hebben. terwijl rechts Joris vastgebonden is aan een martelpaal reikt de keizer de beul spijkers aan.

Tot slot zien we hoe Joris dan toch nog dood gaat als hij uiteindelijk wordt onthoofd. De genadeslag wordt gegeven door dezelfde man die in een eerdere scene al naast de keizer stond met een bijl in zijn handen.

Niet alleen het beeldhouwwerk is prachtig, maar het geheel is ook heel erg goed en subtiel geschilderd. Dat deed in principe trouwens meestal een andere kunstenaar. Na onderzoek blijkt dat de kleuren zoals je ze nu ziet nog steeds  de originele kleuren zijn. Maar het meest bijzondere vind ik de manier waarop het verhaal met alle figuren is weergegeven. Kijk eens naar de houdingen en gezichtsuitdrukkingen! Arnt maakt echte mensen van hen, het zijn niet zo maar figuranten in een verhaaltje. Alle mensen en alle onderdelen hebben hun plek, over alles is nagedacht en zo kun je als je lang kijkt een verhaal ontwaren met als hoofdrolspelers meerdere mensen van vlees en bloed. Al die dingen maken van hem een buitengewoon goede beeldhouwer. De levendigheid van dit alles doet me al denken aan hoe barokkunstenaars mensen konden weergeven, maar dan zijn we ruim een eeuw verder in de tijd.

Nu beschrijf ik kort nog een voorbeeld, ook te zien op de  tentoonstelling. Het gaat om een scene uit de predella van het hoofdaltaar van alweer de Nicolaikirche. (Hierboven deze predella.)
Ik moest bij het kijken en overpeinzen van de rechter scene, waarover zo meer, denken aan twee componisten en aan een schilder. De eerste componist aan wie ik dacht is Mozart. Mozart maakte zijn requiem niet af, want hij kwam te overlijden. Een complete schets van het hele stuk was er wel al en een leerling van Mozart maakte de grote compositie op basis van de schets af. Alleen het inleidende eerste deel, het “Requiem Aeternam”, en het “Kyrie” zijn feitelijk door Mozart geschreven. En dat kun je horen. De rest van de uitwerking is dus gemaakt door zijn leerling Süsmayer, en het is duidelijk van mindere kwaliteit. De tweede componist aan wie ik moest denken is Bach. Bach schreef “Die Kunst der Fuge.” Het stuk was bijna af, toen kwam hij te overlijden. Nog steeds proberen sommige mensen het stuk af te maken. Elke poging leidt tot iets dat soms aardig is, maar nooit in de buurt van  de kwaliteit van Bach komt. Zowel het requiem van Mozart als “die Kunst der Fuge” van Bach zijn desondanks uitzonderlijke meesterwerken. En dat brengt me op meester Arnt. Meester Arnt had op zijn oude dag de opdracht aangenomen om vanuit Zwolle te werken aan het hoogaltaar van de Nicolaikerk van Kalkar, een enorme opdracht die hem heel erg lang nog interessant werk zou geven. Het geheel maakte hij af in schetsen. Sommige delen maakte hij zelfstandig zelf helemaal af. De rest: je raadt het al. De eerste die een poging waagde om het na zijn dood af te maken was Jan van Halderen, een leerling van meester Arnt. De twee linker scenes van de predella zijn door hem uitgewerkt, terwijl rechts, de voetwassing van Christus, door Arnt nog is gedaan. Jan van Halderen deed het niet slecht maar de opdrachtgevers wilden toch met iemand anders verder. Zo is het complete beeldhouwwerk uiteindelijk door drie verschillende kunstenaars uitgewerkt, de derde die aan de slag mocht was Meister Loedewich, hij werkte uiteindelijk het leeuwendeel uit. Alle kunstkenners van nu geven de voorkeur aan het deel dat de oude Arnt uitwerkte. Dat zijn delen van de kruisigingscene, maar ook het meest rechtse deel van de predella, de scene met de voetwassing. Deze was ook op de tentoonstelling te zien.

Op die predella staat in het midden de scene van het laatste avondmaal, in dit geval prachtig gebeeldhouwd door Jan van Halderen. Mooi gedaan. Maar daarnaast staat bovenstaande sublieme uitwerking van de voetwassing, die de 12 apostelen laat zien naast Jezus, ieder met zijn eigen karakter en uitdrukking. En dat beeld bacht me op het beeld van een schilder, de derde persoon dus aan wie ik moest denken. Waar heb ik dat meer gezien? Ik schreef er over. .
Deze voetwassing is zo een grootse afsluiting van de carrière van deze “Bilderschneider”, het is een waardige zwanenzang.

Tot slot hieronder nog enkele afbeeldingen met details van de apostelen uit deze voetwassingsscene. Uitgebeeld wordt de scene, waarin Jezus de voeten van al zijn discipelen gaat wassen.

We lezen in Johannes 13:09-11: Simon Petrus zei tot Hem: Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd! Jezus zei tot hem: Wie gebaad is, heeft alleen nodig zich de voeten te laten wassen, maar is geheel rein. En u bent rein, maar niet allen. Want Hij wist wie Hem zou overleveren; daarom zei Hij: U bent niet allen rein.

Op de eerste afbeelding zie je centraal Petrus in het voetenbad. Verder zien we aan de linkerkant van de afbeelding de jonge Johannes, herkenbaar aan zijn weelderige haardos en de afwezigheid van een baard. Een oudere apostel achter hem legt vaderlijk een hand over zijn schouder. helemaal rechts een fragment van Jezus, in gesprek met Petrus, die zegt: ‘niet alleen mijn voeten maar ook mijn handen en hoofd’.

Twee van de apostelen hieronder hebben geen baard, en de twee links hebben ook niet veel hoofdhaar. De geheel kale apostel luistert naar alles maar verwerkt het allemaal in zichzelf, de andere twee zijn in gesprek. Let ook op de verschillende handhoudingen.

Op onderstaande afbeelding zien we drie apostelen met elkaar in debat. Jezus had gezegd: ‘niet iedereen is rein? Wie zou dan diegene zijn die niet rein is?’ Judas, de man over wie Jezus het heeft, houdt angstvallig een buidel met geld achter zich, intussen praat hij zogenaamd mee over wat Jezus net zei.

Ook de houdingen van onderstaande twee apostelen zijn weer heel anders, de man met kap legt een hand over de schouder van de apostel met volle baard en wijst met een vinger naar beneden, zo van: ‘jij bent het niet, ik ook niet, wie dan?’

Op onderstaande afbeelding zien we Jezus, geknield voor het voetenbad. Hij spreekt tot Petrus die met zijn voeten in het bad is en intussen de vragen stelt zoals ze in het evangelie van Johannes staan. ‘Alleen de voeten wassen is genoeg, behalve voor hen die niet rein zijn.’

Ik heb een film gemaakt met werk van meister Arnt, zoals nu nog te zien is in museum Schnütgen  in Keulen. Op de overzichtstentoonstelling is trouwens ook werk van tijdgenoten te zien, niet op deze film te zien. Alles is bijzonder mooi in de ruimte geplaatst en goed gedocumenteerd. Een aanrader!
Kijk hier naar deze door mij gemaakte film van de tentoonstelling
Te laat? Ga dan een keer naar de Nocolaikirche in Kalkar. En krijg door te kijken naar de zes altaarretabels en de vele andere schilderijen en beeldhouwwerken gratis een les kunstgeschiedenis.

Zie ook eerdere stukjes die ik schreef:
Meester Arnt
Muzikale ervaringen in Kalkar
Kartuizers

Geplaatst in kunst, recensie | Tags: , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

Dyscalculie?

Afgelopen jaar verwonderde ik me steeds meer over hoe mijn oudste kleinzoon moeite had met een aantal dingen. Zijn tekentalent laat zien dat hij een heel goed ruimtelijk inzicht heeft, maar in een ruimte heeft hij de neiging om over alles te struikelen. En iets zoeken? Hij weet niet waar te beginnen en ziet niet dat het bewuste voorwerp dat hij wil vinden pal voor hem ligt. Als kleuter was hij gefascineerd door hectometer-paaltjes dus ik dacht: rekenen wordt een eitje voor hem. Niets blijkt minder waar: hij blijkt juist heel veel moeite met rekenen te hebben. Gedeeltelijk wijt ik dat dan aan de klassikale aanpak en de methode die er op die school gebruikt wordt, maar ik denk dat het probleem in de kern  in de verwerking van een aantal dingen in zijn hersenen zit.

Ik had een aantal jaren geleden op het conservatorium een buitengewoon begaafde student. Ze leerde in een klasje van mij onder meer om muziekstukken die ze hoorde op de juiste manier op te schrijven in noten. Deze leerling bleek heel veel moeite te hebben met ritmische notatie. Na pas meer dan een jaar vertelde ze mij dat ze dyscalculie had. Ik had toen ik dat hoorde de neiging om haar sommige opdrachten kwijt te schelden maar het pleitte voor haar dat ze dat niet wilde en koppig bleef ze verder oefenen. Uiteindelijk lukte het haar om alles wat ze hoorde correct te noteren. Ik vermoed nu dat er ook zo iets bij mijn kleinzoon aan de hand is. Ik blijf om te beginnen versteld staan van zijn muzikaliteit. Stukjes die hij hoort speelt hij na, in ieder geval altijd de melodie en de bas. Maar ook gebruikt hij het juiste register, en vaak ook speelt hij akkoorden. Hij begint het leuk te vinden om stukken die hij al min of meer kent nu in andere toonsoorten te spelen. Of gewoon wat te improviseren, nu een keer in D, dan weer in Bes, waarom niet. Zonder zich bij dit alles bewust te zijn van de notatie.

Heel kenmerkend is hoe hij omgaat met de stukken in het orgelboek dat hij heeft moeten aanschaffen. De oefeningen die hij zou moeten doen na zijn eerste proefles, nog voor de zomervakantie,  klinken nergens naar. Je speelt soms niet meer dan drie verschillende tonen en ook nog eens in hetzelfde ritme. Oersaai. Dus ik denk: ik ga een basje en akkoorden er onder spelen. Helaas, hij kan zich, zo gauw ik dat ga doen, niet meer concentreren op zijn partij. Niet omdat er nu teveel tegelijk gebeurt, nee: hij hoort opeens muziek! Het probleem is dat hij intussen moet lezen en spelen wat er voor zijn neus staat. Maar dat zegt hem niets. Met veel moeite komen we er desondanks doorheen en dan duwt hij mij snel opzij: hij speelt onmiddellijk vrijwel vlekkeloos met twee handen wat ik zo net als begeleiding speelde, een bas met op de afterbeat een akkoord, en het zijn leuke akkoorden al zeg ik het zelf, niet de meest voor de hand liggende. Maar zijn eigen partij, bestaande uit een stukje met alleen een d, e en f, krijgt hij nauwelijks voor elkaar. Het notenbeeld is voor hem nog steeds een beetje abracadabra. Ik heb nu toevallig deze week drie dagen achter elkaar met hem kunnen werken en ik zie enkele lichtpuntjes. Het ging vandaag opvallend veel beter dan gisteren. Desondanks ben ik nu al bang dat de orgelmethode waar hij nu zijn eerste oefeningen uit haalt waarschijnlijk voor hem niet heel goed zal gaan werken. Maar misschien weet zijn leraar het voor elkaar te krijgen. Over een week heeft hij zijn eerste echte les op een prachtig orgel in een prachtige kerk. Hij verheugt er zich zo wie zo enorm op.

Hieronder een opname die ik vanmiddag maakte toen hij het Hallelujah van Händel zat te spelen. Hij heeft het stuk in de koor-orkestversie een aantal keren op youtube beluisterd. Omdat hij dat leuk vindt. De opname van mij is incompleet, want ik was te laat. Het is in dit stadium bij hem duidelijk nog een beetje zoeken. Hij gaat door tot hij min of meer op de piano terughoort wat in zijn hoofd zit. Het is een behoorlijk lang stuk. Hoe onthoudt hij het om te beginnen in godsnaam allemaal? Bij het fugato aangekomen liet hij meer weg dan eigenlijk wenselijk zou zijn, maar ja: vier melodieën door elkaar heen spelen is nog net iets te veel gevraagd. Het zou me trouwens niet verwonderen als hij dat over niet al te lange tijd ook gewoon speelt. Hoe dan ook, zijn muzikale ontwikkeling is fascinerend!

Geplaatst in kleinzoon, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Volle maan in het westen, Venus in het Zuid-oosten

Deze ochtend om 7:22 uur was de maan exact vol. Net iets eerder, even na zessen, maakte ik deze foto. Waar je bij de vorige foto van anderhalve dag eerder nog duidelijk aan de linkerkant van de foto kraters zag, zie je nu vrijwel niets meer, wat duidt op exact of bijna exact volle maan.

Ook zag ik voor het eerst sinds tijden weer Venus. Schitterend in al haar glorie. Ik maakte ook een detail-opname waarop je met name bij de oranje vlekken enigszins dezelfde details kunt zien die je ook bij de foto’s van grote telescopen kunt zien als die van de Nasa (onderste foto). Dat soort vlekken en strepen verandert voortdurend en wordt veroorzaakt door enorme stormen van gas in de giftige atmosfeer van deze gloeiend hete planeet. Venus gaat altijd schuil onder een zeer dik wolkendek van fijne druppels zwavelzuur gemengd met aerosolen en zwaveldeeltjes. In de wolken treedt een cyclus van chemische reacties op, zwavelcyclus geheten, die fotochemisch wordt aangedreven. Van bovenaf gezien zorgt dat voor een grote helderheid doordat het wolkendek veel zonlicht weerkaatst. Aan de onderkant zorgt het wolkendek voor een heftig broeikaseffect waardoor de temperatuur op Venus hoog oploopt. De zon en de nachtelijke sterrenhemel zijn dan ook nooit zichtbaar vanaf het oppervlak van deze planeet. Maar wat heb je te zoeken op deze planeet? De gemiddelde temperatuur is er met zo’n 480 °C zelfs hoger dan die op Mercurius. Het geel/oranjekleurige wolkendek draait sneller om de planeet dan zij zelf draait, waarbij er windsnelheden tot 360 km/u kunnen optreden. (Wikipedia)

Geplaatst in Astronomie | Tags: , | 1 reactie

Neowise en Antares

Vanavond (31 augustus 2020) is het vrijwel volle maan, dus ik ging zo rond half 10 met mijn camera naar buiten en maakte enkele foto’s. Maar ik richtte ook mijn camera naar het westen, daar schitterde de rode reuzenster Antares. Ik haalde het geheel met de zoom wat dichter bij. Wat schetst mijn verbazing, daaronder, dat leek wel een komeet! Thuis ging ik het opzoeken. Ja hoor, Precies de goede tijd, precies de goede plek om Neowise nog een keer te kunnen zien. En hij staat op de foto!

De foto is gemaakt om 21:28 uur, vlak voor de beste waarnemingstijd. Mazzel!
Hieronder de volle maan boven de Lek. ook altijd mooi.

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , | 3 reacties

Trier in de middeleeuwen

Aan het einde van de vijfde eeuw was er niets meer over van het ooit zo bruisende stadsleven in Trier en was het aantal inwoners dramatisch gedaald. Maar we zien desondanks nog steeds op lijsten de namen van bisschoppen die zonder onderbreking elkaar blijven opvolgen. Het waren de bisschoppen die het machtsvacuüm vulden en als seculiere heersers verschenen. Als grootstedelijk bisdom was Trier superieur aan de naburige bisdommen Metz, Toul en Verdun. Sinds het einde van de zesde eeuw was Trier ook weer een stad waar munt werd geslagen.

Na Karel de Grote werd het Frankische rijk in drieën gedeeld en Trier viel aanvankelijk onder het Middenrijk Lotharingen, daarna vanaf 869 onder het Oost-Frankische en later het Duitse rijk. Toen kwam de catastrofe van het jaar 882: van Witte Donderdag tot Paaszondag hielden de Noormannen er huis, de stad werd verwoest en plat gebrand.  Veel inwoners kwamen om het leven.

Het duurde een paar decennia voordat Trier van deze klap herstelde. De goede relaties tussen de aartsbisschoppen van Trier en de heersende huizen van de Ottonen en Saliërs waren daarbij behulpzaam. Trier kreeg  veel privileges. Het marktkruis dat in 958 door aartsbisschop Heinrich werd opgericht (erexit Henricus), symboliseerde het herwonnen zelfvertrouwen en markeert tot op de dag van vandaag het centrum van de stad.

Onder de heerschappij van de  Liudolfinger (919 – 1024) was het hof van de aartsbisschoppen van Trier zo een belangrijk politiek en cultureel centrum. De economie profiteerde daarvan. Maar vanaf de twaalfde eeuw  wilde de burgerij zich los maken van de benauwende beknelling van de heerschappij van deze aartsbisschoppen.  In 1301 werd er een stadsraad opgericht. Deze stadsraad streefde naar rijks-onmiddellijkheid.  De stad wilde niet meer onder de bisschop vallen. Korte tijd is dat gelukt maar na enkele tientallen jaren werd deze onafhankelijkheid al weer opgeheven. Het bleef nadien lang gisten en pas in 1583 werd het pleit definitief ten gunste van de aartsbisschop beslecht.

In 1198 ontstond het procédé dat elke nieuwe Duitse koning benoemd moest worden, en niet erfelijk de macht kreeg. Verdeeld over het Duitse rijk kwamen er zeven keurvorsten, drie bisschoppen en vier wereldlijke vorsten. Zij bepaalden samen wie de nieuwe koning zou worden. Een van deze keurvorsten was de aartsbisschop van Trier, wat veel zegt over de status van de stad. (De andere keurvorsten waren de aartsbisschop van Keulen, die van Mainz, de koning van Bohemen, de paltsgraaf van Düsseldorf aan de Rijn, de hertog van Saksen en de Markgraaf van Brandenburg.) In de zelfde tijd werd er een omvangrijke stadsmuur aangelegd, die deels die van de Romeinse muur volgde maar hooguit de helft van de oorspronkelijke oppervlakte besloeg.  In het begin van de veertiende eeuw had Trier weer ongeveer 10.000 inwoners waarmee het alsnog een van de grote steden van die tijd was.  In 1473 werd er een universiteit gesticht.

In Trier zijn er uit de middeleeuwen nog veel gebouwen bewaard gebleven. Zo is er de Romaanse dom uit de elfde/twaalfde eeuw, die gebouwd werd op de fundamenten van een Romeinse basilica.

Keizer Constantijn begon in 326 niet alleen met de bouw van zijn basiliek in Trier, maar ook met de oude Sint-Pietersbasiliek van Rome, de Graf- en Verrijzeniskerk in Jeruzalem en de Geboortekerk van Bethlehem. Waarschijnlijk werd de kerk in Trier gebouwd op de plaats van het paleis van keizerin Helena, de moeder van Constantijn. Sinds archeologische opgravingen in de periode 1992 – 1995 gaat men ervan uit, dat er sprake was van een ingewikkeld gebouwencomplex met meerdere basilieken (waarschijnlijk vier) die met elkaar verbonden waren door zalen en gangen en die tezamen een geweldige omvang hadden. In de tweede helft van de 4e eeuw werd het noordoostelijke deel van de oorspronkelijke kerk afgebroken en werd op de plaats van de huidige dom een vierkant gebouw met een 45 m hoge vieringtoren neergezet. In het midden daarvan stonden 4 bijna 12 meter hoge granietzuilen, elk ca. 65 ton zwaar. Voor het zuidwestelijke portaal van de huidige dom ligt nog een deel van een van die zuilen, die al in de eerste helft van de 5e eeuw neergehaald zijn, in de verwarring van de grote Volksverhuizing.  Met Pasen 882 werden tijdens een inval van de Noormannen de kerken van het domcomplex in brand gestoken. Onder het bewind van bisschop Egbert (977-993) begon men met een renovatie, die niet werd voltooid. Aartsbisschop Poppo van Babenberg (1016-1047) voltooide deze renovatie. Bovendien kreeg de dom toen zijn thans nog bestaande westwerk: een apsis en twee romaanse torens, met op de uiterste hoeken ronde traptorens. Het is de oudste westfaçade met een dwerggalerij. Het westwerk van de dom bestaat uit vijf symmetrische delen, waaronder vier torens. Het dateert grotendeels uit de 11e eeuw (Salische tijd). De apsis van het westkoor was in 1196 het laatste onderdeel dat voltooid werd. De Latijnse inscriptie boven het uurwerk aan de hoogste westwerktoren luidt: NESCITIS QVA HORA DOMINVS VENIET (“Je kent het uur niet waarop de Heer zal komen”). Het oostkoor wordt enigszins aan het zicht onttrokken door de barokke kapel, waar de Heilige Tuniek wordt bewaard. Aan de buitenzijde is het Romeinse metselwerk van de oorspronkelijke rechthoekige basilica uit de vierde eeuw nog goed zichtbaar.

De kerk bezit drie kerkorgels. Het hoofdorgel, een zogenaamd zwaluwnestorgel, lijkt oud maar dateert uit 1974.

De gotische kloostergang ontstond tussen 1245 en 1270 en verbindt de Dom met de Onze-Lieve-Vrouwekerk. In het westelijk deel, waar ooit de kanunniken begraven werden, bevindt zich de wijbisschopskapel.

Aan het einde van de kloostergang bevindt zich een deur die naar de OLV kerk leidt (Liebfraukirche). Boven deze deur is de oudste afbeelding van deze kerk te zien, een timpaan uit 1180. Deze doet me erg denken aan vergelijkbare timpanen in de Servaaskerk van Maastricht. We zien Maria, de patrones van de Liebfraukirche waar de poort naar toe leidt, Christus in het midden en rechts Petrus, de patroonheilige van de Dom.

De Onze- Lieve-vrouwe kerk, Liebfraukirche is gebouwd in de dertiende eeuw. Aartsbisschop Diederik van Wied begon rond 1230 met de bouw van deze kerk. De voorganger van de kerk, een Romeins gebouw uit de tijd van keizer Constantijn de Grote, was zo bouwvallig geworden dat het gesloopt moest worden. Om de reusachtige dubbelkerk met de Dom in stand te houden werd de nieuwe kerk gedeeltelijk op de fundamenten van de oude gebouwd. Rond 1260 was de kerk voltooid. De bouwmeester van de kerk was afkomstig uit de Champagnestreek. Daar werkte aan de hooggotische kathedraal van Reims een zeer groot aantal ambachtslieden samen. De bouwstijl en de stijl van het beeldhouwwerk die deze bouwloods daar toepaste, waren zeer invloedrijk. Veel kerken door heel Europa die in deze periode gebouwd werden namen de stijl van de kathedraal van Reims over. De kerk behoort daarmee tot de oudste Duitse voorbeelden van de Franse Gotiek.

Hierboven zien we de hoofdingang, versierd met enkele beelden en een timpaan. Het sterk verweerde beeldhouwwerk in het timpaan toont episodes uit de jeugd van Christus. In het midden zien we de Maagd Maria. Op haar schoot heeft zij het pasgeboren Jezuskind en onder haar linkervoet vertrapt zij een draak. Links van hen bevinden zich de drie koningen. De voorste van hen is geknield en laat zijn kroon rusten op zijn knie. Achter hem wijst de tweede koning op de ster die hen de weg gewezen heeft. Helemaal links bevindt zich de scène van de verkondiging aan de herders. Rechts van Maria wordt de presentatie van Jezus in de tempel verbeeld. Helemaal rechts is de episode van de kindermoord van Bethlehem te zien. Aan weerszijden van de deuropening bevinden zich op een sokkelzone zes vrijstaande figuren. Van binnen naar buiten zijn dit links Adam en rechts Eva, links Andreas (met net) en rechts Johannes de Evangelist (met een met slangen gevulde gifbeker), links de personificatie van de kerk en rechts van de synagoge (Ecclesia en Synagoge). Deze beelden zijn replica’s, de originelen bevinden zich in musea.

Vlakbij de Dom en Liebfraukirche staat ook de parochiekerk St. Gangolf uit 958 die in de vijftiende eeuw is herbouwd. Deze kerk is de markt- en stadsparochiekerk en is gewijd aan de heilige Gangolf of Gangulfus.

Andere kerken: in de middeleeuwen was heel belangrijk de pelgrimskerk St. Matthias (kloosterkerk van een benedictijner abdij) waar het gebeente van de apostel Matthias als relikwie wordt vereerd . Ook het tussen 1936 en 1939  gereconstrueerde klooster van Simeon bij de Porta Nigra was belangrijk voor pelgrims. Behalve het gebeente van Matthias hadden al in de middeleeuwen veel kerken belangrijke reliquiën.  De dom had de tuniek van Christus, de botten van de arm van sint Anna,  en nog veel meer relikwiën zoals de beenderen van de eerste bisschop van Trier, Maternus.

Ook zijn er nog een aantal wereldlijke gebouwen uit de middeleeuwen bewaard gebleven zoals het oude raadhuis (Steipe), nu restaurant en speelgoedmuseum uit de vijftiende eeuw.

In de stad staan verscheidene oude Patriciërshuizen met een torentje, zoals het door een schepenfamilie bewoonde driekoningenhuis. Oorspronkelijk heette het “Zum Saülchen”. De fassade dateert van 1230 en is in laat Staufische stijl, de laatste Staufische Duitse keizer, Frederik II, stierf in 1250. Ook de gerestaureerde kleuren horen bij die stijl. Het hele huis is in 1938 en 1973 gerestaureerd.

In de Judengasse 2 staat de oudste bewaard gebleven woning van een joodse familie van heel Duitsland, gebouwd in 1311. Trier trok veel joden aan: al in de 11e eeuw was er een joodse gemeenschap in Trier, die in het midden van de 14e eeuw ongeveer 300 leden telde. De Joodse wijk met een synagoge en een ritueel bad (“mikveh”) bevond zich in het stadscentrum in de onmiddellijke nabijheid van de grote markt. In 1349 werd de bloeiende joodse gemeenschap echter plotseling opgeschrikt  door een pogrom in verband met de pestepidemie in Europa. In 1418 werden alle joodse inwoners uit Trier verdreven.

In de stad zijn uiteraard ook allerlei mooie gebouwen uit later tijden te zien. Ik beperk me tot het aartsbisschoppelijk paleis dat staat achter de Romeinse basilica (nu Lutherse kerk). De bisschoppen resideerden eerst in die oude basilica, maar vlak voor de Franse tijd lieten ze een nieuw paleis bouwen in Rococo-stijl.

Zie ook: Trier in de Romeinse tijd

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , | 3 reacties

Onbevangen

Mijn oudste kleinzoon groette met strakke blik in het bos enkele voorbijgangers.
-‘U weet dat u goed afstand moet houden? Wij zijn nu bezig met de appels, maar intussen moet de rest ook goed gaan in Solor.’
Hij was in de rol van burgemeester. Dezelfde blik had hij nu al meer dan een halve dag, binnen, in zijn eentje, buiten naar anderen toe. De voorbijgangers die hij toe sprak keken ietwat bevreemd maar groetten hem vriendelijk terug. Ik groette hen ook en babbelde met hen over de grote hoeveelheid  appels die hier onder de bomen lagen.
-‘Ja, dat komt waarschijnlijk door de storm van gisteren.’
In het Loetbos zijn op diverse plekken fruitbomen geplant in het verleden. Appelbomen, perenbomen.

Ik vroeg mijn kleinzoon even later toen de mensen weer verder waren gelopen:
-‘Denk je dat die mensen weten wat Solor is? En dat jij burgemeester bent?’
Hij keek me aan en ik zag hem nadenken.
-‘Voor jou is dat heel vanzelfsprekend, en ík weet dat ook, maar andere mensen weten dat niet. Dit zijn vriendelijke mensen. Maar er zijn ook mensen, vooral kinderen, die daar niets van snappen en die je dan misschien gaan uitlachen.’
Hij zei niets en nam het voor kennisgeving aan. Even later zat hij weer midden in zijn rol. Zijn twee jaar jongere broertje snapt dat wel. Hij zal nooit zomaar wildvreemde mensen aanschieten. Hij snapt dat die dat niet begrijpen wat ze lopen te fantaseren. Heel soms speelt hij met zijn broer mee, maar meestal niet en is hij het snel zat. Gelukkig vindt hij appels verzamelen leuk. Hij wil wel heel graag samen spelen met zijn broer maar hij wil meestal heel andere dingen dan hij. Zijn zusje van ruim drie jaar jonger speelt wel heel vaak met haar oudste broer mee. Vooral als er verkleedpartijen aan te pas komen.
-‘Stop, stop! Dit is echt genoeg!’
We namen meer appels mee dan ik dragen kon…

In deze laatste vakantieweek is hij drie keer bij ons, grootouders, geweest. De laatste dag was hij er alleen. Hij was ambtenaar van de burgerlijke stand en had een deftig jasje aan. Hij organiseerde in de woonkamer een soort ontvangstruimte van het stadhuis. Met een tafel, aan een kant twee stoelen, een voor de bruid en een voor de bruidegom, aan de andere kant een stoel voor hem zelf. Op de tafel lag op zijn plek een officieel document waar hij van alles op had geschreven. En vlak voor de plaats van bruid en bruidegom lagen twee door hem gemaakte trouwboekjes. Met voor de twee leden van het bruidspaar, keurig ernaast, een pen. Heel lang speelde hij daar in zijn eentje, maar toen oma thuis kwam had hij een compleet toekomstig echtpaar tot zijn beschikking.
-‘Opa en oma, willen jullie trouwen?’
We keken elkaar aan, zo van, waarom niet? Hij ging klaar zitten achter zijn stoel en wij moesten gearmd binnen komen lopen. We zetten snel een hoed en een pet op. Intussen neurieden we de bruiloftsmars en marcheerden richting onze plaats.
-‘Neem plaats’.
Hij had op zijn papier opgeschreven wat hij allemaal moest zeggen. Dat had hij gehoord bij een filmpje van de trouwerij van Willem-Alexander en Maxima in de Beurs van Berlage. Hij las het plechtig voor. Heel knap, met talrijke archaïsche woorden. Uiteindelijk mochten we elkaar de rechterhand geven, elkaar een ring omdoen (hij had twee ringen in een doosje klaar liggen), en mochten we elkaar kussen. Maar het was nog niet afgelopen! We moesten ook nog voor de kerk trouwen. De kerk is in het halletje in ons huis waar een mooie lamp hangt en waar een hoog portaal is. Nu improviseerde hij zijn tekst. Op het moment suprême, toen hij ons ging zegenen, moesten we knielen. En nu waren we dan echt helemaal getrouwd.

’s Middags, een tijd eerder, was hij carillon-speler. Ik was met hem in de speeltuin van Bergambacht, maar dat was nu een groot kerkgebouw, de kerk heette de “Sint Clibberskerk” van Bergambacht, in het land Solar. (Nu met een a, maar je spreekt uit Solor. Dat krijg je met vreemde talen. Zoals je ook de sint Clibberskerk uitspreekt als Sint Clubberskerk).  Allerlei onderdelen van de speeltuin waren onderdeel van de kerk, er was een orgel, er waren grote klokken en er was dus een carillon. Vier schommels hield hij zwaaiende en intussen maakte hij het geluid van diverse samen beierende klokken. Op het orgel klonk de toccata in D mineur van Bach. En: op het carillon klonk de meest wonderlijke muziek, die uitliep op twee coupletten (instrumentaal) van het Wilhelmus. Alle geluiden kwamen uit zijn stem maar intussen sloeg hij als een bezetene op de ringetjes die als carillonbelletjes dienst deden. Het carillon had ook een pedaal dus ook zijn voeten deden driftig mee. En af en toe versterkte hij de galm door op een soort registerknop te drukken. Wat een heerlijke fantasie! In het verleden serveerde zijn zusje hier nog wel eens ijsjes, (‘Wie wil er een ijsje?’) maar nu was het een godsdienstige plek.

En hij was er alleen met zijn opa en dus vond niemand het vreemd. Compleet onbevangen was hij een kerkmuzikant. En de muziek klonk best wel goed..

Op de terugweg hoorden we een sirene. Als burgemeester was hij de baas van de politie. Hij hield zijn personeel nauwgezet in de gaten maar hij zag vanuit de dienstauto dat ze hun werk goed deden.

De volgende week gaat hij weer naar school. Dan is hij geen ambtenaar van de burgerlijke stand meer, dan is hij geen burgemeester meer, en dan is hij ook geen muzikant meer. Het echte leven gaat weer beginnen Met twee nieuwe juffen. Die zijn dan de baas. Hij blijft onbevangen, maar hoe ouder hij wordt, hoe vreemder zijn leeftijdsgenoten het zullen vinden. Ik houd eerlijk gezegd een beetje mijn hart vast. Gelukkig kennen de kinderen in zijn klas hem al. En hopelijk krijgt hij genoeg ruimte om zich zelf te kunnen blijven. Maar het zal hoe dan ook erg wennen zijn.

Geplaatst in kleinzoon | Plaats een reactie

Trier in de Romeinse tijd

Korte tijd geleden waren we in Trier. Een stad waar veel over te vertellen valt. In dit artikel beperk ik me voornamelijk tot “Trier in de Romeinse tijd”, wat overigens waarschijnlijk ook de belangrijkste periode was voor de stad. Gedurende een bepaalde tijd was Trier zelfs de hoofdstad van het West-Romeinse rijk. Er zijn nog veel Romeinse sporen terug te vinden. In een volgend artikel zal ik ook de middeleeuwse tijd bespreken. De tekst van dit artikel is grotendeels ontleend aan de Duitstalige wikipedia. De foto’s, met uitzondering die van de Romeinse brug en die van het forum, heb ik zelf gemaakt.

Rivieren zijn belangrijke aders voor de handel en op bepaalde plekken ontstaan dan ook al vroeg steden. Trier ligt in een wijde bocht van de Moezel waardoor zich tussen de rivier en de omliggende hoogte van de heuvels van de Hunsrück een breed gebied bevindt, dat nooit last heeft van hoog water. Het is het grootste nederzettingsgebied in de verre omgeving. De ligging van de rivier is al duizenden jaren vrijwel gelijk gebleven, de condities dus ook. Beken als de Olewiger Bach, de Aulbach en de Aveler Bach zorgen voor direct vers water in Trier. Toen de Romeinen er kwamen stichten zij er rond 20 voor Christus een stad, die ze net als bijvoorbeeld Autun vernoemden naar de Romeinse keizer van die tijd: keizer Augustus. De stad heette toen Augusta Treverorum. Treveri is de naam van de Keltische stam die in die omgeving woonde, met nederzettingen behalve in Trier ook in bijvoorbeeld Luxemburg.

Nog voor het begin van de jaartelling kwamen er omvangrijke bouwwerken tot stand zoals een deel van de ommuring. In 17 voor Christus is er een brug gebouwd over de Moezel. Deze was van hout. Tussen 144 en 155 na Christus is hij op een iets andere plek opnieuw gebouwd: Negen pijlers bestaande uit kalksteenblokken vormden de basis voor een nieuwe houten brug. Er zijn er nog zes van over. In de veertiende eeuw werd het houten gedeelte vervangen door een gemetseld stenen deel. De richels boven de pijlers geven nog aan waar het originele houtwerk zat.

Augustus deelde Gallia op in vier provincies: Belgica met als hoofdstad Reims (later Trier), Lugdunensis met als hoofdstad Lyon, Aquitania met als hoofdstad Bordeaux en Narbonensis met als hoofdstad Narbonne. Trier was vanaf het begin het financiële centrum van de provincie Belgica en later zelfs van heel Gallië. Toen in de vierde eeuw lange tijd meerdere keizers in Trier woonden was de stad de hoofdstad van heel Gallië.

Er ontstonden tal van gebouwen, zoals de thermale baden op de veemarkt rond 80 en het amphitheater rond 100. In het midden van de tweede eeuw waren de thermale baden aan de Veemarkt al te klein geworden, zodat de Barbarathermen over het gebied van verschillende “insulae” werden gebouwd. In hun tijd werden ze beschouwd als een van de grootste thermale baden in het Romeinse rijk. Onder Marcus Aurelius en Commodus werden de stadsversterkingen en daarmee de noordpoort, de Porta Nigra, gebouwd vanaf 170, wat het belang van de stad in de 2e en 3e eeuw onderstreept. De bouwwerkzaamheden kunnen verband houden met de verheffing van de stad tot de provinciehoofdstad van Gallia Belgica. Het jaartal dat Trier Reims opvolgde als hoofstad moet in ieder geval eerder dan 250 zijn. De naam porta nigra (zwarte poort) is overigens pas in de middeleeuwen ontstaan. Door verwering, vuil en stof was de lichte zandsteen bijna zwart geworden.

Al heel snel werd Trier een stad van kooplieden en handwerkslieden. In de stad werden stoffen en vooral ook veel aardewerken producten gemaakt. Ook wijn werd een belangrijk product.

Tussen 193 en 197 was er een burgeroorlog, twee Romeinse legers stonden tegenover elkaar. Trier wist de aanvallende partij buiten de deur te houden en werd daar uitvoerig voor beloond.  In de derde eeuw waren de eerste invallen van Germaanse stammen. Keulen, de hoofdstad van Germania dreigde onder de voet gelopen te worden en toen de situatie hachelijk begon te worden werd deze hoofdstad verplaatst naar het meer veilige Trier. Maar snel na de dood van keizer Aurelius in 275 werd de stad door Germaanse troepen alsnog geplunderd en deels verwoest. Desondanks herstelde de stad zich snel. Tussen 293 en 401 was Trier een van de belangrijkste plaatsen in het westen van het Romeinse rijk. Door de hervormingen van Diocletianus werd de stad zelfs de zetel van de praefectus praetorio Galliarum en daarmee het administratieve centrum van het diocees Gallië, dat het huidige West-Europa en delen van Noord-Afrika omvatte. De provincie Belgica werd opgesplitst en Trier werd de hoofdstad van een deel van Belgica.

Keizerlijke woonplaats

Tijdens de Tetrarchie koos Caesar Constantius Chlorus in 293 voor het eerst voor Trier als zijn woonplaats. Later werd de stad uitgebreid door zijn zoon Constantijn I, die tussen 306 en 324 enkele jaren in de stad verbleef. Om zijn aanspraak op de macht te consolideren liet Constantijn een monumentaal paleis bouwen naar het model van de Palatijn in Rome. Om zijn heerschappij te legitimeren liet hij zijn vader begraven in een mausoleum nabij de huidige kerk van St. Maximin.

De bouw van de Kaiserthermen begon ook in deze tijd.

Constantijns zoon Constantijn II woonde hier van 328 tot aan zijn dood in 340, de usurpator Decentius van 351 tot 353. Treveris was opnieuw de residentie van Romeinse keizers van 367 tot 388 (Valentinianus I, Gratianus, Magnus Maximus); De jonge Valentinianus II woonde hier voor het laatst rond 390. Deze hoogtijdagen kwamen ook tot uiting in de ontwikkeling van de wetenschap in deze tijd. De keizerlijke docenten Lactantius (rond 317) en Ausonius (367-388) werkten in Trier, onder Ausonius bereikte ook de universiteit van Trier haar grootste roem. Het was een van de belangrijkste scholingsinstituten in het westerse rijk, alleen overtroffen door de school in Burdigala (Bordeaux). Hoewel er enkele schriftelijke bronnen over zijn, kan een exact beeld van de school niet worden verkregen. De belangrijkste student in deze stad was Ambrosius van Milaan. Gelokt door het keizerlijk hof vestigden veel mensen zich in de stad, het inwoneraantal is waarschijnlijk al sterk toegenomen. Aangenomen wordt dat er in het midden van de keizerlijke periode ongeveer 20.000 mensen leefden. Het amfitheater, gebouwd in de 4e eeuw, kon overigens minstens 50.000, misschien zelfs 100.000 bezoekers herbergen, maar in beide gevallen kan niet worden gezegd of bij de planning van deze gebouwen rekening is gehouden met de bevolking van de omgeving. Maar ook in deze welvarende 4e eeuw zullen er nauwelijks meer dan 100.000 mensen in Trier hebben gewoond; Anderen gaan er zelfs van uit dat zelfs in de late oudheid een bevolking van meer dan 30.000 mensen in dit gebied nauwelijks zou kunnen worden gevoed. Na het vertrek van het keizerlijk hof en de Praetoriaanse prefectuur in het begin van de 5e eeuw is het inwoner aantal waarschijnlijk snel gedaald tot wellicht niet meer dan 10.000 mensen.

Aan de rand van de stad, voornamelijk in het zuiden en dicht bij de Moezel, waren ambachtelijke bedrijven. Voor vrachtverkeer waren zij afhankelijk van de nabijheid van deze waterweg. Deze bedrijven bestonden uit de al genoemde pottenbakkerijen, maar ook uit textielfabrieken, metaalbewerkingsbedrijven en productiefaciliteiten voor glaswerk. De woongebouwen van de stad bestonden aanvankelijk uit vakwerkhuizen. De vroegste stenen gebouwen werden gevonden in het gebied van de latere keizerlijke baden. Ze hadden in sommige gevallen prachtige meubels, mozaïeken en muurschilderingen. Na 293 n.Chr. werden ze afgebroken voor de bouw van de thermale baden. De opeenvolging van uitbreidingsfasen, aanvankelijk in houtskeletbouw, vanaf het einde van de 1e eeuw kalksteen en uiteindelijk rode zandsteen, is terug te zien in veel particuliere gebouwen, waaronder een wooncomplex bij St.Irminen welk in 1976/1977 is opgegraven. Dit omvatte ook een kleine badgelegenheid, die de typische structuur had van Romeinse baden met een koud bad (frigidarium), een lauw bad (tepidarium) en een warm bad (caldarium). In de loop van de tijd kregen de huizen een steeds meer luxe interieur met muurschilderingen, mozaïeken, opus signinum of geornamenteerde bakstenen tegelvloeren. Voor de dakbedekking werden tegels of leistenen gebruikt.

Forum en basilica

Het forum, waarvan bij opgravingen kleine delen zijn blootgelegd, bevond zich op de kruising van de legioenswegen decumanus maximus en cardo maximus. In de Vespasiaanse periode werd het forum enorm uitgebreid, zodat het zes kwadranten besloeg aan weerszijden van de oost-west-as van de stad met een afmeting van 140 × 278 m. Tijdens de uitbreiding werden enkele privé-woonwijken geëgaliseerd en werden de aangrenzende thermale baden op de veemarkt toegevoegd.

De basilica, de ontvangstruimte van de keizer, doet nu dienst als de Evangelische Kerk van de Verlosser (Konstantinbasilika). Hij werd gebouwd voor de Romeinse keizers die in de vierde eeuw in de stad woonden. Alleen nog de naamgeving “Constantijnse Basilica” herinnert aan deze tijd en aan dit doel. De eerste vroeg-christelijke kerken hadden ook de basilicavorm, een soort hallenkerk (bijvoorbeeld de Apollinaris in Classe in Ravenna). De katholieke eretitel “basiliek” is hier niet van toepassing, aangezien het gebouw nooit een katholieke kerk is geweest.

Wat gebeurde er nadien met deze keizerlijk audiëntieruimte? In de vroege middeleeuwen kwamen de uitgebrande ruïnes in het bezit van de bisschoppen van Trier. Ze hebben het omgebouwd tot een kasteel-achtig pand. In 1614 werden de zuidelijke en oostelijke muren afgebroken en de rest werd geïntegreerd in de residentie van de bisschop, het keurvorstenpaleis. In de jaren 1844 tot 1856 werd het gebouw gerestaureerd, ingehuldigd op 28 september 1856 en “voor altijd” gegeven aan de protestantse parochie, die het sindsdien als kerk heeft gebruikt. Op 14 augustus 1944 werd het gebouw zwaar beschadigd door een Amerikaanse luchtaanval en is toen volledig afgebrand. Het werd in de jaren 50 herbouwd. Het ontwerp werd teruggebracht tot stenen buitenmuren en een houten cassetteplafond.

Sinds 1986 maakt de Constantijn-basilica deel uit van het UNESCO-werelderfgoed  samen met veel andere monumenten in de stad. Het is ook een beschermd cultureel goed onder het Verdrag van Den Haag. De apsis in het noorden, de westelijke muur, overblijfselen van muren van eerdere gebouwen onder de huidige vloer en overblijfselen van Romeinse buitenschilderijen aan de west- en noordgevels zijn bewaard gebleven. De kerk bevindt zich ongeveer halverwege tussen de kathedraal en de Kaiserthermen aan de oostelijke rand. In het westen is de kerk verbonden met het Constantijnplein. In het zuiden ligt de paleistuin, in het oosten het nieuwe keurvorstelijke paleis en in het noorden het gebied van het voormalige benedenpaleis – tegenwoordig Willy-Brandt-Platz – met de rode toren en een fontein. Het is het oudste gebouw in Duitsland dat op dit moment als kerk wordt gebruikt. Het huidige uiterlijk van het bouwwerk is grotendeels het resultaat van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Overblijfselen van eerdere Romeinse gebouwen op die plaats zijn bewaard gebleven onder de huidige bodem.

De stadsmuur

De 6.418 m lange Romeinse stadsmuur omsloot een gebied van 285 hectare. In het verleden werd vaak aangenomen dat deze pas gebouwd was in de 3e eeuw toen burgeroorlogen en plunderende Germanen de steden van Gallië bedreigden. Tegenwoordig is er echter consensus dat de stadsmuur in het laatste kwart van de 2e eeuw is gebouwd. Deze datering is het gevolg van het feit dat hij delen van de plaatselijke begraafplaats bij de Porta Nigra in het noorden doorsnijdt. De laatste graven binnen de muren dateren uit het derde kwart van de 2e eeuw. (De Romeinen begroeven hun doden over het algemeen buiten de stadsmuren, dus de graven moeten ouder zijn dan de muur.) Kleine vondsten in de muur wijzen op het einde van de 2e eeuw. Markeringen op de stenen van de Porta Nigra verwijzen naar keizer Marcus Aurelius (161-180) en zijn zoon Commodus (180-192). Het complex lijkt klaar te zijn geweest toen de troepen van Clodius Albinus de stad in 195 zonder succes aanvielen. De muur is gebouwd als typisch Romeins gietmetselwerk. De kern bestond uit leisteen, kleine stenen en veel mortel, terwijl zand- of kalksteenblokken de buitenste delen vormden. De hoogte van de loopbrug kan worden gereconstrueerd op 6,2 m met behulp van de bewaarde muuruitgangen bij de Porta Nigra. De breedte in het gebied van de fundering was maximaal 4 meter, aan het einde slechts 3 meter.  Regelmatig werden ronde torens toegevoegd, meestal aan de uiteinden van de straatlijnen. De in totaal 48 of 50 torens van de stadsmuur van Trier sprongen aan beide kanten gelijkmatig uit de muur. Latere Romeinse vestingwerken hadden daarentegen meestal torens die ver naar buiten staken, waardoor de zijmuurgebieden beter konden worden beschermd en aanvallers bij het kruisvuur konden worden opgevangen. Ook de vorm van de torens suggereert dat het gebouwd is in de late 2e eeuw.

Modern onderzoek gaat er meestal van uit dat de stadsmuur van Trier – net als die van veel andere Romeinse steden in de overwegend vreedzame 1e en 2e eeuw – niet werd gebouwd om te reageren op een specifieke dreiging; hij had niet zozeer een militaire functie dan wel dat hij diende als prestigeproject, bedoeld om het belang van de plaats te onderstrepen. Alleen in het noorden en langs de Moezel zijn kleinere delen van de muur geïntegreerd in de latere middeleeuwse stadsmuur (schietloopgraaf, bij de vakschool; kelder van het huis aan de Schützenstrasse 20, van buitenaf zichtbaar). In de zuidelijke delen is de muur uitgegraven tot aan de fundering. De stadsmuur had in totaal vijf poortgebouwen, waarvan sommige, zoals de Porta Nigra, zeer uitvoerig waren ontworpen en bij de bouw al anticipeerden op het latere wijdverspreide type poortkasteel. De zuidelijke poort (Porta Media) tegenover de Porta Nigra werd in de middeleeuwen afgebroken en daarom zijn alleen de fundamenten ervan bekend. De westpoort op de Moezelbrug werd in de middeleeuwen nog gebruikt en heette toen Porta Inclyta (“beroemde poort”). Vanuit het oosten kwam men de stad binnen via een poort ten zuiden van het amfitheater, die als zij-ingang werd gebruikt. Aan het einde van de 4e eeuw werd een zuidoostelijke poort toegevoegd, Porta Alba genaamd sinds de middeleeuwen. Bij de bouw waren de royale vestingwerken ontworpen om verder te groeien, zoals blijkt uit de vele open ruimtes in de meer perifere gebieden. Vanuit militair oogpunt had de muur echter weinig nut. Het gebouw hoefde zich in de eerste 200 jaar van zijn bestaan nauwelijks te bewijzen – de enige bekende uitzonderingen zijn de aanval van 195 en de Frankisch-Alemannische aanval rond 275. Bij de laatste kon de muur de aanvallers niet tegenhouden. In de 5e eeuw was het eigenlijk nauwelijks mogelijk om de stad effectief te verdedigen. Tegen de aanval van de vandalen als gevolg van de oversteek van de Rijn in 406, kon de overgebleven bevolking van de stad zich alleen beschermen door zich te verschuilen in het amfitheater.

Porta Nigra

De bouw die onder keizer Marcus Aurelius was begonnen, werd nooit definitief voltooid. Zo zijn de gaten voor de scharnieren van de poorten wel al voor-gemonteerd. Maar de nokken van het onafgewerkte blok steken nog steeds uit in de rotatie-as van de poorten, zodat er nooit een beweegbare poort kon worden geïnstalleerd.

Zelfs voor het ongetrainde oog maakt de porta een onvoltooide indruk, zo zijn de halve kolommen op de gevel aan de landzijde in hun ruwe staat gelaten. De gaten die middeleeuwse metaalrovers achterlieten toen ze de ijzeren beugels en loden gietstukken uit de constructie braken voor hergebruik, versterken deze indruk. Voor de constructie werden in totaal ongeveer 7200 stenen blokken gebruikt, waarvan de grootste tot zes ton weegt.

De Byzantijnse monnik Simeon, afkomstig uit Sicilië, vestigde zich na 1028 als kluizenaar in het gebouw. Naar verluidt had hij zich daar laten inkluizen. Na zijn dood in 1035 werd hij op de begane grond begraven. De aartsbisschop van Trier, Poppo, kreegin hetzelfde jaar zijn heiligverklaring door de paus voor mekaar. Ter ere van de heilige bouwde hij het Simeonklooster en herbouwde de poort naar de dubbelkerk waarin Simeon beneden werd begraven. Sommige van de overgebleven kloostergebouwen dateren uit 1040. Er werden twee kerkkamers boven elkaar aangelegd, waarvan vandaag de dag nog een apsis te zien is. De orgelkamer van de bovenkerk op de westtoren is nog goed zichtbaar. Omdat er maar één toren nodig was om de kerk te gebruiken, werd de tweede torenconstructie van de Porta Nigra afgebroken. De functie van de stadspoort werd overgenomen door de “Simeontor”, die in het oosten direct aansluit op de Porta Nigra. Deze poort, die klein is in vergelijking met de Porta, werd beschermd door de hoge vestingstoren uit 1389, de zogenaamde Ramsdonkturm.

Napoleon liet de kerk en het klooster in 1802 opheffen. Tijdens zijn bezoek aan Trier in oktober 1804 gaf hij opdracht om de kerkuitbreidingen te ontmantelen. Van 1804 tot 1809 werd het middeleeuwse gebouw gestript. De Pruisen voltooiden de sloopwerkzaamheden van alle latere toevoegingen vanaf 1815, zodat de Romeinse poort nu weer te zien is. Alleen het onderste deel van de middeleeuwse apsis bleef staan om redenen van monumentenzorg. Na voltooiing van het werk deed het gebouw dienst als het eerste museum van oudheden in Trier.

In de jaren 1870 werden de stadsmuur en werden bijna alle middeleeuwse stadspoorten afgebroken, inclusief de Simeonpoort. Op 11 september 1979 werd de Porta Nigra symbolisch bezet door tegenstanders van kernenergie. In 1986 werd de poort toegevoegd aan de UNESCO Werelderfgoedlijst, samen met andere Romeinse culturele monumenten in Trier en omgeving.

Amphitheater

Onder de arena bevond zich een soort kelder, die tot op de dag van vandaag bewaard is gebleven. Hier waren liften om de acteurs te laten optreden. Het was daarom niet mogelijk om de arena met water te laten overstromen. Het amphitheater maakte deel uit van de Romeinse stadsmuur en bevindt zich onder de Petrisberg. Een van de redenen waarom het amphitheater op Petrisberg werd gebouwd, was dat vanwege de hellingen van de Petrisberg slechts de helft van de muur hoefde te worden gevuld met aarde voor de tribunes. Het is op het noorden georiënteerd en heeft een noord- en een zuid-uitgang. Dieren of artiesten konden snel worden binnengebracht via een verborgen lift in het midden van de arena. Nadat het theater in de tweede helft van de 2e eeuw na Christus was gebouwd, werd het al snel onderdeel van het dagelijkse leven van veel inwoners van Trier. Daar boden lokale hoogwaardigheidsbekleders, keizerlijke functionarissen en, in de late oudheid, enkele persoonlijk aanwezige keizers de burgers brood en spelen aan: dierenjachten (venationes) en gladiatorengevechten beslisten over leven en dood, executies vonden er plaats en er werden belangrijke aankondigingen gedaan. Het amphitheater had ook nog een andere functie – het diende als oostelijke stadspoort van Trier. Na het einde van het West-Romeinse rijk (5e eeuw) werd het, net als veel andere gebouwen in Trier, in de middeleeuwen als steengroeve gebruikt. Tot in de 19e eeuw noemde de bevolking het complex een Kaskeller (kaaskelder) en schreef het deze naam ook op stadsplattegronden. Pas in de 19e eeuw, toen wetenschappelijk onderzoek en restauratie begon, verdween deze naam, die waarschijnlijk teruggaat tot het gebruik van de ondergrondse kamers van het amphitheater als opslagkelder Het houten plafond boven de arenakelder is in 1992-1993 om bouwkundige redenen vernieuwd. Voor toekomstige culturele evenementen is een infrastructuur voor elektriciteit, water en riolering aangelegd. In de zomer zijn er rondleidingen door het amphitheater, waarbij een acteur in de rol van gladiator Valerius vertelt over zijn carrière als gladiator. Concerten, musicals en andere evenementen worden er zelden gehouden.

Einde Romeinse tijd

Door de aanwezigheid van administratief en militair personeel, de rechtbank en de munt nam het belang van Trier in de 4e eeuw toe. In het gebied rond de stad werden verschillende paleisachtige villacomplexen gebouwd, die worden toegeschreven aan de keizerlijke familie of hoge ambtenaren, zoals het Palatiolum in Trier-Pfalzel.  Waarschijnlijk rond 402, een paar jaar na de overdracht van de rechtbank aan Mediolanum en de dood van Theodosius I (395), werd ook de Gallische Praetoriaanse prefectuur verplaatst van Trier naar Arles (uiterlijk 418). Met de terugtrekking van deze belangrijke economische factoren begon het definitieve verval van de eens zo belangrijke Romeinse stad. Alleen het bisschoppelijk bestuur bleef over, waarmee het christendom de drager werd van de continuïteit van de Romeinse cultuur, gesteund door de nog steeds invloedrijke Gallo-Romeinse bovenlaag. Na meerdere vernielingen en plunderingen viel de stad uiteindelijk rond 480 in handen van de Franken.

Over de genoemde Romeinse objecten maar ook over andere kun je nog veel interessante details lezen op livius.org, een van de sites van Jona Lendering. De daar bijgevoegde stadskaart is ook erg handig om alles precies te lokaliseren. Via onderstaande link zie je centraal op die kaart de basilica. Door rechts een ander object aan te klikken beweegt de kaart naar dat object.

https://www.livius.org/articles/place/augusta-treverorum-trier/trier-photos/trier-basilica/

Zie ook: Trier in de Middeleeuwen

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

Gevoel en verstand

Als een kind geboren wordt voelt het van alles en dat wordt ook onmiddellijk hartstochtelijk geuit: heb je pijn, heb je honger, staat de zon in je gezicht: je gaat huilen, huilen of je leven er van af hangt. Als het kindje ouder wordt snapt het steeds beter dat bepaalde gevoelens vervelend zijn maar dat daar weinig aan te doen is. Soms is het gewoon erg warm bijvoorbeeld. En je hebt geen zin in opruimen, dan ga je niet huilen maar je moppert hooguit even of denkt “shit” en gaat het doen in de wetenschap dat dat erbij hoort. Zo gaat het verstand het gevoel steeds meer beïnvloeden.

Bij mensen met autisme werkt dat anders. In ieder geval bij mijn kleinzoon van zeven jaar. Gevoel en verstand blijven hardnekkig een eigen leven leiden. Hij weet dat als je jarig bent dat je dan cadeautjes krijgt. Dat geeft een fijn gevoel. Van de gedachte aan een cadeau wordt hij blij. Zijn broertje werd vijf jaar en kreeg cadeautjes, er werd voor hem gezongen. Wat is dat vreselijk oneerlijk: hij wilde ook cadeautjes! Je probeert het hem uit te leggen, van te voren al: hij luistert aandachtig, lijkt ook alles te begrijpen, maar toen zijn broer van de andere grootouders cadeautjes kreeg was hij boos en moest hij huilen: hij wilde ook cadeautjes. Ook als hij zelf een keer een cadeau krijgt dat hem niet interesseert dan begint hij te gillen en is hij boos. De gevoelens van de gevers doen er niet toe. Hij is dan een en al gevoel en emotie en moet en zal dat uiten. Tot wanhoop van zijn ouders.

Hoe ga je daar als opvoeder het beste mee om? Natuurlijk blijf je het hem ook uitleggen, maar nog belangrijker is het om iets te doen met dat gevoel van hem. Hij mag best even huilen, maar hij moet er niet in blijven hangen, dus al snel afkappen. Beslist zeggen: “stoppen!” Dat helpt en dan onmiddellijk vriendelijk doch beslist de emotie verplaatsen naar een andere positieve emotie, iets dat hij leuk vindt of graag doet. Gisteren bij de picknick nam ik hem mee naar het strandje en ging met hem een kasteel bouwen. Daar had hij het al even eerder over gehad, welnu: dit was dan het moment om dat te gaan doen. En gelukkig: het werkte, hij ging mee en we gingen bouwen, het werd snel weer een uitgebreide fantasie van hem waarin hij zich helemaal kwijt kon. Tot een enorme stortbui met windvlagen roet in het eten gooide. Ik had het nog over de organisatie van het reddingswerk maar toen was de regen al zo hard dat we echt moesten vluchten.

Het was al snel daarna weer mooi weer. We waren naar een gelegenheid toe gereden, er was een springkussen. En er waren meer kinderen. Meer dan een half uur heeft hij lekker uitbundig gesprongen, hij straalde een en al blijdschap uit. Maar ook daar kwam uiteraard een einde aan. De meeste mensen kwamen van ver en wilden weer naar huis. Dus we gingen naar de auto. Dat wilde hij niet. Ik was nog bij het springkussen en kondigde aan: nog vijf minuten. Nog steeds wilde hij niet. Nu was ik onverbiddelijk. ‘Aan alles komt een einde, dat hoort erbij. En nu gaan we naar huis’. Zijn broertje en neefje kwamen onmiddellijk en toen kwam hij dan ook maar. En daarna volgde dan onverbiddelijk het eeuwige afscheid nemen van alle opa’s, oma’s, tantes. ‘Ik ga je missen’. Natuurlijk is dat zo, hij vindt het allemaal nu veel te gezellig. Maar ook dat hoort erbij. Gelukkig bleven de enorme huilpartijen nu uit. Zonder veel discussie en na enkele knuffels werd er vertrokken. Ik denk dat hij na thuiskomst is gaan tekenen of orgel is gaan spelen.

Ik denk op dit moment gelijk al weer een beetje weemoedig aan hem. Hij had net een nachtje bij ons geslapen. Alles is bij hem zo puur. Blijdschap en verdriet. Maar dat verdriet gaat vaak ten koste van anderen, in dit geval ten koste van de blijdschap van zijn jarige broer. Die het trouwens aardig goed snapt. Toen de oudste zei: ‘Mag ik met jouw speelgoed spelen?’ antwoordde hij zonder enige aarzeling: ‘natuurlijk!’ Omgaan met dit alles blijft voor broer, zus, ouders en andere opvoeders lastig. Maar die ochtend nog was hij zijn land Solor gaan inspecteren, als bisschop. Er was een tractor bezig met riet te maaien. Dat gebeurde uiteraard in opdracht van de bisschop en de knecht werd vriendelijk begroet. Er ontstond weer een mooi breed pad, net zoals de bisschop dat wilde. De opdracht werd goed uitgevoerd. En bij de zee waaide het, maar het strand lag er goed bij.

Geplaatst in kleinzoon | Tags: , | 1 reactie

Na regen komt zonneschijn

Vijf en twintig jaar geleden ging ik vaak met de bus naar mijn werk. In die bus kwam je allerlei mensen tegen. Zo was er het filosoofje. Ik stond een keer met haar samen op de bus te wachten en probeerde een gesprekje te openen. Zij was nog jong, nog geen twintig denk ik. Ik merkte gelijk dat er iets met haar aan de hand was, ze was verlegen maar er was meer dan dat. Ze bleek filosofie te studeren en ging nu naar college. Toen ik haar weer tegen kwam ging het gesprek al iets verder: ze vertelde dat ze zich ergerde aan sommige buschauffeurs die veel te hard reden op de dijk. En zo sprak ik haar nog enkele malen. Later hoorde ik van mensen uit de buurt dat ze autistisch was. Ik wist van dat fenomeen nog niet zoveel, maar haar toch wel enigszins vreemde gedrag zou daar wel eens mee te maken kunnen hebben, dacht ik zo.

Vlak bij ons woont nog een autist. Althans dat denk ik. Hij is al bijna tachtig jaar oud schat ik. Ook hij lijkt erg verlegen. Hij woonde tot voor kort in het huis waar hij geboren is en hij schijnt, totdat hij twee jaar geleden verhuisd is nooit in een ander huis gewoond te hebben, nee zelfs nooit ergens anders geslapen te hebben. Nu woont hij vijftig meter verder. Die verhuizing, dat moet dus  een enorme stap zijn geweest. Maar zijn vorige huis staat er nog, inclusief al de spullen. Het staat inmiddels al twee jaar leeg. Het mag blijkbaar niet verkocht worden. Het blijft zo een van zijn houvasten. Af en toe gaat hij op inspectie. Dat doet hij dan met de auto. Het nieuwe huis staat zoals gezegd hooguit vijftig meter verder. Waarom  dan toch met de auto? Ik denk het te weten: te voet kom je vaker mensen tegen. Sommige mensen kent hij. Maar anderen, zoals mij, die kent hij niet. Ik ben niet in die straat geboren dus ben en blijf ik een vreemde, ook al woon ik er inmiddels al vijf en twintig jaar. Dat soort mensen, en die komen er steeds meer, wil hij niet tegen het lijf lopen. Hij heeft een vrouw, een vriend en twee honden. Dat is meer dan genoeg. Al het contact met de buitenwereld loopt via zijn vrouw. Zijn wereld is klein maar hij is er denk ik op zijn manier gelukkig in.

Maar met het filosoofje gaat het niet goed. Op een gegeven moment ging ze het huis uit en zag je haar bijna nooit meer. Wat zou ze doen? Nu is ze regelmatig weer in het huis van haar ouders. Ze gaat nog steeds met de bus. Ze stapt dan uit en loopt over de dijk. Bijna onherkenbaar, ze heeft nu het gezicht van een oude vrouw. Ze is ook nog eens erg dik geworden en ze kan bijna niet meer lopen. Zo strompelt ze dan min of meer richting huis. Ik denk dat ze zwaar onder de medicijnen zit. Mijn inschatting is dat ze het leven, zoals dat geleefd dient te worden in een stad, niet goed aan kon. Inmiddels woont ze weer dicht bij haar ouderlijk huis. Ze lijkt me desondanks nog steeds erg ongelukkig te zijn.

Autisme heb je in allerlei soorten en maten. Maar het schrikbeeld van het filosoofje, dat wens je niemand toe. Wat zou haar gelukkig hebben kunnen maken? Waar zou het fout gegaan zijn? Ik ken haar moeder niet. Haar vader is inmiddels overleden. Ik krijg er een tragisch gevoel bij. Iemand die zo slim is dat ze naar de universiteit kan gaan, maar uiteindelijk nergens kan functioneren.

Mijn oudste kleinzoon  van zeven jaar is ook autistisch. Hij is drie weken op vakantie geweest met zijn ouders, broertje en zusje. Naar  Frankrijk, naar een land dus waar naar zijn gevoel alles totaal anders is. Hij was drie weken lang diep ongelukkig en werd pas weer blij toen hij hoorde dat ze weer terug naar Nederland zouden gaan. Gisteren wilde hij heel graag bij opa en oma zijn. En kijk: hij was de hele dag weer volmaakt  gelukkig. Bij ons achterom ontwierp hij een stad. Die stad kreeg een naam, die naam schreef hij op een bordje en erbij schreef hij nog allemaal dingen die voor buitenlanders onbegrijpelijk moeten zijn. Op het bordje stond de taal van dat land. Het was een stad in Atlantis. Vandaar het internetadres dat eindigt op AT. (Niet te verwarren met Oostenrijk…). Hij kon je wel uitleggen wat er stond, immers hij kwam uit dat land. De stad werd steeds groter,  intussen zong hij van plezier.

Ik zat te lezen en af en toe moest hij me wat kwijt over wat hij weer verzonnen had. Maar ik kon lekker doorlezen, hij ging steeds zijn eigen gang.

– ‘Opa, staan er bramen bij het strandje?’
– ‘Ja zeker, ik denk dat er nog wel wat staat. Zullen we samen zo meteen bramen gaan plukken?’

Dat vond hij een goed plan. Maar ik wilde eerst nog even wat lezen. Hij ging verder met de bouw van de stad.

Toen kwam er een onweersbui. Oma was net terug van de kapper. Er vielen dikke hagelstenen. Voorzichtig verplaatste ik met hem de stad naar een schijnbaar droge plek. En toen vluchtten we snel naar binnen. Het ging steeds meer te keer, het leek wel een wolkbreuk! O jee, de stad liep toch nog helemaal onder water. En dat niet alleen, hij werd zelfs bedolven met modder!

-‘Hoe gaan we dat oplossen?’ opperde mijn vrouw. Hij trok een mooie jas aan en was minister. De minister ging dit oplossen, samen met zijn secretaresse, mijn vrouw. Ze  maakten samen plannen: welke hulpdiensten waren er nodig, wie moest wat doen. Voortdurend liep hij weg om even te telefoneren. Hij regelde bijzonder deskundig en efficiënt wat er allemaal moest gebeuren. Alle dingen werden  tegelijk goed genoteerd en gecontroleerd, hij was voortdurend in de weer met papier. Deze minister was duidelijk iemand op wie je kon rekenen.

Ik zat intussen achter de computer en hoorde alles geamuseerd aan. De secretaresse ging naar boven,  ze moest nog wat anders doen. Dat was allemaal geen probleem voor de minister.  Hij had zoals gezegd alles in de hand.

Het was droog en de zon scheen weer. Het leek me heerlijk om even naar buiten te gaan.

-‘Zullen we bramen gaan plukken?’
-‘Nee hoor, ik moet nog het een en ander regelen. Ik heb het even te druk. Ik vind het wel jammer voor jou opa’.

OK, dan ging ik dus maar alleen. En hij bleef vermoed ik bezig met zijn organisatie. Toen ik terug kwam zat hij piano te spelen. Ik had eerder die dag een inventie van Bach gespeeld . Hij zat hem zo’n beetje na te spelen en er intussen om heen te improviseren. Ik verbaasde me weer over zijn talent.

-‘Opa, hoor je, ik kan ook die inventie van Bach spelen.’

Na het eten ging hij weer naar huis, nu was hij geen minister meer en hij was ook geen pianist. Maar hij was gewoon zichzelf, en hij was nog steeds volmaakt gelukkig. Hij viel zijn moeder om de hals.

De onweersbui was voorbij. Na regen komt steeds weer zonneschijn. Zoals er ook na de vakantie weer dingen komen  waar je blij van wordt. Als mijn kleinzoon niet blij is dan raast hij als een onstuimige onweersbui. Maar als hij wel blij is, dan maakt hij iedereen om zich heen blij, net als de zon.

Geplaatst in kleinzoon | Tags: | Plaats een reactie

Midzomer aan de Lek

Het is zwoel, het is grijs, het is een dag dat je wacht op een bevrijdende onweersbui. Maar die hebben we al gehad, de afgelopen nacht. Dat gebeurde met eerst een enorme klap, het leek wel of er een inslag was pal naast ons huis. Niet veel later begon het stevig te regenen. Dit na de warmste zomerdag tot nu toe. Ook de natuur is zwoel in deze tijd van het jaar. Veel bramen zijn al overrijp en vallen spontaan van de struik. Het riet is hoog en alles groeit nu overdadig. Bijna elke bloem wordt bezocht door een of meer insecten die je overal om je heen hoort zoemen. Het is midzomer.

Geplaatst in natuur | Tags: , , , | 3 reacties

Neowise

Toen de komeet Neowise het beste te zien was, zo’n tien dagen geleden, heb ik hem gemist. Daar baalde ik ontzettend van. Ik herinner me nog goed Hale-Bopp die in het voorjaar van 1997 een hele tijd te zien was en ik volgde hem tot het niet meer kon. Ik maakte er met mijn VHS-camera uit de hand een filmpje van.

We gingen dat jaar niet zoveel later met het vliegtuig naar Corsica. Tot mijn verbazing zag ik gelijk de eerste avond vanuit het appartement: Hale-Bopp! We waren zoveel zuidelijker dat hij daar nog steeds te zien was. En dat bleef die hele week zo.

Maar nu hebben we dan Neowise. Die is minder helder en ook niet zo lang achter elkaar goed te zien. Officieel moet hij nu nog te zien zijn maar je hebt een goede standplaats nodig. Hij is nu zichtbaar in het NNW, rechts onder de Grote Beer. Dus laag aan de horizon. Afgelopen nacht was het helder. Ik werd wakker om half 3, kleedde me aan en ging met mijn verrekijker en camera naar buiten. Het bleek toch ook een beetje heiïg. En ik wist al dat de kans om hem te zien niet meer zo groot was. Maar ik gaf niet op. Wetend waar ik zoeken moest vond ik hem met de verrekijker. Wat een nietig onscherp object! Maar goed, ik heb Neo-Wise gezien. Zou ik hem ook op de foto kunnen krijgen? Het was donker, ik had geen zaklamp of mobiel bij me en zat te kloten met de instellingen van mijn camera. Slechte voorbereiding dus. En ik had al een heel stuk moeten lopen om enigszins voorbij het felle licht van de lantaarnpalen op de dijk te zijn. Uiteindelijk kreeg ik hem er toch nog enigszins op. Net boven de boom steekt hij zijn staart omhoog, iets naar links gericht. Zoals ik het ook zag door de verrekijker.

Toen dacht ik: ik ga de andere dingen bekijken die er te zien zijn. Jupiter en Saturnus (en Pluto) in conjunctie, die kon je niet missen. Het was nieuwe maan en tegelijk ook oppositiestand van Saturnus. Er was als het ware een rechte lijn te maken door de aarde heen van Saturnus naar de zon en de maan.

En natuurlijk Jupiter met zijn manen. Van links naar rechts Callisto, Io en Europa. De grootste maan, Ganymedes, bevond zich sinds enkele uren net achter Jupiter en was dus niet te zien. Het blijft een klein wonder dat je als je het eenmaal weet deze manen zo goed kunt zien met de telelens.

In het OZO stond Mars, helemaal rood. Dat rood kwam vreemd genoeg niet op de foto, nu was het slechts een normaal vlekje. Ik keerde mijn hoofd terug richting het noorden, naar de Grote beer. Zoef! Daar schoot aan de westelijke hemel, net toen ik me aan het omdraaien was, van zuid-naar noord een opvallende meteoriet door de lucht, een prachtige “vallende ster” dus. Ik maakte nog een foto van het gebied rond de Grote Beer en luisterde nog een tijdje naar het gekwaak van de kikkers.

Eigenlijk wilde ik nog opblijven tot zonsopgang. Maar dat zou nog enkele uren duren en ik begon het een beetje koud te krijgen. Maar het was een heerlijk stukje nacht. Én: ik heb Neowise gezien!

Geplaatst in Astronomie | Tags: , , , , | 1 reactie

Orgelles

Spannend! Mijn oudste kleinzoon gaat les krijgen van een heel goede organist. Maar hoe gaat dat uitpakken? “Noten lezen” daar wil hij bij mij nog nauwelijks aan, en ook van letten op “vingerzettingen” wil hij weinig weten. Maar hij ontwikkelt zich intussen razend snel door te improviseren en uit zijn hoofd stukken na te spelen. Het was een proefles, en het zou me niet verwonderd hebben als zijn docent het na deze eerste keer al niet meer had zien zitten.

We moesten een tijdje wachten, toen kwam hij. Mijn kleinzoon had samen met zijn moeder al een week daarvoor met hem kennis gemaakt. Mijn kleinzoon herkende hem dus onmiddellijk en sprak hem aan met zijn voornaam. ‘Hoi’.

We gingen gelijk de trap op en het orgel werd ingeschakeld. Ik bleef er even bij en ging toen in de kerk zitten, waar ik toch nog het een en ander van de les mee kreeg. De les bestond uit vier onderdelen: eerst kwam er een verhaal over het orgel, over rugwerk, manualen, registers. Mijn kleinzoon vond het niet boeiend en wilde veel liever gelijk aan de slag: spelen! Hij kon met zijn vingers niet van de toetsen af blijven. Het tweede deel ging over de notennamen, de centrale C. Achteruit de noten benoemen vond hij nog lastig. Toen mocht er dan eindelijk gespeeld worden, nou ja, gespeeld.. C D E F G met een hand, en de vingers krom, optillen en niet laten plakken. Toen in de rechterhand hetzelfde met in de linkerhand tegelijkertijd de grondtoon. “Boer daar ligt een kip in het water” op en neer. Dan sequensen: de boer en de kip een toontje hoger, met witte toetsen. Toen hij bij de F was maakte hij onmiddellijk van de B een Bes en speelde gelijk maar de hele toonladder op en neer. Ik hoorde hem dit uitleggen aan zijn leraar. Het klonk toch beter met een Bes? De docent liet hem dat fragment toch met de witte toetsen spelen. Het vierde deel van de les was een gehoortrainingsoefening. De docent zong iets voor en mijn kleinzoon moest het op de piano uitzoeken en naspelen. Zonder enige aarzeling speelde hij het onmiddellijk na, zonder ook maar een fout. En dat terwijl er twee sprongen in zaten. Het tweede fragment was een soort voor- en nazin. De voorzin ging goed, maar de nazin paste hij aan.
–‘Nee, even goed luisteren!’
De docent zong het nog een keer voor. Mijn kleinzoon speelde het op dezelfde manier na als de eerste keer. Ik begreep het probleem. De voorgezongen nazin was domweg niet logisch, dus maakte mijn kleinzoon er iets logisch van, inclusief chromatische leidtoon. Tegelijk zie je dan een algemeen probleem: als hij eenmaal iets in zijn hoofd heeft is hij daar bijna niet meer van af te brengen. Wat hij in zijn hoofd had was logischer en klonk beter, dus: basta. De leraar schreef op een briefje wat hij de volgende keer allemaal bij zich moest hebben, onder meer een deel uit een orgelmethode. Hij mocht dus terug komen! Ik sprak zijn docent nog heel even. Hij zei dat hij eens goed ging nadenken over de methodiek aan deze leerling, die behoorlijk anders zou moeten zijn dan gebruikelijk.

Ik vond dat het erg goed was gegaan. Mijn kleinzoon had zich voor zijn doen behoorlijk weten in te houden en was niet flierefluitend van de ene associatie naar de andere gegaan en had in het algemeen braaf gedaan wat hem gevraagd werd. Toch was hij een beetje bedrukt. Hij had geen orgel gespeeld maar alleen precies moeten doen wat hem gevraagd was. Dat zei hij niet met zoveel woorden, maar ik vermoedde dat dit soort gedachten in hem omging. Ik prees hem de hemel in en zei dat als hij zo door zou gaan hij al heel snel noten zou kunnen spelen en dan vanzelf steeds meer echte orgelstukken zou mogen spelen.

De dag erna was hij weer bij ons, grootouders. Hij speelde bijna de hele dag piano en orgel (keyboard). Lekker zoals hij gewend was. Gelukkig maar! Hij bleef genieten. Zijn volgende les is pas over zo’n week of acht. Ik heb wat oefeningen gemaakt die voortborduren op zijn eerste les en die zal ik hem binnenkort aanbieden. Ik denk dat het gaat lukken!

Geplaatst in kleinzoon, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , | 6 reacties

Móet ik..

Mijn oudste kleinzoon zat afgelopen schooljaar in groep 3 en werd door mensen van de school en door hulpverleners fantastisch begeleid. Maar wat verzuchtte hij vaak: ‘móet ik..’ Hij had voortdurend het gevoel gestoord te worden in zijn spel. Ik herken het helemaal. Maar helaas, hij zal moeten leren dat een aantal dingen moeten, zoals voor het naar bed gaan plassen en tanden poetsen, en als hij bij ons is voor het naar huis gaan opruimen. Maar ook als zijn broertje hem vraagt of hij met hem mee wil spelen is zijn gefrustreerde antwoord vaak: ‘móet ik meespelen’. Hij moet zich dan aanpassen en een keer niet doen waar hij op dat moment zin in heeft. Of wanneer het speelkwartier is afgelopen op school en de kinderen weer naar binnen moeten, dan schijnt hij te verzuchten: ‘móet ik naar binnen.’ Iets dat helpt is hem een keuze geven. ‘Wat wil je, nú naar binnen en dan nog een filmpje kijken, of over 10 minúten naar binnen en dan gelijk naar bed?’ Waarom wil hij nooit de dingen doen die hem gevraagd worden? Meestal omdat hij dan gestoord wordt in zijn spel. Daar gaat hij zo in op dat hij verder wil gaan. Met orgel spelen, met tekenen. Maar vooral ook met fantasiespelletjes. Hij is buiten alleen aan het fietsen, maar het gaat hem niet om de beweging. Hij zit dan in een rol. Het fietsen heeft een functie in zijn spel. De fiets is wellicht een ambulance en die is ergens naar op weg. Het is voor hem dan onmogelijk om niet zijn taak te volbrengen. Als het naar binnen komen niet echt vreselijke prioriteit heeft is het handig om even mee te spelen.
-‘Wat ben je aan het doen?’
Hij zal niet zeggen: ‘Ik ben aan het fietsen’, maar ‘ik ben op weg naar het ziekenhuis.’ Dan vraag je bijvoorbeeld waar dat ziekenhuis is en verzoekt hem om de patiënt snel af te leveren. Want de ambulance moet terug naar de remise. Met enig geduld komt hij dan waarschijnlijk. Dan babbel je nog wat over de aard van de verwondingen of zo en loopt met hem naar binnen.

De laatste dagen dat hij bij ons was, was hij bijna steeds bisschop. Bisschop van Hasselt. We gingen naar de speeltuin. Hij had zijn sinterklaastenue aan en een stok in zijn hand, hij was immers bisschop. De andere twee kleinkinderen gingen ook mee. Mijn vrouw hield haar hart vast. Wat zouden de andere kinderen in de speeltuin wel niet zeggen. Ze waarschuwde hem dat er vast wel kinderen zouden zijn die hem zouden uitlachen. Hij keek hier bevreemd van op, hem uitlachen, hoe zo? Tegelijk merkte je toch even iets van onzekerheid. Uitlachen, dat kent hij op zich wel, maar hij snapt eigenlijk nooit waarom hij uitgelachen wordt. ‘Als iemand je uitlacht’, vervolgde mijn vrouw. ‘dan kun je het beste er niet op reageren en de andere kant uitkijken.’ Hij was heel stil. Hier moest hij over nadenken, maar hij was ook blij. Je zag dat hij een handvat kreeg om hier mee om te kunnen gaan.

Iedereen heeft die middag in de speeltuin gespeeld. Zijn zusje van 3 kwam verontwaardigd tegen ons, grootouders, vertellen dat zijn broer werd uitgelachen. Ze keek zo boos dat ik niet graag in de schoenen gestaan zou hebben van die pestkoppen. Wat kan zij boos kijken! Het was ontroerend om te zien hoe ze voor hem op kwam. Maar het was niet nodig. De bisschop bleef er waardig onder, hij keek de andere kant op en reageerde niet op het domme klootjesvolk.

Hij speelde de air van Bach op de piano. Ik waarschuwde hem dat hij zo moest opruimen. Toen hij klaar was wilde hij weer wat anders gaan spelen maar ik tilde hem op van de pianokruk, kuste hem en vertelde hem dat hij zo mooi gespeeld had. Maar nú moest hij opruimen. Ik wees aan wat hij moest doen. Hij deed het en mopperde niet. Zelfs niet ‘móet ik..’ Waw!

We keken nog gezellig een filmpje. En dan schoenen aan, naar huis. Tja. Er staat een piano in de huiskamer. En er móest nu dan toch nog even gespeeld worden. Zijn broertje verzorgde het slagwerk. Er klonken wat impressionistische klanken. Ze zijn voor hem droevig. Maar er klonk een mooi einde, gewoon in majeur, een sfeervol einde van een leuke dag.

Geplaatst in kleinzoon | Tags: , , | 1 reactie

Muziek, Muziek!

Stomverbaasd hoor ik steeds opnieuw weer verrassende klanken, telkens wanneer mijn oudste kleinzoon op bezoek is. Maanden geleden componeerde hij iets, zonder enig idee te hebben hoe dat zou klinken. Ik vormde het om tot een speelbaar stukje. (Requiem van Evi) Hij vond het mooi. Daarna kwam het nooit meer terug. Tot eergisteren. Hij haalde het tevoorschijn uit zijn diepe geheugen en improviseerde er van alles omheen. Hij had pas een klein stukje gespeeld en vroeg toen, door het spelen heen: ‘Ken je dit?’

Diezelfde dag speelde hij ook onderstaande improvisatie. Hij laat horen bij al zijn stukjes een vormidee te hebben. Verder komen er steeds meer texturen, als uitgebreide Albertijnse bassen, of in de rechterhand verschuivende akkoorden boven een orgelpunt. Dit heet: toepassen van muzikale ervaringen.

En ja hoor, de canon van Pachelbel, al heel lang niet meer gehoord! Maar hij doet bij het maken van zijn variaties boven die bas uitzonderlijke dingen. De opname begint midden in een van die variaties en met wat schaven zou dat zo maar een sublieme versie kunnen worden. Ook opvallend is hoe hij dissonante secundes laat oplossen bij een andere variatie, of hoe hij compleet gebroken drieklanken met zijn kleine handjes speelt in de bas. Elke foute noot herstelt hij onmiddellijk, alles speelt hij op zijn gehoor. Dan komt er een variatie met af en toe bewust een vreemd akkoord (voor de kenners: moll-dur bijv.) en hij eindigt met een duidelijke drieklank waar hij heel bewust een enigszins “jazzy” majeur 7 aan toevoegt. Het past niet in de stijl, maar hij vindt het wel mooi en lost het dus niet meer op naar een gewone drieklank.

Drie dagen eerder was hij met zijn gezin en anderen op bezoek, mijn vrouw was jarig. Door het feestgedruis heen ging hij vaak wat spelen op de piano, zoals onderstaande improvisatie. Hij staat in A mineur. Eerst hoor je heel veel Jan-Veen-achtige klanken met links akkoordbrekingen. Hij heeft inmiddels de vertragingsnoot ontdekt, in dit geval een G boven een D mineur akkoord die hij oplost zoals het hoort. Ook stoeit hij met chromatiek en speelt klassieke wendingen als I-IV-V (zonder leidtoon) -I, maar ook uitwijkingen naar de majeur parallel. Heel bijzonder vindt ik de tussendominant (een verminderde drieklank van Fis) op 1.46 minuut. Ook die wending laat hij later (2.06) nog terugkeren. Hij moduleert naar C, blijft daar even in steken met wat vreemde, zoekende akkoorden, maar eindigt weer in de begin-toonsoort: A mineur. Het was geen concert, maar iedereen begon na het slotakkoord spontaan te klappen.

Ik hoor precies wat hij doet en hoe hij zich muzikaal ontwikkelt. Daar ben ik muziektheoreticus voor. Nu die vermaledijde vingerzetting nog en dat vervelende noten lezen. Dat vindt hij saai liet hij mijn vrouw weten.
-‘Maar wil je het wel leren?’
-‘Ja.’
OK dan..

Geplaatst in kleinzoon | Tags: , , | 1 reactie

In gesprek met Bach

Nadat hij zijn handen coronaproef had gezeept rende hij juichend de kerk binnen. Hij keek omhoog. Daar was het dan: het echte orgel!

Mijn zwager, organist, zou hem wegwijs maken. En liet hem op veel manieren “altijd is kortjakje ziek” spelen. Maar hij wilde natuurlijk Bach spelen. Thuis had hij al geoefend. Naast de Toccata in D mineur natuurlijk de Air. Rechts de melodie, links de bas. Maar nu hij bij een echt orgel is wil hij het stuk met ook een echt orgelpedaal spelen. Dus rechts de melodie, en de bas in het pedaal. Zo klonk het thuis, daarna zoals het in de kerk klonk.

Door “het Air” maar ook door veel van zijn andere muziek is Bach de favoriete componist van mijn kleinzoon. Het was warm buiten, we waren wezen zwemmen in een plas. Thuisgekomen ging hij dus in bad, even weer helemaal schoon spoelen. Ik was in de kamer ernaast. Daar hoorde ik dat Bach bij hem op bezoek was. Beide componisten voerden met elkaar een leuk gesprek. Bach zong een paar deuntjes en vroeg aan mijn kleinzoon of hij die ook kende. Uiteraard kende mijn kleinzoon die: het “Menuet”, de “Toccata in d mineur” en “Jesu bleibt meine Freude”. Bach moest toen ook even naar een compositie van mijn kleinzoon luisteren. Op de achtergrond hoor je naast het gespetter in het bad hoe in een andere kamer mijn vrouw aan de telefoon een heel ander gesprek voert en hoe mijn andere kleinkinderen totaal niet door hebben dat er hoog bezoek in de badkamer is. Af en toe hoor je ook nog een voorbijkomende auto of motor. Ook die rijden voorbij zonder zich te realiseren wat hier in huis gebeurt. Bach stoorde zich gelukkig niet aan al die geluiden.

-‘Opa!’
Mijn kleinzoon riep mij. Hij weet dat ik een Beethoven-fan ben: Beethoven zou ook nog langs komen!

Geplaatst in kleinzoon | Tags: , | 3 reacties

Organist

Al weken verheugt hij er zich op, maar nu gaat het dan eindelijk bijna gebeuren: mijn oudste kleinzoon mag op een écht orgel spelen! In een kerk waar een zwager die organist is speelt en studeert. Wat ga je later worden? Nu is het steeds vaker: organist!  Alhoewel machinist ook nog een mogelijkheid blijft. Dus als hij bij opa en oma is en vlak voor het naar huis gaan nog een filmpje mag kijken wordt het: of een film over treinen, of een film waarbij een organist speelt.

Er klonk weer een orgelstuk.
-‘Wat speelt hij, wat is dit?’ Hij wil van elk stuk dat hij hoort meer weten. De organist speelde in dit geval een improvisatie, maar die begon heel duidelijk met een bestaand gezang, waarschijnlijk iets dat voor de kerkgangers een bekend lied was. Zo leg ik hem dat dan uit. Daarna ging deze organist improviseren. Hij heeft deze zelfde film nu enkele keren bekeken en wat schetst mijn verbazing dat hij het stuk na ging spelen. Een mooi driedelig stukje met in het midden zijn eigen improvisatie. Dat is dan ook een echte improvisatie, iets heel anders als dat er in het filmpje klonk.

Bij het spelen zit hij zelf ook nog eens voortdurend te registreren. Op zijn keyboard is dat een kwestie van steeds een andere orgelklank kiezen, razendsnel drukt hij drie knopjes in: 065, en daar klinkt alweer een ander register. Ik moest ook een keer registreren. Maar ik ben niet zo snel, dus dan zei hij mij maar welke cijfers ik in moest drukken. Ook moest ik een keer orgel spelen en dan was hij de registrant. Voor we begonnen gaven we elkaar eerst een hand en toen begon het concert. Plechtig gaan zitten, en dan gewoon lekker improviseren, dat kan ik ook wel. Hij registreerde mijn improvisatie leuk!

Op het keyboard kun je ook door het instrument bestaande stukjes laten spelen. Je hoeft dan niets te doen. Het idee is dat je uiteindelijk die stukken ook gaat spelen. Er staan er misschien wel honderd in, hij kiest altijd klassieke stukjes. Daar luistert hij dan nauwgezet naar en gaat ze vervolgens na spelen. Niet stukje voor stukje, nee gelijk helemaal. Ik denk dat hij inmiddels zeker tien stukken op die manier al heel behoorlijk kan spelen. Je ziet hoe hij voortdurend luistert en zich verbetert, ook als de basnoot niet goed is. Alles zit al in zijn hoofd. Er is ook een mogelijkheid om het keyboard bijvoorbeeld alleen de bas te laten spelen, dan speel jezelf de rest. Dat heeft hij ook ontdekt. Geweldig: nu kun je het pedaal van een orgel laten horen, en dat intussen met je voeten zogenaamd meespelen. Dat doet hij dan bij dat stuk, maar ook bij andere stukken die hij gewoon met twee handen speelt laat hij zijn voeten meebewegen met de noten van de bas. Geweldig!

Het was feest zondag want we gingen eindelijk weer eens met de trein. Hij wilde naar Constantijn Huygens. Hij bedoelde: we gaan naar het zomerverblijf van Constantijn en zijn zoon Christiaen Huygens uit de zeventiende eeuw in Voorburg: Hofwijck.

-‘Weet je misschien al iets over Christiaen Huygens?’, vroeg de aardige mevrouw die ons opwachtte.
-‘Ja, hij heeft Titan ontdekt, de grootste maan van Saturnus.’
ik zag haar even aarzelen en enigszins perplex staan, zo van “mmm, dat zou best wel eens kunnen”. ‘Ja, en de ringen van Saturnus’, vulde ze aan. Mijn kleinzoon keek haar aan met een blik van “ja hoor, dat weet ik al lang.”

De eerste verdieping gaat helemaal over vader Constantijn Huygens, de beroemde dichter en secretaris van de Oranjes. Je kon een jas aantrekken uit die tijd die overeenkwam met een jas zoals de kinderen van Constantijn, dus ook Christiaen, indertijd droegen. Constantijn was erg muzikaal, hij speelde veel instrumenten, componeerde en wilde dat ook zijn kinderen een goede muzikale opvoeding kregen. Op de mouw waren 8 manchetknopen aanwezig. Zo leerden de kinderen terwijl ze naar deze knopen wezen “do re mi fa sol la si do” zingen en konden ze het solmiseren oefenen. Een uiterst effectieve methode! Mijn kleinzoon deed het ook en had er zichtbaar plezier in.

De logeerpartij was weer voorbij. Maar nu kijkt hij uit naar dat andere evenement: zelf spelen op een orgel!

Zie ook:

Retorica in de muziek van Constantijn Huygens

Ooghentroost

Geplaatst in kleinzoon, pedagogiek en onderwijs | Tags: , , , , , | 1 reactie

De wereld van de mondkapjes en een bezoek aan het glijbaanrestaurant.

Mijn vrouw zei:
-‘Over twee weken ben ik jarig’.
-‘Dan wil ik een trein!’ zei mijn oudste kleinzoon.’
-‘Maar ík ben jarig, toch?’
-‘Maar dan krijg ik toch ook een cadeautje?’
-‘Als iemand jarig is krijgt die meestal de cadeautjes, niet degene die niet jarig is.’
-‘Toen ik jarig was kregen mijn broer en zusje ook een cadeautje.’
-‘O ja? Dat is niet zo gebruikelijk.’

We veronderstelden dat ze ook een klein cadeautje hadden gekregen, om de feestpret nog groter te maken. Toen zei ik:
-‘Bij een kinderfeestje is het wel zo dat de gasten vlak voor ze weg gaan soms wat snoep krijgen, of een klein cadeautje.’
-‘Ik houd niet van snoep, mag ik dan een trein?’
-‘Nee, een trein is best wel een groot cadeau, meestal gaat het om iets kleiners, om een puntenslijper of zo.
‘-Mag ik dan een puntenslijper?’

Mijn vrouw ging het over een andere boeg gooien.
‘Als je aan mij denkt, wat voor cadeautje denk je dat ik zou willen hebben?’
-‘Een trein?’
-‘Nee, dat is meer iets voor jou. Ik houd van andere dingen. Ik houd bijvoorbeeld van lezen. Wat voor een boek denk je dat ik zou willen?’
-‘Een boek over treinen?’
-‘Nee, iets anders. Wat denk je, wat zou ik willen lezen.’
-‘Een boek over planeten?’

Het is duidelijk, hij kan bijna alleen maar vanuit zich zelf denken. En dan zie je weer hoe autisme werkt. Van het weekend heeft hij gelogeerd. O wat vindt hij dat leuk.
-‘Zullen we de volgende keer weer een keer je broertje en zusje laten logeren? Dan ben jij lekker rustig alleen bij mama en papa.’
-‘Maar dat vind ik dan niet eerlijk, dat ik dan niet mag logeren.’

Thuis gekomen duurde het even voor hij weer een beetje in zijn normale doen was. In de auto zei hij steeds dat hij verdrietig was, dat het weer afgelopen was. We wezen hem op allerlei andere leuke dingen, hij deed zijn best, maar toen de deur van zijn huis open ging stortte hij zich huilend in de armen van zijn moeder.

We waren de laatste dag een stukje met de trein geweest. Hij keek op het perron zijn ogen uit.
-‘De hele wereld is zo veranderd.’
-‘Ja?’
-‘Ja, al die mondkapjes.’

Thuis tekende hij de nieuwe wereld van de mondkapjes. En nog meer dingen. Zoals een “glijbaanrestaurant”. Waar aan de wand schilderijen hangen die hij gemaakt heeft. En er zijn nog veel meer fantastische dingen in dat restaurant te zien. Het restaurant is van de moeder van Laura.
-‘Kijk opa. Ken je dat schilderij? Dat heb ik vorig jaar in Normandië gemaakt. Toen ik alsmaar zo aan Laura moest denken. Het hangt ook in dat restaurant.

Geplaatst in kleinzoon | Tags: , , , , | Plaats een reactie

De verering van de heilige Ursula in Roermond

In 2002 en in 2013 zijn er twee afzonderlijke vondsten gedaan in de Munsterkerk van Roermond. De eerste vondst was op de zolder van de sacristie. Blijkbaar had nog nooit iemand daar gekeken. Er lag een schat aan relikwieën die er waarschijnlijk verstopt zijn vlak voordat de Fransen in 1797 het klooster ophieven en van de kerk een paardenstal maakten. De technische universiteit van Keulen heeft zich over deze schat ontfermd en deze negen jaar lang op alle mogelijke manieren onderzocht. Niet lang nadat ze hiermee klaar waren kregen ze een nieuwe klus te doen: In de westelijke galerij bleek er een nis weggewerkt te zijn doordat hij was dichtgemetseld met een muur. Deze muur werd open gebroken en in de nis lagen nog veel meer relikwieën, waaronder enkele heel bijzondere. Schots en scheef door elkaar lagen er allerlei schedels, sommige met fragmenten van prachtige zijden versieringen, er lagen nog meer botten, en er lagen drie poppen of wat daarvan over was in de vorm van kinderen, ook gedeeltelijk omhuld met stoffen. De objecten van de sacristie dateerden grotendeels van rond 1600, maar er waren ook nog veel oudere relikwieën bij, tot zelfs uit de dertiende eeuw. Er werden namelijk zogenaamde cedula gevonden, dat zijn beschreven aanhangsels die bij een relikwie horen. De relikwieën uit de nis stamden met de aankleding die sommige hadden uit de tijd van rond 1600. De meeste relikwieën waren oorspronkelijk geplaatst in of rond een altaar, en er waren in de hoogtijdagen van het klooster zeker tien altaren in de kerk, allemaal gewijd aan een andere heilige.

De 45 schedels zouden zijn van metgezellen van Ursula, de heilige die met veel vrouwelijke leerlingen volgens de legende was afgeslacht nabij Keulen. In Keulen is een kerk aan Ursula gewijd waar ook heel veel schedels bewaard worden, en als summum, het lichaam van Ursula zelf. Van de cultus voor deze maagden uit de derde eeuw getuigt de Clematius-inscriptie, een grafsteen uit de 5e eeuw, ingewerkt in de zuidelijke muur van het koor van de St. Ursulakerk in Keulen. In het eerste verhaal uit 922 waarin sprake is van elfduizend maagden is de centrale persoon Pinnosa, dochter van de koning van Brittania. Toen de relieken van Pinnosa werden overgebracht van Keulen naar Essen, werd de naam Pinnosa vervangen door de naam Ursula zodat de cultus in stand gehouden kon worden. In 1106 werden bij het graven van een nieuwe gracht bij Keulen voor de wallen de restanten van een Romeinse necropool ontdekt met een grote hoeveelheid beenderen. Het duurde niet lang voor het gerucht zich verspreidde dat men de overblijfselen van de elfduizend maagden had ontdekt. In de dertiende eeuw, toen Jacobus de Voragine zijn versie schreef in de Legenda Aurea, lag het verhaal al nagenoeg vast en begon de handel in schedels en beenderen vanuit Keulen naar heel Europa.

Bijzonder is hoe een aantal van deze schedels uit de Munsterkerk versierd was met zijden stoffen en daaromheen goudkleurige en ander-kleurige stiksels. Ze zijn waarschijnlijk allemaal vanaf de zeventiende eeuw tot aan de Franse tijd in de kerk aan de nonnen en pelgrims tentoongesteld geweest.

Nog meer bijzonder was de vondst van drie poppen in de vorm van kinderen. Na onderzoek is gebleken dat de poppen zijn gevuld met allerlei menselijke botten en fijne stoffen. Die werden dan omwikkeld met linnen stoffen zodat er een menselijke figuur ontstond. Hoewel de kleding sterk verteerd is en deels ontbreekt, is het duidelijk dat het ging om een groep van drie meisjes, die ook alle drie van een andere leeftijd waren. Deze poppen stammen oorspronkelijk uit de tweede helft van de vijftiende eeuw. Van de buitenste laag stoffen is veel verdwenen. De ogen werden waarschijnlijk weergegeven door glazen kralen en ook neus, wenkbrauwen en mond moeten zichtbaar geweest zijn. De kostbare damast en andere stof is jammer genoeg bijna helemaal weggesneden. In de zeventiende eeuw zijn ze opnieuw aangekleed, ook die kleding is grotendeels verdwenen. Maar er is voldoende van de oorspronkelijke oudste stof over om tot de vroegere datering te kunnen komen. Ook de 45 schedels stammen trouwens uit de tweede helft van de vijftiende eeuw, maar toen waren ze waarschijnlijk niet voor het publiek zichtbaar. Toen men rond 1600 besloot om ze anders en meer in het openbaar te exposeren werden ze versierd met stoffen in uitsluitend de kleuren rood, wit en blauw om zo tot een eenheid te komen. De drie meisjes werden vanaf de baroktijd waarschijnlijk bij het hoogaltaar geplaatst. Ook zij waren lid van het gezelschap van Ursula.

En er is ook nog een buste gevonden van een jonkvrouw, gemaakt in Keulen en daterend uit 1350. In de Cisterciënzerkloosters van Kamp en Marienfeld was ook een sterke Ursula-verering. En er was waarschijnlijk een sterke band met kloosters in Keulen. De verering in de Munsterabdij was dus niet uniek.

In Roermond werd in 1859 een middelbare school voor meisjes opgericht, het Ursula Lyceum. Mijn oudste zus ging er naar toe. De school werd gerund door de nonnen van het nabijgelegen Ursula-klooster. Het is een van de weinige kloosters die opnieuw in de stad verschenen na de Franse tijd. Eerder was er in Roermond ook al een Ursulaklooster, met de regel van Franciscus, opgericht in 1646. Inmiddels is dit Ursula klooster ook alweer verdwenen. De kapel staat er nog, op een van de vensters zie je Ursula met haar leerlingen. Verder moeten we het in Roermond doen met wat er nog bewaard is gebleven in musea en archieven. Toch, met een beetje fantasie kun je je van dat rijke leven nog een beetje voorstellen als je door de Munsterkerk dwaalt.

Dit artikel is grotendeels gebaseerd op: Annemarie Stauffer, Ein ausserordentlicher Reliquienfund und seine Geschichte, De Munsterabdij van Roermond, W Books 2020. ISBN 978 94 625 8379 5

Geplaatst in Geschiedenis, kunst | Tags: , , , , | 1 reactie

Nieuwe klanken

Als mijn oudste kleinzoon zit te improviseren weet je soms niet wat je hoort. Zo was hij al een tijd bitonaal bezig op de piano en ik besloot het op te gaan nemen. De bas maakte gebruik van een stukje hele toonstoonladder: F#, G#, Bb, C. Hier speelde hij een ostinaat figuurtje mee. De rechterhand speelde witte toetsen, vooral van C naar beneden tot F. Het lijkt dan meer op een lydische toonladder van F dan op een normale majeurtoonladder. Samen klonk het prachtig, bitonaal en met bijzondere toonladders. Het geheel zal wel ontstaan zijn door zomaar wat te rommelen, maar het beviel hem, hij bleef er een tijdje mee doorgaan. Toen ging hij ook in de rechterhand enkele tonen van de ostinaat spelen. Het eindigde na wat gerommel in de bas met een virtuoos patroontje, nu duidelijk gebruik makend van louter tonen van de toonladder van C, alles in de rechterhand. Hij is duidelijk patroontjes aan het zoeken, maar ook speelt hij met toonladders en moderne klanken, kortom: hij is van alles aan het ontdekken.

Vandaag stuurde zijn moeder me een stukje dat begon op een klein orgeltje dat aangestuurd wordt door op een slangetje te blazen. Dat had hij gekregen van een oom en tante voor zijn verjaardag. Een leuk ding om mee te spelen als er geen stroom is. Je moet er wel behendigheid in krijgen, net als bij het spelen op een harmonium. Maar als een waar organist schakelde hij al snel over naar een ander manuaal, dat van zijn keyboard. En daar speelde hij een soort eigen gemaakte oefening: hoe kom ik via een triller tot een slotformule.

Geplaatst in kleinzoon | Tags: , , | 1 reactie

Het dubbelgraf in de Munsterkerk van Roermond

Het is dit jaar precies 800 jaar geleden dat de Munsterkerk van Roermond werd ingewijd. Zeven jaar nadat de stad verwoest was door Otto IV van Brunswijk. Dit omdat Gelre Frederik II, diens tegenstrever, had gesteund bij het verwerven van de Duitse koningskroon. Roermond was namelijk onderdeel van het graafschap Gelre dat in die tijd veel invloed had in het Rooms-Duitse rijk. Uiteindelijk won Frederik II, hij werd tot koning en later Rooms-Duits keizer gekozen. De graaf van Gelre liet Roermond herbouwen en tegelijk werd het de belangrijkste stad van Oppergelre. De bouw van kerk en klooster waren een onderdeel van deze opwaardering.

Maar het had zomaar kunnen gebeuren dat de kerk er nu niet meer gestaan zou hebben. Weg met die oude zooi! Met dit devies is er vanaf de Franse revolutie tot zelfs op de dag van vandaag omgegaan met veel historisch erfgoed. Het huidige Nederlands Limburg werd na de inname in 1794 al snel geannexeerd door Frankrijk. Ook de gebieden van Limburg die toen bij de staten van Nederland hoorden. De rest van Nederland werd afgekocht: na betaling van een behoorlijk geldbedrag aan de revolutionairen zagen de Fransen af van de annexatie van die gebieden. Maar Limburg bleef in de kou staan. In de negentiende eeuw werd dit deel van Nederland door sommigen in den Haag nog een jammerlijke strook grond genoemd, zo van: ‘wat moeten wij ermee’. Het desastreuze gevolg was dat adel en kerk in de geannexeerde gebieden op zijn Frans bejegend werden. Er was zelfs korte tijd sprake van het verbod op elke godsdienstige uiting. Zonder enig mededogen werden alle kloosters opgeheven en onderdelen van het interieur vernietigd of verkocht. Tweeduizend boeken uit de rijke bibliotheek van het kartuizer klooster van Roermond verdwenen. Hier waren enkele honderden middeleeuwse handgeschreven boeken bij. Nooit meer terug gevonden, waarschijnlijk weggegooid, maar vooral ook uit elkaar gehaald. De mooie plaatjes kon je los verkopen. Zo ging het ook met altaar-retabels. Drie of meer afbeeldingen die oorspronkelijk bij elkaar hoorden: het werden losse schilderijtjes voor de kunstmarkt, voor verzamelaars. De gebouwen werden afgebroken of kregen een nieuwe bestemming. Kerken waren geschikt als paardenstal voor de Franse militairen. Of er werd een timmerwerkplaats van gemaakt.

Toen de Fransen weg waren duurde het nog lang voor er weer kloosters mochten komen. Willem I verbood het. Dus werden sommige gebouwen alsnog afgebroken. Sommige kloosterkerken werden parochiekerk, zoals gebeurde in Maastricht met de Servaas en de OLV-kerk. In Roermond gebeurde dat met de Munsterkerk, die een soort dependance werd van de kathedraal. De abdijgebouwen van al die opgeheven kloosters kregen ook een nieuwe functie. Soms werd er een school van gemaakt, zoals met de gebouwen van de dominicaner abdij in Maastricht.  De munsterabdij in Roermond verging het slechter. Tijdens de Franse bezetting werd het abdissenhuis gebruikt als gevangenis terwijl de overige gebouwen dienst deden als kazerne. Toen de gevangenis midden 19e eeuw naar elders verhuisde, werd het abdissenhuis en enkele andere bouwvallig geworden panden gesloopt. Wat overbleef waren de gebouwen rond de kloostergang tot ook deze in 1924 gesloopt werden. Weg was de rijke historie van dit aloude klooster uit het begin van de dertiende eeuw. De kerk staat er nog, maar ook deze is behoorlijk toegetakeld. Na een brand in de zeventiende eeuw moest een toren worden afgebroken en deze werd toen vervangen door een baroktoren met koepel. Bij de restauratie van de kerk door Cuijpers kreeg de kerk een fantasie-achtig neogotisch uiterlijk, waarbij de baroktoren werd afgebroken en er twee nieuwe hoge torens voor in de plaats kwamen.

Ook binnen in de kerk verdween veel van wat nog herinnerde aan eerder. In de baroktijd waren er veel altaren in de kerk. We weten nu niet eens meer waar ze waren, alleen dat ze er waren. Er is zo ontzettend veel verloren gegaan, dat de dingen die er wel nog zijn vaak moeilijk geïnterpreteerd kunnen worden. Toch zijn er nu voor het eerst serieuze pogingen gedaan om dat voor elkaar te krijgen. In een boek met 18 uitvoerige artikelen door telkens andere deskundigen ontstaat er toch een plaatje, maar waardoor de boosheid over hoe achteloos en onverantwoordelijk er met het historisch erfgoed is omgegaan alleen nog maar groter wordt.

We zullen het er mee moeten doen. Wat hebben we wel? Er zijn restanten van middeleeuwse muurschilderingen, er zijn spectaculaire relikwieën met omhulsel, er is nog een zeer oud schilderij, er zijn nog beeldhouwwerken, er zijn grafzerken. En heel dominant aanwezig: er is een dubbelgraf met de graven van de stichters van de abdij, graaf Gerard III van Gelre en Margaretha van Brabant. Ook de moeder van de graaf, Richardis van Beieren, is er begraven. Zij was de eerste abdis en dochter van hertog Otto I van Beieren en Agnes van Loon. Zij huwde in 1186 met graaf Otto I van Gelre. De Gelderse graven hadden nauwe banden met de cisterciënzer orde, met name met het klooster Kamp. Samen met haar man was Richardis lid van de gebedsgemeenschap van de abdij van Altenberg. Eind 12e eeuw had Otto I het plan zelf een cisterciënzer klooster te stichten maar had dit niet ten uitvoer gebracht. Tien jaar na het overlijden van haar man wilde Richardis toetreden tot deze orde. Omdat Gelre geen cisterciënzer klooster bezat stichtte haar zoon graaf Gerard III in 1218 in Roermond het Onze-Lieve-Vrouwenmunster. Richardis werd zoals gezegd de eerste abdis van deze vrouwenabdij. Zij overleefde het grafelijke echtpaar. De graaf en gravin overleden in 1229 respectievelijk 1231.  Richardis werd in de kerk begraven en het grafelijke echtpaar kreeg zelfs een praalgraf in de vorm van een dubbelgraf.  Alles wijst er op dat toen de kerk gebouwd was het van het begin af aan bedoeld was dat deze als grafkerk voor in ieder geval de stichters bestemd zou zijn. Op zich heel bijzonder, omdat in een Cisterciënzerklooster oorspronkelijk niemand begraven mocht worden, en zeker niet in de kerk. In de loop van de dertiende eeuw werden deze regels versoepeld en niet lang nadat het echtpaar overleden was werden de regels zelfs overtroefd door een bul van de paus die het begraven in dergelijke kloosterkerken toestond. Had Richardis dit voor elkaar gekregen? Zij vertoefde vlak voor haar dood aan het hof van de paus in Rome. Toch duurde het nog lang voordat er ook nog andere mensen in deze kerk of in de abdij werden begraven. Begraven laten worden in de kerk was op zich heel lucratief voor het klooster, daar moest een aanzienlijke som geld voor worden betaald. Maar heel lang nog moest het klooster het vooral hebben van de inkomsten op het innen van geldelijke bijdragen, afkomstig van aflaten. Iedereen die de kloosterkerk bezocht kreeg tegen betaling een aflaat. Dit was al bij de stichting van het klooster zo geregeld.

De Munsterkerk en de Munsterabdij  werden aanvankelijk gebouwd aan de rand van de stad, maar na een stadsuitbreiding kwam het geheel midden in de stad te liggen en zo bepaalden kerk en klooster eeuwen lang het beeld van het centrum. Nu staat gelukkig de kerk er nog.

En het dubbelgraf van de stichters, op de oorspronkelijke plaats in de viering van deze kerk, blijft imponeren.

Zie ook: De Munsterabdij van Roermond, W Books 2020. ISBN 978 94 625 8379 5

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , , , | 3 reacties

De F

-‘Opa, de F doet het niet meer.’
-‘De F?’
-‘Ja, deze.’
Hij zong een F.
-‘Dat is toch een F?’
-‘Ja, inderdaad.’
-‘En dit dat is toch een C? En dit een B?
Hij zong een C en een B.

Hij liet horen wat ik eigenlijk al lang wist. Hij heeft een absoluut gehoor. Wat is een absoluut gehoor? Dat je iets op exact de goede toonhoogte vanuit je geheugen kunt nazingen, en dat ook nog kunt koppelen aan notennamen. Dat eerste deed hij al jaren, maar omdat hij nu ook weet hoe de toetsen op piano of keyboard heten kan hij aan die klanken notennamen geven.

Ik ging met hem naar zijn kamer om te kijken wat er met de F aan de hand was. Op zijn keyboard stak de F tweegestreept vervaarlijk omhoog en er was geen beweging in te krijgen. Ik keek er onder en zag dat de uitstekende toets ergens in zou moeten klikken, maar dat lukte niet. Pas een week later toen de F het nog steeds niet deed kreeg ik met een schroevendraaier voor mekaar om het onderste deel ietwat naar achteren te drukken en warempel, het lukte. De F deed het weer.

Hij weet dan wel hoe een F klinkt maar met het noten lezen wil het nog niet vlotten. Wel componeert hij af en toe. In een razend tempo trekt hij wat lijntjes en voorziet die van noten, mollen en nog wat andere tekens. Trots liet hij me een nieuwe compositie zien.

  • ‘Wat betekent dat, “Bachtellen”?
  • ‘Zo heet het stuk.’
  • ‘En wat betekent 15k?’
  • ‘Dat is een zelfverzonnen naam. Zo heet het stuk als tweede naam.’
  • ‘OK.’ Kun je het ook spelen?
  • -Hmm. Zo?

Hij ging achter het keyboard zitten en ging ter plekke wat improviseren. Het leek op geen meter op wat daar op papier stond.

  • ‘Wat jij speelt klinkt heel anders als wat je hebt opgeschreven. Zal ik dat eens proberen op te schrijven?’

Ik had goed geluisterd naar het begin en schreef uit mijn hoofd de eerste maten op van wat hij net gespeeld had. Hij speelt veel met de sound van kerkorgel. Binnenkort mag hij een keer op een echt kerkorgel spelen! Thuisgekomen zette ik het stukje in Sibelius en stuurde het aan hem op. Hij heeft sinds kort een eigen email-adres. Hij vond het mooi. Maar het wordt nu toch echt tijd om dat noten leren serieus aan te pakken.

Op de lessenaar van de piano staan de bagatellen opus 126 van Beethoven. Die ben ik weer eens aan het studeren. En opeens viel het kwartje. “Bachtellen” was natuurlijke bagatellen! Hij had dat zien staan, had geen flauw idee wat dat betekende en had er iets van gemaakt: “Bachtellen”! Wat een mooi woord eigenlijk. Ook stond in dat stuk een paar keer cresc. Ook dat kende hij niet maar hij voegde het aan zijn manuscript toe, “crenc”.

De F is weer gerepareerd. Ik ben even keyboarddokter geweest. Er zijn ook echte dokters en verplegers. Als er op school een ongeluk is gebeurd  gaat in razend tempo een ambulance die kant uit. Hij stopt vlak voor de school. De juf, of is het de moeder, staat voor de ambulance (ulance kun je niet meer zien) en is helemaal ontdaan: wat erg! Een verpleger spreekt de vrouw bemoedigend toe. De andere ontfermt zich over het arme kind. Maar het komt vast weer goed. Net als met de F.

Geplaatst in kleinzoon, pedagogiek en onderwijs | Tags: , | 3 reacties

Een eeuwigdurende kalender

In Padua en Venetië zag ik in het verleden klokken die mijn aandacht trokken. Ik noemde het astrologische klokken, alhoewel astrologie soms hooguit een opvallend aspect was van het instrument. Op die klokken was veel meer te zien dan de tijd. Ik zag iets vergelijkbaars in een boek dat ik onlangs kocht. In dat boek werd een pagina besproken van een middeleeuws brevier uit de dertiende eeuw. Het was een kalender die ging over de maand juni.

kalenderkalender2Onder het origineel staat een transcriptie, vervaardigd door Rob Dückers. Er staan veel intrigerende dingen in. Eigenlijk is slechts een ding snel duidelijk: elke dag van de maand is gekoppeld aan een heilige. Maar er valt veel meer af te lezen.

Zoals ik zei stamt de pagina waarschijnlijk uit een brevier, een handboek met allerlei geestelijke teksten voor een priester.  Door te kijken naar welke heiligen er in deze kalender staan durft Dückers te beweren dat de kalender afkomstig is uit de omgeving van Roermond en ook dat hij waarschijnlijk vóór 1295 tot stand gekomen moet zijn. Hoe is hij daar achter gekomen? Door te kijken naar welke heiligen er allemaal op staan. Het zijn namelijk bijna allemaal heiligen die lang niet overal vereerd werden. Zo staat Servaas er op, maar niet als een speciale heilige. Speciale heiligen worden in het rood weergegeven. In heel het bisdom Luik werd Servaas vereerd, maar alleen in Maastricht was het een bijzondere feestdag. Quirinus van Sescia op 4 juni is in Utrecht een speciale heilige. Hier staat hij er wel op, maar niet als speciaal. Ook ontbreekt Lebuinus, die op een Utrechtse kalender niet zou ontbreken. De kalender komt dus zeker niet uit Utrecht. Medardus op 8 juni werd met name in Wessem en Thorn vereerd. Deze kalenderpagina komt zo deducerende vrijwel zeker uit een brevier gemaakt voor iemand die werkzaam was in de ruime omgeving van Roermond.  Dückers vindt het niet onaannemelijk dat hij gemaakt is voor de Munsterabdij van Roermond. Persoonlijk lijkt de abdij van Thorn mij ook een goede kandidaat. En hoe komt Dückers aan zijn idee: gemaakt vóór 1295? Omdat het feest van de apostel Barnabas vanaf 1295 een universele feestdag werd moet de kalender dus eerder zijn gemaakt. Anders zou zijn naam immers in het rood zijn weergegeven.

Op de kalender staan 30 rijen, logisch want juni heeft 30 dagen. Deze rijen zijn weer verdeeld in zes kolommen. De vijfde kolom zagen we al. Daar staan de namen van de heiligen die bij de betreffende dag horen. Wat betekenen de gegevens in de andere kolommen?

Kolom 1 gaat over de maanstanden. Die kun je niet in een jaarkalender zetten, die zien er immers elk jaar anders uit. Maar via het zogenaamde gulden getal kun je dat wel bepalen. Dat komt omdat elk jaar er in dat opzicht om de negentien jaar precies hetzelfde uit ziet. Er zijn zo 19 gulden getallen, en die staan in de eerste kolom. Je moet nu weten wat het gulden getal is van het jaar dat je de kalender gebruikt (bijvoorbeeld V) en dan weet je dat het op de dag waar V staat nieuwe maan is. Alle andere maanstanden kun je daaruit afleiden (telkens zeven dagen later of eerder). Deze negentienjarige cyclus was ik zelf al een keer tegengekomen toen ik zo’n 25 jaar geleden zelf een digitaal planetarium in elkaar knutselde.)

Kolom 2 geeft de relatie met de dag van de week aan.  Je ziet zeven letters die zich steeds weer herhalen, de letters staan voor de dagen van de week. Maar elke letter kan de zondag zijn. Via een formule, gerelateerd aan het gulden getal, kun je uitrekenen welke letter voor een zondag in dat jaar staat, en dan weet je gelijk ook de andere weekdagen. (Voor dat laatste heb ik zelf ooit een leuk hulpmiddel ontwikkeld: een kalender die je vanaf het jaar 532 tot ver in de toekomst laat zien welke dag van de week bij welke datum hoort: historische kalender).

Kolom 3 gaat over de dagen van de maand, maar dan de dagen zoals ze geteld werden in de oude Romeinse kalender. De Romeinen telden niet van 1 tot en met 30. De eerste dag van de maand heette Kalenda, en werd afgekort tot KL. De maand is verdeeld in periodes die lopen van Kalenda naar Idus en Nonas. Alle andere dagen van de maand werden gerelateerd aan een van deze ijkpunten, je had het bijvoorbeeld over de tweede dag voor de Idus. In oude geschriften wordt hier maar zeer weinig gebruik van gemaakt. Meestal had men het over de feestdag van Bonifacius, of “het gebeurde “twee dagen voor de feestdag van Bonifacius”. De Romeinen zouden zeggen: “het gebeurde de Nonas van Juni”.  Nog een voorbeeld: wij zeggen “11 juni”, zij zeggen: “de feestdag van de apostel Barnabas”, de Romeinen zeiden: “de derde dag voor de Idus van Juni”. Achter de grote KL van Kalenda staat ook nog dat de maand juni 30 dagen telt en dat de maancyclus 29 dagen duurt. Dat laatste is natuurlijk altijd zo, maar het betekent voor de gebruiker dat als het bijvoorbeeld op de eerste volle maan is, dat het dat op de dertigste weer zal zijn.

Kolom 4 laat zien hoe er Romeins geteld werd: Zoveel dagen voor N (Nonas), of zoveel dagen voor Id (Idus) of zoveel dagen voor de volgende kl (Kalenda). Ze telden dus in principe naar het volgende ijkpunt toe, niet er vanaf. (Niet “twee dagen na de Idus van juni”)

In kolom 5 staan naast de namen van de heiligen nog enkele interessante details. We zien hoe vermeld wordt op welke dag de zon naar het dierenriemteken kreeft gaat (“Sol in cancrum”). Wat werd er toen bedoeld met zon in kreeft? De dierenriemtekens verschuiven geleidelijk t.o.v. de seizoenen. Rond het jaar 0 kwam het begin van de zomer globaal overeen met de echte stand van zon in kreeft. Inmiddels, zo rond het jaar 2000, is dat een dierenriemteken terug, tweelingen. In 1250 dus ergens daar tussen in. Vanuit de astrologie wordt zon in kreeft helemaal niet meer gekoppeld aan de stand van de zon ten opzichte van de vaste sterren, maar aan de zonnewende. Het symbool kreeft staat dan voor de eerste maand van de zomer, zoals ram staat voor de eerste maand van de lente. Dus wat bedoelden zij met zon in kreeft? Ik denk: het begin van de zomer, zoals dat ook in de astrologie wordt gezien. Maar dan zou dat hetzelfde moeten zijn als het zonnewendepunt (“Solsticium”), dat echter in deze kalender drie dagen later is geplaatst . Die drie dagen verschil zijn misschien te verklaren als we er van uit gaan dat ze keken naar de dag van het jaar dat de zon het allervroegste opkomt, dat is namelijk ongeveer drie dagen voor het solsticium. Toch blijven er ook dan nog vragen. We leven in de tijd van de Juliaanse kalender. Die liep rond 1250 maar liefst 7 dagen achter. Dat verschil was opgelopen vanaf de invoering in 532. Het verschil werd pas door paus Gregorius opgeheven aan het einde van de zestiende eeuw. Werd het solsticium bij deze kalender bepaald door hoe dat in 532 was vastgesteld en werd het sindsdien maar zo gelaten? De echte zonnewende was dan volgens de Juliaanse tijdrekening in 1250 zeker niet 20 juni!
In die vijfde kolom staat ook twee keer een hoofdletter D. Die zou aangeven dat de bewuste dag “slecht” was, een dag die niet gunstig was voor veel dingen.
In juni zijn er twee feestdagen (duplex festum): het feest van de geboorte van Johannes de doper (op de vier en twintigste) en het feest van Petrus en Paulus (op de negen en twintigste).

Kolom 6 geeft informatie over de status van de heilige. Je kunt hier lezen hoeveel lezingen er gezegd of gezongen moesten worden. (iij l’ betekent 4 lezingen, ix l’= 9 lezingen).

Het is een mooie en interessante pagina waar uiteraard nog veel meer over te vertellen valt.  Hij is gemaakt nog voor de tijd van de bekende getijdenkalenders die we vooral kennen van de gebroeders van Limburg en die artistiek gezien belangwekkend zijn. Enkele elementen van zo’n kalender besprak ik al eens toen ik het had over het getijdenboek van Visconti.  Hier gaat het om een vrij eenvoudige pagina uit een brevier die ons een beeld geeft over wat een geestelijke die er gebruik van maakte allemaal kon leren uit zo’n boek. Maanstanden, feestdagen, zondagen. Iets zoals je later in de Enkhuizer almanak kon vinden. Maar zo’n boek maken was heel duur in die tijd. Dat deed je niet elk jaar, de boekdrukkunst moest nog uitgevonden worden. Dus verzonnen ze een list. Ze maakten iets dat, als je zuinig was, een mensenleven mee zou kunnen gaan: een eeuwigdurende kalender.

  • De liturgische kalender van de Roermondse Munsterabdij vóór de oprichting van het eerste bisdom Roermond, Rob Dückers. Uit: De Munsterabdij van Roermond, Wbooks 2020. ISBN 978 94 625 8379 5
Geplaatst in Astronomie, Geschiedenis | Tags: , , , , , | 2 reacties

Pinksteren

Als ik mijn oudste twee kleinkinderen ophaal van hun school komen we langs de Oud-Katholieke kerk. Een mooi gebouw dat er uitziet zoals een kerk er hoort uit te zien. Er stond een bordje: “de kerk is open”. Ik zei tegen mijn kleinkinderen:

  • ‘De kerk is open.’
  • ‘Jaah, zullen we naar binnen gaan?’

Voor de jongste hoefde het niet zo.

  • ‘Ik vind het een beetje eng.’

maar de oudste was gelijk enthousiast, zijn broertje was zo overgehaald. Dus we parkeerden de fietsjes vlak bij de ingang. Eerst sprak ik ze nog een keer toe:

  • ‘Je moet hier heel stil zijn, je mag alleen maar zachtjes praten. Ook niet de akoestiek uitproberen.’

Dat was wat veel gevraagd, maar het ging toch al beter dan enkele maanden geleden in de Hervormde Kerk. Zachtjes luisterde hij naar de a-klanken van zijn stem. Zijn broertje was doodstil en keek zijn ogen uit. Toen wilden ze gaan rennen. Ik  probeerde hen met een handgebaar tegen te houden en fluisterde:

  • ‘Kijk daar zit een mevrouw, die is aan het bidden. We moeten heel stil zijn, anders storen we haar.’
  • ‘Echt?’

Zij zat geknield op de hoek van een bank enkele rijen verder richting het altaar.. Hij liep op haar af en ging recht voor haar staan. Daarbij keek hij haar  onderzoekend aan, recht in de ogen. Vervolgens liep hij naar me terug.

  • ‘Opa, ze is niet aan het bidden, ze heeft haar ogen open.’

Ik fluisterde dat je op allerlei manieren kan bidden, dat je dat kan doen met je ogen dicht en ook met je ogen open.

  • ‘Kom we gaan weer naar buiten.’

We waren weer een ervaring rijker en gingen naar de auto. Onderweg naar ons huis vroeg ik aan de jongste over zijn belevenissen op school en heel het onderwerp kerk en bidden was weer voorbij. Maar een week later vroeg de oudste aan mij:

  • ‘Opa, wat betekent Pinksteren eigenlijk? ‘

Ik dacht even na. Van Pasen weet hij intussen al het een en ander. Ik vertelde:

  • ‘Toen Jezus dood was waren al zijn leerlingen helemaal in de war. Ze hadden altijd alles samen gedaan. Hij leerde hun heel veel. Maar nu was hij dood, wat nu? Op een keer waren ze allemaal bij elkaar in een gebouw en toen gebeurde er iets vreemds. Ze voelden opeens de geest van Jezus. En toen werden ze blij. Hij was dood, maar hij was er toch nog op de een of andere manier. Dat vonden ze zo’n fijn gevoel dat ze besloten om van deze gebeurtenis een feestdag te maken. En ze noemden die feestdag Pinksteren.

Je zag hoe hij dit verhaal in zich opnam en vroeg daarna niet verder. Later die dag, of was het misschien enkele dagen later, zei hij vanuit het niets:

  • ‘Ik ga een brief aan Jezus schrijven.’

Verwonderd keek ik hem aan maar reageerde niet. Gisteren vonden zijn ouders onder zijn bed de bewuste brief aan Jezus. Wat een mooie plek om hem neer te leggen! Zo’n brief stop je niet in de brievenbus want dat is niet nodig. Onder zijn bed, dan zou Jezus hem wel vinden, toch? Hij ontroerde me. Of je nu gelovig bent of niet, die jongen is zo puur!

brief-aan-jezus

Geplaatst in kleinzoon | Tags: , | Plaats een reactie

Leonardo da Vinci en Josquin des Prez

portretjosquin

Dit portret schilderde Leonardo da Vinci in Milaan en het vermoeden bestaat dat hij hier Josquin des Prez heeft afgebeeld.

Wie was de beste kunstschilder die er rond 1500 leefde? En wie was toen de beste componist? Ik zeg Leonardo da Vinci en Josquin des Prez. En ik denk dat veel kenners het met me eens zullen zijn. Leonardo da Vinci leefde van 1452 tot 1519, Josquin des Prez van 1450 tot 1521. Zij waren dus leeftijdgenoten, maar ze waren meer dan dat. Toen Leonardo da Vinci in Milaan in dienst van de Sforza’s werkte (1482-1499) was ook Josquin een tijdlang verbonden aan het zelfde hof. (1480-1489). Wat was dat voor een tijd en wat deden ze daar?

Om te beginnen: ze leefden in een zeer grillige tijd. De theoloog Savoranola, dominicaan in een klooster in Ferrara, vluchtte in 1482 met ordeleden naar Florence toen de paus met pauselijke troepen de stadstaat belaagde. In Florence was deze Savonarola erg succesvol met zijn boetepreken, de kerk van zijn klooster zat voortdurend bomvol. Toen Florence bedreigd werd door Franse troepen vluchtte Piero de Medici, de heerser van Florence, naar Venetië en Savonarola nam de macht over. Hij wist met zijn charisma bij de Fransen na de capitulatie af te dwingen dat Florence geen enorme afkoopsom hoefde te betalen. Maar hij liet er geen gras over groeien. Nu hij de macht had wilde hij het openbare leven helemaal hervormen. Er kwamen allerlei soberheidsmaatregelen en in zijn boetepreken veroordeelde hij de rijken. Ook moest heel veel kunst er aan geloven. Werken van bijvoorbeeld Donatello belandden op de brandstapel. Veel kunstenaars ontvluchtten dan ook de stad. Leonardo was gelukkig al in 1482 naar Milaan verhuisd omdat hij in Florence beschuldigd was van sodomie. Uiteindelijk won in Florence vier jaar later toch weer de oude macht, ook met behulp van de paus die Savonarola in de ban had gedaan. de Medici’s kwamen terug en Savonarola kwam op de brandstapel terecht. De zaken waar hij tegen ageerde, onder meer ook de misstanden in de kerk, bleven sluipend aanwezig. Het was niet voor niets dat Luther in 1517 zich los maakte van de Roomse kerk. Verder zien we hoe de Franse koning zijn invloed in Italië ging uitbreiden. Hij nam in 1499 Milaan in, de hertog vluchtte. Leonardo ging toen weer terug naar Florence waar hij zijn loopbaan was begonnen. Daar ging hij oorlogstuig maken voor Cesare Borgio, de hoofdfiguur in “La Principe” van Macchiavelli. (Met Macchiavelli was Leonardo trouwens goed bevriend. ) Leonardo reisde met Borgio mee en ervoer de buitengewoon wrede manier hoe hij met de leiders van veroverde steden omging. Dat maakte dat hij ook stopte met zijn militaire opdrachten.

In dat zelfde decor van bedreigde stadstaten, afwisselend strenge zedigheid, soms een fijnzinnig hofleven zoals dat in Ferrara of losballige orgiën, daarin leefde ook Josquin des Prez. Van veel van zijn werken weten we niet wanneer hij ze gecomponeerd heeft, maar wel van het “Ave Maria”, misschien wel het mooiste muziekstuk dat hij gemaakt heeft. Hij maakte het in Milaan. Daarover zo meteen meer.

maagd op de rotsen

In 1483 schilderde Leonardo, eveneens in Milaan “de Maagd op de rotsen.” Het was een opdracht van de “broederschap van de Onbevlekte Ontvangenis” om een altaarstuk te schilderen voor de Franciscaner kerk. Hij schilderde het middenstuk, andere schilders beschilderden de zijpanelen. Er op staan Maria, het kind Jezus, de jonge Johannes de Doper en een engel. Het gaat om een apocriefe scene over de ontmoeting van de heilige familie met Johannes als ze op weg zijn naar Egypte, nadat koning Herodus tot de kindermoord had bevolen. Hij heeft twee versies geschilderd. De eerste versie, die nu in het Louvre hangt, heeft hij waarschijnlijk verkocht toen er gedoe kwam over de betaling. Later heeft hij de tweede versie dan alsnog voor de broederschap gemaakt. Die tweede versie hangt nu in de National Gallery in Londen. We zien hier boven de eerste versie.

In die tijd was het nog controversieel dat Maria onbevlekt ontvangen zou zijn. Met name de Franciscanen hebben deze stelling ten zeerste gepromoot, en ook in dit schilderij zou dat idee op de een of andere manier aanschouwelijk gemaakt moeten worden, zo was de opdracht. Letterlijk luidde de opdracht: Maak een afbeelding met Maria. haar gewaad van goudbrokaat op karmozijn, in olieverf afgewerkt met fijne vernis. Daarbij het kind Jezus omringd door engelen en de twee profeten. Leonardo deed waar hij zin in had: hij liet de profeten weg, maakte slechts één engel (voor wie waarschijnlijk zijn jonge geliefde model stond) en haalde Johannes de doper erbij. Zo koos hij voor een mooie landelijke scene die weinig met de opdracht te maken leek te hebben. De profeten, waarschijnlijk Jesaja en Nephi, waren belangrijk in het verhaal. Ze moesten een soort testamentisch bewijs van de maagdelijkheid van Maria vormen. We lezen namelijk in het oude testament bij Jesaja: ‘Zie, de maagd zal zwanger worden. Zij zal een Zoon baren en Hem de naam Immanuel geven’ (Jesaja 7:14), en bij Nephi: Zie, de maagd die gij aanschouwt, is de moeder van de Zoon Gods, naar het vlees’ (1 Nephi 11:18).

Iets van die gedachte zien we misschien op het eerste gezicht toch nog. We zien een grot van kale rotsformaties waaruit op magische wijze bloemen ontspringen. We hebben het idee te kijken in het binnenste van de aarde. De figuren voor de grot baden in een warm licht, maar in de beschaduwde grot is het angstaanjagend donker. Leonardo da Vinci schreef eerder al eens over een mysterieuze grot waar hij tijdens een wandeling was langs gekomen. Het schijnt trouwens dat de onderdelen van de grot met een nauwkeurige geologische accuratesse zijn geschilderd, ze zijn duidelijk naar de natuur weergegeven. Ook de planten kloppen, ze staan uitsluitend op stukken zandsteen die zo ver geërodeerd zijn dat er wortels in kunnen doordringen. Ze staan nergens in het harde gesteente. Ook de soorten die je ziet komen in hetzelfde jaargetijde voor. Maar tegelijk is er sprake van symboliek: om de zuiverheid van Christus weer te geven wordt vaak een witte roos gebruikt, in dit geval kiest hij voor een witte stengelloze sleutelbloem. Vaag zichtbaar zien we boven de linkerhand van Maria een rozetje lievevrouwebedstro. Volgens een van de legenden zou Jozef deze plant gebruikt hebben als bed voor het kindje. Maar vreemd genoeg lijkt verder het verhaal vooral te gaan over Johannes de Doper, een van de favoriete thema’s van Leonardo. Johannes zit op zijn knieën met zijn handen eerbiedig gevouwen en Jezus zegent hem, zijn andere hand rust op een steen. Het lichaam van Maria lijkt in een draaiende beweging bevroren, ze kijkt naar Johannes en houdt een hand beschermend over het hoofd van haar kindje. Met de andere hand houdt ze liefdevol Johannes vast. De engel met zijn mooie krulhaar wijst naar Johannes en de andere hand rust ook op een steen. Het lijkt wel een oefening in gebaren en handhoudingen, een oefening die hij nog uitgebreider lijkt te herhalen als hij enkele jaren later het Laatste Avondmaal schildert.

handen

Zoals we zagen was de onbevlekte ontvangenis nog geen gemeengoed in de kerk en waren vooral de Franciscanen bezig om dat idee te promoten. Als we kijken naar de tekst van het Ave Maria zoals Josquin die gebruikte bij zijn compositie uit 1483, dan zien we daar ook een aantal verwijzingen naar die onbevruchte ontvangenis. Deze onderdelen komen in het officiële weesgegroetje, waarvan de tekst uit de elfde eeuw stamt, niet voor. Ik heb de betreffende passages vet weergegeven. Zou ook Josquin een opdracht kunnen hebben gehad van dezelfde broederschap? Het lijkt erg waarschijnlijk.

Ave Maria, gratia plena,
Dominus tecum, virgo serena.
Ave, cuius conceptio, solemni plena gaudio,
Caelestia, terrestria, nova replet laetitia.
Ave, cuius nativitas nostra fuit solemnitas,
Ut lucifer lux oriens verum solem praeveniens.
Ave pia humilitas, sine viro fecunditas,
Cuius annuntiatio nostra fuit salvatio.
Ave vera virginitas, immaculata castitas,
Cuius purificatio nostra fuit purgatio.
Ave, praeclara omnibus angelicis virtutibus,
Cuius fuit assumptio nostra fuit glorificatio.
O Mater Dei, memento mei. Amen.

Wees gegroet Maria vol van genade,
De Heer is met u, serene Maagd.
Gegroet, gij wiens conceptie, vol grote vreugde,
De hemel en de aarde vervult met nieuwe blijdschap.
Gegroet, gij wiens geboorte voor ons een groot feest werd,
Als de verlichtende morgenster anticipeert u op de ware zon.
Gegroet, trouwe nederigheid, die vruchtbaar was zonder man,
Van wie de aankondiging tot onze redding zou leiden.
Gegroet, ware maagdelijkheid, onberispelijke kuisheid,
Uw zuiverheid zou tot onze reiniging leiden.
Gegroet, glorieuze met al uw engelachtige deugden,
Uw liefdevolle bescherming zou tot onze verheerlijking leiden.
O moeder van God, denk aan me. Amen.

Josquin maakt hier gebruik van allerlei zettingstechnieken. Virtuoos wordt elk tekstdeel op een andere manier gezet. Maar opvallend is hoe het tekstdeel dat over de maagdelijkheid van Maria gaat er uitspringt:
Ave vera virginitas, immaculata castitas, cuius purificatio nostra fuit purgatio.
We horen hier een koraalzetting, alle stemmen hebben hetzelfde ritme, met uitzondering van de tenor, die telkens net een tel later komt. Het is een prachtig effect. Het doet me denken aan een passage in de Mariavespers van Monteverdi, waarin muzikaal wordt uitgebeeld dat alle mensen voor God gelijk zijn en de verschillen door hem weggepoetst worden. (Ut collocet cum principibus). Door zo’n verschuiving hoor je hoe dissonanten oplossen. Hier zou je dat kunnen interpreteren als “hoe haar zuivere maagdelijkheid bij ons tot zuiverheid leidt, wij worden door haar gereinigd”. Heel mooi is ook hoe aan het einde van die zin de maagdelijke zuiverheid van Maria nog even helemaal eenstemmig in de alt overblijft in het woord “purgatio” (reinheid). Koortechnisch mooi hoe het Gabrieli Consort er hier voor kiest om dat fragment op slechts een o-klank te zingen, maar ik denk dat Josquin echt wel gewild zou hebben dat je hier duidelijk het woord “purgatio” zingt, zoals ook in de partituur staat. Juist in die dingen laat Josquin zien dat hij de opdracht van de broederschap, het uitdragen van het mystieke wonder van de maagdelijkheid van Maria, begrepen heeft.

Ik schreef al eerder een artikel over deze compositie, zie de link onder aan deze pagina. Josquin heeft het ook met een afwijkende tekst op muziek gezet zoals je daar kunt zien. Bovenstaande versie heeft hij veel later ook nog bewerkt, hij wordt dan zesstemmig in plaats van vierstemmig. Dat was toen mode en er moest brood op de planken. Mooi gedaan, maar de originele versie uit Milaan vind ik veel mooier. De uitvoering die ik in dat eerdere artikel liet horen, (niet die ik toen live hoorde), dezelfde vierstemmige, is weer heel anders dan deze. Mijn ideale uitvoering zou een mix tussen deze twee uitvoeringen kunnen zijn. Hier boven hoor je het Gabriëli consort in een uiterst trage maar bijna engelachtige mystieke uitvoering. In dat andere artikel zingt het Gents vocaal ensemble hetzelfde stuk onder leiding van Philip Herrewhege, sneller maar met een heel natuurlijke tekstuitdrukking.

Josquin en Leonardo komen in Milaan met “de Maagd op de Rotsen” en het “Ave Maria” op een heel bijzondere manier opeens heel dicht bij elkaar. Misschien waren zij wel de twee grootste genieën van hun tijd. Ik stel me zo voor dat ze allebei in die Franciscaner kerk zijn en luisteren naar de opdracht van de broederschap. Leonardo broedt op de draai die hij er aan wil geven. Eerdere ideeën kan hij er wellicht in kwijt. Josquin luistert naar de akoestiek van de ruimte en kent de schola die hij kan gebruiken om het motet bij een Mariafeest in te wijden. Ik heb niet kunnen achterhalen of de betreffende kerk nog bestaat, ik vermoed van niet. Wel bestaat nog de zwaar beschadigde en nadien gerestaureerde Dominicanerkerk waar Leonardo enkele jaren later het Laatste avondmaal voor schilderde. Beide kunstenaars hadden het uitstekend naar de zin in het ruimhartige kunstminnende milieu waar ze toen in verkeerden. Leonardo da Vinci woonde in een niet gebruikt kasteel van de hertog en had daar ook een groot atelier waar hij niet alleen kon schilderen maar ook al zijn installaties voor hoffeesten kon ontwikkelen. En ook Josquin werd gewaardeerd en had waarschijnlijk de beschikking over een aantal goed getrainde zangers. Maar intussen borrelde en gistte het in Europa steeds meer. De zestiende eeuw met al zijn omwentelingen zat er aan te komen. Maria vluchtte naar Egypte. Leonardo en Josquin wisten nog niet wat de toekomst hen zou bieden. Maar even was het leven maagdelijk mooi.

Zie ook:
De Mona Lisa van Leonardo da Vinci
Leonardo die niet kon rekenen
Het laatste avondmaal van Leonardo da Vinci
Het Ave Maria van Josquin des Prez

Geplaatst in Geschiedenis, kunst, muziek | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

De Mona Lisa

De musea mogen binnenkort weer open, zoals ook de kerken weer open mogen. Dit alles wel nog met restricties. Veel kerken zijn trouwens al open: je kunt er naar binnen lopen om te bidden. Zoals dat vroeger normaal was. De meeste musea hebben gelukkig een website waar het een en ander virtueel te zien is. Op de site van het Louvre is er een onderdeel waarbij een aantal werken van het museum tot in detail kunnen worden bekeken, ook het beroemde schilderij “Mona Lisa”. Je kunt dan details zien die ook besproken worden in het boek “Leonardo da Vinci” van Walter Isaacson. In dat boek worden maar liefst 21 pagina’s gewijd aan de Mona Lisa. Het is het laatste onderdeel van het een na laatste hoofdstuk. De dingen die hij daar zegt lijken een logisch vervolg te zijn van al de dingen die in eerdere hoofdstukken al voorkomen, zoals in de hoofdstukken over zijn anatomische studies, of over zijn onderzoek naar de stroming van water, watervallen en irrigatie. In muziekstukken is de Coda vaak een hoogtepunt. Het deel over de Mona Lisa is een soort eerste Coda van het boek. Er komen er nog twee. Zo eindigt het boek met drie hoogtepunten.

Leonardo voltooide voor zover we weten slechts 16 schilderijen, en bij een deel daarvan was hij ook niet de enige schilder die er aan werkte. Dit met name bij de eerste schilderijen die hij in de werkplaats van Andrea del Verrocchio in Florence maakte. Toen hij daarna naar Milaan ging om aan het hof van Ludovico Sforza te werken was hij vooral iemand die allerlei toestellen en decors ontwierp die gebruikt werden bij feestelijke gelegenheden ter vermaak van de hertog, zijn hofhouding en zijn gasten. Honderd jaar later toen Monteverdi aan het hof in Mantua zijn eerste opera’s schreef klaagde hij dat de ontwerpers van decorstukken en effect beogende apparaten meer in aanzien stonden dan hij, die de muziek schreef. Leonardo kreeg aan dat hof waarschijnlijk ook al goed betaald.

Vanaf zijn vroege jeugd was hij iemand die alles wilde weten over anatomie, over hoe dingen werken, zoals het vliegen van een vogel. Hij maakte honderden tekeningen, die niet altijd een duidelijk doel hadden. Maar al gauw zag men dat hij ook verstand had van architectuur, beeldhouwkunst en schilderkunst. Hij ontwierp in Milaan het grootste ruiterstandbeeld aller tijden. Voor de bouw ervan had hij gigantisch grote hijsinstallaties en allerlei ander materieel nodig. Hij begon aan het beeld, maar het kostte hem zoals gewoonlijk veel tijd. Uiteindelijk was het benodigde brons opeens voor iets anders nodig, namelijk om er kanonskogels van te maken. De Fransen die even later Milaan veroverden, schoten als een soort sport het kleinere prototype van dat ruiterstandbeeld, dat wel al klaar was, aan diggelen. Er is daardoor geen enkel beeld van zijn hand bewaard gebleven. Als hij sprak over beeldhouwkunst en over schilderkunst noemde hij de eerste kunstvorm minderwaardig aan de laatste. Juist het subtiel kunnen werken met allerlei soorten kleur maakte de schilderkunst voor hem superieur. Zijn schilderijen waren altijd ontstaan uit een opdracht maar hij kon er, als hij tevreden over zijn werk was, geen afstand van doen. Zijn meest geliefde schilderijen nam hij steeds mee op reis. Onderzoek heeft uitgewezen dat hij daaraan nog bleef schaven, het was voor hem blijkbaar nooit af.  Sommige werken kon hij natuurlijk niet mee nemen, zoals de opdracht uit 1503 om een wand te beschilderen in het Palazzo Vecchio in Florence. Het moest de slag bij Anghiari verbeelden, een van de weinige veldslagen die de Florentijnen wonnen. Hij werkte er jaren aan, kreeg stevige aanbetalingen maar toen hij kans zag om terug naar Milaan te gaan liet hij het met het grootste gemak onaf achter. Wel zijn er veel tekeningen van dat grootse schilderij bekend zodat we er ons achteraf een goed beeld van kunnen vormen. Het had een enorm dynamisch geheel moeten worden, het was eigenlijk meer een bewegingsstudie dan een mooi statisch verhaal waar de renaissancekunstenaars zo goed in waren. Hij was zijn tijd vooruit. Waar de veel jongere Michelangelo nog mooie duidelijke lijnen schilderde om de objecten in hun omgeving te plaatsen, schilderde Da Vinci naar de natuur: lichtval, subtiele overgangen, al dat soort dingen waren voor hem essentieel. De sfumato-techniek, het vervagen van contouren, is door hem uitgevonden en door  Rafaël en navolgers omarmd.

Door zijn obsessie voor beweging onderzocht hij tot in detail uit wat er allemaal gebeurde als iemand iets zei. Ook de tong van de specht was een afzonderlijk studie object. Hij maakte altijd “to-do lijstjes” en op een van die lijstjes lezen we: “onderzoeken hoe de tong van de specht werkt”. Dit heeft hij ook zeer uitgebreid gedaan en hij trok er een aantal conclusies uit. Zijn wetenschappelijk anatomische onderzoeken, toegelicht met tekeningen, zijn nog steeds indrukwekkend. Hij had het idee ooit een encyclopedie te gaan maken waar al die dingen een plaats zouden krijgen.

laatste-avondmaalMaar niet alleen de puur technische kanten van beweging hadden zijn interesse: hij wilde ook weten wat er gebeurde met ogen, neus, wang, lippen of ledematen als iemand boos, verdrietig, blij, opgetogen was. Zijn beroemde “Laatste Avondmaal” is een schilderwerk waarin hij dat probeerde toe te passen. De menselijke psyche en de typologie van karakters zijn daar weergaloos vormgegeven. In de abdij van Tongerlo staat een reproductie uit 1507, waar hij misschien zelf nog mede aan gewerkt heeft (zie hierboven). Deze reproductie is in veel betere staat dan het sterk gehavende originele exemplaar van Milaan. Een van de best betaalde mensen aan het hof van Ludovico Sforza was een astronoom. Ook Leonardo maakte gebruik van zijn diensten. Hoewel er geen bewijs voor is, is het zeer aannemelijk dat Leonardo bij het schilderen van dit werk de psychologie van de karakters zoals ze bij de tekens van de dierenriem beschreven worden heeft proberen weer te geven. De kennis die hij verwierf met betrekking tot de menselijke psyche heeft hij ook toegepast in portretten: het moesten menselijke portretten zijn, niet geïdealiseerd. Ook in dat opzicht had hij ideeën die pas in de baroktijd meer algemeen werden.

“De mikrokosmos is een weergave op een ander niveau van de makrokosmos”. Dat idee heeft hij zijn hele leven omarmd. Op een gegeven moment  ging hij de loop van rivieren vergelijken met de menselijke bloedsomloop. Hij onderzocht fanatiek alle vormen van stromingen, watervallen, draaikolken en probeerde er achter te komen wat het equivalent daarvan was bij de mens. Hij ontdekte de functie van het hart als een soort pomp en dacht dat zo iets ook met water aan de hand moest zijn. Uiteindelijk kwam hij er achter dat het water op de toppen van de bergen daar terecht komt door waterdamp in wolken. Hij verliet toen ook het idee van een soort “hartpomp in de aarde”. Maar de aarde die gevoed wordt door het stromende water bleef voor hem een equivalent van het bloed dat vanuit het hart de mens voedt.

Leonardo da Vinci had krullend haar en zo ook zijn minnaars. Hij vond de kronkelingen en spiralen die hij zag in krullend haar fantastisch. Zoals hij draaikolken tekende bij het weergeven van de zondvloed, zo schilderde hij ook fanatiek haarlokken.

monalisaEn dan terug naar dat ene schilderij waar al deze dingen lijken samen te komen: de Mona Lisa. Als onderlaag heeft hij dik loodwit aangebracht. Een klein deel van het licht dat door de verflagen heen komt wordt door dat loodwit weerkaatst wat allerlei subtiele mogelijkheden geeft.  Voor de schaduwen op het gezicht gebruikte hij glaceerlaagjes met heel weinig pigment in de olie, en hij werkte daar met een zeer fijne penseel. Ook brengt hij deze penseelstreken doelbewust onregelmatig aan waardoor de textuur van de huid nog meer levensecht wordt. In een passage in een aantekenboek schrijft hij: “Als je een portret wilt maken, doe dat dan bij onbestemd weer of als de avond valt. Je kunt dan veel meer zachtheid en verfijning waarnemen.“ Mona Lisa was een vrij eenvoudige vrouw, niet van adel. Zij was de vrouw van een zijdehandelaar. Het weergeven van haar kleding was dus belangrijk. Het portret, dat overigens nooit is afgeleverd, moest ook een reclamefunctie hebben. Haar jurk bolt zacht, het licht valt op de verticale vouwen en rimpels. De mosterd- en koperkleurige mouwen stralen met een zijdeachtige glans die verblindt door zijn schoonheid. In de halslijn van haar jurk zien we twee rijen geknoopte spiralen, waartussen gouden ringetjes zijn verweven die het licht vangen.

monalisadetail2bDan zien we in de volgende rij knopen in de vorm van kruisen, van elkaar gescheiden door steeds twee zeshoekige windingen. Behalve in het midden, daar zijn het er drie omdat er een subtiele vouw in de jurk is. Het haar is bedekt met een sluier als teken van zedigheid. Deze is bijzonder transparant.  Het landschap op de achtergrond kun je er doorheen zien en waar de jurk er onder aanwezig is krijgt deze een donkerder kleur. Het haar valt in golven over haar schouder met een waterval aan krullen.

monalisadetail1bDe ragfijne sluier doet denken aan het mistige landschap op de achtergrond. We zien alles als het ware door een sluier. Het landschap is een uiting van het levende en kloppende lichaam van de aarde. Haar aderen zijn de rivieren, haar wegen de pezen, haar rotsen de beenderen.

monalisadetail3bVolg je met je ogen het kronkelende pad van de rivier rechts zoals dat na de brug op ons afkomt, dan lijkt dat wel op de zijden halsdoek die Lisa over haar linker schouder heeft gedrapeerd. De plooien van de doek lopen bijna recht. Totdat ze haar borst bereiken en wat gaan draaien en kronkelen, bijna identiek aan hoe Leonardo stromend water tekent. De kronkelweg links maakt een bocht alsof hij recht op haar hart afgaat. Haar jurk net onder de halslijn rimpelt en stroomt langs haar romp naar beneden als een waterval.

Waar komt het beroemde Mona-Lisa-effect vandaan, het gevoel dat wanneer je aan het schilderij voorbij loopt zij jou overal steeds lijkt aan te kijken. Dit schijnt te komen door de meesterlijke beheersing van de kunstenaar van het aanbrengen van schaduwen en het gebruik van licht. En wat is er aan de hand met haar goddelijke glimlach? In de tijd dat Leonardo aan het schilderij werkte bracht hij nachten door in het lijkenhuis onder een ziekenhuis, waar hij de huid van lijken vaak laag voor laag weg sneed om spieren en zenuwen te kunnen zien. Hij wilde weten hoe een glimlach anatomisch werkt. Zo schrijft hij bij anatomische tekeningen uit 1508 nauwkeurig wat al die spieren doen, welke bijvoorbeeld de lippen doen tuiten. Maar hij maakte op dat vel ook een eenvoudig, onduidelijk tekeningetje (midden boven) met een minzame glimlach. Was dat een voorstudie?

lippenstudie

Er valt nog veel meer over dit schilderij te vertellen. Net als over de figuur Leonardo da Vinci. Walter Isaacson schrijft 21 pagina’s over de Mona Lisa, de rest van het bijna zeshonderd pagina’s tellende boek geeft een schat aan verdere informatie over deze kunstenaar en zijn werk. Ik heb nog een andere biografie over hem, deze is van Matthew Landrus. Het aardige van dat boek is dat het maar liefst dertig uitneembare facsimele’s bevat van zeldzame documenten.

De Mona Lisa is terecht misschien wel het allerbelangrijkste kunstwerk van zijn tijd. De enorme technische mogelijkheden die de kunstenaar had worden in dit portret virtuoos geëtaleerd en het hele wezen en denken van de Homo Universalis Leonardo da Vinci, balt zich in dit schilderij samen.

  • Leonardo da Vinci, de biografie. Walter Isaacson. Uitgeverij Unieboek, het Spectrum, ISBN 978 90 00 36423 7, Ook als e-book of als luisterboek verkrijgbaar.
  • De geheimen van Leonardo da Vinci. Het verhaal over zijn leven en werk met 30 uitneembare facsimele’s van zeldzame documenten. Matthew Landrus, http://www.boekenwereld.com, ISBN-10:90 215 8476 X
Geplaatst in kunst | Tags: , , , | 1 reactie

Leonardo da Vinci kon niet rekenen. Mijn kleinzoon ook niet.

Leonardo da Vinci leefde in een tijd dat het hebben van Moorse slavinnen in de hogere kringen heel normaal was, dat pausen van verschillende maîtresses kinderen hadden, dat oorlog voeren en  het martelen van politieke tegenstanders aan de orde van de dag was. Hij zelf was een bastaard en kon daardoor niet in aanmerking komen voor bepaalde ambten. Hij was vegetariër maar heeft diverse openbare secties op het lichaam van ter dood gebrachte misdadigers bijgewoond. Ook ontleedde hij zelf allerlei vogels, schapen en koeien. Omdat hij iets wilde weten over de  botten, de organen, de zenuwbanen, de spieren of het bewegingsapparaat. Vooral omdat hij het wilde wéten, maar ook omdat hij het misschien kon toepassen in een schilderij of omdat hij een uitvinding in zijn hoofd had. Hij maakte vrijwel nooit iets af. Hij maakte onder meer oorlogswerktuigen of ontwierp irrigatiewerken die nooit gebruikt zijn, Bijna al zijn schilderijen zijn onaf. Ook als kunstenaar was hij onbetrouwbaar. Al heel snel was hij alweer in iets anders geïnteresseerd. Hij had niet de Latijnse school  maar de abacusschool doorlopen. Het plan was dat hij in Florence een technisch beroep zou gaan uitoefenen. Met algebra en rekenen heeft hij heel zijn leven moeite gehad, maar zo gauw hij iets kon visualiseren was hij ongeëvenaard. Hij was een kei in alle vormen van meetkunde. Hoewel hij wist dat je bepaalde problemen met de zuivere wiskunde kon oplossen tekende hij liever alles en onderzocht zo hoe iets in elkaar zat. Omdat hij niets afmaakte verdiende hij bijna niets. De meest lucratieve opdrachten liet hij lopen omdat hij er domweg geen zin in had. Toch was hij geliefd, ook bij zijn opdrachtgevers. Hij was welbespraakt en buitengewoon innemend.

Onwillekeurig moest ik bij het lezen van de biografie van deze duivelskunstenaar door  Walter Isaacson aan mijn oudste kleinzoon denken. Bijna altijd is hij vrolijk, goedlachs en welbespraakt. En in veel opzichten is ook hij begaafd. Zo heeft hij een bijzonder goed muzikaal gehoor. Maar door zijn karakter en zijn autisme komt dat er nog niet altijd even goed uit. Als je hem een betere vingerzetting op de piano laat zien wil hij dat best wel proberen, maar als ik hem daarna weer zijn stukken zie spelen past hij dat dan niet toe. De vingerzettingsoefeningen die ik hem geef  met toonladders en drieklankbrekingen oefent hij nauwelijks en als ik er dan weer een keer bij ben blijkt hij het toch weer op zijn eigen manier te doen. Er zit iets in hem dat ik van mezelf herken: “op deze manier gaat het toch ook? En ik vind dat minstens zo handig.” Alleen je loopt vast, dat weet ik door schade en schande inmiddels en dat weet hij nog niet. Piano spelen is voor hem muziek maken en toonladders spelen is dat niet. Moeilijke passages er uit lichten en die eindeloos oefenen is geen muziek maken: hij speelt het hele stuk veel liever nog weer meerdere keren in zijn geheel en loopt vervolgens steeds weer vast bij de moeilijke passages. Het is hem bijna niet aan het verstand te peuteren. Noten lezen: hij wil er nog niet echt aan. Maar zijn muzikale gehoor is verbluffend. Laatst transponeerde hij een stuk naar een andere toonsoort. Hij weet nog niks van toonsoorten, maar door veel te improviseren weet hij inmiddels wat de afstanden betekenen en dat past hij dan door goed te luisteren toe. En alles wat hij mooi vindt probeert hij na te spelen, liefst ook met twee handen.

Ook het tekenen heeft iets vluchtigs. Hij tekent heel erg goed, perspectief, grote lijnen, hij zet de contouren van een tekening in een handomdraai op papier. Maar de meeste tekeningen blijven onaf, hij raakt opeens afgeleid en daarna gaat hij niet meer verder met die tekening, liever maakt hij daarna weer een andere. Als hij een filmpje heeft gezien, een boek heeft bekeken of buiten onderweg iets  tegen is gekomen: hij wil het tekenen. Voortdurend heeft hij ideeën en hij kan dan bijna niet wachten om het op papier te zetten. Een enkele keer rondt hij het wel af en gaat het zelfs inkleuren, maar ook dat is hij meestal al snel weer zat.

Twee tekeningen van de afgelopen week: Zijn tantes zijn op weg naar Madurodam, daaronder: een patiënt die wordt verzorgd en die daarna naar het ziekenhuis zal worden vervoerd.

tantes-in-trein

patient-naar-ziekenhuis

“Iets tekenen” is voor hem  een manier om vat op dingen te krijgen. Nog meer doet hij dat misschien in zijn kinderspel, vooral ook in zijn toneelspel. Toen hij de paus het “Urbi et Orbi” had zien uitspreken in een lege Pieterskerk ging hij voor paus spelen. En hij hield daarbij ook een toespraak en vertelde over allerlei dingen, ook over de coronacrisis. Hele monologen kan hij dan houden.

Lezen, schrijven, alles met taal doet hij moeiteloos. Maar waarom heeft hij zo’n moeite met rekenen? Hij kan al jaren tellen, ook achteruit of in een andere taal. Als vierjarig jongetje was hij al gefascineerd door de getallen op hectometerpaaltjes. Maar de sommen uit “wereld in getallen” vindt hij heel erg lastig. Als ik hem dan help bij zijn huiswerk merk ik om te beginnen dat hij snel is afgeleid door de plaatjes. De afbeeldingen moeten sommen visualiseren maar voor hem zijn het afbeeldingen op zich waar hij naar kijkt en waarbij hem dingen opvallen: vorm, kleur en ook dingen die naar zijn idee niet kloppen. De som zelf, daar is hij dan subiet  niet meer mee bezig. Dan zijn er dingen die hij niet snapt qua visualisatie: je ziet een klok, daarop is het 10 uur. Nu moet je op een streep met 24 vakjes bij “de 10”- dat vakje arceren. Dan zie je op een andere klok dat het 2 uur is. Nu moet je alle vakjes tot 2 uur arceren. Dan moet je in nog weer een ander vakje invullen hoeveel uur het is van 10 tot 2 uur. En zo worden alle mogelijk sommen op telkens weer andere manieren gevisualiseerd. Ik denk dat hij in dit geval erg gebaat zou zijn met domweg leren klok kijken. Niet meer en niet minder, totdat hij van alles door heeft hoe dat werkt. Dan vraag je hem doodleuk als je een klok hebt laten lopen van 10 tot 11 uur. Hoeveel uur later is dat? En ook dat eindeloos, zonder visualisaties. Zo vaak tot hij het principe door heeft. Idem met optellen en aftrekken, gewoon heel veel doen, de enige ondersteuning bij veel van die sommetjes zou een telraam kunnen zijn. En alles zo vaak doen totdat elk sommetje net als een tafel iets is dat je “gewoon weet”. En geen dingen laten doen die hem afleiden.

Maar hij is wel geïnteresseerd in dingen om hem heen en daar kun je gebruik van maken. Hoe lang is je wijsvinger? Meet het maar. En je potlood, je liniaal? Leer hem dat je tegen 10 cm ook 1 dm kunt zeggen. En tegen 100 cm 1 meter. Laat hem grotere dingen meten. Eerst globaal door pasjes te maken. Zoek maar eens uit hoe groot een pas moet zijn om een meter te stappen. Poe hei, lukt dat niet? Zullen we dan twee pasje maken om een meter te lopen? Hoe klein moeten twee pasjes zijn om samen een meter te zijn? Ga maar eens 10 meter lopen, Telkens twee pasjes is een meter. Dat vindt hij leuk. Net als voor elke maaltijd tot honderd tellen. Samen met zijn broertje en zusje lopen ze al tellend vrolijk kringetjes rond de keukentafel. Vijftig meter schat ik…

Ook is hij geïnteresseerd in spoorboekjes. Helaas bestaan die niet meer maar dan gaan we er toch gewoon eentje maken? Met alle treintijden op de lijn Gouda Goverwelle – Den Haag Centraal. Links zet je eerst de namen van de treinstations. Boven van links naar rechts de vertrektijden van zowel de sprinters als de intercity’s. Met aparte kleuren, bijvoorbeeld zwart door de week, zaterdag blauw, zondag rood. Zo iets moet natuurlijk mooi worden afgewerkt. Met NS-kleuren en het NS-logo erbij. Als je hem kent kun je veel dingen aanboren die leuk zijn en waarvan hij tegelijk dingen leert die nodig zijn.

Leonardo da Vinci was vegetariër, mijn kleinzoon heeft een eetfobie. Vegetariër zijn, dat was rond 1500 zeer ongebruikelijk. Nu mag je eten wat je wil, voor ieders smaak, allergie of fobie is er wel wat te verzinnen. Ik denk trouwens dat Leonardo helemaal niet zo’n slecht leven heeft geleid. Hij droeg opzichtige kleren, was homofiel en had een vriend, deed alleen de dingen die hij leuk vond en was bij veel mensen geliefd. Hij onderzocht met veel passie hoe de wereld in elkaar zat en tekende het van zich af. Hij schijnt ook zeer verdienstelijk de lier bespeeld te hebben. Zo mag je hopen dat ook in deze tijd mijn kleinzoon zijn weg zal vinden. Vooral in zijn muziek en tekenen is hij gelukkig. Hij is nog steeds heel kwetsbaar omdat hij zo anders is en veel dingen van de wereld om hem heen niet snapt. Maar door zijn talent en de fantastische mensen om hem heen gaat hij het vast wel redden. Een van de grootste genieën aller tijden kon immers ook niet rekenen.

 

 

Geplaatst in kleinzoon | Tags: , , , , | 3 reacties

De natuur op zijn mooist

Mijn moeder zei altijd: de mooiste tijd om wilde bloemen in de natuur te bewonderen is de periode van mei tot en met de eerste helft van juni. Ik denk dat het ook de mooiste tijd is om te luisteren naar zangvogels. En een van de mooiste plekken om dan te vertoeven zijn de duinen van Oostvoorne. Deze bloemen en nog veel meer zag ik daar:

Rietorchis, Zenegroen, Bosaardbei, Akelei, Salomonszegel, Lelietje-der-Dalen, Rolklaver, Wondklaver, Ossetong,  Watermunt, Dagkoekoeksbloem, Tormentil, Bosviooltje, (Bladeren van) Brede Orchis, Boterbloem, Gewone Vleugeltjesbloem, Grasklokje en de Welriekende Nachtorchis. Vooral de prachtige bloesem van de meidoorn is nu overweldigend. En wat ik hoorde mag je zelf proberen te determineren:

Geplaatst in natuur | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Wordt het weer beter?

weer

wolken

Ik krijg een warm gevoel van Angela Merkel

Een longarts zegt: de kans is groot
een werkend vaccin dat komt er niet.
De zon schijnt buiten, mijn vest is dicht.

De kleine dokter snuift Urticalcin.
Emmanuel Macron schildert vergezichten.
Mijn beeldscherm tovert hemelse toppen.
Het bloeiende gras wuift alles weg.

De Zweden hopen op groepsimmuniteit.
Wit-Rusland weet: zonder visum geen virus.
De zon kijkt om en is verdwenen.
Wolken, donker, waaien zij over?

De vogels lijken het twitteren verleerd.
Maar kijk, ik klik op prachtige bloemen.
Een zon die schijnt, een open vest.

Geplaatst in maatschappij | Tags: , , | Plaats een reactie

Thuis

Vandaag kreeg ik een mailtje van google: de “google maps Timeline” . Deze was opgemaakt vanaf 1 april tot en met vandaag. Mijn telefoon staat zo ingesteld dat mijn locatie voortdurend bij Google bekend is. Dus Google weet precies waar ik ben geweest. Dat hadden ze in Frankrijk verplicht moeten stellen.
-‘Mag ik uw telefoon even zien?’ U bent deze week naar de Intermarché geweest zie ik, maar ik zie dat u ook nog enkele andere verplaatsingen van meer dan 2 km heeft gemaakt. Dat kost u 150 euro.’

Ik zag op mijn timeline de dagen dat ik naar de Coöp ben geweest en ook bijvoorbeeld de dagen dat ik me niet verplaatst had. Er was op die dagen geen blauwe streep getrokken over de landkaart. Bij vandaag stond er wel een blauwe streep.  Ik had me verplaatst. Maar Google had geen flauw idee wat mijn doel zou kunnen zijn geweest.

timeline
Google wilde weten wat ik op die blauwe streep deed. Er was een ontbrekende activiteit. Ik kon een activiteit toevoegen.

En verder wilde Google ook graag weten wat het doel van mijn verplaatsing was geweest. “Ben je hier geweest?  Opperduit 1 Ja/nee.”
Bij nee zou ik een alternatieve locatie kunnen invullen. Google zou dan weer heel blij zijn geweest. Ik heb Google teleurgesteld. Google weet nog steeds niet wat mijn activiteit was op die blauwe streep en weet ook nog steeds niet wat mijn doel was. Behalve als hij mijn blog leest….

Ik heb vanuit huis 600 meter geslenterd, door het riet. Ik plukte er enkele stengels van de watermunt. Ik stond herhaaldelijk stil, keek om me heen en luisterde naar alle geluiden. Ik kwam uit bij de Lek en heb ook daar een minuutje staan kijken. Toen slenterde ik weer over het zelfde paadje terug, nog weer eens 600 meter. Thuis gekomen maakte ik muntthee. Verder was ik thuis.

Dat laatste vermoedt Google dan weer wel. Maar hij weet niet wat ik daar deed. Hij weet absoluut niet wat ik zo zag in mijn tuin.

boterbloem

dauwbraam

honingbij

lookzonderlook

paardenbloem

paardenbloem-2

sering

stinkendegouwe

vlier

En Google weet ook niet wat ik vandaag allemaal hoorde:

Ik leefde vandaag het saaie leven van iemand die alleen maar thuis was. Met slechts de verplaatsing van een onbeduidende blauwe streep vanaf mijn huis. Waar ik draalde en slenterde, om me heen keek en wat luisterde. En ik dronk ook nog eens thee.

Geplaatst in natuur | Tags: , , | Plaats een reactie

Concerten in lege zalen

Er zijn nu opeens allerlei extra mogelijkheden voor sommige musici om in deze coronacrisis toch nog te kunnen optreden. Zo heeft het concertgebouw de zogenaamde  “Empty Concertgebouw Sessions”.  Een muzikant verzorgt samen met maximaal drie door hem of haar geselecteerde andere muzikanten een concert van een half uur in een lege concertzaal. Zo nodigde de violist Rosanne Philippens haar zus Julia, de altviolist Joël Waterman en de cellist Lidy Blijdorp uit. Ze speelden een programma met prachtige stukken van Menuhin/Grapelli, Bach, Ravel, Schumann en Beethoven.

Ik kreeg de link doorgestuurd en toen ik in de keuken bezig was opende ik deze op mijn telefoon. Mijn oudste kleinzoon kwam aangelopen en vroeg nieuwsgierig wat dat was. Geboeid bleef hij kijken en luisteren. Bij elk nieuw stuk vroeg hij aan mij: ‘van wie is dat?’ Een concert van bijna een half uur op een telefoon, zonder problemen bleef hij geboeid luisteren. Dit tot halverwege de Cavatina van Beethoven. Dat was het laatste stuk, toen liep hij pas weg. Dat begreep ik, de Cavatina is een verstild stuk dat niet onmiddellijk toegankelijk is. Maar waarschijnlijk liep hij om een heel andere reden weg. Hij had opeens een idee gekregen, hij wilde iets gaan doen. Die Cavatina, die was van Beethoven en die componist kende hij! Hij ging in zijn eentje een spelletje doen, ik zag hem allerlei rare bewegingen maken met zijn armen. Wat was hij in godsnaam aan het doen? En hij zong er intussen bij: jawel hoor, hij zong de vijfde symfonie van Beethoven, inclusief alle snelle loopjes, wat trouwens niet gemakkelijk is. Toen snapte ik het: hij was een filmpje aan het naspelen. Een filmpje  dat al sinds een half jaar in de sociale media circuleert. In dat tekenfilmpje hoor je het eerste deel van de vijfde symfonie van Beethoven, terwijl  je intussen  fietsers ziet. Een prachtig filmpje waarmee de textuur en de vorm van het stuk op een grappige manier aanschouwelijk wordt gemaakt. En dat deed hij na,  met zijn armen. Hij was van heuvels af aan het fietsen, tètètètèh!.

Diezelfde dag was er nog  een mooi moment. Mijn vrouw ging achter de piano zitten en begon Debussy te spelen. Onmiddellijk nieuwsgierig liep hij er naar toe en keek zijn ogen uit. Zo kan een piano dus ook klinken, met breed gespeelde gebroken akkoorden. En niet snel daarna ging hij zelf achter de piano zitten en begon te spelen. Al improviserende maakte hij een soort herschepping van de eerste arabesque van Debussy.

Behalve het concertgebouw zijn er nog meer concertzalen die nu mooie initiatieven hebben. Zo is er elke middag een streaming concert vanuit de Doelen Rotterdam. Deze concerten zijn telkens om kwart over 12 te zien op youtube en blijven ook daarna nog terug te zien. De vorige week speelden onder meer de broers Jussen in een lunchpauze concert. Op 1 mei, morgen, is er een concert dat is samengesteld door Lidy Blijdorp, de cellist die ook al in het concertgebouw was te horen. Ze speelt dan samen met Rosanne Philippens. Een aantal stukken zijn bewerkingen die zij maakte van bestaande stukken. Dit concert kun je hier onder vinden, je hoort dan achtereenvolgens:

  • Debussy: Syrinx (bewerking voor cello solo)
  • Ysaÿe: l’Aurore (viool solo)
  • Ravel: Sonate voor viool en cello (drie delen)
  • Schumann: “Vogel als Prophet” (bewerking voor viool en cello)
  • Enescu:  Ciocarlia (bewerking voor viool en cello)

Over dat concert kun je meer lezen op de hermitage blog van een vriendin

Nog zo’n leuk initiatief: Het Rotterdams Philharmonisch orkest gaat steeds meer van hun eerdere opnames streamen. En ook de orkestleden zitten niet stil, ze vertellen iets over hun ervaringen met die stukken zodat je nieuwsgierig wordt om zo’n opname te gaan beluisteren:

’s Avonds brachten we onze kleinkinderen naar huis. Op een gegeven moment zat de oudste helemaal alleen afgezonderd in de huiskamer achter een soort weefgetouw te zingen, terwijl hij aan de touwen zat te plukken. Ik liep even naar binnen.
-‘Wat doe je?’
-‘ Ik speel cello.’
Volgens mij speelde hij het eerste stuk van Menuhin/Grapelli na, en dan wel de cellopartij, dus hij imiteerde Lidy Blijdorp die daar in dat tweede stuk van het “lege concertgebouw concert” heel lang als een contrabassist jazzy zat te plukken. Heerlijk!  Hij maakte allerlei fantastische klanken, net zoals in dat stuk. Zijn huisgenoten zaten in de keuken, hij speelde in zijn eentje een “empty concertgebouw concert”. Het publiek was hijzelf. Meer publiek had hij niet nodig. In zijn hoofd is er plek zat, veel meer dan de minimale anderhalve meter.

 

 

 

 

Geplaatst in kleinzoon | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

Stilte

Wat klonk er een ongelooflijke hoop herrie enkele weken geleden in mijn tuin. Die herrie werd veroorzaakt door recreërende motoren op de dijk. Extra veel waren het er, waarschijnlijk doordat er erg veel gesloten was vanwege de coronacrisis, je moet toch wat…

Nu is men afgelopen week begonnen met werkzaamheden bij het poldergemaal en daardoor is de dijk vier weken afgesloten. Wat is dat genieten! Ook de lucht is gelijk meer zuiver. Bijna zeven minuten lang nam ik de stilte op, een weldadige stilte, slechts ingevuld door de rustgevende geluiden van vogels in de achtertuin, met toch nog het geluid van een enkele auto. Je hoort diverse vogels, als meest prominente hoor je een merel, af en toe een bonte specht, een vink, een roodborstje, een duif en meer. Of op de achtergrond het blaffen van een hond in de verte. Ik kan hier heel lang naar luisteren.

Geplaatst in natuur | Tags: , , , | Plaats een reactie

De stoomwals

Als we onze kleinkinderen terug brengen naar hun huis luiden er bijna steeds klokken in het stadje waar ze wonen.
-‘Van welke kerk zijn deze klokken?’ vroeg mijn oudste autistische kleinzoon van 6. Ik oriënteerde me waar het geluid vandaan kwam en wist het niet. Hij dacht het wel te weten:
-‘Ze zijn niet van de protestantenkerk, want die klinken zo’: feilloos deed hij de protestantenklokken na. Ik herkende het geluid en realiseerde me dat hij het zelfs qua toonhoogte exact goed had. Alle geluiden die hij hoort slaat hij op en verwerkt hij op zijn manier.

teilOpeens bij ons thuis begon hij achterom met de zinken teil over het asfalt te slepen. Zijn zusje van drie jaar wilde hem helpen. –‘Zullen we hem dragen?’ Maar dat was niet de bedoeling. Hij speelde dat het een stoomwals was. Inderdaad, als je naar het slepende geluid luisterde leek dat sprekend op het helse kabaal van een wals die op weg is naar de plaats waar hij gaat worden ingezet. Zijn zusje ging akkoord en ging ook mee “stoomwals” spelen. De volgende dag trouwens deed de teil dienst als gevangenis. In de kelder is het een beetje donker, je kun er vanuit de achterdeur zo naar binnen lopen. Een ideale plek om gevangenen vast te zetten. Die worden aangevoerd in een buggy en daarna kunnen ze in de teil worden weggestopt. Broer en zus doen mee en laten zich gewillig “opsluiten”. Ze weten dat dat helaas met boeven zo moet. Hadden ze maar niets moeten stelen. Maar ze ontsnappen ook weer en moeten dan weer worden gevangen wat minstens zo leuk is.

ziekenhuisOok ambulances doet hij feilloos na. Er reed er weer een over de provinciale weg.
-‘Opa. waar gaat die heen, wat is er aan de hand?’ Ik opperde een paar mogelijkheden maar ik wist het natuurlijk ook niet. Maar bij ons thuis ging hij de situatie op zijn manier naspelen. Hij bouwde van duplo een ziekenhuis en nog wat gebouwen en met een mini-ambulance werd er naar het ziekenhuis gereden. Er was een ongeluk gebeurd. Ook maakte de politie bij het ongeluk met hekken een versperring. Ja hoor, daar kwam de ziekenauto al. Met het perfecte geluid natuurlijk. Het slachtoffer ging naar het ziekenhuis.

Het meest fantastisch vind ik hoe hij nu muziek maakt, op piano of keyboard. Een heel repertoire heeft hij al, allemaal dingen die hij gehoord heeft en probeert na te spelen. Hij hoort waar de rechterhand tweestemmig is en probeert dat daar ook te doen. En hij hoort de bas, die speelt hij ook in zijn linkerhand. Het blijft al spelende nog steeds een beetje zoeken, maar hij blijft het proberen tot hij de juiste tonen heeft. Het meest bijzondere vond ik hoe hij woensdag Für Elise na zong, uit zijn hoofd, het ABA-deel, tot en met de hele hoge Bes die er op een gegeven moment in voorkomt en even later bij de snelle loopjes zelfs een hoge C. Gisteren vroeg ik of we dat samen zouden zingen.
-‘Ja hoor, zal ik dan de bas zingen?’ zei hij. Ik wist niet wat ik hoorde, zou hij dat kunnen?
Ik zong de melodie en hij zong de bas!

Maar het is niet Elise die hij mist, hij mist Laura.
-‘Opa, ik ben een beetje verdrietig.’
-‘Wat is er, vertel.’
-‘Ik mis Laura zo erg.
Een keer heeft hij Laura ontmoet. Een meisje van zijn leeftijd, in de speeltuin. Samen zaten ze op de schommel en intussen heeft hij honderduit met haar gebabbeld. Hoe lang zou het geduurd hebben. Vijftien minuten? Toen moesten we naar huis. Wat vond hij dat jammer. En nu, na een jaar, nog steeds heeft hij af en toe verdriet daarover. We hebben Laura nooit meer gezien.

Maar wat is hij meestal vrolijk! Vooral in zijn spel. En als hij muziek maakt, of als hij tekent. Zijn broertje speelt veel de baas en zelfs zijn zusje zit hem af en toe te plagen. Hij neemt alles letterlijk en is makkelijk op de kast te krijgen. Maar hij reageert er lang niet meer zo extreem op als in het verleden. En als zijn broertje zich zogenaamd voor zijn zusje verstopt en zijn zusje het spelletje meespeelt, ‘hè waar is hij nou?’, dan kan hij daar vertederd naar kijken en lief naar hen glimlachen. Als de oudere wijze broer.

We ruimen alles weer op. De stoomwals doet nog een keer zijn werk, krrrr krrrr krrrr. Het klinkt knarsend en oorverdovend. Maar ik heb nog nooit zo’n mooie stoomwals gehoord!

Geplaatst in kleinzoon | Tags: | 1 reactie

In de war

Dit artikel gaat over cantate 66 van Bach. Een cantate die hij schreef voor tweede Paasdag. Bach probeert in zijn muziek de verwarring te laten horen, de verwarring waarin de leerlingen van Jezus verkeerden nu ze op zich zelf waren aangewezen. Hij was dood, wat nu? Ze waren hun houvast kwijt. Afwisselend voelden ze angst, maar daar was ook de hoop. Hij had toch gezegd dat hij hen niet in de steek zou laten, ook niet na zijn dood? Ze waren in de war.

Bach schreef de cantate in 1724. Hij is grotendeels geconcipieerd als een duet tussen de alt (Furcht) en de tenor (Hoffnung). In het driedelige openingsdeel voor alt, bas, koor en orkest horen we in het midden de tekst Ihr könnet verjagen das Trauren, das Fürchten, das ängstliche Zagen, der Heiland erquicket sein geistliches Reich. – Jullie kunnen de droefheid verjagen, het angstige aarzelen, de heiland verkwikt (immers) zijn geestelijke rijk. Hoe beeldt Bach dat uit?

We horen hier de onrust, het verdriet en de poging om tot rust te komen in een duet van alt en bas. Beide solisten beelden vooral angst en droefenis uit. Dalende chromatiek maakt het extra droevig. Als het duo “beneden” is aangekomen, wordt de jammerklacht vanaf een ander punt herhaald, daarna nog een keer, nu met kortere frases. Bij het woord “zagen” horen we lange tonen die het lange aarzelende wachten uitbeelden maar het vooral ook extra smartelijk maken. Maar gelukkig: “Der Heiland erquicket sein geistliches Reich”. Dat wordt door het hele koor in koraalzetting gezongen. De hele tekst wordt herhaald maar met nog meer retorische middelen. Met name het verjagen van de vrees wordt nu met snelle loopjes uitgebeeld, bij de klachten hoor je pijnlijke trillers. De toonsoort van dit stukje is B-mineur.

Luister naar dit middendeel en volg het met de partituur.

Uitvoerenden zijn Daniel Taylor, alt, Stephen Varcoe, Bas. Monteverdi choir en English baroque soloists, John Eliot Gardiner. Opgenomen in de Georgenkirchen Eisenach op 23 en 24 april 2000. Verkrijgbaar op het label soli deo gloria:

De hele cantate hoor je na onderstaande tekst. Hij begint met vooral hoop en de toonsoort is allereerst nog majeur. Maar tegelijk is er verwarring: het wemelt van de snelle loopjes met twee-en-dertigste figuren.

BWV66 Erfreut euch, ihr Herzen (1724)

Dialogus Furcht (Alt), Hoffnung (Tenor)

  1. Coro.
    Erfreut euch, ihr Herzen, entweichet, ihr Schmerzen, es lebet der Heiland und herrschet in euch.
    Ihr könnet verjagen das Trauren, das Fürchten, das ängstliche Zagen, der Heiland erquicket sein geistliches Reich.
    Erfreut euch, ihr Herzen, entweichet, ihr Schmerzen, es lebet der Heiland und herrschet in euch.
  2. Recitativo: Bass.
    Es bricht das Grab und damit unsre Not, der Mund verkündigt Gottes Taten; der Heiland lebt, so ist in Not und Tod den Gläubigen vollkommen wohl geraten.
  3. Aria: Bass.
    Lasset dem Höchsten ein Danklied erschallen vor sein Erbarmen und ewige Treu. Jesus erscheinet, uns Friede zu geben, Jesus berufet uns, mit ihm zu leben. Täglich wird seine Barmherzigkeit neu.
  4. Recitativo (Dialogo) ed Arioso (Duetto): Tenor, Alt
    Hoffnung: Bei Jesu Leben freudig sein ist unsrer Brust ein heller Sonnenschein. Mit Trost erfüllt auf seinen Heiland schauen und in sich selbst ein Himmelreich erbauen, ist wahrer Christen Eigentum. Doch weil ich hier ein himmlisch Labsal habe, so sucht mein Geist hier seine Lust und Ruh, mein Heiland ruft mir kräftig zu: ‚Mein Grab und Sterben bringt euch Leben, mein Auferstehn ist euer Trost.‘ Mein Mund will zwar ein Opfer geben, mein Heiland, doch wie klein, wie wenig, wie so gar geringe wird es vor dir, o großer Sieger, sein, wenn ich vor dich ein Sieg- und Danklied bringe.
    Hoffnung: Mein Auge sieht den Heiland auferweckt, es hält ihn nicht der Tod in Banden.
    Furcht: Kein Auge sieht den Heiland auferweckt, es hält ihn noch der Tod in Banden.
    Hoffnung: Wie, darf noch Furcht in einer Brust entstehn?
    Furcht: Lässt wohl das Grab die Toten aus?
    Hoffnung: Wenn Gott in einem Grabe lieget, so halten Grab und Tod ihn nicht.
    Furcht: Ach Gott! der du den Tod besieget, dir weicht des Grabes Stein, das Siegel bricht, ich glaube, aber hilf mir Schwachen, du kannst mich stärker machen; besiege mich und meinen Zweifelmut, der Gott, der Wunder tut, hat meinen Geist durch Trostes Kraft gestärket, dass er den auferstandnen Jesum merket.
  5. Aria (Duetto): Alt, Tenor
    Furcht: Ich fürchte zwar des Grabes Finsternissen und klagete, mein Heil sei nun entrissen.
    Hoffnung: Ich fürchte nicht des Grabes Finsternissen und hoffete, mein Heil sei nicht entrissen.
    Beide: Nun ist mein Herze voller Trost, und wenn sich auch ein Feind erbost, will ich in Gott zu siegen wissen.
  6. Choral: Halleluja! Halleluja! Halleluja! Des solln wir alle froh sein, Christus will unser Trost sein, Kyrie eleis!

Volgens Lucas 24:13-35 zou Jezus aan twee discipelen die op weg waren naar Emmaüs zijn verschenen, die hem eerst echter niet herkenden. In de kunst worden de Emmaüsgangers vaak in deze scene uitgebeeld. Soms echter ook tijdens het avondmaal te Emmaüs. In die scene komen ze er achter wie hij is. Dat laatste moment schildert Caravaggio: een moment van grote verwarring. Jezus blijft de rust zelve. In de cantate van Bach zou je de Emmaüsgangers de twee solisten kunnen noemen, die de angst en verwarring uitbeelden. Jezus wordt in dit deel van de cantate uitgebeeld in het deel waarin het hele koor zingt: de hoop. Het verhaal van de Emmaüsgangers hoort ook bij tweede paasdag.

caravaggio

Verwarring, het ontbreken van houvast, dit zijn dingen die bij veel mensen voorkomen. Massaal zien we het in tijden van dreigende oorlog, we zien het bij rampen als hongersnood of bij epidemische ziekten. Of als je geïsoleerd wordt zoals nu bij veel mensen die in ziekenhuizen en verzorgingstehuizen liggen en geen bezoek mogen ontvangen. En eigenlijk is nu zelfs de hele maatschappij in verwarring. In dat licht gezien laat ook deze cantate van Bach ons universele emoties zien, maar tegelijk kan hij troost bieden.

Andere stukjes die ik schreef naar aanleiding van een cantate van Bach

Geplaatst in kunst, muziek | Tags: , , , , | 1 reactie

De heilige Anno en de heiligen van nu

Stel dat bisschop Eik zou besluiten om prinses Amalia te ontvoeren en vervolgens het koninklijk huis zou afpersen om vervolgens Amalia volgens goed Rooms recept op te gaan voeden. Je kunt het je niet voorstellen maar enigszins vergelijkbare praktijken kwamen 1000 jaar geleden in deze omgeving voor. Ik heb het niet over de oudste zoon van Willem van Oranje die naar Spanje werd ontvoerd in de zestiende eeuw, nee, ik heb het over wat er 500 jaar daarvoor gebeurde in Keulen. De ontvoerder werd na zijn dood zelfs heilig verklaard!!

Deze heilige, aartsbisschop Anno van Keulen, was een belangrijk speler in een boek over keizer Heinrich IV.  Ik heb inmiddels een boekje over deze Anno van Keulen gelezen: Erzbischof Anno II von Köln. Der Aufstand des Jahres 1074 in Köln. (Manuel Freudenstein.) Zijn levensverhaal in een notendop:

Anno was afkomstig van lage adel, hij werd geboren in 1010 in Steusslingen en hij werd al vroeg naar de Bamberger Domschule gestuurd. Daar werd hij al na enkele jaren aangesteld als docent. Keizer Heinrich III, die veel in Bamberg kwam, ontdekte hem en in 1049 werd hij aangesteld aan diens hof. In 1054 werd hij proost in het keizerlijke Goslar. Toen de aartsbisschop van Keulen Hermann II stierf was Anno bij zijn sterfbed. Hij werd door de keizer als diens opvolger benoemd. Het volk van Keulen morde omdat hij niet afkomstig was van hoge adel en ook niet uit het Rijnland kwam. Maar de aartsbisschop van Keulen had veel politieke invloed en zo wist hij het voor elkaar te krijgen dat een van zijn broers bisschop werd van Maagdenburg en een neef bisschop van Halberstadt. Naast die twee hadden nog meer bisschoppen hun baantje te danken aan Anno. Na een conflict met Heinrich von den Ezzonen verwierf hij de berg Siegburg en daarmee de absolute macht in het Rijnland. Dat was niet alleen gunstig voor hemzelf maar ook voor de inkomsten van zijn aartsbisdom. In Keulen liet hij de kloosters St. Maria ad Gradus en St. Georg bouwen.

Toen na het overlijden van Heinrich III zijn vrouw, koningin Agnes, het koningschap op zich nam vond er een grote verandering plaats aan het hof. Meerdere belangrijke adviseurs, onder wie Anno, werden terzijde geschoven. Die pikten dat niet en smeedden een complot en vervolgens ontvoerde Anno de jonge opvolger, ook Heinrich genaamd, naar Keulen. Agnes werd gedwongen om de rijks regaliën over te dragen aan Anno en hij nam nu de regering over.

Kort daarvoor had koningin Agnes een tegenpaus benoemd omdat ze het investituurrecht voor de keizer wilde behouden. Maar toen Anno aan de macht kwam legde deze het conflict bij door de officiële paus te steunen. Hiermee nam hij gewild of ongewild ook stelling in de kwestie van het investituurrecht.

Toen Heinrich IV op zijn veertiende levensjaar de nieuwe koning werd ontstond er al snel een conflict tussen hem en Anno. En de conflicten breidden zich uit. In 1074 ontstond er een opstand in de stad Keulen, geleid door rijke kooplieden. Het ging uiteindelijk over een opstand van de burgers tegen de clerus in het algemeen, maar het begon met een persoonlijke opstand tegen aartsbisschop Anno. Wat was er gebeurd? Anno confisceerde een mooi schip van een koopman om zijn vriend, de bisschop van Münster, mee naar huis te laten gaan na een feestelijk bezoek in Keulen. Dat werd niet gepikt. Anno wilde de opstand met geweld neerslaan. Steeds meer opstandelingen sloten zich echter bij de eersten aan, Anno moest vluchten en het bisschoppelijke paleis werd vervolgens geplunderd. Na vier dagen keerde hij met een leger terug naar Keulen. De samenzweerders beloofden boete te doen als hun leven werd gespaard. Dat aanbod werd geaccepteerd, maar 60 of (volgens andere bronnen 600) mensen vluchtten alsnog voor de zekerheid. Zij werden in de kerkelijke ban gedaan. Een jaar later stierf Anno en wenste vanuit zijn ziekbed in Siegburg begraven te worden. Toen kwamen de verhalen. Hij zou blinden het zicht hebben terug gegeven en enkele toekomstvisioenen hebben gehad die uit bleken te komen. In 1183 werd hij door de paus heilig verklaard.
Dat de paus dat deed zal zeker gevoed zijn doordat Anno zich in de loop van zijn leven steeds meer aan de pauselijke regels was gaan houden. Deze heilige paste zo in de propagandalijn van Rome.

anno

Ook de schrijver van het boekje vraagt zich af: wat voor iemand was deze Anno nu in het echt? Een schurk was hij waarschijnlijk niet, maar zijn levensgeschiedenis wijst helaas ook niet op een heldenstatus, en zeker lijkt hij me ook geen heilige.

In de negentiende eeuw zochten de Duitsers naar historische figuren die ze naar voren wilden schuiven als nationale held. Net zo als in Nederland Willem van Oranje een dankbare nationale held was. Er werd er een gevonden: de twaalfde eeuwse keizer Barbarossa. Ook daar kun je grote vraagtekens bij zetten. De Lombardische stedenliga was in zijn tijd, de twaalfde eeuw, wisselend op zijn hand, wisselend op de hand van de paus. Toen Milaan zonder zijn toestemming de stad Lodi inlijfde verwoestte hij met zijn leger Milaan en liet daar vervolgens de meest belangrijke relikwieën weghalen om ze over te laten brengen naar Keulen. Maar hij wilde er desondanks blijk van geven dat hij een goed christen was en dus nam hij actief deel aan de derde kruistocht, die hij helaas op de heenweg al niet overleefde. Waarom dan toch een nationale heldenstatus? In zijn tijd was er in het Duitstalige deel van het rijk een opvallende eenheid en stonden de meeste lokale vorsten achter hem. Dat was wel eens anders geweest en ook daarna werd dat nooit meer zo. Dus in de negentiende eeuw, toen het nationalisme in heel Europa sterk opgang deed, werd hij daarmee symbool van de laatste keizer die nog echt voor een eenheid had weten te zorgen in dit deel van Europa. De voormalige keizerpalts van Goslar werd na de Duitse eenheid in 1875 ingericht als museum van de Duitse geschiedenis en kreeg zo bij de ingang twee standbeelden: het standbeeld van keizer Barbarossa en dat van de toenmalige keizer Wilhelm I, allebei te paard.

barbarossa

En dan is er nog zo’n potentiële held of schurk, Frederik II,  over wie ik in meerdere artikelen iets heb geschreven. Dante plaatste hem in zijn “Divina Comedia” in de hel. Toen deze keizer niet meer in staat was om goedschiks met de paus in het reine te komen en de paus hem niet alleen excommuniceerde maar zelfs vogelvrij verklaarde, ontstak hij in woede en brandde elke stad die niet met hem samenwerkte zonder pardon plat. Een schurk dus, zou je zeggen. Maar als je leest wat er aan vooraf was gegaan, hoe hij de vierde kruistocht tot een groot succes wist te maken, waarbij zonder bloedvergieten de rechten van christenen, joden en moslims werden gelijkgeschakeld, hoe hij als rechter in Duitsland de heksenjacht op joden wist te voorkomen, dan kun je je afvragen: wie was de schurk? Waren het niet meer zijn tegenstrevers, de pausen van die tijd? Inmiddels lijkt hij dan ook in de geschiedenisboeken gerehabiliteerd te worden. Zijn beeltenis is zelfs op een postzegel gezet.

frederik II

Dit gaat allemaal over de periode 1050 tot 1250. Een bijzonder interessante periode waar ik me de laatste jaren door het lezen van boeken en artikelen aardig in heb weten te verdiepen. En onwillekeurig ga je dan nadenken over de hedendaagse helden en schurken. Ik heb het dan allereerst over de huidige “keizers”: de bijna dictatoriale machthebbers in de Verenigde staten, Rusland, Turkije enzovoort. Laat de geschiedenis over hen oordelen. Ze hebben misschien politieke idealen maar vooral: ze hebben een enorm ego. En ik ben bang dat ze weinig of geen goede raadgevers hebben. Mensen met een enorm ego, een ego dat blind maakt, zijn denk ik vooral gevaarlijk.

Maar de echte helden, of misschien wel heiligen, werken in de gezondheidszorg. Ze werken omdat ze het beste voor hun medemens willen. En helden zijn ook de mensen met een bedrijf die er niet op uit zijn om nog meer winst te maken, maar die proberen om op hun manier een steentje aan deze crisistijd bij te dragen, door met man en macht en veel inventiviteit mondkapjes of beademingsapparaten te maken of door vaccins te ontwikkelen. En nog meer: zij die de vluchtelingen niet vergeten en die tegen de tijdgeest in proberen om ook hun leven draaglijker te maken. En hopelijk zullen er grote geesten zijn, of nog opstaan, die de mogelijkheden die deze tijd biedt om de samenleving menselijker in te richten gaan benutten. Ik hoop dat er ooit voor die mensen standbeelden worden gehouwen. Net als in de negentiende eeuw dat voor Keizer Frederik Barbarossa gebeurde. En mogen zij ook, net als Frederik II in 1994, op een postzegel worden weergegeven, zodat er vaker aan hen wordt gedacht. En bidden tot de heilige Anno zal vast geen kwaad kunnen maar als je wilt bidden zou ik dat op een andere manier doen.

 

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , , , , , , | Plaats een reactie

Rooms-Duits keizer Heinrich IV

De tweede helft van de elfde eeuw was een tijd van kerkelijke hervormingen in gebieden die tot het Rooms-Duitse rijk behoorden.  Het was het begin van de investituurstrijd en het begin van de steeds groter wordende macht van het pausdom. In deze tijd werd ook de eerste kruistocht georganiseerd. Het was de tijd van keizer Heinrich IV. Wat hielden die kerkelijke hervormingen in?

  • Investituurstrijd: wie mag er bisschoppen benoemen, de paus of de koning.
  • Simonie: de praktijk van de verkoop van kerkelijke ambten wordt verboden
  • Priesters moeten ongehuwd zijn
  • Strenge leefregels, niet alleen in de kloostergemeenschappen (Cluny, Hirsau) maar ook bij de overige clerus.

Toen ik me met het leven van deze Rooms-Duitse keizer ging bezig houden vielen me al snel enkele overeenkomsten op met een van zijn illustere opvolgers: Frederik II. Die leefde zo’n 150 jaar later.

  • Heinrich IV moest het al snel zonder zijn vader Heinrich III stellen. Deze had hem voor de zekerheid al op zijn vierde verjaardag tot koning en daarmee als opvolger laten benoemen, maar het koningschap zou worden waargenomen tot hij 14 was door zijn moeder, koningin Agnes. Heinrich IV werd ontvoerd door de bisschop van Keulen en groeide vervolgens op onder diens toezicht.
  • De moeder van Frederik II nam het koningschap van haar zoon waar omdat haar man al snel overleed. Frederik II werd opgevoed door veel geleerden aan zijn hof in het koninkrijk Sicilië. Een kardinaal zorgde in naam van de paus voor zijn geestelijke ontwikkeling.

Ook in het latere leven zijn er enkele parallellen. De meest opvallende parallel: beide koningen kregen het op een gegeven moment aan de stok met een of meer pausen. Hieronder een samenvatting van het boek van Tilman Struve over deze tijd aan de hand van het leven van Heinrich IV, aangevuld met dingen die ik vond in een uitgebreide site op de Duitstalige wikipedia.

Heinrichs jeugd tot aan zijn ambtsaanvaarding

palts-goslar

De palts in Goslar, tegenwoordig is het een museum

Op 11 november 1050 beviel Agnes van Poitou, de tweede vrouw van keizer Heinrich III, van de langverwachte troonopvolger in het keizerlijke paleis van Goslar. Al op Kerstmis 1050 had Heinrich III de volwassenen die aanwezig waren, trouw laten zweren aan de nog ongedoopte zoon. Tijdens de volgende Pasen in Keulen doopte aartsbisschop Hermann van Keulen het kind en gaf hem de naam van zijn vader:  Heinrich. De keuze van abt Hugo von Cluny als peetvader was een uitdrukking van de nauwe banden van de Salische familie met de belangrijkste religieuze stroming van die tijd. Op 17 juli 1054 zalfde aartsbisschop Hermann Heinrich, die nog geen vier jaar oud was, in Aken tot koning.

karlschrein-heinrichIV

Op de Karlschrein van Aken uit de twaalfde eeuw staan een aantal afbeeldingen van Rooms-Duitse koningen die daar gekroond zijn, waaronder een afbeelding van Heinrich IV

Met Kerstmis 1055 werd de troonopvolger verloofd met de een jaar jongere Bertha van Turijn.  Vader Heinrich III stierf in 1056. Als vertegenwoordiger van de minderjarige koning leidde zijn moeder Agnes van Poitou de regering. Toen paus Victor II in de zomer van 1057 stierf, verloor regentes Agnes haar belangrijkste helper. Tegelijkertijd werd de verbinding met de kerkhervormingskrachten in de Romeinse Curie verbroken. De invloed van de niet adellijke koninklijke ministerialen in de omgeving van de keizerin nam toe. De ministeriëel Kuno nam de opvoeding van de jonge koning over. Ook andere ministerialen kregen politieke invloed. De hoge adel en geestelijkheid zag zich al snel niet meer voldoende betrokken bij de regering. Als politiek adviseur had Agnes in 1058 bisschop Heinrich van Augsburg binnen gehaald. Invloedrijke mannen zoals de nieuwe aartsbisschop Anno van Keulen of aartsbisschop Siegfried van Mainz voelden zich genegeerd.

kaiserswerth palts

De ruïne van de palts van Kaiserswerth

Begin april 1062 verbleef Heinrich IV bij zijn moeder in de palts in Kaiserswerth (tegenwoordig een district van Düsseldorf). Daar ontmoetten ze beiden Anno II van Keulen. Na een gezamenlijk feest nodigde Anno de elfjarige jongen uit voor een bezoek aan een prachtig schip dat hij aan de Rijn had afgemeerd. De kroniekschrijver Lampert von Hersfeld beschrijft wat Heinrich ervoer toen hij het schip betrad:

‘Zodra hij het schip was binnengekomen, omsingelde de helper van de aartsbisschop hem, de roeiers zetten zich snel schrap, wierpen zich met al hun kracht in de gordel en voeren het schip razendsnel naar het midden van de stroom. De koning, verbluft door deze onverwachte gebeurtenissen, dacht dat men hem wilde vermoorden, en hij stortte zich voorover in de rivier. Hij zou verdronken zijn als graaf Ekbert niet in het water was gesprongen. Hij kon hem ternauwernood redden en terug brengen naar het schip.’

Anno leidde de koning vervolgens naar Keulen en chanteerde keizerin Agnes om de keizerlijke insignes aan hem te geven. De aartsbisschop van Keulen nam Heinrichs opvoeding over. Hij leidde tegelijk de regering van het rijk. Onder zijn leiding begon de vastberaden uitbreiding van de Keulse kerk. Op 14 juli 1063 bepaalde Anno  dat het negende deel van alle inkomsten van het rijk en de koning naar de kerk in Keulen zou worden overgebracht. Op de hofdag van Mainz eind maart 1065 ontving Heinrich de “Schwertleite” als een teken van juridische volwassenheid en het vermogen om politiek te mogen handelen. De drager van het schild was Gottfried der Bärtige, ooit een belangrijk rivaal van zijn vader. Met deze demonstratieve daad beloofde hij onderwerping en loyaliteit. Hoe moeilijk Heinrichs relatie met zijn opvoeder Anno was, werd direct na het ceremonieel aangetoond. Zodra de ceremonie voorbij was, wilde de jonge koning hem aanvallen. Zijn moeder kon hem slechts ternauwernood tegenhouden.

De eerste regeringsjaren

Aan het begin van zijn onafhankelijke heerschappij deed Heinrich een aantal ongebruikelijke schenkingen. Hij droeg twaalf keizerlijke kloosters over aan geestelijke en wereldlijke prinsen. Hiermee wilde hij goodwill richting de adel tonen.  De frequente veranderingen in de invloedssfeer aan het koninklijk hof leidden ertoe dat de omgeving van Heinrich IV werd gezien als een voortdurende plaats van verdachtmakingen en laster. In 1066 zorgde Anno von Köln ervoor dat Heinrich trouwde met Bertha van Turijn, een jaar jonger, met wie hij al tien jaar verloofd was. Maar al in 1069 probeerde Heinrich van zijn vrouw te scheiden. De historicus Bruno von Merseburg meldt dat de koning een helper had aangesteld om Bertha tot overspel te dwingen. De koningin doorzag de intriges en liet haar man, die getuige wilde zijn van het overspel, met stoelpoten en stokken in elkaar slaan. Tijdens een bijeenkomst in Worms verklaarde Heinrich dat  hij niet langer met zijn vrouw in een echtelijke verbintenis kon wonen.  Een bijeenkomst in Frankfurt, gepland voor oktober 1069, moest de zaak verduidelijken. Paus Alexander II stuurde de zeer gerespecteerde Peter Damiani, die de koning vervolgens dreigde met excommunicatie als hij niet zou inbinden. Ook dreigde hij er mee dat hij nooit door de paus tot keizer zou worden gekroond. Heinrich gaf toen toe.

De Saksische oorlogen

In Saksen had Heinrich IV overal keizerlijke paltsen laten bouwen en hij liet ze besturen door zijn eigen vertrouwelingen.  Dit stuitte op bitter verzet van de Saksen. De lokale bevolking moest diensten verlenen – voor vreemden die zelfs onvrije ministerialen waren. De resulterende conflicten leidden tot de beschuldiging dat Heinrich het Saksische stamrecht schond en hun vrijheid bedreigde. Na verschillende klachten nodigde Heinrich de Saksische prinsen in 1073 uit om in Goslar de kwesties te bespreken. De Saksen, zo meldt Bruno over de Saksische oorlog, verschenen op de afgesproken dag voor de Palts, maar moesten tevergeefs wachten op toelating. De Saliër bracht de dag liever door met dobbelen, ondanks het feit “dat er zoveel belangrijke mannen voor zijn deur stonden te wachten, alsof ze de laagste dienaren waren”. De Saksen bleven de hele nacht volharden totdat uiteindelijk een van de koninklijke hovelingen meedeelde dat de koning niet meer in het kasteel aanwezig was. Dit was de druppel. De Saksen kwamen ’s nachts bijeen in een kerk en zwoeren liever de dood te ondergaan dan deze schande te accepteren. Om het verzet op een brede basis te brengen, riepen de Saksen eind juli 1073 in Hoetensleben een tribunaal bij elkaar, waarin de klachten over de uitoefening van het koningschap moesten worden besproken. Otto von Northeim beschuldigde de koning van het laten bouwen van talrijke paltsen. Met dit beleid leek de koning de vernietiging van de Saksische vrijheden voor ogen te hebben. Ze wilden de koning afzetten. Toen de Saksen met een legermacht voor de Harzburg verschenen, zag de koning zich gedwongen te vluchten. Heinrich moest water bij de wijn doen. In de vrede van Gerstungen in februari 1074, in aanwezigheid van 15 bisschoppen, werd besloten dat hij zijn kastelen in Saksen en Thüringen zou vernietigen, alle confiscaties ongedaan zou maken en de Saksische wet zou erkennen. De rust van Gerstungen bleef echter tijdelijk. Saksische boeren wilden dat de Harzburg snel werd afgebroken en namen zelf het initiatief. Toen het kasteel werd verwoest, werden de graven van de Saliërs, onder wie een broer en zoon van Heinrich die daar begraven waren, geschonden. De koning eiste wraak en kreeg nu steun in grote kringen. In zijn campagne tegen de Saksische opstandelingen wist Heinrich een groot leger op de been te brengen. Op 9 juni 1075 behaalde hij een volledige overwinning in de Slag bij Homburg an der Unstrut. Heinrich kon aan het einde van het jaar kerst vieren in Goslar. Hij slaagde erin de prinsen die zich daar hadden verzameld te verplichten om niemand minder dan zijn zoon Konrad, geboren op 12 februari 1074, als zijn opvolger te kiezen.

De Gregoriaanse hervormingen

Met Pasen 1059 vond onder leiding van paus Nicolaas II een Lateraanse synode plaats. Het belangrijkste resultaat was het pauselijk verkiezingsdecreet: de kardinalen hadden nu een beslissende rol bij de verkiezingen, niet meer zoals gebruikelijk de diverse adellijke families in Rome. Ook smeedde hij een alliantie met de voorheen fel bevochten Noormannen in de laars van Italië. De Normandische prinsen Richard van Capua en Robert Guiscard ontvingen de gebieden die ze als pauselijke leengoederen hadden veroverd als leen. (Robert Guiscard was trouwens een overgrootvader van de latere keizer Frederik II.) Vanuit Cluny was er nog eerder een kloosterhervorming op gang gekomen en een aantal aspecten van die hervormingen wilde de paus ook bij de rest van de clerus invoeren. Geestelijken werden gedwongen om kerkelijke normen in acht te nemen. Toen keizerin Agnes aartsbisschop Siegfried van Mainz, die in 1060 was aangesteld, aan de paus vroeg om het pallium te sturen, werd haar verzoek afgewezen. Siegfried werd door de paus verzocht om het pallium persoonlijk op te komen halen in Rome. Dit was een belediging. De spanningen tussen paus en bisschoppen namen toe. Eind oktober 1061 accepteerde het koninklijk hof de verkiezing van bisschop Cadalus van Parma tot paus, die de naam Honorius II aannam. Maar een maand eerder, op 30 september 1061 had de hervormingspartij in Rome bisschop Anselmus von Lucca al tot Alexander II verheven. Deze hervormingspartij werd gesteund door aartsbisschop Anno van Keulen. Daarmee begon de investituurstrijd, want hiermee werd de tot dan nog goede relatie tussen het rijk en het pausdom ondermijnd. In 1072 waren er in het aartsbisdom Milaan  bloedige conflicten over de uitvoering van de kerkhervorming. Na het aftreden van de aartsbisschop benoemde Heinrich een nieuwe kandidaat. De paus gaf echter de voorkeur aan een andere kandidaat en beschouwde de koninklijke maatregel als een belediging en excommuniceerde vijf adviseurs van de koning op beschuldiging van simonie. (Het kopen van kerkelijke ambten). Het openlijk uitbreken van het conflict werd voorkomen door de dood van paus Alexander in april 1073. Onder woelige omstandigheden en tegen de regels van het pauselijk verkiezingsdecreet in werd Hildebrand, die zichzelf Gregorius VII noemde, zijn opvolger.  Dit zou de meest geduchte tegenstander van Heinrich IV blijken te zijn.

gregoriusVII-wohlgemut1493

Gregorius VII, tekening van Wohlgemut 1493, Rijksmuseum Amsterdam.

Het eerste conflict met de paus

Overmoedig geworden door zijn overwinning op de opstandige Saksen, begon Heinrich een uiterst actief Italiaans beleid dat niet samenviel met de pauselijke belangen. Op 28 september 1075 stelde de koning de geestelijke Tedald aan als aartsbisschop in Milaan, zonder rekening te houden met de pauselijke wil. Daarna volgden verdere provocerende personeelsbesluiten voor de bisdommen Fermo en Spoleto. Op nieuwjaarsdag 1076 kreeg hij een brief van paus Gregorius VII waarin deze klaagde over de maatregelen van de koning en gehoorzaamheid eiste. Heinrich publiceerde de bedreigingen van de paus en riep de bisschoppen van het rijk bijeen in Worms. Door publiekelijk te reageren op de vertrouwelijke waarschuwing van de paus, schond hij de praktijk van conflictbeheersing en veroorzaakte hij escalatie.  Op deze hofdag op 24 januari 1076 formuleerde de koning, samen met de twee aartsbisschoppen Siegfried von Mainz en Udo von Trier, evenals nog eens 24 bisschoppen, drastische beschuldigingen tegen Gregorius VII die vanwege een eedbreuk nooit tot paus had mogen worden gekozen. Om de conclusie te onderstrepen dat Gregorius geen legitieme paus was, werd zijn doopnaam Hildebrand gebruikt. In zowel de begin- als de eindformule maakte Heinrich een stevige verwijzing naar zijn eigen ambt dat hij door goddelijke genade had ontvangen. Hij was uitsluitend verantwoording aan zich zelf en aan God schuldig. De lange lijst met beschuldigingen eindigt met de uitnodiging: “Ik Heinrich, koning bij de gratie van God, zeg je samen met al mijn bisschoppen: Treed af, treed af!” Gregorius VII was niet onder de indruk van de gebeurtenissen in Worms. Op 22 februari 1076 excommuniceerde hij de koning en bevrijdde alle christenen van de eed van trouw die ze ooit aan Heinrich hadden gezworen. Deze maatregelen hebben de tijdgenoten diep geraakt, hun geweldige effect is duidelijk in de woorden van Bonizo von Sutri: “Toen het nieuws van de excommunicatie van de koning de mensen ter ore kwam, beefde onze hele wereld.” De paus zette vervolgens de voorzitter van de synode in Worms, aartsbisschop Siegfried van Mainz, af, evenals een kardinaal die naar de koning en de volgelingen van Heinrich was overgelopen.  Er werden tevens andere bisschoppen naar Rome gedagvaard om zich voor de paus te verantwoorden. Heinrich ontving het nieuws van zijn excommunicatie en afzetting door de paus tijdens Pasen in Utrecht. Bisschop Wilhelm van Utrecht, die een van Gregorius hardste critici in Worms was geweest, en enkele van de bij Worms betrokken bisschoppen stierven korte tijd later. Na een blikseminslag brandde de kathedraal van Utrecht uit. De tegenstanders van Heinrich beschouwden deze gebeurtenissen als een teken van Gods toorn. In een document staat dat de kathedraal was afgebrand “vanwege onze zonden“. De steun van Heinrich nam na Pasen snel af. Na korte tijd namen de aartsbisschoppen van Mainz en Trier evenals de bisschoppen van Straatsburg, Verdun, Münster, Utrecht, Speyer, Basel en Konstanz, die de koning in Worms nog hadden gesteund, afstand.  Anderen hadden een afwachtende houding. Een voor Pinksteren bestemde hofdag, waarop paus Gregorius zou moeten worden afgezet, werd wegens gebrek aan deelname niet succesvol. De drie machtige hertogen van Zuid-Duitsland, Welf van Beieren, Rudolf von Schwaben en Berthold van Karinthië, bundelden hun krachten al vroeg tegen Heinrich. Ze zagen nu hun kans schoon. De oppositie die zij leidden, verenigde zich met de Saksische tegenstanders . Tijdens een grote hofdag spraken ze over de toekomst van Heinrich IV. Uiteindelijk kreeg hij te horen dat hij nog één kans had, als hij binnen een jaar de excommunicatie door de paus ongedaan zou kunnen maken.

De gang naar Canossa

Heinrich beloofde de paus op te zoeken. Gezien het ultimatum moest hij in de winter van 1076/77 naar Italië  gaan om contact op te nemen. De vijandelijke hertogen Welf van Beieren, Rudolf von Schwaben en Berthold van Karinthië hadden echter de Alpenpassen bezet. Hierdoor bleef alleen het gevaarlijke pad over de Mont Cenis in Bourgondië over. Lampert von Hersfeld vertelt over de winterreis door de westelijke Alpen op een dramatische wijze:  De koninklijke familie klom met een klein gevolg over de pas. De mannen kropen op handen en voeten, de vrouwen werden met runderhuiden over het ijs gesleurd, de meeste paarden stierven of raakten ernstig gewond.  Na het nieuws dat de verbannen koning in de buurt was, ging paus Gregorius naar het kasteel van Canossa, Dit kasteel behoorde toe aan zijn partijgenoot Mathilde van Tuscia, die zou bemiddelen. Heinrich kwam niet als leider van een militair contingent. In plaats daarvan bracht hij drie dagen in berouwvolle kleding door, op blote voeten en zonder een teken van macht. Met tranen van berouw smeekte hij om genade.  Zijn peetvader abt Hugo von Cluny en markgravin Mathilde traden op als bemiddelaars voor de verzoening. Heinrich werd op 28 januari in het kasteel binnen gelaten.

canossa

Heinrich IV die knielt voor Mathilde in het bijzijn van Gregorius VII

Hij bekende schuld, vroeg om vergeving en vierde met de paus, Mathilde, Hugo von Cluny en nog enkele hooggeplaatsten samen de eucharistie. Een laatste gezamenlijke maaltijd moest aantonen dat ze elkaar in de toekomst vreedzaam en vriendelijk wilden behandelen. Maar bisschop Anselm van Lucca, ook aanwezig,  merkte  op dat Heinrich IV bij die maaltijd zweeg, geen eten aanraakte en met zijn vingernagel op het tafelblad krabde. Een gewone maaltijd vertegenwoordigt een rechts-rituele handeling. Zo gaf de koning indirect al aan dat hij zich niet zonder meer wilde houden aan zijn beloften: hij at niet mee, dus beloofde niks…

Een tegenkoning

Alles zou nu koek en ei hebben kunnen zijn, de koning werd weer door de paus geaccepteerd, maar zo dacht niet iedereen er over.  In maart 1077 verzamelden een aantal bisschoppen en hertogen zich in Forchheim.  En daar kozen ze een tegenkoning: Op 15 maart werd Rudolf von Schwaben verheven tot de rechtvaardige “koning, leider en beschermer van het hele rijk”. Volgens de adel moest degene die het best geschikt was voor het welzijn van het rijk worden gekozen. En dat was volgens hun niet Heinrich IV, Gregorius nam een afwachtende houding aan bij het geschil over de troon. De paus stond er op te onderzoeken welke koning het recht had om te regeren. Heinrich wilde niet meewerken aan een onderzoek naar zijn antecedenten en rechten. Toen legde Gregorius Heinrich in 1080 opnieuw excommunicatie op en tegelijk verscherpte hij de eerdere regel dat alleen de paus bisschoppen mag aanstellen. Heinrich ontstak in woede en liet een aantal van de samenzweerders veroordelen wegens verraad. Hij verklaarde hun leengoederen verbeurd. Na enkele schermutselingen vond op 15 oktober 1080 in Thüringen aan de Elster een beslissende strijd tussen de twee koningen plaats. Het leger van Heinrich werd verslagen, maar Rudolf raakte gewond en stierf een paar dagen later. Het feit dat Rudolf zijn rechterhand (de eedhand) in zijn dodelijke wond had verloren, leek Heinrichs volgelingen een oordeel van God. In hun ogen was dat het resultaat van de schijnbare geloofsschending van een verrader. Na de dood van de vijandige koning besloot de Saliër de kathedraal van Speyer fundamenteel te laten herbouwen. Behalve Agnes werden al zijn voorouders, die hem, naar zijn mening, het recht hadden gegeven om te regeren onder de goddelijke wil, begraven in de kathedraal van Speyer. De kathedraal met haar beschermheilige Maria zou Heinrichs belangrijkste wapen worden in de strijd tegen de Gregoriaanse kerkhervormers en tegen de oppositie van de adellijke tegenstanders in het rijk. In een bouwperiode van twintig jaar werd onder leiding van bisschop Bennos II van Osnabrück het grootste gebouw van de toenmalige christelijke wereld van het Westen gebouwd. Het hele oostelijke deel van de kerk werd herbouwd, alle andere delen werden aanzienlijk veranderd. Met het nieuwe gebouw bedankte hij de hemelse machten voor hun steun.

speyer

Het afzetten van de paus en verdere conflicten in Italië

Het investituursverbod was ook de meerderheid van het “Reichsepiskopat” in Bamberg en Mainz een doorn in het oog en zij plaatsten zich nu duidelijk achter de koning door de gehoorzaamheid aan Gregorius op te geven. Alleen al in Mainz wilden 19 bisschoppen een nieuwe paus kiezen.  In juni 1080 werd op de synode in Brixen een regenpaus gekozen en werd de start van een canonieke procedure tegen Gregorius bepaald. Er moest een nieuwe paus komen. De keuze viel op Wibert, aartsbisschop van Ravenna sinds 1072, die de naam Clementius III aannam. Intussen vertrok Heinrich IV met een leger richting Rome. Rond Pinksteren 1081 bereikte hij de stadsmuren. Daar kwam men niet verder. Het leger kampeerde enkele weken buiten Rome en verwoestte intussen de omgeving. Door het begin van de zomerhitte moesten ze zich weer  terugtrekken. Uiteindelijk slaagde Heinrich er pas in 1084 in om de stad in te nemen. 13 kardinalen hadden zich in Rome aangesloten bij de oppositie tegen Gregorius VII. Zij weigerden Gregorius compromisloze houding en zijn autocratische stijl van regeren te accepteren. Gregorius VII trok zich terug in Castel Sant’Angelo. Op 21 maart 1084 werd een synode bijeengeroepen, die Gregorius de pauselijke waardigheid ontzegde en hem excommuniceerde. Hij had zich schuldig gemaakt aan majesteitelijke misdaad door Rudolf, de tegenstander, te erkennen. Daarop werden Heinrich en zijn vrouw als keizer en keizerin door  de nieuwe paus op paaszondag 1084 gekroond. Dit moment wordt beschouwd als het hoogtepunt van de regering van Heinrich IV. Op 24 mei 1084 werd het diploma “A deo coronatus” geschreven. De keizer was nu officieel slechts verantwoording schuldig aan God, niet aan de paus.  Gregorius VII intussen hoopte op de tussenkomst van de Normandische hertog Robert Guiscard, voor wie een sterke keizerlijke macht in Italië een bedreiging vormde voor de consolidering van het Normandische bewind. De Noormannen namen Rome in op 28 mei 1084 en het leger van Heinrich vluchtte de stad uit. De troepen van Robert Guiscard bevrijdden Gregorius, plunderden de stad en staken Rome in brand. Vanwege de daaropvolgende onrust verliet Gregorius de stad met een klein gevolg en trok zich terug in Salerno. Daar stierf hij op 25 mei 1085. Heinrich trok zich binnen enkele weken terug in Pisa en kondigde aan zijn volgelingen ten noorden van de Alpen aan dat hij spoedig in Regensburg zou verschijnen. Hij liet zijn minderjarige zoon Konrad in Noord-Italië achter om de aanwezigheid van het Salische koningschap te verzekeren. Rond het midden van 1084 was Heinrich teruggekeerd naar het noordelijke deel van het rijk. In Mainz  dwong hij zijn investituursrecht af. Daarna keerde hij zich tegen bisschop Hermann von Metz. Bisschop en stad onderwierpen zich aan de naderende keizer. Niettemin werd Hermann in mei 1085 ontheven van zijn ambt op een synode in Mainz. Vijftien andere Gregoriaanse bisschoppen werden afgezet en er werd vrede gesloten. In 1087 liet Heinrich zijn zoon Konrad in Aken tot koning kronen en probeerde zo de opvolging van iemand uit het Salische huis veilig te stellen. In hetzelfde jaar stierf zijn vrouw Bertha. Rond 1090 vaardigde Heinrich het eerste beschermingsprivilege uit voor de Joden van Worms, gebaseerd op eerdere Karolingische bepalingen. Dit voorrecht plaatste de joden onder de speciale bescherming van de koning en regelde hun rechten in de omgang met christelijke inwoners. In 1090 verleende Heinrich ook de joden van Speyer een voorrecht.In Italië was de situatie voor de koning verslechterd. In 1090 verenigden zijn Noord- en Zuid-Italiaanse tegenstanders zich. De nieuwe strijdmacht in Italië was voor Heinrich aanleiding om in 1090 zijn derde Italiaanse reis te maken. Na een belegering van meer dan een jaar nam Heinrich Mantua in en vierde daar Pasen in 1091. Vier opeenvolgende tegenslagen gooiden roet in het eten. Eerst lukte het hem niet om Canossa in te nemen. In het voorjaar van 1093 liet zijn oudste zoon Konrad zich in Milaan tot koning van Italië kronen en nam contact op met paus Urbanus II, die hem de keizerlijke kroon aanbood. Door met een dochter van de Normandische graaf Roger te trouwen, integreerde Urbanus hem volledig in het pauselijke netwerk. De derde tegenslag: Heinrichs tweede vrouw Praxedis (Adelheid) sloot zich aan bij de Italiaanse tegenstanders. En de vierde tegenslag: alle Alpenpassen werden afgesloten en zo moets Heinrich noodgedwongen maar liefst drie jaren in Noord-Italië blijven. In deze periode reisde paus Urbanus naar het zuiden van Frankrijk en organiseerde vanaf daar de eerste kruistocht.

De laatste regeringsjaren

Ondertussen verspreidden de ideeën van de Gregoriaanse hervorming zich verder door het rijk. Het idee van hervorming verspreidde zich onder de adel en leidde tot een nauwe band tussen de adel-vorstelijke oppositie en de kerkhervormingsbeweging, vooral in Zwaben en Saksen.  Maar nog steeds ging ook dit niet zonder problemen. Toen kwam Heinrich terug. Hij toog naar Regensburg om pinksteren te vieren en organiseerde er tegelijk een hofdag. Daar ondernam hij actie tegen aartsbisschop Ruthard van Mainz omdat deze de joden onvoldoende bescherming had gegeven tegen pogroms die verband hielden met het begin van de eerste kruistocht. Ruthard moest zich vervolgens terugtrekken in Thüringen en probeerde de oppositie tegen de koning van daaruit alsnog  te organiseren. In 1098 slaagde Heinrich erin om de adel  toestemming te laten geven voor de onterving van zijn zoon Konrad op de Mainzer synode. Konrad kreeg geen koningschap en erfenis meer. De in 1086 geboren zoon Heinrich V werd op 6 januari 1099 in Aken gekroond. Heinrich V legde de eed af dat hij tijdens zijn leven nooit met geweld het rijk of de vaderlijke goederen in bezit zou nemen. Paus Urbanus II stierf in Rome op 29 juli 1099 en Paschalis II werd door de kerkhervormers gekozen als zijn opvolger. De tegenpaus Clementius III stierf op 8 september 1100. Vanaf dat moment werd het investituursrecht van de koning opnieuw het brandpunt van het conflict tussen de keizer en de paus. Paschalis II probeerde de volgende jaren de Duitse vorsten voor zich te winnen. Heinrich IV werd rond de eeuwwisseling oorlogsmoe en zette zich in toenemende mate in voor het bewaren van de vrede. In 1103 werd in Mainz een uitgebreide landvrede aangekondigd. Een aantal van de machtigste vorsten van het rijk, Welf V van Beieren, Berthold II van Zahringen en Friedrich I van Zwaben, sloegen de handen ineen met Heinrich IV en sloten vrede in het hele rijk. Oorlogshitsers werden bedreigd met zware fysieke straffen, ongeacht hun status. Naast geestelijken werden kooplieden en joden opgenomen in de vredeshandhaving.

De zoon Heinrich V

Maar ja: Heinrich IV koos een nieuwe bisschop in Maagdenburg en men wilde die niet accepteren.  Hij besloot tot een strafexpeditie en nodigde zijn zoon Heinrich V uit om er aan deel te nemen. In november 1104 had deze zich bij het leger van zijn vader gevoegd. Maar op 12 december 1104 verliet zoonlief het leger en  ging naar Regensburg, waar hij met zijn volgelingen Kerstmis vierde. In het voorjaar van 1105 verbleef hij twee maanden in Saksen en toonde zich bereid om de kerk verder mee te helpen hervormen  op basis van Gregoriaanse ideeën door de bisschoppen. De door zijn vader aangestelde bisschoppen verving hij door hervormingsgezinde bisschoppen.  In Quedlinburg ging hij op Palmzondag blootsvoets de stad binnen, waarmee hij zijn nederigheid (humilitas) demonstreerde, een elementaire christelijke deugd van heersers. Zijn verblijf werd afgesloten met de viering van het Pinksterfeest in Merseburg . Eind oktober 1105 arriveerde deze Heinrich V in Speyer, het centrum van de Salische heerschappij, met de grootste Romaanse kerk die er bestond. Hij slaagde er in om Speyer in te nemen met de hulp van de voogd aldaar. Hij benoemde Gebhard, de abt van Hirsau, een van de ergste tegenstanders van Heinrich IV, als nieuwe bisschop. In de herfst van 1105 stonden de legers van vader en zoon tegenover elkaar.  Vanuit Beieren stuurde Heinrich V boodschappers naar paus Paschalis en vroeg om advies over de eed die hij aan zijn vader had afgelegd en die hij nu zou breken als hij tegen zijn vader zou gaan vechten. De paus stuurde hem de apostolische zegen. Hij beloofde Heinrich V absolutie in het Laatste Oordeel als hij een rechtvaardige koning en leider van de kerk wilde worden. Maar door het verantwoordelijkheidsgevoel van de adel kwam het uiteindelijk niet tot een beslissende strijd. De vorsten van beide kanten begonnen vredesbesprekingen. Met Kerstmis 1105 werd besloten om het geschil op te lossen op een rechtbankdag in Mainz. Heinrich V was klaar voor bekering en verzoening, de vader drukte hem met tranen tegen zijn borst en ontbond zijn leger. Zijn zoon spoorde hem toen aan om naar kasteel van Böckelheim te gaan voor zijn bescherming. Heinrich IV was nog maar net bij het kasteel aangekomen of hij werd gevangen genomen. Zijn bewaker was Gebhard, de nieuwe bisschop van Speyer. Hij dwong hem om hem de koninklijke insignes te overhandigen. Het controversiële probleem of en hoe een keizer te verdrijven was opgelost. De overgang naar macht was nu mogelijk zonder oorlog en bloedvergieten. Tijdens een prinselijke bijeenkomst in Ingelheim op 31 december 1105 moest Heinrich IV onder zware druk van de adel afstand doen van de troon. Op 5 januari 1106 werd  zijn zoon als Heinrich V tot koning gekozen in Mainz.

De dood van Heinrich IV

Eind januari of begin februari 1106 wist de oude keizer uit Ingelheim weg te komen en wilde opnieuw het verzet organiseren. Na een veelbelovend begin werd hij echter ziek en stierf op 7 augustus 1106 in Luik. Daar ontving hij een eervolle begrafenis in de kathedraal. Heinrich V liet het lichaam van zijn vader op 24 augustus weer opgraven en naar Speyer brengen om daar in de Mariendom te worden herbegraven.

graf HeinrichIV Speyer

Het graf van Heinrich IV in Speyer

Nawoord

Tijdens een groot deel van het leven van Heinrich IV waren er godsdienstige twisten. Waar hij en zijn vader Heinrich III aanvankelijk achter de kerkhervormers stonden, werd hij steeds meer de vertegenwoordiger van de tegenstanders van deze vernieuwingsbeweging. Maar meer nog dan dat was het dat hij geen gezag behalve dat van God wilde erkennen en daarmee steeds in de clinch kwam met de pausen, die juist steeds meer gezag opeisten. Het is niet eenvoudig om het bewind van deze keizer te duiden. Hij heeft zich ingezet voor de rechten van de joden in een tijd dat dat niet normaal was. Zoals later Frederik II de moslims altijd eerbiedwaardig behandelde. Hij was in staat boete te doen, zoals we dat zien bij de befaamde “Gang naar Canossa”. Maar tegelijk was hij sluw en onbetrouwbaar en voortdurend bezig om het koninklijk gezag veilig te stellen en liefst ook uit te breiden. De kerkhervormingen met als doel het uitbannen van de verkoop van kerkelijke ambten en het verbeteren van de zeden werkte hij uiteindelijk alleen maar tegen. Zowel hij als ook zijn tegenstanders waren behoorlijk oorlogszuchtig. Uiteindelijk werd hij verraden door zijn jongste zoon, die zich leek aan te sluiten bij de kerkhervormingen en de macht van de paus leek te gaan eerbiedigen, maar ook die zoon kwam uiteindelijk met de paus in conflict en net als zijn vader toog ook hij naar Rome om het keizerlijk oppergezag af te dwingen. Hij was de laatste Saliër. De investituurstrijd zou ook bij de daaropvolgende dynastie, die van de Hohenstaufen, voortduren en bij Frederik II tot een zo mogelijk nog bitterder conflict met Rome leiden. ·

  • Salierzeit im Wandel. Zur Geschichte Heinrichs IV. und des Investiturstreites,
    Tilman Struve, 2006 Böhlau Verlag Köln Weimar Wien, ISBN 978-3-412-08206-2
    ·
  • wikipedia.de 

 

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , , , | 1 reactie

Rekenen en taal

Mijn vrouw geeft aan mijn oudste kleinzoon drie dagen in de week les, dat wil zeggen ze helpt hem met zijn huiswerk. Dat is allemaal erg goed en duidelijk geregeld op zijn school. Hij vindt alles leuk, behalve rekenen. Alles gaat met plaatjes en die plaatjes vindt hij op zich veel interessanter dan de er achterliggende som. Hij wil snel weten wat het trucje is en dan: klaar. Maar helaas, dat trucje is niet steeds hetzelfde. Hoe kun je hem op een speelse manier toch inzicht geven? We hebben daarom op initiatief van mijn vrouw winkeltje gespeeld met zijn allen. Iedereen vond het leuk, behalve hij, om wie we het deden… Hij doet zijn best, maar slechts met vrolijke tegenzin doet hij mee. Deze ingang blijkt niet te werken. Maar al het taal- en schrijfwerk gaat goed en dat vindt hij ook leuk.

-‘Opa, kun jij dit lezen?’
Hij liet me een pagina zien met een door hem zelf handgeschreven tekst.
-‘Poe, dat vind ik lastig.’
Ik begon snel hardop te lezen en bewoog intussen met mijn vinger mee. Ik las met veel expressie alsof er een spannend verhaal stond en probeerde van zijn onzin-stukje iets te maken.
-‘Weet je welke taal dit is?’ vroeg hij mij.
Ik had geen flauw idee.
‘Het is gewoon oud-Nederlands. Dat kun je lastig lezen,’ zei hij triomfantelijk.

Hoe was hij daar nu weer op gekomen? Maanden geleden had ik hem een keer een handgeschreven tekst uit de zestiende eeuw laten zien en hem verteld hoe moeilijk je dat kon lezen. Hij luisterde toen wel, maar kwam er nooit meer op terug. En nu: floep, vanuit het niets! De vorige week heeft hij ook Chinese tekens gemaakt. Die waren wel echt. Er lag een minutieus papiertje met een handleiding in het Chinees, afkomstig van een verder overigens waardeloos Chinees bouwpakket (waar ik het nu niet  over zal hebben) in de kamer.
-‘Wat zijn dat voor tekens?’
-‘Dat is Chinees.’
Dat vond hij blijkbaar zo intrigerend dat hij dat was gaan natekenen.

Een van de huiswerkopdrachten van deze week luidde: “schrijf een brief aan de juf.”
Mijn vrouw vroeg of ik dat met hem in een tekstverwerker wilde doen. OK dan, dat vond hij leuk. Elke zin verzon hij zelf, inclusief leestekens. Na ‘lieve juf Daphne’ – Opa hoe schrijf je Daphne? – kwam er gelijk een concrete vraag aan zijn juf: ‘Ik ben benieuwd of  we nog de x  c  y  q  nog gaan  leren. Ik  kan  gewoon  niet  wachten tot  we  die  letters  gaan   leren.
Met spaties is hij erg gul. De woorden moeten duidelijk los van elkaar staan.
Maar   ik vindt  je gelukig wel lief. Hee vindt jij mij ook lief?
Hoe je vind moet schrijven vroeg hij niet. Hij tikte het in dit geval tot twee keer fout in. Ik denk dat hij al snel wil weten wanneer je het zus of zo schrijft maar ik liet het nu maar even.

Hoe anders is het dus met taal, schrijven en lezen dan met rekenen. Toen hij een tijdje boven was om op het keyboard te spelen viel me opeens op dat ik geen geluid meer hoorde. Ik liep naar boven. Hij had het keyboard uitgezet en lag op de grond te lezen, in mijn studeerkamer. Hij las uit het boek: “Het hof van Willem van Oranje.” Willem van Oranje, die kent hij wel en een foto van zijn portret dat op de voorkant van het boek staat had hij uiteraard gelijk herkend.
-‘Opa wat is een hof?’

Ik vertelde hem over een hofhouding en hoe de mevrouw die het boek geschreven had, had uitgezocht hoeveel mensen Willem van Oranje in dienst had en wat die allemaal zoal deden. En ook wat ze allemaal aten, gewoon door de week of bij een feestje.
-‘So hei!’
Ik vertelde dat Willem van Oranje erg rijk was maar doordat hij ruzie had met de Spaanse koning heel veel dingen die van hem waren moest afgeven. Zelfs hele paleizen. Op de kaft stond ook een afbeelding van zijn paleis in Brussel. Dat vond hij erg indrukwekkend. Dat pikte de koning van Spanje zomaar in.
‘Waren alle mensen toen zo rijk?‘
Ik vertelde dat heel veel mensen heel erg arm waren. Sommigen waren zo arm dat ze helemaal niets te eten hadden en dan werden ze maar soldaat. Dan kregen ze tenminste nog wat te eten.
-‘Dat is niet eerlijk.’
Ik zei dat het ook nu nog steeds niet erg eerlijk verdeeld was over de wereld maar dat het in Nederland gelukkig best wel aardig geregeld was.

Met duplo ging hij een kasteel bouwen, ook buiten in het zand ging hij een kasteel bouwen en ook bij zijn ouders bouwde hij met zijn broertje een kasteel met blokken.

kasteel2

Maar hij ging geen kasteel tekenen. Hij tekende een flink aantal treinen. Onder meer een trein in station “Hollandsche Rading.” Opa, ik heb “Hollandsche Rading met sch geschreven. Dat komt omdat het geschreven is in oud-Nederlands. Samen met broer, zus en moeder was hij bij dat station geweest om treinen te kijken. Daar is trouwens het coronavirus weg…

tekening1Maar hij tekende ook station Rotterdam Centraal en Rotterdam Blaak. In Blaak stonden vijf mensen op het perron. Dat waren hij zelf met broer, zus, opa en oma. Allemaal waren ze treinen aan het kijken.

tekening2

tekening4

-‘Wanneer leefde Schumann?’
Hij speelde op de piano uit “Album für die Jugend” het liedje waar ook “Hij komt, hij komt die goede Sint” op is gebaseerd. En net als bij Schumann speelt hij het liedje met links de melodie en rechts de begeleiding. Ik help hem er helemaal niet mee. Dat wil hij niet. Op zijn eigen en ook op ons keyboard staan heel veel muziekjes. Je tikt een nummer in en dan hoor je een liedje dat vervolgens in een soort repeteermodus wordt herhaald. Dus ook dit liedje. Bij ons tikt hij bijna uitsluitend cijfers in van klassieke muziekstukken en hij vraagt dan aan mij wie dat gemaakt heeft. Dan luistert hij een aantal keren achter elkaar naar de betreffende melodie en vervolgens gaat hij het proberen na te spelen. Allemaal op zijn gehoor. Zo is hij onder meer bezig met de sonate facile van Mozart en met de titelsong van Pippi Langkous. Zijn zusje wordt daar altijd helemaal blij van. ‘Pippi Langkous!’ zegt ze dan glunderend.

Morgenochtend krijgt hij weer rekenles. Dat moet dan maar. Verder heeft hij het reuze naar de zin. Maar wanneer is dat rotvirus nu weg? In ieder geval moet je altijd je handen wassen met zeep. In elke taal schrijf je dat anders.

tekening3

 

 

 

Geplaatst in kleinzoon | Tags: , , , , , | 2 reacties

De maan, Venus en het ISS

Nu, eind maart 2020, is het ruimtestation ISS weer een aantal keren goed te zien, vanavond was dat rond 8 uur het geval. We hebben al een hele tijd schitterende, bijna wolkenloze luchten. Venus staat al maanden elke avond in het westen. Al enkele dagen achter elkaar kroop de maan naar hem toe en vanavond staat hij er het meest dichtbij: we zien nu een mooie conjunctie tussen beide hemellichamen. Deze conjunctie werd heel even nog uitgebreider doordat het ISS zich bij het gezelschap voegde. Ik maakte een korte opname, als je een goed scherm hebt zie je al vrij snel het ISS vanuit de horizon omhoog komen. Rechts van Venus. Op het moment dat ik inzoom zie je het station veel beter.

Ik ontdekte onlangs een mooie video waarin André Kuipers op een leuke manier iets vertelt over het verblijf in het ruimte station ISS. Er is van die heel uitgebreide versie een korte kinderversie gemaakt. Mijn oudste kleinzoon vond de gewichtloosheid erg fascinerend, maar hij vond het ook eng. Bij deze heeft hij besloten geen ruimtevaarder te worden! Ik denk dat hij enigszins claustrofobisch is, hij wordt ook panisch van tunnels. Maar hier liep hij niet voor weg maar bleef tot het einde kijken. Hieronder de uitgebreide versie.

Zweven door smalle gangen in een ruimtevaartstation is misschien eng, maar het coronavirus is voor mijn kleinzoon nog veel enger. Ik weet niet wat hij er allemaal van mee krijgt, maar blijkbaar genoeg om er ’s avonds lang bang wakker van te liggen. Deze week bouwde hij eerst van duplo een trein die gereviseerd moest worden. Hij imiteert dan een filmpje waarop dat te zien was. Maar ook bouwde hij een ziekenhuis. In het prachtige boek “Nederland” van Charlotte Dematons staan allerlei tekeningen van plekken in Nederland. Herkenbare plekken, zoals de Blaak in Rotterdam. Er is ook een pagina waarop een ziekenhuis is te zien, met een helikopterplatform op het dak. Je ziet hoe er in de straat een ziekenauto komt aanrijden. Hij fantaseert dan wat er allemaal gebeurd kan zijn. Door de vensters van het ziekenhuis zie je verpleegafdelingen met patiënten.

-‘Opa, hoe gaat dat, een operatie? Kun je me daar een filmpje van laten zien?’
-‘Nee, ik weet niet of die filmpjes er zijn. Maar ik ga ze ook niet zoeken. En elke operatie is weer heel anders. Het doet trouwens geen pijn want de mensen worden verdoofd, dan voel je niets. Maar laten we maar naar iets anders kijken. Volgens mij is dat helemaal niet zo leuk om naar een operatie te kijken.’
-‘Wanneer is dat corona nu weg? Komen er mensen op mijn verjaardag?’
-‘6 juni, ik denk dat we jouw verjaardag wel kunnen vieren. Dat duurt nog een hele tijd. En anders vieren we hem toch gewoon een tijd later?’

Vervolgens begon hij op te sommen wat hij graag wilde hebben voor zijn verjaardag. Ik denk zelf aan een cadeautje dat hij niet opsomde. Verkleedkleren. Hij vind het heerlijk om zich regelmatig een rol toe te eigenen. Koning, bisschop, machinist. Tegen die tijd is er vast weer iets waar hij iets mee kan. En ook zijn broer, maar vooral zijn zusje vinden dat heerlijk. Hij speelt steeds vaker met zijn 3,5 jaar jongere zus. In dat soort fantasiespelletjes vinden ze elkaar. Eergisteren trouwde hij met haar. Zij had een oneindig lange sleep van een oud laken. Statig liepen ze naar het altaar.

Maar gelukkig zijn ze ook weer niet voortdurend met dat virus bezig. Het spelen aan het strandje was een aantal dagen heel goed mogelijk. Er was wel veel wind, maar het was helemaal niet koud. En mijn oudste kleinzoon is steeds meer en langer piano aan het spelen. Nadat hij het begin van de sonate facile van Mozart had gehoord probeert hij dat stuk nu ook te spelen. En Für Elise van Beethoven. En nog een stuk of wat andere deuntjes. Fascinerend om te zien hoe hij al rommelende steeds verder komt..

Boven in het ISS zitten drie astronauten. Ze zaten er al lang voordat het coronavirus een internationale crisis veroorzaakte. In het luchtledige, ver buiten de dampkring. Met een enorme snelheid, maar liefst twaalf keer per etmaal draaien ze in een steeds iets veranderende baan om de aarde. Hele periodes kun je vanuit Nederland het ruimteschip niet zien. Dan opeens zijn er een aantal mogelijkheden. Nu, eind maart dus ook weer. Over een tijd zullen de passagiers afgelost worden door nieuwe astronauten. En ooit zal het ruimteschip afgedankt worden denk ik. De maan en Venus niet. De maan blijft onvermoeibaar haar rondjes rond de aarde draaien. En wij deinen met haar mee in de getijden van eb en vloed. Venus zal eeuwig schitterend als avondster of morgenster aan de hemel blijven staan. Waakzaam, als godin van liefde en kunst. Dingen die we in deze periode hard nodig hebben.

Geplaatst in Astronomie, kleinzoon | Tags: , | 1 reactie

Nederig

Ik was 12 jaar en zat in de brugklas in Roermond. Zes dagen in de week (ja ook de zaterdagmorgen!) gingen we fietsen vanuit Swalmen, vijf kilometer heen, vijf kilometer terug. Dat was geen probleem maar In januari werd het dat jaar wel erg koud. Zo lezen we in de Limburger van 23 januari van dat jaar:

de limburger1

En daar kwam nog een schepje boven op. Op 1 februari werd het nog veel kouder:

de limburger2In onze buurt bevroren al heel snel alle waterleidingen en even later ook de rioolleidingen. Een keer per dag kwam er een tankwagen met water langs en dan mocht je in teiltjes en kannen water tappen. Onze behoefte deden we in de tuin. Mijn vader had onder de appelboom nog een kuil weten te hakken, waar alles in werd gedeponeerd. Vanaf dat jaar gaf de boom trouwens de meest lekkere en stevige appels.. Deze situatie duurde een hele tijd, tot vlak voor Pasen bleef het riool bevroren!

Met vastenavond waren de vorst en de bijkomende ongemakken natuurlijk een dankbaar onderwerp. Zo herinner ik me de buut die uitbeeldde hoe gemeente-ambtenaren kwamen om te inspecteren hoe het zat met de rioolleidingen. Ik zat ook in de zaal waar de zitting met de plaatselijke buutreedner plaats vond. Twee deskundigen bogen zich “zogenaamd” over een plek waar een kuil gegraven was in de keiharde grond. De werklieden waren er een hele tijd mee bezig geweest maar het was gelukt. Daar lag hij dan. De rioolbuis. ‘Ja’, zei de een met een deskundig gezicht tot de ander. Hij liet bewust een aantal seconden een stilte vallen. ‘Bevroren’. Nog enkele seconden stilte. ‘Onder de grond’. De wetenschappelijke diagnose was gesteld. Wij toehoorders in de zaal lagen dubbel van het lachen.

Toen het onmogelijk was om nog bij het bisschoppelijk college te komen op de fiets hadden we een aantal dagen vrij. Op de heenweg was het me die eerste dag nog gelukt maar het begon zo hard te sneeuwen dat ik niet meer normaal thuis kon komen. Pas laat in de middag kwam ik verkleumd met een fiets die nauwelijks meer rond kon draaien thuis, waar mijn ongeruste moeder me opwachtte. Het was een uitzonderlijke tijd. Het gaf verbroedering. Maar op veel plaatsen in Europa was er een doffe ellende, vooral door het toenemende tekort aan brandstof. We waren er niet op voorbereid.

Later die maand was er een elfstedentocht. Waar nog beelden van zijn. IJzige beelden. Reinier Paping was de historische winnaar.

De ontreddering die er nu is door het coronavirus doet me nog het meest denken aan wat er in dat jaar gebeurde. Het overkwam ons gewoonweg. De natuur bleek veel sterker dan de mens. Zoals in 1953 en 1995 het hoge water ons overviel. En ook nu zijn we er niet op voorbereid. Wereldwijd zijn we nu van slag. Een virus, slechts zichtbaar met geavanceerde electronenmicroscopen, neemt ons te grazen. En het had net zo goed iets anders kunnen zijn. Er zijn nog talloze natuurkrachten waar we nauwelijks iets tegen kunnen uitrichten. Het zou ons nederig moeten maken.

Geplaatst in Geschiedenis, maatschappij | Tags: , , | Plaats een reactie

Improviseren aan de piano

aanpianoDe wereld van de muziek is fascinerend en eindeloos. Mijn oudste kleinzoon probeert af en toe muziekstukjes na te spelen maar vooral ook zit hij te zoeken, te graven en te spitten in de klankwereld van een piano of orgel. De vorige week was hij erg verkouden met in het begin ook stevige koorts. Maar dat weerhield hem er niet van om vaak achter de piano of het keyboard te kruipen en te improviseren of iets na te spelen. Af en toe heb ik een fragment daarvan opgenomen. Het fascineert mij en het doet me ook aan mezelf denken toen ik een heel simpel keyboardje kreeg. Ik was toen wel al een jaar of 10, hij is pas 6. Toen ik 7 of 8 jaar was schreef ik muziekstukjes voor meer blokfluiten en ontdekte dat een tweede stem op terts-, af en toe sext-afstand heel mooi klonk. Dat ontdekt mijn kleinzoon nu ook al. Hieronder 9 fragmenten van zijn improvisaties van de afgelopen week met commentaar van mij erbij.

Ja dat requiem van Evi komt ook nog steeds af en toe terug in de een of andere variant. Hij eindigt heel bewust op een secunde: E-F#. Dat moest ik ook een keer eerder al voor hem opschrijven. Ik vind dat heel bijzonder, dat hij zo’n interval als slot kan ervaren. En het klopt!

Hij kan eigenlijk niet zonder pedaal spelen op de piano, die moet er steeds bij. Maar het is ook leuk om af en toe het linker pedaal te gebruiken. En terts-parallellen klinken goed! Stukken eindigen trouwens vaak met een triller.

Maar de prachtige doorklinkende tonen en akkoorden van het rechterpedaal zijn favoriet. Verder verkent hij het effect van repeterende noten. Hoe maak je een duidelijke afsluiting? Juist, met een triller in de melodie en een tonica in de bas!

Op het keyboard is de klank van het orgel favoriet. Sinds hij dat orgel zo goed gehoord en gezien heeft in de Sint Jans Kerk van Gouda afgelopen september speelt hij herhaaldelijk voor organist. En dat vraagt om heel andere muziek dan wanneer hij op de piano speelt. Wat het goed doet zijn liggende tonen, orgelpunten, in de bas. Op een orgel klinken ze door, dat is heel anders dan op de piano.

Nog zo’n orgelstukje. Twee melodieën tegelijk. En af en toe – dat klinkt apart! – met kwintparallellen!

En nog een stukje. Leuk hoe hij op het einde al vrij doelbewust naar een einde toe weet te werken.

Op het keyboard bij hem thuis op zijn kamer zitten allerlei liedjes die hij probeert na te spelen. Zoals deze melodie. Een begeleiding erbij zoeken is leuk. Het onbewuste commentaar van broertje, zusje en oma op de achtergrond hoort er niet bij….

“Altijd is Kortjakje ziek” is het equivalent van het Engelstalige “Twinkle twinkle little star”. Eerst zingt hij het liedje en probeert hij zich intussen zelf te begeleiden. Daarna speelt hij een aantal keren de melodie zonder hem mee te zingen en zoekt uit wat er in de linkerhand zoal bij zou kunnen. Zoals sommige fragmenten op terts-afstand.

De “albertijnse bas” maakt hij zich steeds meer eigen, maar alleen een bas is natuurlijk niks. Daarboven kun je improviseren.

corona2020Dit tekende hij bij zijn ouders naar aanleiding van de verhalen over het corona-virus. Sommige mensen moeten zelfs in het ziekenhuis verzorgd worden. Maar zijn verkoudheid geneest goed. En de muziek blijft in zijn leven veel belangrijker. Gelijk heeft hij!

 

 

 

 

Geplaatst in kleinzoon | Tags: , , , | Plaats een reactie

De jonge Beethoven

Toen ik nog op het conservatorium van Maastricht studeerde was er een docent die vrijwel even oud  was als ik zelf. Hij was buitengewoon virtuoos op zijn instrument, maar ik had sterk de indruk dat hij buiten de muziek die bij zijn hoofdvak hoorde weinig kaas had gegeten van al die andere muziek. Hij vond de pianosonates van Beethoven oersaai en kon er bovendien geen touw aan vast knopen en dat gaf hij eerlijk toe. De sonates van Schubert daarentegen kon hij wel waarderen.

Ik snapte daar niets van, want ik vond de sonates van Beethoven opwindend, spannend en ook nog eens heel erg samenhangend. En dat vind ik nog steeds.

Zelfs de allereerste sonates van Beethoven vond ik geweldig. Een van de sonates die ik al snel enigszins kon spelen was de sonate opus 14 nummer 2. Na opus 13, de zogenaamde sonate pathétique,  lijkt deze sonate een soort terugval, op het eerste gezicht minder dramatisch en meer traditioneel van opzet. Maar ik was al spelende onder de indruk van de toch weer prachtige retorische opzet. Het eerste thema was zangerig en had een prikkelend vrolijk karakter: Beethoven die al steeds meer beroemd begon te worden en de hele toekomst nog zonnig voor zich zag.

Voor mij had dat eerste thema alles in zich wat het woord lyrisch impliceert. Ik genoot ook van het vaker voorkomende vraag-antwoordspel tussen de linkerhand en de rechterhand, zoals in het eerste stukje van de slotzin van het eerste deel:

Het mooiste vond ik de doorwerking, waarschijnlijk het punt waar die jonge docent het spoor bijster raakte en daardoor tot de conclusie kwam dat Beethoven een saaie onbegrijpelijke componist was:

De doorwerking begint met een bekende formule: het begin van het eerste thema komt terug maar nu opeens in mineur. En dan gaat hij op een canonische manier spelen met de kop van dat thema, totdat plotseling fortissimo het thema in de bas komt met een snelle triolenbeweging in de rechterhand. Mijn oudste kleinzoon noemde dat “roepmuziek”, dat is muziek waarbij je je oren dicht moet houden. Toen ik het laatst speelde begon hij mee te doen op de djembé om het pianogeluid te overschreeuwen en nog wat later ging hij zelfs naar beneden om zich uit te leven op het drumstel..  Zo zal het vast ook gewerkt hebben bij die jonge docent indertijd. Maar bij dat fragment geeft de muziek juist een adrelanine-shot aan de toehoorders. Wie er voor open staat krijgt een enorme kick. Die passage eindigt met een zogenaamd orgelpunt op de dominant. Zo’n moment maakt dat je voelt dat er iets nieuws gaat komen. Alleen het is een vreemde dominant, niet die je zou kunnen verwachten, die van de oorspronkelijke toonsoort. In deze verkeerde toonsoort lijkt de reprise te komen: je hoort namelijk weer het eerste thema. Het is een zogenaamde schijnreprise, al snel komt er nog weer een orgelpunt, nu op de goede dominant, en ja hoor: daar is de reprise dan, met nu het eerste thema zoals het hoort.

Over die sonate kun je nog veel meer vertellen. Over de ritmiek en metriek bijvoorbeeld. Maar ook over de motivische samenhang. Met het eerste thema is feitelijk iets eigenaardigs aan de hand. Je ervaart de zware tel op een ander moment als dat hij genoteerd staat. Dat komt omdat de bas een drieklank-breking heeft precies op het moment dat de melodie een langere toon heeft. Dat moment ervaar je als zwaar. Ik heb het enkele jaren geleden met conservatoriumstudenten uitgeprobeerd. Ik liet alleen de eerste vier maten enkele keren horen en vroeg hen om mee te tellen en om intussen met voeten, handen of stem duidelijk de zware tel te laten horen. Iedereen hoorde het op dezelfde manier. Maar zo staat het er niet. Na enkele maten klopt het opeens wel, dan hoor je de zware tel zoals genoteerd. Feitelijk ervaar je een maatwisseling die niet als zodanig genoteerd staat, er komt opeens een kortere maat tussen. Om dat inzichtelijk te maken heb ik de notatie verandert. Het eerste stukje niet in de 2/4 maat van de partituur, maar in een 4/8 maat, die dan om eerder genoemde reden even verandert in een 3/8 maat.

thema1a-klinkend

Maar zo heeft Beethoven het genoteerd, pas bij maat 5 hoor je de zware tel aan het begin van de maat:

thema1a-oprigineelDit thema komt terug, twee keer in de doorwerking en later ook in de reprise. Iedere keer moet er ergens wat met het metrum gebeuren om het weer te laten kloppen, maar dat wordt nooit als een maatwisseling genoteerd. Luister naar deze vier momenten in de expositie, doorwerking, nog eens doorwerking en tenslotte in de reprise.

Aan het einde van het eerste deel van de sonate komt er een klein coda. Daar is het thema zodanig veranderd dat het nu wel klopt. Dit door in plaats van een opmaat met vijf zestiende noten slechts een opmaat van drie zestiende noten te gebruiken. Wonderwel heeft deze inkorting een goed effect op die plaats en het stuk komt op een natuurlijke manier tot een afronding.

Ik begrijp niet hoe Beethoven dit thema heeft kunnen verzinnen met die vreemde metrische verschuiving. Ik vermoed dat hij achter de piano zat te zoeken naar een thema en op de een of andere manier die inkorting in maat 4 voor zijn gevoel logisch vond klinken. Maar maatwisselingen noteren, dat deed men niet in die tijd midden in een stuk. Dus moest hij alles naar voren opschuiven en kreeg je dus de notatie zoals die er nu staat.

Over het gebruik van het motivische materiaal in de sonates van Beethoven kun je boekwerken schrijven. Om een idee te geven wat er in dat opzicht zoal gebeurt in deze sonate, luister nogmaals naar het begin van deze sonate en mijn uitleg daarna.

En luister hier naar de hele sonate.

Beethoven stond nog aan het begin van zijn carriëre, het was het jaar 1799.  Een jaar later zou hij zijn eerste symfonie schrijven. Het werd geen makkelijk leven. Maar o. wat heeft hij ons veel mooie dingen nagelaten!

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Corona

In de Volkskrant stond een tekening van een coronavirus: een bol met aan de buitenkant uitsteeksels. Aan die uitsteeksels dankt het virus zijn naam.
Maar we kennen ook nog een andere corona, de corona van de zon.

zon met coronaDat is de hete atmosfeer rondom de zon en andere sterren die zich uitstrekt over miljoenen kilometers. Bij een totale zonsverduistering is hij opeens te zien De temperatuur van de corona is hoger dan die van het zichtbare oppervlak van de zon – de fotosfeer. De fotosfeer heeft namelijk een temperatuur van rond de 6000 K, terwijl de corona een temperatuur heeft van rond de 1.000.000 K. Feitelijk is de corona daarmee nog veel heter dan het binnenste deel van de zon. Hoe kan dat? Eigenlijk weten we dat nog steeds niet. Er zijn twee hypotheses, die misschien wel allebei een deel van de oorzaak bevatten. De magnetische velden van de zon zijn zo sterk dat de buitenkant van de zon verschrikkelijk heet wordt. Een andere veronderstelling uit 2017 is dat de hoge temperatuur wordt veroorzaakt door zogenaamde “spiculen” die heet plasma van ongeveer 10 miljoen graden dumpen in de corona. In de corona vinden explosies plaats, de zogenaamde zonnevlammen. De oorzaak is dat de energie die vastgehouden wordt door de magnetische velden van de zon op sommige plaatsen plotseling vrij komt. Materie uitgestoten bij zonnevlammen komt uiteindelijk terecht in de zonnewind. Een zonnevlam kan gevaarlijk zijn voor de aarde. De ozonlaag beschermt ons echter voor een groot deel tegen de gevaarlijke straling ervan.

In februari is er een missie gestart om meer inzicht te krijgen in al die processen. De Solar Orbiter van de Esa werd gelanceerd. Het ruimtevaartuig bevat 10 instrumenten. In de eerste twee dagen na de lancering zal Solar Orbiter zijn instrumenten en verschillende antennes inzetten die met de aarde communiceren en wetenschappelijke gegevens verzamelen. Solar Orbiter zal de mensheid de allereerste beelden van de polen van de zon tonen. Hij komt maar liefst 22 keer vlakbij de zon. Tijdens de cruisefase van de missie, die duurt tot november 2021, verzamelen instrumenten van het ruimtevaartuig wetenschappelijke gegevens over de omgeving rond het ruimtevaartuig, terwijl de telescopen zich richten op de voorbereiding van wetenschappelijke operaties in de buurt van de zon. Om de benodigde snelheid te krijgen zullen Venus twee keer en de aarde een keer het ruimtevaartuig een soort opzwieper geven. Uiteindelijk zal de Solar Orbiter een baan krijgen die niet meer is uitgelijnd met de evenaar van de zon waar de aarde en de andere planeten ronddraaien. Ruimtevaartuigen gelanceerd vanaf de aarde blijven normaal gesproken in dit vlak, wat betekent dat telescopen op aarde en telescopen op satellieten een beperkt zicht hebben op de noord- en zuidpool van de zon. Dat zicht hebben we dan nu met deze solar orbiter voor het eerst wel.

De aarde wordt beschermd door de ozonlaag. Daardoor worden de uitbarstingen in de corona van de zon geheel of deels onschadelijk gemaakt. Want de schade kan enorm zijn. De aarde die nu 4,5 miljard jaar oud is had niet altijd een ozonlaag. De vorming van die laag vond pas ruim een half miljard jaar geleden plaats. Het grootste deel van zijn leven was de aarde onbeschermd. Het eerste leven verscheen al ruim 3,5 miljard jaar geleden. Drie miljard jaar was dat leven dus onbeschermd tegen de zonnevlammen. Het leven bestond lang uit niet meer dan eencellige wezens, veel minder complex dan bacteriën. Pas als er wat blauwalgen zijn en ook de eerste levensvormen op het vasteland verschijnen, pas als de aardse atmosfeer voor een deel uit zuurstof gaat bestaan, dan begint ook de vorming van de ozonlaag. Een soort beschermende huid tegen de inslagen van de zonnevlammen. Waarschijnlijk ook dankzij dit afweermechanisme kan het leven zich vanaf dan meer veelzijdig gaan ontwikkelen.

De mens en andere zoogdieren hebben los van die ozonlaag ook hun eigen afweermechanismen. Bij aanvallen van buitenaf gaan er beschermingscellen aan de slag om de aanvallers het hoofd te bieden. Allerlei ziektes krijgen bij voorbaat al geen kans dankzij die verdediging. En als ze dan toch hun kans grijpen omdat het immuunsysteem de aanvallers nog niet goed kent, dan gaat het lichaam als een gek improviseren om de ziektemakers de baas te worden.

In het mooie artikel over het coronavirus in de wetenschapsbijlage van de Volkskrant van 7 maart 2020 trof me een zinnetje het meeste: virussen zijn misschien wel ouder dan het leven op aarde. Ouder dan het leven op aarde? Ja, dat kan omdat virussen in tegenstelling tot bacteriën geen levende wezens zijn.
“Ze zijn klein. Ontzettend klein. Nogal wat mensen denken dat een virus ongeveer hetzelfde is als een bacterie (allebei klein en kriebelig), maar in werkelijkheid verhoudt een virus zich wat betreft maat en complexiteit tot een bacterie als een roeiboot tot een vliegdekschip. Een bacterie is in essentie een klein beestje, maar een virus is niet meer dan een ingepakt sliertje erfelijk materiaal, met het opschrift: KOPIEER MIJ. Virussen vormen dan ook de onzichtbare hand achter allerlei biologische processen. Dat u zetmeel kunt verwerken, en dat het lichaam van vrouwtjeszoogdieren een baby gedoogt: het heeft te maken met subtiele genetische signaaltjes in het dna die virussen daar hebben aangebracht. Er zijn zelfs wetenschappers die denken dat het virus er eerder was dan het leven zelf: virussen vormen het canvas waarop het verhaal van het leven is geschilderd.”
Op onderstaande foto zien we een sterke uitvergroting van coronavirussen.

coronavirusdeeltjesMicroscoopbeeld van Montserrat Bárcena, LUMC (Volkskrant, 7 maart 2020)

Het begint allemaal als er wat virus in ons lichaam komt. Door inademing, via de ogen misschien: als je een tienduizendste van een millimeter klein bent, is er altijd wel een weg naar binnen. Eenmaal daar buitelen en zweven de virionen, zoals de virusdeeltjes formeel heten, door uw luchtweg. Tot ze beet hebben. Daarvoor gebruikt het coronavirus een van de bloembladachtige uitsteeksels die hem omringen en hem de naam ‘coronavirus’ bezorgen (naar de ‘krans’ van de uitsteeksels). Zijn ‘spikes’. Het virus tast ermee zijn omgeving af. Tot de spikes zich chemisch vastzuigen. Waarna het virus zich gewillig laat verpakken in een vetblaasje waarin de cel ook nuttige voedingsstoffen verpakt en naar binnen bubbelt, hup de cel in. Daar begint de cel, nietsvermoedend, het pakketje uit te pakken. Eiwitten stropen met talloze bezige handjes het vetblaasje van hem af en breken zijn buitenkant open. Totdat zijn onheilige inhoud vrijkomt. In de cellen van uw luchtwegen begint het coronavirus zijn enorme genoom te ontrollen. Geschreven in chemische codetaal, op een lange sliert erfelijk materiaal die biologen ‘RNA’ noemen. Slaafs beginnen de eiwitfabriekjes in uw cellen de bouwinstructies op het RNA te volgen. Zestien onderdelen knutselen ze tevoorschijn. Een werktuig van de duivel, zo zal al snel blijken. De virusonderdelen beginnen zichzelf aan elkaar te klikken. Tot er een enorm, ingewikkeld eiwitcomplex ontstaat. In uw cellen is het virus begonnen met de volgende fase. Een wonderlijke fase, goed te zien op microscoopfoto’s: het virus begint bellen te blazen. In de cel ontstaat een soort schuim. En dit is wat je dan overhoudt. We zien de besmette cel, of wat daarvan over is. Een uitgewoonde chaos, waarin van de afzonderlijke celstructuren weinig meer is te herkennen. Dat is niet alles, want ook aan de buitenkant van de cel kleven spikes. Met als gevolg dat cellen met elkaar beginnen te verkleven, voedingsmoleculen en signaalstoffen er niet meer langs kunnen en hele weefsels verziekt raken. Tot de cel zichzelf opblaast, wordt gesloopt door immuuncellen of er een bacterie langskomt om zich aan de zieke cellenpap tegoed te doen. U hoest: de bacteriën, het afval én de kerngezonde virusdeeltjes vliegen in het rond.

Virussen zijn strengsels RNA. Ze vormen de basis van het leven. Zonder virussen zouden wij er niet zijn. Maar virussen springen af en toe uit de band. Zoals de corona van de zon af en toe enorme hoeveelheden energie in de vorm van zonnevlammen het zonnestelsel in spuugt en processen op de planeet ontwricht. Bij een zonsverduistering zien we deze corona. Als een groot spektakel. We weten er nog niet voldoende van af, de Solar Orbiter is op weg om onze kennis te vergroten. Zoals talloze wetenschappers de virussen onderzoeken.
Veel meer informatie over het coronavirus kun je vinden in het complete artikel van de Volkskrant waaruit ik hierboven enkele fragmenten heb geciteerd.

 

 

Geplaatst in Astronomie, maatschappij | Tags: , , , , , | 1 reactie

Koffer

Boven stond een koffer. Een goede, mooie koffer, die in het vliegtuig als handbagage mee mag. Daar ging mijn oudste kleinzoon mee aan de haal. Hij wilde er mee naar Solor, en naar nog verdere oorden. Hij sleepte hem mee naar beneden en dacht na wat er allemaal in moest.
-‘Nee. Jij mag niet met deze koffer spelen en ook mag hij niet mee naar buiten.’
Ik zag hoe hij leuk bezig was maar ik wilde ingrijpen voor het te laat was. Er dreigde een groot kinderverdriet te gaan ontstaan.
-‘Wacht maar, Ik heb misschien nog wel een andere koffer.’

Die was er inderdaad en inmiddels hadden ook zijn broertje en zusje de smaak te pakken. Nu eens was het niet de zak van Sinterklaas die volgestopt werd met cadeautjes, nee, nu was het een reiskoffer. En ze stopten er van alles in. Zo gingen we met zijn allen op reis.

-‘Kunnen jongens ook vlechtjes hebben?’
-‘Ja, dat zie je soms wel eens. Maar niet zo heel vaak.’
Mijn vrouw maakte twee vlechtjes bij hem. Hij bekeek ze verguld in de spiegel. Zo kon hij wel op reis. Het was prachtig weer, een ideale middag voor een mooi tochtje.

kofferDe reis ging inderdaad naar Solor. Zo noemt hij het strandje naast ons huis. Hij mocht de koffer rollen, zijn broertje zou het op de terugweg mogen, zo spraken we af. Daar aangekomen begon de middelste met het uitpakken van de koffer. Aan alles was gedacht. Oma kreeg een mooie zonnehoed, er waren strandballen, er was een lievelingsknuffel, (altijd leuk aan het strand), er was een hijskraan voor je weet maar nooit, er waren treinen en er was nog veel meer. Ook was er gedacht aan eten. In de koffer zaten sinaasappels en tomaatjes.

plasWat een feest, er gebeurde van alles op Solor. Solor kreeg een fortificatie en af en toe werd er gepauzeerd. De jongste twee trappelden met hun laarsjes, de slotgracht moest immers goed diep worden. De meeste plannen kwamen van mijn oudste kleinzoon en hij praatte dan zo enthousiast dat de anderen als bijna vanzelfsprekend mee gingen doen. Maar als zijn broertje ook een ideetje kreeg dan was dat niet goed, want het paste niet in de film die hij al in zijn hoofd had en hoe alles verder moest gaan.

Toen de jongste natte voeten had ging ik met haar naar huis. Mijn vrouw ging met de andere twee de film afmaken. En achteraf hoorde ik hoe dat gegaan was. We waren ooit een keer op een pier geweest. Daar wilde hij nu weer heen. Alleen: toen was deze niet zo glad. Hij luisterde niet, want de pier van Solor hoorde bij zijn spel. En hij gaat zo sterk op in zijn spel dat hij voor geen enkele rede meer vatbaar lijkt. Gelukkig was hij zo voorzichtig dat het goed ging. Maar het blijft een probleem waar hij mee zal moeten leren om gaan. Zo ook als hij naar huis gaat op zijn fiets. Het laatste stuk zit hij in de film van een wielrenner en wil hij dus keihard rijden. Met het gevolg dat hij een keer al over stak op een punt dat we afgesproken hadden dat hij moest wachten. Ik was heel boos op hem en vertelde hem dat hij de volgende keer niet meer op zijn fiets mocht. ‘Nooit meer opa?’ –‘Nee, nooit meer’. Hij begon te huilen. Ik liet hem een tijdje huilen en legde nog een keer uit waarom ik zo streng was. –‘Zullen we het nog een keer proberen?’ Sindsdien gaat het goed en wacht hij keurig bij elke zijstraat. Zoiets zal bij de pier van Solor ook moeten gebeuren.

De laarzen gingen uit, de speelkleren in de was, de handen werden gewassen. Hij ging weer achter de piano zitten. Hé! Ik herkende het requiem van Evi. Dus toch! De vorige week nog wilde hij zijn eigen stuk niet spelen. Eerst moesten Bach, Mozart en Händel in zijn vingers zitten. Maar blijkbaar wilde hij het uiteindelijk toch. Het was een andere versie dan hij eerder zelf op een blaadje had geschreven, met eigen gemaakte muziekbalken en sleutels. Ik schreef ook deze voor hem op.

requiem2

Hij speelde het daarna van blad, maar toen hij het de tweede keer speelde klonk het alweer anders. Het requiem werd net als de ouvertüres Leonore van Beethoven bij elke versie  omgezet in een behoorlijk afwijkend stuk, er klonk opeens een tegenmelodie in de bas. Ook deze versie bleek tijdelijk, hij verzon weer wat anders. Beethoven schreef  vier versies als opening van zijn opera….

-‘Welke moet ik nu voor je opschrijven?’
-‘Moet die dan altijd hetzelfde zijn?
-‘Ja, composities zijn altijd hetzelfde. Die schrijf je op en dan worden ze precies zo gespeeld als dat ze opgeschreven zijn. Als je iedere keer weer iets anders speelt dan noem je dat een improvisatie. Dat kan ook. Maar die schrijf je niet op. Improvisaties zijn trouwens ook erg leuk hoor!’

Hier moest hij even over nadenken. Deze informatie wordt in een van zijn vele koffertjes gedaan. En dat koffertje neemt hij mee naar huis. Maar meestal blijft het daar niet lang in zitten. Misschien dat ik een dezer dagen weer iets te zien of te horen krijg, dat ooit in die koffer zat, maar waar hij opeens iets heel moois van heeft gemaakt!

Geplaatst in kleinzoon | Tags: , | Plaats een reactie

Muzieknoten

Mijn oudste kleinzoon ziet op de piano muzieknoten staan en gaat deze “zogenaamd” ook spelen. Maar hij gaat ze ook zelf opschrijven, thuis of bij ons grootouders. Dat doet hij uit zijn hoofd, en dat doet hij dan ook op zijn manier: eerst trekt hij een aantal horizontale strepen, drie of soms meer. Hij tekent een vioolsleutel aan het begin, hij noteert soms ook voortekens. Maar veel stokken staan aan de verkeerde kant, de maatstrepen ontbreken en hij noteert toevallige voortekens die enharmonisch onlogisch zijn. Hij heeft over veel dingen nog geen idee.

-‘Opa, hoe klinkt dit?’

Ik speel het hem voor voor zover ik er wijs uit word en het bevalt hem. Hij schrijft daarna nog twee stukjes. Volgens mij heeft hij intussen wel een soort klank in zijn hoofd. Hoog-laag dat snapt hij.

Ik ben hem toch maar iets meer gaan uitleggen. En ik vroeg hem om een toonladder die ik had genoteerd op een velletje muziekpapier over te nemen. Boaring… Na vijf noten vond hij het welletjes. Ik herinner me hoe hij vroeger ging huilen als hij dacht dat ik hem wilde verbeteren. Dus ik blijf voorzichtig.

-‘Opa ik kan van alle kinderen het beste piano spelen toch?’
-‘Je kunt erg goed piano spelen, maar er zijn kinderen die nog veel beter kunnen spelen. Jij speelt met de verkeerde vingers en als je dat ook nog eens goed gaat doen dan kun je al heel snel nog veel beter spelen.’

Hij zei niets. Na een uurtje hoorde ik hem toonladders spelen. Toen kwam hij:
-‘Opa ik heb gespeeld met de goede vingers!’
-‘Ja, dat klonk goed. Fijn zeg!’

Zo ging het ook met de muzieknotatie op die dag. Hij ging opeens weer wat noteren en vroeg me:
-‘Is dit de hoge C?’
Het was de hoge F. Ik zag hem nadenken. Ik wilde hem nog aanwijzen waar die hoge C lag maar hij liep alweer weg.

Toen zag hij dat ik achter de computer met het muzieknotatieprogramma Sibelius bezig was. Hij kwam nieuwsgierig kijken. Ik besloot om iets in te spelen door middel van het pianokeyboard. Hij keek wel, maar vooral: hij luisterde. Ik speelde een stuk van de sonate facile van Mozart.

Na weer een tijdje begon hij op de piano, en later ook bij zijn ouders op het keyboard, met zijn linkerhand een Albertijnse bas te spelen, zoals bij Mozart! En met zijn rechterhand ging hij intussen wat improviseren. Geweldig! Hij leert vooral auditief, dat bleek maar weer.

Een van de stukjes die hij eerder noteerde had hij een naam gegeven. “Requiem van Evi”. Evi is een van zijn vlammen. Zo heeft hij nog twee of drie vlammen. En hij vindt het requiem van Fauré erg mooi. Dus maakt hij zelf ook een dergelijk stuk en noemt het “requiem”. Hij weet niet wat dat echt betekent, maar ik heb er een soort dodenmars van gemaakt door er een baslijn onder te zetten en door het tempo lekker laag te zetten. Wat pauken erbij en het effect is compleet. Hij vindt het mooi maar wil het niet zelf gaan spelen. Eerst wil hij nog Beethoven, Bach en Händel leren…

 

Geplaatst in kleinzoon | Tags: , , | 1 reactie

De Coda

In de tijd van de Weense klassieken – Haydn, Mozart en Beethoven – hebben een aantal muziekvormen zich ontwikkeld tot een soort standaard die meer dan een eeuw lang mee ging. De belangrijkste standaard is die van de sonatevorm. Het wordt niet voor niets ook wel de “Hoofdvorm” genoemd. Het model vond zijn weg in de kamermuziek, de symfonische muziek, de pianoconcerten en in nog veel meer genres. De componist die het meeste zijn stempel heeft gedrukt op deze vorm is Beethoven. En in zijn 32 pianosonates kun je heel goed ook de eigen ontwikkeling van Beethoven binnen dit genre zien. Bijna elk werk, meestal bestaande uit vier delen, begint met een deel in de hoofdvorm.

Vaak eindigt zo’n hoofdvorm met een staartje, de zogenaamde Coda. Voor Beethoven is dat een deel waarin hij zich lekker uitleeft. Oorspronkelijk was een coda een niemendalletje van slechts enkele maten dat lang niet in elke sonate aanwezig was, maar Beethoven maakt er iets van dat je in retorisch opzicht zou kunnen beschouwen als het hoogtepunt van het hele deel. Vergelijk het met een preek. De argumenten zijn opgesomd bij het eerste en het tweede thema, deze zijn helemaal uitgekauwd en doorgelicht in de doorwerking. Ze worden nog een keer voor het voetlicht gebracht in de reprise, maar dan verlaat je de kerk na nog enkele donderpreek-achtige waarschuwingen: ‘dus, waarde gelovigen, jullie begrijpen nu waarom je je zo en zo dient te gedragen!’ Dat laatste gebeurt in de Coda.

De Coda begint altijd verrassend. Daarvoor is er toegewerkt naar het einde, het stuk had al afgelopen kunnen zijn met de laatste slotzin van de reprise. Maar dan komt er opeens iets dat je niet verwacht, je gaat op het puntje van je stoel zitten. Alsof er nog weer een doorwerking komt, een bestanddeel dat we al gehad hebben. Maar dat blijkt slechts schijn. Uiteindelijk wordt dan ook de coda alsnog afgerond.

Kan een coda ook spannend zijn zonder dat je het voorafgaande gehoord hebt? Niet echt, een coda dankt een deel van zijn effect aan het verwachtingspatroon – hu, wat gebeurt er? – Maar er zijn coda’s die je bijna als losse stukken zou kunnen beluisteren en die ook dan nog het beluisteren waard zijn. In het late werk van Beethoven gaat het vaak om lange onderdelen, die inderdaad bijna een stuk op zich gaan vormen. Maar een begin in die richting zien we ook al in zijn jeugdwerk, zoals bij de coda van het eerste deel van de sonate opus 2.3. De vroege Beethoven is trouwens echt prachtig, je voelt zijn energieke zoektocht in het Walhalla van de muzikale vormen. Hieronder heb ik een een beschrijving gemaakt van deze coda. In het schema, waarin het dynamische verloop van het stuk aanschouwelijk is gemaakt, heb ik cijfers gezet. Deze cijfers corresponderen met de cijfers van de beschrijving. Met enige oefening kun je zo alles goed volgen.

coda

  1. De slotzin van de reprise is al bijna afgelopen, maar opeens komt er een onverwacht akkoord, een zogenaamd bedrieglijk slot. Een effect zoals bij Haydn in zijn symfonie met de paukenslag, iedereen die ingedut is wordt gelijk wakker geschud. En wat gebeurt er dan? Je hoort het akkoord nog nadreunen, intussen komt er een zacht geborrel van gebroken akkoorden, die steeds spannender worden,
  2. het worden verminderde septiem-akkoorden die op een onverwachte manier stijgend in elkaar overgaan.
  3. Dat leidt tot een nieuw hoogtepunt: je hoort een zogenaamd kwart-sextakkoord boven de dominant. Iedereen weet en voelt: nog twee akkoorden en het stuk is klaar, we wachten alleen nog op het dominant akkoord en de slot-tonica.
  4. Maar die dominant wordt heel lang uitgesteld, je hoort allerlei “wirwarrende” loopjes boven nog steeds dat kwart-sextakkoord.
  5. Als dan eindelijk een triller komt en daaronder de grondtoon van die dominant zijn we echt op het dominant akkoord aangekomen. Nu rest er nog slechts een slotakkoord. Maar in plaats van dat slotakkoord lijkt er een nieuwe reprise te komen die ingeleid wordt door een dalend chromatisch loopje.
  6. Ja hoor, daar is thema 1 weer terug. Al snel laat Beethoven nu weten: nee hoor, dit is niet weer een reprise, nu gaan we het toch echt wel afronden: we horen een steeds sneller wordende canon, die lijkt te gaan eindigen met een duidelijke slot-cadens: eerst een akkoord op de sub-dominant, dan een dominant akkoord: nu zal dan eindelijk toch die verlossende tonica komen… mis poes!
  7. Alweer een bedrieglijk slot, nu niet keihard, zoals de coda begon, maar juist heel zacht. Dan wordt de cadens opnieuw opgepakt met sub-dominant, kwart-sextakkoord op de dominant, het dominant akkoord zelf, en,
  8. hè hè, eindelijk daar is ie dan: een langgerekte, uitgesmeerde tonica,
  9. met nog een krachtige bevestiging van slechts twee akkoorden er achter aan: dominant-tonica!

Hieronder staat deze coda nogmaals, maar nu voorafgegaan door de niet afgemaakte slotzin van de reprise. Zo kun je horen hoe de coda is ingebed in het geheel.

Het hele deel, en de volgende drie delen van deze sonate, vind je hier, gespeeld door Daniel Barenboim

Geplaatst in muziek | Tags: , , , | Plaats een reactie

Goudblonde lokken

Totdat ik naar het conservatorium ging zat ik alleen op jongensscholen. En als je dan in de puberteit kwam dan veranderden meisjes opeens van mensen in engelen. Zo fietsten we terug van school naar huis. Met een groepje jongens. Maar niet die dag. Toen fietsten daar opeens twee meisjes, net voor ons. O wat waren ze mooi, nee, ze waren beeldschoon, ik kon mijn ogen niet van hen af houden. Vooral dat haar. Goudblonde lokken. Hun ogen zag ik niet. Daar durfde ik niet naar te kijken. Maar het waren vast engelen-ogen die niet konden jokken.

Ik begrijp dus mijn oudste kleinzoon wel. Als we naar de speeltuin gaan hoopt hij dat er meisjes van zijn leeftijd zijn. En dat moeten meisjes zijn met lange haren. Die vindt hij veel leuker dan jongens. Dat zegt hij dan ook openlijk. Nu wil hij zelf ook lijken op zo’n mooi meisje. Gisteren ging hij naar boven en haalde daar de klerenkast van mijn vrouw overhoop. De vloer lag bezaaid met kleren. Uiteindelijk had hij iets bruikbaars gevonden. Over zijn hoofd had hij een broek getrokken, de pijpen hingen als lange meisjesharen achter hem aan.

Soms zou je wel eens willen weten wat er allemaal omgaat in het hoofd van een kind. Bij hem is dat vrij makkelijk want hij speelt zijn gedachten uit, het wordt een film zonder scherm. Hij woont tegenwoordig op Solor. Solor heeft als hoofdstad Schoonhoven. Wij wonen meer aan de rand, bij de zee. Solor is immers een eiland. We moeten uitkijken want als het vloed is dreigt Solor onder water te lopen. Vooral waar wij wonen, daar kan dat gevaarlijk worden. In een niet aflatende stroom van enthousiaste verhalen heeft hij me gisteren verteld over het ontstaan van Solor. Over hoe er mensen gingen wonen, eerst in grotten. Hoe er allerlei uitvindingen werden gedaan. Hoe Solor twee wereldoorlogen te verduren kreeg en alle huizen compleet vernietigd werden. Maar hoe er daarna weer nieuwe huizen gebouwd werden. Alle huizen van Solor waren van na die tijd. Ook was er nu asfalt wat alles een stuk gemakkelijker maakte. Hij hield een monoloog van een half uur, van ons huis tot bij zijn eigen huis en eindelijk thuis gekomen was hij nog niet klaar. Ik zei:
-‘Over het ontstaan van Solor kun je volgens mij wel tien tekeningen maken.’
-‘Och man, wel honderd’, antwoordde hij.

Uiteindelijk tekende hij niet Solor maar een trein die net onder het half-open viaduct vlakbij Abcoude reed. Als je daar in die trein zit en de zon schijnt dan zie je wel tien lichtflitsen achter elkaar: licht-donker-licht-donker- licht-donker-licht-donker… Ik keek naar zijn tekening. Hij werd nu ook in mijn fantasie steeds mooier. In mijn gedachten leken de goudblonde lokken van de meisjes, die vast ook in die trein zaten, steeds meer te gaan schitteren.

abcoude

Geplaatst in kleinzoon | Tags: , | 1 reactie

Reinbert de Leeuw

De dood van Reinbert de Leeuw op 14 februari 2020 is bijna als de dood van een prachtige boom naast je ouderlijk huis die je je hele leven daar onwankelbaar hebt zien staan. Wel langzaam wat meer takken verliezend, elk jaar komen er minder verse bladeren, uiteindelijk is hij dan toch dood. Maar als hij niet omwaait of wordt gerooid staat hij er nog heel erg lang. Zo hoop ik dat de muzikale erfenis van Reinbert de Leeuw ook nog lang zijn sporen na zal laten.

Visions de l’Amen

Bij podium Witteman hoorde ik weer eens een stukje van de opname van zijn uitvoering van een van de gymnopédies van Satie. Extreem langzaam. Zijn opvatting zal ook te maken hebben met wat hij in een kort interview met Hans Hafmans zei, nog maar enkele maanden geleden ter gelegenheid van de uitvoering van “Visions de l’Amen” van Olivier Messiaen. De gebroeders Jussen die dit werk uitvoerden hadden een hele middag intensief contact gehad met Reinbert de Leeuw om zich te scherpen in de interpretatie. Enkele dingen die Reinbert de Leeuw zei bleven me gelijk bij: Messiaen kon dit schrijven vanuit zijn intense religieuze overtuiging. Maar om deze muziek te kunnen spelen hoef je niet religieus te zijn. Hij is universeel. En: je hoort hier het tempo van de natuur.

Hans Hafmans zegt er dit over:

En hier hoor je Reinbert de Leeuw over dit stuk:

Bij onderstaande opname staat ook het notenbeeld erbij, wel hoor je een andere uitvoering:

Nächtlige Wanderer

In 2014 schreef Reinbert de Leeuw zelf nog een orkeststuk, gebaseerd op een gedicht van de vroeg-negentiende-eeuwse dichter Hölderlin: Nächtlige Wanderer (nachtelijke wandelaar)

tekst-holderlin

Tijdens dit orkeststuk van ongeveer drie kwartier wordt bovenstaande tekst op een bepaald moment via een bandopname geheimzinnig gefluisterd.

Het is een romantische tekst maar ik krijg associaties met symbolistische teksten zoals die er ongeveer vijftig jaar na Hölderlin uit zagen. In eerste instantie wordt er een sfeerbeeld geschapen, maar in tweede instantie lijkt er een ondertoon aanwezig die vooral iets zegt over het geestesleven van de hoofdpersoon. Deze hoofdpersoon droomt, dat blijkt uit de laatste regel. Hij heeft een nachtmerrie. Maar zou hij niet ook als hij wakker is lijden aan waanvoorstellingen? Of droomt hij dit vanuit Freudiaanse beelden, verwerkt hij iets? Waarom heeft Reinbert de Leeuw op late leeftijd besloten een orkeststuk te maken op deze tekst? Ik las ergens dat deze tekst misschien wel over hem zelf gaat.

In het begin en het einde van het stuk wordt er een sfeer geschapen, maar hier komt steeds meer beklemming bij zodra er meer instrumenten gebruikt gaan worden. Er komt een “zeer wreed deel” met veel dissonanten  vlak voor het midden, nog voor het stuk waar de tekst gesproken wordt. Ik voel in dat wrede deel de tekst: Du naher Würger, komme, komme. Sieh! er lauscht, schnaubend Tod – Ringsum schnarchet der Hauf, Des Mordes Hauf. Het einde is weer veel rustiger, maar niet zonder een gevoel van onheil. Zoals het stuk begint met het blaffen van een hond, zo eindigt het er ook mee. De enigszins onregelmatige “tok” van de claves klinken als een waterdruppel van een lekke kraan. Het kan met enige fantasie ook de onregelmatige hartslag van de hoofdpersoon zijn. Het laatste fragment, vanaf de gesproken tekst hoor je hier:

 

Reinbert de Leeuw zal vooral bekend blijven doordat hij geweldige componisten als Kurtag en Goebaidoelina op de kaart heeft gezet. Maar er zijn zoveel andere dingen waarvoor we hem dankbaar moeten zijn. Hij is dood, maar ik hoop dat we nog veel van hem zullen horen.

En hier het volledige stuk:

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Hoog water

De Israëlieten waren in Egypte en mochten van de Farao niet weg. Maar God zorgde voor een aantal plagen. Eerst liet hij de Nijl overstromen. Dit had tot gevolg dat er veel parasieten via het slib in de Nijl kwamen en bijna alle vissen raakten besmet en stierven. Het water verkleurde, het leek wel bloed. Het hoge water was bovendien buitengewoon gunstig voor luizen en ook voor steekvliegen. Er ontstond een ware plaag. En zo volgde de ene plaag op de andere plaag. De Israëlieten konden uiteindelijk vertrekken.

Door de extreme warmte deze winter hebben we nu al regelmatig enkele muggen in de slaapkamer. Afgelopen jaar waren er juist bijna geen muggen, dus dat was heel slecht voor de zwaluwen en vleermuizen. Die zijn er nu waarschijnlijk nauwelijks komende zomer. Ideaal voor de muggen! Zeker als er overal door het hoge water plassen ontstaan waar ze vrijelijk hun eitjes kunnen leggen. Krijgen wij van de zomer een heuse Bijbelse plaag te verduren?

hoogwater4Maar als je veilig en droog bent kun je nu vooral genieten van deze plaatjes. Als het te erg wordt mag heel West-Nederland eindelijk vertrekken. Het land uit, hoger op. Een tweede exodus.

De getijden voor de Lek ter hoogte van Opperduit kun je afleiden van die van Krimpen aan de Lek.

getijdenIn Opperduit is het iets meer dan een half uur later hoog- dan wel laagwater. De volgende hoogwaterstand zal dus ongeveer tien voor half zeven morgenochtend zijn. (Het verschil in waterhoogte door het getij in Opperduit varieert, van 1 meter tot soms zelfs 1,5 meter)
Klik hier voor de actuele getijdentabel van Krimpen aan de Lek.

 

Geplaatst in maatschappij, natuur | Tags: , , , | 2 reacties

Igor Levit en Beethoven

Igor LevitMorgenavond speelt in de serie meesterpianisten in het Concertgebouw in Amsterdam Igor Levit onder meer twee sonates van Beethoven. (opus 109 en de laatste sonate opus 111). Toen hij nog maar pas drie jaar was speelde Igor Levit al piano en was al snel een wonderkind in Nizjni Novgorod, qua grootte de vierde plaats van Rusland. Maar al op zijn achtste verhuisde het gezin naar Hannover. Na studies in Salzburg en Hannover is hij nu op zijn drie en dertigste een van de meest vooraanstaande pianisten.

In het kader van 32 x Beethoven is deze pianist bezig met het maken van 32 podcasts over telkens een van de 32 sonates van Beethoven. Hij is inmiddels gekomen bij no 7, opus 10,3. Als kind was ik gefascineerd door een radioserie over de pianosonates van Beethoven op WDR 3. Eigenlijk dezelfde formule, telkens een sonate. Er werd bij elke uitzending veel verteld en je hoorde gedeelten en natuurlijk de hele sonate. Ik heb altijd goed Duits kunnen verstaan dus ook deze podcasts in het Duits zijn voor mij geen probleem. Maar er zijn twee verschillen met pakweg 55 jaar geleden: Nu wordt alles gespeeld door Igor Levit zelf en hij geeft al spelende een toelichting. De sonate zelf zul je in de podcast niet in zijn geheel horen, voor die opname moet je dus op een andere manier zorgen. Igor Levit is in de podcast in gesprek met Anselm Cybinsky. In dat gesprek stelt Anselm vaak vragen en daar gaat Igor dan op in. Hij speelt ook in die podcast op een geweldige manier fragmenten van stukken van Beethoven. En deze podcasts zijn eigenlijk heel mooie inleidingen op die sonates, ze worden zeker ook voor leken hierdoor meer toegankelijk gemaakt. Ze bevestigen wat ik eigenlijk altijd al geweten heb: Beethoven is weergaloos als componist, en zeker als componist van pianosonates.

Er is een video als inleiding naar de podcasts.
En hier een link naar de podcasts zelf.
Alle sonates door hem gespeeld kun je horen via de diverse muziekdiensten, bijvoorbeeld via spotify.

Geplaatst in muziek | Tags: , , , | Plaats een reactie