Skyglobe! Een programma dat gaat over de sterrenhemel. Hier zien we een animatie van de hemel komende avond. Bovenaan links zien we de tijdsaanduiding, hij loopt van 18:19, telkens 5 minuten later, tot 20:49. We zien hoe de zon ondergaat, een tijdje later ook Venus en Mercurius, dan Uranus. De bijna halve maan staat nog lang aan de avondhemel te schitteren. Op dit moment staat hij vlak bij het sterrenbeeld Orion met de witte en rode reus Rigel en Betelgeuze. En, niet te missen, vrij laag in het zuiden staat de helderste ster van de hemel Sirius. Heel hoog zien we de ster Capella, iets meer naar het zuid-oosten, ook vrij hoog, Castor en Pollux, in het sterrenbeeld Tweelingen.
Het programma is inmiddels denk ik zo ongeveer 25 jaar oud. Geschreven in DOS, er is nooit een update voor windows geweest voor zo ver ik weet. Je kunt met tientallen sneltoetsen van alles doen met dit programma. O.a. animaties laten zien van gebeurtenissen als die van komende avond. Maar je kunt veel meer. Zo kun je in een animatie laten zien dat de poolster langzaam uit het noorden verdwijnt en pas over 26500 jaar weer op zijn oude plaats staat. Of je kan inzichtelijk maken dat Venus afwisselend avondster en morgenster is. Ook kan je een heliocentrische weergave van het zonnestelsel laten zien, waarbij je bijv. mooi de excentrische baan van Pluto ziet. Of alleen de beweging van de binnenplaneten. Of: hoe de zon in de loop van het jaar steeds op een iets andere plek opkomt, globaal van het ZO in de winter naar het NO in de zomer. Of als er een zonsverduistering is dan kun je het hele proces in beeld brengen.
Ik kan het gebruiken dankzij het feit dat ik enkele jaren geleden het programma Dosbox heb gekocht. Ook al mijn eigen DOS-programma’s die ik in de negentiger jaren zelf maakte kan ik nu weer gebruiken. Maar nu Skyglobe. 25 jaar oud. Nog steeds niet geëvenaard!
Boze burger: ‘Ik ga niet stemmen want jullie doen toch wat je wilt.’
Overheid: ‘Ja, dat klopt.’
Boze burger: ‘Maar waarom vraag je dan wat ik er van vind?’
Overheid: ‘Ja we hebben ooit afgesproken dat we af en toe een circus op gang moeten zetten waar je iets van kan vinden. We hebben trouwens ook besloten dat dit het laatste circus was.’
Boze burger: ‘Komen er geen verkiezingen meer?’
Overheid: ‘Ja dát circus blijft nog even bestaan. Pas als blijkt dat besturen dan compleet onmogelijk wordt omdat alleen nog maar ruziënde boze burgers iets proberen te regelen schaffen we dat circus ook af. En dan vragen we enkele mensen met verstand van zaken om over alle dingen beslissingen te nemen en dat doen we dan. Goed?’
Boze burger: ‘Je doet maar, het maakt me toch allemaal niets uit’.
Over het Domkapittel van Utrecht en het Vrije Rijkskapittel van Sint Servaas te Maastricht.
Donderdag 5 juli 1292 stelde het kapittel van de Dom van Utrecht een nieuwe regel vast met betrekking tot de toetreding van nieuwe kanunniken. Besloten werd dat een nieuwe kanunnik zijn medebroeders met een vat goede wijn moest vereren. De oorkonde werd bezegeld.
Dit document en honderden andere documenten zijn gedigitaliseerd en sinds enkele dagen kan iedereen ze inzien of downloaden. Opvallend is hoe mooi geschreven vrijwel alle documenten zijn. De klerk van het rijke kapittel had duidelijk een gedegen opleiding gehad. Dat was lang niet altijd zo. Maar deze documenten kun je na een vrij simpele cursus paleografie gevolgd te hebben in een hedendaags lettertype weergeven. Dan moet je alles natuurlijk nog vanuit het Latijn vertalen. En dan moet je die vertaling ook nog eens een keer begrijpen, want veel termen en gebruiken uit die tijd zijn voor de meeste mensen van nu totaal onbekend. Kortom, het blijven documenten voor een handvol ingewijden. Maar er zullen veel amateurs zijn die zich er op storten denk ik. En dat kan mooie dingen opleveren.
Een kanunnikaat kreeg je niet zo maar. Allereerst moest er een plaats beschikbaar zijn. Elk kapittel had in de regel een vast aantal plaatsen. Hoe rijker het kapittel, hoe meer plaatsen. Dan moest je nog eens een behoorlijk bedrag betalen en van aanzienlijke afkomst zijn. En dus zoals blijkt uit bovenstaand document je medebroeders met een vat wijn vereren. Soms kreeg je ook iets makkelijker een kanunnikaat. Een groot kunstenaar die zich verdienstelijk had gemaakt kon als dank na bewezen diensten als geschenk van een plaatselijke heer, bisschop of de paus een kanunnikaat krijgen. Dan was je kostje geregeld, je had een vast inkomen waar je niets voor hoefde te doen. Ja, elke dag moest je een hoofdstuk (kapittel) uit de bijbel lezen met je medebroeders, maar je kon ook iemand aanstellen die dat in jouw plaats deed. Kanunniken woonden meestal in prachtige herenhuizen in een stad, in dit geval dus in Utrecht.
Ook in Maastricht zijn nog vrij veel zeventiende of achttiende eeuwse herenhuizen vlakbij de Onze Lieve Vrouwebasiliek of de Servaasbasiliek aan te wijzen als voormalige kanunnikhuizen. En ook in die kapittels werd een archief bijgehouden. Het archief van het kapittel van Sint Servaas is nog niet zo makkelijk om in te zien. Om te beginnen is het verspreid geraakt: het grootste deel bevindt zich gelukkig nog in het regionaal historisch centrum te Maastricht, maar er zijn ook documenten waarvoor je naar Den Haag, Koblenz of zelfs Parijs moet gaan. In 1930 zijn echter vrijwel al de de charters en bescheiden door Dr. Doppler niet alleen geïnventariseerd, maar ook is er toen een samenvatting gemaakt van de inhoud van elk document. Daarbij zijn er ook vaak fragmenten van de originele Latijnse tekst weergegeven. Het eerst bekende charter stamt uit het jaar 800, toen was daar dus al zeker een kapittel. In twee van de jaarboeken van het Limburgs geschied- en oudheidkundig genootschap zijn deze charters weergegeven. (Jaargangen 1930 en 1931 van “Publications de la Société historique et archéologique dans le Limbourg”). Al eerder in de twintigste eeuw werden de meer dan 1800 schepenbrieven van het kapittel op deze manier toegankelijk gemaakt. Door deze Nederlandstalige weergave zijn deze documenten voor een veel groter publiek onmiddellijk bereikbaar. Mocht je iets tegenkomen waarvan je het origineel wilt zien dan kun je snel achterhalen waar je zijn moet. Ik denk dat op termijn ook veel van deze documenten gedigitaliseerd zullen worden en vervolgens openbaar gemaakt.
Hier boven zien we een document uit 1292 uit Utrecht. Uit diezelfde periode dateert een document uit Maastricht. Het is opgesteld in opdracht van het kapittel van Sint Servaas op dinsdag 24 november 1272.
“Arnold, graaf van Loon, doet als scheidrechter uitspraak in een geschil tussen de deken en de kanunniken van Sint Servaas enerzijds, en de Brabantse bewoners van de stad anderzijds, ontstaan doordat de schout, schepenen en burgers van de hertog van Brabant gewapender hand de kerk van Sint Servaas waren binnen gedrongen en er geweld hadden gepleegd. Bij die uitspraak werden de ‘villicus, scabini et jurati ac universitas’ veroordeeld om aan de deken en het kapittel onder ede te beloven om dergelijke feiten niet meer te plegen en dat als zij in de toekomst in de kerk van Sint Servaas of op het claustrum, met algemeen overleg en met wapenen of klokslag, ‘compulsu campane’, of enig ander teken, waarop de gemeente kan en moet uitgedaagd worden, enig geweld plegen of de immuniteit van kerk of klooster schenden, zij een boete van 200 Luikse marken zullen krijgen, welke binnen twee maanden betaald moet worden en daarnaast nog een voldoening moeten geven die in overeenstemming is met de grootte van het misdrijf. Als ze daar binnen twee maanden niet aan voldoen dan zal de bisschop van Luik hen door kerkelijke straffen daartoe dwingen.”
Dan volgen er nog een aantal bepalingen. Tot slot: degenen die nu de fout in zijn gegaan krijgen als straf dat ze blootvoets en met ontbloot hoofd in processie en met in de hand een roede in de kerk van Servaas en de week daarna in die van Onze Lieve Vrouw zich moeten vernederen. Alleen de leerlooiers die onder ede verklaren dat ze niet hebben meegedaan mogen normaal gekleed in de processie mee lopen. Als iedereen dat gedaan heeft is men ontheven van de schuld.
Het valt me vooral op dat er bepaald wordt dat je de burgers niet mag ophitsen met wapens of ,door de klokslag. De klokslag (klokkenslag, clockenslagh) is een bepaling dat bij het luiden der klokken mensen ergens toe worden opgeroepen. Blijkbaar was dat dus gebeurd. Jammer genoeg staat er niet bij wat de reden van deze ophitsing was en waarom de mensen het Servaasklooster en de kerk waren binnen gedrongen. Ook wordt niet specifiek vermeld wat de geweldplegingen daarbij waren geweest. In 1275, slechts drie jaar later, vindt er een processie plaats die over de Maasbrug loopt. Er wordt gezegd dat er in een bepaalde processiepas werd gelopen. Hoe het ook zij: de brug stortte in en vele mensen verdronken. Deze brug was al in de tijd van de Romeinen aangelegd. Onmiddellijk daarna is begonnen met het aanleggen van een nieuwe brug, zo’n honderd meter noordwaarts, op de plaats van de huidige Servaasbrug. Het Servaaskapittel heeft van de keizer de tol- en beheersrechten over deze brug ontvangen. Even later zien we nieuwe schermutselingen, nu bij de nieuwe Maasbrug, die daarmee te maken hebben. Het is het begin van een grote oorlog, die uiteindelijk is uitgevochten bij de slag van Woeringen. De belangrijkste partijen waren daarbij de hertog van Brabant tegenover de hertog van Gelre. Oorzaak was een erf-opvolgingsstrijd. De hertog van Limburg was zonder directe nakomelingen overleden. Maastricht was belangrijk omdat de soldaten van Brabant daar de Maas konden oversteken.
Je ziet, het lezen van slechts een enkel document uit zo’n rijk kapittelarchief, en dat plaatsen in een historische context, kan al allerlei stof tot verder onderzoek en discussie opleveren.
Stephen Hawkins verklaarde zich zelf tot atheïst. Tot deze overtuiging was hij gekomen na zijn baanbrekende onderzoeken en theorieën over het heelal. Toch bezocht hij daarna nog de paus die graag de laatste wetenschappelijke bevindingen wilde weten en vroeg of Stephen die aan hem wilde uitleggen. Ik neem aan dat ook de paus daarna toch nog in god is blijven geloven en dat de paus op zijn beurt ook Stephen Hawkins niet alsnog weer op andere gedachten heeft weten te brengen. Een van de meest intrigerende uitspraken van Hawkins was dat “de tijd pas ontstaan is bij de oerknal”. Daarvoor was er geen tijd en het heeft dan ook geen zin om na te denken over wat er was voor de oerknal. De oerknal vond plaats en toen was er tijd. Als er dan al iets als een God is dan moet die wel haast samen vallen met de oerknal.
Ik volg op dit moment een cursus over de middeleeuwen en ik heb net twee middagen gevolgd waarin we ons bezig hielden met de denkers uit die tijd. In de middeleeuwen was God vanzelfsprekend maar toch wilde men ook bewijzen dat er een God was. Zo heb je het zogenaamde ontologische godsbewijs van Anselmus van Canterbury (1033-1109). Op wikipedia wordt dat godsbewijs nog eens mooi samengevat:
God is, per definitie, het volmaaktste wezen dat denkbaar is. Dan komt het godsbewijs:
Het is beter te bestaan dan niet te bestaan, dus iets wat niet bestaat kan nooit volmaakt zijn.
Een niet bestaande God is minder volmaakt dan een bestaande.
Dus moet God bestaan.
De meest inspirerende figuur vond ik bij de lezingen Pierre Abélard, een filosoof en theoloog die ruim een generatie later leefde (1079-1142). Hij is door tijdgenoot Bernardus van Clairvaux fel bestreden en daarna door de paus in de ban gedaan. Oorzaak was vooral dat hij zijn studenten zelf liet nadenken en geen enkele theologische stelling bij voorbaat accepteerde. Zo had hij een soort reader gemaakt voor zijn leerlingen waarin hij 158 delen uit de bijbel waarin iets beweerd werd aanhaalde, met daarnaast 158 fragmenten waarin het tegenovergestelde werd beweerd. De studenten moesten dit bestuderen en zelf tot een oordeel komen. Hij weigerde zelf om een oordeel te geven, hij vond het vooral belangrijk dat er werd nagedacht.
Van deze filosoof bezit ik de Nederlandse uitgave “Gesprek tussen een filosoof, jood en een christen”. Wie de filosoof is wordt al snel duidelijk: dat is hij zelf, Pierre Abélard . Hij begint met de stelling dat hij ervaren heeft dat joden dom zijn en Christenen dwaas. Als de Christen op hoge poten deze uitspraak aanhaalt vergoeilijkt hij zich door te zeggen dat hij het aardig vindt om te provoceren, want dan hebben de mensen de neiging om dieper te graven om tegenargumenten te vinden. Allerlei kwesties worden door de filosoof aan de orde gesteld, zoals: wat is “het hoogste goed”, of wat is “genoegen”, of wat is de “aanwezigheid en macht van het kwaad”. Over al dit soort zaken laat hij de jood, de christen en ook de filosoof aan het woord. Ik vind het aardig om zijn opening naar de twee gelovigen in zijn geheel weer te geven. Deze gaat over “het geloof”
De filosoof: ‘Op de eerste plaats stel ik één enkele vraag aan u beiden, omdat ik zie dat die voor u beiden, die zo enorm op het geschrevene steunen, van toepassing is. Deze vraag luidt, of “verstandelijk redeneren” u tot deze soorten van geloofsleer heeft gebracht, of dat u op dit punt louter de mening van de massa en de liefde van de eigen familietraditie volgt. Van deze twee mogelijkheden is de eerste, als die inderdaad bestaat, ten hoogste lofwaardig, net zoals de andere ten zeerste afgekeurd dient te worden. Ik denk dat geen enkel mens met een eerlijk geweten ontkent dat alleen de tweede mogelijkheid reëel aanwezig is. Want bij elk mens afzonderlijk is de liefde voor de familietraditie en voor diegenen met wie ze samen worden opgevoed, zozeer ingeworteld, dat men datgene wat tegen het eigen geloof wordt ingebracht, verafschuwt. Terwijl mensen de gewoonten tot hun natuur maken, houden ze als volwassenen met inspanning datgene vast wat ze als kind hebben geleerd. Voordat ze in staat zijn om datgene wat ze geleerd hebben te bevatten, verklaren ze al dat ze geloven, zoals ook een dichter heeft vermeld: “wanneer een kruik één keer ergens in is gedrenkt, dan zal die de geur daarvan lang bewaren.” Zo argumenteert een van de filosofen, als hij zegt: “Laten de mensen, als ze iets bij het leren in hun kindertijd hebben opgestoken, dat niet als alleen zaligmakend beschouwen: een omgaan met de filosofie op latere leeftijd laat vaak zaken verdwijnen die horen bij jonge oren”. ‘
Eigenlijk zegt Abélard hier indirect: ‘het heeft geen zin om over levensvragen te discussiëren als je bij voorbaat vast houdt aan dat wat je als kind al is ingeprent’. Een bijzonder indrukwekkend boek. Van Abélard is veel bekend over zijn levenswandel, dankzij ook zijn eigen autobiografie. Hij had sterk narcistische trekken en was geen lieverdje. Maar hij was bijzonder modern voor zijn tijd in zijn denken. En hij had Plato en Aristoteles, Cicero en zeer veel anderen grondig bestudeerd en kende de bijbel van haver tot gort.
Bij de Islam was er enige tijd later net zo’n vooruitstrevende denker: Averroës, ook bekend als Ibn Rushd (1126-1198). Hij was een islamitische jurist, arts en filosoof. Van de islamitische geleerden was hij de grootste kenner van de filosofie van Aristoteles. Als er bij hem tegenstrijdigheden leken te zijn in uitspraken in de Koran, dan wist hij die handig op te lossen door uit te gaan van het feit dat deze uitspraken slechts symbolisch geïnterpreteerd moesten worden. Salman Rushdie, wiens vader zich naar deze filosoof had laten noemen (Ibn Rushd), is er van overtuigd dat als de manier van denken van deze filosoof in een latere richtingenstrijd de overhand had kunnen krijgen, de Islam een heel wat vredelievender imago had kunnen krijgen.
Bernardus van Clairvaux was een mysticus. God kon je niet bewijzen en moest je ook niet proberen te bewijzen. Het hele leven was een mysterie en bidden en mediteren waren belangrijk om je dichter bij de waarheid te brengen. Hij vond de “wetenschappelijke” opstelling van Abélard belachelijk en gevaarlijk. Zijn grootste beschuldiging richting Abélard was dat deze “beweerde God te begrijpen door te redeneren”. En dat vond de paus dus ook. Abélard trok zich terug in het klooster van Cluny waar hij een jaar later overleed.
Nu is Stephen Hawkins overleden. Naar mijn mening iemand die dacht in de lijn van Abélard, maar dan met natuurkundige argumenten. Abélard was geen atheïst, althans dat heeft hij nooit hardop gezegd. Dat zou in zijn tijd niet gekund hebben. Hij moest een verhandeling over de drieëenheid in het openbaar verbranden op een brandstapel. Atheïsme wordt in de huidige Westerse wereld alom geaccepteerd en is in veel kringen zelfs de standaard zienswijze. Maar Abélard was vooral iemand die zich met ethica bezig hield, dit om de mensen te doordringen van een goede levenshouding. Ook Stephen Hawkins hield zich met ethica bezig en waarschuwde talloze malen voor de gevaren van deze tijd. Een geloof in God is daarvoor dus blijkbaar niet nodig.
Ik zelf voel me aangetrokken tot de houding van de mysticus Bernardus van Clairvaux. De stichter van de sobere Cisterciënzer orde. Niet tot de Bernardus die opriep tot een kruistocht. Ook niet tot de Bernardus die Abélard veroordeelde. Maar wel tot de Bernardus die inzag dat je God niet kon beredeneren. God is muziek. Muziek kun je tot op zekere hoogte beredeneren, dat weet ik als muziektheoreticus maar al te goed. Maar begrijpen doe je muziek met al je zintuigen, vanuit een soort overgave. En dat probeerde denk ik Bernardus van Clairvaux ook.
Pierre Abélard. Gesprek tussen een filosoof, een jood en een christen. Ingeleid, vertaald en van aantekeningen voorzien door Drs. P.R.M. Bagchus, Dr. J.M.C. Crousen en Dr. M.C.J.M. Jonkers. http://www.uitgeverijklement.nl. 2013. ISBN 978 90 8687 124 7 NUR 308; 700
Over het werk van Stephen Hawkins staat in de Volkskrant van vandaag (15-3-2018) een prachtig artikel over twee pagina’s.
Vanaf de tijd dat ik bij rondleidingen de Romaanse kapitelen in de Onze Lieve Vrouwe Basiliek en vooral ook die van de Servaaskerk van Maastricht van dichtbij heb gezien wil ik dichter bij het mysterie van deze objecten proberen te komen. Het zijn vaak raadselachtige sculpturen, en ook de geschiedkundigen en kunsthistorici die er boeken over geschreven hebben geven geen eenduidige uitleg. Begrijp ik wat ze zeggen? Waarom spreken sommige aspecten van hun uitleg me wel of juist niet aan? Ik probeerde zo steeds al nadenkende te kijken of ik er nog iets meer mee kon. Over mijn bescheiden bevindingen heb ik al enkele artikelen geschreven, zie de links onder aan dit artikel.
Van de zomer bezocht ik vijf Romaanse kerken in de Bourgogne en gretig slorpte ik alles op en dacht er over na, kocht boeken en probeerde weer wat dichterbij ook deze mysteries te komen, in de hoop misschien ook de Maastrichtse equivalenten beter te begrijpen.
En onlangs, in de voorjaarsvakantie, gingen we naar Zuid-Frankrijk en we hielden onderweg halt bij de abdij van Solignac. Dat is een klooster dat voortkomt uit de gemeenschap van Cluny, zoals ook enkele kerken die we in de Bourgogne bezochten daar uit voort zijn gekomen. De abdij was niet toegankelijk maar gelukkig wel de bijbehorende kerk.
Eerst iets over de geschiedenis van het klooster en zijn kerk. De heilige Eloi verkreeg het dorp Solemniacum in 631 van koning Dagobert en stichtte daar een abdij. Zijn gemeenschap, afkomstig van de abdij van Luxeuil in de Vogezen, volgde de regels van Sint Benedictus. De abdij viel buiten de rechtsmacht van de bisschop, en was direct onderworpen aan de koning. Ze telde al tijdens het leven van St Eloi 150 monniken, en haar eerste abt was St Remaclus.
De abdij diende als een toevluchtsoord voor de overblijfselen van de heilige Martial tijdens de problemen in de twaalfde eeuw tussen de Plantagenets en de Capetianen. (Engelse en Franse koningen). In 1241 bezetten de burgers van de plaats Solignac de abdij en ze eisten meer onafhankelijkheid. De burggraaf van Limoges moest in december van dat jaar tussenbeide komen om het klooster terug te geven aan de monniken.
Tijdens de honderjarige oorlog viel de abdij onder de Engelse bezetters, maar bij het einde van deze oorlog hoorde het klooster weer bij Frankrijk. In 1791 werd de abdij verkocht waarbij de religieuzen moesten vertrekken. Het werd daarna respectievelijk een gevangenis, een instituut voor jonge meisjes en uiteindelijk werd er een porseleinfabriek in gevestigd waarvan de activiteiten in 1937 stopten. De kerk is nu parochiekerk en de abdij is inmiddels weer als klooster in gebruik.
De huidige kerk, waarvan het schip met koepels uniek is in de Limousin, werd waarschijnlijk gebouwd in het tweede kwartaal van de 12e eeuw en werd gerestaureerd in de 17e en 18e eeuw. De kerk behoort tot een groep kerken die gekenmerkt worden door het gebruik van meerdere koepels. De bouw is nog het meest verwant met kerken in Angoulême en Souillac. Het schip heeft maar liefst zeven bogen. De apsis, vijfhoekig aan de buitenkant, heeft twee pilasters en vier zuilen. We zien zo wie zo veel kapiteelzuilen. Op deze kapitelen worden onder meer maskers, een grijnzende kat, wormen of slangen uitgebeeld.
Onderstaande afbeelding doet me sterk denken aan een afbeelding in de Sint Servaaskerk: Gevleugelde monsters die een man vastpakken.
Hieronder die van de Sint Servaaskerk. Die van de Servaaskerk is nog een stuk angstaanjagender en gruwelijker. Ook zie je dat in Maastricht het beeldhouwwerk veel meer gedetailleerd is uitgewerkt, je ziet de ruggenwervel en de ribben van de man die vastgepakt wordt.
Ook onderstaande afbeelding is verwant met dergelijke afbeeldingen in Maastricht.
Het meest opvallend in deze kerk zijn de vele afbeeldingen van maskers. Totempaal-achtige sculpturen. Ik heb onwillekeurig associaties met afbeeldingen die boze geesten moeten weren. Niet alleen waarschuwingen voor de zondige mensheid, maar vooral afbeeldingen die de mensen moeten beschermen. Maar ze zijn hier van heidense oorsprong. Zoals later in elk huis het kruisbeeld het gezin moet beschermen tegen het kwaad.
Over Maastricht, de Servaaskerk en de Onze Lieve Vrouwebasiliek, over de kapitelen in die kerken en andere interessante aspecten in relatie met deze kerken schreef ik eerder:
In het departement Gers, onderdeel van regio Occitanie, kun je vaak zo’n 100 km zuidelijker de toppen van de Pyreneeën zien liggen. Midden in dit departement, aan de rivier de Gimone, ligt het plaatsje Simorre. Als je Simorre binnenkomt kun je niet om de grote kerk heen. Hij is gefortificeerd, dat wil zeggen behalve de grote muurpartijen zie je ook trapgevels als bij een kasteel. Gedeeltelijk is het een geromantiseerde uitbreiding van Violet-le-Duc, die de kerk in de negentiende eeuw restaureerde. Maar je ziet dit soort fortificaties meer in de omgeving.
Waarom gefortificeerd? Vaak wordt verwezen naar oorlogsomstandigheden, zoals die van de honderdjarige oorlog. In dit geval zou een van de oorzaken ook gelegen kunnen zijn in een ordinair conflict tussen een feodale heer en een abt.
De kerk van Simorre is namelijk van oorsprong een abdijkerk, behorende bij het Benedictijner klooster dat op die plek al voor 800 werd gevestigd. Door de grote armoede in de begintijd werd het klooster bij de synode van 817 in Aken, samen met het klooster van het nabijgelegen Saramon, vrijgesteld van belastingen. In 920 plunderden de Noormannen de abdij en de er bij gelegen gebouwen. Daarna ging het snel veel beter en werd het klooster steeds welvarender, dankzij vooral de talloze donaties. In 1187 was er een grote brand waarbij geheel Simorre afbrandde. Klooster en kerk werden opnieuw opgebouwd. De kerk (de huidige) kwam klaar in 1247.
Maar al sinds enige tijd daarvoor was het welvarende klooster een grote bron van jaloezie voor de graven van Astarac, die vlakbij Simorre net een van hun hoofdkwartieren hadden gevestigd. Aan het begin van de dertiende eeuw bouwden zij namelijk het kasteel van Castillon, op de rechteroever van de Gimone, als een van de vier hoofdkwartieren van het graafschap Astarac. (In 1291 besloot de graaf een grotere vestingsplaats te stichten naast zijn kasteel. Hij gaf deze nieuwe stad eveneens de naam Castillon, maar ze werd korte tijd later al Villefranche d’Astarac genoemd. Opvallend is dat hij de huizen niet van steen maar van geramde aarde liet bouwen las ik op een site, maar dit alles terzijde).
Na enige tijd nam de graaf de landerijen die bij het klooster van Simorre hoorden in bezit. In 1287 werd de graaf van Astarac in het ongelijk gesteld bij een rechtsgang, waarna de abdij alles weer terug kreeg en er brak een nieuw tijdperk van welvaart aan. De aartsbisschop van Auch, Amanieu II, wijdde de nieuwe kerk uit 1247 op 8 oktober 1309.
Daarna bleef het relatief rustig totdat in 1573 de protestanten Simorre belegerden. Het klooster was ommuurd, de kerk was een ware vesting en de protestanten kwamen er niet in. De fortificatie werkte..
Waar in een groot deel van het huidige Nederland de tijd van de beeldenstorm en de opkomst van het protestantisme de doodsteek voor veel kloosters betekende, zo was dat in Frankrijk en in de door de Fransen bezette katholieke gebieden de tijd van de Franse revolutie. Toen namelijk werden ook in Simorre het klooster en de kloostergebouwen verkocht en vervolgens afgebroken. Alleen de abdijkerk bleef gespaard omdat deze kerk al sinds 1141 ook voor de inwoners diende als parochiekerk. Maar de beelden en schilderijen in de kerk werden helaas gesloopt of verkocht.
In de kerk zie je toch nog enkele bewaard gebleven sculpturen uit de dertiende eeuw, zoals de vier afbeeldingen van de evangelisten hoog boven de viering. Vanuit elke hoek kijken ze op je neer, in de vorm van hun symbolen: stier, leeuw, adelaar en engel.
Het dorp van ruim 800 inwoners is buitengewoon charmant en doet nog middeleeuws aan. Je voelt de geschiedenis om je heen. En, zeker als het al weer wat warmer is, even op een terrasje wat drinken of wat lekkers halen bij de bakker, heerlijk…
We bezochten deze week ook Lombez, waar ik ook een klein stukje over schreef.
In Maastricht werd tot aan het begin van de twintigste eeuw in de gegoede kringen vooral Frans gesproken. Toneelstukken in de schouwburg waren dan ook vaak in het Frans. Er was nog een andere stad in Nederland waar dat ook zo was: Den Haag. De stad met de talrijke ambassades en het koninklijke hof waar het Frans eveneens nog steeds de belangrijkste taal in de hoogste kringen was. Zo werd in 1804 daar het Théâtre Français opgericht, een gezelschap dat probeerde drie Franstalige voorstellingen per week te verzorgen. In 1868 schreef de Franse componist Ambroise Thomas de opera Hamlet, een Grand Opera met groot orkest, groot koor, een Banda (groep koperblazers), balletten en diverse intermezzi. Deze opera werd door het Théâtre Français zes jaar later ook in Den Haag op de planken gebracht en is tot de opheffing van het theatergezelschap in 1919 daar maar liefst 153 keer uitgevoerd. Het was dus een zeer populair stuk.
Maar daarna raakte het snel in de vergetelheid totdat onlangs het gezelschap “Opera2Day” het werk nieuw leven in blies. Op de foto hierboven zie je hoe in de proloog, die plaats vond in de foyer van de Stadsschouwburg van Utrecht, de oude Hamlet ten grave wordt gedragen. Hierbij vergezeld door een groep koperblazers en als zangers fungeerden leden van het Utrechtse Monteverdi Kamerkoor en een aantal leerlingen van een plaatselijke Middelbare school. Daarna ging de voorstelling verder op het podium met de professionele cast. Hoe kun je zo’n spektakelstuk uit de negentiende eeuw voor een hedendaags publiek aantrekkelijk vormgeven, op een manier dat het ook nog enigszins betaalbaar blijft? Het grote koor, feitelijk hofpersoneel in de opera, wordt bij deze voorstelling, behalve dus in de proloog, gezongen door de acht solisten. De enorme orkestbezetting is sterk gereduceerd en de partituur is om die reden opnieuw gearrangeerd. De balletten en intermezzi zijn weggelaten. De dramatische lading die in het stuk zit, vooral het drama in de hersenen van Hamlet en Ophélie, wordt versterkt door de filmbeelden. We zien hoe de helden hun teksten uitbeelden maar voelen ook wat ze daarbij denken door die beelden. Prachtig gedaan en het werkt! En verder is er onderzoek gedaan naar de historische uitvoeringspraktijk: Het bleek dat er in de negentiende eeuw veel meer dan nu gebruikelijk is bijvoorbeeld gebruik werd gemaakt van rubato: het enigszins vertragen of versnellen van de muziek, om daardoor de expressie te verhogen. De expressie, ook van de individuele muzikanten, stond hoog in het vaandel. Meer dan de gelijkheid van spelen bijvoorbeeld. De instrumentalisten hebben zich deze manier van spelen enigszins eigen proberen te maken. Ik hoorde na afloop enkele muziekkenners zeggen: het was wel af en toe ongelijk.. Niemand was het daarentegen opgevallen hoe expressief er gespeeld werd mede dank zij deze “historische” uitvoeringspraktijk: mij viel het wel op, in gunstige zin.
De muziek was ook inhoudelijk verrassend voor mij. Vooral de stukjes die de sfeer moesten vangen die nodig was bij bepaalde scenes waren zeer sterk. Ik had enkele keren associaties met de late Liszt. Ook kon je genieten van mooie intieme strijkersstukjes, vooral als begeleiding bij de hopeloze pogingen om de liefde nieuw leven in te blazen door Ophélie of door de moeder van Hamlet. Het meest indrukwekkend vond ik het spel en de solo-scenes van de jonge Hamlet, ook de scene met de toneelspelers die de moord op Gonzala speelden, en vooral de waanzin-scene van Ophélie. Ik heb die laatste ook enkele keren op Youtube gehoord, een opname uit 1907 van Nellie Melba, en de uitvoering van Joan Sutherland uit 1961. Ik vond de uitvoering die ik gisteren hoorde van Lucie Chartin eigenlijk nog indrukwekkender. Alleen al daarom zou ik iedereen willen aanraden deze opera te bezoeken. Hij is nog te zien morgen in Amsterdam en daarna nog op diverse andere plaatsen in Nederland, de laatste voorstelling is op 11 april: http://www.opera2day.nl/producties/show/1/hamlet#speellijst
Bij ons bezoek onlangs van Zuid-Frankrijk bezochten we twee keer een kathedraal. Over de kathedraal van Auch heb ik al een keer iets geschreven. Ook nu weer vergaapten we ons aldaar aan de prachtige vensters en het koorgestoelte uit omstreeks 1517. Luther had hier toen nog geen enkele invloed. Maar we bezochten dit keer ook een andere kathedraal, die van Lombez.
Lombez is een stadje met 1800 inwoners. Een stad van 1800 inwoners met een kathedraal? Jazeker, in 1317 vestigde de paus er een bisschopszetel. De tweede bisschop was iemand die kwam uit een familie uit Rome en het was niemand minder dan Petrarca die deze bisschop in de zomer van 1330 opzocht en er enkele maanden doorbracht. Petrarca roemt zijn gastheer en de heerlijke tijd die hij er heeft doorgebracht. In die tijd werd ook de huidige kathedraal gebouwd. Petrarca heeft hem langzaam zien verrijzen, in 1346 was hij klaar. Het was de tijd dat de honderdjarige oorlog net was begonnen en ook in die streken angst en verderf ging zaaien. Gascogne had nog lang onder het gezag van Engelse leenheren gestaan en was pas sinds kort onder invloed van Frans-gezinde leenheren gekomen. Iets meer naar het westen lag Guyenne dat in die tijd nog door de Engelse koning werd gedomineerd. De steden in deze gebieden werden versterkt en veel kerken kregen het aanzien van een vesting. We zien daarvan sporen in de kathedraal van Lombez.
Eigenlijk mag je de kerk van Lombez geen kathedraal meer noemen, want de bisschopszetel is daar sinds 1801 opgeheven. De gelovigen van het voormalige bisdom Lombez vallen sindsdien onder de bisschop van Toulouse of die van Agen. Maar in de kerk zie je wel nog de bisschopsstoel, op onderstaande afbeelding zie je het rijk gedecoreerde bovenste deel.
Ook het koorgestoelte van de heren kanunniken is nog aanwezig.
De kerktoren is gebouwd boven het baptisterium waar de gelovigen werden gedoopt. Naar vroeg-Christelijke traditie heeft deze toren dan ook acht hoeken. Acht is het getal van de wedergeboorte. Als je gedoopt bent zul je naar alle waarschijnlijkheid ook een leven na de dood tegemoet mogen zien. In dat baptisterium is een Romaanse stenen doopvont te zien uit de twaalfde eeuw. Twee rijen met decoraties. Boven zien we onder meer een jachttafereel. De dieren die er afgebeeld worden, zeker het dier links van de boogschutter, lijken eerder uit een bestiarium te komen dan uit het dagelijkse leven. Misschien wordt er ook wel het gevecht tussen het goede (de schutter) en het kwade (de duivelse dieren) uitgebeeld. Beneden zijn er een aantal vierpas bogen met in elke boog (volgens de beschrijving op een site) een monnik. De doopvont dateert nog uit de tijd voordat Lombez een bisschopszetel had. Er was toen al wel een klooster gevestigd. Wellicht zijn het monniken uit die tijd die op de doopvont zijn afgebeeld of misschien (en daar voel ik zelf meer voor) moeten we de monniken Bijbels interpreteren. Ze lijken allemaal iets te dragen en dat aan iemand aan te gaan bieden. Op Vroegchristelijke doopvonten zie je meestal Johannes de Doper die Christus doopt. De monniken hier zijn misschien dopelingen. Dat aanbieden doet me verder aan de Wijzen uit het oosten denken maar dat lijkt me ongepast op een doopvont.
De kerk heeft een orgel uit de achttiende eeuw, waar nog regelmatig concerten op worden gegeven.
Het stadje was ommuurd en had een stadsgracht, op de plaats van de huidige boulevard waar alle winkels zijn. Binnen de stadsmuren had je het grote bisschoppelijke paleis en verder de rijke woningen van de kanunniken. De rest van de huizen, in de zij-steegjes, werd bewoond door handwerkslieden, middenstanders en allerlei personeel dat nodig was om de bisschoppen te gerieven. Veel van die woningen van voor de Franse tijd zijn nog te zien.
Buiten het stadje was nog een groot klooster, nu verpleeghuis. Boven op een heuvel is een kapel en van daaruit heb je een mooi uitzicht op de kathedraal en een deel van de stad.
Wil je meer weten over Lombez en je bent goed in Frans, ga dan naar deze site:
We bezochten onder meer ook het plaatsje Simorre die week. Hieronder zie je een film-impressie met beelden uit zowel Lombez als Simorre en nog enkele andere locaties die ik deze week maakte.
Bij mijn bezoek aan Zuid-Frankrijk afgelopen week had ik het geluk dat er enkele zeer heldere dagen en nachten waren. Zo zag ik de maan met mijn fotocamera als nooit tevoren, enkele dagen voor hij vol was.
Bij de avondhemel waren uiteraard het sterrenbeeld Orion en de heldere ster Sirius erg mooi te zien. Wel was er storend licht doordat de maan al bijna vol was. Het viel me trouwens later in de week op hoe Sirius al vroeg in de schemering zichtbaar was, net alsof je naar Venus of Jupiter keek. Sirius is de ster links onder op het plaatje.
In de vroege ochtend, 27 februari om 6 uur, was de sterrenhemel echt spectaculair. De maan was weg waardoor het zicht daardoor niet gehinderd werd. Maar het was zo wie zo extreem donker. Er was geen enkele vorm van verlichting in de wijde omgeving te bekennen. Zo zag ik duizenden sterren. Op de volgende afbeelding kun je dat als je een goed scherm gebruikt enigszins zien, het is me eigenlijk nooit eerder gelukt zoveel sterren met mijn camera te vangen. Naast die duizenden sterren zie je ook vijf wat meer heldere puntjes. Dat zijn van links naar rechts Saturnus, Mars, de rode reus Antares, Delta Scorpii en tot slot de meest heldere van het stel: Jupiter. Antares is een van de allergrootste sterren die we kennen. Het is een rode reus tegen het eind van zijn leven. De ster Delta van het sterrenbeeld Schorpioen is een dubbelster die varieert in sterkte. Hij is nu erg goed te zien met een magnitude van ongeveer 1.5.
Dat het erg helder was bleek wel als je overdag naar het zuiden, richting Pyreneeën keek. Je zag de bergen die zo’n 100 km verder waren tot vlak boven de horizon, wat enigszins onwerkelijk aandeed.
Wat zie je hier boven, behalve mijn oudste kleinzoon? Een duplo-poppetje, een groen duplo-steentje en een takelwagen.
Mijn kleinzoon is bang om in het water te vallen. Op zijn school is er een iets groter en vooral ook behoorlijk “pesterig” kind dat al diverse keren gedreigd heeft om hem in het water te gooien. Sindsdien leeft het begrip “verdrinken”. We gaan regelmatig met hem naar het zwembad en dankzij de zwemvleugeltjes voelt hij zich daar steeds vrijer en veiliger. Maar sinds kort durft hij opeens niet meer in de polder te fietsen omdat daar aan weerszijden een sloot loopt. Het zal nog een grote kunst zijn om met zijn loopfiets in een van beide sloten te rijden, de oevers zijn namelijk behoorlijk breed, begroeid en modderig. Daar rijd je je dus snel vast, lang voor je in de buurt van het water bent. Maar dat heeft hij dus nog niet door. Intussen is hij wel bezig met het verwerken van een mogelijke valpartij. Immers als je in het water valt kun je er ook weer uitgehaald worden, desnoods met een takelwagen. De vorige week speelde hij dat spelletje op de vensterbank. De vensterbank was de dijk waar allemaal auto’s op geparkeerd stonden. De vloer beneden was de rivier. Eerst viel een duplo-mevrouw in het water. Deze werd er vakkundig uit getakeld. Toen viel er een blok in het water. Hier onder hoor je het spannende vervolg:
Eerst hoor je hoe hij tijdens het takelen een Engelstalig liedje zingt over planeten. De blok gaat immers met de takel omhoog. Bovengekomen deponeert hij hem bij de duplo-mevrouw. Wat ziet zij daar? Het blijkt een “zware blok” te zijn. Tussendoor constateert hij dat die blok voor hem niet zwaar is maar voor die mevrouw wel. Zij geniet van het kijken naar de blok. Het is trouwens wel een vieze blok. En wie is de held?
Vanochtend zagen we een heldhaftige zwaan. Het had enkele graden gevroren. Een zwaan landde midden in de sloot. Op het ijs? Nee, zij krakte er door heen. Het ijs was niet sterk genoeg. De zwaan schrok en wilde gelijk weer uit het water. Maar helaas, dat lukte niet zo maar. Uiteindelijk verrichtte ze een kracht-toer. Als een ware ijsbreker baande ze zich al zwemmende vanuit het door haar gemaakte wak heel langzaam een weg naar de oever. Daar schudde ze haar veren uit, en bleef nog een hele tijd roerloos staan om op te drogen.
Het was misschien een nog jonge zwaan. Een zwaan zonder veel ervaring. Die ervaring heeft ze nu opgedaan en waarschijnlijk zal ze in de toekomst niet zomaar op het ijs willen landen. Het dier heeft niemand kwaad gedaan. Zoals een baby die gaat kruipen een keer zijn hoofd stoot als hij onder een laag tafeltje kruipt. De volgende keer zal hij op het juiste moment zijn hoofd optillen. Ook hij heeft niemand kwaad gedaan maar door schade en schande geleerd.
Als de inschattingsfout gevolgen heeft voor anderen dan wordt het een ander verhaal. Een groep zwanen op doortocht wordt geleid door een ervaren zwaan die besluit om een tussenlanding te maken bij Schiphol. Daar zijn ze niet welkom. Een fatale inschattingsfout.
In de politiek worden ook inschattingsfouten gemaakt. Een klein leugentje, dat moet toch wel kunnen? Maar een inschattingsfout kan ook daar wel eens ernstige gevolgen hebben. Denk aan de invasie in Irak. Dit soort inschattingsfouten zijn er veel gemaakt. De betrokken bewindslieden zijn echter zelden weggestuurd. Als ze gewetensvol zijn worden ze alsnog gestraft. Ze moeten namelijk met de gedachte aan de gevolgen leren leven.
Politici genieten meestal van het spel van de macht en van de aandacht. Vaak is dat zelfs hun voornaamste drijfveer om politiek te bedrijven. Door op het juiste moment te liegen lijken ze een held te zijn. Onze premier liegt er voortdurend op los, vooral vlak voor de verkiezingen. En hij wint er mee ook nog. In de Volkskrant van 17 februari staat een artikel over liegen en er worden een stuks of tien leugens van onze premier gedurende de laatste jaren opgesomd. En soms maken politici dus totaal verkeerde inschattingsfouten. Kunnen zij net als die jonge zwaan leren van hun inschattingsfouten? Verkeerd landen moet kunnen. Maar als de oorzaak van de inschattingsfout dikdoenerij is, en dat is het vaak, dan moet je wat mij betreft weggestuurd worden. Je bent dan gewoonweg niet geschikt voor het vak. Je dient bescheiden te zijn en zo doordacht mogelijk een besluit kunnen nemen. Wanneer ga je de politiek in? Misschien heb je een ideologische drijfveer. Maar de meeste politici willen vooral macht en aandacht. En dat zijn nu juist de twee grootste valkuilen bij het nemen van goede beslissingen. Omdat macht en aandacht tegenwoordig vooral via de sociale media verkregen kan worden gaan veel politici steeds meer op de populistische tour. En zie je steeds minder vaak integere mensen op belangrijke posten. Bij de uitzendingen op TV die er waren na het overlijden van Ruud Lubbers zag ik een uitgebreid interview met Wim Kok. Wat een genuanceerd, integer, en bekwaam iemand was dat. Hij was niet bezig met macht of aandacht. Hij ging voor de zaak. Net als zo iemand als Max van der Stoel. Kok wordt sinds Pim Fortuin verguisd. De puinhopen van paars. Wat een onzin. Vreselijk. Pim Fortuin, de grootste Nederlander, gekozen als dusdanig door mijn landgenoten…. Daarom ben ik tegen referenda en heb ik grote twijfels over het functioneren van onze democratie.
De zwaan van vanochtend is opgedroogd en vliegt weer als een vrije vogel rond. Onze minister van Buitenlandse zaken moet eerst zijn wonden nog likken. Zou hij beseffen wat de oorzaak was van zijn inschattingsfout? Dan mag hij na diep nadenken over een tijdje misschien weer proberen te vliegen.
Warm gekleed, dikke jas aan, sjaal om, muts op. Overal lag rijp en de wind was nog steeds enigszins schraal. Zo stond ik daar vanochtend al voor vijf uur met mijn verrekijker en mijn fotocamera. . Om de beroemde wetenschapper Galileo Galileï een beetje na te doen. Hij zag op 13 februari 1610, kijkende naar Jupiter, onderstaand plaatje:
In het midden zien we Jupiter, er omheen de vier grote manen van Jupiter, naar aanleiding van zijn ontdekker ook wel de Galileïsche manen genoemd. Hij tekent ze niet allemaal even groot, omdat ze niet even helder waren. Nu weten we dat zelfs de kleinste van de vier, de maan Europa, een van de grootste manen van het zonnestelsel is.
Op mijn app “Sterhemel” kun je ontdekken wat er bij een heldere hemel elke nacht te zien is. Het is nu ook 13 februari, het is misschien wel een vergelijkbare winterse dag als toen Galileï buiten in de kou stond te kleumen met zijn telescoop. Bij deze app gaat men er van uit dat je bij de meeste waarnemingen ook een telescoop gebruikt en die heb ik dus niet. Ook nu weer was Jupiter, net als bij Galileo Galileï, goed te zien. Wat stond er volgens deze app deze nacht verder nog op het programma
Een overgang, voor Jupiter langs, van zijn maan Europa,
Het verdwijnen achter Jupiter van de maan Io
En, los van het waarnemen van de manen van Jupiter, meldde de app ook dat het de laatste waarnemingsmogelijkheid was van onze eigen, nu afnemende maan, nog net te zien als een minieme maansikkel. Het is over twee dagen namelijk nieuwe maan.
Ik heb geprobeerd of ik iets van deze gebeurtenissen ook in het echt zou kunnen zien.
Jupiter heeft enkele zeer bijzonder manen. Io staat het meest dichtbij Jupiter en is daardoor zeer gevoelig voor de enorme aantrekkingskracht van deze reuzenplaneet. Zoals bij ons de maan aan de aarde trekt en de getijden veroorzaakt, zo trekt Jupiter nog veel harder aan Io en dat heeft tot gevolg dat het inwendige van Io naar buiten wordt gezogen. Er zijn op deze maan voortdurend grote vulkaanuitbarstingen, groter en heviger dan we ons kunnen voorstellen.
Op bovenstaande foto zien we een vulkaanuitbarsting die op 22 februari 2000 door het Galileo-ruimtevaartuig van de NASA is waargenomen. Witte en oranje gebieden aan de linkerkant van de foto tonen nieuw uitgebroken hete lava. De twee kleine lichtvlekken zijn plaatsen waar gesmolten gesteente wordt blootgesteld aan het oppervlak bij de rand van lavastromen. Het grotere oranje en gele lint is een afkoelende lavastroom die meer dan 60 kilometer lang is. (https://www.nasa.gov/multimedia/imagegallery/image_feature_346.html)
Hierboven zien we een afbeelding van de maan Europa. Deze maan staat bij de Nasa hoog op de agenda voor verder onderzoek, omdat het wel eens de enige plek zou kunnen zijn in ons zonnestelsel waar leven voorkomt. De condities hiervoor lijken op deze maan beter dan waar dan ook. Op Wikipedia lezen we: Europa bezit een ijle atmosfeer van zuurstof. Het oppervlak bestaat uit ijs en kent zeer weinig hoogteverschillen. Onder het ijs vermoedt men een vloeibare oceaan van water met daar weer onder silicaatrots en een kern van ijzer. Omdat er op Europa sprake is van tektoniek, staat vast dat deze maan geologisch actief is. Wellicht bevindt zich onder het bevroren oppervlak dus vloeibaar water, waarin eventueel buitenaards leven zou kunnen voorkomen. Om dit nader te onderzoeken is voor 2020 door de NASA de Europa Jupiter System Mission voorzien.
Maar nu terug naar de waarnemingen van vanochtend. Om te beginnen heb ik via weer een andere app een animatie van de beweging van de vier Galileïsche manen rond Jupiter gemaakt. Deze animatie laat zien wat de stand was, globaal tussen 4 uur ’s ochtends en 9 uur ’s ochtends. Europa trok dus voor Jupiter langs. Voordat hij daadwerkelijk voorlangs ging wierp hij al zijn schaduw over Jupiter heen. (Het zwarte rondje). Iets eerder trok Io aan de achterkant van Jupiter voorbij en verdween voor astronomische waarneming enkele uren uit het beeld. Rechts van Jupiter zien we ook nog Ganymedes, de grootste maan van ons zonnestelsel, en links Callisto.
De condities voor eigen waarneming waren tot 7 uur goed. Daarna was het eigenlijk al te licht. Ik heb geprobeerd iets van dit alles te fotograferen. Het enige dat me misschien gelukt is is het waarnemen van Europa, voordat hij bij Jupiter voor langs zou gaan. Hieronder twee foto’s van Jupiter, de eerste is gemaakt om 5:16 uur, de tweede exact een uur later. Links van Jupiter zie je een lichter stukje welk een uur later maar nu dichter bij Jupiter nog steeds te zien is. Zag ik Europa?
Ook denk ik trouwens Ganymedes gezien te hebben rechts van Jupiter. De meer uitgebreide foto van 6:16 uur:
Maar goed, ik heb dan wel een aardige fotocamera, maar het blijft rommelen in de marge zonder telescoop.
De maansikkel was in ieder geval heel mooi te zien!
Probeer je eens voor te stellen: je hebt bijna elke dag een strakblauwe lucht en ’s nachts een pikzwarte hemel met ongelooflijk veel sterren, je hebt geen enkele vorm van luchtvervuiling, en het is ook nog eens pikkedonker omdat er geen enkele vorm van verlichting is. En dat heb je dan vlak bij je huis. Waar moet je dan in godsnaam zijn?
Ik weet een uitstekende plek: in Italië bij het huis van Galileo Galilei. Maar dan wel in zijn tijd, zo rond het jaar 1600. Galilei had voor het eerst een telescoop in handen waar je dingen mee zag die nog nooit iemand had gezien. En hij was ook nog natuur- en wiskundige met niet alleen bijzonder veel kennis, maar vooral ook met een goed verstand. Wat een sensatie moet hij gevoeld hebben! Er gingen opeens compleet nieuwe werelden voor hem open. Hij ging nadenken, redeneren, observeren, meten, rekenen. En wat hij beredeneerde bleek wiskundig te kloppen.
In het belangrijkste geschrift van Galileo Galilei, Siderius Nuncius, zien we hoe hij dagelijks waarnemingen optekent. Ook de maan onderzoekt hij nauwkeurig. Hij ontdekt dat je zelfs de hoogte van de zichtbare kraters kunt uitrekenen. Ik citeer een fragment van zijn observaties:
´Op de vierde of vijfde dag na nieuwe maan loopt de terminus die het donkere van het lichte gedeelte scheidt, niet netjes volgens een gebogen lijn, zoals bij een perfect ronde bol. Ze vormt een ongelijke, hoekige en soms golvende lijn. Er zijn ook tal van zwartige vlekken die helemaal van het donkere gescheiden zijn. Ze hebben allemaal de zwarte vlekken in de richting van de zon gekeerd. Een zeer gelijkaardige aanblik hebben we op aarde rond zonsopkomst in de bergen als de vallei nog in de schaduw ligt maar de bergen aan de kant tegenover de zon al stralend gloeien. En zoals de schaduwen in de dalen op aarde kleiner worden naargelang de zon hoger klimt, zo verliezen ook deze maanvlekken bij het groeien van het lichte gedeelte hun duisternis.’
De gehele beschrijving gaat nog verder en omvat meerdere pagina’s waarbij hij telkens tekeningen maakt van wat hij ziet. Hij blijkt in staat om zelfs de hoogte van de bergen op de maan te kunnen meten. Door nu enkele maanden lang al zijn waarnemingen nauwkeurig op te tekenen (de enkele dag die hij mist omdat het bewolkt is haalt hij de volgende maand weer in) kan hij van het zichtbare deel van de maan een gedetailleerde reliëfkaart maken. Hij gaat zelfs nog verder: omdat hij weet hoe hoog alle bergen zijn zou je de maan zo ook driedimensionaal kunnen laten namaken, waarbij de voor ons zichtbare helft van de bol vol staat met kraters en uitstulpingen. Hij geeft opdracht om zo’n maquette te laten maken, maar door allerlei oorzaken komt dat er niet van
In Nederland zou dat in deze tijd een stuk moeilijker zijn geweest. Er zijn dan wel veel betere telescopen dan toen, maar hoeveel nachten achter elkaar is het hier helder? En o jee, die licht- en luchtvervuiling. In Drenthe op de hei dan? Je zou er meer dan een jaar moeten bivakkeren om genoeg ideale nachten te hebben om zo’n kaart te kunnen maken. Maar goed. Dat is allemaal niet meer nodig. In Chili staan op onherbergzame bergtoppen geweldige telescopen. En we hebben natuurlijk de Hubble telescoop die zijn plaatjes maakt vanuit een satelliet.
Waarom moet je zoveel dagen waarnemingen doen? Alleen dat deel van de maan dat zich aan de rand bevindt welke aan het afnemen of toenemen is, dat verraadt zijn geheimen. En elke heldere nacht wordt er zo een nieuw geheim ontfutseld. Bij wassende maan staat de maan aan de avondhemel, de eerste sikkel zie je dan vlak na zonsondergang. Elke dag komt hij een uur later op. Bij volle maan prijkt hij de hele nacht aan de hemel. Daarna, bij afnemende maan moet je ’s avonds een tijd wachten voor hij in het oosten opkomt, en worden het steeds meer de nachtelijke en vroege ochtenduren dat je hem kunt zien. Galilei zal in de tijd van zijn waarnemingen weinig geslapen hebben, want hij maakte ook nog eens tekeningen van wat hij zag door zijn telescoop. Ik heb dat zelf ook enkele nachten gedaan. Niet met een telescoop en tekenboek, maar met de telelens van mijn fotocamera, die het daarna makkelijk voor me vastlegde. Waarschijnlijk zijn mijn beelden iets minder spectaculair dan wat Galilei zag. Maar als ik zo’n foto heb gemaakt en die bekijk, dan voel ik opnieuw iets van de sensatie zoals hij dat gevoeld moet hebben.
Hieronder zes foto’s die ik zelf maakte. Twee keer zie je wassende maan, een keer vrijwel volle maan, drie keer afnemende maan. Op elke foto zie je een nieuw stuk reliëf. Om een volledig plaatje te krijgen zoals Galilei dat kreeg moet je minstens 24 foto’s maken.
Ik vertelde hoe Galilei de zwarte vlekken in de tegenovergestelde richting als het zonlicht als schaduwen verklaarde. Hij zag dus zoiets: (onderstaande foto is een detail van de een na laatste foto)
Het boek Siderius Nuntius is samen met een belangrijke brief van Galileo, en voorzien van inleiding en commentaar, onlangs in het Nederlands uitgegeven onder de titel “Kijker, Kerk en Kosmos”.
Zeven oktober 1917 vond de Russische revolutie plaats. In Nederland had je toen de “Sociaal Democratische Arbeiderspartij” (SDAP, waar later de “Partij van de Arbeid” uit voort kwam), en de eerder afgesplitste en meer radicale “Sociaal Democratische Partij”. Aangestoken door het vuur van de Russische Revolutie veranderde deze laatste partij haar naam in 1918 in “Communistische Partij Nederland” (CPN). Dat alles gebeurde dus honderd jaar geleden.
Hoe reageerde Katholiek Nederland hierop in 1918? Door de grote armoede oefenden de socialisten en communisten een grote aantrekkingskracht uit op vooral het arme deel van de bevolking. Hoewel deze partijen zeiden dat zij niet van plan waren om de kerk ook maar een strobreed in de weg te leggen was men bij zowel protestanten als katholieken bang dat er wel eens snel veel zieltjes verloren zouden kunnen gaan. Nadat eerder in de negentiende eeuw de liberalen de invloed van de kerk al hadden terug gedrongen, dreigden nu ook de socialisten dat te gaan doen. Zo verscheen er in 1918 een herderlijk schrijven van de aartsbisschop en de bisschoppen van Nederland. Ik zal het hier integraal neerzetten, ik bezit een origineel exemplaar.
Bij punt 4 lezen we:
“Zoolang derhalve een Katholiek lid is van zulke vereenigingen en althans niet het vaste voornemen heeft dit lidmaatschap zoodra mogelijk op te zeggen; of zoo lang zij zulke vereenigingen metterdaad willen blijven steunen, kan hij geen kwijtschelding der zonden verkrijgen en bijgevolg geen Sacramenten waardig ontvangen. “
Bij punt 6 staat: “De Katholiek, die de leer der anarchisten of socialisten aanneemt en als dusdanig bekend staat, kan niet meer als lid der Kerk beschouwd worden. Hem moeten de sacramenten geweigerd worden, zoolang hij het anarchisme of het socialisme blijft aanhangen.”
Dit standpunt werd nog steeds ingenomen in de vijftiger jaren van de twintigste eeuw. Een katholiek mocht zelfs niet naar de Vara luisteren. Alles werd in het werk gesteld om iedereen die katholiek was ook katholiek te houden. Maar in de zestiger jaren begon de onvermijdelijke teruggang. Wikipedia:
Van 11 oktober 1962 tot 8 december 1965 werd het tweede Vaticaans Concilie gehouden. Tijdens de openingsplechtigheid waren 2540 bisschoppen uit alle werelddelen aanwezig. Paus Johannes XXIII vroeg de vergaderde bisschoppen om ‘aggiornamento’. Dit Italiaanse woord voor modernisering betekent ‘bij de tijd brengen’. Modernisering van de Kerk was volgens deze paus onontkoombaar. Ook openheid ten opzichte van de gehele wereld diende een kenmerk te worden van een gemoderniseerde Kerk. Dat werd uitgedrukt door de gebiedende beeldspraak om ‘de ramen van de Kerk open te zetten voor de frisse lucht van buiten’. Daarom werden ook protestanten, orthodoxen en vertegenwoordigers van andere religies en politieke ideologieën als waarnemers bij het concilie uitgenodigd en benoemd.
Waar de SGP zich nog steeds vastklampt aan vooroorlogse denkbeelden, daar is toen in de katholieke kerk een enorme beweging in gang gezet. Dit ging zo radicaal en zo snel dat veel katholieken het niet konden bijbenen en alle zekerheden die ze ooit dachten gehad te hebben schoorvoetend achter zich begonnen te laten. Je ziet dat weerspiegeld in de verkiezingsuitslagen. De KVP was de partij waar minstens 70% van de katholieken altijd op gestemd had. Men durfde nu ook steeds meer anders te gaan stemmen. Vergelijk bijv. de uitslag van de verkiezingen van 1967 met die van 1971.
Landelijk was nu opeens de Partij van de Arbeid de grootste partij in plaats van de KVP. In mijn geboortedorp Swalmen verloor de KVP in die vier jaar tijd zo’n kleine 1000 stemmen: van 2804 stemmen gingen ze naar 1821 stemmen. En die trend heeft zich daarna nog lang voortgezet.
Het communisme is in een groot deel van de wereld, waaronder Nederland, verdwenen. De socialisten zijn gemarginaliseerd. De verkiezingsuitslagen leveren voor de confessionele partijen al een tijd lang een stabiel beeld. De liberalen en de populisten daarentegen hebben een flinke opmars gemaakt. De VVD is al een tijdlang de grootste partij. In 1971 lag deze partij nog heel ver achter op de PvdA.
Maar: worden we nu beter bestuurd? Ik waag het te betwijfelen. Toch, om met Maarten van Rossem te spreken: ‘De Nederlanders zijn na de Denen het meest gelukkig van de wereld’. Ik wil wel nog aantekenen dat de luchtkwaliteit van Nederland erg slecht is, dat je hier vrijwel nergens fatsoenlijk sterren kunt kijken en dat het er naar mijn smaak veel te veel bewolkt en regenachtig is. En verder valt er nog veel meer te klagen, maar laten we vooral onze zegeningen tellen. In vergelijking met het grootste deel van Europa en de wereld: er is weinig armoede, er zijn goede oudedagsvoorzieningen, er is medische hulp voor iedereen, er zijn goede wegen en er is een zeer uitgebreid openbaar vervoer netwerk. Maar we willen alles perfect hebben. Dus valt er gelukkig ook nog veel te klagen. De trein vertrok te laat. Ik stond een uur in de file. De supermarkt had om 6 uur al geen bruin brood meer.
O ja. Nog enkele dingetjes om over te klagen. Ruim een derde van Afrika moet het zonder schoon water stellen. Dat is bijna de hele bevolking van de Verenigde Staten en Canada samen. Het 80.000 plaatsen tellende American football-stadion in Dallas gebruikt bij een wedstrijd 10 megawatt elektriciteit. Dat is meer dan drie keer zo veel als de hoeveelheid stroom die heel Liberia in die tijd kan fabriceren. En 165 miljoen kinderen in de wereld zijn ondervoed.
O ja. nog een klacht: Thierry Baudet klaagt minister Ollongren aan omdat deze suggereert dat hij de kernwaarden van Nederland zou verkwanselen. ‘Je mag hier toch wel zeker zeggen dat niet alle rassen gelijkwaardig zijn? Als dat al niet eens meer zou kunnen…’ De bisschoppen zeiden honderd jaar geleden wat we moesten denken. Nu mogen we zeggen en denken wat we willen. Dat is onze nieuwe vrijheid.
De afgelopen weken heb ik twee reïncarnaties van grote persoonlijkheden uit de negentiende eeuw ontmoet. De eerste was de voor mij vertrouwde Jos Habets, jarenlang kapelaan in een dorp in Zuid-Limburg. In zijn dagboek van 1877 schrijft hij op 8 januari:
“Een kapellaan in de hiërarchie der kerk is een arme sukkelaar. 25 Jaar in eene positie vertoeven, waar men hoegenaamd niets heeft in te bregen; ik verklaar het u dat is een toer. Een kapellaan heeft niets in te brengen, heeft geene regten. De pastoor doet alle kerkelijke diensten waaraan een geldelijke tegemoetkoming is verbonden, de kapellaan verricht de overigen. Hij moet op de koop toe volgens de statuten, in alles, luisteren naar de bevelen van zijn pastoor. Wat mij echter mijn nederig beroep ook lastig maakt, deze kant van mijn bestaan wordt honderd maal vergolden door de schoone landstreek waar ik woon. Mijn nederige kapellanie is een net en gemakkelijk woningje naast de kerk, gelijk het geheele dorp op de schoonste hoogten van geheel Nederland gelegen. Rond om mij de schoonste tafreelen die een bergland kan voortbrengen, zachte glooyingen, steile rotsen, ruischende beken in het dal, prachtige vergezichten op de hoogte. Wat kan men meer verlangen? Mijn eenige wensch ware geweest hier mijn leven te morgen slijten als pastoor.”
Tot zijn grote frustratie is Jos. Habets maar liefst 22 jaar kapelaan geweest, waarvan het grootste deel in Berg nabij Valkenburg a/d Geul. Daar schreef hij op 8-1-1877 ook dit dagboekfragment. Eind 1878 werd Jos. Habets eindelijk pastoor in Wolder bij Maastricht.
Bovenstaande informatie staat op de facebookpagina, waarbij Jos Habets weer tot leven lijkt te zijn gewekt, een soort virtuele reïncarnatie.
Ik heb ook al iets op zijn pagina geschreven. In mijn boekenkast staan veel historische werken van zijn hand. Ik voel hem echt als een vriend. Hij is denk ik een betere vriend van mij dan mijn meeste andere facebookvrienden. Nieuwsgierig, en ben je lid van facebook? Zoek JJ Habets.
De tweede reïncarnatie was die van Jacob van Lennep. Hij werd live geïnterviewd door Marita Mathijsen. De persoon Jacob van Lennep werd trouwens door een verre nazaat van hem gespeeld, in negentiende-eeuws kostuum, en met de archaïsche spreekstijl van Olivier B. Bommel. Ik heb een fragment van dat interview gefilmd:
Dit alles in het kader van de mooie bijeenkomst in de Lutherse kerk van Amsterdam waar de biografie van van Lennep, geschreven door Marita Mathijsen, werd gepresenteerd aan een groot publiek. De kerk zat meer dan vol.
Het is wat mij betreft meer dan een biografie geworden. Je kruipt niet alleen in de huid van Jacob van Lennep, maar je kruipt in die van het negentiende-eeuwse Amsterdam, in die van Nederland en af en toe kruip je nog een beetje verder. Alles wordt steeds in een brede context geplaatst en het boek leest heerlijk. Marita Mathijsen is een begenadigd schrijver en spreker. Eerder beluisterde ik haar lezingen die als titel droegen “De hang naar historie”. Deze lezingen zijn als luisterboek uitgegeven, je wordt meegenomen in de literaire wereld in Nederland van de negentiende eeuw. Je zou die lezingen als belangrijk voorwerk kunnen beschouwen voor dit boek.
Ik heb de biografie vers van de pers gekocht en heb al enkele hoofdstukken uit. Het is een prachtig boek, vooral door de schrijfstijl maar ook door de meerwaarde van de uitgebreide historische context. En wil je meer weten van de hoofdfiguur, Jacob van Lennep, dan is het boek een must. De titel lijkt me de lading goed dekken, “een bezielde schavuit.”
Wist je dat Jacob van Lennep heeft samengewerkt met enkele componisten? Hij schijnt een flink aantal teksten voor liederen geschreven te hebben, die dankzij het speurwerk van Marita Mathijsen weer boven water zijn gekomen. Drie van deze liederen werden deze middag gezongen. Ik heb ze alle drie opgenomen. Uitvoerenden waren Job Hubatka met aan de piano Johan Berkhemer.
Het eerste lied uit 1836 was uit “de roos van Dekama”, het lied ”de Veerman aan de Lek”. De muziek is van de “vergeten” componist, “Heyne”.
Later werden er nog twee liederen gezongen uit 1829. Deze liederen waren op muziek gezet door W.H. Brachthuizer. Eerst hoorden we “Aan Bertha”, een slaapliedje, gezongen door een hofdame voor Jacoba van Beieren. Daarna: “Het lied van de hofnar”, ook een lied met een historische context. Het is een fragment uit het leven van Jacoba van Beieren. Jacob van Lennep heeft zich ook veel met historie bezig gehouden.
Jos Habets en Jacob van Lennep leefden in de negentiende eeuw. Jacob van Lennep leefde van 1802 tot 1868. Jos Habets leefde van 1829 tot 1893. Samen beslaan ze het grootste deel van deze negentiende eeuw. Allebei ijverden ze voor het behoud van cultureel erfgoed. Allebei waren het bevlogen mensen die zich met van alles bezig hielden. Jos Habets schreef artikelen over archeologie en deed ook zelf opgravingen. Jacob van Lennep was de initiator van een waterleiding tussen Bloemendaal en Amsterdam. Jos Habets speurde archieven af en publiceerde tientallen stukken in gerenommeerde tijdschriften en schreef ook zelf vele boeken. Jacob van Lennep vertaalde werken van Lord Byron en verzorgde nieuwe uitgaven van werk van Joost van den Vondel. En allebei waren ze bijzonder geïnteresseerd in de geschiedenis van het voorgeslacht.
Vooral door hun boeken en uitgaven blijven ze allebei eeuwig leven. Jos Habets is een van mijn facebookvrienden. En zaterdag kwam ik Jacob van Lennep tegen.
‘Tot hun vijf en twintigste zijn jongens ongedisciplineerd. Als ze zeggen: a.s. maandag krijgt u het werkstuk, dan wordt dat kerst volgend jaar. Als meisjes dat zeggen, dan krijg je het werkstuk gewoon op tijd. Behalve als het gaat om jongens met een orthodox christelijke achtergrond, bijv. uit Barneveld, waar ze elke zondag een groot verkeer- en parkeerprobleem hebben vanwege het kerkbezoek.’
Maarten van Rossem associeert en improviseert er op los, en als je hem een vraag stelt krijg je een antwoord van een kwartier als je niet uitkijkt. Opmerkingen en anekdotes waar het sarcasme en cynisme van afdruipt, maar dat doet hij bijna altijd op een zo geestige en aanstekelijke manier dat diverse keren de zaal dubbel lag van het lachen. Hij zelf vertrekt daarbij nauwelijks een spier. Hij preekte duidelijk voor eigen parochie, deze vrijdagavond in de Arminiuskerk van Rotterdam. De prachtige kerk die eind negentiende eeuw is gebouwd voor de vrijzinnige protestanten van deze stad. En daar zaten in die tijd aardig wat havenbaronnen tussen. Het mocht een centje kosten.
Deze avond valt nauwelijks samen te vatten, er was wel een rode draad, namelijk het rapport van het sociaal cultureel planbureau van afgelopen december . Hieruit bleek hoe goed het gaat in Nederland en hoe gelukkig de zeer grote meerderheid zich voelt. Al 20 jaar zo ongeveer is het een constant gegeven dat er 15% boze burgers zijn en die zul je waarschijnlijk altijd blijven hebben. Maar Maarten van Rossem noemde zichzelf een optimist. ‘Wie van jullie voelt zich ge-islamitiseerd?’ Uiteraard stak niemand zijn hand op. ‘Als er nu niet heel snel actie wordt ondernomen dan gaat het land ten gronde, door de invloed van de islam.’ Hij citeerde Thierry Baudet. Maarten van Rossem kwam voortdurend met heel nuchtere cijfers en haalde al dit soort uitspraken onderuit.
Waar ik over door bleef denken was zijn uitspraak over die orthodoxe christenen. Zij zijn gedisciplineerd, ook als student. Zelfs de jongens van jonger dan 25. Hoe zou dat komen? Alleen al door elke zondag twee keer naar de kerk te gaan en daar minstens een uur iedere keer te zitten? Daar moet je inderdaad discipline voor kunnen opbrengen, denk ik zo. Maar ook worden deze jongeren gehard en gestaald in hun denken door de preek en door de wekelijkse catechisatie bijeenkomsten. En in hoeverre zal de gedachte aan een hemel, een afrekening na je dood, ook nog steeds een rol spelen om in deze discipline te kunnen blijven volharden? Iemand als Bach, en met hem vele anderen, zouden waarschijnlijk nooit zo gedisciplineerd zijn geweest als ze niet tegelijk ook zo sterk gelovig waren geweest.
Enkele keren in de week haal ik mijn kleinzoon af van zijn school. Hij zit op een openbare dorpsschool. In hetzelfde gebouw is ook een christelijke school. Op het schoolplein staan de ouders, gescheiden van elkaar. Het valt me op dat de “Openbare” ouders in het algemeen volkse typen zijn, die je wantrouwend aankijken: “jou ken ik niet, je bent denk ik niet van het dorp”. Met uitzondering van enkele islamitische gesluierde vrouwen, die me open aankijken en vriendelijk groeten. Ook de christelijke vrouwen van ietsjes verder groeten me als ik hen aan kijk. Het is dus meer dan discipline. Het is ook een mensvriendelijke benadering van de medemens.
Natuurlijk is dit alles nu enigszins zwart-wit geschetst door mij. Ik zelf ben niet gelovig en probeer desondanks een open en vriendelijke houding aan te nemen naar iedereen. En ik ben ook behoorlijk gedisciplineerd. Dat zit in mijn aard maar daarnaast heb ook ik zeker van mijn zesde tot mijn veertiende hele tijden wekelijks in de kerkbanken doorgebracht. Godsdiensten hebben als functie dat ze de mens in een werkbaar sociaal kader proberen te plaatsen. Maar het is makkelijker om lui te zijn. En geld, aandacht, liefde aan een ander geven lijkt op het eerste gezicht ten koste te gaan van jezelf. Dus als je niet gelooft lijkt het leven een stuk makkelijker. Om mensen bij het geloof te houden moet je van alles organiseren. Je moet hen bijna indoctrineren met bepaalde denkbeelden. Als een orthodoxe christen gaat studeren dan kan hij onder andere kiezen voor de VU van Amsterdam of voor de Universiteit van Utrecht. Ik citeer weer Maarten van Rossem: ‘ De Vu is een wolf in schaapskleren. Ze stellen zich daar voor als een christelijk instituut, maar ze zijn het niet! Dan kun je maar beter naar Utrecht gaan. Dat instituut is gewoon een duivelse instelling, maar dan weet je het en kun je overal beducht voor zijn.’ De jongens uit Barneveld gingen geschiedenis studeren in Utrecht bij de grootste heiden aller tijden, Maarten van Rossem, en piekerden er niet over om naar die geniepige VU te gaan.
Verder moet je zorgen dat er een breed sociaal netwerk is van gelijkgestemden. Al je vrienden zitten daar. En daar ben je relatief veilig. Mocht je toch dreigen te ontsporen dan heb je nog een leger van ouderlingen die je komen opzoeken. En het grootste struikelblok dat je weerhoudt om de kerk te verlaten is het feit dat je dan in conflict dreigt te komen met je familie en vrienden. En zo houdt het netwerk zich aardig in stand. Is dat erg? Tot op zekere hoogte. Als de sociale druk te groot wordt dan kun je er aan onder door gaan. En als de denkbeelden van de gelovigen vrij ver gaan, zoals het afkeuren van homofilie, dan kun je er doodongelukkig van worden. Maar een groot deel voelt zich er wel bij. En heeft op tijd zijn examenstukken af en groet de medemens vriendelijk.
Deze bovenstaande gedachten heeft Maarten van Rossem niet uitgesproken. Hij heeft het nauwelijks over het geloof gehad. Hij heeft er volgens mij geen enkel probleem mee, maar snapt er ook niets van. Veel mensen heeft hij een veeg uit de pan gegeven. Het meest lagen onder vuur Pim Fortuin, Mark Rutte en Sybrand Buma. De meest invloedrijke politicus van de laatste jaren was Geert Wilders. Waarom? Niet om wat hij zei maar omdat vanuit angst (voor kiezersgedrag) zijn gedachtegoed door steeds meer anderen is overgenomen, met als ergste voorbeeld Marc Rutte. Doe ’s normaal!
Maarten van Rossem heeft niet de illusie dat hij de 15% boze Nederlanders kan bereiken. Hij heeft een stukje mogen schrijven in het blad dat Leefbaar Rotterdam uitgeeft. Deze reactie vond hij nog het meest netjes: “Maarten van Rossem is gewoonweg een beschimmeld fossiel”, waarop hij nu de zaal als repliek gaf dat een van de kenmerken van een fossiel is dat alle organische materiaal zodanig is omgezet dat er geen schimmel meer op kan leven.
Ik geloof niet dat mijn denkbeelden veel veranderd zijn afgelopen vrijdag. Alles wat Maarten van Rossem zei was uit mijn hart gegrepen. Zoals “meer invloed geven aan de burger door het versterken van het referendum of de gekozen burgemeester”. Hij moet er niets van hebben. Ik ook niet.
Ik zit dus weer nog wat lekkerder in mijn cocon. Daartoe zijn we enigszins gedoemd. Maar medemenselijkheid, openstaan voor anderen en andere culturen, daar moeten we nog steeds ons best voor blijven doen. Ook al horen we dat niet elke week op de preekstoel en geloven we niet in een afrekening na onze dood.
In Swalmen had je een meisjesschool met daarbij ook de bewaarschool. Het geheel werd door nonnen gerund. Dan had je ook nog de lagere school voor jongens. vijftig kinderen in een klas was geen uitzondering. Ik zag onlangs een groepsfoto met voornamelijk meisjes waar mijn moeder op 6-jarige leeftijd samen met een groep andere kinderen op stond.
Mijn moeder is het vijfde kind, links op de onderste rij. Naast haar, het zesde kind van die rij, zit haar broertje van vijf. Samen met nog een jongen staan er op die foto dus ook nog minstens twee kinderen van de kleuterschool. ik vermoed dat ze foto’s hebben gemaakt waarbij ze probeerden familieleden bij elkaar te zetten, want er zijn ook veel grote kinderen te zien op die foto. Mijn moeder was de oudste van een groot gezin, haar broertje Jan die ook op die foto staat is op tienjarige leeftijd in het ziekenhuis van Roermond overleden. Mijn moeder sprak er nooit over, maar een keer liet ze zich ontvallen dat ze daar nog steeds verdrietig van was. Zij was toen hij dood ging 11, hij was 10 jaar oud. Dat was op 9 september 1933.
Voor de oorlog was het bittere armoede in het gezin van mijn moeder. Haar vader was werkloos. In Swalmen was er geen aparte school voor arme gezinnen. In haar klas zaten kinderen van de dokter, de notaris, de onderwijzers, van industriëlen, boeren, middenstanders, arbeiders en werklozen. Zij was de beste leerling van de klas. Zo ging dat toen, elk kind kreeg drie keer per jaar een rapport, met daarop ook het cijfer van de “rangorde”. Zij was steevast nummer 1. Dat systeem bestond in mijn tijd trouwens ook nog. Wat was ze graag verder gaan leren! Maar dat kon en mocht niet, ze moest zo snel mogelijk geld verdienen om de armoede van het gezin enigszins te beteugelen. Na veel aandringen kreeg ze het voor elkaar dat ze nog een jaar naar een zogenaamde zevende klas mocht. Maar zelfs de huishoudschool zat er daarna niet in. Ze moest zoals gezegd geld gaan verdienen en al snel was ze dienstmeisje. En dat betekende in haar geval dat ze bij het gezin waar ze terecht kwam intern moest gaan wonen, zeven dagen in de week. Daarvoor kreeg ze veertig cent in de week en dat geld ging naar haar ouders. Eens in de 14 dagen was ze op de zondagmiddag vrij. Ze vond het een vreselijke tijd. Op mijn vragen daarover vertelde ze wel eens iets over de vernederende behandeling die ze altijd maar moest ondergaan. Zij moest apart eten, ze kreeg slechts de restjes van het eten, en de koffie kreeg ze op basis van de overgebleven drab. Ook thuis had ze het niet echt naar de zin, ze vond het er veel te druk. En ook daar moest ze alleen maar helpen en voor haar broertjes zorgen. Het liefste was ze bij haar grootouders van haar moederskant.
Maar toen ze getrouwd was na de oorlog was ze eindelijk vrij. En stak ze al haar liefde en energie in ons, haar vier kinderen. En luisterde ze veel naar de radio. En vooral, ze las veel, ging elke week naar de bibliotheek en had een grote algemene ontwikkeling. Om bij te verdienen breide ze truien en maakte ze kleren voor anderen. Maar vooral had ze veel liefde en veel levenswijsheid uit te delen.
Als ik naar de groepsfoto kijk probeer ik me voor te stellen hoe dat op die school geweest moet zijn. Maar ik zie ook haar toekomst. Vooral het verdriet dat ze heeft gehad door de dood van haar broertje. En ook wat ze daarna nog te verstouwen kreeg. Ik mis haar.
Met mijn vrij reizen dag van de NS toog ik een week geleden vanuit Utrecht naar het zuiden. De voorspelling was: in het noorden motregen, in het uiterste zuiden veel zon. Dus ik besloot om een antiquariaat in Heerlen te gaan bezoeken en daarna te kijken wat ik nog meer wilde. Door een aanrijding met een persoon, zoals dat altijd respectvol wordt genoemd, stond ik vlak voor den Bosch twee en een half uur stil. Ik stapte daarom maar in Den Bosch uit en bezocht om te beginnen het Brabants Museum.
Ik zag er drie tentoonstellingen. Die me het meest is bijgebleven is die met werk van Tim Walker. Zijn groteske, maar wonderschone meer dan levensgrote foto’s, daar kon je niet om heen. Ook waren er enkele sculpturen van hem te zien. Onwillekeurig moest ik opeens weer denken aan de persoon die zich net deze ochtend voor de trein had geworpen. Wat kan er allemaal omgaan in een brein. Sommigen kunnen het niet meer aan. Tim Walker weet zijn gedachten te sublimeren in dit soort beelden.
Daarna ging ik naar de kathedraal, de beroemde Sint Jan.
Wat een kerk is dat toch, hij blijft imponeren door zijn overdadige Brabantse gothiek! Na een rondje er omheen gelopen te hebben ging ik naar binnen. Terwijl tientallen mensen de kerststal bezochten heb ik als enige een tijdlang staan kijken naar het altaar-retabel uit het begin van de zestiende eeuw.
Het houtsnijwerk komt uit een Antwerps atelier, de geschilderde zijpanelen zijn van Luikse makelij. In Kalkar kun je in de “Nicolai Kirche” maar liefst 8 complete altaarstukken uit de periode 1400-1620 bewonderen, stuk voor stuk van zeer hoge kwaliteit. Daar steekt dit altaarstuk maar pover bij af. Het heeft ooit gestaan in de Sint Anthoniskerk van Boxmeer, is daarna in particuliere handen terecht gekomen en het is tot slot in het begin van de twintigste eeuw door de Sint Jan aangekocht.
Al kijkende vielen me een aantal details op. Bij de kruisdraging zie je hoe voor Christus uit iemand staat (of knielt), gericht naar Christus. Het is een vrouw, zij houdt iets langwerpigs vast. En het meest merkwaardig: wat heeft zij over haar schouder. Is het een dier?
Maar nee, een paar uur slapen doet wonderen. Ik werd na het schrijven van dit blog midden in de nacht wakker en wist het: natuurlijk! Het is de heilige Veronica! Ze wil Christus het zweet van zijn hoofd wissen. Op haar rug, dat is waarschijnlijk een soort draagzak, gemaakt van dierenhuid. Daar zal ze straks de doek in opbergen. Veronica is een heilige die in de bijbel nergens voor komt. Maar er is zelfs een kruiswegstatie aan haar gewijd, het moment dat ze het gezicht van Jezus dept met een doek. Op Heiligennet staat het verhaal in geuren en kleuren. Veronica, die eigenlijk Faustina heette, was de voedster van de inmiddels ernstig zieke keizer Tiberius en had gehoord van de wonderen van Jezus, dus ging naar hem op zoek. Het detail van het verhaal dat gaat over dit moment:
Faustina spuwt op de grond en stort zich in het gewoel. Tenslotte vindt ze een plekje vooraan in de menigte; hier komen ze straks voorbij. Ze heeft geen enkele moeite diegene te herkennen over wie ze intussen al heel wat gehoord heeft. In haar ouderdom weet ze wat mensen allemaal kunnen doormaken; ze ziet zijn gelaat. Een intens gevoel van medelijden doorstroomt haar. Daar gaat haar laatste hoop; de laatste mogelijkheid om de keizer van een verschrikkelijk lot te redden. Tiberius mag dan gehaat zijn bij velen, zij heeft hem gevoed en op haar schoot gehad; hij is zoveel als haar kind. In de rauwe drukte schuiven als in een waas de gezichten van haar Tiberius en deze Jezus over elkaar heen. Ze ontworstelt zich aan het gedrang, en weet zich naar voren te werken; ze grist haar hoofddoek af en dept daarmee het bebloede gezicht van deze man. Heel even – het is alsof de hele wereld één moment ophoudt met bewegen – ziet Hij haar dankbaar aan. Dan wordt Hij weer voortgeslagen; en zij wordt weggetrokken door woeste soldaten.
Nog andere dingen zijn me opgevallen bij dit altaar-retabel. Bij de kruisiging zelf, het centrale houtsnijwerk, valt me op dat de twee moordenaars niet allebei aan een apart kruis weerszijden van Christus hangen, maar dat ze aan het zelfde kruis zijn bevestigd.
En dan de panelen. Bij het paneel met de scene van de gevangenneming zie je hoe Christus geheel omsloten tegen de grond is gewerkt en door meerdere personen wordt vastgehouden.
Kijk je iets lager naar hetzelfde paneel dan raak je in de war. Wie is die persoon met dat blauwe kleed? Zo te zien aan zijn voeten kan het Christus niet zijn, want dan zou iemand zijn nek hebben omgedraaid. Het klopt gewoonweg niet. Is het naderhand gereviseerd en verkeerd overgeschilderd of is het gewoon geklungel? Ook dat rare handje rechts van dat blauwe kleed. Waar komt dat vandaan?
Historische elementen vind ik altijd leuk om naar te kijken. Zoals de kleding van de soldaten. Maar ook hun lansen en de flambouwen. In archiefstukken lees je vaker dat er vooral bij feestelijkheden gewag wordt gemaakt van het grote aantal flambouwen dat werd ontstoken. Zo zagen die er dus uit.
De zon is in Den Bosch die dag niet gaan schijnen. Maar ik had weer veel gezien, veel dingen om over na te denken. Zoals de dingen waar ik mee begonnen was, in het Noord-Brabants Museum. De prachtige foto’s en sculpturen van Tim Walker, met de titel “the Garden of Earthly Delights“. Geïnspireerd op het werk van Jeroen Bosch. Nog tot 25 februari te zien.
Mijn vader stond altijd vroeg op. Toen mijn moeder was overleden stond hij meestal al voor 5 uur op en maakte gelijk een ochtendwandeling van een uur. Wat zal hij veel genoten hebben! ‘Het is de mooiste tijd van de dag’, zei hij altijd. Ik ben net als hij ook een vroege vogel. Maar in de winter hoef je niet zo heel vroeg op te staan om al van veel dingen te kunnen genieten.
Onderstaande film van 21 januari 2018 maakte ik iets na half acht. In het ZZO staan Jupiter en Mars. De zon moet nog opkomen boven de Lek. Het is nog steeds erg hoog water, de uiterwaarden zijn bijna helemaal ondergelopen. Het geluid van de ganzen dat je hoort, dat hoor je bij ons de hele nacht door. Het stoort helemaal niet, het is zelfs rustgevend in de verdere stilte, zeker op de zondagochtend.
Jupiter komt op dit moment rond 4 uur op in het ZO en is al heel snel daarna te zien als een prachtige “dwaalster” boven de horizon. Mars komt een kwartiertje later op maar is veel minder helder. Op het tweede shot in de film zie je hoe Mars inderdaad een rode waas heeft. Dat zagen de oude Grieken en Romeinen al en maakten hem daarom tot oorlogsgod.
Het eerste shot is een close-up van Jupiter. Ik wil ook heel graag weer zijn grote manen een keer zien, en proberen om ze op de gevoelige plaat vast te leggen. Dan zal ik om te beginnen eerder op moeten staan. En het blijft de vraag of dat met mijn camera gaat lukken. Ik zag ze lang geleden enkele keren met mijn verrekijker. Eigenlijk moet je daarvoor een telescoop gebruiken. En een ideale omgeving hebben. Misschien over 5 weken in Zuid-Frankrijk?
Anton Webern (Foto uit 1912) wordt nog steeds door veel muziekhistorici beschouwd als de wegbereider van het serialisme. Het serialisme is een stroming die vooral in de vijftiger en zestiger jaren van de 20e eeuw zeer populair was, met als bekendste vertegenwoordigers Stockhausen en Boulez. Een academische manier van omgaan met muziek. Emotie speelt bij deze muziek nauwelijks een rol.
Anton Webern heeft niet geweten dat hem die rol is toebedeeld, wegbereider van emotieloze muziek. Vrijwel alle werken van Webern zijn namelijk sterk expressief. Ook zijn latere dodecafone werken. En luister je naar zijn werken van voor de eerste wereldoorlog dan kun je er al helemaal niet om heen: Webern is een romanticus die zijn gevoelens wil uiten.
De moeder van Anton Webern was Amelie Geer. Wie was Amelie Geer? Als je haar opzoekt op internet valt er vrijwel niets over haar te vinden. Alle sites waar er iets over haar staat praten wikipedia na: “Amelie Geer was a competent pianist and accomplished singer.” Webern kreeg toen hij vijf jaar oud was van haar pianoles. En zij liet hem ook cello studeren. Aan haar heeft hij te danken dat hij van muziek zijn beroep mocht maken. Zijn vader, bouwkundig ingenieur, wilde liever dat hij een degelijk beroep zou krijgen,
Uit een bron op papier weet ik dat Amelie Geer in 1906 in Klagenfurt is overleden. Haar zoon Anton studeerde toen nog muziekwetenschappen bij Adorno aan de universiteit van Wenen en had in die stad ook compositieles van Arnold Schönberg. Daarna werd hij in diverse steden dirigent van amateur-orkesten. In 1913 keerde hij weer terug naar Wenen. In dat jaar schreef hij een gedicht over zijn moeder.
Schmerz immer
Blick nach oben
Himmelstau
Erinnerung
Schwarze Blüten
Auf Herz
aus Mutter
Pas in de laatste regel kun je lezen dat hij het over zijn moeder heeft. Had zij eeuwige pijn? Of heeft hij zelf eeuwige pijn bij de herinnering aan haar? De blik is naar boven gericht. Dauw van de hemel. Betraande ogen, zo voel ik. Herinnering. Zwarte bloesem, op het hart, ontspruit uit zijn moeder. Zwarte bloesem doet me denken aan rouw, of verwelkte bloemen. Je kunt met al deze woorden op meer manieren associëren. Maar je ervaart in dit gedicht een zeer persoonlijke ontboezeming.
In datzelfde jaar schrijft hij drie Bagatellen voor strijkkwartet. Het eerste en derde deel voegt hij bij vier bagatellen die hij al twee jaar eerder schreef, en laat het geheel uitgeven als “6 Bagatellen op.9”. Maar de middelste bagatelle is een stuk voor strijkkwartet en zangstem, op eigen tekst, zoals hierboven weergegeven. Hij vindt het te persoonlijk. Hij laat dit stuk daarom weg. Het is tijdens zijn leven nooit uitgegeven. Maar hij gooit het ook niet weg. Het is bij de nalatenschap terug gevonden. En het is een van de meest aangrijpende expressionistische uitingen welke ooit is geschreven. (Uitvoerenden: Quatuor Diotima, Sandrine Piau, sopraan.)
Schmerz immer
Blick nach oben
Himmelstau
Erinnerung
Schwarze Blüten
Auf Herz
aus Mutter
Het gedicht is duidelijk tweedelig: Het tweede deel begint bij de tekst “Schwarze”, en krijgt niet alleen vanwege de alliteratie een link met het begin, “Schmerz”, maar ook vanuit de muzikale context: ritme en toonhoogte. Het laagste deel, sterk afrondend vormt het woordje “Erinnerung”. Uiteindelijk staat dat woord centraal in het gedicht, maar ook in de muziek. Het gaat om een herinnering, een herinnering aan zijn moeder neem ik aan. “Blick nach oben” gaat licht omhoog, zoals in het tweede deel “Auf Herz”. Maar de hoogste noten worden gevormd door de lettergrepen die er na komen. In het eerste deel zijn dat “Himmel”, in het tweede deel “Aus” (Aus Mutter). Het afrondende woord Mutter vormt de clou, maar is tegelijk ook een klacht. Je zou het wat mij betreft iets dramatischer mogen zingen, zoals een kind ook om zijn moeder kan zeuren: “Má…..ma.” Bij Mutter is “Muuu” als in een dergelijke klacht verlengd, een secunde lager volgt het korte “ter”.
Dinsdag had mijn vrouw een afspraak bij de huisarts en zou daarom later op haar werk komen. Zij werkt op een Montessori basisschool. Toen ze er later op die ochtend arriveerde sprak ze even met de juf die haar had vervangen.
– ‘Geweldig, die klas. Alle kinderen weten wat ze moeten doen. Ze gaan aan de slag, iedereen met iets anders, ze helpen elkaar.Eigenlijk heb ik niet veel meer gedaan dan hier en daar wat aan de kinderen gevraagd en verder heb ik 1,5 uur verbaasd om me heen gekeken. Ja, dit is echt Montessori-onderwijs. Het bestaat dus nog!’
Mijn vrouw vond het natuurlijk hartstikke fijn maar verwonderde zich tegelijk dat deze collega dat zo ervoer. Blijkbaar was dat niet in alle klassen zo. Ik heb ook meerdere malen in het verleden in haar klas gekeken op andere scholen en had die zelfde verwondering: wat een heerlijke sfeer, zelfstandigheid en bedrijvigheid. Op mijn verzoek heeft ze een tijdlang een website bijgehouden waar ze af en toe iets van haar ervaringen op zette. Dat doet ze al een hele tijd niet meer. Jammer, want ze vertelt mij nog steeds de meest fantastische verhalen. Je kunt die verhalen uit het verleden bekijken op www.rietjeblijdorp.nl
Jammer genoeg weet zij dat het echte Montessori-onderwijs de afgelopen tien jaar zwaar onder vuur is komen te liggen. Omdat de volgende dingen mis gaan: de directie is niet altijd meer Montessoriaans, er zijn steeds meer leerkrachten die het vak te weinig beheersen en tot slot: er is druk vanuit de maatschappij om resultaatgericht te werken. Lees: “kies een beproefde klassikale, methode, laat de kinderen met die methode werken en zorg dat de cito-scores omhoog gaan. Vast onderdeel: oefenen voor de cito.“ Dat alles is vooral prachtig voor de naam van de school op internet.
Mijn vrouw heeft ook les gegeven op de opleiding die nieuwe Montessori-leerkrachten aflevert. Onlangs hoorde ze dat deze opleiding verkort was tot slechts een jaar. In haar tijd duurde die opleiding nog maar liefst vier jaar!. Dit soort ontwikkelingen lijkt haar voor de toekomst van dit soort onderwijs funest.
Waarom? Het Montessori-onderwijs is zo opgezet dat elk kind zich in eigen tempo allerlei stof kan eigen maken. Maria Montessori heeft in het begin van de twintigste eeuw materialen ontworpen die nog steeds fantastisch zijn. De kern bij die materialen is:
Zorg dat de leerlingen zich focussen op een bepaald probleem of een leerstof-onderdeel.
Geef ze de mogelijkheid tot variatie om lang te oefenen met dat materiaal.
Het materiaal is zo van opzet dat je snel leert begrijpen wat je eigenlijk aan het doen bent.
Ook is er een soort controle van de fout ingebouwd, zodat de kinderen het zelf merken als er iets niet goed gaat.
De leerkracht moet niet alleen weten hoe je een materiaal aanbiedt, maar ook hoe je varieert, en vooral ook: hoe zit de totale leerlijn in elkaar. Wat is de beste volgorde, hoe kun je zo nodig versnellen of biedt je de juiste extra stof aan. Dat soort dingen leer je op de Montessori-opleiding.
De kern van het Montessori-onderwijs is de zogenaamde kosmische opvoeding: draag zorg voor je medeleerling, de volwassenen, en voor je omgeving. Vanaf de kleuterafdeling wordt dat geleerd: zorgen voor plantjes, dragen van materialen, of dingen als kasten afstoffen en servies afwassen. En de kinderen krijgen zo snel als kan een grote verantwoordelijkheid. Je ziet kleine kleuters trots met een dienblad met echt servies er op lopen. In de klas wordt er niet alleen achter het eigen tafeltje gewerkt, maar ook op kleedjes op de grond. Kinderen mogen door de klas lopen om iets dat ze nodig hebben te halen. Iedereen loopt zeer voorzichtig om die kleedjes heen. De combinatie van verantwoordelijkheid krijgen, vertrouwen krijgen en zorg leren geven maakt dat de kinderen zich snel goed gaan gedragen en dat pestprotocollen en dergelijke meestal niet nodig zijn.
Montessori leerkracht zijn vergt zo nogal wat van een juf of meester. Het is niet vanzelfsprekend dat alles vanzelf en goed gaat. Je moet vertrouwen leren geven door zelf ook vertrouwen te hebben in de kinderen. Je moet de kinderen erbij helpen dat ook zij veel vertrouwen in zichzelf en de ander krijgen. Ook leer je ze hoe belangrijk het is dat je leert van fouten. Maar verder moet je je als docent veel dingen eigen maken. De klassenorganisatie is uitermate belangrijk, je moet goed leren observeren en analyseren. Waar is welke hulp het beste?
Veel gaat er helaas steeds meer mis. De Montessori scholen kiezen er dan al snel voor om maar over te stappen op klassikale methodes. Het Montessori-materiaal ligt vervolgens ergens te verstoffen als remedial teaching materiaal. De leerstof komt weer centraal te staan in plaats van het individuele kind. Voordat mijn vrouw op de huidige school is gaan werken heeft ze deze negatieve ontwikkeling in drie jaar tijd op drie verschillende Montessori scholen waargenomen. Doodzonde.
Intussen blijft men overal het wiel uitvinden. Ik las op internet dat er een experiment op een aantal scholen is met “Slimfit”. Een onderwijsconcept dat eveneens beoogt om het individuele kind centraal te stellen. Maar nu zonder klassen: Vier leerkrachten zijn verantwoordelijk voor de ontwikkeling van 80 kinderen. In een schoolgebouw met veelsoortige ruimtes die door de kinderen op verschillende manieren gebruikt kunnen worden. Ik heb het evaluatierapport gelezen dat na een aantal jaren is opgemaakt en door de regels heen merk je dat het niet allemaal rozengeur en maneschijn is. Er worden toch weer leeftijdsgroepen gecreëerd en in de ochtend wordt er gewoon klassikaal gewerkt, ’s middags pas volgens het vernieuwde concept. Alleen: beide concepten zijn in de kern tegenstrijdig. Ook zijn de leerkrachten niet geschoold en leren met vallen en opstaan hoe het zou kunnen of moeten werken. Een dapper initiatief maar ik heb behoorlijke twijfels.
Tot mijn grote verrassing kwam ik onlangs een tijdschrift tegen dat zo in de periode na de tweede wereldoorlog een tijdlang is uitgegeven. Het heet “Ons Heem”. Ik ben in het bezit van de 6e en 7e jaargang: 1957 en 1958. Het kernidee is: stel het individuele kind centraal, en schaf de klassikale methodes voor geschiedenis, biologie en aardrijkskunde af. Ontwikkel zelf je onderwijs vanuit je directe omgeving: “het Heem”. Daarnaast kun je het Heem ook deels gebruiken voor rekenen en taal. Hoe kun je plattegronden maken van je school, laat de kinderen maar meten en tekenen. En hoe kun je als kind tabellen leren lezen en hoe zou je deze zelf kunnen maken? Door de status van de bushalte om de hoek met de klas te gaan bestuderen! De kinderen gaan veel naar buiten maar er wordt ook veel in huis gehaald. Elk seizoen komt er een seizoenbakje dat samen met de kinderen wordt gevuld met allerlei onderdelen uit de natuur waar je over kunt praten en waarvan je de ontwikkeling kunt bestuderen. En wat vind je van de suggesties voor het samenstellen van een winterboeket: mooie takken met knoppen, bladeren, takken met bessen, maiskolven, lisdodden, rietpluimen, enzovoort. Omdat het boekje op Zuid-Limburg is gericht lezen we ook wat er overwintert in de grotten en die grotten moet je dan uiteraard gaan bezoeken. Ook wordt er een boswandeling beschreven met wat je daar niet allemaal kunt tegenkomen. En er is heel erg veel te vertellen over de vaderlandse geschiedenis vanuit je directe omgeving. Dat moet je als onderwijzer dan wel zelf ook weten of je eigen maken. Elke straat heeft zijn verhaal, soms alleen al door de naam. In het tijdschrift staan veel geschiedenisverhalen vanuit het Heem. In Limburg zijn er vanuit de geologische gesteldheid van de bodem veel mogelijkheden om nog weer andere interessante dingen te laten ontdekken. En wat kun je ook nog leuke dingen doen met klei, steenkool, krijt…
Ik had nog nooit van het tijdschrift en de onderwijsbeweging die erbij hoort gehoord en weet niet hoe lang en hoeveel scholen hier mee hebben gewerkt. Maar ik vind de ideeën die ik las sympathiek.
Ik heb drie pagina’s die gaan over de methodische aanpak van hun onderwijsconcept gekopieerd. Veel ideeën zijn nog steeds actueel. Eigenlijk had ik best wel onderwijzer willen zijn in een school met dat concept..
Mijn vader is nu al meer dan vijftien jaar geleden overleden. Hij was een zeer wijs , uiterst eenvoudig en bescheiden mens. Een voorbeeld, domweg door zijn levenswijze: niet zeuren, niet klagen maar hard werken, en dat vooral voor de toekomst van zijn kinderen. En hij kon goed naar ons luisteren en ons of zijn vrouw zo nodig een advies geven. Bij voor mij cruciale beslissingen is hij een belangrijke factor geweest. Ik kan ze allemaal opsommen. Maar nu is hij al vijftien jaar dood. Toch is hij voor mij nog steeds een voorbeeld en inspiratiebron.
Toevallig zag ik in de namiddag een programma van de NCRV, “Jacobine op zondag”. Het ging over de bijna-dood-ervaring. Twee ervaringsdeskundigen en een cardioloog die over dat onderwerp een boek heeft geschreven waren de gasten.
In de Volkskrant van afgelopen zaterdag schreef Arnon Grünberg in zijn voetnoot een stukje met als kop “religie”. Daarin schrijft hij dat wetenschapsfilosoof Kitcher zegt dat religie beantwoordt aan ‘ons verlangen naar onsterfelijkheid’. Zijn eigen zinnetjes daarna zijn vooral ook interessant: ‘De interpretatie van Kitcher is verfrissend nu religie vaak wordt gezien als pure achterlijkheid en voertuig van ongewenste repressie – gewenste repressie heet beschaving.’
Ik denk dat Grünberg atheïst is en ik ben dat ook. Althans: ik heb geen enkele voorstelling van een God, ik ben ook niet Christelijk of kerkelijk, maar ik geloof wel in een leven na de dood. Waarom? Puur instinctief, vanuit een zekere ervaring en door na te denken. Het leven is volkomen onbegrijpelijk. Geen enkele wetenschappelijke verklaring is er voor te geven. Dus waarom zou er dan geen andere vorm van leven kunnen zijn? Vrijwel elke beschaving gaat uit van een leven na de dood. Volgens Grünberg vanwege ons verlangen naar onsterfelijkheid. Ik geloof dat niet. Ik heb ooit een documentaire gezien die ging over een Afrikaans volk, helaas weet ik niet meer om welk volk het ging. De leden van dat volk konden het zich niet voorstellen dat wij niet in een leven na de dood geloofden. Het was voor hun een net zo vanzelfsprekende realiteit als het eten van een kop soep. De stamleden hadden niet alleen een soort contact met elkaar zoals wij dat kennen, maar ze konden ook door in trance te geraken in contact komen met stamleden op afstand en ook met overleden stamleden. Het was doodnormaal. ‘Hebben jullie dat niet? Kennen jullie dat niet?’ Ze waren oprecht verbaasd. Dit alles was geen fake, maar levensecht. Ik geloofde het. Zoals ook mijn moeder contact had met haar vader, en zelfs met onze hond toen die dood was. Ze vertrouwde het mij toe. ‘Hebt u dat wel eens tegen anderen gezegd’, vroeg ik haar? ‘Nee’, antwoordde ze me, ‘ze geloven me toch niet.’ Als er één mens slim, nuchter, maar ook doodeerlijk was dan was het mijn moeder wel. Ik geloofde haar. Rationeel omdat ik haar kende, maar ook puur intuïtief. Zo geloof ik ook de verhalen van de twee mensen die ik vandaag in het programma van Jacobine zag. Hun verhalen waren voor mij geloofwaardig.
Alle mensen met een bijna-dood-ervaring veranderen. Ze kijken totaal anders tegen de dingen aan. Een gemeenschappelijk kenmerk is dat ze merken dat echte liefde het enige is dat er toe doet.
Wetenschappers denken dat alles te verklaren valt door rationele processen in de hersenen. En daarmee is het dan afgedaan. Dat ze tunnels zien en contact hebben met overledenen en dat ze zich zelf zien buiten hun lichaam: allemaal hallucinaties. Dat ze daarna een ander mens worden is voer voor weer andere wetenschappers, daar bemoeien ze zich niet mee. Het kan gewoon niet dat er een vorm van leven na de dood is, dus proberen ze alles nuchter te verklaren. Zo van zenuwen, bloedbanen, stresshormonen en dat soort dingen.
Waarom is er leven? Wat is leven? Wat was er voor het leven? Geen wetenschapper kan het vertellen. Ze weten alleen dat het leven ophoudt en dat er geen andere vorm van leven is als dat wat wij kennen. Punt uit, klaar.
Religie is weer wat anders. Yuval Noah Harari zegt in zijn boek “Homo Deus”: ‘religie geeft een allesomvattende omschrijving van de wereld en biedt ons een heel specifieke deal met vooropgestelde doelen. God bestaat. Hij vindt dat we ons op een bepaalde manier moeten gedragen. Als je God gehoorzaamt mag je naar de hemel. Als je hem niet gehoorzaamt zul je branden in de hel. Deze deal is zo duidelijk omschreven dat de samenleving er algemene normen en waarden mee kan opstellen die het menselijke gedrag reguleren.’
En Spiritualiteit is nog weer wat anders. Die komt voort uit het dualisme. ‘Volgens het dualisme schiep de goede god zuivere, eeuwige zielen die in een gelukzalige geesteswereld leefden. Maar de boze god – soms Satan genoemd – schiep een andere wereld, een materiële. Het dualisme zegt dat de mensen deze materiële boeien moeten verbreken en terug naar de geesteswereld moeten reizen, die ons volslagen onbekend is, maar waar we van nature thuishoren. Tijdens deze zoektocht moeten we alle materiële verleidingen en deals afwijzen. Deze zoektocht op weg naar een onbekende bestemming noemen we een spirituele reis, afgeleid van spiritus, wat ‘geest’ betekent.’
Een bijna-dood-ervaring is voor degenen die het ervaren hebben het begin van een spirituele reis. Ze worden er een beter mens door. En omdat bijna niemand hen gelooft lijkt het of ze een geloof belijden. En een geloof belijden wordt ook wel religie genoemd. Maar dat is het dus niet.
Er zijn ook spirituele mensen die wel een religie gebruiken als handvat, maar toch vooral een spirituele reis proberen te maken. Door liefde te geven aan de medemens. Het hele Christendom is vergeven van de voorbeelden. En als deze mensen dan stoppen met het proberen te winnen van zieltjes, dan zijn het voor mij goede inspiratiebronnen. In dat licht gezien is religie niet het streven naar onsterfelijkheid zoals Kitcher dat zegt. Religie is dan de handleiding die het maken van een spirituele reis makkelijker kan maken. Maar dan wel een handleiding die geen regels oplegt maar slechts handvaten geeft. Iets van: ‘zo kun je het doen. Kijk maar naar deze voorbeelden.’
Natuurlijk kan ook het besef van een leven na de dood troost bieden. De onsterfelijkheidswens komt dan weer dichtbij. Maar de juiste spirituele reiziger zal daar niet mee bezig zijn. Die is met het hier en nu bezig. Hoe kan hij daar een positieve rol in spelen.
Mijn vader was een en al goedheid. Hij geloofde niet in een leven na de dood. Maar hij was ook niet bang voor de dood. Hij is voor mij nog steeds een spiritueel voorbeeld.
26 maart 1971 verhuisde ik van mijn geboortedorp naar Maastricht. Ik studeerde in die stad inmiddels al 2,5 jaar en was eindelijk op mezelf, ik was de koning te rijk. Mijn vader legde op mijn kamertje in de Lenculenstraat een gaskachel aan en met grotendeels oud meubilair uit mijn ouderlijk huis was ik toch nog een beetje thuis. Het was er heerlijk rustig, ik woonde aan de achterkant van het huis en mijn raam zag uit op de tuin van het klooster van de Augustinessen. De Zusters Augustinessen beschrijven hun kloosterleven met de volgende woorden: Gehoor geven aan een roeping van God, In gemeenschap leven, In gemeenschap bidden, In gemeenschap werken, samen je geluk vinden in het gelukkig maken van anderen.
Hoe? Door gastvrij te zijn en te delen. In Maastricht waren ze tot 2005 actief in het werk in opvangtehuizen.
Dat alles wist ik toen niet. Ik zag ze vaak door de tuin lopen. In het voorjaar wemelde het daar van de zangvogels, en de zusters hielden van klassieke muziek. Heel vaak klonken er prachtige klanken tot in mijn kamer, ik herinner me vooral de klanken van pianoconcerten van Mozart.
Hieraan moest ik vanochtend denken toen ik naar buiten keek. De zon was net opgekomen en stond rood in het Zuid-Oosten. Maar al dagen zijn koolmeesjes uiterst bedrijvig bezig, soms als paartje, soms ook in groepjes. En uit de radio klonk de muziek van Hildegard von Bingen. Prachtige muziek in Gregoriaanse stijl uit de twaalfde eeuw. Hier een impressie hoe dat vanochtend was, en stel je er ook de kloostertuin van de Augustinessen in de Lenculenstraat of de kloostertuin van Hildegard in het Duitse Bingen bij voor
Als je nu op zondag in mijn woonplaats Lekkerkerk bent dan zul je enkele keren per dag een zwerm zwartgeklede mensen, met hoed, hoedjes en jurken door de straten zien lopen. Ook zie je dan kinderen in keurige zwarte kledij, meisjes in jurken en met een schattig hoedje, mannen en jongens in deftige pakken. Het lijkt wel een folkloristische optocht. Voor buitenstaanders lijkt het inderdaad een en al folklore, maar niets is minder waar. Je bent in een van de plaatsen van de zogenaamde “bible belt”. Er lijkt hier sinds de tweede wereldoorlog nog niets veranderd.
In Limburg waren dit tot in de zestiger jaren van de twintigste eeuw normale taferelen. Met dat verschil: In Lekkerkerk zie je slechts een minderheid van de bevolking zo op straat lopen. In mijn geboortedorp Swalmen liep iedereen er zo bij. 99% van de inwoners was Rooms-Katholiek. Mijn opa van moederskant ging zondags altijd naar de Hoogmis van 9 uur. Wij gingen, net als mijn oma trouwens, altijd naar de vroegmis van half 7. In het zondagse pak. Twee van de vier kinderen gingen na afloop met oma mee naar haar huis om daar te ontbijten. Liever gezegd: we gingen met zijn tweetjes alleen, want oma bleef nog een tijdlang op het kerkplein kletsen met allerlei bekenden voordat ze over de “Aaje waëg” en langs de “Heier kapél” huiswaarts toog. Opa was zich dan nog aan het aankleden voor de Hoogmis. En het kwam af en toe voor dat hij dan zijn hoed niet kon vinden. “Wo is miene hood, wo is miene hood!” IJsberend en scheldend liep hij door het huis zonder zelf te zoeken terwijl iedereen die verder in huis was koortsachtig naar zijn hoed zocht. Dan toog hij pico bello kerkwaarts: in het zwart met een mooi gesteven hoed. Ook door de week kwam je vaak priesters of nonnen in hun opvallende kledij tegen. De pastoor of kapelaan ging regelmatig op huisbezoek en met een steelse blik controleerde hij het katholieke gehalte van het huisgezin: kruisbeelden en andere devotiebeelden moesten er zo wie zo zijn. Ze zullen ook wel af en toe bij heel arme mensen op bezoek zijn geweest. Die werd dan een gulden of iets dergelijks uit het armenpotje toegestopt.
Ik bezit thuis een “Ordo Divini Officii Recitandi” uit 1896 van het bisdom Roermond. Dat was een boek waar de priesters in konden vinden welke heilige op welke dag vereerd moest worden met welke gezangen. Ook stonden de officietijden er in, letterlijk gelieerd aan de tijd van zonsopkomst en ondergang, dus door het hele jaar door anders! De vespers, het gebed na zonsondergang, was op 1 januari om 10 voor 5 ‘s middags, op 21 juni om kwart voor negen ‘s avonds. Ook stond er in hoeveel inwoners elke parochie had en wie de pastoors, kapelaans en vicarissen waren. Wie dit boek in gebruik heeft gehad weet ik niet, ik denk uit enkele dingen af te leiden dat het iemand uit een dorpje in de buurt van Sittard was. Maar het had net zo goed iemand uit Swalmen kunnen zijn. Het leuke van dit boekje is dat er behalve de officiële gegevens, zoals de gedrukte, ook andere dingen in stonden. Het hele boek door heeft iemand met potlood er allerlei dingen in gekliederd. Meestal gaat het om financiële zaken. Zo staat er ergens:
De twee linker rijtjes gaan over de ontvangsten en uitgaven m.b.t. de armen. Over welke tijdsperiode het gaat is niet duidelijk. Het zou een maand maar wellicht ook een jaar kunnen zijn. Behalve de drie gulden die ontvangen zijn van vrouw Scholt. gaat het om bedragen die wel eens in een collectebus in de kerk zouden hebben kunnen zitten, die bijv. eens per drie maanden geleegd werd. In die perioden zat er dan respectievelijk Fl.15,35, Fl.18,01, Fl.3,67 en Fl.13,56 in. In diezelfde periode is er zeven keer iets ten behoeve van de armen uitgegeven, misschien wel tijdens zo’n huisbezoek. Bij deze uitgaven gaat het steeds om hele bedragen afgerond tot op 10 cent. Een keer is er maar liefst een bedrag van Fl.7,- uitgekeerd. Desondanks bleven de inkomsten ruim boven de uitgaven. Behalve dit was er waarschijnlijk ook nog een Vincentius vereniging, waarbij de leden contributie moesten betalen. Op een van de pagina’s zien we de volgende teksten en cijfers:
Ik probeer bovenstaande pagina te interpreteren. Ik lees: armen 20 maal 20 en daarna tot drie keer 20 maal 30. Stel dat er 20 personen lid zijn van bijv. de Vincentius vereniging en stel dat het eerste kwartaal de contributie 20 cent bedroeg, maar de daaropvolgende drie kwartalen verhoogd tot 30 cent, dan is er aan inkomsten gegenereerd 20×20, 20×30, 20×30 en 20×30 cent. Daarnaast is er nog een eenmalige gift geweest van Fl.4,50. Het geheel van de inkomsten bedraagt zo Fl.26,50. Maar we lezen ook: 29,38 “uit te Deelen”. Een vreemd bedrag om uit te delen, aan wie? Aan de armen dus, want daar begint de pagina mee.
Een belangrijke inkomstenbron voor de parochie waren de te lezen missen, en vooral ook de huwelijksmissen. Het Huwelijk “Palant” leverde op: om te beginnen de ceremonie en paperassen zelf: Fl12,-. De Mis kostte Fl.5,- (waarschijnlijk voor de pastoor of kapelaan). De koster (die waarschijnlijk ook het orgel bespeelde) ontving Fl.3,50 en de orgeltrapper Fl.0,50. Er was in die parochie toen dus nog geen elektrisch orgel.
Wanneer de pastoor of koster deze financiële dingen heeft opgetekend is niet duidelijk. Er wordt nog van de oude spelling gebruik gemaakt. Het zal dus waarschijnlijk ergens voor de tweede wereldoorlog geweest zijn. Het betreffende boek is dan wel in 1896 uitgegeven maar misschien nog lang daarna in gebruik geweest, totdat het als een soort kladboek gebruikt werd om de financiën in op te tekenen. Ik denk dat in de zestiger jaren van de vorige eeuw nog veel dingen hetzelfde zijn geweest.
Veel mensen hadden het niet breed. Zo’n potje voor de armen was zeer gewenst. Maar de mensen waren het meest gebaat bij de “Naoberhulp”. Er waren ongeschreven regels hoe je met je buren omging. Natuurlijk om directe hulp om iets bij iemand te lenen, maar vooral ook in geval van nood. Bij ziekte, brand of bij overlijden. Een zeer naaste buur ging dan in de hele omgeving alle huizen langs om te vertellen wie er was overleden en om een bijdrage in de begrafeniskosten te vragen. Op de deur van het huis van de overledene kwam een zwarte strik. Zo wie zo hoorde je alle nieuwtjes van het dorp ’s zondags na de Mis. De vrouwen vormden groepjes op het marktplein en bleven daar soms wel een half uur staan. Na de Hoogmis gingen de café’s open en daar gingen de mannen een biertje drinken en hun “mannen-nieuwtjes” uitwisselen. Iedereen kende iedereen en wist bijna alles van elkaar. De sociale controle was erg groot, nog meer dan die van de pastoor of de kapelaan. Maar daar tegenover stond de onvoorwaardelijke plicht tot hulp, niet alleen als een Christelijke deugd, maar als een sociaal noodzakelijke. De mensen wisten dat ze elkaar nodig hadden. Eeuwen achter elkaar waren ze geknecht door allerlei overheden en geteisterd door oorlogsgeweld. De búren, dáár moest je het van hebben.
Wat is daar nu nog van over? Op zondag zijn de winkels open en op de kerkpleinen lijkt het soms wel elke week kermis. De mensen in de dorpen kennen elkaar minder goed dan vroeger. Maar nog steeds is er een sterke gemeenschapszin, wat in Swalmen blijkt uit het al jaren op vrijwilligers draaiende zwembad. En gelukkig is de Vincentius vereniging niet meer nodig. De folklore zien we nog bij Vastenavond. De zondagse kleren en de mooie hoedjes zijn verdwenen. Daarvoor moet je naar de “Bible belt”.
In Maastricht huurde ik met mijn toenmalige vrouw van 1974 tot 1976 twee verdiepingen van een huis, de andere verdieping werd bewoond door een bejaard echtpaar. De verhuurder, een Belg, sprak slechts gebrekkig Nederlands. Tot mijn verbazing spraken de medebewoners van ons huis vloeiend Frans met hem. Ook de medebewoners van mijn eerste kamer in 1971, eveneens oudere mensen, spraken vloeiend Frans. Iedereen die wat meer geschoold en tegelijk al wat ouder was sprak in die tijd goed Frans, en niet een beetje zoals ik, maar echt vloeiend. Hoe kan dat? In Limburg, en zeker in Maastricht, is Frans nog heel lang de taal van de intellectuelen geweest. Je diende zelfs op de speelplaats met je medescholieren in het Frans te converseren. Dan wil het wel.
Vanaf 1824 verscheen er in Maastricht jaarlijks een boek met de naam: “Annuaire de la Province de Limbourg”, en de titel werd vergezeld van de mededeling: “Rédigé par la Société des amis de Sciences, Lettre et Arts”. Maastricht had zoals zoveel steden een herensocïeteit waar de wat meer geletterde mannen van de stad elkaar opzochten om samen te praten over kunst en wetenschappen. Deze “Annuaire” verscheen zeven jaar lang, tot en met 1831. Ik bezit het deel 1827.
In de tijd van de Belgische opstand (1830-1839) was Maastricht geïsoleerd van de rest van de provincie, die inmiddels (tot 1839) bij België hoorde. Daarna werd het jaarboek daarom een tijdlang niet meer uitgegeven. Pas in 1854 verscheen er een nieuw jaarboek, nu met de titel “Annales de Société Historique et Archéologique A Maestricht”. Vijf jaargangen zijn er uitgegeven, zowel los als ook samen in twee banden, die ik allebei bezit. Na 1859 was er enkele jaren radiostilte met betrekking tot verdere publicaties.
In 1864 werd dan de Société d’Archéologie dans la Duché de Limbourg opgericht. De Nederlandse provincie bleef zich nog lang een hertogdom (Duché) noemen, omdat het tot 1864 ook onderdeel was van de Duitse bond en binnen die bond als een hertogdom werd beschouwd. In 1884 veranderde de naam in “Société Historique et archéologique de Limbourg” Nog later veranderde de naam in LGOG: Geschied en oudheidkundig genootschap Limburg.. Maar vanaf 1864 zijn de statuten vrijwel gelijk gebleven en verscheen er elk jaar een jaarboek. Inmiddels zijn er dus grofweg zo’n 150 delen verschenen. Ook tegenwoordig zien we trouwens op de kaft nog steeds de oude Franse naam “Publications de la Société Historique et Archéologique de Limbourg”. In Maastricht was bij de geletterden in de negentiende eeuw en nog een hele tijd daarna zoals gezegd Frans de voertaal. Meer dan de helft van de stukken die er in werden gepubliceerd waren dan ook tot zo rond 1900 in het Frans geschreven, daarna werd het steeds meer in het Nederlands. Geschiedenis en archeologie was in de begintijd nog een braakliggend terrein. Vooral zij die toegang hadden tot de archieven stortten zich verwoed op het onderzoek. Het omzetten van oud-Nederlands of oud-Latijn in voor iedereen leesbare teksten was geen sinecure. Maar in vrijwel elk deel stonden prachtige transcripties van allerlei soorten archiefstukken. Ook werden er artikelen geschreven als over de belegering van Maastricht door Lodewijk XIV in 1673. Dat artikel alleen al, in jaarboek 1919, bevatte bijna 300 pagina’s tekst, vanuit veel bronnenmateriaal tot stand gekomen. Jammer genoeg werden de meeste bronnen in de begintijd niet vermeld, waardoor het wetenschappelijke gehalte gelijk een stuk minder wordt. En er zit erg vaak een stevig Rooms-Katholiek sausje overheen, want de geschiedenis van Limburg is doordrenkt met episoden waarbij volgens de schrijvers het katholieke geloof onder druk stond. Maar desondanks: meer dan 150 jaar lang is er vanuit deze vereniging gepubliceerd. En veel van de stukken, vooral uit de eerste jaren, zul je nergens anders vinden. Het is dus een unieke bron.
Kort geleden kocht ik deel 1 van deze jaarboeken, het jaarboek van 1864. Zo gauw ik hoorde dat het te koop werd aangeboden bij mijn favoriete boekhandel was ik er als de kippen bij. Nog net voordat een tweede gegadigde zich aandiende. En daarmee had ik alle boeken van meer dan 150 jaargangen! Een klein feestje, want ik was er al jaren naar op zoek. De meeste artikelen van die jaarboeken heb ik ook gelezen, alhoewel, de Franstalige moet ik zeggen niet of slechts moeizaam. Wel steeds genoeg om te weten wat er in het stuk staat. Er staan trouwens bij sommige artikelen ook enkele getranscribeerde Latijnse teksten, zonder vertaling. Ik heb 6 jaar Latijn gehad, maar die lees je niet zomaar weg… Ik heb van al deze artikelen een database gemaakt die op dit moment 1069 artikelen omvat, geïndexeerd op een aantal kenmerken en ik heb ze allemaal ook van een korte beschrijving van de inhoud voorzien. Zo kan ik makkelijk zoeken als ik over een onderwerp, stad, tijdperk enz. iets wil weten, of kan ik er een willekeurige zoekterm op los laten. Ik heb deze database online gezet.
Behalve het tegenwoordige LGOG was er een tijdlang nog een andere vereniging. Zij gaven het “Limburgs Jaarboek” uit. Dat jaarboek verscheen tussen 1894 en 1927. Ook daarvan bezit ik alle delen. In het algemeen zijn deze artikelen iets minder wetenschappelijk van opzet. Ook werden hier verhalen en gedichten in geplaatst. Soms erg leuk! De historische onderwerpen in deze jaarboeken zijn iets meer op Midden- en Noord-Limburg gericht, omdat het werd uitgegeven in Roermond. Maar ook hier zitten heel bijzondere artikelen bij, die daarna nooit meer ergens anders zijn verschenen. Ook deze artikelen plaats ik de komende tijd geleidelijk in dezelfde database.
Tegenwoordig dien je Engels te kunnen spreken en schrijven. Studenten aan de universiteit moeten zelfs als ze Nederlands studeren hun stukken in het Engels schrijven. En de voertaal wordt, dankzij de vele buitenlandse studenten, steeds meer het Engels. Ook in Maastricht. Toch geniet ik nog regelmatig van de Franse opschriften in Maastricht. Hotel La Bourse, hotel Bigarré, hotel Ducasque, Beaumont, Le Theatre, winkelcentrum Entre Deux, Ik ervaar deze namen als een verademing als ik uit de randstad kom. Ze hebben stijl en zijn elegant. Ik ben een eeuw te laat geboren….
Op oudjaarsdag was ik in een gezelschap met zeven mensen van 34 tot 67 jaar oud. We deden een spelletje, een soort “slimste mens”. Er waren kaartjes met kennisvragen en we hadden ons verdeeld in twee groepen, Om de beurt kreeg iemand een kaartje met daarop vijf kennisvragen die je aan niemand mocht laten zien. Binnen twee minuten moest je omschrijvingen maken. Op basis van die omschrijving moesten de andere mensen van jouw groep zo veel mogelijk antwoorden formuleren tot het goede antwoord er bij was of tot er gepast werd en als er nog tijd was kon je naar de volgende vraag van dat kaartje. Daarna was iemand van de volgende groep aan de beurt.
Bij dit spel kwamen meerdere vaardigheden kijken. Als je zelf het betreffende woord niet kende kon je snel een van de andere vijf woorden kiezen welk je wel kende. Als dat ook niet lukte waren er nog “hints-achtige” mogelijkheden: Je maakte er bijvoorbeeld twee lettergrepen van en de eerste lettergreep kon je dan weer proberen te omschrijven, en dan snel de tweede. Maar binnen de tijdslimiet van twee minuten was dat allemaal niet makkelijk.
Je komt zo op een vermakelijke manier veel van de deelnemers te weten: welke dingen ze weten, hoe ze het aanpakken, en hoe of hoe snel ze kunnen associëren. Ik kon dat allemaal niet zo goed. Om te beginnen blijk ik bijna niets te weten. Meer dan de helft van de vragen ging over Amerikaanse filmacteurs, over popzangers, over Diskjockeys op radiozenders en ook nog eens over hun liefdesleven of hoe ze zich kleden. Ik stond versteld van die vragen maar ook van hoeveel twee van onze deelnemers daar wel van af wisten. De algemene kennis van dit moment schijnt dus voornamelijk gebaseerd te zijn op dit soort kennis. Ergens verwondert het me ook weer niet. In de gewone bioscoop draaien bijna uitsluitend Hollywood films. Ook op de Nederlandse televisie is dat zo. Op de commerciële zenders zal nooit iets anders dan een Hollywood film of een ordinaire Nederlandse film te zien zijn. En de acteurs van die films dien je dus te kennen. Net zoals iedereen ook veel van de top 2000 af weet. Ook daar weet ik bijzonder weinig van. Soms kende ik wel een naam. Maar dat was het dan. Ik kon er geen film of popsong bij noemen. Ook wist ik niets van diens liefdesleven. Dan houdt het op. Ik hoor duidelijk bij de domste mens.
Worden er eigenlijk nog films gemaakt buiten Amerika? Waarom zien we nooit films uit die oneindig grote landen als Rusland, India of China? Waarom zijn popliedjes alleen maar in het Engels?
De jongste deelnemer die avond wist vrijwel alles. Daarentegen wist ze niet wie of wat “Oslo” was. ‘Is dat niet een regisseur?’
Ik heb ook enkele afleveringen gezien van het televisieprogramma “De slimste mens”. Dat vind ik vooral leuk door de droge opmerkingen van Maarten van Rossem. Bij een aflevering waren laatst achter mekaar enkele vragen die ik dan opeens weer gelijk wist, jippie! Een ging over de Minotaurus. Niemand had een flauw benul wat dat was, ikke wel! Bij een volgende vraag hoorden we een fragment uit het slotkoor van de Negende symfonie van Beethoven, en tegelijk werd verteld dat op dat stuk het Europese volkslied “Alle Menschen werden Brüder” was gebaseerd. Wie is de componist? Twee kandidaten: ‘ik heb geen flauw idee’. Een andere kandidaat: (hoofdredacteur Telegraaf): ‘misschien Chopin?’ Daarna kwam deze vraag: “wat is een vallende ster? De kandidaten maakten omschrijvingen als “een komeet”, of “een nova”, maar niemand wist dat het om een meteoriet ging die de dampkring binnen viel. Dat soort vragen zit er niet veel bij. Dan zouden te veel slimme mensen bij de voorrondes al afvallen. Ik zou gegarandeerd ook afvallen. Want ik weet niets van Amerikaanse acteurs. Ik weet ook niet wie het met wie doet. Ik ging het jaar uit als de domste mens.
Helemaal in de noordelijkste uitlopers van de Vogezen ligt Lemberg. Vrijwel alle namen hier hebben een Duitse oorsprong. Lemberg moet dan dus worden uitgesproken als “Leemberg”, wat kleiberg betekent. Het hele gebied zit vol met klei. De rotsen bestaan voor het merendeel uit al dan niet rood gekleurde zandsteen.
In het hele gebied wemelt het van de beeldjes, vooral van Mariabeeldjes, maar ook zie je veel kruisbeelden.
Zowel in Lambach als in het daar vlakbij gelegen Lemberg is er zelfs een Mariagrot. En midden in het bos op bijna onbereikbare plaatsen worden krakkemikkige huisjes geplaatst, zoals in bijgaande afbeelding een huisje voor de drie Maria’s. De volksdevotie viert hier nog hoogtij.
Tegenwoordig heeft deze een Christelijk karakter, maar in de eerste eeuwen na Christus vereerden de mensen Gallische bosgoden. En ook daar zijn de sporen nog van terug te vinden. Sommige rotsen werden gebruikt om er afbeeldingen in te graveren, of liever gezegd “uit” te graveren. Ze springen een beetje naar voren doordat het omliggende gesteente is weggehakt. Bij de zogenaamde Hubertusbron zien we deze afbeeldingen:
De gebeeldhouwde rots dateert uit het Gallo-Romeinse tijdperk. Historici zijn het erover eens dat zij dateert uit de derde eeuw na Christus. Aanvankelijk werd de afbeelding “Bomphosen Brunnen” genoemd. Maar uiteindelijk gaf Sint Hubertus, de patroonheilige van de jager, zijn naam aan de afbeeldingen op de rots, doordat de afbeeldingen verkeerd werden geïnterpreteerd als een jachttafereel. Maar als je goed kijkt zie je meer. In het onderste deel zijn twee Romeinse godheden te zien: Sylvester, de god van het bos met een stok en Diana, de godin van de jacht, met haar boog. Het is ook gemakkelijk om er een gevecht met herten, wilde zwijnen of oeros van te maken. De wilde os is in de middeleeuwen uit dit gebied verdwenen. Een paar meter verderop werd een onlangs gerestaureerd washuis gebruikt voor dorpsvrouwen om hun kleding te wassen. Als je je voeten op het beeldhouwwerk wast, zou dat helend werken.
Op een andere plek in de nabijheid zagen we “de rots met de drie figuren”, de Drebirrefels:
Net als bij de Sint-Hubertusbron is ook dit een heel oude afbeelding. Sommigen beweren dat hij van Keltische oorsprong is, anderen schrijven het toe aan de Gallo-Romeinse periode. Op het eerste gezicht zijn er twee figuren die een tuniek dragen te zien, maar deze zijn niet makkelijk te identificeren. Aan de rechterkant lijkt nog een derde figuur te zijn uitgehouwen. Aanvankelijk heette de rots de “Drebirrefelsen”. In het Frans heet hij nu “rocher des trois figures “. De vallei beneden wordt “Drebirrethal” genoemd.
Op wikipedia staat over deze afbeelding: Tijdens de Gallo-Romeinse periode vonden de inwoners van de regio Lemberg een plaats bij uitstek in de plaatselijke bossen, waar de ontsluitingen van zandsteen in overvloed aanwezig zijn, om hun religieuze overtuigingen tot uitdrukking te brengen. Twee kilometer ten noorden van het dorp liggen de rotsen van het Drebirrethal, waarvan de Drebirrefels de belangrijkste is, een lange rots die uit een steile helling oprijst. Gesneden in bas-reliëf onderaan een dubbele nis, herkennen we twee figuren met lange kleding. Degene aan de linkerkant is een geklede vrouw met een diadeem, wat Nantosvelta zou kunnen zijn, de bosgodin en aan haar zijde lijkt de tweede figuur een man, een Gallische god te zijn. Aan de rechterkant wordt een bacchante in verkleinde maat weergegeven, terwijl de rest van de rots gegraveerde tekens bevat die lijken op het runenalfabet. Op dit ruwe, ongepolijste reliëf zijn tekenen gevonden die dateren uit de vijfde eeuw.
We hebben onlangs drie nachten geslapen in Lambach. De klok laat je, zelfs midden in de nacht, horen welk kwartier het is. En elke dag om 8 uur wordt je uitbundig door dezelfde klokken uitgenodigd om naar de mis te gaan. Het is een gebied vol geloof en bijgeloof. Met mooie getuigenissen van vroeger en nu.
In 1969 was de eerste maanlanding. Mijn opa van moederskant was hier heel duidelijk over: “Laat je niets wijsmaken. Daar is niemand geweest. Dat kan gewoonweg niet”. En daarmee was de kous af. Als je de ontwikkelingen had gevolgd met de Russische kosmonauten die rondjes om de aarde draaiden dan was de reis naar de maan een logisch vervolg, een relatief klein stapje verder. Maar voor mijn opa was dit een grens. Dit kón gewoon niet. De oude wereldorde werd in zijn ogen te veel verstoord.
Veel groter nog moet de schok geweest zijn toen Copernicus in 1543 beweerde dat de aarde om de zon draait. Thomas van Aquino schetste in de dertiende eeuw een kosmisch model dat helemaal aansloot bij teksten van de bijbel. Zó moest het zijn en niet anders. Geen speld tussen te krijgen. Een onderdeel daarvan was dat de zon om de aarde draait. Thomas werd heilig verklaard en de kosmische orde leek voor eeuwig vast te liggen.
Door de nieuwe berekeningen van Copernicus en navolgers kon er ook nauwkeurig worden vastgesteld hoe lang het jaar duurde. Er werd een nieuwe kalender gemaakt, eenmalig werden er 10 dagen geschrapt, en schoorvoetend vond deze Gregoriaanse kalender zijn intrede in heel Europa. In de pauselijke bul Intergravissima van 24 februari 1582 droeg paus Gregorius XIII dan ook op, om op donderdag 4 oktober 1582 de datum voor de volgende dag te laten verspringen naar 15 oktober 1582.
Maar de strijd was nog niet gestreden. De Italiaanse priester en vrijdenker Giordino Bruno concludeerde dat het onmogelijk moest zijn dat alle planeten in een cirkel om de zon draaien, hij dacht eerder aan een ellips. Ook opperde hij dat de zon niets anders was dan een ster. Om deze en nog meer beweringen eindigde hij in 1600 op de brandstapel.
De hele tweede helft van de zestiende eeuw bleef men nieuwe modellen ontwerpen. Een belangrijk centrum was Praag, waar Tycho Brahe en later Kepler aan de universiteit werkzaam waren onder het verlichte bewind van de Duitse keizer Rudolf II. Tycho Brahe is het meest verdienstelijk geweest vanwege zijn vele nauwgezette waarnemingen. En hij ontwierp een model waar veel geleerden maar ook de bijbelvorsers mee uit de voeten konden: om de zon draaiden de planeten Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus. Om de aarde draaiden de zon en de maan. Iedereen tevreden, maar ook dat model kon niet lang stand houden. Kepler besloot toch weer over te gaan op het Copernicaanse model. In zijn “Mysterium Cosmographicum” borduurt hij voort op het onder Luthersen gangbare idee dat God in zijn voorzienigheid de kosmos had geschapen op basis van een geheim geometrisch principe. Hij dacht nu dat principe doorgrond te hebben. De sferen van de zes planeten (waaronder de aarde) worden van elkaar gescheiden door vijf regelmatige veelvlakken. Dat idee hield ook niet lang stand, daarentegen wel zijn bewegingstheorie: een planeet beweegt sneller in zijn baan om de zon als hij dichter bij de zon is. En hij stelde definitief vast dat de bewegingen in een ellipsbaan plaats vinden. De zon staat niet in het middelpunt van die baan, maar in een van de brandpunten. Hierdoor is de afstand tot de zon variabel, net als de bewegingssnelheid. Na deze ontdekking liet hij de theorie van de sferen die om de planeten aanwezig zijn definitief vallen.
Wie geloofde dit allemaal? Bijna niemand. Galileo Galilei (afbeelding hierboven) wel, en hij ging nog een stap verder. Hij ontwierp op basis van een Nederlands voorbeeld (Hans Lipperhey) een telescoop waarmee hij dingen kon zien die niemand nog ooit gezien had. Hij ontdekte dat de maan niet glad was, maar bergen en kraters had, groter dan die op aarde. Hij kon zelfs van de ene zichtbare kant van de maan een complete reliëfkaart maken. Ook keek hij naar de vaste sterren en ontdekte dat er een veelvoud was van wat je met het blote oog kon zien. Dat de Melkweg niet een vage vlek was maar een opeenhoping van oneindig veel sterren.
Hij ontdekte ook de vier grote manen van Jupiter. In zijn Siderius Nuncius (bericht van de sterren) maakte hij zeer vele kaartjes: van de maan, van de sterren, maar ook van Jupiter en zijn manen. Hierboven een tekening van Jupiter en zijn vier grote manen zoals hij die zag op 13 en 15 januari 1610. Wetenschappers uit Bologna trachtte hij met zijn kijker te overtuigen maar ze keken slechts even en verklaarden hem voor gestoord. De enige die hem op zijn woord geloofde was Kepler. Een collega schreef dat naar aanleiding van al deze theorieën ook een planeet als Venus schijngestalten zou moeten hebben. Galilei richtte weer een aantal dagen zijn kijker op Venus en constateerde dat het klopte: Venus had schijngestalten. En als klap op de vuurpijl ontdekte hij de ringen van Saturnus. Niet als zodanig, het was Christiaan Huygens die dat een halve eeuw later deed. Galilei veronderstelde dat Saturnus uit drie planeten dicht bij elkaar bestond: een grote in het midden en twee kleine aan de beide zijkanten.
Maar toen kwam de inquisitie. Al deze theorieën gingen in tegen bijbelteksten. Dus waren ze ketters. Niets vermoedend toog Galilei in 1616 naar Rome niet wetend dat hij opgepakt zou worden. Het viel nog mee. Hij kreeg van de kerk het verbod om nog over het Copernicanisme te spreken, maar werd verder niet gestraft. Pas in 1632, nadat hij dat verbod had overtreden, kreeg hij huisarrest. In 1642 overleed hij in zijn huis in Arcetri bij Florence, 78 jaar oud. Copernicus was een kleine eeuw eerder met deze nieuwlichterij begonnen. Hij was de dans nog ontsprongen Maar nu was de maat vol. De kerk wilde weer terug naar het aloude model : de aarde stond gewoon in het centrum.
Er zijn in Nederland en nog meer in Amerika groeperingen die nu na vier eeuwen nog steeds de bijbel letterlijk willen nemen. De evolutietheorie is taboe. Ze accepteren meestal wel dat de mens op de maan is geweest. Zou mijn opa als hij nog leefde het inmiddels geloven? Zelfs mijn kleinzoon van vier begrijpt enigszins dat de aarde rond is terwijl je denkt dat die plat is. Zoals verre dingen heel klein worden. Sterren lijken heel klein maar zijn eigenlijk heel groot. Als je ver van de aarde bent zie je opeens dat hij rond is. Voor hem is dat nu al begrijpelijk. Maar de heren van de inquisitie en de geleerden van Bologna waren in 1616 nog niet zo ver.
Ik moet als ik over deze dingen nadenk altijd denken: welke dingen vinden wij nu volkomen vanzelfsprekend, maar blijken over een tijd totaal anders in elkaar te zitten? Wij denken nu een duidelijk en objectief wereldbeeld te hebben. Dat hebben we niet. Dat weet ik zeker.
Volgend jaar mei gaat er een Chinese raket naar de maan en het is de bedoeling dat er ook een soort radiotelescoop van Nederlandse makelij mee gaat. Om signalen te kunnen ontvangen uit de beginperiode van het heelal, die nu door de ionosfeer van de aarde worden tegengehouden. Doodnormaal allemaal. Tijden veranderen…
Literatuur:
Galileo Galilei. Kijker, Kerk en Kosmos. Vertalingen van en toelichtingen bij de twee belangrijkste werken van Galileo Galilei. Inleiding door historicus Albert van Helden, Italiaanse vertaling door Margriet Agricola, Latijnse vertaling door Steven van Impe.
Athenaeum – Polak & van Gennep. Amsterdam 2017.
Mijn jongste dochter heeft een kanaal waarin ze een keer per week drie uur live aanwezig is en over haar muziek vertelt en zelf muziek speelt. (Lifeonmarzj). Ze is niet de enige, ze is een van de duizenden. Sinds kort heb ik op mijn nieuwe installatie “Netradio”. Ik kan als ik wil duizenden zenders beluisteren en er maximaal 37 tot favoriete zenders maken. Wat een raar aantal eigenlijk trouwens. Maar ja, 37 is meer dan zat, al niet te behappen eigenlijk. Door zo de wereld af te schuimen kom je van alles tegen. Zo heb ik een Russische zender bij mijn favorieten die niets anders doet dan propaganda maken. Ik heb de Duitstalige versie gekozen, een Engelstalige doet hetzelfde. Een tijdje terug luisterde ik een half uurtje naar hun versie van het MH17 onderzoek. Het klinkt allemaal heel geloofwaardig, met allemaal getuigen die aan het woord worden gelaten. Alleen wat je daar hoort is iets anders dan wat wij te horen krijgen. Er van uitgaande dat wij de waarheid horen dan is het snel duidelijk hoe je zelfs al na een half uurtje gedrogeerd bent en denkt de waarheid te weten. Jammer genoeg ben ik er van overtuigd dat ook wij maar een gedeeltelijke waarheid te horen krijgen. Ook wij worden gedrogeerd.
Ik ben een liefhebber van klassieke muziek in de breedste zin van het woord, van heel oude middeleeuwse muziek tot en met modern-klassieke muziek. Ook popmuziek kan ik soms waarderen. Queen was gewoon een fantastische band. Vooral op ritmisch gebied zijn er door de popmuziek veel vernieuwende elementen toegevoegd. Maar in het algemeen trekt popmuziek me niet, ik word toch iedere keer weer meer geboeid door veel klassieke muziek. Geen barokke of klassieke muzak, want die heb je ook heel veel. En daarmee wordt je compleet overspoeld als je zo kijkt ook naar wat Netradio op klassiek gebied te bieden heeft. Zelfs vaak zo erg dat op een zender zonder blikken of blozen een muziekstuk halverwege wordt afgekapt en overgaat in een volgend stuk. Het is niet de bedoeling dat je luistert naar wat er voortdurend op de achtergrond aanwezig is. Bij radio 4 laten ze dan in ieder geval nog complete delen horen. Tot mijn grote verrassing hoorde ik onlangs op WDR3 midden op de dag een interview van anderhalf uur met twee muzikanten, afgewisseld met muziek die stond op hun pas uitgekomen CD. Het ging om het duo Johannes Moser, cello en Andrei Korobeinikov, piano. Ze speelden muziek van Rachmaninov, Skriabin en Prokofiev. Ongelooflijk goede spelers, maar wat ook een goede muziek! En ze vertelden er interessante dingen over, bovendien was er een goede interviewer die deskundig kon doorvragen. En dat anderhalf uur lang! Ik vroeg me af of zo iets op de Nederlandse radio 4 mogelijk zou zijn. Volgens mij hooguit 10 minuten. Dat ervoer ik dus als een verademing, vooral door de diepgang. Op radio 4 zijn er wel ’s avonds vaak live concerten met in de pauze ook soms een interview. Dat zijn voor de liefhebbers van klassieke muziek die echt naar muziek willen luisteren mooie tijden.
Tot mijn verbazing is er ook een Amerikaanse zender die non stop muziekstukken uit de tweede Weense school laat horen, afgewisseld met historische interviews uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Wat ze laten horen daar wordt niets over gezegd. Waarschijnlijk valt dat wel ergens op internet op te zoeken. Maar tot mijn voldoening blijk ik vrij veel stukken te herkennen. Deze muziek hoor je nooit op Radio 4. Een vergelijkbare zender is het Duitse “Neue Musik”, met uitsluitend muziek uit de twintigste en een en twintigste eeuw, meest stukken die ik nog nooit gehoord heb.
Maar het merendeel is echte muzak, gericht op de sound die de luisteraar tijdens het stofzuigen over zich heen wil laten komen. “Calm Radio”. De term zegt genoeg. “Non stop Beethoven”. “Non stop Mozart”. “Non stop Baroque”. “Ancient Music”. “Radio Classique XIX”. Uitsluitend muziek uit de negentiende eeuw. “ABC Symphony”. Uitsluitend symfonische muziek. En ga zo maar door. Ook zijn er zenders die worden beheerd door CD-labels, zoals “Linn Music”, een Brits label met ook klassieke CD’s. Zij zenden dus continu stukken uit van platen die zij geproduceerd hebben. Daar kunnen interessante dingen tussen zitten, zij geven bijv. ook de CD’s uit van het Quatuor Diotima welk uitsluitend modern repertoire heeft opgenomen, unieke muziek en tegelijk van een verbluffende kwaliteit. Waarom zit hun laatste CD trouwens niet bij de Top 50 lijst van CD’s van de Volkskrant? Ook mis ik daar de CD van het Sollazzo Ensemble. Of de CD van het duo Johannes Moser, cello en Andrei Korobeinikov, piano. Worden er nog steeds zoveel CD’s uitgegeven dat deze de recensenten niet bereiken? Ik heb trouwens ook niets gelezen over de meerdere concerten van deze ensembles in Nederland de afgelopen maanden. Niet van te voren als aankondiging, ook niet in een recensie. Dus ook hier weer zie je hoe gekleurd alles bij de lezer kan binnenkomen. Als een dergelijk concert in Frankfurt had plaats gevonden was er waarschijnlijk uitgebreid over bericht en had iedere kunstliefhebber er vanaf geweten. En waren ze daardoor misschien ook wel in een hitlijst terecht gekomen. Kleine bubbeltjes binnen de grote bubbel. We weten en zien wat er ons voorgeschoteld wordt. En ook de kwaliteit wordt ons voorgeschoteld. Door de Top 50 lijst van de Volkskrant. Of bij Paul Witteman wordt er weer een “meesterpianist” aangekondigd. Wat is een meesterpianist? Wanneer wordt je dat? Wie bepaalt dat?
Enfin. Als ik naar klassieke muziek wil luisteren, met wat zinvol commentaar tussendoor, dan kan ik dankzij deze Netradio nu terecht bij Klara, bij RTBF3, bij WDR3, bij BBC3, Bij MDR Kultur, bij HR Kultur. Die staan in mijn favorieten. En af en toe luister ik naar “Neue Musik” of naar het “Arnold Schönberg Center.” Maar gelukkig heb ik ook heel wat aardige CD’s in mijn kast staan. Ik bepaal mijn eigen bubbel wel!
In de Stadsgehoorzaal van Leiden is 4 januari een concert van het Ricciotti ensemble gericht op de doelgroep autistische kinderen, een zogenaamd prikkelarm concert. We lezen:
Een prikkelarm concert is een concert waarbij de muziek geleidelijk wordt opgebouwd. Een viool wordt eerst geïntroduceerd, voordat alle violen tegelijk gaan spelen. Er wordt uitleg gegeven over het orkest en er wordt duidelijk verteld wat er te verwachten valt. Voor de voorstelling is de Grote zaal van de Stadgehoorzaal leeggehaald. Iedereen kan zelf een plekje uitzoeken in de ruimte. Het orkest staat ook op de vloer, tussen het publiek. Omdat het thema beestenbende is mag je ook je knuffel meenemen. Op de locatie is ook een prikkelvrije ruimte. Op deze plek kan iemand zich even terug te trekken als het te druk wordt.De voorstelling richt zich op kinderen, maar iedereen is welkom. Het belooft een vrolijke beestenbende te worden.
Een sympathiek idee. Maar gaat dat werken?
De Grote zaal is leeg gehaald. Is een lege zaal minder bedreigend dan een zaal met stoelen vraag ik me af?
’Loop maar weg als het je niet bevalt naar de prikkelvrije ruimte’. Dat weg lopen leidt volgens mij af en zo ontstaan er overbodige prikkels bij de achterblijvers.
De muzikanten staan tussen de kinderen. Lijkt me erg druk en is dit niet juist minder veilig?.
Maar dan wordt er ook gedacht dat de muziek anders moet zijn bij autisten. Eerst één viool en dan pas meer violen. Ik vraag me af: is dit onderbouwd, wie heeft dit verzonnen?
Ik probeer me voor te stellen hou dit zou werken bij mijn autistische kleinzoon. Hij heeft inderdaad moeite met geluidsprikkels. Maar hoe komt dat en wanneer wil hij niet geprikkeld worden? Voor mij is inmiddels duidelijk dat hij geen achtergrondmuziek wil horen. Als hij in zijn spel is dan stoort hem dat. Vooral denk ik omdat hij in zijn spel zelf zingt. En hij zingt heel andere liedjes dan die er op de radio te horen zijn. De liedjes die hij zingt passen bij zijn spel. De rest stoort. Net als ik kan hij niet tegen muzak. Achtergrondmuziek is voor hem taboe.
Vanmiddag draaide ik het derde deel uit het concert voor strijkers, slagwerk en celesta van Bartok. Mijn kleinzoon en zijn tweejarige broertje waren in de keuken. Bij het horen van het opvallende geluid van de claves in het begin kwamen ze allebei direct de kamer binnen rennen. Ik zette de muziek gelijk af, vermoedende dat mijn oudste kleinzoon dat zou willen. Niets was minder waar. ‘Wat was dat opa?’ Ik zeg: ‘wil je het horen?’. ‘Ja’. Hij kroop op schoot, ik zette de muziek weer aan en hij luisterde ademloos het hele deel uit, zo’n acht minuten lang. Uiterst geconcentreerd. Zijn jonge broertje trouwens ook! Het was gewoon erg goede muziek die ze allebei graag wilden horen. Positieve prikkels dus. En dat bij muziek waarvan je oppervlakkig gezien zou kunnen denken dat die misschien te moeilijk is. Geen muzak. Ik ken zelfs mensen van het conservatorium die niets met Bartok hebben. Ik heb er des te meer mee en mijn beide kleinzoons dus ook. ‘Vond je het mooi?’, vroeg ik aan mijn oudste. ‘Ja!’. Volmondig.
Wat je naar mijn idee moet doen als je met een autist naar een concert gaat is niets anders dan wat je ook moet doen als je met hem naar het ziekenhuis of naar de metro gaat. Hem van te voren goed uitleggen wat hij allemaal gaat zien, hoe alles werkt. Liefst met foto’s erbij. En bij muziek: laat maar vast iets horen van die muziek en kijk hoe hij er thuis op reageert. Ik weet nu zeker dat hij mee zal willen naar een concert waarin dit stuk van Bartok wordt gespeeld. Zo wil hij ook naar een concert met koormuziek. Die vindt hij vaak mooi. Hij wil zelf ook graag in een kinderkoor gaan zingen. En ook de combinatie zang en contrabas vindt hij intrigerend. Muziek voor autisten bestaat volgens mij niet. Misschien kun je de omgeving wel meer geschikt maken. Maar kern is denk ik vooral de voorbereiding. Dan pas zal hij zich echt veilig kunnen voelen.
06:30 uur. Mars gaat voorop. De onverschrokken oorlogsgod voert zijn troepen aan. Dan komt Jupiter, de koning der goden, om in al zijn glorie de wereld te aanschouwen. Het begint licht te worden, daar is de maan!
Een kleine, onopvallende sikkel. Nog net beschenen door de al bijna opkomende zon. Wie ziet en hoort dit allemaal?
Heel veel ganzen, die de hele nacht de komst van Mars met oorlogsgeroffel hebben aangekondigd.
07:38 uur. Hier zijn de drie verkondigers van de nieuwe dag, kijk goed!
Nu is het midden op de dag. Laag aan de hemel staat alleen maar een bleke zon. Vijf dagen voor de kortste dag van het jaar weet hij zich nauwelijks nog te verheffen. Om zich heen heeft de Zon zijn dienaren Saturnus, Venus en Mercurius geschaard, maar niemand die ze ziet. De zon heeft nu de heerschappij van Jupiter overgenomen. We zien alleen de zon. Zoals je bij een ster ook niet zijn planeten ziet. Maar we weten dat ze er zijn.
‘En waar staat Pluto dan?’ vraagt mijn oudste kleinzoon. ‘Ik wijs naar een plek aan de hemel. ‘Daar’. Dat is voor hem genoeg. Als hij maar weet waar hij staat. Hij hoeft hem niet te zien.
Mijn oudste kleinzoon blijft intrigeren. Wat zijn zijn angsten en hoe gaat hij daarmee om? Onlangs heeft zijn broertje moeten overgeven. Dat blijft een obsessie. Ik ben op dit moment verkouden en als ik dan wat slijm ophoest vraagt hij bezorgd of het overgeven voorbij is. ‘Je bent toch alleen maar verkouden opa?’ – ‘Ja ik ben alleen maar verkouden, ik hoef niet over te geven’. Deze vraag blijft hij telkens weer herhalen. Maar even later is pop Basje ook verkouden. Hij verwerkt zo deze vervelende dingen weer.
Voor welk dier is hij bang? Voor hem is dat al jaren heel erg duidelijk. Er is slechts één vreselijk angstwekkend dier op de aarde. En dat is de kangoeroe. Waarom de kangoeroe? Omdat kangoeroe’s niet recht voor zich uit maar “scheef” kijken. En dat vindt hij angstwekkend. Het valt hem ook niet uit zijn hoofd te praten.
Op de wereldkaart wijst hij naar een eiland. Ik zeg, ’dat is Madagascar’. – ‘Klein zeg’. –Nee hoor’, antwoord ik, ‘het is groter dan Engeland’ . En ik wijs naar Engeland. Ik zie hem in gedachten vergelijken en weer de relativiteit van klein en groot ervaren. Ja, naast Afrika is Madagascar klein, maar naast Engeland is het groot. Dan wijst hij even later naar Australië. ‘Daar wil ik niet naar toe’. Ik begrijp het. Vanwege de kangoeroes dus.
Heel favoriet bij hem zijn rollenspelletjes. Maar die zijn compleet plaats gebonden. Bij ons thuis is hij meestal kabouter Pim. Maar als we naar het strandje gaan dan is hij Nijntje, en verplaatst hij zich in Nijntje zoals die is bij “Nijntje aan zee”. Het liefst wil hij bij dat strandje aan de Lek in het zand, zelfs midden in de winter, een fort gaan bouwen en daarna wil hij schelpen zoeken. Als zijn broertje van twee mee gaat dan is die “Nina”. ‘Kijk Nina heeft een donkere huid’ zegt hij terwijl hij naar de melkwitte armen van zijn broertje wijst. Nina is namelijk het negervriendinnetje van Nijntje in het boekje Nijntje en Nina. Na het bezoek aan het strandje wil hij niet meer Nijntje genoemd worden. Meestal gaan we dan nog wat wandelen door het riet en dan is hij weer kabouter Pim. Hij wordt boos als we dan per ongeluk zijn echte naam of zijn vorige naam Nijntje noemen. Het riet is dan bos en hij wijst zonder aarzelen alle bomen aan die hij ziet: berken, beuken, eiken, dennen. Hij wijst intussen naar allerlei rietstengels. Kabouter Pim loopt met Opa Kabouter door het bos. Hier geniet hij intens van.
Bij zijn ouders is er weer een ander rollenspel. ‘Hi guy’ zegt zijn vader bij thuiskomst. ‘Hi Mum and Daddy’ antwoordt hij. De conversatie gaat vervolgens deels in het Engels. Hij vindt het heerlijk om te tellen in het Engels, maar kent ook veel zinnen en woorden. En zingt liedjes in het Engels. Nee, niet de gebruikelijke popsongs. Maar liedjes over de Kuipergordel (“the kuiperbelt”). En “Venus is the second planet from the sun” en dat soort zinnetjes. Vol overgave. Zoals onlangs op de terugweg in de auto van zijn ouders:
Hoe verwerk je een scheef kijkende kangoeroe? Ik weet het niet. De woestijn van Australië is doodeng. De asteroïdengordel en de kuipergordel zijn doodnormaal. De jongen blijft intrigerend en fascinerend. Maar gewoon ook heel erg lief.
Op youtube zag ik een filmpje dat me sterk aan het denken zette. Het plaatst allerlei dingen die plaats vinden op aarde in een veel breder verband. Zonder oplossingen, zonder richtlijnen, zonder echte duidelijkheid. Maar toch fascinerend genoeg om er dit blog over te schrijven.
Op aarde zijn er wereldwijd klimaatveranderingen en ook de geofysische omstandigheden lijken sterk te veranderen.
De aardas is verschoven.
Het aardmagnetisch veld is vanaf het jaar 0 al aan het afnemen. De laatste 500 jaar gaat dat in een sneller tempo. De laatste 20 jaar zijn de veranderingen uiterst grillig.
Het weer is wereldwijd steeds extremer aan het worden
Het aantal aardbevingen neemt wereldwijd dramatisch toe: vier keer zoveel zijn het er nu als 50 jaar geleden
Er zijn meer vulkaan uitbarstingen: vijf keer zoveel in 1975 als in 1875
In 1993 waren er vier keer zoveel natuurrampen als in 1963
De klimaatveranderingen worden aan de mens toegeschreven. Dat zal voor een groot deel ook wel kloppen. Maar al de overige veranderingen zijn van een andere orde. Een aantal wetenschappers kijkt verder, men kijkt naar ons zonnestelsel en men kijkt zelfs naar onze Melkweg. Want ons zonnestelsel beweegt zich ook in onze Melkweg en het begint door te dringen dat ook dat invloed kan hebben op ons hele zonnestelsel. En het lijkt er steeds meer op dat dat misschien wel de voornaamste oorzaak is van veel veranderingen, om te beginnen bij onze zon, de kern van ons zonnestelsel, maar ook bij de andere onderdelen, de planeten waaronder de aarde.
Sinds 1900 is de magnetische activiteit van de zon sterk toegenomen (230%). De magnetische polen van de zon keren zich om de elf jaar om. Er ontstaan zo tijdens elke elfjarige piek enorme “zonnewinden” met sterrenstof en straling. Maar op dit ogenblik blijft dat maar doorgaan, ook al is er geen elf-jaarlijks maximum. Het hele zonnestelsel heeft daardoor te lijden onder een zondvloed van sterrenstof. De sluisdeuren lijken geopend.
Onze maan heeft een heel dunne atmosfeer. Maar die is langzaam dikker aan het worden. Rond de maan bevindt zich bovendien een laag met natrium die er vroeger niet was.
Op Mercurius is er poolijs ontdekt, en tegelijk is er een sterk magnetisch veld waargenomen.
De laatste veertig jaar is de atmosfeer van Venus 2,5 keer zo helder geworden.
Mars lijkt steeds warmer te worden. De poolkappen zijn al een tijd verdwenen.
Jupiter is twee keer zo helder geworden. Er zijn nog veel meer veranderingen zichtbaar in de atmosfeer van Jupiter, de vraag alleen is of dit niet altijd al zo geweest is, omdat nauwkeurige historische metingen ontbreken.
Op Saturnus zien we gedurende de afgelopen dertig jaar een grote afname van equatoriale straalstroomsnelheden en tegelijk verschijnen er verrassende golven van röntgenstralen vanaf de evenaar. Een breed hexagonaal patroon op Saturnus is sterk van kleur veranderd en men heeft de oorzaak nog niet weten te achterhalen.
Uranus leek voorheen een vrij stabiel uiterlijk te hebben, er waren blijkbaar geen grote veranderingen in de atmosfeer. Maar sinds 2003 kunnen we dat niet meer zeggen. Vooral in de pool-regio’s zijn er dingen gaande. Omdat Uranus geen interne energiebron heeft moeten de veranderingen wel veroorzaakt worden door de zon.
De helderheid van de atmosfeer van Neptunus is met 40% toegenomen. Zijn maan Triton werd in 1989 door de Voyager bezocht, maar sindsdien lijkt hij veel warmer geworden te zijn. De bevroren atmosfeer begint te smelten en gasvormig te worden.
Pluto verwijdert zich in zijn baan op dit moment van de zon, waardoor de atmosferische druk zou moeten afnemen. Maar juist het tegenovergestelde gebeurt. Wetenschappers denken dat Pluto misschien is aangeland op een punt van ons melkwegstelsel waar een hoger energieniveau heerst.
Aan de uithoeken van ons zonnestelsel bevindt zich een gebied met een gloeiend plasma. De zichtbaarheid daarvan is met maar liefst 1000% toegenomen. Bevindt het hele zonnestelsel zich misschien op dit moment in een gebied van de Melkweg met een hoger energieniveau? Is dat de hoofdoorzaak van al de veranderingen? En is vooral de verandering die de zon daardoor ondergaat niet indirect weer de belangrijkste oorzaak van ook al de veranderingen op de planeten?
Op youtube is een filmpje te zien welk gaat over deze veranderingen in ons zonnestelsel.
Ik denk dat deze macro waarnemingen ook in de microwereld zichtbaar zouden moeten zijn. Door de microscoop. Heeft men dat soort onderzoeken al gedaan? Met vergelijkingen over langere tijd? En dan heb je nog de mentale veranderingen. Of ziektes. Het zal in eerste instantie moeilijk zijn om een link te leggen. Maar hij zou er moeten zijn is mijn stellige overtuiging.
Het zet de hele kijk op ons bestaan, op het leven in een ander daglicht en relativeert veel dagelijkse dingen. Er zijn nog te veel onduidelijkheden. Oorzaak-gevolg is waarschijnlijk niet rechtlijnig, maar allemaal indirect. Dat maakt het heel diffuus. Op een bepaald moment verandert er iets in de golfstroom op aarde. We weten zo ongeveer wat de gevolgen daarvan zijn. De meest duidelijke oorzaak lijkt het smelten van de poolkappen. Maar er zijn waarschijnlijk veel meer oorzaken. En die werken samen of juist tegen elkaar in. De grote lijn die al de veranderingen veroorzaakt zou wel eens gevormd kunnen worden door de veranderingen in het zonnemagnetisme. En de veranderingen op de zon zouden we wel eens in de Melkweg moeten zoeken. En aan al die dingen kunnen we niets doen. We zijn maar uiterst nietige wezentjes, puntjes op een nietig planeetje. 99% van het leven op aarde kennen we niet. Dat bevindt zich diep in de oceanen en zelfs onder de oceanen. Als de ene procent die we wel kennen door een grote ramp vernietigd wordt dan zal vanuit de overgebleven 99% het leven op een aangepaste manier opnieuw vorm gegeven worden. Dat is in het verleden al eerder gebeurd. Sneu voor de mensheid. Maar we bestaan pas enkele miljoenen jaren. Dat is niet meer dan een paar uur in de eeuwigheid.
Ik heb het filmpje bekeken en ik heb er over nagedacht. Je kunt er al snel een sensatie-etiketje op plakken. Dat wil ik niet. Ik probeer met open vizier verder te kijken dan onze aarde. En voor mij was het nieuw dat je ook naar de plaats van ons zonnestelsel in de Melkweg zou kunnen kijken. Waarom niet? We hebben te maken met dingen die zelfs de meeste wetenschappers ver boven hun verstand gaan.
Nu sneeuwt het. Dat is normaal, het is december. Misschien is dat over honderd jaar niet meer normaal. Misschien is dan de golfstroom zodanig van richting veranderd dat we de aangename temperaturen die hij bij ons ’s winters veroorzaakt achter ons gelaten hebben. Zodat de winter hier Siberische trekjes begint te krijgen. Of besluit de mensheid zelf al eerder de stekker er uit te trekken? Het is allemaal mogelijk. Maar ik denk dat het leven op de lange duur gewoon doorgaat. Met of zonder mens.
Onze zon bevindt zich in een interessant deel van de Melkweg. En over enkele miljoenen jaren is hij daar weer uit. En gaat gewoon verder. Met al zijn planeten. Alsof er niets gebeurd is.
Ons zonnestelsel: er kan zoveel over verteld worden. Dat heb ik al in een aantal blogs gedaan. Maar wat zijn er ook nog eens veel schitterende plaatjes op internet te vinden bij de site van de Nasa. Deels zijn deze gemaakt vanuit de Hubble telescoop, maar de meeste zijn afkomstig vanuit de diverse ruimtevaartuigen die deze hemellichamen van nabij hebben bezocht zo de afgelopen decennia. We zien plaatjes van de zon, planeten, dwergplaneten, de belangrijkste manen van die planeten, van enkele asteroïden en van kometen. Ik heb er muziek bij geplaatst afkomstig van een CD uit 1994. (Erasmus producties, een label dat niet meer bestaat). Deze muziek vond ik er bijzonder goed bij passen, het is een vioolsonate van Jean Franssen. Jean Franssen heb ik nog goed gekend. Hij gaf muziektheorieles in Maastricht toen ik er studeerde. Hij is overleden in 1991. Roeland Gehlen bespeelt de viool en Joop Celis de piano.
Een van de meest angstaanjagende dieren van de oudheid, van de Middeleeuwen en zelfs nog later was de basilisk. We scharen het dier nu onder de fabeldieren maar toen was het dier voor veel mensen levensecht. In het oude testament komt het vier keer voor in het boek Jesajah en een keer in Jeremiah. Het uiterlijk was niet altijd hetzelfde in de beschrijvingen. Het leek enerzijds op een slang (vaak werd de adder er ook mee geassocieerd), anderzijds op de haan (de poten) en ook had het dier meestal vleugels. Bij de Grieken en Romeinen werd het dier geassocieerd met een wezen uit de onderwereld. Lucanus schrijft dat ze geboren zijn uit het bloed van de Medusa. Ook is er een mythe welke zegt dat wanneer een zevenjarige kip een ei legt op het moment dat de ster Sirius opkomt, uit dat ei een basilisk zal komen. Hun geur is afgrijselijk en onverdraaglijk. Maar wat nog erger is: als je een basilisk in de ogen kijkt zul je sterven. Ook heeft hij een kwaadaardige slangenbeet waar geen geneesmiddel tegen bestaat. Als een basilisk in een spiegel kijkt en zijn eigen ogen ziet zal hij ook dood gaan. Kortom: het is een duivels hellewezen.
Er zijn veel afbeeldingen bekend van Basilisks. Een kun je er zien in de kapitelengalerij van de Sint Servaas. Een man wordt van twee kanten aangevallen door twee basilisken, die hem in zijn armen bijten. In deze kerk moet je die afbeelding zien in het kader van waarschuwingen voor de macht van de duivel. Ze staan achter de zogenaamde Nimrod-kapitelen.
Ook het Sollazzo Ensemble heeft op zijn pas uitgebrachte CD een lied staan dat gaat over de Basilisk, “Le Basile”. Het is rond 1350 gecomponeerd en stamt uit de Codex Chantilly. Het lied is van een verder onbekende componist met de naam Solage. Er is niets bekend over deze raadselachtige componist, wiens naam kan slaan op een pseudoniem dat ‘troost’ betekent, ofwel aangeeft dat hij afkomstig is van een van de dorpen genaamd Soulages in de Auvergne. Maar wel heeft hij tien bijzondere nummers nagelaten in de Chantilly Codex.
Le Basile
In de eerste strofe is de basilisk dodelijk doordat hij een dodelijke afgunst veroorzaakt, wat lasteraars ertoe aanzet het geluk van geliefden te vernietigen. Tegelijk is hij Barat, de misleidende bedrieger van de middeleeuwse Franse literatuur, welke beweert dat hij de wereld domineert. In de tweede strofe van de ballade verandert de metafoor in iemand die recht spreekt. De ‘Liefdeskoning’ houdt zitting in het ‘paleis van justitie waarbij lasteraars worden veroordeeld die de ware liefde in gevaar brengen. Pijnlijke dissonanten en een laag register kenmerken deze ballade. Opvallend expressief is het lied bij de derde regel: ‘want zijn gif is dodelijk’, en in het tweede couplet bij ‘vervloekt zijn hun levens, en ik hoor hen jammeren’.
Dit lied en andere liederen door het Sollazzo Ensemble kun je vinden bij Linn Records
In de tweede helft van de veertiende eeuw,en nog lang daarna, waren er in grote delen van Europa bijna voortdurend pestepidemieën, dit na de eerste epidemie van 1348. Bijna niemand durfde het aan om de zieken te verzorgen of de doden te begraven, wetende dat de kans zeer groot was dat je dan ook zelf besmet zou worden. Toen werd er een broederorde van leken opgericht die besloot om zich hier vrijwel uitsluitend mee bezig te houden. Aan het begin van de vijftiende eeuw kreeg deze orde de naam van Cellebroeders. Ook in Maastricht werd deze orde met open armen ontvangen.
Het klooster van de Cellebroeders in Maastricht bestaat niet meer, maar wel is er nog de kapel. Deze wordt tegenwoordig vooral voor concerten en lezingen gebruikt. Afgelopen zaterdag was er een concert van het Sollazzo Ensemble. We hoorden muziek uit de periode 1350-1420, uit de Italiaanse trecento, onder meer muziek van de blinde organist Landini. Het was een programma dat zich concentreerde rond componisten uit Florence.
Drie leden van het Sollazzo Ensemble tijdens het stemmen
Het is de zelfde periode waarin ook de Cellebroeders actief werden. Het klooster van de Cellebroeders van Maastricht dateert uit 1438, dus bijna uit dezelfde tijd. We waren zo in een mooie ruimte, maar ook in een ruimte met de perfecte historische ambiance.
De meeste muziek van deze avond had een wereldlijke achtergrond. Van Landini zijn meer dan 150 wereldlijke stukken bekend, daarnaast is er slechts een fragment van een kerkelijk motet bewaard gebleven. Toch zal hij ook veel geestelijke muziek hebben geschreven. Hij bespeelde meerdere instrumenten waaronder het orgel. Hij was organist van de San Lorenzo, een kerk uit de vierde eeuw, in de twaalfde eeuw gerestaureerd en uitgebreid. Op afbeeldingen wordt Landini vaak getoond met een klein pijporgeltje. Dat instrument was gisteren ook aanwezig bij het Sollazzo ensemble. Landini schreef zelf de teksten voor zijn muziek. Deze teksten hebben vrijwel altijd een ernstige ondertoon. Hij was wars van erotisch geladen dubbelzinnigheid. Misschien kwam dat door zijn handicap. Als jong kind werd hij door een variant van de pokken blind. Misschien ook doordat hij van nabij de eerste pest-epidemie in Florence had meegemaakt, het jaar waarin ook de geliefde Laura van Petrarca daaraan overleed en Petrarca besloot om door te gaan met het maken van verzen voor Laura, 365 in totaal. Landini zag met leedwezen hoe in zijn tijd de muziek steeds meer vervlakte. Zo schreef hij een lied, met de titel “Musicha son”, “Ik ben de muziek”. Een ingenieus stuk, waarbij drie teksten door elkaar heen lopen. De eerste tekst geef ik weer, plus de vertaling van de tekst van de tenor. Het is al luisterende niet of nauwelijks te volgen. Je moet weten wat er gezongen wordt. Dit is een lied waarbij vooral het vernuft een rol speelt. Een uitzondering overigens, de meeste liederen uit het trecento zijn zeer doorzichtig.
Musicha son, che mi dolgo piangendo
Veder gli effecti mie dolci e profecti
Lasciar per frottol’ i vagh’ intellectueli
Ik ben de muziek, en huilend zie ik met spijt
hoe aangename geesten
mooie en prettige dingen inruilen voor frottola’s
De frottola wordt pas een eeuw later een genre dat in de muziekgeschiedenis als voorloper van het madrigaal wordt beschouwd. Ik denk dat de naam frottola bij Landini gebruikt werd als omschrijving van een simpel straatdeuntje
Perche’n gnorantia viçi ongn’ uom chostuma
lasciasi ‘l buon e pigliasi la schiuma
Waarom wint onnozelheid het van goede smaak
Men verruilt het goede voor de troep.
Intussen zingt de tenor:
Iedereen wil imponeren met muzieknoten
en wil madrigalen, caccia’s en balladen componeren
en zich zelf als uniek beschouwen
Maar iedereen die als held beschouwd wil worden
Zal eerst een keer de kust moeten bereiken
Dit is een van de liederen die het Sollazzo ensemble heeft uitgebracht op hun nieuwe CD, maar welk lied nu niet op het programma stond. Van Landini stonden nu wel twee andere liederen op het programma.
Behalve wereldlijke liederen werden er ook een aantal geestelijke liederen uit Florence gezongen, zogenaamde laudi, bestemd voor broederschappen, de Laudesi. Op de plaats van de voormalige kloosterkerk San Michele ad Hortum was begin veertiende eeuw een graanpakhuis gebouwd en vlakbij dat gebouw stond een beeld van Maria. Dit werd door leken vereerd vanwege de wonderen die er aan werden toegekend. De Laudesi werden door de gemeente en de kerk erkend als broederschap. Leden moesten dagelijks vijf Onzevaders en vijf Weesgegroetjes bidden en ze betaalden contributie. Maar de voornaamste geestelijke bezigheid bestond uit het zingen van laudi op feestdagen van de H. Maagd. Toen het graanpakhuis verhuisde verbouwde men het kubusvormige gebouw tot kerk, de OrsanMichele. Behalve het mirakelbeeld van Maria kwamen er in deze kerk pilaren voor vele heiligen van gildes. Zo was deze kerk vanaf die tijd het centrum van de broederschap van de Laudesi. Het zoeken naar geestelijke verdieping past overigens in de tijdgeest, denk ook aan de Moderne Devotie in Zwolle met Geert Groote.
Hieronder een fragment van “Peccatrice Nominata, Magdalena da Dio amata” (“Beruchte zondaar, Magdalena, geliefd door God”). Dit fragment zal aardig in de buurt komen hoe de Laudesi het indertijd zongen. Maar bij andere delen van dit lied en de andere laudi die ten gehore werden gebracht vroeg ik me af of er niet erg veel was toegevoegd door de muzikanten aan de originele partituur. Overal waren er uitgebreide versieringen, om nog maar te zwijgen van de virtuoze begeleidingen op de vedel. Wel mooi, maar konden de lekenbroeders dat?
Het Sollazzo Ensemble voerde ook een aantal liederen van iets latere componisten uit, van Giovanni da Firenze en Vincenzo da Rimini. In die tijd begon de ars subtilior vanuit de Provence in Italië zijn invloed uit te oefenen. Deze muziek bevat buitengewoon virtuoze sopraanpartijen die hun versieringen uitstrooien over de luisteraars, dit alles met een schijnbaar gemak. De uitsmijter van de avond was een caccia, een driestemmige canon waarin het geblaf van honden en het getoeter van jachthoorns werd uitgebeeld. Wat een zang- en speelplezier! De drie zangers, twee sopranen en een tenor, deden alles vrijwel uit hun hoofd. Af en toe zag je iemand kijken op een spiekbriefje, waarschijnlijk vanwege de tekst. Je kunt je bijna niet voorstellen hoe ze al die versieringen konden onthouden. Prachtig was ook hoe de bespelers van de twee vedels, de harp en het orgeltje reageerden op de drie zangers. Ze ademden bijna letterlijk mee.
Het is belangrijk om de teksten te kunnen volgen. Dat is altijd moeilijk omdat de teksten ook niet altijd even begrijpelijk zijn, en je daarbij ook nog eens niet voortdurend in je programmaboekje wilt kijken. Behalve dat er af en toe gespeeld wordt met het verschijnsel consonantie, is dit muziek die vooral van melodische en ritmische aard is. De “sound” is aangenaam, maar er gebeurt op harmonisch gebied eigenlijk vrijwel niets. Luister je echter naar de melodieën, naar de ritmes en vooral ook naar de tekst-uitbeeldingen dan is het buitengewoon rijke muziek. En de muziek werd prachtig uitgevoerd door de leden van dit nog jonge ensemble uit Basel. Er zijn nog de hele week concerten, o.a. vanavond in de Laurenskerk van Rotterdam. Woensdag zijn ze live op radio 4 te horen.
Na afloop van het concert gingen mijn vrouw en ik nog even iets drinken en we liepen om kwart voor elf langs de Sint Servaas. Hoog boven de kerk stond de nu bijna volle maan.
Er was wel al vocht in de lucht. De Italiaanse sfeer ging nog even door in hotel Botticelli. We droomden van de geboorte van Venus en van verliefde mannen. (Donna, perché mi veggi altra mirare – Vrouwe, ook al kijk ik wel eens naar andere vrouwen…)
En de volgende ochtend gingen we naar Bemelen, wandelen in het enigszins besneeuwde heuvellandschap. Geen Toscane meer. Maar niet minder mooi!
Vanochtend bracht ik mijn oudste kleinzoon naar de kleuterklas. Wat een drukte, wat een drukte. Ik had gelijk medelijden met de juf, die er schijnbaar kalm onder bleef. Het regent veel en het is bijna Sinterklaas. Dus het zijn barre tijden voor onderwijzers. Toen ik hem om 12 uur op kwam halen was het in zijn klas alweer (nog steeds?) heel druk. Meestal blijft hij nog niet over, dus vanmiddag mocht hij bij opa een beetje bijkomen.
Als we dan thuis zijn dan zegt hij als een van de eerste dingen dat er geen muziek aan mag. Dat begrijp ik helemaal. Na de lunch is hij snel alweer aan het spelen en gaat helemaal op in zijn eigen dingen.
Ik ging achter de laptop zitten en noteerde gedurende drie minuten alles wat hij zei. Behalve dat hij veel aan het praten is is hij bij alles voortdurend aan het zingen en aan het neuriën. Dat alles is een begeleiding van zijn spel: spelen met zijn planeten (alle mogelijke balletjes). Wat hij intussen allemaal zegt is bestemd voor een denkbeeldig iemand. Ook als hij helemaal alleen in de kamer is houdt hij dergelijke monologen. Als ik begin met noteren heeft hij het wel nog duidelijk tegen mij, hij memoreert een episode van die ochtend:
‘Ik moest stil zijn. En toen was Isis mij aan het kietelen en toen rolde ik over de grond.’Onmiddellijk gevolgd door:
’Kijk eens: Uranus en Neptunus. En Neptunus die draait een beetje recht. Zonnestelsel, dat is in het Engels”solar system”.’ Daarna zingt hij:
“My name is Pluto, i am the farrest in the solar system” Dan weer pratend:
‘ Kijk eens, Uranus, Neptunus, Pluto. Kijk eens: Uranus, Neptunus, Pluto’ (zingt weer een couplet uit het genoemde liedje).
‘Wat is dat? Ik hoor niks. Dat is Jupiter. Venus moet er ook nog bij. Venus dat is het vriendje van de aarde.’ (Neuriet verder).
‘Neptunus is het vriendje van Uranus. En Pluto dat is het vriendje van Neptunus.’ (Neuriet).
’Kijk eens: Antáres! Antáres, Antáres, Antáres. Die is groot zeg. Antáres die is groot zeg.’ Nu zingt hij het melodietje over de grootte van de sterren.
‘Tui, Tui, Tui. Wolf en Aldebaran. Hier is Wolf en Aldebaran. Uh, Uh, Uh. Mu Cephei. De allergrootste van alle andere sterren. Canis Majoris! Canis Majoris! Canis Majoris. ‘(neuriet weer van alles).
‘We hebben wel nog een maan, dat is Titan. Dit is ook een leuke maan.’(neuriet weer)’
Na een tijdje blijkt hij weer een hele rij gelegd te hebben. Dan loopt hij door de kamer zonder iets te zeggen maar hij zingt met zijn hoofd in de wolken een melodie, werkelijk prachtig. Deze melodie staat in G, en hij eindigt met een fantastisch klinkende hoge G, vrij lang aangehouden! Wat jammer dat ik die melodie niet heb opgenomen! Ik heb hem nog nooit gehoord.
Hoeveel kinderen, hoeveel volwassenen kunnen volgen waar hij het over heeft? Ik snap het gelukkig meestal. Net zei hij dat ik nog beter wist dan hij zelf hoe alle planeten heten, toen ik moest komen kijken naar de rij die hij gelegd had:
‘Pluto, de Maan, Ceres, Mercurius, Mars, Venus, de Aarde, Neptunus, Uranus, Saturnus, Jupiter, de zon, Wolf, Sirius, Aldebaran, Antares, Mu Cephei en Betelgeuze.’ Moeiteloos somt hij ze allemaal op.
Betelgeuze is wel de warmste van het stel, maar niet de grootste. Dat mag de pret niet drukken. Voor de rest is er volgens mij nauwelijks een speld tussen te krijgen, alle objecten worden inderdaad steeds groter.
Samenvattend: wat kan hij mooi zingen, wat een plezier straalt hij voortdurend uit, wat vindt hij het heerlijk om al deze dingen op zijn manier te beleven en te herverwerken. Mijn vrouw heeft de buikgriep en moet vaak overgeven. Daar kan hij niet tegen. Maar ook dat wordt verwerkt. Hij loopt met pop Basje naar me toe.
‘Basje is ziek. Hij moet overgeven.’ Hij krijgt een bakje maar al snel besluit hij dat Basje alweer beter is. Overgeven is niet zo’n leuk spelletje.
Dat spel snapt iedereen. Nu niet die “arme Saturnus zonder ringen”, maar iemand met buikgriep die verzorgd moet worden. Dat soort dingen ziet hij op school. Het is er druk, maar het gaat toch meestal goed. Hij weet nu al wat hij moet doen als het in de klas te druk wordt. Niet met blokken gaan gooien maar naar de juf lopen en zeggen dat het te druk is. Dan gaat de klassenassistent even met hem de gang op. En Isis is zijn maatje die hem helpt om zijn jas aan te doen. Maar die hem dus ook kietelt. En dan is hijzelf opeens te druk. Mooie dingen om te horen en te zien. Nu ligt Basje gewoon op de grond. Zoals hij ook zelf voortdurend op de grond ligt, in zijn eigen wereld. Basje vormt de schakel tussen twee werelden.
Na een uitzonderlijk natte maandag was het vandaag een stuk aangenamer. Al vroeg in de middag was de maan te zien. We zijn al aardig op weg richting volle maan, het is duidelijk al eerste kwartier geweest. Aan de kant waar de maan aan het toenemen is zie je altijd veel details. Twee jaar geleden maakte ik foto’s van net voor de volle maan en net na de volle maan. Dat leverde eigenlijk minder aardige details op dan nu.
Vooral links dus, waar de maan aan het toenemen is, zie je veel kraters. Maar ook wat meer naar het midden toe zijn ze nog te onderscheiden. Ik heb opgezocht waar overal mensen op de maan zijn geweest. Dat was met de Apollo 11 (de eerste mensen) en daarna nog met de Apollo 12, 14, 15, 16 en 17. Alle punten waar ze geland zijn heb ik gemarkeerd en genummerd. Leuk om te weten, als je weer eens naar de maan kijkt.
Zullen er nog ooit een keer mensen op de maan landen? Ik denk het wel. Ik denk dat het Chinezen zullen zijn. Het is nu inmiddels al 45 jaar geleden, sinds de Apollo 17 een maanlanding maakte, waarbij er ook nog aardig rondgereden werd met een maanwagen en er heel veel bodemmonsters werden meegenomen naar de aarde. Op wikipedia lezen we:
Apollo 17 was de laatste missie van het Project Apollo waarbij op 11 december 1972 op de maan werd geland. Sindsdien zijn er geen bemande missies meer uitgevoerd naar de maan. De landingsplaats was bij de maankrater “Littrow” in het Taurusgebergte. De bemanning bestond uit Eugene Cernan (commandant), Harrison Schmitt (piloot maanlander) en Ronald Evans (piloot commandomodule).
De maanwagen werd ook bij deze missie gebruikt. In totaal hebben de astronauten Schmitt en Cernan in 4 uur en 26 minuten een afstand van 35 kilometer en 744 meter afgelegd met de wagen. Een afgebroken spatbord vervingen de astronauten door een stel maankaarten. Dit leverde hun een erelidmaatschap op bij de Duitse wegenwacht ADAC.
Een oranjekleurig bodemmonster leek in eerste instantie op vulkanisch materiaal. Nader onderzoek wees echter op kleine glasbolletjes in het maanstof, ontstaan tijdens inslag van een meteoriet. Verder onthulden de astronauten vlak voor het opstijgen een plaquette (op de landingspoot van de afdaaltrap), ter herinnering aan de Apollo-maanreizen.
Een recordhoeveelheid aan maansteen werd mee teruggenomen, in totaal 108,86 kg. Ook de duur van de maanwandelingen was langer dan bij ieder van de voorgaande missies.
De maanlander werd na terugkeer van Cernan en Schmitt naar de capsule voorafgaand aan de terugreis afgestoten en sloeg op 15 december 1972 op het maanoppervlak stuk.
Na de landing in de Stille Oceaan in de buurt van het eiland Samoa werd de bemanning opgepikt door de USS Ticonderoga. De capsule waarin de bemanning verbleef wordt nu tentoongesteld in het Lyndon B. Johnson Space Center te Houston, Texas.
De krater Littrow kun je op mijn foto niet zien. Die is denk ik wel vast te leggen bij afnemende maan, dus pak weg over ruim een week. Dan zijn de kraters van dat deel namelijk veel beter zichtbaar. Mocht de maan dan te zien zijn, dan ga ik zeker een poging doen.
Bij een psychologische test van mijn oudste kleinzoon enkele maanden geleden kwam naar voren dat hij een lage intelligentie had (IQ 70-80), en daarnaast dat hij een korte focus had. Dat laatste klopt. Als je hem iets vraagt dan is hij twee seconden later al weer afgeleid door iets anders en dingen als opruimen, kleren aandoen, handen wassen, ga zo maar door krijgt hij alleen maar voor elkaar door met eindeloos geduld hem iedere keer weer opnieuw op het juiste spoor te zetten. Hij leeft in een voortdurende droomwereld. Soms is die wereld nog enigszins reëel, dan is hij Nijntje, of kabouter Pim. Maar meestal zit hij in een wereld vol met planeten, sterren, melkwegstelsels, meteorieten en nog vreemdere omgevingen. Twee dagen geleden lag ik op bed, herstellende van een buikgriep. Mijn kleinzoon was met mijn vrouw wezen zwemmen en terwijl zij eten was aan het koken kwam hij me nog even op bed opzoeken. Op mijn telefoon gingen we samen een youtube-filmpje kijken en hij koos voor “het ontstaan van de aarde”, een vierdelige Vlaamse documentaire. Veel beelden, uit Groenland, van de Nasa, van Japanse onderzoekers. Echt een documentaire voor volwassenen. Het geheel duurt zo’n drie kwartier en hij zou het moeiteloos uitgekeken hebben ware het niet dat het eten klaar was. We waren op de helft. De rest volgt dus nog een keer. Uiterst geconcentreerd keek hij voortdurend naar het beeldscherm. Af en toe vertaalde ik snel enkele ondertitelde fragmenten, waar mensen aan het woord waren. Toen in de begintijd een asteroïde botste met de aarde verdampte een deel van de aardkorst, doordat de temperatuur door de botsing gestegen was tot 2500° Celsius. Ik zag een begrijpende glimlach op zijn gezicht, zeker toen de commentaarstem zei dat dat heel warm was. Daar wist hij sinds kort alles van, wat graden celsius was.
Na het eten kwam hij nog even terug. Hij zei dat het laken van het bed de oceaan van de aarde was. Oorspronkelijk was heel de aarde bedekt met water. Hij pakte een kussen en liet dat langzaam afdalen naar de oceaan. ‘prrrr-..ke-deng! …..pfffff’, en zijn handen gingen een beetje omhoog. Ze symboliseerden de verdampende aardkorst. Dat spelletje werd nog een keer herhaald. Toen kwam mijn vrouw om te zeggen dat hij nog even naar de WC moest. ‘Ik zet de ke-deng even op pauze’, zei hij tegen ons. ‘Nee, zei mijn vrouw, we gaan daarna naar huis’. – ‘OK’, was zijn antwoord. ‘En bedankt opa voor de ke-deng’. Het kussen heet nu voortaan blijkbaar ke-deng. Eerder op die dag lag hij op de grond en had ook daar weer een nieuw spel verzonnen. Op een youtube-filmpje laten ze de grootte van manen, planeten en sterren zien, elk object wordt steeds groter. Ze beginnen bij onze maan en eindigen bij de rode reus Antares. Tussen elk object hoor je een muziekje. Dat was hij dus aan het na-spelen.
Bij al deze dingen is hij uiterst geconcentreerd en gefocust bezig. Ik vind hem een heel uitzonderlijke jongen, met een boeiend innerlijk leven. Iemand die nog heel veel moet leren en het niet gemakkelijk zal hebben in de toekomst. Maar hij laat ons voortdurend zien hoe de wereld er ook uit kan zien. En ik vind het een mooie wereld. Met een ke-deng. Maar de ke-deng moet even wachten tot hij er weer is. Hij staat op de pauzeknop.
Gisteren liep ik rond 12 uur in Amsterdam nabij een plek waar ik om half 2 wilde zijn in verband met een lezing en een concert in de Lutherse kerk. In de Athenaeumboekhandel zag ik veel interessante boeken liggen waar ik in bladerde en soms ook hele passages in las. Ik wist me te beheersen: thuis ligt nog een stapel niet of half gelezen boeken op me te wachten. Ik keek ook bij de afdeling poëzie, en bij de afdeling Duitstalige boeken. Niets was er te vinden van de dichter Stefan George. Bij het concert die middag sprak ik een aantal mensen over het concert dat ik een dag eerder had bijgewoond, waarbij o.a. twee gedichten van Stefan George een rol speelden. Slechts bij één iemand ging een lichtje branden: ‘Stefan George, is dat niet de schrijver van “Das Buch der hängende Gärten?” Inderdaad. Die was het. Ik lees op internet in een artikel dat Stefan George in de twintigste eeuw tot aan zijn dood in 1933 misschien wel de meest bekende Duitstalige eigentijdse dichter was. In Duitsland is hij bij veel liefhebbers van poëzie nog steeds bekend, daarbuiten is hij in het vergetelboek geraakt. Hoe komt dat?
Onlangs is er een biografie van Stefan George verschenen en die heb ik besteld. Ik hoop wat meer over hem te weten te komen dan de oppervlakkige kennis van deze boeiende figuur die ik nu heb. Zijn leven in een notendop: hij is geboren in Bingen aan de Rijn, zijn ouders kwamen uit de Elzas. In 1889 kwam hij in Parijs in contact met de leidende Franse dichters uit die tijd, onder wie Stéphane Mallarmé en Paul Valéry. In 1891 maakte George in Wenen kennis met Hugo von Hofmannsthal met wie hij een homo-erotische relatie kreeg. Dat kon niet, waardoor hij met hem en diens familie in conflict raakte. Toen George naar München vertrok verzoenden de mannen zich en bleven ze op afstand contact houden. George publiceerde in Wenen tussen 1892 en 1919 in een zeer beperkte oplage een literair tijdschrift: “Blätter für die Kunst”. Er ontstond een hechte kring van bewonderaars, die George als een soort meester vereerden. Hij schreef uitsluitend gedichten. Daarnaast vertaalde hij ook werken van Dante, Shakespeare en Ibsen. Via dit blad moet ook Schönberg met zijn werk in aanraking zijn gekomen. Na de eerste wereldoorlog schreef George de gedichtenbundel ”Das neue Reich.” De nationaalsocialisten interpreteerden dat als het nieuwe rijk waar ook zij naar streefden. Ze wilden hem vervolgens tot dichter van de Nationaal-Socialisten verheffen. Hier is hij niet in mee gegaan. Kort daarna stierf hij. Twee van zijn meest intieme vrienden pleegden in 1944 een aanslag op Hitler, die op wonderbaarlijk wijze aan de dood ontsnapte. De beide daders, de heren von Stauffenberg, werden dezelfde dag nog geëxecuteerd.
Waarom is George niet te krijgen in de Athenaeumboekhandel? Omdat hij bij de nazi’s, met name in het begin, geliefd was. En dat kwam omdat hij een soort verheven idealisme had dat de mens, en met name de Duitse mens, zich moest verheffen. Hij was dus fout. Wás hij ook fout?
Ik denk dat je dat uit zijn gedichten niet kunt afleiden. Hij schreef een mystieke lyriek, die je bijna altijd op meer manieren kon interpreteren. Soms weten we de aanleiding voor een gedicht. En dan zien we niet gelijk een verheven politiek ideaal. Zo schreef hij het gedicht “Entrückung”, verschenen in zijn dichtbundel “Maximin” in 1907. Een gedicht naar aanleiding van de dood van Maximiliaan Kronberger, een gymnasiast uit München, die George in 1904 had ontmoet, het jaar waarin de jonge man op zestienjarige leeftijd stierf. In deze verzen idealiseert hij hem als de “brenger van onze redding”, hij verheft hem zelfs tot een soort God. Maximin verschijnt als een gedenkboek dat in 200 exemplaren wordt gepubliceerd. Een van die exemplaren is waarschijnlijk in handen van Arnold Schönberg terecht gekomen. Deze gebruikt de tekst “Entrückung” in het laatste deel van zijn tweede strijkkwartet uit 1908.
Waarom doet Schönberg dat? Vond hij het alleen maar een mooi gedicht? Waarom werd hij er door geraakt? Had hij zelf misschien ook net een belangrijk iemand in zijn leven verloren? Zijn vader overleed al in 1889 en zijn moeder pas in 1921. Nee. De aanleiding zou misschien de affaire van zijn vrouw kunnen zijn. In die zomer waren ze bij de Traunsee, waar ze jaarlijks in een vakantiehuis vertoefden.
Daar was ook hun schildersvriend Richard Gerstl, van wie Schönberg schilderlessen kreeg.
Zelfportret 1907
Maar zijn vrouw kreeg een affaire met deze schilder. Arnold Schönberg was in die tijd als een bezetene bezig met zijn tweede strijkkwartet. Hij had het tweede en derde deel tijdens de vakantie aan de Traunsee al afgemaakt. Tijdens het schrijven van het vierde deel, of vlak daarna, voltrok zich deze persoonlijke ramp. Schönberg voelde zich compleet ontheemd. Het vierde deel is niet gedateerd in zijn handschrift maar was waarschijnlijk al klaar toen hij achter hun relatie kwam. Onwillekeurig ga je denken: zocht hij wellicht troost in zijn muziek? Hij besloot in ieder geval tot iets dat in die tijd ongehoord was. Het laatste deel stond niet meer in een toonsoort. Er kwamen geen voortekens meer te staan aan de sleutel. De atonaliteit was geboren. Het zat er al aan te komen, maar de beslissende stap werd nu gezet. Schönberg voelde bij de muziek geen grond meer onder zijn voeten, maar ook zijn steun en toeverlaat, zijn vrouw, deed net in die tijd de grond onder zijn voeten wankelen. De muziek begon te zweven. En om dat alles te onderstrepen gebruikte hij de tekst van Stefan George, met als beginregel “Ich fühle Luft von anderem Planeten”. George schrijft deze regel als eerbetoon aan de vroeg gestorven Maximiliaan Kronberger. Hij laat hem als een engel de aarde verlaten en een nieuwe ongekende wereld betreden. En de laatste twee zinnen: “Ich bin ein Funke nur vom heiligen Feuer, Ich bin ein Dröhnen nur der heiligen Stimme”, zijn voor Schönberg het hoogtepunt. De zangeres zingt nu krachtig zeer hoge tonen. Waar je deze tekst als een zeer nederig, bescheiden iets had kunnen neerzetten, daar geeft Schönberg er juist power aan. Wat bedoelt hij? Het loslaten van iemand is beangstigend, maar geeft ook kracht. Zo bedoelde Stefan George het waarschijnlijk ook. Zo was het ook bij het loslaten van de toonsoort. Schönberg ging met open vizier een ongewisse toekomst tegemoet.
Maar hij was nog niet van de ellende af. Zijn vrouw keerde dan wel bij hem terug, maar enkele maanden later pleegde de schilder Gerstl zelfmoord.
In december 1908 was de premiëre van het tweede strijkkwartet. De mensen snapten er niets van. Maar Schönberg gaf niet op. De nieuw ingeslagen weg ging maar één kant op: vooruit. En zoals Stefan George zijn volgelingen had, zo had Schönberg de zijnen.
In 1937 speelde het Kolisch Strijkkwartet in Los Angeles in samenwerking met Schönberg al diens vier strijkkwartetten.
Schönberg vond het belangrijk om te laten zien dat zijn muziek voortkwam uit een traditie, waarin de late strijkkwartetten van Beethoven zijn voornaamste inspiratiebron vormden. Vier concerten werden er toen gegeven, steeds speelde men een strijkkwartet van Schönberg gevolgd door een strijkkwartet van Beethoven. Het Kolisch kwartet was fenomenaal. Het speelde indertijd alles uit het hoofd. Van die concerten zijn toen opnames gemaakt en ook is er een inleiding op deze grammofoonopnamen geregistreerd, met o.a. de stemmen van Arnold Schönberg en die van eerste violist Kolisch.
De muziek van de registratie van de vier concerten kun je op spotify terughoren.
Zaterdag was het tweede concert van de strijkkwartet marathon van het Quatuor Diotima. Ze speelden precies hetzelfde als wat er gespeeld werd tijdens het tweede concert van het Kolisch quartet in 1937: het tweede strijkkwartet van Schönberg, gevolgd door op. 130 en 133, de Grosse Fuge, van Beethoven . Nu was er nog als extraatje deel 3a , 3c en deel 5 uit “Livre pour Cordes” van Pierre Boulez. Ik wist dat het een bijzondere middag ging worden. En deze overtrof mijn verwachtingen. Bij het laatste deel van het strijkkwartet van Schönberg kreeg ik tranen in mijn ogen. De dood van de tiener Maximiliaan werd bezongen. Met het heroïsche slot dat Schönberg er aan gaf. En de wonderschone tekstopening met “Ich fühle Luft von anderem Planeten”. Niet te snel, vooral niet te hard. Met een intens gevoelige strijkersklank. Precies zoals ik me voorstel dat Schönberg het bedoeld heeft. Ik heb inmiddels een cd-opname met het Quatuor Diotima. Wel met een andere solist, Sandrine Piau. Daar klinkt de tekstopening zo:
En dan heb je nog de heerlijk walsende deeltjes van het tweede deel, een soort scherzo, waarin grappig het straatliedje “O du lieber Augustin” verwerkt zit:
O, du lieber Augustin, Augustin, Augustin, O, du lieber Augustin, alles ist hin.
Geld ist weg, Mäd’l ist weg, Alles hin, Augustin. O, du lieber Augustin, Alles ist hin.
Dit tweede deel, het scherzo, kwam 27 juli 1908 aan de Traunsee af. Ja, het Mädl was weg. Dat was op die datum nog niet het geval. Gerstl schilderde rond die tijd de gelukkige familie Schönberg.
Het expressionisme is er al, als hij nog langer geleefd had was hij wellicht ook abstract gaan schilderen.
Toen ook het laatste deel van het strijkkwartet af was, niet lang daarna, ontdekte Schönberg de relatie die Gerstl en zijn vrouw inmiddels hadden. Het liefdeskoppel ging terug naar Wenen. Schönberg bleef doodongelukkig met zijn nieuwe partituur achter. Leerlingen van hem hoorden van het voorval en zochten mevrouw Mathilda Schönberg op. Ze wisten haar over te halen de verhouding met Gerstl te verbreken. Voor Schönberg was dit moment het begin van zijn atonale periode. Geen grondtoon meer. Maar ook geen basis meer in zijn hoofd. Zijn geestesstemming is duidelijk zichtbaar in onderstaand zelfportret uit 1910, het beeld van een diep gekwetst man. Dit is misschien wel het meest schrikwekkende zelfportret dat ooit iemand van zich zelf heeft gefabriceerd. Hij zat in een enorme persoonlijke crisis, waar hij zich weer uit moest worstelen.
Het laatste stuk dat er gespeeld werd zaterdag was de “Grosse Fuge” van Beethoven. Het hels moeilijke huzarenstukje dat Beethoven op het einde van zijn leven nog schreef. Het wordt meestal te voorzichtig gespeeld, want de kans op er uit vliegen is zeer aanzienlijk. Zo niet bij het Quatuor Diotima. Onverschrokken koppelden ze het aan de lieflijke Cavatina van het er aan voorafgaande op.130. Toen alle strijkers het hoofdthema hadden ingezet en de eerste fuga vol pure energie op gang gekomen was schoten de tranen bij mij in de ogen. Op het einde, bij de inzet van de cello die met een lange grommende toon de laatste woeste fase aankondigde was ik blij dat niemand me kon zien. Ik zat domweg te huilen van pure emotie. De spelers moesten kapot zijn na afloop. Bij Boulez waren de haren van de strijkstok van Yun-Peng Zhao al gebroken. Hij had maar een nieuwe strijkstok voor het kwartet van Beethoven genomen. En dat was wel nodig ook. Wat een concentratie, betrokkenheid, eenheid en subtiliteit, afgewisseld met energie toonden de spelers. Dit alles zit in de muziek, maar zij konden het laten klinken. Het Quatuor Diotima. En ook de zangeres, Sara Maria Sun was fenomenaal. Zó moet “Entrückung” gezongen worden!
Stefan George, Richard Gerstl, Arnold Schönberg. Zij waren tijdgenoten. In 1908 waren ze dramatisch dicht bij elkaar. Op 18 november 2017 waren ze er nog een keer. Voor mij. In Amsterdam.
‘Bestaat nultig?’-Deze filosofische vraag stelde mijn oudste kleinzoon van vier gisteren aan mijn vrouw. Je hebt twintig, dertig, veertig. Wie weet is er ook een “nultig”, moet hij gedacht hebben. Wat nul is, daar is hij voortdurend mee bezig. ‘Moet je poepen’- vroeg ik hem gisteren. ‘Nee ik heb nul poep’. -‘Nog minder dan nul poep’, voegde hij er aan toe.
Ook dat is sinds kort iets nieuws voor hem. Hij ziet onderweg al een hele tijd als we langs een tankstation komen het “graden” teken, een soort kleine digitale 0. Daar wilde hij alles van af weten. Mijn vrouw legde hem onlangs uit: ‘Hier staat een thermometer. Die laat zien hoe warm het is. Nu is het 6 graden celsius. Als het 0 graden celsius is dan bevriest water en wordt het ijs. En het kan nog kouder worden. Het kan -1, -2 worden’. Gisteren vroeg hij aan me of de school open was bij -1 graden celsius. Verwonderd keek ik hem aan. Had iemand het met hem wellicht over “ijsvrij” gehad? Dat was niet het geval. Hij probeerde zich voor te stellen hoe koud het wel niet moest zijn bij -1 graden en het leek hem logisch dat dan de school dicht zou zijn. “Nul” is opeens een veel breder begrip geworden. Zijn jongste zusje was eerst 0 jaar maar is afgelopen dinsdag 1 jaar geworden. Je kunt dus al bestaan en toch 0 jaar zijn! Tot voor kort verbeeldde “nul” het grote niets.
Nu bedenkt hij dat “nultig” misschien wel iets dergelijks is. Een mooie gedachte. Nul is niet altijd niks, zo blijkt. Maar “nultig”, als dat bestaat, dat moet dan toch echt wel helemaal, helemaal niets zijn. In de nultiger jaren was er nog geen zon en geen aarde. Toen was er niets.
Gisteravond bracht ik hem na een oppasmiddag weer naar huis. Daar lagen Woezel en Pip op hem te wachten. Om samen met hem veilig daarna in bed te gaan liggen. Gezellig, met zijn drieën. Lekker “drietig”, anders zou hij verdrietig worden.
Toen Boulez bijna twee jaar geleden overleed was er veel aandacht voor zijn functioneren als dirigent. Als hij twintig jaar eerder was dood gegaan zou er waarschijnlijk vooral aandacht zijn geschonken aan zijn kwaliteiten als componist. In de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw kon je niet om hem heen. Maar toen, in 2016, was zijn muziek compleet uit de mode, had afgedaan, evenals ook trouwens het meeste werk van de Tweede Weense school. (Schönberg, Berg en Webern). De consonant heeft een enorme revival gehad en alles wat dissonant is is al een tijd uit den boze. Als Reinbert de Leeuw iets laat horen zie ik Paul Witteman moeilijk kijken, zo van “moet dat”. Iets minder sterk zie je dat ook met de acceptatie van abstracte beeldende kunst.
Maar voor mij is die muziek totaal niet passé. Kwaliteit staat los van consonant of dissonant. De componist moet wel iets te vertellen hebben. Dat is bij leden van de Tweede Weense school vrijwel altijd het geval. Of dat altijd even goed lukt is een tweede. Voorbeelden van stukken waar het goed gelukt is zijn de kleine stukken voor strijkkwartet of orkest die Webern en Schönberg schreven zo vlak voor de eerste wereldoorlog. Een fenomenaal stuk is ook Pierrot Lunaire van Schönberg. De opera Wozzeck van Alban Berg blijft ongelooflijk goed.
Over een week is er weer iets te horen, in dit geval vier strijkkwartetten van Schönberg. Maar tijdens deze strijkkwartet marathon van 17-19 november in het Muziekgebouw aan het IJ worden ook delen gespeeld uit het “Livre pour quatuor à cordes” van Boulez. Is dat ook zulke goede muziek? Ik probeer er voor mezelf achter te komen.
Boulez begon op 23-jarige leeftijd met het schrijven van deze compositie. Dat was in 1948. Oorspronkelijk wilde hij geen maatsoorten gebruiken. Het bleek een hels moeilijk stuk te zijn geworden. Hij heeft zelfs nog overwogen om het door meerdere dirigenten te laten dirigeren. Het werd uiteindelijk voor het eerst gespeeld in 1956. Daarna heeft hij delen ervan omgewerkt voor strijkorkest in 1968. Maar uiteindelijk tussen 2002 en 2012 heeft Boulez het hele werk in samenspraak met het Quatuor Diotima herzien. Ik lees dat het stuk sterk is beïnvloed door het late werk van Webern maar ook door het gedachtengoed van Messiaen. Wat betreft Webern: dat klopt: het eerste deel herinnert mij sterk aan het, eveneens eerste deel, van zijn strijkkwartet op. 28. Misschien dat het in ritmisch opzicht ook invloeden van Messiaen vertoont. Daarvoor zou ik de partituur moeten bestuderen. Ik hoor het er in ieder geval niet aan af.
Boulez zei over dit stuk vlak voor zijn dood dat het gemaakt was zowel “vol met opzettelijk gemaakte sobere naaktheid als vol van de meest uitbundige uitbundigheid”.
Andrew Clements schreef bij de cd-recensie van het Diotima Kwartet voor de “Guardian”: ‘het werk is soms verrukkelijk mooi, soms huiveringwekkend desolaat; het is in veel opzichten het meest onthullende persoonlijke werk dat Boulez ooit heeft gecomponeerd.’
Ik heb een aantal delen zoals gespeeld door het Diotima Kwartet beluisterd. Het is moeilijk voor zelfs een geoefende luisteraar als ik om er vat op te krijgen, zoals ook de late werken van Webern moeilijk zijn. Na een aantal keren luisteren lukt het wat beter. Een kort deeltje van ruim een minuut wil ik hier enigszins bespreken.
Je kunt dit stukje onderverdelen in 6 frases. Deze worden gescheiden door duidelijke ademhalingsmomenten. Binnen elk deel zijn alle strijkers sterk op elkaar gericht, ze reageren op elkaar en ademen met elkaar. De laatste drie van deze 6 frases kun je ook als een geheel zien, zo kun je spreken van frase 1, 2, 3, 4a, 4b, en 4c
Een weergave van de dynamische amplitude levert onderstaand beeld op, de zes frases zijn hier te onderscheiden, de eerste drie frases zijn heel kort:
Frase 1: Je hoort lange noten achtereenvolgens van laag naar hoog (flageolet) met twee keer een pizzicato toon er doorheen en tot slot een langere toon in een middenregister. Je hoort eigenlijk een soort inademing en de laatste toon met de rust die er op volgt ervaar ik als een uitademing. Het dynamische niveau is laag.
Frase 2: Een heel kort nerveus motiefje, ook door enkele partijen van elkaar overgenomen, afgerond met een pizzicato. Je kunt zelfs bijna niet horen hoeveel tonen er nu eigenlijk worden gespeeld. Het dynamische niveau is hoog, maar eindigt laag.
Frase 3: Weer enkele snelle nerveuze motiefjes met ook pizzicato tonen, uiteindelijk eindigend met een lange, zacht klinkende toon. Het dynamische niveau begint hoog en neemt snel af.
Frase 4a: Vanaf dit deel hoor ik een duidelijke puls in een soort langzame andante beweging. Nu zou ik de partituur wel eens willen zien om te kijken of dat daar ook wordt gesuggereerd. Deze puls blijf ik tot het einde van het hele deel (4c) voelen. Je hoort in dit deeltje aan de ene kant lange tonen in de hoogte, anderzijds in een middenregister, die door de verschillende muzikanten overlappend gespeeld worden, min of meer begeleid door pizzicato tonen. Op het einde klinkt een lange toon, overgaand in frase 4b.
Frase 4b: Nog steeds is er dus een andante beweging maar er ontstaat een spanningsopbouw doordat de motiefjes elkaar sneller opvolgen en ook het volume iets toeneemt. Bovendien schieten er af en toe schichtige motiefjes als in frase 2 door heen. Ook nu weer is er op het einde een korte afbouw. Je kunt in de afbeelding van de amplitude hier onder zien waar het dynamische niveau het hoogst is. Dit stukje vormt de tweede fase van de ontwikkeling van de motiefjes van fase 2 en 3.
Frase 4c: Na een wat langere toon die zacht wordt gespeeld ontstaat er weer een opbouw als in 4b, nu met op einde vooral de snelle schichtige motiefjes, waarna het hele deel plotseling wordt afgesloten. Dat snelle afsluiten kennen we: zo werd ook het motiefje van frase 2 afgesloten. Het dynamische niveau is vlak voor het einde het hoogst.
De bouwstoffen van het hele deel vormen de wat langere tonen die meestal in twee lagen overlappend worden gespeeld, de pizzicato-tonen die accentjes zetten en het schichtige snelle motiefje dat het contrast motief vormt. De vorm wordt bepaald door de voelbare ademhaling van de 4 delen, waarbij deel 4 een soort ontwikkeling is en nog valt onder te verdelen in drie frases. De spanning wordt verder vormgegeven door lichte tempoverschillen, verdichtingen in de opbouw en door de dynamiek.
Luister naar het hele stukje, gespeeld door Quatuor Diotima:
Hoe moet je je naar mijn mening als luisteraar opstellen. Luister meer naar ritme dan naar iets van melodie zou ik zeggen. Alles is dissonant, maar je moet door het ontbreken van consonantie zeker niet afhaken. Wel hoog/laag en registerspel zijn belangrijk. Ik probeerde er een keer naar te luisteren alsof ik naar een gesprek luisterde, waarbij de emoties hoog opliepen. Ik hoorde warempel een verhaaltje! Het zien van het concert en het genieten van het uitzonderlijk bekwame samenspel helpt ook!Luister naar het samen ademen van de vier strijkers en de daardoor ontstane fraseringen.
Persoonlijk ben ik nog niet echt overtuigd. Webern pakt me veel meer en hem begrijp ik meestal ook. Maar deze korte stukjes zijn wel prikkelend, nieuwsgierig makend. Het is zeker geen onzin-muziek. Zoals veel hedendaagse muziek dat naar mijn idee wel is. Ik ben er 18 november bij. In combinatie met Schönberg en de late Beethoven een bijzondere reeks concerten.
Onder de rook van het Botlekgebied bij Rotterdam ligt misschien wel het mooiste natuurgebied van Nederland: de duinen van Oostvoorne. De Noordzee is er getemd dankzij de aanleg van de eerste en de tweede Maasvlakte. Maar de duinen blijven uniek. Het hele gebied is voor het grootste deel eigendom van Natuurmonumenten en van het Zuid-Hollands landschap. Vroeger kon je er alleen in als je lid was van een van beide verenigingen. Ik ben al meer dan dertig jaar lid van allebei. In die tijd was je daar helemaal alleen. Maar zelfs nu valt de drukte nog steeds erg mee. Op een maandag als vandaag kom je er waarschijnlijk alweer vrijwel niemand tegen. En dat terwijl het gebied in elk seizoen zijn eigen charme heeft. Tussen 2010 en 2015 heb ik geprobeerd om alle seizoenen vast te leggen van het gebied. De website die daar over gaat vind je hier:
Maar het gebied blijft veranderen. Het is een nat duingebied waar in tegenstelling tot andere duingebieden nooit grondwater is weggepompt voor de drinkwatervoorziening. De lagere delen zijn zo altijd erg nat. In bepaalde seizoenen zijn veel van de paden alleen begaanbaar met laarzen. De natuur wordt de laatste jaren steeds meer een handje geholpen door de mens. Er zijn grote delen open gekapt, op bepaalde delen grazen winterharde rundersoorten. De binnenste delen van de duinen zijn in de loop der eeuwen langzaam verbost. Zoals het gebied Strypemonde, of het landgoed Mildenburg. Heerlijke gebieden voor een wat meer gewone boswandeling. Maar ik vind de andere gebieden nog veel aantrekkelijker. Door de hoogteverschillen loop je het ene moment in een moerassig gebied met varens en in het voorjaar hoor je er de nachtegalen. Het andere moment bevind je je in een zanderig gebied met hagedissen, en zie je driekleurige viooltjes en grote toortsen. Ik weet de plekken waar altijd vanaf augustus veel parnassia’s staan of het duizendguldenkruid (een lid van de gentiaanfamilie). Of waar in mei en juni de vele orchideeën te vinden zijn. Je hebt hier geen last van de min of meer tamme populaties van vossen of damherten zoals in het Amsterdamse drinkwaterleidinggebied. Nee, hier is alles nog redelijk natuurlijk. Met wat geluk kom je er een of meer reeën tegen.
Het meest zuidelijke deel van de duinen is het gebied rond Quakjeswater. Net als het Breede Water meer in het noorden is dit meer ontstaan door een duindoorbraak eeuwen geleden. Inmiddels is het water er zoet, door nieuwe duinvorming is het al lang weer afgezonderd van het zilte zeewater. In de tachtiger jaren van de twintigste eeuw hebben zich zowel hier als bij het Breede water aalscholvers gevestigd, net als lepelaars. Het aantal aalscholvers is de laatste jaren schrikbarend toegenomen. Bij de uitkijkpost stond een vogelaar die een telling begonnen was. Dat was ondoenlijk. Maar aan de hand van een nauwkeurige telling van wat hij zag op een bepaald stukje, en dat vermenigvuldigd met een factor van wat hij ruwweg nog meer zag, kwam hij op een aantal van tussen de 500 en 800 vogels deze middag bij het Quakjeswater. En veel vogels zijn daarnaast nog uiteraard aan het fourageren in de Noordzee.
Het gebied rond het meer is heerlijk. Het pad waarmee je er helemaal om heen kunt lopen is geliefd bij veel wandelaars die ervan houden om een uurtje te wandelen. Met een kleine uitbreiding richting noorden krijg je er echter een heel stuk moois bij, en daar kom je zelfs op een mooie zondagmiddag bijna niemand meer tegen. Ik deed het gisteren, 5 november.
Ik keek om me heen. Mmm. De rijke natuur van de andere seizoenen leek nu toch wel helemaal verdwenen. Maar nee. Als je goed observeerde zag je nog veel laatbloeiers. Ik zag veel biggenkruid en jacobskruiskruid. Veel minder, maar toch: bloeiende boterbloemen, speerdistels, nog enkele teunisbloemen, duizendblad, kamille, moerasandoorn, vleugeltjesbloem, witte dovenetel, dagkoekoeksbloem, brunel, wilde tijm, zeepkruid en zo nog het een en ander. Daarnaast zag je de prachtige rozetten van tweejarige planten die volgend jaar pas gaan bloeien. En natuurlijk waren er ook nog dauwbramen, die zie je bijna het hele jaar door. Ook zag ik enkele gewone bramen, in de diverse stadia: van bloem tot groene, rode, paarse en rijpe zwarte bes. Ik zag velden vol met uitgebloeid koninginnenkruid. En niet te vergeten de bessen van andere struiken en bomen, zoals die van de hondsroos, de duindoorn met zijn vitaminerijke oranje besjes, de wilde liguster en de wilde kardinaalsmuts.
Ook zag ik vrij veel paddenstoelen. Sommige houden van de grote strontvijgen van de Galloways. Maar ook zag ik de prachtige stadia van ontwikkeling bij een voor mij onbekende paddenstoel.
En wat was er een mooie lichtval, vooral ook door de laagstaande zon.
In de volkskrant op zaterdag mag elke week iemand iets van zijn persoonlijke voorkeuren vertellen. Deze week was fotograaf David Lachapelle aan de beurt, die vooral veel pop-iconen heeft gefotografeerd. Zijn favoriete plaats om te zijn was “de natuur”. Daar kan ik me bij aansluiten. En Nederland heeft nog steeds enkele schitterende plekken.
In onderstaande film heb ik een impressie gemaakt van wat ik gistermiddag allemaal tegen kwam in de omgeving van Quakjeswater. Op een mooie novembermiddag. Zo maar. Hélemaal gratis. De achtergrondmuziek bij dit filmpje is van mezelf. Het is een gitaararrangement van een vocale compositie uit 2015.
Wanneer raak je bij muziek in vervoering? Dat is voor iedereen anders. Sommige componisten willen dat afdwingen. Zoals Schönberg in het laatste deel van zijn tweede strijkkwartet. In het gedicht van Stefan George, waar ik eerder over schreef, werkt voor mij het “in vervoering raken” het sterkst bij de eerste tekstregel: “Ich fühle Luft von anderem Planeten.” De begeleidende akkoorden door de strijkers in het hoge register brengen je naar een onbekende, magische wereld. Dat is symbolisme op en top: een en al suggestie en fantasie. Als daarbij goed gezongen wordt, zoals Stefan George die tekst bedoeld heeft maar vooral ook hoe Schönberg denk ik wil dat die gezongen wordt, dan kan er bij de luisteraars iets ontstaan dat je in een staat van verrukking brengt. Het woordje “Luft”, “lucht” is hier het toverwoord, daar gebeurt het wat mij betreft. Niet elk strijkkwartet krijgt dat voor elkaar. Niet elke sopraan kan dat even goed. Ook de kleur van de stem is belangrijk. Daarnaast zijn het tempo, de dynamiek, de articulatie en de sterkte verhoudingen van grote invloed. Maar de uitvoerenden moeten het voelen en dat gevoel proberen over te brengen. Natuurlijk kan ook de akoestiek in de zaal of de registratie van een opname een bepaalde invloed hebben. Maar alleen als deze opvallend storend is, in alle andere gevallen ben ik geneigd vooral naar de kwaliteit van de uitvoering van de muzikanten te luisteren. Ik heb negen opnamen op Youtube beluisterd. Hieronder staan de namen van de uitvoerenden. Daarna de negen fragmenten waarin deze begintekst gezongen wordt.
Musicians from Ravinia’s Steans Institute, Mary Elizabeth Mackenzie, soprano
Hausmann Quartet, AnnMoss, sopraan
The Sequoia String Quartet, Bethany Beardslee, soprano
New Vienna String Quartet, Evelyn Lear, soprano
Arditti Quartet, Dawn Upshaw soprano
Jesse Mills & Owen Dalby, violins Jonathan Bagg, viola; Greg Hesselink, cello, Tony Arnold soprano
Amernet String Quartet, Rachel Calloway soprano
LaSalle Quartet, Margaret Price soprano
TMC fellows, Mary Bonhag soprano
1-
2-
3-
4-
5-
6-
7-
8-
9-
Ik heb zo mijn voorkeuren. Ik ben benieuwd wat de lezers van dit blog er van vinden, laat het mij horen!
Vervoering, wat een prachtig woord! Iemand kan in vervoering zijn. Hij is dan in een staat van verrukking, hij is buiten zinnen, niet meer helemaal van de wereld. In het Duits noem je dat “Entrückung”. In het Engels is het “Rapture”.
Rond 1900 konden ze er wat van, van in vervoering raken. Een van de belangrijkste kunststromingen in die tijd was die van het symbolisme. Dichters maakten teksten met een onheilspellende sfeer, en een dreigende, of in ieder geval een suggestieve lading. In de schilderkunst moet je daarvoor niet zijn bij de tuinen van Monet, nee, veeleer bij de schreeuw van Munch, de schilderijen van Whistler, of bij de late werken van van Goch. En wat vind je van dit schilderij van Richard Gerstl? Je ziet een weg maar hij belooft niet veel goeds naar mijn gevoel.
Maeterlinck is een dichter die teksten maakte waar zowel Debussy als Schönberg door geïnspireerd raakten en die hun fantasie prikkelde. Iets later was Schönberg zeer gefascineerd door de teksten van Stefan George, ook een symbolist. Schönberg gebruikte deze als basis voor veel liederen maar ook werden ze gebruikt in zijn tweede strijkkwartet. Het derde en vierde deel van dat kwartet zou je kunnen zien als twee afzonderlijke liederen met een begeleiding van strijkers.
Dit tweede strijkkwartet wordt door velen beschouwd als het muziekstuk waar de definitieve doorbraak naar de atonaliteit plaats vindt. De tonica, de toon welk het fundament is van een muziekstuk, wordt losgelaten. Alle twaalf de tonen worden min of meer gelijkwaardig. De dissonant is volwassen. Dissonanten beschouwt Schönberg als ver weg gelegen consonanten, het is voor hem slechts een gradueel verschil. De echte doorbraak in dat opzicht vindt pas plaats in het laatste deel. Los van dit belangwekkende historische moment is met name ook dat vierde deel gewoonweg een prachtig stuk. De nieuwe weg die hier ingeslagen werd was voor Schönberg en zijn leerlingen richtinggevend tot rond 1922. Toen ontstonden er weer andere concepten. Persoonlijk vind ik de stukken uit de periode 1908-1922 (de zogenaamde vrije atonale periode) het meest interessant bij deze componisten.
Ik wil nu iets meer vertellen over dit laatste deel van het tweede strijkkwartet uit 1908. Ik vind het een geweldig stuk. Maar dat was bij de premiere niet zo. Maria Gutheil-Schröder, een gevierde zangeres van de hofopera, vertolkte de zangpartij en het Rosékwartet bespeelde de strijkinstrumenten. Tijdens het eerste deel was het publiek nog stil. Na de eerste maten van het tweede deel begon het grootste deel van de toehoorders te lachen en vervolgens verstoorde men ook de laatste twee delen. Het was zeer moeilijk voor de strijkers en de zangeres om nog geconcentreerd te blijven bij dit moeilijke stuk. Opvallend genoeg werd het weer stil bij de instrumentale coda aan het einde van het laatste deel. Schönberg liet zich niet uit het veld slaan. Er kwam een tweede uitvoering. Op het toegangsbiljet kwam te staan dat dit toegang gaf tot het bijwonen van een muzikale voorstelling waarin men geacht werd slechts rustig te luisteren, applaus of gesis en dergelijke werden niet op prijs gesteld.
Het kwartet heeft Schönberg opgedragen aan zijn vrouw. Beweerd wordt dat hij het aanvankelijk aan Rosé had opgedragen, de voorman van het Rosékwartet. Dat hij het aan zijn vrouw opdroeg moet gezien worden in het licht van persoonlijke gebeurtenissen. In datzelfde jaar was zijn vrouw een relatie begonnen met de schilder Gerstl, van wie ik al een schilderij liet zien. Deze man gaf ook les aan Schönberg. Hij woonde in dezelfde straat enkele huizen verder. Schönberg was er helemaal kapot van. De relatie dreigde uit de hand te lopen in de zomer toen ze in de bergen vakantie vierden. Mevrouw Schönberg leek haar man verlaten te hebben. Leerlingen van Schönberg zochten haar op, spraken met haar en toen besloot ze tot hem terug te keren. In het najaar beroofde Gerstl zich van het leven. Bovenstaand schilderij maakte hij een jaar eerder.
Het was de tijd van de “femme fatale”. De vrouw was zich aan het vrijvechten. Het is een onderwerp dat veel speelde in die tijd, ook in gedichten en in de literatuur. Alma Mahler had nog voordat haar man Gustav overleed meerdere affaires. Het beroemde strijksextet “Verklärte Nacht” van Schönberg is gebaseerd op een tekst waarbij een vrouw die een kind van een ander heeft het bos in vlucht. Haar man gaat haar achterna en beiden verzoenen zich. De man wil graag de vader van het nog ongeboren kind zijn. Dit muziekstuk, een strijksextet, is uit 1899, dus van negen jaar eerder. Maar Schönberg stelt zich net als die man verzoenend op en draagt zelfs het nieuw geschreven strijkkwartet op aan zijn ontrouwe vrouw.
Deel drie en vier kun je dus beschouwen als liederen met begeleiding van strijkkwartet. Om de delen echt te doorgronden zul je je dus eerst in de tekst van Stefan George moeten verdiepen. Hier de tekst van het laatste deel.
De titel van het gedicht is vervoering, verrukking zo je wilt, waar ik al eerder over sprak. Een magisch, suggestief woord. (Vertaling: Ineke Reisiger)
Vervoering
Ik voel de lucht van een andere planeet. De gezichten verbleken voor mij door de duisternis die zich zonet nog vriendelijk tot me keerden.
En bomen en paden waar ik van hield worden vaal zodat ik ze nauwelijks meer herken en jij, lichte geliefde schaduw – die mijn kwellingen roept
bent nu volledig opgegaan in een diepere gloed Om na afloop van het getuimel van het strijdgewoel als een vrome siddering te bekoren.
Ik ga op in klanken, cirkelend, wevend, van diepste dank en niet benoemde lofuitingen mezelf zonder wensen overleverend aan de grote adem.
Een wilde stormwind komt over mij , in de roes van de wijding waar hartstochtelijke schreeuwen van in het stof geworpen bidvrouwen smeken
Dan zie ik hoe geurige nevelen opstijgen in een zonnige heldere open plek die slechts ver weg gelegen berghellingen omhullen.
De grond trilt wit en zacht als wei. Ik klim over monsterachtige kloven. Ik voel hoe ik over de laatste wolk heen
in een zee, met een kristallen glans zwem – Ik ben slechts een vonk van het heilige vuur Ik ben slechts een nadreun van de heilige stem.
De tekst lijkt in eerste instantie inhoudelijk door te lopen als een geheel, onderverdeeld in telkens drie bij elkaar horende versregels. Maar toch is er ook sprake van een verdere indeling.
Het eerste deel bevat de eerste negen regels. Beschreven wordt hoe de dichter als in een droom alles ziet vervagen. Zijn eigen schaduw gaat over in een regenbui.
Het tweede deel van zes regels beschrijft hoe hij als persoon overgaat in slechts klanken en intussen het geluid van hartstochtelijk schreeuwen hoort.
Het derde deel van weer negen regels (7+2) beschrijft hoe hij op een open en zonnige plek komt en uiteindelijk voelt dat hij een nietig onderdeel is van hetgeen het opperwezen (?) gemaakt heeft. Dat laatste wordt pas duidelijk overigens in de laatste twee regels, die je zo ook als hoogtepunt zou kunnen beschouwen.
Schönberg houdt deze indeling aan. Wel zet hij de eerste regel nog als een soort titel apart, en ook dus de laatste twee regels.
Maar voordat er gezongen wordt, wordt er eerst een sfeer neergezet. De motiefjes a van telkens 8 noten in de strijkers gaan omhoog en omlaag en nemen het van elkaar over. Naar mijn gevoel moet dit heel vluchtig klinken en elk motiefje naar boven moet bijna weg ijlen, maar dit hoor ik bij geen enkele opname die ik kan vinden. Schönberg zet er toch niet voor niets ppp (piapianissimo) bij!
Na dit eerste instrumentale stukje komt er een tweede met een heel markant, repeterend motief b, op het einde weer overgaand in iets dat lijkt op het eerste motief. De sfeer is door de overmatige kwart in de melodie, maar ook door het repeterende karakter heel apart, een soort onheilspellend iets, vanuit de verte?
Hierna lijkt het er op dat motief b hernomen wordt, maar nu met een heel andere , milde articulatie (legato), als voorbereiding op de aanhef van de zangeres: “Ich fühle Luft von anderem Planeten.” Zo gauw deze tekst komt zetten de strijkers op een prachtige manier een hemelse sfeer neer met ijle en opvallend consonante akkoorden. Het eerste akkoord wringt nog een beetje, maar daarna horen we een majeur Eb akkoord, een quasi-pentatonisch akkoord, een mineur akkoord van C bij het woordje Luft, een geheimzinnig hele toons-akkoord, een spannend mineur-majeur zeven akkoord, en dan nog twee grote drieklanken in de tweede omkering, die van G en F#. De strijkers maken een mooie tegenbeweging met de zanglijn. Een aparte sfeer ontstaat zo, ook door de wijde liggingen waarin de akkoorden gespeeld worden. Die andere planeet, waarvan de geur opstijgt, die is zo gek nog niet!
De melodie en ook de begeleiding van dit tekstdeel gaat over in meer onstuimige fragmenten, waarbij de muziek de tekst volgt. Dit gaat in golven op en neer en dan opstuwend naar een climax. Daar komt het tweede tekstdeel “Ich löse mich in Tönen”, “ik ga op in tinten”. De sfeer is hier nog steeds heel geladen, maar de samenklanken zijn redelijk mild.
Het laatste deel begint met een korte instrumentale inleiding, gebaseerd op het markante motief b. Als dan de tekst komt “Dann seh ich wie sich duftige Nebel lüpfen” horen we ook weer het inleidende motief a.
Dit heeft tot gevolg dat je ook aan deze elementen kunt horen dat het stuk nu bijna is afgelopen. Maar zover zijn we nog net niet. Schönberg zet zoals gezegd de laatste twee regels apart. Zowel instrumentaal als ook vocaal is dat dan een hoogtepunt.
Dit stuk gaat uiteindelijk over in een instrumentale coda. Hoe atonaal het vierde deel ook klinkt, de slotklank is een welluidend majeur F# akkoord. Schönberg laat ons met een goed gevoel achter. zoals hij dat ook al bij Verklärte Nacht deed. Maar het is een verhaal vol tegenstrijdigheden, met onduidelijke dingen, een onheilspellende sfeer en met onzekerheid. Het weerspiegelt de tijdgeest, maar ook de gemoedstoestand van de componist. Hij is wel vergevingsgezind. Maar hij is ook onzeker over zich zelf. Maar niet over zijn muziek!
Dan nog het complete kwartet, waarbij je zo gewenst de partituur tijdens het luisteren kunt mee volgen. Voor alleen het vierde deel moet je beginnen op 19:50 minuut
Er komen heel bijzondere concerten aan in november 2017. Alle strijkkwartetten (vier stuks) van Schönberg kun je horen op een strijkkwartet marathon in het Muziekgebouw aan het IJ! https://www.muziekgebouw.nl/festival/strijkkwartetmarathon/
Het Quatuor Diotima speelt namelijk van 17-19 november tijdens vier concerten deze kwartetten, steeds in combinatie met een kwartet van Boulez en een van de late strijkkwartetten van Beethoven. Ik ga naar het tweede concert waar o.a. strijkkwartet 2 van Schönberg klinkt. Ik heb er zin in!
Sinds enige tijd is mijn kleinzoon van 4 gefascineerd door dingen die met verhoudingen te maken hebben. Als je bij ons naar buiten loopt kom je bij een natuurterrein. Dat is ongeveer 500 meter breed en je kunt er helemaal doorheen lopen. Op het einde zie je nog steeds ons huis. ‘Opa kijk, jouw huis is heel klein’. Op de terugweg: ‘Opa kijk, jouw huis wordt steeds groter!’ In een boek over ons zonnestelsel staat een afbeelding van de aarde samen met de maan, waarbij de maan veel groter is afgebeeld. ‘Opa, deze foto is gemaakt toen je vlak bij de maan was, want de aarde is hier klein’.
Ook vroeg hij laatst: ‘als je op Saturnus bent is het daar dan plat?’ En vervolgens wilde hij dat van alle andere planeten ook weten. Hij zou wel met een raket naar Saturnus willen. En dat terwijl hij niet in de Metro durft te stappen… Doordat hij elke week een keer mee naar het zwembad gaat is hij ook gefascineerd geraakt door het begrip “diep”. ‘Oma tot hoever loopt het “ondiep” ‘ Oma zegt: ‘tot zover je nog kunt staan. Maar kijk, ik kan nog veel verder staan. Pas als je niet meer kunt staan, dan is het diep.’ Een tijdje later is hij in het pierenbadje. We hebben een knuffeldier thuis, een zeehondje. Dan merkt hij op: ‘voor het zeehondje is het hier diep’.
Feitelijk is hij bezig met het ontdekken van de relativiteit van begrippen. In de Volkskrant bij Sir Edmund stond vandaag een artikel over mensen die in de ruimte zijn geweest. Stuk voor stuk hebben ze een ervaring gehad die tot gevolg had dat ze de aarde wilden redden. Ze worden een ander mens door de aanblik van de aarde. ‘We zijn allemaal astronauten van het ruimteschip aarde’ schreef Wubbo Ockels in een afscheidsbrief voor zijn dood. André Kuipers zette zich in voor een duurzamere wereld en werd ambassadeur van het wereldnatuurfonds. Socrates zei al in de vierde eeuw voor Christus: ‘De mensheid moet boven de aarde uitstijgen, naar de top van de atmosfeer en verder. Alleen dan kunnen we de wereld begrijpen waarin we leven.’ Op youtube is er een documentaire gewijd aan dit fenomeen, het “overview effect.”
Door ons klein te maken krijgen we inzicht. Als we ons zouden kunnen inleven in de ervaringen van een bacterie zouden we waarschijnlijk nog veel meer inzicht krijgen. We kunnen om een overview te krijgen de ruimte ingaan. Maar kijk om je heen. Om een overview te krijgen hoef je niet ver van huis. Maar het is niet makkelijk.
De twee foto’s op deze pagina zijn afkomstig uit het boek “Het zonnestelsel” door Marcus Chown, in een vertaling van Govert Schilling. Het beste van de meer recente boeken over ons zonnestelsel dat ik ben tegengekomen. Nog te krijgen viahttps://ramsj.nl/winkel/het-zonnestelsel-2/
Vlakbij Exloo ligt “het Molenveld”. Vanaf ons huisje liep je er zo naar toe. Wat een prachtig natuurgebied hebben die mensen daar, zo maar om de hoek. Stak je de provinciale weg, de N34 over, dan kwam je in de nog meer uitgestrekte “Boswachterij Odoorn” uit. Er zat een eenzame schaapsherder met zijn kudde. Twee dagen begonnen met een beetje motregen. We gingen gewoon zitten op de paraplu. Maar ook felle zon. En tussen het talrijke veenmos of onder de dennen zag je overal paddenstoelen. We lunchten bij een uitkijktoren met een prachtig restaurant, de “Poolshoogte”. We zagen eieren van een kikker, uitgebraakt door een reiger toen deze in zijn maag begonnen te zwellen. Maar vooral genoten we van de heerlijke stilte. En van de geur van heide, ook al is ze uitgebloeid, op enkele struikjes dopheide na. Ook zagen we nog enkele grasklokjes. En tijdens twee avonden was er een mooie sterrenhemel. Zelfs met vallende sterren.. Alleen al daarom: wat een armoede hebben we toch in een groot deel van Nederland…
Ik heb enkele foto’s die ik maakte geselecteerd en er een muziekje voor gitaar onder gezet dat ik enkele jaren geleden componeerde. Zo krijg je wat mij betreft een mooie impressie van een heerlijke korte vakantie.
‘Onze zon gaat ontploffen’. De presentator herhaalde zijn woorden. De ongeveer 12 kinderen in de zaal lagen aan zijn lippen. “Wij gaan dan op in de zon. De zon wordt dan zo groot dat de hele aarde wordt opgeslokt’.
Elke ster komt ooit aan zijn einde. Afhankelijk van een aantal factoren kan dat op verschillende manieren gebeuren. De meest voorkomende is dat de ster verandert in een supernova en daarna verder inkrimpt. Als een ster supernova wordt dan is dat een spectaculair verschijnsel. Als uit het niets verschijnt er een soms ongelooflijk heldere bal aan de hemel die na een aantal dagen of weken weer verdwijnt. Historische waarnemingen werden o.a. in de elfde eeuw gedaan.
Op wikipedia lezen we: na een supernova kan van de ster een zogenaamde neutronenster overblijven: een klein, superzwaar lichaam, of als de massa daar groot genoeg voor was, een zwart gat, een lichaam zo zwaar dat zelfs licht niet kan ontsnappen aan zijn zwaartekracht. De lagen van de ster die bij de explosie worden afgestoten, worden na enkele jaren voor telescopen zichtbaar als een zich uitbreidende nevelvlek, de supernovarest. Een voorbeeld is de Krabnevel, die ontstaan is bij een supernova die werd waargenomen in het jaar 1054. Maar met een telescoop kun je hem nog lang daarna toch nog zien.
Een dergelijk restant heb ik gisteravond met de grootste telescoop van Nederland, die van het planetron van Dwingeloo, gezien. Ik heb dezelfde afbeelding op internet niet terug gevonden maar ik vind het toch leuk om een vergelijkbare afbeelding te tonen.
Het planetron van Dwingeloo heeft enkele zeer bekwame mensen in dienst die de presentaties verzorgen. Er is een grote ruimte waar je zelf van alles kunt zien wat met ruimtevaart, planeten, sterren en ga zo maar door te maken heeft. Ook zijn daar leuke animaties en films te zien.
Maar een eerste hoogtepunt is de presentatie in de grote theaterkoepelzaal. In een uur tijd wordt je via zon en maan geleid naar het zonnestelsel, melkwegstelsels en melkwegclusters totdat je uiteindelijk uit komt bij waarnemingen van de Hubble telescoop. Hij heeft in 2012 opnamen gemaakt van gebeurtenissen die plaats vonden slechts 0,4 tot 1 biljoen jaar na de oerknal. De oerknal zelf vond 13,7 biljoen jaar geleden plaats, dus we zijn door middel van deze foto’s relatief gezien vlak bij het begin van deze oerknal. De Hubble telescoop fotografeerde tot in detail een klein ruitvormig stukje aan de hemel en keek op die manier dwars door ons huidige melkwegstelsels en naburige melkwegstelsels heen naar heel erg ver verwijderde melkwegstelsels. Of ze er nu nog zijn is maar zeer de vraag, waarschijnlijk niet. Het licht van deze stelsels is biljoenen lichtjaren geleden uitgezonden!
Hieronder zie je bij XDF het ruitvormige deel van de hemel welk de Hubble fotografeerde. Ter vergelijking zie je de maanbol zoals die aan de hemel kan staan.
Hier onder zie je dat de foto met de melkwegclusters die Hubble fotografeerde objecten bevat waarvan het licht van 0,4 tot 1 biljoen jaar na de oerknal is uitgezonden.
Bij deze presentatie zag je daarna de sterrenhemel zoals hij er op dit moment in Nederland uitziet, geprojecteerd op de koepel, maar tegelijkertijd zoals je hem in werkelijkheid nooit zult zien. Je zag namelijk ongelooflijk veel sterren, en het verschil in magnitude (sterkte) was helaas (vond ik persoonlijk) niet goed genoeg zichtbaar gemaakt. Daardoor vielen de meest heldere sterren te weinig op en was het ook moeilijk om de bekende sterrenbeelden te herkennen. Het zou wat mij betreft veel beter zijn geweest als de hoeveelheid sterren die geprojecteerd werd meer beperkt was gebleven en iets meer met de realiteit, zeker met die van Nederland, overeen zou zijn gekomen. Maar goed, desondanks was het heel mooi en leerzaam. Ook omdat deze virtuele sterrenhemel in de tijd “vooruit gedraaid” kon worden. Je zag dan hoe de Poolster op zijn plaats bleef staan maar de rest van de sterren daaromheen bewoog. Je zag feitelijk de draaïing van de aarde om zijn as. Daarna werden er nog een aantal planeten toegevoegd.
En toen kwam dan het deel waar ik in feite voor gekomen was, het kijken door de telescoop met de grootste diameter van Nederland, die van het Planetron van Dwingeloo. Nu was er die avond geen enkele planeet goed te zien. Het was zo wie zo een beetje heiïg. Saturnus was net in het westen ondergegaan. De enige planeten die eventueel wel te zien zouden zijn geweest waren Uranus en Neptunus. Vrij laag aan de horizon, en daardoor in het meer heiïge deel. Als je ze dan al zou vinden zou het resultaat niet te onderscheiden zijn geweest van het gewone beeld van een ster, een onbeduidend puntje. Dus niet interessant om aan het publiek te laten zien. Daarom werd de telescoop flink hoog gericht op een ontplofte ster, niet ver van het sterrenbeeld adelaar. Deze ster is dus zoals gezegd een restant van een supernova. Wat we nu op die plek zien is misschien op dit moment al weer heel anders. Het licht van die nevel is enkele honderden jaren voor Christus uitgezonden. Daar dus keken we naar. Was dat alles? Ja zeker. Als we kijken naar een sciencefiction film of naar een goedgemaakte animatiefilm zie je spectaculaire beelden van de hemel. Wij zagen slechts een nietig wolkje tussen de sterren. Het duurde soms lang voordat degene die aan de beurt was het gezien had. Ik vond het geweldig. Met mijn verrekijker zou dat niet te zien zijn geweest. Ook niet met de kleine telescoop die ik ooit had. Nu zag ik het wel. En ik ervoer de sensatie die daar bij hoort. Je ziet iets uit een ver verleden. Niet zo lang geleden als de dingen die de Hubble telescoop ons heeft laten zien. Maar ver genoeg. De nietigheid greep me aan. Een van de dingen die de presentator tijdens zijn lezing zei: we weten nog zo verschrikkelijk weinig. Sommige dingen vermoeden we. Maar we geloven het vooral. Geloof en wetenschap waren opeens broertjes van elkaar. En dat ervoer ik ook bij het zien van dat nietige wolkje, het restant van een ontplofte ster. Het lot van ons allen.
“In desen verleden leste daegen heeft sich des avondts weijnig een uhr nae den sonnen onderganck laeten sien eene starre aen den hemel ende scheen langer dan 4 uhren haeren loop nemende naeden westen mit einen schroomelicken langen stert van vuijrige straelen mit bloedvervigen damp vermingelt. De stert strekte sich naeden oesten, weijnigh hooger nemptlich oest suijdt oest ende nae gemeijnen oogenschijn was langer dan drije roeden, ende neichde sich villicht om seiner swaerte etwess nae dat ertrijck boochser wijse ende gaff sich uijttereen mit sijne straelen ende verschricklichen bloetvervigen damp, wie eijn geissel ofte roije: wat eijgentlich dese verschrickelijke starre bedeuden ende uijtbracht heeft, heeft der tijd genoeg geleert.”
In de kroniek van 1577 van Roermond lezen we de beschrijving van een komeet. Astronomen van de Nasa weten om welke komeet het toen ging. Hij had de uitzonderlijke sterkte van -3. Hoe lager het cijfer, hoe meer helder. Bedenk dat hij daarmee meer helder was dan de helderste planeten Venus en Jupiter of de helderste ster Sirius. Het moet een ongelooflijk schouwspel zijn geweest. Maar kometen waren brengers van onheilstijdingen. In dat zelfde jaar brak de pest uit in Roermond en meer dan 1400 burgers lieten het leven. En ook waren de jaren daarna nog steeds zeer roerig vanwege de tachtigjarige oorlog die in deze contreien geen gouden eeuw bracht.
Wat zouden de mensen in vroeger jaren gedacht hebben bij het zien van de bloedzon van gisteren? Een schouwspel veroorzaakt door de sterke wind van orkaan Ohpelia die uit het zuiden zowel de rook van de bosbranden van Spanje en Portugal als Sahara-zand naar onze streken stuurde. En de lucht enigszins verduisterde, waar de zon de hele dag met een oranje of rode waas door heen wist te komen. Nu weten we hoe dat komt, in vroeger jaren zou het een compleet onverwacht natuurverschijnsel zijn geweest welk niet veel goeds zou beloven.
De zon maakt vrolijk, ik hoorde het eergisteren nog enkele mensen tegen elkaar zeggen. Een volle maan maakt droefgeestig, nostalgisch. Een bloedmaan maakt de droefgeestigheid nog intenser. Maar een bloedzon, wat doet die? Gevoelsmatig was de sfeer gisteren heel apart, zeker niet vrolijk makend. Het voelde zelfs een beetje angstig makend, ongrijpbaar. We leven in een tijd waarin de mensen het erg goed hebben in deze streken. Toch zijn veel mensen er niet gerust op. Er gebeurt veel in de wereld. Meest heel ver weg. Soms wat dichterbij. We zijn verwend, we willen dat het altijd alleen maar goed gaat. De bloedzon herinnerde er ons aan dat dat niet vanzelfsprekend is.
We hebben weer bijna een kabinet. De Nederlanders hebben afgelopen voorjaar zodanig gestemd dat dit per definitie een hele klus zou zijn. De enige mogelijkheid die nog open was zonder deelname van de PVV, die is het dan uiteindelijk geworden. Deze partijen hebben hun verantwoordelijkheid genomen. En omdat de verschillen tussen die partijen op een aantal punten best wel groot zijn zal dat pijn hebben gedaan. Wat mij betreft grote complimenten daarvoor!
Enkele dingen die niet alleen over de inhoud van het akkoord gaan, maar vooral over alles wat er op dit moment omheen gebeurt, wekken bij mij irritatie. Het ergste vind ik de populistische presentatie van onze premier. Het wordt een kabinet met plannen voor “de gewone man”. Wat een lariekoek. Zeker uit de mond van iemand van de VVD. Heb je wel eens een beeld gezien van een bijeenkomst van de VVD-jongeren? Dan weet je dat daar niet de gewone man vertegenwoordigd is. Daar zitten mannen en vrouwen uit Wassenaar en het Gooi die geen flauw idee hebben van de problematiek in achterstandswijken om maar iets te noemen.
Waar ik dan weer blij om ben is dat er eindelijk een begin gemaakt lijkt te worden met plannen die klimaatverbetering moeten bevorderen. Ik hoop van ganser harte dat ze het lef hebben om dat door te zetten.
En dan kan ik het niet laten om een sneer te geven richting de verslaggeving. Alles lijkt te draaien om mogelijke koopkrachtverbetering, hoeveel gaat iedereen er op vooruit? En dan hoor je gelijk weer een en al gemopper. Heel kleinzielig, alleen maar kijken naar de eigen portemonnee. Ik ben er van overtuigd dat wanneer je een goed verhaal hebt waar je het geld aan besteed (vooral ook op de lange termijn), dat de meeste mensen bereid zijn om zo nodig de broekriem aan te trekken. Uiteraard: probeer wel altijd de meest kwetsbaren te ontzien. De verslaggevers doen hier van hartenlust aan mee en de politici gaan weer massaal op de populistische tour. Stoppen daarmee!
De onderwijzers gaan weer staken. Ze willen dat er meer geld voor hen wordt uitgetrokken. Geld is een, maar wat kan het kabinet eigenlijk behalve de salarissen verhogen? Ze hebben in het verleden vrijwel alle mogelijkheden uit handen gegeven. De gemeenten moeten een aantal dingen voor de scholen invullen en de scholen mogen zo wie zo op een breed terrein zelf weten waar ze het geld aan uit geven. Een wet zou dwingend kunnen opleggen dat de klaslokalen groter moeten worden, binnen laten we zeggen 10 jaar. Maar dan moeten de gemeenten daar extra geld voor krijgen, anders zal dat nooit lukken. De regering kan verplichten om de klassengrootte te maximaliseren. Ook dat zal op een aantal scholen tot problemen leiden vanwege ruimtegebrek en scholen die ervoor gekozen hebben om het geld ergens anders aan uit te geven zullen ook in de problemen komen. Eigenlijk zeg ik dus: schaf de lumpsumregeling af en bekostig alles weer als vanouds. Maar net als bij de zorg: men is er bang voor dat de kosten de pan uit gaan rijzen. Ja, maar wat wil je. Het gaat om goed onderwijs en de voorwaarden daarvoor die deugen gewoonweg niet. Dus dat gaat een centje kosten. Daar moet het geld dus naar toe. Net dacht men in Den Haag alles van zich afgeschoven te kunnen hebben en nu zou het weer terug gedraaid moeten worden. Ik zie het niet gebeuren.
Ja en zo heeft iedere partij die meedoet met het kabinet ergens zijn zin in gekregen. Het Wilhelmus wordt verplichte kost. We gaan dan weer op de negentiende-eeuwse manier vaderlandsliefde bedrijven en de Vader des Vaderlands op een voetstuk zetten. In de geschiedenisboeken zal niet komen te staan dat Willem van Oranje aanvoerder van het leger was dat in 1572 Roermond plunderde en daarbij vele monniken vermoordde. Ook niet dat deze held drie keer van godsdienst is veranderd omdat hij hertrouwde en dat dit op dat moment beter uit kwam. Ook niet dat hij een huurleger bij elkaar raapte, vooral om zijn eigen bezittingen in Brussel en Breda terug te krijgen, die de Spanjaarden hem hadden afgepakt. En natuurlijk had hij daar een vaderlandslievende propagandamachine voor nodig. Dat het na de dood van Willem van Oranje nog steeds een tijd kantje boord was en dat het meer geluk dan wijsheid was dat de Spanjaarden niet weer opnieuw controle over de verloren gegane gebieden kregen. (De geldkraan van de vijand was dichtgedraaid, de Spanjaarden waren blut). Dat de echte helden Prins Maurits en vooral ook Johan van Oldenbarnevelt waren die de jonge republiek door roerige tijden wisten te loodsen. Ook niet in de geschiedenisboeken zal komen te staan dat de Oranjes eigenlijk pas in 1814 op een echt voetstuk zijn geplaatst en dat toen pas de oranje-mythe flink is opgeblazen. Uit angst voor de Republiek, zoals Frankrijk die had ingesteld, wilden de Europese regeringsleiders bij het congres van Wenen in 1814 dat overal monarchieën kwamen. Dus hoppa, de Oranjegezinden kregen het voor elkaar dat Nederland een heuse koning kreeg. Het Rijksmuseum moest daar aan het einde van die eeuw ook een rol in vervullen. En nu in 2017: ja wel, we moeten verplicht het Wilhelmus gaan zingen en het Rijksmuseum bezoeken. Het Wilhelmus mag van mij blijven want het is een prachtig lied. Ook een lied om na te denken over het verleden. Maar dan op een iets bredere manier dan nu. Net zoals ze in Rotterdam de naam Witte de Withstraat mogen laten bestaan of de galerie Witte de With. Maar schroom niet om er bij te vertellen wie die man was: geen lieverdje. Dat is onderdeel van ons verleden. Dat hoeven we niet weg te poetsen. Maar zeker ook niet mooier te maken dan het is. Het Rijksmuseum is een prachtig museum. Maar wil je de Nederlandse geschiedenis en cultuur inzichtelijk maken, stuur de kinderen dan naar het Openluchtmuseum van Arnhem. En eigenlijk kun je aan de hand van heel veel musea iets vertellen over Nederland. Het planetarium van Eisinga bijvoorbeeld, of Hofwijk, waar de groten van de familie Huijgens verbleven.
Maar: we hebben over enkele weken een nieuw kabinet. Mijn zegen hebben ze. Ik wens ze vooral veel wijsheid, standvastigheid en een lange termijnvisie toe.